BDE in boeken, kranten en andere media

01. BDE-onderzoek, eindeloos bewustzijn of bewustzijnsvernauwing - 02. Eindeloos Bewustzijn: de film - 03. Het kleine bijna-bij-de-dood-boekje - 04. Verdwaald in het paradijs door Julie Chimes - 05. Levensbestemming - Martin Heald - 06. Aan de rand van de dood - 07. James Redfield - De Celestijnse Visie - 08. Sterven is heel anders - Johan Christoph Hampe - 09. Helder Sterven - Jan Karel Hylkema - 10. BDE in de Griekse Mythologie - 11. Een BDE van Carl Gustav Jung -
 
 
 
 
01. BDE-onderzoek, eindeloos bewustzijn of bewustzijnsvernauwing.
door Hendrik Klaassens

 

 

Wie enkele eeuwen geleden ketterse opvattingen verkondigde over God, hiernamaals of heelal moest voor zijn leven vrezen. De kans was groot dat hij op de brandstapel eindigde, in mootjes werd gehakt of op een andere, even pijnlijke manier naar de andere wereld werd geholpen. Het gebrek aan wetenschappelijke verbeeldingskracht bij de autoriteiten was vaak omgekeerd evenredig aan de creativiteit waarmee men ketterse nieuwlichters te lijf ging, vaak met fatale gevolgen.

Gelukkig ligt de tijd van hakblokken nu achter ons. Maar de weerstand tegen nieuwe ideeën is niet verdwenen. Er zijn nu andere manieren om mensen te lynchen als ze ideeën verkondigen die afwijken van wat door de meerderheid wordt geloofd. Tegenwoordig gebeurt dat meestal digitaal. Kennis van zaken is niet meer nodig, wel een toetsenbord, een p.c. en een internetaansluiting.

De richtingenstrijd heeft zich van het marktplein en het gerechtsgebouw naar het internet verplaatst - de emoties zijn onveranderd dezelfde gebleven.

De cardioloog Pim van Lommel is één van de mensen die dit aan den lijve heeft ondervonden. Na het verschijnen in 2007 van zijn boek "Eindeloos bewustzijn – een wetenschappelijke visie op de bijna-doodervaring” barstte de discussie hierover in alle hevigheid los. Veel bloggers, die dat boek niet eens hadden gelezen, verklaarden het voor onwetenschappelijk. Geleerden gingen op hun beurt ijverig aan de slag om de belangrijkste conclusies ervan onderuit te schoffelen.

De reden voor al dat gekrakeel ligt voor de hand: zijn conclusies waren vernietigend voor het medische paradigma dat ons bewustzijn het product zou zijn van onze hersenfuncties. In die gedachtegang verdwijnt ons bewustzijn bij de fysieke dood. Van Lommel toonde echter aan dat mensen tijdens de klinische dood vaak een veel helderder bewustzijn hebben dan tijdens het normale waakbewustzijn. Ze ontmoetten overleden vrienden en verwanten, kregen een andere, mooiere wereld te zien en soms ook een blik op dingen die nog moesten komen. Dat wijst erop dat onze geest de dood overleeft – en dat is iets wat veel mensen niet willen accepteren. Het heeft immers enorme consequenties voor onze manier van denken. Men dacht dankzij Verlichting en secularisatie van al die veronderstelde religieuze onzin af te zijn – en nu kwam er opeens een wetenschapper die meende dat hij het voortbestaan van ons bewustzijn na de dood had aangetoond? Afmaken die hap, want straks komt al die religieuze nonsens over hemel & hel weer terug, weliswaar verpakt in een wetenschappelijk jasje, maar daardoor nog veel moeilijker te bestrijden!

Paradoxaal genoeg zijn door die houding juist die groepen, die zichzelf als vertegenwoordigers van de Verlichting en de Vooruitgang beschouwen, verworden tot een achterhoede die een verbeten moddergevecht levert tegen nieuwe inzichten die door het BDE-onderzoek zijn verkregen. Wetenschappelijk gezien is het idee dat BDE’s slechts hallucinaties zijn als gevolg van zuurstofgebrek in de hersenen volkomen onhoudbaar gebleken. In zijn boek "Herinneringen aan de dood” heeft dr. Michael B. Sabom, een cardioloog uit de VS, dit met grote precisie aangetoond.

Bijna-doodervaringen treden immers op als er helemaal geen hersenactiviteit meer is. Klinisch gezien is de patiënt tijdens een BDE dus dood. Sabom kwam tot de conclusie dat een zuurstoftekort in de hersenen ongeveer dezelfde ervaringen veroorzaakt als psychedelische drugs. De consistentie, de helderheid en de grote cognitieve scherpte die kenmerkend zijn voor bijna-doodervaringen ontbreken dan echter. Ook van andere verklaringen, waarbij wordt uitgegaan van fysieke oorzaken, heeft hij aangetoond dat ze volledig onhoudbaar zijn, bv. de gedachte dat BDE's zouden ontstaan door chemische veranderingen in de hersenen tijdens het stervensproces.

Sabom is niet de enige die heeft aangetoond dat zuurstofgebrek nooit de oorzaak kan zijn van BDE’s. Uit de studies van Y. Henderson en H.W. Haggard - en een aanvullend onderzoek van R.M. McFarland - naar het effect van zuurstofgebrek in de hersenen, blijkt dat het waarnemingsvermogen van de mens bij het afnemen van de zuurstoftoevoer naar de hersenen steeds meer wordt verstoord. Dat staat in schril contrast met de enorme helderheid van geest die wordt beschreven door mensen die een BDE hadden. Sabom concludeert dan ook: "De reeks van gebeurtenissen die kenmerkend zijn voor een BDE wordt niet in gang gezet door de toenemende verlaging van het zuurstofniveau van de hersenen tot bewusteloosheid intreedt. Dus kan zuurstofgebrek in de hersenen geen verklaring vormen voor de wijze waarop een BDE zich manifesteert."

Is de discussie daarmee nu afgelopen? Absoluut niet. Er zijn veel meer pogingen gedaan om te bewijzen dat mensen tijdens een BDE niet echt dood zijn, of dat hun ervaringen het gevolg zijn van de chemische processen tijdens het sterven. De belangrijkste aanwijzing – hoewel geen wetenschappelijk bewijs - voor de echtheid van BDE’s wordt daarbij meestal over het hoofd gezien.

De ingrijpende ervaringen die mensen hierbij hebben zorgen voor een complete verandering van hun persoon: ze worden vaak veel socialer, liefdevoller en minder ego-gericht. Wie aangeraakt wordt door de eeuwigheid hecht minder aan dit leven en meer aan alles wat het tijdelijke overstijgt: de liefde voor anderen, eerbied voor de wereld om ons heen, respect voor alles wat leeft.

Wetenschappelijk gezien schiet je daar misschien niet veel mee op, maar op de samenleving als geheel heeft het wel een grote invloed. Naar schatting hebben ca. 600.000 Nederlanders ooit een BDE gehad. Het zou mij niet verbazen als dat gegeven uiteindelijk de doorslag zal geven bij alle discussies die hierover worden gevoerd. De kans is groot dat de dood over niet al te lange tijd zal worden gezien als een verandering van het bewustzijn, niet als het definitieve einde ervan. 
 
 
 
 
 02. Eindeloos Bewustzijn: de film
 


 

De nieuwe productie: EINDELOOS BEWUSTZIJN - DE FILM ging in première tijdens het 5e Internationale Boeddhistische Filmfestival in Pathé Tuschinski in Amsterdam op Zaterdag 9 oktober 2011. Duur film: 86 minuten.

Het boek Eindeloos Bewustzijn van cardioloog Pim van Lommel veranderde voor veel mensen het inzicht over het leven op een radicale wijze. Het boek is het resultaat van twintig jaar wetenschappelijk onderzoek naar ervaringen van mensen met een zogenaamde bijna-doodervaring (of BDE). In de film Eindeloos Bewustzijn verkennen wij het transformatief karakter van vier BDE’s aan de hand van hun getuigenissen. Hoewel iedere persoon zijn eigen unieke ervaring beleefde zijn er opvallende aspecten die zij unaniem met elkaar delen. Mensen met een dergelijke ervaring zijn minder bang voor de dood. Verder tonen zij minder interesse voor uiterlijke en materiële zaken, voelen zich één met de natuur en bij velen van hen ontwikkelde zich een hoge intuïtieve en helende gave.
 
De persoonlijke, vaak emotionele, verhalen krijgen context door discussies met een aantal belangrijke denkers op dit gebied. Eén van hen is Reinier Tilanus, hij ziet  overeenkomsten tussen Van Lommels kijk op bewustzijn en die van de oude Tibetaanse meesters. De Amerikaanse Raymond Moody, psycholoog en filosoof, die in 1975 BDE’s in de openbaarheid bracht met zijn bestseller ‘Life After Death’ licht zijn visie toe. Uiteraard is er in de film een belangrijke rol weggelegd voor Pim van Lommel zelf.

Regisseur Mark Verkerk (Buddha's Lost Children) liet zich voor deze film onder andere inspireren door een stelling van Van Lommel:  "Als je ervan uitgaat dat de wetenschap materialistisch is, schakel je per definitie bewustzijn uit. Want bewustzijn is niet te meten. Ik kan nooit wetenschappelijk bewijzen dat iemand verliefd is of een schilderij heel mooi vindt. En toch is het de meest grote realiteit die een mens heeft. Dus stel ik dat je een ander soort wetenschap moet hebben die ook subjectieve elementen toelaat. Wetenschap is voor mij vragen stellen met een open geest."

