Citaten uit de werken van Jung over liefde

 

Wat wordt er niet allemaal 'liefde' genoemd! Het begint met het diepste geheim van het christendom, waarna we nog een niveau dieper de 'amor Dei'[1] van Origines, de 'amor intellectualis Dei'[2] van Spinoza, de 'liefde voor de idee' van Plato en de 'minne' van de mystici aantreffen. Dan zijn er, in de menselijke sfeer, de woorden van Goethe:
 
Nu sluimert ieder wild verlangen
En elk' hartstochtelijke daad,
Waar 't hart, door mensenmin bevangen,
De liefde tot zijn God verstaat.


Hier treffen we de naastenliefde aan, zowel in haar christelijke als boeddhistische schakering van medemenselijkheid: de filantropie, het sociale werk. Daarnaast is er de liefde voor het vaderland en voor andere ideële instituties, zoals de Kerk enzovoort. Hier voegt zich de ouderliefde bij, vooral de moederliefde, en vervolgens de liefde van het kind. Met de liefde tussen huwelijkspartners verlaten we het gebied van de geest en komen we in een tussengebied dat zich tussen de geest en het instinct uitstrekt. Enerzijds ontvlamt hier de zuivere eros in het vuur van de geslachtsdrift, anderzijds worden hier ideële vormen van liefde als de ouderliefde, de liefde voor het vaderland en de naastenliefde vermengd met de zucht naar persoonlijke macht, de zucht om te bezit ten en te beheersen. Dit wil echter niet zeggen dat alles wat in de sfeer van het instinct ligt ook noodzakelijkerwijs een verlaging inhoudt. Integendeel, de kracht van de liefde openbaart zich des te schoner en waarachtiger naarmate deze meer instinct bevat. Maar hoe sterker het instinct de liefde overwoekert, des te sterker komt het dier tevoorschijn. De liefde tussen bruid en bruidegom kán weliswaar een liefde zijn waarover we met Goethe kunnen zeggen:

Waar sterke geesteskracht
De twee naturen
In zich tezamen bracht,
Moeten zij duren.
Daar kan geen engel d'een
Van d'ander bevrijden.
Eeuwige liefde alleen
Kan ze weer scheiden[3].


Maar het hoeft niet altijd een dergelijke liefde te zijn; ze kan ook het karakter hebben waarvan Nietzsche zegt: 'Twee dieren hebben zich aan elkaar overgegeven.' De liefde van verliefden grijpt nog dieper in. De gewijde verloving, de gelofte van een gemeenschappelijk leven ontbreekt, maar in plaats daarvan kan elke andere schoonheid van het noodlot, van het tragische, deze liefde omstralen. In de regel echter overweegt het instinct met zijn donkere gloed of zijn flakkerend strovuur.

GW 10, § 199 e.v.

[1] Liefde tot God.
[2] Verstandelijke liefde tot God.
[3] Citaat uit Faust, Wereldbibliotheek, Amsterdam 1982.
Vertaling C.S. Adama van Scheltema. (Vert.)


*

Empirisch blijkt dat de liefde de noodlotskracht bij uitstek is, of ze nu als lagere begeerte verschijnt of als geestelijke affectie. Ze is een van de machtigste drijfveren van het menselijk handelen. Het is volkomen terecht dat men haar als goddelijk opvat, want hetgeen in de psyche zonder meer de meeste macht heeft, wordt van oudsher als 'God' aangeduid. Of men nu in God gelooft of niet, of men bewondert of vlucht, het woord 'God' dringt zich altijd op ieders lippen. Wat in de psyche de meeste macht heeft, heet altijd en overal iets als 'God'. Daarbij wordt God altijd tegenover de mens geplaatst en van hem onderscheiden. Ze hebben echter de liefde gemeen.

GW 5, § 98

*

De liefde is altijd een probleem, in welke leeftijdsfase een mens ook is. Voor de fase van de kindertijd is de liefde van de ouders het probleem, voor de bejaarde is het probleem wat hij met zijn liefde gedaan heeft. De liefde is een van de grote machten van het noodlot, die van de hemel tot in de hel reikt.

GW 10, § 198

*

Ik denk dat u het hele probleem van de liefde het beste kunt opvatten als een miraculum per gratiam Dei[1] waarvan niemand in wezen ook maar iets begrijpt. Het is altijd een noodlotskracht, waarvan we de diepste wortels nooit kunnen blootleggen. Men moet zich door de daden van God niet in verwarring laten brengen. De verheven onzinnigheid of de onzinnige verhevenheid van wat ons overkomt, zou ons met filosofische verwondering moeten vervullen.

