Citaten van Carl Gustav Jung

 
 
 
Een opmerkelijk citaat uit Herinneringen dromen gedachten over het visioen dat Jung kreeg tijdens een BDE
 
Terwijl ik de treden naar de ingang in de rots naderde gebeurde er iets merkwaardigs met me: ik had het gevoel of alles wat ik tot dan had mee­gemaakt van me afgenomen werd. Al mijn meningen, mijn wensen en ge­dachten, de hele fantasmagorie van het aardse bestaan viel van me af, of werd me ontroofd - een uiterst pijnlijk proces. Maar er bleef ook iets over, want het was alsof ik alles wat ik ooit beleefd had of gedaan had, alles wat om me heen gebeurd was, nu bij me had. Ik zou ook kunnen zeggen: het was bij mij en dat was 'ik'. Ik bestond er om zo te zeggen uit. Ik bestond uit mijn verleden en had absoluut het gevoel: dat ben 'ik' nu. 'Ik ben deze bundeling van wat volbracht en geweest is'. -

Deze belevenis gaf me het gevoel van uiterste armoede, maar tegelijk van grote bevrediging. Er was niets meer dat ik verlangde of wenste, maar ik bestond als het ware objec­tief: ik was datgene wat ik doorleefd had. Aanvankelijk overheerste wel­iswaar een gevoel van vernietiging, van beroofd zijn of geplunderd zijn, maar plotseling viel dat ook weg. Alles leek voorbij, het bleef een fait ac­compli, zonder enige binding met het vroegere. Ik voelde geen spijt meer dat iets weggevallen of afgepakt was. Integendeel: ik had alles wat ik was en ik had alleen dat.

Nog iets anders hield me bezig: toen ik de tempel naderde was ik er zeker van dat ik in een verlichte ruimte zou komen en dat ik daar al die mensen zou aantreffen waar ik in werkelijkheid bij hoorde. Daar zou ik - ook dat was een zekerheid - eindelijk begrijpen in welke historische samenhang ik, of mijn leven, thuishoorde. Ik zou weten wat er vóór me was geweest, waarom ik geworden ben en waarheen mijn leven verder zou stromen. Het leven dat ik had geleefd was me vaak als een verhaal voorgekomen dat geen begin en geen eind heeft. Ik had het gevoel een historische perikoop te zijn: een stuk tekst waaraan het voorafgaande en volgende gedeelte ont­breken. Het leek alsof mijn leven met een schaar uit een lange keten was geknipt, en veel vragen waren onbeantwoord gebleven. Waarom is het zó gegaan? Waarom heb ik daarmee gedaan? Wat zal eruit volgen? Op al deze vragen – daar was ik  zeker van - zou ik een antwoord krijgen zodra ik de stenen tempel was binnengetreden. Daar zou ik inzien waarom alles zó en niet anders geweest was. Ik zou daar bij de mensen komen die het antwoord op mijn vragen naar het ervoor en erna weten.

Terwijl ik nog over deze dingen nadacht, gebeurde er iets dat mijn aandacht trok: van beneden, vanuit Europa, steeg een gedaante omhoog. Het was mijn arts, of beter gezegd, zijn beeltenis, omlijst door een gouden ketting of lauwerkrans. Ik wist meteen: O ja, dat is mijn dokter die me behandeld heeft. Maar nu komt hij in zijn oergestalte; een Basileus van Kos.[1] Tijdens zijn leven was hij een avatar (incarnatie) van deze Basileus, de tijdelijke belichaming van de oergestalte die altijd al heeft bestaan. Nu komt hij in zijn oergestalte.

Vermoedelijk was ook ik in mijn oergestalte. Dat had ik weliswaar niet waargenomen; ik stel me alleen voor dat het zo geweest is. Nadat hij als een beeld uit de diepte naar me was toegezweefd en voor me stond, vond een stille gedachte-uitwisseling tussen ons plaats. Mijn arts was namelijk door de aarde afgevaardigd om me een boodschap te brengen: er werd tegen geprotesteerd dat ik op het punt stond heen te gaan. Ik mocht de aarde niet verlaten en moest terugkeren. Op het moment dat ik dat vernam eindigde het visioen.