Regie & scenario: Mark Verkerk
Met: Pim van Lommel, Raymond Moody, Carlo Leget, Joke Endedijk – van der Jagt, Cindy Wielders, Paul Derks en Bart Sikken
Camera: Mark Verkerk en René Heijnen   
Montage: Jos Driessen  
Redactie: Anne-Berthe van Chastelet-Emmen 
Eindredactie: Babeth M. VanLoo 
Producent: Ton Okkerse   © 2010 EMS FILMS /Boeddhistische Omroep
 

 
 
 
 03. Het kleine bijna-bij-de-dood-boekje
 


Een tijd geleden ontving ik een bijzonder boekje dat ik op deze plaats van harte wil aanbevelen aan mensen met belangstelling voor het onderwerp BDE. Het boekje is handzaam, niet zwaarwichtig, in eenvoudige en makkelijk te begrijpen taal geschreven en is toch zeer volledig.


HET KLEINE BIJNA-BIJ-DE-DOOD BOEKJE
 

Dit boekje is opgedragen aan hen die terugkwamen, doordrongen van het bestaan van een echter dan echte andere wereld.

Jim van der Heijden
ISBN 978-90-389-1990-4
Uitgeverij




Uit: het Woord vooraf
Op de omslag van dit boekje staat het schilderij De Vrou­we van Shalott van J.W. Waterhouse. Het verbeeldt prachtig het moment uit Tennyson's op de Arthurlegende gebaseerde gedicht waarin de door verlangen gedreven vrouwe het leven gaat loslaten door zich in een bootje naar Camelot te laten drijven. Kort daarvoor heeft ze, door betovering gedoemd om de buitenwereld via een spiegel te zien, zich omgedraaid toen Lancelot voorbij­kwam en zo de vloek in werking gesteld. Ze heeft de ket­ting nog vast, de kaarsen doven al, ze is bijna bij de dood. De boot glijdt naar Camelot waar de door haar begeerde Lancelot haar gestorven lichaam aan de oever vindt:

 
... He said, 'She has a lovely face; God in his mercy lend her grace ... '[1]

 
Natuurlijk is dit een fantasie, een verhaal dat voortbor­duurt op het verhaal over koning Arthur en zijn ridders. Wel een verhaal met verschillende lagen waar de schilder nog andere aan heeft toegevoegd. Als we het gedicht lezen of het schilderij bekijken dan wordt onze fantasie geprikkeld. Misschien willen we het verhaal wel verder uitbreiden. Over hoe de vrouwe van fysiek leven naar niet-fysiek leven gaat terwijl ze naar Camelot drijft. Een tocht die haar door een donkere grot voert op weg naar een in helder licht badend landschap waarin het hemelse Camelot schittert. Begeleid door prachtige klanken en kleuren treft ze Lancelot die haar opwacht en meeneemt over de brug naar Camelot waarna er geen weg terug is. Het is een verhaal over bijna bij de dood zijn dat eindigt bij het definitief overgaan.
 

Zulke verhalen zijn er tegenwoordig volop. Het zijn geen fantasieën maar verslagen van werkelijke ervaringen van mensen die door allerlei oorzaken en onder allerlei omstandigheden uiterst dicht bij de dood zijn geweest. Wat deze mensen gemeen hebben is dat ze terugkwamen, uit eigen keuze of doordat ze werden teruggestuurd of teruggehaald. Hun verhalen zijn stuk voor stuk uniek en toch kennen ze grote overeenkomsten door de terugkeren­de elementen die hun verhalen verbinden. Hierdoor kan er worden gesproken over 'de' bijna-doodervaring (BDE). De bijna-doodervaring is het onterechte stigma 'slechts een hallucinatie' te zijn in de afgelopen jaren kwijtgeraakt waardoor mensen minder worden belemmerd in het ver­tellen over hun ervaringen en een ware stortvloed aan publicaties is losgebarsten. De reeks aan tijdschriften en boeken waarin men de verhalen van bijna-doodervaarders kan lezen, op de betekenis van de bijna-doodervaring wordt ingegaan en verslag wordt gedaan van onderzoek naar dit fenomeen lijkt eindeloos te gaan worden.
 

Wat echter ontbreekt is een korte en heldere uiteenzet­ting waarin vrijwel alle aspecten van de bijna-dooderva­ring aan de orde komen. In die leemte wil Het kleine bijna-bij-de-dood boekje voorzien. Het is bedoeld voor een breed publiek. De BDE-er die herkenning en bevesti­ging zoekt. De omgeving van de BDE-er die zich afvraagt wat er met hun geliefd familielid of vriend(in) is gebeurd waardoor hij of zij zo anders is. De verpleegkundigen en artsen die na een bijna-doodervaring als eersten contact hebben met de man, de vrouw of het kind die het over­kwam en zich realiseren dat ze ten minste enige basisken­nis over dit fenomeen moeten hebben. De behandelaars die daarna volgen - huisartsen, psychologen, psychiaters, maatschappelijk werkers en anderen - en tot dezelfde slotsom komen. En verder iedereen die vraagtekens zet bij de veelgehoorde opvatting dat alles wat in de wereld anders is dan materie of stof toch op het materiële is terug te voeren.

 

Wie na het lezen van dit boekje meer over dit onderwerp wil weten kan dat vinden in mijn boek Onvergankelijk! Verder bieden de websites van de Nederlandse Stichting Merkawah en de Belgische VZW Limen   onder meer overzichten van boe­ken en artikelen. Deze organisaties geven actuele infor­matie en ontplooien allerlei activiteiten m.b.t. de BDE en daaraan verwante fenomenen.

[1]  ... Hij zei, 'Ze heeft een lieflijk gezicht; God in zijn barmhartigheid verleende haar genade...'

 
Een uittreksel uit het midden van het boekje, over een aspect van dit onderwerp dat ik persoonlijk erg belangrijk vind. Dat is dan ook de reden waarom ik dit handzame boekje aan allen die met een BDE of BDE’er te maken krijgt wil aanbevelen.

Verwerking en hulp (p.47-49)

Toen Martha Todd, de professor Engelse literatuur, over haar echter dan echte ervaring vertelde reageerden haar familie en arts afwijzend. Tot haar ontsteltenis werd ze naar een psychiatrische kliniek gestuurd waar men haar wel van haar waandenkbeeld af zou helpen. Andere BDE­’ers is hetzelfde overkomen. Hoewel er veel is verbeterd leeft in de gezondheidszorg nog altijd de opvatting dat de bijna-doodervaring nauwelijks serieuze belangstelling verdient. Er over vertellen kan nog steeds de reactie ople­veren dat het een hersenschim was die beter snel vergeten kan worden waarna wordt overgegaan tot de orde van de dag. Dit is een volstrekt verkeerde benadering. Na een bijna-doodervaring hebben mensen moeite met het weer oppakken van het leven. Het op een goede manier kwijt kunnen van hun verhaal kan daar enorm bij helpen.

BDE-ers staan voor een moeilijke dubbele opgave. Ze moeten omgaan met informatie uit die andere echter dan echte werkelijkheid en communiceren met een omgeving die niet over die informatie beschikt. Informatie die haaks staat op wat gewoonlijk voor mogelijk wordt gehouden. In het verlengde van het werk van vooral psy­chiater Bruce Greyson heeft psycholoog Igor Corbeau onderzoek verricht naar de psychische gevolgen die dit kan opleveren en de effectiviteit van hulpverlening.

Problemen die bij BDE-ers kunnen optreden komen vooral voort uit:

· het blijven hangen in boosheid of depressie om het teruggekeerd zijn,
· het conflict tussen de ervaring en de levensovertuiging die werd aangehangen,
· het zich overdreven identificeren met de ervaring en de angst geestelijk instabiel te zijn.

Moeilijkheden die BDE-ers in het contact met hun omgeving kunnen ondervinden worden onder meer ver­oorzaakt door:

· het eigen exclusiviteitsgevoel,
· de angst voor afwijzing of ridiculisering,
· het niet onder woorden kunnen brengen van de erva­ring en de gevolgen daarvan,
· het niet in overeenstemming kunnen brengen van per­soonlijkheidsveranderingen met normale rolpatronen en verwachtingen van de omgeving en
· het in relaties missen van de onvoorwaardelijke liefde uit de bijna-doodervaring.

Ondanks de positieve effecten van de bijna-doodervaring ondervindt een niet te verwaarlozen aantal BDE-ers langdurig en sterk psychische problemen. Door goed reageren van de omgeving kunnen die beperkt en zelfs voorkomen worden. Dit goede reageren bestaat uit het laten vertellen van de ervaring en deze, evenals de per­soonlijkheidsverandering, niet af te wijzen. Het zijn niet de bijna-doodervaring en de mensen die dit hebben mee­gemaakt die het probleem vormen, maar de cultuur, de maatschappij en de (medische) wetenschap die met deze ervaring geen raad weten en die dan maar als ziekte of aandoening van de (als stoffelijk beschouwde) geest bestempelen. Extra moeilijk hebben BDE-ers het die tot een fundamentalistische geloofsrichting behoren. Zulke christenen, joden en moslims geloven dat het voortleven na de dood pas aan het einde der tijden begint. Daardoor moet de bijna-doodervaring wel een misleiding van de satan zijn. Dit brengt de gelovige BDE-er in conflict met zichzelf en de gelovige omgeving.

