Gedichten over leven en dood - deel 1

01. In Memoriam Matris - 02. gelachen hebben we...- 03. Essentie van het missen - 04. 'In memoriam' voor een vriend - 05. De gestorvene - 06. De ruimte in - 07. Ik denk - 08. Soms - 09. Nu - 10. De dood komt immer onverwacht - 11. Zerk - 12. Allerzielen - 13. Geloof - 14. Allerheiligen - 15. O, als ik dood zal zijn - 16.  Ren Lenny ren - 17. Bondgenoten - 18. Geen kind meer - 19. Voor de verre prinses - 20. Cirkel van Leven - 21. Ik stond weer op de plek waar je verstoof - 22. Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder - 23. Boom -
 

 
 
  01. In Memoriam Matris
    -voor mijn moeder-

    Je hebt alles afgelegd, je weg,
    de pijn, bezit, zelfs je naam
    in delen doorgegeven
    als gebroken brood.

    Gebarsten is het glas van het veld
    waarin ons eeuwig nu, met wat
    slechts dagelijks telde en sneed
    mij bloedend met gemis.

    Wij spraken weinig over dood,
    vraag en antwoord lagen al
    in onze ogen. Jij bent eeuwig,
    maar de dag is heen, de herfst komt

    en ik ben opgeschoven in de tijd,
    zo onbegrijpelijk
    logisch zijn de dagen.

    Het is valtijd, moeder, fruit
    uit je tuin is aangetast,
    ik heb nog niet geoogst.

    Catharina Boer



        02. gelachen hebben we...

        maar we zouden niet vergeten dat
        we hebben gelachen, gelachen hebben
        we veel en dat zal ik niet vergeten
        want we hebben gelachen en veel hè?
        en dat zullen we nooit vergeten om-
        dat we zoveel gelachen hebben en dat
        niet vergeten gvd wat hebben we gelachen
        en niet en nooit vergeten dat we zo
        hebben gelachen omdat we samen waren
        en zoveel gelachen hebben dat we
        het nooit zullen vergeten

   Gedicht dat Bert Schierbeek schreef na het ongeluk dat hij samen met zijn echtgenote had en waarbij zijn vrouw overleed.
        
Bert Schierbeek (1918-1996)
  Uit:  De Deur, 1973. Uitg. Bert Bakker
       
      

        03. Essentie van het missen

        Ik mis de linkshandige, schitterend
        spiegelbeeld naast mij aan tafel, ik mis

        haar tot brakens toe dagelijks. Het is
        de kern van gemis, het missen zelf,

        zegt men. Dat zal ik, met gestrekte
        hals, fijntjes ontkennen. Dat zal ik

        schuimbekkend tegenspreken. De tijd
        is een ruimte, je bent altijd bij haar,

        zegt men. Ik kijk in de lege spiegel.
        Geleerde onzin, schandalige troost.

        Ze reed weg met mijn goud, mijn geluk
        in haar fietstas, hief haar smalle hand

        en verdween tussen de weiden. De kern
        van gemis laat mij koud, geen wijsgerige

        held gaat mij helpen. Ik mis
        het vlees, het linkshandige lichaam.

        Anna Enquist
        Uit: De tussentijd (2004)




        04. 'In memoriam' voor een vriend

        Rust nu maar uit je hebt je strijd gestreden.
        Je hebt het als een moedig man gedaan.
        Wie kan begrijpen, wat je hebt geleden.
        En wie kan voelen, wat je hebt doorstaan?

        Rust nu maar uit - je taak is afgekomen;
        vandaag heeft God de kroon op 't werk gezet
        dat je eenmaal in Zijn kracht hebt ondernomen.
        De zin was af. God heeft een punt gezet.

        Maar 't valt ons moeilijk om de zin te vatten
        van 't zwijgen van je laatste hartenklop.
        Misschien alleen maar dit: De afgematten
        en moeden varen als met arendsvleug'len op...