Ik was ten diepste teleurgesteld, want nu leek alles tevergeefs. Het pijnlijke proces van de 'ontbladering' was tevergeefs geweest en ik mocht de tempel niet in, niet naar de mensen die bij me hoorden.
 [1] * Basileus = koning, Kos was in de oudheid beroemd om zijn Asklepios-tempel en was de geboorteplaats 'van de arts Hippocrates (vijfde eeuw voor Christus).
 
 

"De mens wordt nooit geholpen in zijn lijden door wat hij zelf denkt, maar alleen door openbaring van een wijsheid groter dan de zijne. Deze trekt hem op uit zijn ellende.”

"Je kunt de wonden van een ander alleen maar genezen als je er zelf ook enkele hebt."

"Geen enkele gordiaanse knoop is ooit definitief middendoor gehakt: hij heeft de onaangename eigenschap zichzelf weer in de knoop te leggen."

"Het is gemakkelijker tot Mars door te dringen dan tot zichzelf."

"Als we iets in het kind willen veranderen, moeten we het eerst onderzoeken en kijken of het niet iets is wat beter in onszelf kan worden veranderd."

"Elke vorm van verslaving is slecht, of het narcotische middel nu alcohol, morfine, cannabis, macht, werk of idealisme is."

"Nadenken is zwaar, daarom oordelen de meesten."

"Alles waarvan we ons niet bewust zijn, bevindt zich in geprojecteerde toestand."

"Een man die nooit door de hel van zijn hartstochten is gegaan, heeft ze ook nooit overwonnen."

"Wat er na de dood gebeurd is zo onuitsprekelijk groots, dat onze fantasie en onze gevoelens niet toereikend zijn om ons er zelfs bij benadering een voorstelling van te maken."

"Men wordt niet verlicht door zich allerlei beelden van licht voor te stellen, maar door zich bewust te worden van de eigen innerlijke duisternis."

"Datgene in onszelf wat we niet in ons bewustzijn laten doordringen, doemt in ons leven op als het noodlot."

"De mens die in contact komt met haar hogere Zelf ervaart dat alle dualisme, "ik" als eenling en eenzame toeschouwer tegenover de buitenwereld; mens tegenover kosmos; mens tegenover de godenwereld, worden opgeheven."

"De dualiteiten die wij ervaren en waar wij veelal door worden gekweld, zijn producten van het discursieve denken."

"Een projectie is een eigenaardig, maar algemeen voorkomend verschijnsel waarbij een individu een inhoud van de psyche verbindt met een voorwerp of een wezen uit de wereld om hem heen, terwijl het in werkelijkheid een eigenschap is van zijn eigen innerlijke leven."

"In de tweede helft van het leven moet men de innerlijke wereld leren kennen. Dat is een algemeen probleem."

"De metafysische taak van de mens ligt in de voortdurende uitbreiding van het bewustzijn en zijn bestemming als een individu ligt in de schepping van individueel zelf-gewaar-zijn. Bewustzijn maakt de wereld zinvol."

"Iemand met zijn schaduw confronteren is hem zijn eigen licht laten zien."

Citaten uit Herinneringen, Dromen, Gedachten.

De beslissende vraag voor de mens is: ben ik op het oneindige betrokken of niet? Dat is het criterium voor mijn leven. Alleen wanneer ik weet dat het onbegrensde het wezenlijke is, richt ik mijn belangstelling niet op futiliteiten en op dingen die niet van essentieel belang zijn.

Weet ik dat echter niet, dan ben ik er voortdurend op uit om mee te tellen in de wereld, omwille van de een of andere eigenschap die ik als mijn persoon­lijk bezit beschouw. Dus wellicht om 'mijn' begaafdheid of 'mijn' schoon­heid.

Hoe meer nadruk de mens op oneigenlijk bezit legt en hoe minder hij van het wezenlijke bespeurt, des te onbevredigender is zijn leven. Hij voelt zich beperkt omdat hij beperkte bedoelingen heeft, en dat leidt tot afgunst en jaloezie.

