Gedichten die ik in de loop der jaren verzameld heb - deel 2


01. Sterk - 02. Ouderdom - 03. Aan het einde van de dag - 04. September - 05. Aan een Griekse vaas - 06. De nachtegaal - 07. Avondgebed - 08. Onvervreemdbaar - 09. Het pad - 10. Spinrag - 11. Als dit geen liefde is - 12. Deut. 20 - 13. Montségur - 14. Zo hopeloos ... - 15. In memoriam patris - 16. Landschap - 17. Herfst - 18. Voetstappen in het zand - 19. Kinderherinnering - 20. Het volmaakte - 21. Alles mag je worden - 22. Ziekenbezoek - 23. Afscheid - 24. Franciscus en de Vlaamse Gaai - 25. Het revolutionaire ongeduld - 26. Kleine litanie van Franciscus -
 
 
 01. Sterk

Ik dacht dat het niet kon:
dat iets wat je niet ziet
je alle dagen draagt
en sterker maakt.
Alsof je spieren krijgt
van liefde.

En kijk, het klopt:
het hart van oma
slaat nog altijd over
als ze opa ziet.
Maar nu hij oud is en te bed,
misschien nog net de hemel haalt,
loopt oma sinds een poosje
krommer en vraagt ze vaker
om mijn arm.
Zonder hem krijgt
ze het huis niet warm
en zelfs de hond
zakt zuchtend naast de luie stoel.
Dus is het waar
dat liefde
spieren geeft
en op den duur
ook vuur.

Bart Moeyaert
 
 
 
 02. Ouderdom
 
Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
 
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.
 
Judith Herzberg   
 

 
 03. Aan het einde van de dag

Aan het einde van de dag
als de nacht weer op mij wacht
kom ik van het werken moe
weer naar U mijn Vader toe

Ik kreeg krachten van U Heer
om te werken telkens weer
U was bij mij heel de dag
geef mij ook een goede nacht

Voor de mensen om mij heen
en voor hen die heel alleen
leven hier op deze aard
vraag ik of U hen bewaart.

Heer ik deed weer veel verkeerd
maar U hebt mij ook geleerd
dat U het vergeven wil
ik vraag het nu om Jezus wil.

Dank U dat ik als Uw kind
steeds bij U bescherming vind
en nu rustig slapen mag
wachtend op de nieuwe dag.

- Ina van der Welle -
 
 
 
 
 04. September

September blaas uw gouden vlammen
Door al de wijde wereld heen!
Blaas van nog boordevolle stammen
Het kwijnend afval naar beneên!
Begraaf ons in uw gulle goud,
Tot ons ontstuimige verlangen
Barst boven al uw wilde zangen
En feest in al uw vruchten houdt!

September blaas uw witte buien
Als blâren van een rozenstok!
Blaas aan ons hart, tot het gaat luien
Als de uit goud gegoten klok!
Totdat ons hoofd zijn lichten draagt
Als de aan uw goud ontstoken lampen,
Tot straalt door al uw blinde dampen
De dag, die uit uw donker daagt!

September blaas de hemel open!
Blaas door de wolken wagenwijd!
Tot onze harten overlopen
Van ’t goud dat uit de hemel glijdt!
Tot onze schoot uw licht bewaart,
Tot wij de lichte wereld loven –
Tot onze ogen gaan geloven
Aan alle heerlijkheid op aard!

Van zon en zomer (1918)
C.S. Adama van Scheltema
 
 
 
 
 05. Aan een Griekse vaas

Oud zijn, en toch nog zoveel glans.
De breuken, rimpels van de tijd.
Een stilte na de roes en na de dans,
voorgoed een dieper leven toegewijd.

In deze vaas werd wijn bewaard.
Nog rankt de wingerd om de schouder.
Een vrouw die met een sater paart
glimlacht, haar wellust wordt niet ouder.

Het eeuwig leven van de mensen
en dan dit korte ogenblik:
ons eigen leven met zijn vrome wensen,
zijn nooit berustend, jagend ik.

Ik teken dit gedicht: een scherf
waarin ik harde lijnen kerf.
Ik stop het in de rulle aarde weg:
een kindergraf waarin ik stilte leg.

Alles begraven zal de tijd,
in zijn goede barmhartigheid.

