Jung: Het ik en het onbewuste

Fragmenten uit: Het ik en het onbewuste.

Bron: Verzameld werk – deel 3

 
'Ik erken dat er een psy­chische factor in mij werkzaam is, die zich op de ongelofelijkste manier aan mijn bewuste wil kan onttrekken. Deze brengt me op de merkwaardigste ideeën, veroorzaakt ongewilde en ongewenste stemmingen en emoties, brengt me tot verbazingwekkende handelingen, waarvoor ik geen enkele verantwoordelijkheid kan aanvaarden, verstoort mijn rela­ties met andere mensen op irriterende wijze, enzovoort. Ik voel me machteloos tegenover dit feit, en het allerergste is dat ik er verliefd op ben, zodat ik haar ook nog moet bewonderen.' ­

De libido kan alleen maar begrepen worden in een bepaalde vorm, dat wil zeggen, ze is identiek met de fantasiebeelden. En we kunnen haar alleen maar weer uit het onbewuste bevrijden, doordat we de corresponderende fantasiebeelden naar boven halen. Daarom geven we in dit soort gevallen het onbewuste de kans zijn fantasieën naar boven te laten komen.

We weten niets over het wezenlijke en over het absoluut zijnde. We er­varen echter verschillende effecten, via onze zintuigen van 'buitenaf, en via onze fantasie van 'binnenuit'. Evenals we nooit zouden beweren dat de kleur groen op zich bestaat, zo zouden we ook nooit op het idee komen een fantasiebeleving op te vatten als iets dat zelfstandig bestaat, en dus als iets dat letterlijk moet worden genomen. Het is een uitdruk­king, een schijn, die voor iets onbekends, maar niettemin werkelijks staat

Een voortdurende bewustmaking van anders onbewuste fantasieën, samen met een actieve deelname aan het fantasiegebeuren heeft, zoals ik in heel veel gevallen heb gezien, het gevolg dat ten eerste het bewust­zijn verruimd wordt aangezien talloze onbewuste inhouden bewust worden; dat ten tweede de dominerende invloed van het onbewuste ge­leidelijk vermindert; en dat ten derde een verandering van de persoon­lijkheid plaatsvindt.

De verandering van de persoonlijkheid is natuurlijk geen verandering van de oorspronkelijke erfelijke aanleg, maar een verandering van de al­gemene instelling. De scherpe scheidingen en tegenstellingen tussen be­wust en onbewust, die we in conflictueuze, neurotische naturen zo dui­delijk zien, berusten bijna altijd op een opmerkelijke eenzijdigheid van de bewuste instelling. Deze geeft de absolute voorrang aan één of twee (psychische) functies, waardoor de andere functies ten onrechte naar de achtergrond worden verdrongen. Door het bewustmaken en beleven van de fantasie worden de onbewuste en minderwaardige functies in het be­wustzijn geassimileerd: een proces dat natuurlijk een diepgaand effect op de instelling van het bewustzijn heeft.

Het overgrote deel van de mensen is volstrekt niet in staat zich indivi­dueel in de ziel van een ander te verplaatsen. Dit is zelfs een uiterst zeld­zame kunst, die bovendien niet al te ver gaat. Ook de mens die we het beste menen te kennen, en die ons zelf bevestigt dat we hem volkomen begrijpen, is in wezen een vreemde voor ons. Hij is anders. En het uiterste en beste dat we kunnen doen is om tenminste dit andere te ver­moeden, te eerbiedigen en ons te hoeden voor de enorme stommiteit het te willen interpreteren.


Het is wellicht niet zonder meer begrijpelijk wat bedoeld wordt met het begrip 'middelpunt van de persoonlijkheid' . Ik zal daarom proberen dit probleem in een paar woorden te schetsen. Wanneer we ons het bewust­zijn met het ik als centrum voorstellen als iets dat tegenover het onbe­wuste staat, en wanneer we daarbij denken aan het proces van de assimi­latie van het onbewuste, dan kunnen we deze assimilatie opvatten als een soort toenadering tussen het bewustzijn en het onbewuste, waarbij het centrum van de totale persoonlijkheid niet langer met het ik samen­valt, maar een punt in het midden, tussen bewustzijn en onbewuste is. Dit zou het punt van een nieuw evenwicht zijn, een nieuw centrum van de volledige persoonlijkheid, een wellicht virtueel centrum, dat wegens zijn centrale positie tussen bewustzijn en onbewuste een nieuw, stevig fundament voor de persoonlijkheid garandeert. Ik geef natuurlijk toe dat dit soort visualiseringen nooit meer zijn dan grove pogingen van de onhandige geest om onuitsprekelijke, nauwelijks te beschrijven psycho­logische feiten uit te drukken. Ik zou hetzelfde ook met de woorden van Paulus kunnen uitdrukken: 'Ik leef, maar niet ik - Christus leeft in mij'.