Als je begrijpt en voelt dat je tijdens dit leven al bent aangesloten op het oneindige, dan veranderen je wensen en je instelling. Uiteindelijk is het slechts het wezenlijke in je dat meetelt en als je dat niet hebt, dan is je leven verspild.

Ook in relatie tot de ander is het van door­slaggevend belang of het oneindige erin is uitgedrukt of niet.

Mens en Mythe.

Degene die zonder mythe, of daarbuiten meent te leven vormt een uitzondering. Ja, hij is zelfs een ontworteld mens, die noch met het leven van zijn voorouders (dat voortdurend in hemzelf leeft), noch met de huidige menselijke maatschappij in een waarachtige verbinding staat. Hij bewoont zijn huis niet zoals de anderen, hij eet en drinkt niet hetzelfde als de anderen, maar hij leeft een leven apart, ver­wikkeld in een subjectieve waan die door zijn verstand is uitgebroed, en die hij als de zojuist ontdekte waarheid beschouwt. Dit speelgoed van zijn verstand brengt zijn ingewanden niet in opstand. Het kan wel eens zwaar op zijn maag liggen, omdat deze de producten van het verstand als iets onverteerbaars beschouwt. De ziel is niet van vandaag of gisteren! Ze is vele miljoenen jaren oud. Het individuele bewustzijn echter is slechts de bloesem en vrucht van een seizoen, die ontspruiten aan het eeuwenoude onderaardse wortelstelsel. Ons bewustzijn bevindt zich in een betere overeenstemming met de waarheid, wanneer het rekening houdt met het bestaan van het wortelstelsel, want dit is de moeder van alles.

Ik vermoedde dat de mythe een zin had, die ik zou moeten missen wan­neer ik daarbuiten in de mist van eigen speculaties zou leven. Ik voelde mij gedwongen me in alle ernst af te vragen: 'Wat is de mythe die je zelf leeft?' Ik kon hier geen antwoord op geven, maar moest erkennen dat ik eigenlijk noch met een mythe, noch binnen een mythe leefde, maar dat ik me integendeel in een vage wolk van mogelijke meningen be­vond, die ik overigens met groeiend wantrouwen bekeek. Ik wist niet dat ik een mythe beleefde, en ook al had ik dat geweten, dan nog zou ik de mythe, die mijn leven buiten mijzelf om voorbereidde, niet hebben her­kend. Zo kwam ik als vanzelfsprekend tot het besluit 'mijn' mythe te leren kennen, en ik zag dit als een taak bij uitstek.

Bron: C. G. Jung – Libido in Transformatie


Citaten

Het leven dat gebeurt is niet het werkelijke leven, maar het leven is pas werkelijk als het ook geweten wordt. Alleen een persoonlijkheid die een eenheid is geworden kan het leven ervaren, maar niet het gebeuren dat zich in deelaspecten heeft opgesplitst, - een gebeuren dat zich óók mens noemt.

Christus heeft de zondaar geaccepteerd en hem niet verdoemd. De ware navolger van Christus zal hetzelfde doen, en aangezien men een ander niets moet aandoen wat men zichzelf niet zou aandoen, zou men ook de zondaar moeten accepteren die men zélf is.

Het is een niet onbekend feit dat rigoureuze religieuze oefeningen en sommige bekeringspreken van katholieke zijde, en daarnaast een bepaalde protestantse opvoeding waarbij voortdurend naar zonden wordt gespeurd, beschadigingen veroorzaken die niet naar het rijk Gods, maar naar de spreekkamer van de arts leiden.

Op het terrein van de religie kan men – zoals bekend – niets begrijpen wat men niet eerst innerlijk heeft ervaren. Pas in de innerlijke ervaring wordt de relatie van de ziel met het uiterlijk getoonde en gepredikte geopenbaard als een verwantschap of overeenkomst zoals die van bruidegom en bruid.

Bron: Carl Gustav Jung – Droom en individuatie