De ziel en haar kenmerken

Over de ziel.


Fundamenteel voor de ziel is het vermogen om de wereld waar te nemen. Het oog zelf ziet niet, het oor hoort niet; het is de ziel die door middel van de zintuigen ziet, hoort, ruikt, proeft en tast. Het oog is slechts in staat de elektromagnetische trillingen die via voor­werpen door het netvlies worden opgevangen, in een zenuwprikkel om te zetten en naar de hersenen te leiden. Als deze trillingen een bepaalde frequentie hebben, bijvoorbeeld zeshonderd biljoen per seconde, ontstaat er in de menselijke ziel - ervan uitgaande dat er aan het gezichtscentrum in de hersenen niets mankeert - een be­paalde waarneming, bijvoorbeeld de waarneming die we met het woord 'groen' aanduiden. Een groene wei is dus niet 'objectief' groen (objectief bestaat hoogstens het feit dat het gras uitsluitend een bepaalde trilling van het zonlicht weerkaatst), maar ze wordt pas 'groen' door de waarnemende ziel van de mens. Evenzo zijn klanken 'objectief' gezien hard noch zacht, hoog noch laag en ook niet mooi of lelijk, - objectief bekeken zijn het zelfs geluidloze trillingen en pas door onze waarneming krijgen ze het karakter van klanken.

Als we zo doorredeneren, moeten we tot de conclusie komen dat we over het bestaan van een wereld die zich buiten onze ziel bevindt, in objectieve zin niets weten. We kennen slechts onze subjectieve waarnemingen, die ongetwijfeld iets psychisch zijn, dat we echter gewoontegetrouw in de ons omringende wereld lokaliseren. Van het objectieve karakter ervan zijn we overtuigd, omdat anderen op de­zelfde wijze hun waarnemingen benoemen. De taal is echter een volstrekt psychisch verschijnsel, dat ons in staat stelt met elkaar te communiceren over het schijnbaar reële karakter van de buitenwe­reld.

Al het waarnemen is een steeds weer herkennen en benoemen. Het veronderstelt dat onze ziel - vanzelfsprekend met hulp van de hersenen - eenmaal opgedane ervaringen kan opslaan en reprodu­ceren, kortom, dat ze die bijzondere eigenschap bezit die we geheu­gen noemen. We stelden zojuist dat het waarnemingsvermogen van onze ziel voorwaarde is om de wereld om ons heen te kennen. Hier­aan moeten we toevoegen dat de ziel alles wat zij waarneemt en er­vaart in het geheugen opslaat. Dit vormt de basis waarop we onszelf, dat wil zeggen ons lichaam en onze ziel, kennen, respectievelijk steeds weer herkennen. Het geheugen vormt de basis voor onze psychische continuïteit.

Om de werkelijke betekenis hiervan goed te begrijpen, moeten we niet in de eerste plaats denken aan de willekeurige activi­teit van het geheugen, dus aan het feit dat wij bijvoorbeeld gedich­ten, woordjes of verkeersregels uit ons hoofd kunnen leren, maar moet het duidelijk zijn dat ook zonder een dergelijke activiteit alle voorvallen in ons leven hun plaats hebben in ons geheugen, ook schijnbaar vergeten gebeurtenissen. We zouden kunnen spreken van een toegankelijk en een ontoegankelijk deel van ons totaal aan herinneringen. We zullen daar later op terugkomen.

De ziel, die zichzelf door het geheugen kent, bezit dus geen di­mensie van ruimte, maar wel van tijd. Haar bestaan beperkt zich niet slechts tot het heden, maar het hele verleden van het individu ligt er­in besloten, en via de dragers van de erfelijke eigenschappen bestaat er zelfs een verband met de psychische basisstructuur van de voorouders, die slechts indirect voor het bewustzijn toegankelijk is. In de vorm van ons geheugen omvat onze ziel niet alleen het verleden, maar is zo ook in staat zich op de toekomst te richten. Door onze ver­beeldingskracht kunnen we ons niet alleen het verleden voor de geest halen, maar ons ook iets voorstellen wat in de toekomst zal plaatsvinden. We kunnen naar de volgende dag uitzien, of de ko­mende jaren kunnen ons met vrees vervullen, en we weten zeker dat we eens zullen sterven. Daarmee komen we op een ander aspect van de ziel, waarover filosofen zich door de eeuwen heen hebben gebo­gen, maar waarmee de descriptieve psychologie niet goed raad weet: we bedoelen het vermogen van de ziel om te denken.