Dat de medische hulpverlening hier schromelijk in gebre­ke blijft blijkt uit het gegeven dat de helft van de door Corbeau ondervraagde BDE-ers zegt na de gang naar huisarts en psycholoog achteruit te zijn gegaan.

Een ander boek – waarin dieper op dit onderwerp wordt ingegaan - van dezelfde auteur: Onvergankelijk
 
 
 
 
 
 
04. Verdwaald in het paradijs - Julie Chimes
 
 
 
Dinsdag 11 maart 1985 was de dag waarop Julie Chimes eigenlijk dood had moeten zijn. Een vrouw, Helen, geobsedeerd door Chimes' vriend, stak haar 32 keer met een keukenmes. Met hulp van een innerlijke stem overleeft zij op wonderbaar­lijke wijze de steekpartij en begint een nieuw le­ven. Chimes beschrijft met humor en spanning haar bijna-doodervaring en haar spiritueel ontwaken.

'Een meeslepend boek over een vrouw die balan­cerend tussen leven en dood haar levenskracht voelt en sindsdien weet dat haar geluk voor het grijpen ligt'


Julie Chimes (1954) woont momenteel op verschillende plekken in Europa. Zij is be­trokken bij een slachtoffer­hulp-organisatie en geeft le­zingen over haar bijna- dood­ervaring.
ISBN 90-417-0114-1
 

UITTREKSEL:

'Ik houd van je,' fluisterde ik.

Ik weet niet waar de woorden vandaan kwamen. Ze leek gechoqueerd. Maar ik ervoer op dat moment een overrompelend gevoel van liefde en medelijden voor de­ze persoon die Helen heette. Ik was niet langer bang voor haar, ik was juist uiterst rustig terwijl ik haar zonder eni­ge betrokkenheid aankeek.

Dus dit was het dan? Die zo gevreesde dood? Het woord dat niemand graag in de mond nam? Het enige wat alle overtuigingen, rassen en religies gegarandeerd zullen meemaken, maar waarvoor we de minste tijd ne­men om ons erop voor te bereiden. Ik moest er eigenlijk wat om lachen, nu ik getuige was van mijn eigen 'ster­vende zwaan'-voorstelling; het was zo'n bizar draaiboek, zelfs ik, als co-ster, vond het weinig aannemelijk.

Met het idee dat ik alle tijd van de wereld had, sloeg ik mijn eigen, gewelddadige dood gade. Een grijze, regen­achtige dinsdagochtend, ikzelf, met de grootste moeite recht overeind blijvend op de traptreden van TC's kleine villa, mijn beroepskoksmes in de handen van een de­structieve kracht en een gapende wond waaruit warm bloed spoot en stroomde. Terwijl ik mijn aspirant-moor­denaar onbewogen aankeek, werden haar ogen openin­gen die mij in haar binnenwereld trokken.

Onmiddellijk had ik het gevoel alsof iemand me had aangesloten op een gigantisch schakelbord in de hemel. Elk gesprek dat op aarde werd gevoerd kwam door mij heen en ik kon ieder afzonderlijk geluid horen.

De ruim­te waarin ik zweefde werd een enorm scherm waarop de wereldse drama’s zich tegelijk afspeelden. Ik keek naar dat alles, geboeid door de dans van de mensheid, getrof­fen door de onmetelijkheid en de schittering van de schepping.

Ik merkte tot mijn grote verbazing dat ik me maar hoefde te concentreren op een bepaalde gedachte, of ik werd daar op hetzelfde moment naartoe gebracht. Ik kon tegelijkertijd naar het scherm kijken en deel van de scène uitmaken. Het was alsof ik een zoomlens had en die naar believen op het een of op het andere tafereel kon richten.

De hele planeet met al zijn drukke gedoe lag voor me, in het verleden, het heden en de toekomst. Ik dacht aan Christus, en meteen bevond ik me op een rot­sige helling, knielend, en keek op naar het kruis waaraan hij hing.

'Meester, waar gaat u heen? Hoe kunnen wij u vinden als u er niet meer bent? Waar zult u zijn?' Mijn hart was verbrijzeld van verlatenheid.

Hij richtte Zijn hoofd op. Zijn ogen waren door­straald van een blauwachtig licht, een licht dat Zijn we­zen uitstraalde. Een licht dat het hele landschap over­stroomde en alles wat hard en solide was in doorschij­nende luchtspiegelingen veranderde.

Hij sprak.

'Waar je ook kijkt zul je Mij zien.'

De echo van Zijn stem weerklonk in het uitspansel. Ik verstond Hem.

Ik vloog terug in het luchtruim, het scherm voor mij werd nu gevuld met een licht dat helderder scheen dan ik ooit had gezien. Alle beelden van het leven versmolten tot een zee van een duizelingwekkende hoeveelheid lichtpuntjes, triljoenen edelstenen met een ontelbaar aantal facetten, die miljoenen zonnen weerkaatsten. De kakofonie van het aardse lawaai explodeerde tot één kris­talheldere toon die door de sterrenhemel weergalmde. Het was adembenemend.

Op de een of andere manier was alles IK. In me en buiten me. Licht en donker, goed en kwaad. Alomvattend. Ik maakte deel uit van een luis­terrijke eenheid. Niets was zonder betekenis. Alles was volmaakt betekenisvol in een zee van onzinnigheid. Nie­mand werd uitgesloten. Alles was één. Op dat ene, su­blieme moment zag ik wat achter de fysieke verschij­ningsvorm school.

'Helen... IK... HOUD... VAN...JE,' riep ik uit naar de oneindigheid.

Mijn kleine aardse verstand protesteerde, het sarcasme droop eraf. 'Ben jij nu ook al totaal geschift?' vroeg het kwaad. 'Je wordt vermoord, als je het nog niet wist, en dit is echt niet het moment voor een liefdesverklaring aan het adres van je moordenares. Geloof me, ze is er niet van onder de indruk!'

Het kon me niet schelen wat mijn verstand ervan vond, het leek op dat moment zo'n onbeduidend iets.

Ik deed mijn ogen dicht en zweefde, geheel volgens mijn 'wens, terug naar de onmetelijke ruimte. Ik voelde me da­len en landde sierlijk in een prachtige tuin vol exotische bloemen. Goddelijke geuren en kleuren brachten mijn zintuigen in vervoering. De intensiteit van het licht was in het begin te groot om iets duidelijk te kunnen waarne­men.

Ik wachtte, en toen werd ik twee oosters uitziende jongens gewaar die een soort vechtsport beoefenden.

Een wat oudere man stond bij hen, zijn oranje gewaad glansde zo stralend... geen enkel weefsel op aarde kon daaraan tippen. Lachend wuifde hij naar me, het was een groet, alsof hij me verwachtte. Ik vroeg me af naar wie hij wuifde, aangezien mijn doorstoken lichaam in het regen­achtige Engeland was. Ik kon mezelf niet zien, maar wat voor 'ik' er ook van mijn 'ik' over was wuifde naar hem terug. Hij lachte opnieuw en zei dat ik zijn les moest bij­wonen. Hij gebruikte geen woorden, maar ik kon zijn instructies duidelijk horen.

'Beweeg langzaam. Geen reden voor letsel. Altijd de energie van de aanvaller tégen hem gebruiken. Het is zo simpel. Heel, heel simpel. Iedereen kan het.' Hij keek in mijn richting en knikte. 'Je hebt geen wapens nodig. Het is heel eenvoudig. Het redt je uit elke situatie.'

Een van de twee jongens deed een uitval naar de an­der, alsof hij op het punt stond een zwaard of een mes in diens lichaam te stoten. De verdediger hield zijn arm op om de kracht van de stoot af te weren en deed snel een sprong opzij. De aanvaller viel voorover. De meester boog en lachte, hij was tevreden over zijn studenten. Hij boog opnieuw, met zijn handen tegen elkaar, maar nu in mijn richting. 'Simpel, nietwaar?' Hij haalde zijn schou­ders op en lachte nog een keer. De les was afgelopen.
 
 
 
 
 
05. Levensbestemming - Martin Heald
 

ISBN 90-202-8174-7

Uittreksel:

'Vergeet niet', voegde onze leraar eraan toe, 'wanneer je weer op aarde wordt geboren, wordt, je al op zeer jonge leeftijd aardse wet­ten en lessen over het aardse leven geleerd, waaraan de meesten van jullie zich zullen houden als zijnde een onderdeel van je spirituele scholing. Maar naarmate de individuele ziel zich verder ontwikkelt, zal ook je bewustzijn zich verruimen, totdat de aardse en spirituele werelden zo nauw verstrengeld raken dat de noodzaak om te reïncarneren overbodig wordt.'

De feitelijke methode van reizen leek in theorie zo eenvoudig. Het enige wat je hoefde te doen, was je een persoon of bestemming sterk voor de geest te halen, en in een mum van tijd was je bij die persoon of op de plaats van bestemming. Na enkele gênante fouten begon ik weldra de techniek meester te worden, en belandde ik, volkomen on­aangekondigd, in allerlei soorten plaatsen en situaties.

Wat een onge­wone manier van reizen, dacht ik eerst, totdat ik merkte dat er steeds meer mensen aan het reizen waren. De gewaarwording kwam als een schok - ik kon nota bene in een oogwenk van de ene prachtige plek naar de andere reizen om iets van dit adembenemende natuurschoon in me op te nemen.