F.L. Bastet (1926-2008)

 
 
 06. De nachtegaal

Door de avondwereld
Gaat geen geruis
Alleen een vogel
Gaat stil naar huis.

Een purper boompje
Staat heel alleen
Daar vliegt op eenmaal
Een vogeltje heen.

Dat gaat aan 't zingen
Dat zingt zo hard
Dat zingt weer wakker
Mijn arme hart!

C.S. Adama van Scheltema - eenzame liedjes (1906)
 
 
 
 
 07. Avondgebed

Het werken is gedaan
de nacht gaat komen,
waar de sterren verschijnen
fluisteren nog even de bomen,
het ruisende water verstilt,
de bloemen gaan zich sluiten,
geluiden verstommen,
vogels staken hun fluiten,
dan is de dag ten einde
en buig ik mij voor U neer
dank voor uw nabijheid,
voor uw leiding Heer,
wil in liefde over ons waken
omring ons met uw zorgen
geef een diepe, rustige slaap
tot aan de nieuwe morgen.

Agatha Reurich
 
 
 
08. Onvervreemdbaar


Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.

Zij waren het van kind af aan.

Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen, voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan;
de enigen die ons nooit verstoten.

Ida Gerardt
 
 
 
 09. Het pad

Van alle paden door het bos
koos ik die met het meeste mos.
Het lag misschien niet voor de hand,
maar was het meest interessant.

Ondanks de twijfel die ik had,
ging ik het minst belopen pad.
Van alle wegen door het land
koos ik de weg gemaakt van zand.

Maar welke weg ik ook zal lopen,
soms zal ik winnen, soms verliezen,
maar altijd zal ik kunnen kiezen.

En ongeacht wat ik zal hopen,
ik kom tenslotte daar te staan,
waar al mijn wegen samengaan.

- Michaël M.E. van Dijk -
 
 
 
 
 10. Spinrag

Je had iets aan de heg staan te verschikken;
ik haalde de herfstdraden uit je haar,
en wist: dit is één van die ogenblikken
die ik in mijn herinnering bewaar,
tegen de tijd.

Maar straks, als wij al weg
zijn en geen weet meer van ons tweeën hebben,
straks rukt wellicht in deze zelfde heg
de wind nog aan dezelfde spinnenwebben.

Jean Pierre Rawie (1951)
 
 
 
11 . Als dit geen liefde is
 
Als dit geen liefde is, wat is het dan?
En als het liefde is, is ze dan goed?
Kan liefde goed zijn als ze lijden doet?
En is ze slecht, geniet men daar dan van?

Wat klaag ik, als ik zelf beslissen kan?
Heeft klagen zin, als ik beminnen moet?
O dood die leven geeft, o leed zo zoet,
geniet ik van de dwang van een tiran?

Zo dool ik stuurloos rond op hoge zee,
bij wisselende wind. Mijn schip is zwaar
van twijfel en draagt weinig wijsheid mee,

zodat ik, niet meer wetend wat ik wil,
het gloeiend warm heb in de winter, maar
in hartje zomer van de koude ril.

Petrarca (1304 - 1374) -  Sonnetten voor Laura
Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
Vertaling: Ike Cialona

 
 
 
 12. Deut. 20
 
Wie op het schiereiland van de vervulling staat
moge de dood nog worden bespaard.
Hij die een wijngaard heeft geplant
maar de vruchten nog niet heeft geproefd,
hij die een hut heeft gebouwd
maar er nog niet in heeft gewoond,
hij die een vrouw heeft genomen
maar nog niet met haar heeft geslapen.
Hij die een leeg schrift, een onbegonnen
potlood of een schone zakdoek heeft.
Hij die ziet dat het gaat regenen.
 
Maar wie perfect de weg kent in een stad,
een lied kan blazen op een sprietje gras
of wie zich op een korrel heeft verschanst
en deze als de wereld ziet, zijn paard
niet afdroogt na een rit, zijn bril
beslagen laat, de regen heeft zien vallen,
zijn zakdoek gebruikt, zijn tranen gehuild heeft -
 
Of wie met hart en ziel terug wil draven
begraven schatten op wil graven
dode dingen leven in wil blazen of gaat sparen;
een herfstblaadje, een bioscoopkaartje
een schaamhaartje bewaren -
Stuur hem desnoods dan maar de veldslag in,
alleen - verwacht niet van hem dat hij wint.