Het denken kan niet zonder het denken beschreven worden, maar de gedachtevorming over het denken kan alleen ontstaan door be­wust bij het eigen denkproces stil te staan of door anderen bij het spreken gade te slaan. Voor een reflectie op het denken zou men moeten kunnen uitgaan van een archimedisch punt buiten het den­ken. Omdat zoiets niet bestaat, kan de wonderbaarlijke Münchhau­sen, die er ook in slaagde zich aan zijn eigen haren uit het moeras te trekken, als voorbeeld dienen.

Het denken bestaat uit vroegere waarnemingen die op een nieuwe manier met elkaar in verband wor­den gebracht. Deze waarnemingen kunnen direct aan het denken voorafgaan, of afkomstig zijn uit het geheugenreservoir. Wat in het geheugen is opgeslagen is chronologisch gerangschikt en is boven­dien, door de zogenaamde associaties, op een bepaalde manier naar onderwerp geordend, en wel op grond van een onvoorstelbare hoe­veelheid thema's, die ook nog naar talrijke andere dingen verwijzen. Deze associaties scheppen de mogelijkheid voor een oneindig aantal aanknopingspunten tussen alle concrete ervaringen en fantasieën. Het denken kan zich als associatief denken vrij aan associaties over­geven, en zich dan honderdvoudig tot duizendvoudig vertakken.

Ligt de taak van het denken echter in het oplossen van problemen, functioneert het dus als innerlijk proefondervindelijk handelen, dan moet het doelgericht denken worden. Het maakt dan in minde­re mate gebruik van aanschouwelijke beelden, maar meer van woor­den, die op een compacte manier bepaalde beelden en andere in­houden van het geheugen weergeven. Het denken wordt daarmee zoiets als een 'innerlijk spreken'.

Het is echter veel méér dan dat. Want terwijl het wezenlijke van het spreken het meedelen van vastomlijnde resultaten van het denken is, voltrekt het denkproces zelf zich via onduidelijke lijnen die we 'gedachten' noemen, en waarvan het onmogelijk is de essentie te begrijpen. Men kan er alleen maar van zeggen: Het ontstaan van gedachten is onverbrekelijk met de taal verbonden, waarbij 'de taal' veel meer omvat dan 'het spreken' . Met het gebruik van de taal ontstaan de begrippen, die een we­zenlijk element van het denken vormen. Begrippen kunnen worden beschouwd als 'de som van ervaringen’, waarbij het gemeenschappe­lijke van veel ervaringsfeiten in één woord wordt samengevat. Door­dat het abstracte denken met zuiver taalkundige vormen (woorden en begrippen )werkt, leidt dit tot een veel sneller inzicht in hoofd - en bijzaken dan het tragere zakelijk of aanschouwelijk denken.

De begrippen zijn niet de enige hulpmiddelen die het denken ge­bruikt om verder te komen. Ook de taal kan ons van dienst zijn om in het denken andere elementen te onderscheiden. Taal bestaat im­mers niet uit afzonderlijke woorden, maar uit samengestelde eenhe­den die we 'zinnen' noemen. Deze samenvoeging van woorden tot zinnen gebeurt niet willekeurig, maar volgens regels die op een inge­wikkelde manier de grammaticaal juiste zinsbouw bepalen, en te­vens de zinsdeelfunctie en de betekenis van hun onderling verband vaststellen.

Een dergelijke opbouw treffen we ook aan bij het denken. Ook de opbouwende samenhang van gedachten horen aan bepaalde wet­ten te voldoen, willen ze 'correct' zijn. De ordening van gedachten vindt volgens bepaalde regels plaats, en de volgorde beantwoordt aan bepaalde functies. De kunst om in overeenstemming met deze wetten zuiver te denken, noemt men 'logica'. Door middel van het logisch denken, waarvan we de wetten in de filosofie vinden, is het mogelijk tot juiste, algemeen geldende uitspraken over bestaande feiten te komen, en dan uit de verschillende uitspraken de juiste eindconclu­sie te trekken.

