Jung: Archetype en Onbewuste

Archetypen van het Collectieve Onbewuste

 

Ons intellect heeft een enorme prestatie geleverd, maar intussen is ons geestelijk thuis in verval geraakt…. Ten slotte doorwoelen we de wijsheid van alle tij­den en alle volkeren, en ontdekken we dat al het dierbaarste en kost­baarste allang in de mooiste taal gezegd is. Als begerige kinderen strek­ken we onze handen hiernaar uit en denken dat wanneer we dat grijpen, we het ook bezitten. Maar wat we bezitten, heeft geen waarde meer, en onze handen worden moe van het grijpen, want de rijkdom ligt overal, zover ons oog reikt. Al dit bezit verandert in water, en meer dan één to­venaarsleerling is in deze zelf opgeroepen wateren uiteindelijk verdron­ken, tenzij hij eerder op het reddende waandenkbeeld kwam dat de ene wijsheid goed, en de andere slecht is. Uit deze adepten groeien die angstaanjagende zieke geesten, die een profetische missie menen te hebben. Want door de kunstmatige scheiding van ware en valse wijs­heid ontstaat een enorme spanning in de ziel, en daaruit een grote een­zaamheid en verslaving als van een morfinist, die steeds broeders in het kwaad hoopt te vinden.

Wanneer onze natuurlijke erfenis vervlogen is, dan is, om met Heraclitus te spreken, ook de geest afgedaald vanuit zijn vurige hoogte. Wan­neer echter de geest zwaarte krijgt, dan verandert hij in water, en het in­tellect maakt zich, in een Luciferische verheffing, meester van de zetel waarop eens de geest troonde. Wel mag de geest zich de 'vaderlijke macht' over de ziel aanmatigen, maar het aardgebonden intellect, dat een zwaard of een hamer van de mens is, en geen schepper van geestelij­ke werelden, is niet de vader van de ziel. De weg van de ziel, die zoals Sophia op zoek is naar Bythos, de verloren vader, leidt daarom naar het water, naar die donkere spiegel, die op haar bodem rust. Iedereen die de geestelijke armoede, de ware erfenis van een consequent tot in het uiterste doorleefd protestantisme[1], heeft gekozen, komt terecht op de weg van de ziel die naar het water leidt. Dit water is geen metaforische uitdrukking, maar een levend symbool voor de duistere psyche. Ik kan dit het best illustreren met een concreet voor­beeld - één uit vele:

 
Een protestants theoloog droomde vaak dezelfde droom, namelijk dat hij op een berghelling staat, beneden ligt een diep dal, en daarin een donker meer. Hij weet in zijn droom dat iets hem er tot nu toe van weer­houden heeft naar het meer toe te gaan. Dit keer besluit hij naar het wa­ter te lopen. Terwijl hij de oever nadert, wordt het donker en griezelig, en plotseling steekt er een windvlaag over het wateroppervlak. Dan wordt hij gegrepen door een panische angst, en hij ontwaakt.

Deze droom laat ons de natuurlijke symboliek zien. De dromer daalt in zijn eigen diepte af, en de weg voert naar het geheimzinnige water. En hier gebeurt het wonder van de vijver van Bethesda: een engel daalt neer, en raakt het water aan, dat hierdoor genezende kracht verkrijgt. In de droom is het de wind, het pneuma, dat waait waar het wil. Om het wonder van deze waterbeleving op te roepen, moet de mens tot het water afdalen. Maar de geestesadem, die over het donkere water waait, is griezelig, zoals alles wat we niet zelf veroorzaken of wat we niet kennen. Hij wijst op een onzichtbare tegenwoordigheid, een numen[2], dat niet tot leven is gekomen door menselijke verwachtingen, of door manipulaties van de wil. Het leeft uit zichzelf, en het doet de mens huiveren, voor wie geest altijd alleen dat was wat men gelooft, wat men zelf doet, wat in boeken staat, of waarover gepraat wordt. Wanneer de geest echter spon­taan naar voren komt, dan is het iets spookachtigs, en het naïeve ver­stand wordt overvallen door een primitieve angst. ­

Zo heeft de pneumatische adem in de droom ook een andere dominee, een herder van de kudde, bang gemaakt. Hij betrad in het duister van de nacht de rietoever van het water in het diepe dal van de ziel. De eens zo vurige geest is afgedaald in de natuur, in boom en rots en water van de ziel, zoals de oude man in Nietzsches Zarathustra die, de mensheid moe, het bos introk, om samen met de beren ter ere van de schepper te brommen.