Na een periode die ik schatte op ongeveer vijf aardse jaren van rust en herstel, werd mij iets verteld over een aantal lessen die mij bij mijn volgende incarnatie van pas zouden kunnen komen. Niemand werd gedwongen tot het bijwonen van die lessen, maar ik had het ge­voel dat ze belangrijk waren en dat ik zoveel mogelijk moest leren. Ik zou er mijn voordeel mee doen als ik weer naar de aarde terug zou moeten.

Een les die mij vooral belangrijk leek, ging over de menselijke aura en haar speciale functie, niet alleen als beschermingsmechanisme, maar ook als een tijdig waarschuwingssysteem voor ziekte, zowel mentaal als fysiek. Wij mochten heel even in de toekomst kijken, waar we zagen dat er zowel ziekenhuizen als behandelkamers van artsen werden voorzien van aurafotografie apparatuur. Zo konden de mensen zich twee- of driemaal per jaar laten controleren, zonder het gevaar te lopen te worden blootgesteld aan een overdosis röntgen­stralen. Met behulp van deze foto's kon een potentiële ziekte worden opgeheven door hooggeschoolde spirituele genezers, die gebruik­maakten van meditatietechnieken en het overbrengen van universele lichtenergie, om de aura van een patiënt te reinigen van alle onzui­verheden, lang voordat deze zich in het lichaam zouden manifeste­ren.

Tevens werd ons getoond hoe meditatie het menselijk energieveld kon versterken, als dit werd gecombineerd met de juiste voeding en oefeningen.

Het creatieve vermogen van de mens behoort toe aan en ligt besloten in de aura. Met gebruikmaking van een bepaalde meditatie en sterke visualisatie wordt het energieveld opgeladen en maakt de betreffende gedachte tot een bestaande werkelijkheid. Op aarde neemt het proces enige tijd in beslag, waarbij de exacte tijd afhangt van de spirituele diepgang van de betreffende persoon.

Voor sommige spiritueel ver­der ontwikkelde mensen op aarde is de tijd tussen denken en schep­pen bijna een kwestie van een ogenblik. De meeste zielen die dit kunnen, zijn uit vrije wil naar de aarde teruggekeerd. Zij leiden meestal een sober nomadenleven en lijken precies op het juiste mo­ment op te duiken in afgelegen bergdorpjes, meestal in tijden van grote tegenspoed, en blijven dan lang genoeg om iets van hun waar­devolle kennis over te dragen. Even plotseling als ze zijn gekomen verdwijnen ze weer.

De bewoners zijn hun mysterieuze bezoeker vaak weer snel vergeten, vooral wanneer hun gewassen weer beginnen te groeien, precies zoals de vreemdeling had beloofd. Het Bijbelverhaal over Jezus die water in wijn veranderde en over de spijziging van de vijfduizend met vijf broden en twee vissen, wat door veel mens op aarde als een fabeltje wordt beschouwd, werd nu heel le­vensecht.

De overbrenging van universele energie van het ene wezen naar het andere, met het daarmee gepaard gaande genezende effect, werd blijkbaar nog steeds als een wonder gezien, of zeker als een toeval. Ik vond dit met name bedroevend omdat ieder van ons over het ver­mogen beschikt om niet alleen zichzelf te genezen, maar ook zijn medemens. Als we alleen maar de bereidheid zouden hebben om de­ze universele energie te ontvangen!

De lessen die we kregen, bevatten veel praktische situaties en suggesties. Ieder van ons ging om beurten in het midden van de groep zitten en concentreerde zich op een droevige gebeurtenis of omstandigheid uit zijn vorig leven, totdat zijn emoties nauw verwant waren aan de aardse emoties van verdriet en neerslachtigheid. De rest van de groep stuurde dan een constante stroom van genezende energie naar de betreffende persoon, die voelde hoe vanuit de kruin de energie zijn spirituele lichaam binnenstroomde, en geleidelijk werd zijn hele wezen van top tot teen gevuld met bewustzijnsverhogende energieën, die de persoon een direct inzicht verschaften in de achterliggende oorzaken van de verdrietige gebeurtenis. Individuele ervaringen en een voortdurende uitwisseling vormden de basis van onze lessen, hoewel voor mij het bezoek aan de bibliotheek het opwindendste was.

Onze leraar, die nog steeds zijn violette toga droeg, had ons verteld hoe we daar moesten komen; hij nam afscheid van ons en verliet het leslokaal. De aanwijzingen van Michael volgend concentreerden we ons op zijn levendige beschrijving van de biblio­theek en haar omgeving.

Het volgende moment bevond ik me in de meest adembenemende en prachtige tuin die ik me ooit had kunnen voorstellen. Daar, in de ver­te, stond iets wat alleen maar kan worden omschreven als een archi­tectonisch wonder. De bibliotheek zelf leek een exacte replica van de gebouwen die ik had gezien in een schoolboek over Griekse mytho­logie. Vol opwinding en ontzag besloot ik ernaar toe te wandelen, tussen de bomen door, langs de graspaden die aan weerszijden waren omzoomd door schitterende boeketten van exotische planten en bloe­­men, waarvan de meeste een dusdanig assortiment bessen en vruch­ten droegen dat ik iedere poging ze te beschrijven bij voorbaat opgaf. Er woei een zacht briesje, dat nog een ander element aan deze won­derbaarlijke ervaring toevoegde - de geur van de bloemen.

Toen ik de marmeren trap naderde, zag ik dat de rest van de klas met elkaar stond te praten over de meer subtiele details van het gebouw. 'Kom Richard, we hebben op je gewacht', riep James, een voormalig RAF-navigator, die was omgekomen toen het landingsgestel van zijn vliegtuig het had begeven.

'Hier kun je me geen bevelen geven' , antwoordde ik lachend. 'Sorry, ouwe makker, dat was ik vergeten', grinnikte James, geamu­seerd om de ironie van de situatie.

Na de glad gepolijste trap te zijn beklommen gingen we de biblio­theek binnen. Het was hier een drukte die je normaliter op een marktplaats aantreft en ik kon niets vinden wat duidde op boeken­planken, laat staan boeken! Ik verontschuldigde me en besloot het onmetelijke interieur van deze 'bibliotheek' te gaan verkennen.
Na door een schijnbaar eindeloos netwerk van gangen en portalen te zijn gezworven, zonder daarbij enige spoor van een boek te hebben ontdekt, begon ik me af te vragen of onze leraar ons voor de gek had gehouden. Ik wilde juist het gebouw verlaten, toen ik zag dat Micha­el op me afkwam.

'Ha Richard, daar ben je. Al enig succes gehad?'
'Nee, om je de waarheid te zeggen', antwoordde ik ietwat verlegen. 'Het lijkt erop dat ik geen boek kan vinden.'
Hij begon te lachen. 'Het is altijd hetzelfde met die nieuwkomers.' 'Wat bedoel je?'
'Heb je niet gezien dat er op de meeste deuren een letter van het alfa­bet staat?'
'Ja.'
'Nou, als je je voor een bepaald onderwerp interesseert, archeologie bijvoorbeeld, hoef je alleen maar een van de kamers met de letter "A" binnen te gaan en de rest zal zich vanzelf wijzen.'
Ik bedankte Michae1 voor zijn advies en begon weer opnieuw, hope­lijk ditmaal een beetje wijzer. Ik besloot de eerste de beste deur bin­nen te gaan, welke letter er ook op stond.

'R', dat lijkt me wel wat, dacht ik, en ik stapte een verblindend hel­dere, bijna elektrisch geladen en volmaakt cirkelvormige kamer bin­nen. Dat is vreemd, geen ramen. Waar komt dan dat licht vandaan?

Mijn vraag bleef onbeantwoord, terwijl ik op een zeer gerieflijke, ge­stoffeerde vloer ging zitten en me bedacht welk onderwerp ik zou kiezen. Reizen, laat ik reizen kiezen. Dat heeft me altijd al geïnteres­seerd. Ik begon me te concentreren op luchtvaart en in een mum van tijd was de gehele sfeer van de kamer veranderd. Enige ogenblikken later had ik niet alleen de eerste vliegpoging van de mens herbeleefd en gadegeslagen, maar ook de hele verbazingwekkende geschiedenis van de luchtvaart tot ver in de toekomst, hoewel ik het meeste van wat het nieuwsjournaal van de toekomst me liet zien nauwelijks kon geloven. Zo was er een passagiersvliegtuig met een kegelvormige neus, dat sneller kon vliegen dan een kogel, en een zogenoemde 'spaceshuttle', die mensen de kosmos in kon brengen en weer terug.

Dit werd snel gevolgd door nog meer openbaringen over het reizen in de toekomst, waaronder auto' s die werden voortgedreven door zonne-energie, kleine motorfietsen die hoog boven de grond vlogen, aangedreven door samengeperste lucht, en treinen die, met behulp van 'elektromagnetisme', boven een enkelspoor leken te zweven.

Na een bezoek aan nog een paar kamers besloot ik naar huis terug te gaan. In aardse termen zou deze bibliotheek het beste kunnen wor­den beschreven als een soort ABC van het universum, dat elke dag werd aangevuld en reikte tot in de eeuwigheid, zoals ook de altijddu­rende zoektocht naar de schepping voortgaat.

Intussen was ik behoorlijk vaardig geworden in het scheppen. Met behulp van mijn schijnbaar grenzeloze enthousiasme en kennis schiep ik mijn eigen droomhuis. Ik omringde mezelf aan alle kanten met het meest adembenemende landschap dat ik me kon voorstellen. Er waren groene bergen en heuvels, compleet met stromende beekjes en bronnen met kristalhelder water, die allemaal in een aaneenscha­keling van fantastische watervallen in het laagste gedeelte van mijn tuin hun eindbestemming vonden. De flora die ik had gecreëerd was in haar kleuren alleen beperkt door de grenzen van mijn steeds rijker wordende verbeelding.