        Nel Benschop
        (1918 - 2005)
 


05. De gestorvene

        Zeven maal om de aarde gaan,
        als het zou moeten op handen en voeten;
        zevenmaal om die éne te groeten
        die daar lachend te wachten zou staan.
        Zeven maal om de aarde gaan.

        Zeven maal over de zeeën te gaan,
        schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
        kon uit de dood ik die éne doen keren.
        Zeven maal over de zeeën te gaan -
        zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

        Ida Gerhardt
        (1905 - 1997)
 
 
06. De ruimte in

        Mij zijn de dingen
        als bloemen: bedoeld
        tot openspringen
        van bewijs dat woelt
        overal in;
        zelfs in mensen
        die het einde wensen
        woelt begin.

        Ik kan in mijn handen
        de wereld voelen:
        als vlees krioelen
        de vastelanden
        en tintelen van de bommen,
        rimpelen van de rampen,
        huiveren van de drommen.
        Onder nauwe dampen
        in het aardse zonlicht
        drukken lichamen
        zich zo dicht tezamen,
        zo eenzaam en
        zo dicht, zo dicht.

        Trek de kou in van
        de lege maan.
        Blijf even staan
        luisteren, trek dan
        door de lange nacht
        naar een planeet
        (plotseling heet),
        mompel zacht,
        en tuimel maar voort.
        Wat heb je na jaren
        dan gezien, ervaren
        en gehoord?

        Snik maar, want
        van hier tot God
        snikt om ons lot
        niemand, niemand.

        De melkweg? Bleek zand
        dat traag nadraait,
        eens opgewaaid
        van een leeg strand,
        en...

        Een ogenblik!
        Wat hoor ik daar?
        De wind.
        Niemand.
        Snik maar.

        Leo Vroman, uit Gedichten 1946-1984
 
 
 
 07. Ik denk
         

        ik denk
        als het regent
        laat ze niet nat worden
        en als het stormt
        vat ze geen kou
        en ik denk ook
        dat dat denken
        niet helpt
        want je wordt nooit meer
        nat noch vat je een kou
        want het regent
        noch waait ooit
        meer voor jou

        Bert Schierbeek.
        Uit:  De Deur, 1973. Uitg. Bert Bakker



08. Soms        

        Soms, een enkele keer,
        met heel veel moeite en voornamelijk toevallig,
        lukt het iemand
        om met beide armen zijn verdriet te omvatten.
        Hij tilt het op.
        Laat de deur niet op slot zijn, nu...
        Hij duwt hem open met zijn knie
        en loopt met grote breedsporige passen naar buiten.
        Kijk uit! roept hij
        want het verdriet is zo groot dat hij er niet overheen kan kijken,
        en doorzichtig is het nooit.
        Ver weg, in een sloot of op een drassige plek
        onder populieren
        of achter een scheve schutting tussen oude autobanden,
        speelgoed, resten van vuur,
        gooit hij het neer
        en fluitend loopt hij terug naar huis.

            Toon Tellegen


         
        #09. Nu

        nu moeten wij aan veel meer traagheid wennen,
        aan liefde die verdween en aan wat nog resteert
        aan teerheid in wat najaarslucht en geur van dennen
        en aan hoe-het-kon-zijn-gedachten die je nooit verleert.

        aan bijna-niets, en aan voortdurend vier dezelfde muren
        en aan een belsignaal dat nooit weerklinkt,
        aan twintig keer per dag door ramen naar de verte turen
        en altijd jezelf met wie je 's avonds drinkt.

        en wat ik overhou is niets om weg te geven:
        wat ik nog ben, ben ik alleen voor mij.

            Herman de Coninck
 
 

         10. De dood komt immer onverwacht
         

        De dood komt immer onverwacht;
        Al sterven wij ook maanden, jaren,
        Al ligt de wanhoop uit te staren
        Naar 't dalen van den laatsten nacht,
        Het leven met verbeten kracht
        Wil nog zijn murwe buit bewaren:
        De dood komt immer onverwacht.

        Geliefde, maak mijn uren zacht,
        Leg stille handen op mijn haren,
        Spreek woorden, die de pijn bedaren,
        Want weet: het is nog niet volbracht,
        De dood komt immer onverwacht.

