Jung: Gnosis

Jung en Gnosis

 

Bron: Mijn ontmoetingen met Jung – Prof. Gilles Quispel

 
Gnosis

Jung had de gnosis al vroeg ontdekt. In zijn dissertatie uit 1902 over de psychologie van oc­culte verschijnselen merkt hij al op, dat zijn proefpersoon, zijn nichtje HELLY PREISWERK, gnostische systemen tekende zonder de teksten van de oude gnostici te kennen.

Zijn archetypenleer ontdekte hij via een tover­papyrus. In het gesticht Burshölzli, waar hij werkte, riep een patiënt, een winkelbediende uit Zürich hem eens naar het raam en zei:

'Dokter, kijk eens, de zon heeft een staart (fal­lus) en als die zwaait, ontstaan de winden.' La­ter las hij in een boek van ALBRECHT DIETERICH, Die Mithrasliturgie, een toverpapyrus uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, hoe een to­venaar high wordt en ziet, hoe de zon een tuit heeft, die de winden veroorzaakt. Dat bewees hem, dat waanvoorstellingen nog oude reli­gieuze voorstellingen bevatten. Dat leidde hem tot zijn leer van archetypen.

En in 1915 schreef hij, onder het pseudoniem van de tweede-eeuwse gnosticus BASILIDES zijn dichterlijke Sermones ad Mortuos (Preken tot de doden) waarin hij een nieuwe God van goed en kwaad, ABRAXAS genaamd, verkondigde. Hij kende de gnosis goed, ook in Griekse bron­nen, want hij had al heel vroeg zijn klassieke talen geleerd. Alleen het manicheïsme kon hij niet erg waarderen. Toen in de jaren dertig van deze eeuw in Egypte manicheïstische hand­schriften werden gevonden en met Duitse verta­ling werden uitgegeven, kocht hij die, maar hij vond ze vervelend.

Eens woonde hij een college van mij bij, waarin ik vertelde dat volgens de katholieke ketter­bestrijder EUODIUS van UZZALA MANI zijn open­baringen had ontvangen: 'a gemino suo, id est a spiritu sancto' (van zijn Tweeling, dat is de Heilige Geest). Hij begon te mopperen en te vloeken (dat kon hij goed, ook in het Engels), pakte een opschrijfboekje uit zijn binnenzak en maakte een aantekening. De belangrijkste leerstelling van het manicheïsme, de eenheid van de mens en zijn tweeling, van ik en Zelf die met Jungs visie overeenstemt, was hem ont­gaan. Maar dat was een uitzondering.

Wat van de eigenlijke gnosis der oudheid destijds bekend was, kende hij. Het was dan ook vanzelfsprekend, dat hij mij hielp toen ik een gnostische codex (boek), die in Nag Ham­madi gevonden was, op het spoor kwam. Hij was destijds vrijwel de enige, die de betekenis van deze vondst besefte. Anderen, in het voetspoor van Martin Buber en consorten, ver­achtten de gnosis.

Met behulp van zijn medewerker C.F. MEIER en een voormalige patiënt, de industrieel GEORGE PAGE, kon ik op 10 mei 1952 het handschrift voor 35 000 Zwitserse franken in Brussel ko­pen. Het werd de Codex Jung genoemd. En het bevatte onbekende werken van Valentinus zelf: het Evangelie der Waarheid, omstreeks 150 na Christus waarschijnlijk in Rome geschreven, en de Brief over de Opstanding, mogelijk ook van Valentinus. Dat was werkelijk een act of God.

Hoe aangrijpend was het, de eerbiedwaardige grijsaard in zijn toren te bezoeken en de be­langrijkste passages uit het Evangelie der Waarheid te horen voorlezen: 'Het leven van de mens in onbewustheid is als een boze droom, waarin men achternagezeten wordt of zelf een ander vermoordt. ' 'De gnosticus is als een bergbeklimmer, die in de mist zijn reisge­noten is kwijtgeraakt en ronddwaalt. Dan hoort hij zijn naam roepen. Nu weet hij waar hij heen gaat, waar hij vandaan komt en wie hij is. '

George Page herinnert zich, dat de oude man zei: 'Mijn hele leven heb ik gewerkt om de ziel te leren kennen en deze mensen wisten het al.' Inderdaad is het Evangelie der Waarheid een bevestiging van de waarheid der Jungse psy­chologie. Het had door een Jungiaan geschre­ven kunnen zijn.