Het eten en slapen konden in geen opzicht worden vergeleken met de aarde. Voortdurend nam ik energie op uit de waterstromen of het licht, dat zonder onderbreking scheen. De mogelijkheid bestond om te eten van de vegetatie die overal in overvloed aanwezig was, maar toen ik me eenmaal had aangepast aan mijn spirituele lichaam, was dat niet meer nodig.

Dit lichaam leek een volmaakte replica te zijn van mijn aardse lichaam, behalve dat ik volkomen gewichtloos was. Het was onmogelijk om emoties, van welke aard dan ook, te verber­gen, omdat de daarmee gepaard gaande verandering in de energie­kleuren meteen tot uitdrukking kwam in de aura, die iedereen omhul­de.

Slapen werd al gauw iets wat tot het verleden behoorde, dankzij de voortdurende energiestroom, hoewel het na een intensieve periode van leren raadzaam was om even rust te nemen.

Uiteindelijk nam ik het besluit om naar de school voor kunsten te gaan en werd weldra heel bedreven in zowel landschappelijke tafere­len als abstract werk. Het werd me al gauw duidelijk dat veel be­roemde artiesten op aarde hun talenten zowel bewust als onbewust hadden gebruikt, om door middel van hun creativiteit het menselijk denken ontvankelijk te maken voor spiritualiteit. Telkens weer herin­nerde onze leraar ons eraan dat de grenzen van onze creativiteit op aarde alleen werden bepaald door onze fantasie; hij voegde er nog aan toe dat het zaad dat tijdens onze lessen werd gezaaid uiteindelijk zijn vruchten zou afwerpen, afhankelijk van onze eigen individuele activiteiten en daden.

 
 
 
 
06. Aan de rand van de dood

Het sterven aanvaarden als overgang naar het nieuwe.


uit: Stervenservaringen psychologisch belicht - Liliane Frey-Rohn (Jungiaanse psychologe)

 
De stijgende belangstelling van de mensheid voor de stervenservaringen


 

Beschrijvingen van doods- en grenservaringen zijn mogelijk ge­worden door de vooruitgang van de medische wetenschap, vooral wat betreft de reanimatiemethoden. De fascinatie van de mens van nu voor stervenservaringen richt zich op het nog altijd in hoge mate onbekende terrein van het onbewuste, dat door de beschrijvingen van gereanimeerden langs een andere weg toegankelijk werd. Ook al hebben de romantici en mystici ons waardevolle documenten van hun ervaringen nagelaten, pas de mededelingen van stervenden die weer tot leven zijn gekomen stellen ons in staat, grenservaringen em­pirisch te verifiëren - een omstandigheid van onafzienbare weten­schappelijke betekenis.

Het is thans zeker, dat de grenzen van het menselijk bewustzijn niet met die van het biologische systeem dan wel het zenuwstelsel sa­menvallen. Hoever het niet aan het zenuwstelsel vastzittende bewustzijn zich uitstrekt, zal waarschijnlijk nooit vast te stellen zijn; maar de voorstelling is geoorloofd, dat het zich in tot nog toe onver­moede dimensies in het collectieve onbewuste uitstrekt, ja zelfs als 'hoger bewustzijn' in het bestaan na de dood verder leeft.

Het vooruitzicht van een mogelijk leven na de dood, van een ver­der leven als bewust, met een ik uitgerust wezen, is gezien de geeste­lijke radeloosheid van de tegenwoordige mens uiterst aanlokkelijk. Omdat de enkeling het contact met de archetypische, zijn lot bepa­lende grondslagen van zijn wezen verregaand verloren heeft, vervalt hij gemakkelijk in emotionele onzekerheid, waardoor hij ten aanzien van zin en betekenis van zijn bestaan twijfelend of vertwijfeld doorleeft. Heen en weer gesleurd tussen bewondering voor de ver­worvenheden van de techniek en toenemende angst voor de apoca­lyptische wereldsituatie, zoekt hij naar een tegenwicht op geestelijk gebied. Het is geen wonder, dat de bedreigende, innerlijke conflict­situatie gecompenseerd wordt door onbewuste toekomstverwach­tingen, die zich uiten in projecties over de licht- en hiernamaalsvi­sioenen van stervenden. In zo'n situatie verwacht de enkeling het wonder van een nieuw bestaan eerder van de dood dan van zijn eigen inspanningen om in dit leven een verandering tot stand te brengen.

De aantrekkingskracht die de doodervaringen uitoefenen wordt ook door een ander, progressiever motief verklaard, namelijk het oeroude verlangen van de mens naar het overschrijden van de door de driedimensionale werkelijkheid vastgestelde grenzen. Deze drang ligt ten grondslag aan zowel de ruimtevluchten naar de maan alsook aan het diepteonderzoek van atomaire structuren. Niet in de laatste plaats is ook het onderzoek naar het onbewuste de weerspie­geling van het zoeken naar verruiming van het inzicht. Ook hier bestaat de verleiding, de grenzen van de ervaring naar de kant van het metafysische en het hiernamaals te overschrijden.

Het onderzoek op de grens tussen vóór en na de dood omvat echter in ieder geval een verandering van de instelling van de mens: in de diepte van het onbewuste ontwikkelt zich een beeld van de mens, die zowel deel heeft aan het driedimensionale alsook aan het be­wustzijnstranscendente. Terwijl de stervensvisioenen de geest van de betrokkene, mogelijk ook de geest van de onderzoeker, gevoelig maken voor het bestaan na de dood, wijzen de reïncarnatie-experi­menten in de richting van een bestaan vóór de geboorte. Deze voor­waarts en achterwaarts gerichte vragen kunnen een bijzonder vruchtbare uitwerking hebben, als de enkeling in zijn gegrepenheid door verschijnselen als leven en dood weerstand kan bieden aan de verleiding, om de aanschouwde beelden te concretiseren, maar ze integendeel in hun zo-zijn aanvaardt en ze symbolisch als weerspie­geling van de innerlijke ervaring opvat.

Vanuit deze psychologische optiek lijkt ook de vraag naar het 'hoe' in het leven na de dood aan betekenis in te boeten. Van het grootste belang daarentegen is een bezinning op het in de stervensvisioenen verborgen, genezende symbool, dat de tegenstelling van 'ervoor' en 'erna', van 'lichamelijk' en 'geestelijk' overbrugt. Mij baserend op de stervensvisioenen zag ik hierin het symbool van het 'verlichte lichaam' , dat overeenkomt met het 'subtiele lichaam' in de mystiek van Sohravardi en het verheerlijkte lichaam van de alchemisten, een 'lichaam dat een geest ' bezit. De verandering echter, namelijk de vergeestelijking van het lichaam en de verstoffelijking van de geest, geschiedt in het tussenrijk van de ziel. De aanvaarding van de realiteit van het geestelijke en zijn genezende symbolen voor onze ten diepste ontwrichte tijd lijkt doorslaggevend voor het overleven van de mensheid te zijn. Zo gezien krijgt de fascinatie van de vele mensen door de ervaringen rond de dood een diepere betekenis.

In mijn psychologische praktijk merk ik telkens weer, hoezeer de ontredderde mens lijdt onder de tegenstelling van het aardse en bo­venpersoonlijke, en hoe sterk zijn verlangen uitgaat naar een verzoenend en genezend symbool. Het treft mij daarom zeer, dat de mens door zo 'n symbool en daarmee ook door de opwaardering van de ziel in de huidige tijd, eens van een heel andere kant benaderd wordt en opnieuw in zijn bewustzijn wortel schiet.

Aan al het vragen naar sterven en dood, dat de aanleiding vormt voor zoveel projecties, komt een dubbele betekenis toe: enerzijds wordt de menselijke geest transparent voor de realiteit van het bovenpersoonlijke in de menselijke ziel en anderzijds wordt het aardse leven van een nieuwe zin vervuld op grond van de aandacht voor het bewustzijnstranscendente. De mens ervaart zichzelf als tussen het aardse en het hiernamaals staand, op de drempel van een nieuw tijd­perk.

Zoals de gebeurtenis van de geboorte niet alleen een begin be­tekent, zo is het gebeuren van de dood geen einde; beide zijn einde en begin. Geboorte en dood doordringen het menselijk bestaan en zijn in iedere veranderingservaring aanwezig. Iedere vooruitgang op weg naar grotere bewustheid is verbonden met de opoffering van een vroegere instelling, en altijd wordt dit offer als doodachtig gebeuren opgevat. Met deze doorgang is de belofte van een echter en waarder leven verbonden.

Geboorte en dood begeleiden de mens op zijn levensweg en vor­men de eigenlijke kern van zijn zelfverwerkelijking. Licht en donker behoren wezenlijk tot deze weg. De bewuste ontmoeting met het heel andere van de dood lijkt voor de huidige mens onontkoombaar, immers: het geheim van de verandering tot zichzelf is gebaseerd op doorgaan van de poort tot het transcendente.