Briefe 1, 274

[1] Wonder bij de gratie Gods.


*

Toch heeft u volkomen gelijk wanneer u zegt dat de liefde tot de allerbelangrijkste problemen van het leven behoort. Maar het is ook het aller-moeilijkst om over het allerbelangrijkste te spreken. Men voelt daar een heel natuurlijke huiver voor, een soort ontzag, dat ons alle grote en machtige dingen inboezemen. [...] Het probleem van de liefde doemt voor mij op als een reusachtig grote berg, die ik met al mijn ervaring alleen maar hoger zag oprijzen, telkens als ik dacht hem bijna beklommen te hebben.

Briefe 1,60

*

Deze vervlechting van de liefde met alle vormen van het leven is, voor zover het algemene, dat wil zeggen, collectieve vormen zijn, slechts een gering probleem in vergelijking met het feit dat de liefde ook een buitengewoon groot individueel probleem is. Dit betekent echter dat, individueel beschouwd, alle algemene criteria en regels hun geldigheid verliezen.

GW 10, § 198

*

Het is echter ondenkbaar dat deze rijke wereld te arm zou zijn om de liefde van een mens een object te bieden. Ze biedt iedereen oneindig veel ruimte. Het is eerder het onvermogen lief te hebben dat een mens van zijn mogelijkheden berooft. De wereld is alleen leeg voor hen die niet in staat zijn het libido op mensen en dingen te richten, en die tot leven te wekken en schoonheid te geven. Dus wat ons dwingt een surrogaat in onszelf te zoeken, is niet het gebrek aan objecten buiten ons, maar ons onvermogen om iets buiten ons liefdevol te omarmen. De problemen van onze levensomstandigheden en de tegenslagen in onze strijd om het bestaan zullen ons zeker terneerslaan, maar ook zware uiterlijke omstandigheden zullen de liefde niet hinderen. Integendeel, ze kunnen ons tot de grootste krachtsinspanning aansporen. Feitelijke problemen zullen het libido nooit zo definitief terugdringen dat daaruit, bijvoorbeeld, een neurose ontstaat. Daarvoor ontbreekt het conflict, dat de voorwaarde voor elke neurose is. Slechts het verzet, dat de wil zijn kracht ontneemt, is in staat de regressie teweeg te brengen waaruit een psychologische storing kan ontstaan. Het verzet tegen de liefde veroorzaakt het onvermogen lief te hebben, of het is dit onvermogen dat verzet oproept. Zoals het libido op een bestendige rivier lijkt, waarvan het water breed de wereld van de werkelijkheid in stroomt, zo lijkt het verzet, dynamisch beschouwd, niet zozeer op een zich in de stroom verheffende rots die door het water wordt omgeven, maar eerder op een tegenstroom die in plaats van naar de monding naar de bron terugkeert. Een deel van de ziel verlangt naar het object in de buitenwereld, maar een ander deel wil terug naar de subjectieve binnenwereld, waar de ijle luchtkastelen van de fantasie wenken.

GW 5, § 253

*

De liefde is een van de problemen die de mens het meest doen lijden. Niemand hoeft zich ervoor te schamen dat ook hij de tol van de liefde moet betalen.

GW 17, § 219

*

De gewone menselijke rede, het gezonde verstand en de wetenschap als 'common sense' bij uitstek komen beslist heel ver, maar toch niet verder dan de grenspalen van de aller-banaalste werkelijkheid en het gemiddelde, normale menselijk bestaan. In wezen geven ze geen antwoord op de vraag naar de diepste zin van het menselijk lijden. De psychoneurose moet in laatste instantie worden begrepen als een lijden van de ziel die zijn doel niet gevonden heeft. Maar uit het lijden van de ziel komen elke geestelijke schepping en elke geestelijke menselijke vooruitgang voort, terwijl geestelijke stilstand en onvruchtbaarheid van de ziel de oorzaak van het lijden zijn.

Is de arts eenmaal van dit besef doordrongen, dan betreedt hij een gebied dat hij slechts met de grootste aarzeling nadert. Hier wordt hij namelijk genoodzaakt om de genezende verbeelding, de geestelijke betekenis over te dragen, want dat is het waarnaar de patiënt verlangt, los van alles wat het verstand en de wetenschap hem kunnen geven. De patiënt zoekt iets wat hem beroert en uit de chaotische verwarring van zijn ziel iets zinvols vormt.

