Jung: Persona en anima

Persona en anima


Bron: Verzameld werk – deel 3


De persona is een gecompliceerd relatiesysteem tussen het individuele bewustzijn en de maatschappij, het is een soort masker, dat er enerzijds op berekend is om een bepaalde indruk op anderen re maken, en anderzijds om de ware aard van een individu te verbergen. Dat dit laatste overbodig is kan slechts iemand beweren, die dermate identiek is met zijn persona, dat hij zichzelf niet meer kent. Dat het eerste onnodig is, kan men zich slechts inbeelden wanneer men zich niet bewust is van de ware aard van zijn medemensen.

De maatschappij verwacht, en moet zelfs verwachten, dat ieder individu de hem toebedachte rol zo volmaakt mogelijk speelt, en dat dus iemand die dominee is, niet alleen objectief zijn ambtsfunctie uitoefent, maar ook altijd en onder alle omstandigheden de rol van een dominee zonder problemen vervult. De maatschappij verlangt dit als een soort zekerheid; iedereen moet op zijn eigen plaats blijven: de één is schoenmaker, de ander dichter. Men verwacht niet dat iemand beide is. Het is ook niet raadzaam beide te zijn, want dat is een beetje vreemd. Zo iemand is immers 'anders' dan de anderen, hij is niet helemaal betrouwbaar.

In de academische wereld zou hij een' dilettant' zijn, in de politiek een 'onberekenbare' factor, religieus een ‘vrijdenker’, kortom, hij zou de verdenking van onbetrouwbaarheid en ontoereikendheid op zich laden, want de maatschappij is ervan overtuigd dat alleen de schoenmaker, die niet ook nog eens dichter is, vakkundig gemaakte schoenen levert. De ondubbelzinnigheid van de persoonlijke verschijning is in de praktijk een belangrijke zaak, want de gemiddelde mens - de enige die de maatschappij kent - moet zijn hoofd bij een zaak kunnen houden om iets goeds te presteren: twee zaken zouden te veel voor hem zijn.

Onze maatschappij is zonder twijfel ingesteld op zulke idealen. Het is daarom geen wonder dat iedereen die iets wil bereiken, rekening moet houden met deze verwachtingen. Als individu kan natuurlijk niemand volledig aan deze verwachtingen voldoen, en daarom wordt de constructie van een kunstmatige persoonlijkheid een onontkoombare noodzaak. De eisen van fatsoen en goede zeden doen de rest bij het motiveren van een flatterend masker. Achter het masker ontstaat dan datgene, wat we 'privé-leven' noemen. Deze voldoende bekende splitsing van het bewustzijn in twee vaak belachelijk uiteenlopende figuren is een ingrijpende psychologische operatie, die niet zonder gevolgen voor het onbewuste kan blijven.

De constructie van een collectief geschikte persona beteken een geweldige concessie aan de buitenwereld, een ware zelfopoffering, die het ik regelrecht tot een identificatie met de persona dwingt, zodat er werkelijk mensen bestaan die geloven dat ze zijn wat ze voorstellen. De 'zielloosheid' van deze houding is echter slechts ogenschijnlijk, want het onbewuste verdraagt zo' n verschuiving van het psychische zwaartepunt absoluut niet.

Wanneer we dergelijke gevallen kritisch beschouwen, dan ontdekken we dat het voortreffelijke masker innerlijk gecompenseerd wordt door een' privé-leven'. De vrome Drummond klaagt er ergens over dat een 'slecht humeur de zonde van vrome mensen is'. Natuurlijk, want wie een persona opbouwt die te goed is, betaalt hiervoor met prikkelbare stemmingen. Bismarck leed aan hysterische huilbuien, Wagner voerde een correspondentie over ceintuurs van zijden kamerjassen, Nietzsche schreef brieven aan een 'lieve lama', Goethe voerde gesprekken met Eckermann, enzovoort.