Fantasieën zijn geen surrogaat voor het leven maar vruchten van de geest, die diegenen toevallen, die hun schatting aan het leven hebben betaald. Iemand die wegloopt voor zijn plichten ervaart slechts zijn ziekelijke angst, en deze brengt geen en­kele betekenis voort. Ook mensen die de weg terug naar de moederkerk hebben gevonden zullen nooit met deze weg kennismaken. Het grote mysterie ligt ongetwijfeld in de rituele vormen van de kerk besloten. Hij kan daarbinnen een zinvol leven leiden. En uiteindelijk zal ook een nor­maal mens nooit problemen krijgen met dit soort inzichten, want hij neemt immers van oudsher genoegen met het weinige dat binnen zijn bereik ligt. Daarom vraag ik mijn lezers te begrijpen dat ik over gebeur­tenissen spreek, en geen behandelingsmethoden presenteer.

Fantasieën tonen een posi­tieve activiteit van anima en animus. Naarmate de patiënt zelf actiever deelneemt, verdwijnt de gepersonifieerde figuur van de anima of animus. Het wordt een relatiefunctie tussen bewustzijn en onbewuste. Wanneer echter de onbewuste inhouden (dus dit soort fantasieën) niet 'gerealiseerd' worden, ontstaat hieruit een negatieve activiteit en een personificatie, dat wil zeggen een autonomie van animus en anima. Er ontstaan psychische abnormaliteiten, toestanden van bezetenheid in al­lerlei graden, van gewone stemmingen en 'ideeën' tot en met psy­chosen. Al deze toestanden worden gekenmerkt door één en hetzelfde feit, namelijk dat een onbekend 'iets' een kleiner of groter deel van de psyche in bezit heeft genomen. Het zet zijn weerzinwekkende en scha­delijke bestaan onverstoorbaar door tegen alle inzicht, verstand en energie in, waardoor het de macht van het onbewuste over het bewust­zijn aantoont. Het gaat dus eenvoudig om bezetenheid. In dit geval ont­wikkelt het bezeten deel van de ziel gewoonlijk een animus- of anima­psychologie. De incubus van een vrouw bestaat uit een aantal man­nelijke demonen, de succubus van de man is een vrouw.

We kunnen ons hier afvragen waarom het eigenlijk wenselijk is dat een mens individueert. Het is niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk, omdat het individu door vermenging met het onbewuste in situaties te­recht komt en handelingen uitvoert, waardoor hij in tweestrijd met zich­zelf komt.

Elke onbewuste vermenging en onafgescheidenheid oefent namelijk een dwang uit om anders te zijn en te handelen dan men zelf is.

Daarom kan men zich er niet mee verenigen, noch de verantwoorde­lijkheid ervoor op zich nemen. Men voelt zich verstrikt in een denigre­rende, onvrije en onethische situatie.

Maar het oneens zijn met zichzelf is nu eenmaal precies de neurotische en ondraaglijke toestand waaruit men zich graag zou willen bevrijden.

Bevrijding uit deze toestand kan echter pas plaatsvinden wanneer men zo kan zijn en handelen zoals men voelt dat men is.

Dit voelen de mensen aan, aanvankelijk wellicht slechts vaag en onduidelijk, maar naarmate ze zich verder ontwikkelen steeds sterker en duidelijker.

Wanneer iemand over zijn eigen toestand en han­delingen kan zeggen: 'Dat ben ik, zo handel ik', dan kan hij één zijn met zichzelf, dan kan hij daar onverdeeld achter staan, ook wanneer het niet gemakkelijk is, en hij kan de verantwoordelijkheid hiervoor op zich nemen, ook wanneer hij daartegen in verzet komt.

We moeten overi­gens erkennen dat niets moeilijker te dragen is dan wij zelf. Maar ook deze uiterst moeilijke prestatie wordt mogelijk, wanneer we een onderscheid kunnen maken tussen onszelf en de onbewuste inhouden.

De introvert ontdekt deze inhouden in zichzelf, de extravert treft ze echter als pro­jectie in menselijke objecten aan. In beide gevallen hebben de onbe­wuste inhouden verblindende illusies tot gevolg, waardoor wij zelf en onze relaties tot onze medemensen vertekend raken en onwerkelijk worden.

Daarom is individuatie voor bepaalde mensen onvermijdelijk, niet alleen als therapeutische noodzaak, maar als een hoog ideaal, als een, idee van het beste dat we kunnen doen. Ik mag niet nalaten op te merken dat het tegelijk het oeroude christelijke ideaal is van het Koninkrijk Gods, dat 'in ons' is.

Het denkbeeld dat aan dit ideaal ten grondslag ligt is dat uit een juiste instelling het juiste handelen voortvloeit, en dat er geen genezing en geen verbetering van de wereld bestaat, die niet bij het individu zelf begint.

Wie zelf een pauper of parasiet is zal het maat­schappelijk probleem nooit oplossen - om het eens kernachtig uit te drukken.