De weg van het water, die altijd naar beneden leidt, moeten we inder­daad gaan wanneer we de schat, de kostbare erfenis van de vader, weer naar boven willen halen. In de gnostische hymne van de ziel wordt de zoon door zijn ouders erop uitgestuurd om de parel te zoeken, die uit de kroon van de koninklijke vader is gevallen. De parel rust op de bodem van een diepe door een draak bewaakte bron in het land van de Egypte­naren - het land van vleespotten en dronkenschap, vol aardse en geestelijke rijkdommen. De zoon en erfgenaam trekt erop uit om het juweel te halen, maar vergeet zichzelf en zijn opdracht in de orgie van de Egyptische wereldse lust, totdat een brief van zijn vader hem aan zijn plicht herinnert. Hij gaat naar het water toe, en duikt in de duistere diepte van de bron. Op de bodem vindt hij de parel, en brengt deze uit­eindelijk naar de hoogste godheid. Deze hymne, toegeschreven aan Bardesanus, is afkomstig uit een tijd die in meer dan één opzicht op de onze lijkt.  

Water is het meest gebruikelijke symbool voor het onbewuste. Het meer in het dal is het onbewuste, dat in zekere zin beneden het bewustzijn ligt. Daarom wordt het ook vaak het 'onderbewuste' genoemd, niet zelden met de onaangename bijbetekenis van een minderwaardig bewust­zijn. Het water is de 'geest van het dal', de waterdraak van de Tao, wiens aard op het water lijkt, een Yang, opgenomen in Yin. Water betekent daarom psychologisch: geest, die onbewust is geworden. Daarom zegt de droom van de theoloog ook heel terecht, dat hij bij het water de wer­king van de levende geest zou kunnen beleven als een genezingswonder in de vijver van Bethesda. De afdaling in de diepte lijkt altijd vooraf te gaan aan de weg naar boven.

Zo droomde een andere theoloog  dat hij op een berg een soort Kasteel van de Graal zag. Hij liep op een weg, die ogenschijnlijk rechtstreeks naar de voet van de berg en het opwaartse pad leidde. Maar toen hij dichterbij kwam, ontdekte hij tot zijn grote teleurstelling dat hij door een afgrond gescheiden was van de berg: een duistere, diepe kloof, waarin een onderaards water ruiste. Weliswaar liep er een steil pad naar de diepte, dat aan de andere kant weer moei­zaam omhoog klom. Maar het vooruitzicht lokte hem niet aan, en de dromer ontwaakte.

Ook hier moet de dromer, die naar de lichte hoogte streeft, eerst onderduiken in een donkere diepte. Dat blijkt een onont­koombare voorwaarde voordat hij hoger kan klimmen. Een verstandig mens vermijdt het gevaar dat in deze diepte dreigt, maar daardoor ver­speelt hij ook het goede dat hij door een moedig, maar onverstandig waagstuk had kunnen veroveren.

De uitspraak van de droom stuit op hevige weerstand van de kant van het bewustzijn, dat' geest' slechts kent als iets wat in de hoogte verblijft. 'Geest' komt kennelijk altijd van boven. Van beneden komt al het troe­bele en verwerpelijke. Geest betekent in deze zienswijze de hoogste vrij­heid, een zweven boven de diepte, een bevrijding van de gevangenis van het aardse, en daarom een toevlucht voor alle angstige lieden, die niet willen 'worden'.

Water echter is iets aards tastbaars, het is ook de vloeistof van het door driften beheerste lichaam, het is het bloed en de bloeddorstigheid, de geur van het dier, en de zwaar met hartstocht bela­den lichamelijkheid. Het onbewuste is die psyche, die vanuit het dag­licht van een geestelijk en moreel helder bewustzijn tot diep in het ze­nuwstelsel reikt dat van oudsher sympathicus wordt genoemd. De sym­pathicus beheerst niet, zoals het cerebrospinale systeem, waarneming en spieractiviteit en daarmee de ruimtelijke omgeving, maar houdt zon­der zintuiglijke organen het levensevenwicht in stand. Ze vangt via ge­heimzinnige wegen van meevoelende opwinding niet alleen bood­schappen van het diepste wezen van andere levens op, maar straalt om­gekeerd ook hierop een innerlijk effect uit. In deze zin is het een uiterst collectief systeem, de eigenlijke basis van elke participation mystique[3], terwijl de cerebrospinale functie zijn hoogtepunt vindt in de afzonde­ring van de ik-bepaaldheid, en altijd alleen via het medium van de ruimte oppervlakten en uiterlijkheden raakt. Het ene systeem beleeft alles als iets uiterlijks, het andere echter als iets innerlijks.

Het onbewuste nu gaat gewoonlijk door voor een soort ingekapselde persoonlijke intimiteit, iets wat de bijbel het 'hart' noemt, en onder an­dere als broedplaats van alle slechte gedachten opvat. In de kamers van het hart wonen de kwade bloedgeesten, snel opgezweepte toorn en zin­nelijke zwakheid. Zo ziet het onbewuste er van de kant van het bewust­zijn uit. Het bewustzijn echter lijkt in essentie een aangelegenheid van de grote hersenen te zijn, die alles onderscheiden en als afzonderlijke entiteit zien. Dus wordt ook het onbewuste uitsluitend als mijn onbe­wuste gezien. Daarom gelooft men algemeen dat iedereen die in het on­bewuste afdaalt, in de benauwende sfeer van egocentrische subjectivi­teit terecht komt, en dat men op deze doodlopende weg overgeleverd is aan de aanvallen van alle boosaardige dieren die in de holen van de psy­chische onderwereld zouden wonen.