Maar er bestaan geraffineerdere zaken dan de banale fouten van helden. Ik heb eens kennis gemaakt met een zeer eerbiedwaardige man, die gemakkelijk een heilige kon worden genoemd. Ik ging drie dagen lang met hem om, en kon bij hem geen enkele van de tekortkomingen van gewone stervelingen ontdekken. Mijn minderwaardigheidsgevoel nam bedenkelijke vormen aan, en ik begon er al serieus over te denken eens een beter mens te worden. Maar op de vierde dag kwam zijn vrouw mij consulteren... Sindsdien heb ik zoiets niet meer meegemaakt. Ik leerde echter hiervan dat iemand die één wordt met zijn persona, al het storende door zijn vrouw kan laten uitbeelden, zonder dat zij dat merkt. Maar zij betaalt haar zelfopoffering met een ernstige neurose.

Deze identificaties met een maatschappelijke rol zijn in het algemeen rijke bronnen voor neurosen. Een mens kan zich nu eenmaal niet ongestraft van zichzelf ontdoen ten gunste van een kunstmatige persoonlijkheid. Alleen al de poging hiertoe ontketent in alle gewone gevallen onbewuste reacties: stemmingen, emoties, angsten, dwangvoorstellingen, zwakheden, ondeugden, enzovoort. De maatschappelijk 'sterke man' is in zijn privé-leven vaak een kind ten opzichte van zijn eigen gevoelstoestanden. Van zijn publieke discipline (die hij vooral ook van anderen verlangt) blijft privé slechts een jammerlijk restje over. Zijn 'plezier in het werk' heeft thuis een melancholiek gelaat; zijn 'vlekkeloze' publieke moraal ziet er achter het masker merkwaardig uit - laten we hier niet over daden spreken, maar alleen over fantasieën - en ook de echtgenoten van dit soort mannen kunnen het een en ander vertellen. En wat betreft zijn onzelfzuchtig altruïsme, daar zou je zijn kinderen over moeten horen.

In dezelfde mate waarin de wereld het individu verlokt tot identificatie met het masker, wordt hij ook prijsgegeven aan invloeden van binnenuit. 'Hoog staat op laag', zegt Lao-tse.

 Van binnenuit komt het tegen­deel naar voren, ja, het lijkt alsof het onbewuste met dezelfde macht het ik onderdrukt als waarmee dit laatste wordt aangetrokken door de per­sona. Het gebrek aan weerstand naar buiten toe, weerstand tegen de ver­lokkingen van de persona, betekent een soortgelijke zwakheid naar binnen toe, tegenover de invloeden van het onbewuste. Naar buiten toe wordt een effectieve en sterke rol gespeeld, maar innerlijk ontwikkelt zich een vrouwelijke zwakheid tegenover alle invloeden van het onbe­wuste: stemmingen en humeurigheid, angsttoestanden, ja zelfs een ver­vrouwelijkte seksualiteit (uitmondend in impotentie) krijgen geleidelijk de overhand.

De persona, het ideaalbeeld van de man zoals hij zou moeten zijn, wordt innerlijk gecompenseerd door een vrouwelijke zwakheid, en precies zoals het individu naar buiten toe de sterke man speelt, zo wordt hij in­nerlijk een vrouw, een anima, want het is de anima die tegenover de persona komt te staan. Omdat echter het innerlijk voor het extraverte bewustzijn duister en onzichtbaar is, en men bovendien zijn zwakheden minder goed ziet naarmate men meer identiek is met de persona, blijft ook de tegenhanger van de persona, de anima, volledig in het duister gehuld, en wordt daarom in eerste instantie geprojecteerd. De held komt hierdoor onder de plak van zijn vrouw. Wanneer haar macht aan­zienlijk toeneemt, dan verdraagt zij dat slecht. Ze wordt minder­waardig, en daardoor krijgt de man het welkome bewijs, dat niet hij zelf, de held, in zijn 'privéleven' minderwaardig is, maar zijn vrouw. Zijn vrouw heeft als compensatie de voor velen zo aantrekkelijke illusie ten minste met een held getrouwd te zijn, ongeacht haar eigen nutteloos­heid. Dit spel met illusies noemt men vaak 'levensinhoud' .

Evenals het omwille van de individuatie, de zelfverwerkelijking, onmis­baar is dat iemand zich kan onderscheiden van datgene wat hij zichzelf en anderen toelijkt, zo is het omwille van de individuatie ook noodzake­lijk dat hij zich bewust wordt van zijn onzichtbare relatiesysteem met het onbewuste, namelijk van de anima.

Op deze manier kan hij zich van haar onderscheiden. Van iets dat onbewust is kan men zich niet onder­scheiden.