            H.W.J.M. Keuls
 

 
 
11. Zerk

Uw namen die weer samen staan,
als in de dood opnieuw verliefd:
nooit leek u zozeer ingelijfd
bij alles wat er vroeger was.

Nooit leek u zozeer niet vergeten,
uw laatste zoen in steen gegrift,
alsof men nooit meer kwijt kan raken
wat men voorgoed verloren heeft.

Luuk Gruwez


 
12. Allerzielen

Soms loopt er door een drukke straat
ineens een oude kameraad
of reisgenoot.

Je weet zodra je hem begroet:
het kan niet dat ik hem ontmoet,
want hij is dood.

Eerst ben je nog een tijd verbaasd
omdat die levende toch haast
die dode was.

Heb je de zaak dan afgedaan,
dan komt er weer zo’n dode aan,
met flinke pas.

Thuis van het dodencarnaval
zie je de spiegel in de hal,
je schrik is groot:

die man daar in het spiegelglas,
met die bekende regenjas,
was die niet dood?

Willem Wilmink


 
13. Geloof

Nu alles faalt, heeft dit alleen nog waarde
voor mij, die nooit één waarheid
heb ontdekt:
ik zal van u niet scheiden als deze aarde
mijn pover lichaam dekt.

Ik heb maar één geloof:
nooit gaat verloren
wat eens de liefde zalig heeft bevrucht,
en waar er twee elkander toebehoren
is zelfs de dood geen vlucht.

Jan Van Nijlen

 

14. Allerheiligen

De rosse blaren van de najaarsbomen
beleggen ’t macadam met gouden zomen.
Er dwaalt een blijde stemming in de stad
van wemelende mensen, weeldezat.
De zon met gouden draden, fijn als rag
spint haar kleed voor allerheiligendag.

Ach kind er hangt
een waas van weemoed over!
zie jij ’t dan niet?

De glans van zon en lover
is niet zo helder als je meisjeslach;
‘t is immers morgen allerzielendag!

Voel jij niet dat in elke vreugde trilt
het leed om ‘t niet bezit van wat je wilt?
Het leed om ’t niet-bezit van je verlangen,
Zo dat de zon half
in de mist blijft hangen.

Gaston Burssens


15. O, als ik dood zal zijn

O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.

En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn.’

J.H.Leopold

 


16.  Ren Lenny ren


Zoek me om je heen als je voelt dat je me mist.
Ik weet gerust wat mijn vertrek heeft aangericht.
Ik kom wanneer je wil, denk maar m’n vader is de wind
Ik ben zo licht nu. Ik vind altijd je gezicht.

Zoek me om je heen als je boos bent of verdrietig.
Of vertellen wilt van wat je hebt beleefd.
Ik kom wanneer je wilt , ik ben je vader toch de wind
Maar veel verschilt het niet van hoe snel ik heb geleefd.

Als het pannen van daken waait, als het gras naar je voeten graait,
als de wind langs je wangen aait, hier ben ik.

Als de zee je met schuim bezingt
Als het huilen langs huizen klinkt
Als de wind je voorover dwingt, hier ben ik.

Ren Lenny ren
Als je me mist ren even heel hard met me mee.
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin ren dan toch hard tegen me in
Ren Lenny ren

Zoek me in de bomen, zie de toppen zwaaiend gaan,
ik ben je vader, de wind, ik kom eraan.
Zoek me in de haven, zelfs de boten langzaam dansen gaan,
je vader, de wind komt eraan.
Als het graan op de velden wuift, als het zand over duinen stuift,
Als de wind zelfs je fiets verschuift, hier ben ik.
Ren Lenny ren

Als je haar voor je ogen waait, als je jas om je lichaam draait
als de wind langs je wangen aait, weet dat ik je mis.
Ren Lenny ren
Als je me mist ren even heel hard met me mee
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin ren dan toch hard tegen me in

Ren Lenny ren
Ren Lenny ren

Als je me mist ren even heel hard met me mee
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin ren toch hard tegen me in
Ren Lenny ren

Ren Lenny ren
Ren Lenny ren

‘Ren Lenny Ren’ – Acda en de Munnik

 

17. Bondgenoten

Wij hebben langs gescheiden wegen
steeds onze eigen weg gezocht;
thans, aan het einde van de tocht,
komen wij eerst elkander tegen.