'Van de kant van de dood valt het licht op het leven - en alleen wie in zijn ziel bereid is, door de poort van de dood te gaan, die wordt pas een levende mens'. ­

 
 
 
 07. James Redfield - De Celestijnse Visie
 

DE BIJNA-DOODERVARING

Er zit een verbazingwekkend aspect aan bijna-doodervaringen, en dat is dat de meeste mensen die sterven en terugkomen, hetzelfde verhaal vertellen over wat er gebeurde. Velen verlaten bij­voorbeeld hun lichaam en zweven aanvankelijk recht boven hun bed of boven de plaats van het ongeluk waarbij ze gewond raak­ten; ze zien vaak de pogingen tot reanimatie en kunnen precies de gesprekken horen, die ze later verifiëren.

Er zijn er zelfs die een poosje rond blijven hangen bij het zie­kenhuis, voordat ze zichzelf de vraag stellen: wat nu? Die vraag brengt meestal het gevoel met zich mee dat men binnentreedt in wat altijd omschreven wordt als een tunnel van licht. Anderen kijken na de dood nooit rond, maar begeven zich direct in de tun­nel.

Soms leidt de tunnel naar een wachtruimte of een rustgebied met warm, wit licht, waar men wordt ondergedompeld in een im­mens gevoel van liefde en vrede. Men wordt vaak opgewacht door overleden familieleden en vrienden die de situatie uitleggen; meestal heeft men het gevoel thuisgekomen te zijn en voelt men weerstand tegen de terugkeer naar het aardse vlak.

Op zeker moment echter beleven mensen met een bijna-­doodervaring iets wat meestal wordt omschreven als een Levens­overzicht, ofwel een terugblik op hun leven. Daarna krijgen ze soms de keuze of ze terug willen gaan of willen blijven. Andere keren krijgen ze te horen dat ze beslist terug moeten, en waarom. Mensen met een bijna-doodervaring zien tijdens een helder en visionair ogenblik bijna altijd wat ze op aarde nog moeten doen.

Een bijna-doodervaring brengt een ingrijpende verandering teweeg in iemands leven. De meeste mensen leiden daarna een bezield, liefdevol en betrokken bestaan.


HET LEVENSOVERZICHT

Het levensoverzicht is een van de fascinerendste aspecten van de bijna-doodervaring. Meestal vertelt men dat men in een flits zijn hele leven aan zich voorbij ziet trekken, niet zozeer als film, maar als holografische voorstelling. Men ziet alles heel gedetailleerd voor zich en merkt dat zijn leven wordt beoordeeld, niet door an­deren, maar door hemzelf. Het is alsof het bewustzijn zich heeft uitgebreid en zich met een hogere, goddelijke intelligentie ver­enigde.

Mensen met een bijna-doodervaring vertellen dat ze vanuit dit hogere inzicht zien welke onjuiste beslissingen ze genomen heb­ben, en hoe ze bepaalde situaties beter hadden kunnen aanpak­ken. Het overzicht is zowel intens pijnlijk als overweldigend vreugdevol, afhankelijk van wat men ziet. Wanneer men een inci­dent terugziet waarbij men iemand anders emotioneel kwetste, voelen ze werkelijk de pijn die de ander voelde, alsof ze in diens lichaam zitten.

Omgekeerd zijn ze ook in staat om de vreugde en de liefde die ze bij anderen opwekten te zien en te voelen alsof ze die ander waren. Door de intense empathie die ze hierbij ervaren, zijn de meeste mensen die na een bijna-doodervaring tot het leven te­rugkeren, vastbesloten niet weer dezelfde fouten te maken en worden ze veel hulpvaardiger. Elke opmerking, elke interactie met een vriend of een kind, elke gedachte over een ander mens die men de wereld in zendt, krijgt een grotere lading, want men weet dat men al die daden ooit zal herbeleven en overzien.

Naar het schijnt hebben we op een bepaald niveau altijd ken­nis gehad van het Levensoverzicht. Wie heeft bijvoorbeeld nog nooit iemand, nadat hij de dood op een haar na ontliep, horen zeggen: 'Mijn hele leven trok in een flits aan me voorbij.'? Veel heilige boeken en geschriften die zich wijden aan het oordeel na de dood, wijzen ook op een soort Levensoverzicht. We worden ons nu echter van de details bewust. Als we doodgaan worden we beoordeeld, maar we worden klaarblijkelijk niet beoordeeld door een wraakzuchtige God, maar door een goddelijk bewust­zijn waar we zelf deel van uitmaken.

Deze informatie heeft onder andere tot gevolg dat we het al­lemaal rustig aan kunnen doen en ons meer bewust kunnen wor­den van de effecten van onze daden. Daardoor gaan we nog beter begrijpen waarom we altijd ons best moeten doen om anderen op een hoger plan te zien. Het kan zijn dat we met ons oordeel nog wel eens de fout ingaan, maar we kunnen onszelf in ieder geval van tijd tot tijd een halt toeroepen en terugkijken op hoe we het ervan afbrengen; daarmee ondergaan we in feite al van tevoren een Levensoverzicht. Naar mijn mening zullen we tot het besef gaan komen dat dit eigenlijk hetzelfde is als berouw hebben.

 
HET PROBLEEM VAN HET KWAAD

Hoe zit het met de duivel en het complot van gevallen engelen, waarvan in zoveel religies sprake is? Er is bij geen enkel onder­zoek naar bijna-doodervaringen enig bewijs voor dat soort ou­derwetse zaken gebleken.

Het verschijnsel van de bijna-doodervaring bevestigt dat er in het universum slechts één goddelijke kracht bestaat, en dat het een positieve kracht is. Het probleem van het kwaad heeft alles te maken met het menselijke ego en met angst, die ons van die cre­atieve kracht vervreemden. Wanneer wij mensen met die godde­lijkheid verbonden zijn, komt onze geborgenheid van binnenuit, zowel hier als in het hiernamaals. Wanneer we van deze goddelij­ke bron vervreemd zijn, zoeken we die geborgenheid buiten ons­zelf, in een of andere energievretende vorm van machtsspel waar­mee het ego tevredengesteld wordt.

 
 
 
 08. Sterven is heel anders - Johan Christoph Hampe

Ervaringen met de eigen dood.

 
 
Mensen die klinisch dood geweest zijn, maar door de moderne medische wetenschap uit een stervenstoestand weer tot bewustzijn en leven werden teruggebracht, kunnen meestal een nauwkeurig verslag doen van hun ervaringen in die periode tussen leven en dood.

Hun verhalen vertonen verrassende overeenkomsten. Hun mededelingen bevestigen vroegere getuigenissen uit de geschiedenis van de mensheid en doen veronderstellen, dat sterven heel anders is dan tot nog toe werd gedacht.

Op grond van de in dit boek opgetekende ervaringen mag men geloven, dat sterven geen benauwdheid en angst be­tekent, maar bevrijding, geen ontbinding van de persoon­lijkheid, maar vervolmaking ervan.

Getroffen door eigen waarneming en door de overeenkomst van de beschreven getuigenissen bespreekt Hampe de be­tekenis van deze verklaringen en trekt conclusies voor ons denken over het sterven, maar vooral ook voor de stervens­begeleiding. Hierbij put de schrijver uit een ruime ervaring als ziekenhuispredikant te München.

Dit boek, dat in Duitsland grote aandacht kreeg en al vele malen werd herdrukt, spoort aan tot een hernieuwd denken over het menselijk sterven en roept op tot een andere om­gang met en begeleiding van de stervende medemens.

Uittreksel.

In een paar verhalen van mensen die hun sterven door­gemaakt hebben, bevinden zich aanwijzingen, dat ze hun andere, hun waarnemende en denkende Ik van hun kant nu weer in een eigenaardige vorm waarnemen. 'Doorzich­tig, met een blauwachtige kleur', hoorden we al in het laatste verslag. Anderen kunnen er moeilijk de juiste woorden voor vinden. 'Ik droeg geen kleren, en mijn lichaam was een fluïdum: Weer anderen beweren, van buitenaf, wakend in de kamer van de gestorvene, zijn 'astraal lichaam' boven zijn lijk gezien te hebben; volgens een Engels verslag in de vorm van een 'rookwolk van diep purperen kleur'.

De verhalen stemmen op één punt overeen, n.l. dat het uitgetreden Ik waarneembaar voor zichzelf is geweest, maar geen lichamelijke verschijning gehad heeft. 'Mijn hand ging er midden door', wordt steeds gezegd. Deuren vormen geen beletsel, afstanden zijn van weinig belang. De zwaartekracht schijnt opgeheven te zijn. Het uittreden van het Ik wordt als een bevrijding ervaren. Er zijn patiënten die het verloop van het sterven in al zijn fasen kunnen beschrijven. Het begin ziet er ongeveer als een psychische belevenis zo uit:

'Mijn bewustzijn was merkwaardig rustig en helder. Ik had ook geen pijn meer. Langzaam begon het bewustzijn dat normaal het hele lichaam doordringt, zich in mijn hoofd te concentreren. Ik werd helemaal hoofd, alleen maar hoofd. Daarop had ik het gevoel of 'ik' volkomen geconcentreerd was op een kleine bewustzijnsvlek ergens midden in mijn hoofd. Zo merkte ik, dat ik me verder naar boven begon te bewegen - toen volgde een korte black-out en ik was vrij. Ik had mijn lichaam verlaten. Nu wist ik, zonder dat ik erover hoefde na te denken: deze toestand is wat de mensen dood noemen'.