Is de arts tegen deze taak opgewassen? Hij zal zijn patiënt om te beginnen naar een pastor of een filosoof verwijzen, of hem aan de grote radeloosheid van deze tijd overlaten. Hij is arts, dus zijn professioneel geweten verplicht hem er niet toe dat hij een levensbeschouwing heeft. Wat doet hij echter als hij maar al te duidelijk ziet waaraan zijn patiënt lijdt, namelijk dat deze geen liefde kent maar slechts seksualiteit, geen geloof heeft omdat hij bang is met blindheid te worden geslagen, geen hoop omdat de wereld en het leven hem hebben gedesillusioneerd, en geen inzicht omdat hij de zin van zijn eigen leven niet ziet?

Veel ontwikkelde patiënten weigeren categorisch naar een pastor te gaan. Van een filosoof willen ze al helemaal niets weten, omdat de geschiedenis van de filosofie hen koud laat en het intellectualisme voor hen een dorder gebied is dan de woestijn. Bovendien, waar zijn de grote wijzen die niet alleen over de zin van dit leven en deze wereld praten, maar die zin ook werkelijk kennen? Het is onmogelijk een systeem of een waarheid uit te denken die de patiënt dát geeft wat hij nodig heeft om te leven, namelijk geloof, hoop, liefde en inzicht.

Deze vier hoogste verworvenheden van het menselijk streven zijn even zovele genadegaven, die men onderwijzen noch leren kan, geven noch ontvangen kan, weigeren noch verdienen kan. Want ze zijn afhankelijk van een irrationele, aan de menselijke willekeur onttrokken voorwaarde, namelijk de ervaring. Ervaringen kunnen echter nooit worden 'gemaakt'. Ze overkomen ons, hoewel gelukkig niet op absolute wijze, maar op relatieve wijze. Men kan ze naderbij komen. Daar is een mens nog toe in staat. Er zijn wegen die in de richting van de ervaring leiden. Men moet zich er echter voor hoeden deze wegen 'methoden' te noemen, want dat woord doodt alle leven. Bovendien is de weg naar de ervaring allesbehalve een kunstgreep; het is veel meer een waagstuk dat de onvoorwaardelijke inzet van de volledige persoonlijkheid vereist.

Is er nu de noodzaak tot therapie, dan doet zich hier een vraag voor die tegelijk een onoverkomelijke hindernis lijkt. Hoe kunnen we de lijdende ziel helpen de verlossende ervaring te krijgen waardoor hem de vier grootste charismata[1] ten deel vallen en hij van zijn ziekte geneest? Onze goedbedoelde raad luidt: verwerf de ware liefde, of het ware geloof, of de ware hoop, of 'leer jezelf doorzien'. Maar waar moet de zieke vooraf vandaan halen wat hij pas achteraf kan verwerven?

Saulus dankt zijn bekering noch aan de ware liefde, noch aan het ware geloof, noch aan welke andere waarheid dan ook. Slechts zijn christenhaat voerde hem naar Damascus en daarmee naar die ervaring die beslissend voor zijn leven zou zijn. Hij leefde vol overtuiging volgens zijn grootste dwaling, en dat bracht hem zijn ervaring.

Hier stuiten we op een levensprobleem dat men niet ernstig genoeg kan nemen, en hier komt de zielenarts voor een probleem te staan dat hem in nauw contact met de zielenherder brengt

GW 11, § 497 e.v.

[1] Genadegaven.


*

De vrouw van tegenwoordig is zich bewust geworden van het onloochenbare feit dat ze slechts in de liefde het hoogste en het beste kan bereiken, en dit besef geeft haar weer het inzicht dat liefde buiten de wet staat. Daar komt echter haar persoonlijk zelfrespect tegen in opstand. Men is geneigd dat te identificeren met het algemeen maatschappelijk oordeel. Dat is echter nog maar het minste kwaad. Erger is dat dit oordeel de vrouw ook in het bloed zit. Het spreekt tot haar als een innerlijke stem, als een soort geweten; het is de macht die haar in bedwang houdt. Ze is zich er nooit van bewust geworden dat haar persoonlijkste, intiemste bezit met de geschiedenis in conflict kan komen. Een dergelijk conflict is wel het laatste en het meest absurde dat ze zich kan voorstellen. Maar wie begrijpt dan ook volledig dat de geschiedenis in werkelijkheid niet in dikke boeken staat, maar in ons bloed zit? Slechts een enkeling.