Judith Herzberg
 
 
 
 13. Montségur

Hoog en eenzaam in de bergen
zwart geblakerd door het vuur
als om kerk en tijd te tergen
staat de burcht van Montségur

Laatste bolwerk der Katharen
in de Franse Languedoc
op de kruistocht der barbaren
't allerlaatste struikelblok.

Als door waanzin ingegeven
kwam het pauselijk bevel:
"breng ze allen om het leven,
God erkent de zijnen wel."

Heftig twistten op synoden
paus en bisschop en abbé,
rijp als koren vielen de doden -
zestigduizend in Bezier.

Ruim tweehonderd der getrouwen
wetend wat de toekomst bood,
vrome mannen, vrome vrouwen,
gingen zingend in de dood.

Feller dan de felste vuren,
sterker dan de sterkste smart
bleef de laatste lofzang duren
van de zuiveren van hart.

't Ongeloof werd uitgedreven,
recht en orde werd hersteld.
Maar de echo is gebleven
onuitroeibaar door geweld.

Mocht u ooit in 't Zuiden reizen,
ga dan even naar het slot
waar de dwazen en de wijzen
baden tot dezelfde God.

Marc van Caelenberg
 
 
 
 
14. Zo hopeloos ...

Zo hopeloos aan dit nukkig
en raadselig leven verknocht,
ben ik droef en bijna gelukkig,
nu het stil en weer avond wordt.

De morgen kwam schijnbaar verlegen,
en ik deed wat men dagelijks doet,
verzoend met de zon en de regen
en de vrouw die men kussen moet.

Maar het altijd eendre verlangen
begint als de avond begint;
men blijft wie men was, het steeds bange
naar bescherming zoekende kind,

en tracht in de slaap te vergeten,
wat ik nimmer mezelf vergeef,
dat ik, verzoend met dit leven,
in haar armen slechts werkelijk leef,

en slaap aan haar schouder geborgen,
en slaap weer als moeder en kind,
door de eeuwigheid heen, tot morgen
weer de eeuwige leegte begint.

Frank Lulofs

 
 

15. In memoriam Patris

Nu hij dood is kan ik aan hem schrijven,
bij zijn leven stond hij mij te na.
Als ik, ouder voortaan, verder ga
is het of hij mij staat na te wuiven.

Met zijn eigen vulpen op zijn eigen
postpapier schrijf ik: vaarwel, ik ga;
als ik u ten afscheid gadesla
zie ik u steeds meer achteruitschuiven.

Maar nooit heb ik u zo goed begrepen.
Uit de verte zend ik u mijn brief
en daarin staat: Vader, heb mij lief,

want ik moet mij nu voorgoed inschepen
en het schip steekt van de kade af.
Vaarwel jongen, roept hij uit zijn graf

Guillaume van de Graft.  

 
 
16. Landschap

Dit is het landschap waar ik mij verschuilen
kan als het leven mij naar 't leven staat.
Moerasgebied met grassen, poelen, kuilen
waar donker water geen geheim verraadt
Men hoort er 's avonds het gekras van uilen.

En hier en daar op 't onverwacht daartussen
heldere plekken, waar dan bomen staan,
die met een groene mond de hemel kussen
en 's avonds dromen bij een lichte maan.

Dit is het landschap -, ongerept gebied.
En ik voel, luist'rend naar het oeroud riet,
een rust van eeuwen al mijn onrust sussen.

J. W. Schulte Nordholt.

 
 
17. Herfst
 
Het licht is helder, het geluid
straalt seinen van herkenning uit
uit hemelen van heerlijkheid
die overlopen in de tijd,
 
die openbreken blauw en goud
met rode vlammen in het hout,
en in het hart een warme toon
om wat moet sterven groot en schoon.
 
Een ruiter is het hart, het gaat
zo trots de sterfelijke straat,
en licht voor dezen dood de hoed,
voor wien het eenmaal buigen moet.

J. W. Schulte Nordholt.
 
 

18. Voetstappen in het zand

Ik droomde eens, en zie,
Ik liep aan 't strand bij lage tij.
Ik was daar niet alleen,
Want de Heer liep aan mijn zij.

We liepen samen het leven door,
En lieten in het zand
Een spoor van stappen, twee aan twee,
De Heer liep aan mijn hand.