We vatten samen, wat ons deze verslagen van stervenden die hun sterven hebben overleefd en erover konden spre­ken, tot nu toe gezegd hebben. Het begin van het sterven komt bij hen over als een ontwaken. Ze merken dat hun bewustzijn scherper geworden is. Het trekt zich samen, bijvoorbeeld in het hoofd, op een bijzondere plaats in het hoofd. De vertellers beweren, rustig, nuchter en helder van geest te zijn geweest, toen ze plotseling geconfronteerd werden met het feit, buiten hun lichaam te zijn. Het uit­treden van het Ik schijnt dan in zijn eerste fase zó te be­ginnen, dat het in de nabijheid van het lichaam blijft, maar ervan losgemaakt wordt. Het slaat het eigen li­chaam van buitenaf gade, zonder interesse en zonder het te betreuren. Dan treedt het Ik verder terug van zijn lichaam, probeert het te verlaten, verkrijgt de vrijheid. In andere verslagen zullen we horen, dat het uitgetreden Ik een andere werkelijkheid opzoekt en zich daar al spoe­dig in bevindt. In menig geval werd een eigenaardige nieuwe lichamelijkheid, vol licht en zonder gewicht, be­leefd. Het vermogen tot objectieve waarneming schijnt te bestaan, maar de mogelijkheid tot mededeling en inwer­king op de dingen is begrensd. Het uittreden van het Ik is volgens alles wat we nog zullen horen, slechts de eerste stap van de stervende en de voorwaarde voor alles wat hij verder nog beleeft.

Laat het ons echter duidelijk zijn, dat het bij het uittre­den van het Ik, hoe zeer dat ook meestal benadrukt wordt, .helemaal niet gaat om de ruimtelijke beleving van licha­melijke afstand, die met een meetlat te meten zou zijn. Wel wordt deze fase van het sterven meestal zo beleefd: een bovenzijn en ook wel vastgelegd worden op een dichtbij gelegen punt. Maar het uittreden van het Ik heeft een doel en tegelijk geen doel, het is een ergens ­heen en tegelijk een nergens heen. Het is op zijn minst ook een uittreden voor het gevoel en voor het gemoed, een lokale en tegelijk ook emotionele verwijdering weg van de psychische toestand. Misschien is zelfs wat we in de verslagen voor ons hebben slechts een vertaling achter­af van een emotionele ervaring in een ruimtelijke. De verteller, die na een indruk die aan onze logica en dat wil zeggen ook aan ons vermogen om te verwoorden ont­gaat, zoekt naar de vertaling in beelden van onze gewone taal. Hoe vaak zeggen onze informanten niet: ik kan er geen woorden en begrippen voor vinden. Woorden, zo menen zij, kunnen slechts doordringen in het voorportaal van datgene waarin zij doorgedrongen zijn. Ze kunnen het voor zichzelf niet eens begrijpelijk maken en bij in­gespannen pogen het eerst alleen vatten in voor hun wel­iswaar scherp en helder schijnende beelden. Dan zwijgen ze, onthutst en verdoofd. Ze weten dat ze iets onvergelijkbaar meegemaakt hebben, maar niemand kan het van hen afnemen en mag het van hen afnemen. Ze voelen zich te beschroomd om er wat over te zeggen. Misschien pas na weken roeren ze het aan en geven ze de gedachten door, die zich intussen in hen gevormd hebben, en gedachten kunnen wij slechts in woorden uiten. Daarnaast zijn er anderen, die na hun 'terugkeer' in het gewone bewustzijn de ogen opslaan en direct beginnen te vertellen: 'Ik ben in een ander land geweest'. Waren ze minder ver weg, omdat ze dadelijk woorden bij de hand hebben; is hun verhaal oppervlakkiger of directer dan dat van hen, die het pas na lange tijd formuleren? We weten het niet.

In de taal van de middeleeuwse mystici heet de toestand, die wij hier uittreden van het Ik noemen: 'weggevoerd worden'. We hebben talrijke berichten, die ons het ma­ken van een vergelijking veroorloven. En velen van hen noemen begeleidende omstandigheden, die tot de conclu­sie leiden, dat het werkelijk bij het sterven gaat om een verandering van bewustzijn. Zo zegt het verhaal van het visioen van de Ierse abt Furseus uit ongeveer 650, dat de belevenis plaats vond tijdens een zware ziekte. Furseus laat zich ziek naar zijn woonplaats brengen. Maar nog voor hij daar aankomt voelt hij, dat zijn benen verlamd raken. Hij voelt zich in de nacht wegzinken en wordt 'als dood' in het dichtstbijzijnde huis binnengedragen.

'Als dood' beleeft hij, hoe hij weggevoerd wordt. 'Hij ziet hoe zich uit het duister vier handen naar hem uitstrek­ken', en onderscheidt pas langzaam in het duister vaag de lichtende gestalten van drie engelen, die hem onder hun geleide nemen. Maar tenslotte beveelt een van hen, Fur­seus weer terug te brengen naar zijn lichaam. Nu pas merkt hij, dat hij van zijn lichaam gescheiden is en vraagt zijn geleiders waar ze hem heen willen brengen. De engel aan zijn rechterhand antwoordt, dat hij zijn aardse li­chaam weer aan moet trekken. Furseus is echter zo zeer verrukt van het gezelschap van de engelen, dat hij het wreed en pijnlijk vindt, weer naar zijn lichaam te moeten terugkeren en maakt de engelen duidelijk, dat hij niet meer van hen scheiden wil. De engelen bevelen hem daarop, naar zijn lichaam terug te keren, maar beloven hem tot troost dat ze hem na afloop van het hem toege­meten leven op aarde weer zullen afhalen.. . Dan keert zijn ziel weer in zijn lichaam terug, 'zonder te kunnen zeggen, hoe dat toeging'. Furseus ontwaakt en hoort de klaagliederen van de rouwende gemeente die hem wil begraven. Zijn vrienden zijn verrast en bevrijden haastig zijn gezicht uit de doodswade. Hetzelfde gebeurt in de volgende nacht. Weer verwacht hij, reeds verlamd, dat de dood direct zal volgen. Weer wordt hij 'weggevoerd'. Weer ziet hij engelen en weer beleeft hij zeer uitvoerig de terug­keer in zijn lichaam. Nu valt hem onderweg een demon lastig en brengt hem brandwonden toe op zijn schouder en zijn gezicht, die men later zal zien. De engelen brengen hem op het dak van zijn kerk. En van hieruit, op deze bepaalde afstand, kan hij op wonderbaarlijke wijze dwars door het dak en de muren heen zijn door de ziel verlaten naakte lichaam zien liggen. Hij wordt bang voor dit vreemde lijk en weigert beslist, het te naderen. Pas als de engel belooft, dat hij zonder pijn weer zijn lichaam bin­nen zal gaan en dat hij terugkomen zal om hem te halen, gaat hij er toe over. Hij ziet, hoe het lichaam bij de borst geopend wordt om hem weer binnen te laten. Hij ont­waakt dan in zijn lichaam als uit een diepe doodsslaap en ziet om zich heen een menigte van verwanten, buren en geestelijken, die intussen binnengekomen zijn'. Adem en hartslag hernemen hun functie.

TEN HAVE / BAARN   ISBN 90 259 4091 9
 
 
 
 
 
 
 09. Helder Sterven - Jan Karel Hylkema
 
 
 

 
Flaptekst:
Pleidooi voor de Oosterse visie op leven, sterven en dood, aan de hand van het Tibetaans boeddhisme en tegen de achtergrond van westerse conditioneringen.

Helder Sterven is in feite een praktische gids voor het leven. Bij veel mensen bestaat nog een grote angst voor sterven en de dood, ook al zullen zij zich daarvan niet dagelijks bewust zijn. Deze angst maakt niet alleen het uiteindelijke stervensproces onnodig moeilijk; ook veel gewone levenssituaties zullen aan helderheid verliezen doordat zij besmet zijn met dezelfde angst.
Sterven is in essentie niets anders dan 'loslaten'. Wie gedachten, gevoelens en verlangens uit voorbije momenten niet los kan laten, staat daarmee de heldere aanvaarding van heden en toekomst in de weg. In feite is daarom elk moment een stervensmoment.
Helder Sterven laat de consequenties zien van een levensinstelling die het sterven aanvaardt als het moment bij uitstek waarop de mens zijn lot in handen kan nemen.
Dit boek gaat over wat sterven is. wat erbij gebeurt en hoe de mens dit proces gedurende zijn leven kan sturen en beïnvloeden. De auteur baseert zich op inzichten en ervaringen van recent onderzoek en moderne therapeutische methoden, en laat zich bovendien mede inspireren door stervensinstructies uit de boeddhistische traditie
 

Uittreksel:
Wat de in het leven teruggekeerde schijndoden en klinisch doden ons vertellen.

Er zijn vele boeken verschenen waarin de ervaringen van mensen die schijndood of klinisch dood zijn geweest en om de één of andere reden in het leven zijn teruggekeerd, zijn opgetekend. En wanneer men met vrienden en kennissen over dit onderwerp praat dan blijkt, nadat een zekere schuchterheid is overwonnen, dat heel veel mensen zelf er­varingen hebben die verwant zijn aan deze getuigenissen. In het kader van dit boek is het niet nodig dit soort verhalen en getuigenissen op te tekenen. Het gaat hier om het alge­mene beeld dat eruit naar voren komt. Dit beeld is door Raymond Moody jr. M.D. in zijn boek Life af ter Life (Bantam Book 1975) het meest systematisch in kaart ge­bracht.