Wat betreft de persona is het natuurlijk gemakkelijk iemand duidelijk te maken dat hij en zijn positie twee verschillende dingen zijn.

Van de anima daarentegen kan men zich veel moeilijker onderscheiden aangezien ze onzichtbaar is. Ja, men moet zelfs eerst het vooroordeel overwinnen dat alles wat van binnenuit komt, afkomstig zou zijn uit de oergrond van het allereigenste wezen.

De 'sterke man' zal wellicht toe­geven dat hij in zijn 'privé-leven' inderdaad bedenkelijk ongediscipli­neerd is, maar dat is nu eenmaal zijn eigen zwakheid, waarmee hij zich in zekere zin solidair verklaart. In deze neiging ligt natuurlijk een niet te versmaden culturele erfenis besloten. Wanneer iemand namelijk er­kent, dat zijn ideale persona verantwoordelijk is voor zijn verre van ideale anima, dan betekent dat een ondergraving van zijn idealen; de wereld wordt dubbelzinnig, hij zelf wordt dubbelzinnig. Hij gaat twij­felen aan het goede, erger nog, hij gaat twijfelen aan zijn eigen goede bedoelingen.

Wanneer we bedenken met welke machtige historische vooronderstellingen ons persoonlijkste idee van een goede bedoeling is verbonden, dan begrijpen we dat het bij onze heersende kijk op de we­reld aangenamer is persoonlijke zwakheden te betreuren, dan idealen te ondergraven.

Aangezien nu echter de onbewuste factoren evenzeer bepalende feiten zijn als de factoren die het leven van de maatschappij reguleren, en aan­gezien de eerste even collectief zijn als de laatste, kan ik even goed leren een onderscheid te maken tussen wat ik wil en datgene wat me door het onbewuste wordt opgedrongen, als een onderscheid tussen wat mijn po­sitie van mij eist en wat ik wens. In eerste instantie kunnen overigens al­leen maar de onverenigbare eisen van buitenaf en van binnenuit gezien worden.

Het ik staat daartussen, als tussen hamer en aambeeld. Maar te­genover het ik, dat meestal niets meer is dan een speelbal tussen uiter­lijke en innerlijke eisen, staat een moeilijk te benoemen instantie, die ik onder geen voorwaarde de bedenkelijke naam 'geweten' zou willen geven, hoewel dit woord in zijn beste betekenis heel goed bij deze in­stantie past. Wat er bij ons van het 'geweten' terecht is gekomen, heeft Spitteler met onovertroffen humor beschreven.

We moeten daarom maar zover mogelijk uit de buurt blijven van deze betekenis. We doen er vermoedelijk beter aan te beseffen dat het tragische spel van de tegen­stellingen 'binnen' en 'buiten' (in het boek Job en in de Faust be­schreven als een weddenschap met God) in wezen de energetica van het levensproces betekent - een spanning tussen tegenstellingen, die onmis­baar is voor de zelfregulering.

Hoe verschillend in uiterlijk en bedoe­lingen deze tegengestelde machten ook zijn, in wezen betekenen en willen ze het leven van het individu. Ze schommelen hier omheen als om het midden van de weegschaal. Juist omdat ze op elkaar betrokken zijn, verenigen ze zich ook in een gezamenlijke betekenis, die als het ware noodzakelijkerwijs, vrijwillig of onvrijwillig, uit het individu geboren wordt, en die daarom ook door hem aangevoeld wordt. Men voelt iets over wat er zou moeten en kunnen zijn.

Wanneer men afwijkt van dit vermoeden betekent dat een zijweg, dwaling en ziekte.

Het is waarschijnlijk geen toeval dat van het woord 'persona' onze mo­derne begrippen 'persoonlijk' en 'persoonlijkheid' afstammen.

Even­goed als ik over mijn ik kan beweren dat het persoonlijk is of een per­soonlijkheid, kan ik over mijn persona zeggen dat het een persoonlijk­heid is waarmee ik me min of meer identificeer. Het feit dat ik dan eigen­lijk twee persoonlijkheden heb, is niet zo opmerkelijk, aangezien elk au­tonoom of ook maar relatief autonoom complex de eigenaardigheid heeft als persoonlijkheid, respectievelijk gepersonifieerd op te treden.