 
Synchroniciteit

Van jongs af was Carl Gustav Jung in de con­tramine geweest en had hij oog gehad voor al­ternatieve vormen van wetenschap. Eerst was dat het spiritisme, later de astrologie. Wij heb­ben avonden lang vol verbazing met klapperen­de oren zijn verhalen over sterrenwichelarij moeten aanhoren. Later hield hij zich vooral bezig met de alchimie, die hij terecht als een vorm van gnosis beschouwde. Ook kende hij de kabbalistiek, lang voordat dat mode werd. Ik trof hem eens aan op zijn studeerkamer met het boek Cabala denudata, van de christelijke kab­balist KNORR VON ROSENROT, dichter van ons gezangvers Morgenglans der eeuwigheid. Sar­castisch zei de oude heer: 'Dat gaat over de par­tes posteriores dei' (het achterwerk van God). Pas heel laat heb ik begrepen wat daar achter zat. Jung verzette zich vanuit het diepst van zijn wezen tegen de opvatting dat de wereld een machine is en de mens ook. En toch leert de of­ficiële wetenschap sinds NEWTON en DARWIN de mechanisering van het wereldbeeld. Dat heeft de Zwitserse zenuwarts op slimme wijze bestre­den. Hem was opgevallen, dat bij een analyse zo vaak een samenloop van omstandigheden optrad, die met de gemoedstoestand van de pa­tiënt leek overeen te stemmen. Er gebeurde iets in de buitenwereld, dat beantwoordde aan de constellatie van een archetype in de binnen we­reld van de menselijke ziel.

Hij verzamelde vele voorbeelden, maar durfde die pas te publiceren toen WOLFGANG PAULI in 1952 over de waarheid van de mythe schreef in een gezamenlijk boek, Natuurverklaring en Psyche. Jung lanceerde zijn theorie op de Eranos-conferentie in Ascona in 1951. Daarbij herinnerde hij ADOLF PORTMANN, hoogleraar in de biologie te Basel, aan een merkwaardig voorval.

Portmann had zich eens voorgenomen zijn re­devoering in Ascona te beëindigen met een be­schouwing over de Gottesanbeterin, de Praying Mantis ofte wel de bidsprinkhaan. Toen hij de climax naderde en een vrome stemming in zich had opgebouwd, kwam door het open raam een Gottesanbeterin binnenvliegen, ging voor de spreker op de katheder zitten, onder het lampje dat de notities van de redenaar be­scheen, zodat op de muur achter hem de gehe­ven handen als van een biddend mens versche­nen.

Dat vertelde ik eens op een vergadering van de Rotary waar ook DAVID DE WIED, hoogleraar in de farmacologie en voorzitter van de Konink­lijke Academie van Wetenschappen, aanwezig was. Met zijn toestemming vertel ik het voor­val. Aangezien hij wel besefte dat dit ene voor­beeld het hele rationalisme ondermijnde, trachtte hij het te weerleggen. Dat was verbeel­ding, het was louter toeval, op het laatst opper­de hij zelfs dat iemand op het balkon voor het raam had gezeten met een bidsprinkhaan in zijn hand, die hij op het juiste moment had la­ten vliegen.

Deze man was later eens op weg naar Schiphol en kwam in een file tot stilstand. Hij zette de autoradio aan en hoorde, dat het dagboek van ANNE FRANK nu integraal zou worden uitgege­ven. Omdat hij zelf jarenlang in Wassenaar on­dergedoken had gezeten, raakte hem dat diep. Maar de file zette zich in beweging, hij zette de radio af en richtte zijn blik op de vrachtauto die voor hem stond. Het was een wagen van het expeditiebedrijf Achterhuis. En wat was ook weer de titel van het dagboek van Anne Frank? Juist ja. 'Het...'

'Louter toeval', zegt de rationalist.

Maar Jung zag dat heel anders. Zijn gezicht straalde als nooit tevoren. Hij zei tegen me: 'Es geht um die Erfahrung der Fülle des Seins.'

Hij noemde deze overeenstemming tussen ziel en kosmos een zinvolle samenhang zonder cau­saal verband, ein akausaler Sinnzusammen­hang.

In feite was dat niets nieuws. Dat was al ont­dekt door POSIDONlUS VAN APAMElA (100 v.C.), die in Cadiz (Spanje) de samenhang tussen de maan aan de hemel en eb en vloed op de aarde waarnam.

Iets dergelijks vermoedde hij tussen sterren en gebeurtenissen bij mensen. 'De sympathie aller dingen' noemde hij dat. En deze organische be­schouwing van mens en kosmos was in zwang tot aan de mechanisering van het wereldbeeld. Dan zien wij pas dat Jung een geniale man was: toen de moderne mens zijn geloof in religieuze voorstellingen verloren had, bewees Jung dat hij, gelukkig, in zijn dromen nog altijd my­thisch, beeldend, dacht; toen de mens zich een machine ging voelen, wees Jung hem erop, dat onopgemerkte gebeurtenissen van het alledaag­se leven de waarheid van het organische we­reldbeeld nog altijd bewezen.

Hij zei: 'Gelovige mensen zouden dat de hand Gods noemen. Daar heb ik niets tegen, maar voor mijn doeleinden noem ik het synchronici­teit. '