Pas bij het ronden van de bocht,
de tegenstellingen ontstegen,
blijkt op hetzelfde vlak gelegen
wat ieder voor zichzelf bevocht.

En nu de meeste zekerheden
geleidelijk zijn zoekgeraakt,
deelt zich onopgesmukt en naakt
de laatste waarheid aan ons mede:

het is slechts dit gedeeld verleden
wat ons tot bondgenoten maakt.

Jean Pierre Rawie

 


18. Geen kind meer.

De dag waarop je moeder sterft,
de dag die al je dagen
Van dan af aan wat grijzer verft,
al hou je niks te klagen

Je hebt je goeie vrienden nog,
die staan je ook dichtbij
En als je soms een minnaar zoekt
dan staan ze in de rij

Maar niemand zal meer weten
hoe je met je pop kon spelen
En niemand zal nog ooit
je vroegste vroeger met je delen

De dag waarna je nooit meer
kwetsbaar wezen kan en klein
De dag waarna je nooit meer kind zult zijn

‘Geen kind meer’ – Karin Bloemen

 

19. Voor de verre prinses

Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tusschenbeide.
Soms staan wij beiden ’s nachts aan ’t raam,
Maar and’re sterren zien we in and’re tijden.

Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis – dat ik
Op vleug’len van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door groote droomen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedren nacht.

J.J. Slauerhoff

 

20. Cirkel van Leven

Wanneer we al het werk gedaan hebben
waarvoor we naar de aarde zijn gezonden,
mogen we ons lichaam afleggen
dat onze ziel gevangen houdt,
zoals een cocon de latere vlinder omsluit.

En wanneer de tijd is gekomen,
kunnen we het loslaten
en zullen we vrij zijn van pijn,
vrij van angst en zorgen,
vrij als een heel mooie vlinder
en terugkeren naar huis bij God…

Uit: ‘Cirkel van Leven’ – Elisabeth Kübler Ross

 
 
 21. Ik stond weer op de plek waar je verstoof

Ik stond weer op de plek waar je verstoof.
De zon scheen mild en omneveld,
geen mens te zien, volkomen stil.
Het was een dag als een geloof:

vol hoop die nooit zou doven.
De duinen waar ik over uitkeek
lieten zich van hun voet beroven
door de mist die nu uit zee aandreef,

en net toen alles leek ontworteld,
het gras, de struiken en de bomen,
en zonder zin of doel ronddobberde,

zag ik twee kraaien op een duintop staan,
de snavels doodstil tegen elkaar aan,
en hun silhouet leek op een hart

tot zij opvlogen, en het brak.

Pieter Boskma (1956)  
Uit Doodsbloei, Prometheus Amsterdam, 2010
 
 
 

 
 22. Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder

Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag ?

Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.

Zij zoekt - het is een s.o.s. -
haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar Franse les
herhaalt zij: van haar 8e jaar:
'bijou, chou, croup, trou, clou, pou, òu,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.'

Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn moeder bent

 
uit: 'De oude kustlijn'
M. Vasalis (1909-1998)


 
 
 
 23. Boom

Ik heb mijn handen om jouw schors gelegd
en zacht bevoeld, zoals een blinde tast.
De diepe barsten in jouw bast betast,
het braille dat op stam is ingelegd.

Een oud verhaal dat hier geschreven staat,
hiërogliefen uit een verre tijd,
zo zorg'loos ooit de liefdesgod gewijd;
van altijd zomer spreekt dit stil dictaat.

Mijn vingertoppen raken haar gebied,
gaan langs haar naam, het half verweerde hart.
Ik maak me van je los, zo vreemd verward,
zoveel nog hier, alleen wij samen niet.

Atze van Wieren
Bekroond met de Concept Poezieprijs 2000.