GW 10, § 266

*

Het is kenmerkend voor de vrouw dat ze alles uit liefde voor een mens kan doen. Vrouwen die uit liefde voor een zaak iets bijzonders presteren, vormen de allergrootste uitzondering, omdat dat niet in overeenstemming met hun natuur is. Liefde voor een zaak is een voorrecht van de man. Maar omdat het mannelijke en het vrouwelijke in de menselijke natuur verenigd zijn, kan een man op vrouwelijke wijze leven en een vrouw op mannelijke wijze. Niettemin bevindt het vrouwelijke zich bij de man op de achtergrond, zoals het mannelijke bij de vrouw. Wanneer men op de wijze van het andere geslacht leeft, leeft men vanuit de eigen achtergrond, waarbij men echter tekort doet aan het eigen wezen. Een man moet als man leven en een vrouw als vrouw.

GW 10, § 243

*

Een vrouw die liefheeft kan een situatie tegenover elke overmacht, tegenover dood en duivel, in stand houden en uit volle overtuiging orde in de chaos brengen.

Traumanalyse, § 744

*

Zoals tegen de dood geen kruid gewassen is, zo is er geen simpel middel om zoiets moeilijks als het leven nu eenmaal is, gemakkelijk te maken. We kunnen de zwaartekracht alleen opheffen door voldoende energie te ontwikkelen. Op dezelfde manier vormt de oplossing van het probleem van de liefde een uitdaging voor de totale mens. Bevredigende oplossingen kunnen slechts worden bereikt door een totale inzet. Al het andere is ondeugdelijk stukwerk. Vrije liefde zou alleen mogelijk zijn wanneer alle mensen een morele topprestatie leveren. Het idee van de vrije liefde is echter niet met dat doel ontstaan, maar om iets dat moeilijk is gemakkelijk te laten lijken.
 
Tot de liefde behoren de diepte en de trouw van het gevoel, zonder welke de liefde geen liefde, maar slechts een gemoedsstemming is. Bij ware liefde gaat men altijd duurzame, verantwoordelijke relaties aan. De enige vrijheid die ze nodig heeft is de vrijheid om te kiezen, niet die om te verwezenlijken. Alle ware, diepe liefde vraagt om een offer. Men offert zijn mogelijkheden, of beter gezegd: de illusie van zijn mogelijkheden. Zonder dit offer verhinderen onze illusies dat dit diepe en verantwoordelijke gevoel ontstaat, waardoor ons echter ook de mogelijkheid wordt onthouden de ware liefde te ervaren.

De liefde heeft meer dan één kenmerk met de religieuze overtuiging gemeen. Ze vereist een instelling van onvoorwaardelijkheid; ze verwacht dat men zich volledig aan haar overgeeft. En zoals alleen die gelovige die zich volledig aan zijn God overgeeft de goddelijke genade deelachtig wordt, zo onthult de liefde haar diepste geheimen en wonderen slechts aan hen die tot onvoorwaardelijke overgave en trouw aan het gevoel in staat zijn. Dit is zo'n moeilijke opgave, dat maar heel weinig mensen zich erop kunnen beroemen haar te hebben vervuld. Maar juist omdat de liefde die de meeste overgave en trouw vraagt ook de mooiste liefde is, moet men nooit naar iets zoeken wat de liefde gemakkelijk maakt. Wie voor de zware last van de liefde terugdeinst, is een slechte ridder voor zijn jonkvrouw. Het is met de liefde als met God. Slechts de dapperste dienaren geven zich eraan over.

GW 10, § 231 e.v.

*

In de christelijke gemeente wordt benadrukt dat het zeer belangrijk is de gemeente in stand te houden, en wel door onderlinge liefde. Paulus laat daar in zijn voorschriften geen twijfel over bestaan:

'Dien elkaar in liefde.'
'Blijf elkaar liefhebben als broeders en zusters.'
'Laten we elkaar tot liefde en goede werken aansporen, en de gemeente niet verlaten. '[1]

In de christelijke gemeente lijkt de onderlinge verbondenheid een voorwaarde te zijn voor de verlossing, of hoe men de toestand waarnaar men zo intens verlangt ook maar wil noemen. In de eerste brief van Johannes wordt dat op vergelijkbare wijze aldus onder woorden gebracht:

'Wie zijn broeder of zuster liefheeft, blijft in het licht . .. Maar wie zijn broeder of zuster haat, bevindt zich in de duisternis.'
'Niemand heeft God ooit gezien. Maar wanneer we elkaar liefhebben, blijft God in ons.'