Deze wetten over het zuiver denken werden natuur­lijk niet door filosofen uitgedacht en vervolgens als bindend aan het denken voorgeschreven. Het omgekeerde is het geval: het zijn struc­tuurelementen van het denken, die zich samen met het denken ont­wikkelen, en de wetten zijn pas naderhand door de filosofie ontdekt en geformuleerd. Niemand hoeft filosofie te studeren om zuiver te kunnen denken, maar iedereen die over een 'gezond verstand' be­schikt, mag ervan uitgaan dat hij denkt volgens de algemeen gelden­de wetten betreffende het denken. Het 'gezond verstand' is juist 'gezond' door het denken dat zich naar de waarneming oriënteert, getoetst kan worden aan het abstracte denken - zich dus niet uit­sluitend naar de wetten van de logica, maar even goed naar de con­crete wereld oriënteert.

De kwaliteit van het denken, die we 'verstand' noemen, stelt ons in staat de juiste betekenis van losse gedachten te begrijpen, deze met andere te vergelijken en ze dan te ordenen en in relatie te bren­gen met andere gedachten, of liever gezegd: met al onze andere er­varingen. Pas door deze rangschikking in een wijdere samenhang van gedachten leert men gedachten 'begrijpen'. Het kan ons vol­doening en zelfs vreugde schenken, een veeleisende gedachtegang te kunnen volgen.

Het denkproces en ook de gedachten zelf wekken bijna altijd gemoedsaandoeningen op die niets met gedachten te maken hebben, zelfs als hun tegendeel kunnen worden beschouwd: bedoeld worden de gevoelens.

Menigeen vindt dat het gevoel zo'n belangrijk aspect van de ziel vormt, dat het gewoon als synoniem voor de ziel wordt opgevat. De­ze eenzijdigheid is onjuist, maar maakt wel duidelijk hoezeer we ge­neigd zijn de ziel op te vatten als iets onbegrijpelijks, iets ongrijp­baars, als iets waaraan we geen richting kunnen geven, en wat soms angstaanjagend is. Want uit ons handelen blijkt dat het gevoel vaak niet te begrijpen, niet te vatten is, dat het niet kan worden 'gestuurd' en daarom vaak angstaanjagend is.

We worden door een hevige gemoedsaandoening meegesleept, we worden in ons denken en handelen tegen onze wil door diepe emoties beïnvloed, of we zijn dagenlang op onverklaarbare wijze verdrietig - en steeds zullen we moeten erkennen dat we machteloos staan tegenover de overmacht van gevoelens. Er bestaan weliswaar gevoelens die als reactie op be­paalde gebeurtenissen zijn te verklaren, maar zelfs deze gevoelens kunnen niet op elk willekeurig moment opgeroepen worden. De muziek die me gisteren zo diep raakte, kan me vandaag volstrekt koud laten; ik kan in mijzelf geen gevoelens van liefde of haat op­wekken; en zelfs bij een schijnbaar zo simpel - want lichamelijk be­paald - gevoel dat het een of ander gerecht lekker is, is het niet ze­ker dat het de ene dag net zo goed smaakt als de andere.

Elk gevoel houdt een waardeoordeel in; het beweegt zich tussen de polen aangenaam en onaangenaam, tussen lust en onlust, tussen bevestiging en ontkenning. Gevoel wil echter niet zeggen: ja, dat is goed of aangenaam, of: nee, daar houd ik niet van. Gevoel gaat vooraf aan het verwoorden van gedachten, die op hun beurt pas op­komen als ze de zielenroerselen hebben achterhaald. Dat er in het al­gemeen weinig over het voelen gezegd kan worden, ligt in de aard van het gevoel besloten.