Ik stopte en keek achter mij
En zag mijn levensloop,
En tijden van geluk en vreugd,
Van diepe smart en hoop.

Maar als ik goed het spoor bekeek,
Zag ik langs heel de baan,
Daar waar het juist het moeilijkst was,
Maar één paar stappen staan.

Ik zei toen: "Heer, waarom dan toch?
Juist toen ik U nodig had,
Juist toen ik zelf geen uitkomst zag,
Op het zwaarste deel van 't pad!"

De Heer keek mij vol liefde aan,
En antwoordde op mijn vragen:
"Mijn kind, toen het moeilijk was,
toen heb Ik jou gedragen….."

Mary Stevenson

 
 
 19. Kinderherinnering

Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.

Ida Gerhardt - uit 'het levend monogram' 1955

 
 
 20. Het volmaakte

Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn één, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand er mee speelt.

Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.

Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ik zijn onschuld nu ten val?
Of ben ik blind? – Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.

uit 'De zomen van het licht' 1983
Ida Gerhardt

 
 
 
 21. Alles mag je worden

Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.

Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of -
als je leven ingewikkelder loopt -

gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddenstoelenfotograaf,

pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen...
Behalve ongelukkig. Beloofd?

Ron Mueck

 

22. Ziekenbezoek

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.

Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

Judith Herzberg
    
 
 
 23. Afscheid

Zul je voorzichtig zijn?

Ik weet wel dat je maar een boodschap doet
hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent voor een lange reis.

Je kus is licht,
je blik gerust
en vredig zijn je hand en voet.

Maar achter deze hoek
een werelddeel,
achter dit ogenblik
een zee van tijd.

Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Morriën
 
 
 24. Franciscus en de Vlaamse Gaai

Eens, tussen karekiet en kraai
Streek er een felle Vlaamse gaai
Op Sint Franciscus’ schouder neer
En schonk hem fier zijn schoonste veer

Franciscus blijkbaar erg vereerd
Had daags voordien wat Vlaams geleerd
En zei: " Ik dank u goede gaai!
Ik vind uw veer bijzonder fraai!”

Daarop werd urenlang verteld
Hoe het in Vlaanderen was gesteld…
Een hemel blauw of parelgrijs
Gans Vlaanderen een paradijs!

Noch lucht noch water leek verpest
De vogels bouwden er hun nest
In geurig groen, bij riet en lis
Nog nooit dreef er een dode vis!

Acht eeuwen gleden sinds voorbij;
Het water werd een grauwe brij,
De wolken drijven zwart als roet,
Geen vogel die nog rustig broedt…

Alleen de Vlaamse gaai hield stand.
Geen stond door wanhoop overmand,
Blijft hij met Bredero beweren:
"Hoe zwaar het lot, het kan verkeren!”

Bert Peleman
Uit: 'Franciscus en de Vlaamse Gaai: een "vlucht licht gevederde” verzen' (1982)

 
 
25. Het revolutionaire ongeduld  

Heilige Franciscus,
bid voor ons,
nu en in het uur van moedeloosheid.
Jouw zuster water is vergiftigd;
jouw broeder vuur kennen de kinderen niet meer;
en de vogels mijden ons.

De pausen en de vorsten
glimlachen om jou;
en de Amerikanen kopen heel Assisi op
inclusief jouzelf.
Heilige Franciscus,
waarvoor heb je eigenlijk geleefd?

In de stenen voorsteden
heb ik je zien rondlopen
als een hond die in vuilnisbakken snuffelt.
Zelfs kinderen
hebben liever een plastic auto
dan jou.

Heilige Franciscus,
bid voor ons,
nu en als wij geen water meer hebben;
nu en als wij geen lucht meer krijgen. top

Hein Stufkens
 
 
 
 
 
 
 26. Kleine litanie van Franciscus  

Jij, wonderlijke man,
bid voor ons, als dat kan:

dat wij de armen mogen eren
en met geen machten samenzweren,

dat wij de wolf in ons herkennen
en hem met mededogen temmen,

dat wij in vrede zullen groeten
al wie wij onderweg ontmoeten,

dat wij het vuur niet laten doven
en in de nacht de zon nog loven,

dat wij zelfs stervend zullen zingen
van alle goeds dat wij ontvingen.

Jij, wonderlijke man,
bid voor ons, als dat kan.  

Albert Verwey [1865-1937]