Dit kunnen we heel gemakkelijk zien bij zogenaamde spiritistische ma­nifestaties zoals automatisch schrift en dergelijke. De geproduceerde zinnen zijn altijd persoonlijke uitspraken en worden in een persoonlijke ik-vorm gesteld, alsof achter elk geuit zinsfragment ook een persoonlijk­heid staat. Het naïeve verstand denkt daarom meteen aan geesten. Iets dergelijks kunnen we zoals bekend ook zien bij hallucinaties van geestes­zieken, hoewel deze laatste vaak nog duidelijker dan de eerste slechts ge­dachten of fragmenten van gedachten zijn, waarvan vaak iedereen zonder meer het verband met de bewuste persoonlijkheid kan zien.

De neiging van relatief autonome complexen om zich rechtstreeks te personifiëren, is ook de reden waarom de persona soms dermate 'per­soonlijk' optreedt, dat het ik gemakkelijk kan gaan twijfelen wat zijn 'ware' persoonlijkheid is.

Hetzelfde wat voor de persona, en in het algemeen voor alle autonome complexen geldt, gaat nu ook voor de anima op. Zij is eveneens een per­soonlijkheid, en daarom kan ze ook zo gemakkelijk op een vrouw worden geprojecteerd. Dat wil zeggen, ze wordt, zolang ze onbewust is, altijd geprojecteerd, want al het onbewuste wordt geprojecteerd.

De eerste draagster van dit zielenbeeld is altijd de moeder en naderhand zijn het vrouwen die bepaalde gevoelens in een man oproepen, onverschillig of deze positief of negatief zijn. Omdat de moeder de eerste draagster van het zielenbeeld is, is de scheiding van haar een delicate en belangrijke aangelegenheid van grote pedagogische betekenis. Daarom vinden we reeds bij primitieve volkeren vele rituelen, die deze scheiding in banen leiden. Alleen maar volwassen worden en een uiterlijke scheiding zijn niet voldoende; er zijn nog zeer diep ingrijpende inwijdingen tot man en ceremonieën van wedergeboorte nodig om de scheiding van de moeder, en daarmee van de jeugd, effectief te voltrekken.

Zoals de vader een bescherming tegen de gevaren van de buitenwereld vormt en op deze manier voor zijn zoon als voorbeeld voor de persona dient, zo betekent de moeder een bescherming tegen de gevaren die hem vanuit het duister van zijn ziel bedreigen. In de inwijding tot man wordt de initiant daarom onderricht over zaken omtrent 'gene zijde', waardoor hij in staat wordt gesteld zich te handhaven zonder de bescher­ming van zijn moeder.

De moderne cultuurmens moet deze, ondanks alle primitiviteit voor­treffelijke, pedagogische maatregel ontberen. Het gevolg daarvan is dat de anima in de vorm van het moederimago wordt overgedragen op de echtgenote met als resultaat dat de man zodra hij trouwt kinderlijk, sen­timenteel, afhankelijk en onderworpen wordt, of in het andere geval kribbig, tiranniek en overgevoelig, altijd bedacht op het prestige van zijn superieure mannelijkheid.

Dit laatste is natuurlijk alleen maar een omkering van het eerste. De bescherming tegen het onbewuste, die zijn moeder eerst voor hem betekende, is in de opvoeding van de moderne mens door niets vervangen. Daarom wordt het huwelijksideaal onbe­wust zo gevormd, dat de echtgenote zoveel mogelijk de magische moe­derrol moet overnemen.

Onder de dekmantel van het ideale exclusieve huwelijk zoekt de man eigenlijk bescherming bij de moeder, en komt zo verleidelijk tegemoet aan het bezitsinstinct van de vrouw. Zijn angst voor de duistere onberekenbaarheden van het onbewuste verleent de vrouw een illegitieme macht, en vormt het huwelijk om tot een zó 'in­nige gemeenschap’, dat het wegens innerlijke spanning voortdurend uit elkaar dreigt te springen - of anders gebeurt, uit protest, het tegendeel, met hetzelfde resultaat.

Ik ben van mening dat het voor bepaalde moderne mensen beslist nood­zakelijk is niet alleen in te zien dat ze van hun persona verschillen, maar ook van hun anima.