Dat we er echter vaak zo hulpeloos tegeno­ver staan; dat we het nauwelijks eerlijk durven uiten; dat het ons soms pijnlijk treft als het bij onszelf of bij anderen te voorschijn komt, en we het niet kunnen hanteren, vindt zijn oorzaak in een ernstige tekortkoming van onze westerse beschaving. In het Westen wordt al eeuwenlang bijna uitsluitend het ontwikkelen van doelge­richt denken de moeite waard gevonden.

In ons model van de ziel ontbreekt nog de basis waarop het psychi­sche en het lichamelijke elkaar raken. Hier ligt de eigenlijke drijf­kracht die het zielenleven stimuleert, hoewel zij vaak op een verbor­gen manier werkzaam is: we denken in dit verband aan de driften die zeer nauw met het gevoelsleven zijn verbonden. Onder een drift verstaan we de gewaarwording van een steeds sterker wordende drang die zich op een duidelijk doel richt en dit tracht te verwezenlij­ken.

Bij de meeste driften is dat doel de bevrediging van een licha­melijke behoefte. Als gewaarwording is een drift weliswaar iets psy­chisch, maar qua oorsprong en doel is ze vaak van lichamelijke aard. Het is belangrijk, onderscheid te maken tussen het subjectief erva­ren doel van de drift en het voor de buitenstaander als zinvol herken­bare doel van de drift. Iemand die versmacht van dorst voelt instinct­matig dat hij moet drinken, terwijl objectief gezien deze drift de in­standhouding van zijn leven dient.

Alle driften die direct het voortbestaan van de mens dienen, wor­den oerdriften genoemd. De daaraan ten grondslag liggende levens­behoeften zijn: honger, dorst, slaap en zuurstof. Verrassend is dat bij dieren, waar men soortgelijk onderzoek heeft verricht, deze vita­le driften in intensiteit worden overtroffen door een andere drift: de zorg voor het broedsel, het zogenaamde moederinstinct.

Naast de vitale driften onderscheidt een aantal psychologen nog de zogenaamde sociale driften. Mensen hebben de behoefte elkaar te ontmoeten en, door bepaalde driftimpulsen gedreven, op een zeer intense manier met elkaar om te gaan. Tot deze sociale driften rekent men onder andere: machtsdrift, geldingsdrang, na-ijver en wraakgevoelens. Men kan zich in dit verband terecht afvragen, of het begrip 'drift' hier nog wel van toepassing is.

Aan het bestaan van de zogenaamde 'functionele driften' valt echter niet te twijfelen. De mens heeft de instinctieve behoefte zo­wel zijn lichamelijke functies als zijn verworven vaardigheden te ge­bruiken. Zo kan men spreken van 'speldrift', 'bewegingsdrift' en ‘agressiedrift’; het lijkt zelfs zinvol, in dit rijtje ook de geslachtsdrift op te nemen, want het subjectief ervaren doel daarvan is ongetwij­feld niet de voortplanting, maar de activiteit van de geslachtsorga­nen.

Hoe men de verschillende driften ook wil onderverdelen, vaststaat dat ze voor ons stoffelijk bestaan zorgen en de basis vormen van de dynamiek van ons zielenleven. Bij het dier vindt de bevredi­ging van primaire behoeften plaats doordat zijn overgeërfd gedrag volgens een betrekkelijk strak patroon verloopt, dat wil zeggen dat het dier door zijn overgeërfde instincten wordt geleid. De mens er­vaart zichzelf als een gedrevene en hij is bovendien in staat af te wij­ken van overgeërfde instinctieve gedragspatronen en te beslissen of hij gehoor wil geven aan zijn driftimpuls of niet. Ook kan hij zelf be­palen hoe hij het doel van deze impuls wenst te bereiken.

Dit laatste is het belangrijkste dat over de menselijke ziel te zeggen is: de men­selijke ziel heeft een eigen bewustzijn ontwikkeld, en heeft daarmee enerzijds een duidelijke vrijheid veroverd, maar is anderzijds ook tot de ontdekking gekomen dat ze veel meer is dan de optelsom van wat we hier in het kort hebben beschreven: namelijk een klein eiland van bewuste psychische krachten in de zee van het onbewuste.


 Dr. H. Barz – leider van het C.G. Junginstituut te Küssnacht