Wie in de spiegel van het water kijkt, ziet overigens allereerst zijn eigen beeld. Wie in zichzelf keert, riskeert de ontmoeting met zichzelf. De spiegel flatteert niet, hij geeft een getrouw beeld van wat voor hem staat, namelijk het gezicht dat wij nooit aan de wereld tonen, omdat we het door de personae, het masker van de toneelspeler verhullen. De spie­gel ligt echter achter het masker, en toont ons ware gezicht.

Dit is de eerste proeve van onze moed op het innerlijke pad, een proeve, die voldoende is om de meeste mensen af te schrikken, want de ontmoe­ting met onszelf is een onaangename zaak die we uit de weg gaan zolang we al het negatieve op onze omgeving kunnen projecteren. Zijn we in staat de eigen schaduw te zien, en deze kennis te verdragen, dan hebben we nog maar een klein deel van onze taak uitgevoerd: we hebben ten­minste het persoonlijk onbewuste naar boven gebracht. De schaduw is echter een levend onderdeel van de persoonlijkheid, en wil daarom in de een of andere vorm meeleven. We kunnen hem niet met bewijzen wegredeneren of tot iets onschuldigs rationaliseren. Het is een buiten­gewoon moeilijk probleem want het daagt niet alleen de hele mens uit, maar herinnert hem tegelijk aan zijn hulpeloosheid en zijn onmacht.

Sterke naturen - of moeten we eerder zwakke zeggen? - willen hier niet graag aan herinnerd worden, maar hakken de gordiaanse knoop door, in plaats van hem te ontwarren. De rekening moet echter na korte of lange tijd toch betaald worden. We moeten onszelf toegeven: er bestaan pro­blemen die we op eigen kracht eenvoudig niet kunnen oplossen. Deze erkenning heeft het voordeel van eerlijkheid, waarheid en werkelijk­heid, en daarmee is het fundament gelegd voor een compensatorische reactie van het collectieve onbewuste, dat wil zeggen, we zijn op dat moment geneigd om te luisteren naar een reddende inval, of om ge­dachten waar te nemen die we eerst niet aan het woord lieten komen. We gaan wellicht ook op dromen letten die we dan krijgen, of denken na over bepaalde gebeurtenissen die zich juist op dat moment in ons af­spelen.

Met zo'n instelling kunnen de behulpzame krachten die in de diepere natuur van de mens sluimeren, ontwaken en ingrijpen, want hulpeloosheid en zwakte zijn de eeuwige ervaring en het eeuwige pro­bleem van de mensheid. Daarop bestaat ook een eeuwig antwoord, want anders was de mens allang geleden te gronde gegaan. Wanneer we alles hebben gedaan wat we konden doen, dan blijft alleen maar datge­ne over dat we zouden kunnen doen als we het maar wisten.

Hoeveel weet een mens echter van zichzelf? De ervaring leert dat dit maar heel weinig is. Voor het onbewuste blijft er daarom nog veel ruimte over. Het gebed vereist, zoals bekend, een instelling die hier sterk op lijkt, en heeft daarom een overeenkomstig effect.

De noodzakelijke en nodige reactie van het collectieve onbewuste drukt zich uit in archetypisch gevormde voorstellingen. De ontmoeting met onszelf betekent allereerst de ontmoeting met de eigen schaduw. De schaduw is overigens een nauwe pas, een smalle poort, en niemand, die in de diepe put afdaalt, blijft de pijnlijke benauwenis hiervan bespaard. We moeten echter onszelf leren kennen, opdat we weten wie we zijn, want datgene, wat na de poort volgt, is onverwacht een grenzeloze, on­gehoorde en onbepaalde ruimte. Er is schijnbaar geen binnen en bui­ten, geen boven en beneden, geen hier en daar, geen mijn en dijn, geen goed en kwaad. Het is de wereld van het water, waarin al het levende zweeft, waar het rijk van de 'sympathicus' begint, de ziel van al het le­vende; een rijk waar ik ondeelbaar dit en dat ben, waar ik de andere in mijzelf beleef, en de andere dan ik zelf mij beleeft.

Het collectieve onbewuste is alles behalve een ingekapseld, persoonlijk systeem, het is objectiviteit, zo ruim als de wereld, en open voor de hele wereld. Ik ben daar het object van alle subjecten, in een volledige omke­ring van mijn gewone bewustzijn, waar ik altijd het subject ben dat ob­jecten heeft. Daar echter ben ik dermate één met de wereld, er zozeer mee verbonden, dat ik al te gemakkelijk vergeet wie ik werkelijk ben. 'In zichzelf verloren' is een goede uitdrukking om deze toestand te ka­rakteriseren. Dit zelf echter is de wereld, of zuiver gezegd, een wereld zoals tenminste een bewustzijn het zou kunnen zien. Daarom moeten we weten wie we zijn.



[1] Leven zonder beelden – symbolen van de archetypen
[2] onpersoonlijke hogere macht
[3] Mystieke eenwording