We hebben er hiervoor op gewezen dat men de zonden tegenover elkaar belijdt en dat hetgeen de ziel bezwaart op de godheid wordt overgedragen. Daar,door ontstaat er tussen hem en de mens een innige band. Men dient echter niet alleen met God, maar ook met zijn medemens door liefde verbonden te zijn. Die band lijkt zelfs net zo wezenlijk als de band met God. Als God alleen 'in ons blijft' als wij 'onze broeder of zuster' liefhebben, rijst bijna het vermoeden dat de liefde nog belangrijker is dan God. Deze gedachte lijkt minder ongerijmd wanneer we de volgende woorden van Hugo van St. Victor wat nauw, keuriger bekijken:

'O liefde, je kracht is zo groot.
O liefde, jij alleen bent in staat om God uit de hemel naar de aarde te halen.
Hoe sterk zijn je boeien, waarmee zelfs God kan worden vastgeketend...
Je hebt Hem hierheen gevoerd, in jouw boeien geslagen, met jouw pijlen verwond...
Wie niet konden lijden, heb je verwond; wie niet konden worden overwonnen, heb je geboeid;
wie onwrikbaar waren, heb je in beweging gebracht; wie eeuwig zouden leven, heb je sterfelijk gemaakt...
O liefde, hoe groot is je overwinning!'



De liefde lijkt dus geen geringe macht te zijn. Ze is immers God zelf ('God is liefde; wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.') Aan de andere kant is de 'liefde' echter een antropomorfisme bij uitstek en, naast de honger, de klassieke psychische drijfveer van de mens. Ze is, psychologisch beschouwd, aan de ene kant een relationele functie, aan de andere kant een gevoelsmatige psychische toestand die, zoals duidelijk blijkt, als het ware met het godsbeeld samenvalt. De liefde is ongetwijfeld een determinerende drijfveer. Ze maakt deel uit van het menselijk karakter en handelen. Wanneer daarom in het religieuze taalgebruik God als 'liefde' wordt gedefinieerd, dreigt het grote gevaar dat de liefde die in een mens werkzaam is, wordt verward met de daden van God.

 GW 5, § 95 e.v.

[1] Bijbelcitaten komen uit de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbel­stichting, die in oktober 2004 wordt gepubliceerd. Waar deze vertaling echter duidelijk afwijkt van de tekst die Jung citeert, zijn de citaten aan de tekst van Jung aangepast. (Vert.)


*

Onze droomster is geen religieuze persoonlijkheid, maar 'modem'. Ze is de religie die men haar ooit leerde vergeten. Ze heeft er geen idee van dat er momenten zijn waar de goden zich in mengen, of beter, dat er sinds oeroude tijden situaties zijn die tot in de diepste diepte kunnen ingrijpen. Bij deze situaties hoort bijvoorbeeld de liefde, haar hartstocht en gevaar. De liefde kan onvermoede krachten van de ziel opwekken, waar men maar beter voorzichtig mee kan omgaan. 'Religio' als 'behoedzaam rekening houden met' onbekende gevaren en krachten - daar gaat het hier om. Slechts een projectie is al voldoende om de liefde met al haar noodlottige kracht te laten ontstaan: als iets dat in een verblindende illusie uit de alledaagse levenswijze van de vrouw tevoorschijn wordt gerukt. Is het iets goeds of slechts, God of de duivel, dat de droomster zal overkomen? Zonder het zich bewust te zijn, voelt ze zich nu al overgeleverd. Geen mens weet of ze tegen deze complicatie bestand is. Ze is die tot nu toe naar beste vermogen uit de weg gegaan, maar nu dreigt die haar te overmeesteren. Het is een risico dat men zou moeten ontvluchten; en als men het toch neemt, dan hoort daar, zoals men zegt, veel 'vertrouwen op God' of 'geloof' in de goede afloop bij. Zo doet zich hierbij ongevraagd en onverwacht eveneens de vraag naar de religieuze instelling tegenover het noodlot voor.

GW 7, § 164

*

Dat is een dwaas idee, dat mannen hebben. Ze denken dat eros seks is. Dat is volkomen onjuist. Eros is betrokkenheid.

Traumanalyse, 203

*