Moody onderscheidt een keten van 14 ervaringsgebieden in deze getuigenissen, waarvan 9 betrekking hebben op de echte stervenservaring en de andere 5 op de terugkeer in het leven en de veranderingen in het verdere leven van ie­mand die dit soort ervaringen gehad heeft. Voor het doel van dit boek zijn de eerste 9 ervaringsgebieden het meest interessant omdat deze informatie over het stervensproces geven. De andere 5 zijn van belang voor de algemene con­clusies ten aanzien van sterven. Moody zegt dat lang niet altijd alle 14 gevallen daadwerkelijk ervaren worden en dat ook de volgorde waarin deze gebeuren, kan verschillen. Echter de met illustrerende getuigenissen van mensen die dit soort ervaringen hebben gehad omklede opsommingen geven een compleet beeld van wat er tijdens een stervens­proces tot het moment van definitief doodgaan kan gebeu­ren.

Wij zullen thans deze ervaringsgebieden, zoals Moody de­ze weergegeven heeft, kort omschrijven:

1. Horen doodverklaard worden
In bijna alle gevallen waarin mensen van deze ervarin­gen getuigen, komt het voor dat zij vertellen dat zij hoorden dat anderen, zoals behandelende artsen en ver­plegend personeel of mensen die bij auto-ongelukken te hulp komen, zeiden dat de desbetreffende dood is. De betrokkenen ervaren deze mededelingen, die niet tot hen maar tot de omstanders gericht zijn, als een fysiek hoorproces.

2. Gevoelens van vrede, rust en ontspanning
Ook in bijna alle gevallen wordt gerapporteerd dat de stervenservaring in haar eerste fase gepaard gaat met het voelen, eveneens vooral in fysieke zin, van ontspan­ning en rust. Het wordt vaak als een piekervaring aan­geduid. Dit komt vaak na een strijd van soms langdurig lijden of de angst die ervaren wordt tijdens het gebeuren van een ongeluk. Echter op het moment dat de strijd wordt opgegeven of de grote klap zou moeten komen, treedt dit vredige gevoel op.

3. Ervaren van geluid
In veel gevallen wordt verteld over een vaak als onple­zierig ervaren geluid, dat opnieuw als fysiek, wordt er­varen. Het lijkt vanuit het hoofd van de betrokkene te komen en doet vaak denken aan hinderlijk zoemen of rinkelen.

4. Donkere tunnelervaring
Er is nauwelijks een ervaring opgeschreven, waarin de betrokkene niet vertelt dat hij of zij opeens het gevoel kreeg zich in een soort donkere tunnel te bevinden, die ongeveer zo wijd was als de betrokkene zelf, en waar­door hij of zij in 't algemeen het gevoel had er met grote snelheid doorheen getrokken te worden of erdoor naar beneden te vallen. Sommigen spreken ook over een spi­raalvormige beweging en anderen ondergaan de tunnel als een soort vallei. Een en ander wordt opnieuw vrij algemeen als fysiek aangeduid en kan zowel gevoelens van angst als bevrijding oproepen.

5. Uit het lichaam ervaring
Bijna alle getuigen spreken van een ervaring dat men zijn eigen lichaam ziet vanuit een positie van buiten het lichaam. Aanvankelijk ervaart de getuige de waarne­ming als een fysiek zien, ondanks een vrij veel voorko­mend verhaal dat men zich op de rug liggend tegen het plafond van de sterfkamer bevindt, zodat de fysieke ogen de scène onmogelijk kunnen waarnemen. Naarmate deze 'uit het lichaam ervaring' langer duurt, gaat de betrokkene deze als minder en ten slotte als totaal niet fysiek ondergaan. Dit gaat gepaard met een veran­dering van de ervaring van zijn aanwezigheid buiten het fysieke lichaam. In het begin lijkt het om twee identieke lichamen te gaan; het verlaten fysieke lichaam en het waarnemend lichaam. Dit laatste schijnt dezelfde vorm te hebben als het eerste. V rij snel merkt men dat het waarnemend lichaam echter anders, ijl van substantie is en het bijvoorbeeld zonder hinder te ondervinden door fysieke voorwerpen als gesloten deuren of muren kan gaan. Geleidelijk verdwijnt ook de vorm-ervaring en gaat men het ervarende lichaam zien als een min of meer gestructureerde hoeveelheid energie. Het neemt geen plaats in in de fysieke wereld en wordt door de levende mensen niet als aanwezig opgemerkt, terwijl dit, wij zullen het thans maar een spiritueel lichaam noemen, al­les uit de fysieke wereld wel waarneemt. Geleidelijk er­vaart het spirituele lichaam ook dat het niet fysiek waar­neemt maar gedachten van de fysieke mensen waar­neemt.

Het spirituele lichaam, dat ook wel als een energiepa­troon wordt aangeduid, wordt over het algemeen als comfortabel, gewichtsloos, drijvend of zwevend erva­ren. Aanvankelijk lijkt het niet beheersbaar, maar al spoedig leert men dat denken en willen de plaats en de toestand van het spirituele lichaam beheerst en dat alle psychische processen zich erin kunnen afspelen, alleen sneller en helderder dan in het fysieke lichaam.

De 'uit het (fysieke) lichaam ervaring' kan zowel ge­voelens van afkeer ten opzichte van dat fysieke lichaam oproepen en een zich willen verzetten tegen bijvoor­beeld reanimatiepogingen, als een verlangen ernaar. Het laatste doet zich kort na de ervaring, die aanvanke­lijk ook wel angstig maakt, meer voor dan later, hoewel er dan een gevoel van eenzaamheid ten opzichte van de wereld van de levenden kan ontstaan, doordat men alles van de levenden kan waarnemen en ervaren, terwijl men er zelf niet meer mee kan communiceren

6. Het ontmoeten van andere overledenen
Ergens tijdens het stervensproces, of zelfs wel eens daarvoor aan het ziekbed, ervaart de stervende de aan­wezigheid van andere spirituele wezens. Deze worden vaak, maar niet altijd, herkend als eerder overleden fa­milie en vrienden. Deze spirituele wezens hebben in de ogen van hen die hierover rapporteren, de kennelijke bedoeling de stervende door de stervenservaring te be­geleiden (of terug te sturen naar de levenden volgens veel van de getuigenissen van hen die in het leven terug­gekomen zijn). De stervende ziet vooral de gezichten van deze spirituele wezens, waaraan men hen herkent en wat ook de communicatie met hen ondersteunt. De­ze communicatie vindt vooral vanuit deze andere spiri­tuele wezens plaats en geschiedt door gedachteoverdracht.

Men ervaart deze wezens als verwelkoming in een an­dere wereld en als begeleiding naar deze andere wereld. Er wordt gezegd dat, terwijl mensen die bij de sterven­de zijn deze wezens niet opmerken, huisdieren dit vaak wel doen en dat de stervende een communicatie tussen bijvoorbeeld de huishond en zijn vroegere baas wel op­merkt, terwijl de anderen de hond raar vinden doen.

7. De ervaring van een lichtwezen
In vele gevallen wordt gesproken over een lichtwezen. Aanvankelijk neemt de stervende een zwak licht waar dat allengs sterker wordt en heel intens wordt. Dit licht wordt volgens Moody door zijn referenten als een indi­vidu ervaren. Het licht is meestal wit en zeer helder, doch verblindt niet en overheerst ook niet de omge­ving. Het heeft een warme en liefdevolle uitstraling en stelt daardoor op het gemak en het trekt de stervende aan. Hoe het licht door de stervende ervaren wordt, hangt vaak samen met zijn of haar religieuze achter­grond. Mensen met een christelijke opvoeding zien er vaak Jezus van Nazareth in, joden een engel en anderen een wezen dat past bij hun referentiepatroon. Het licht­wezen wordt als een gezonden gids ervaren, waarbij het met de stervende communiceert via gedachteoverdracht. Het kan door de stervende niet misleid worden, omdat het kennelijk alles van de stervende weet. Het lichtwezen vraagt de stervende zich voor zijn leven te verantwoorden en geeft tegelijkertijd troost.

De vraag die volgens Moody's referenten, het lichtwe­zen stelt, is wat je met je leven gedaan hebt in de zin van kennis verwerven en liefde geven. Met kennisverwer­ving wordt niet bedoeld het verzamelen van een grote hoeveelheid kennis, maar het verwerven van begrip en inzicht. Met liefde geven wordt bedoeld loslaten, niet jezelf aardig voordoen tegenover anderen maar juist datgene nalaten waardoor je je tegenover anderen handhaaft, zodat voor de ander echte ruimte ontstaat.

8. De ervaring van de terugblik
Het hiervoor genoemde lichtwezen speelt vaak een ac­tieve rol bij een vrijwel algemene ervaring van sterven­den, namelijk dat ze hun voorbije leven aan zich voorbij zien trekken. Dit geschiedt met grote snelheid volledig tot in details en soms alleen de hoogtepunten of belangrijkste punten van het leven. De stervende reflecteert zich in deze herinneringen die, nog altijd volgens Moody's referenten, ondergaan worden als een op­voedkundige exercitie. Alle gebeurtenissen doen zich opnieuw voor, waarbij ook de eerdere emoties en ande­re gevoelens beleefd worden. Het is niet zozeer een ver­antwoordingsproces als wel een les in liefde, een aan­wijzing hoe de stervende zich in voorkomende geval­len, wel of niet zou moeten gedragen vooral ook met het oog op het leven na de dood. De getuigen vinden deze terugblik op het leven algemeen geen angstige of slechte ervaring maar een zeer zinvol proces.

9. De ervaring van een uiterste grens
In de getuigenissen van hen die in het leven zijn terug­gekeerd, komt in het algemeen het tegenkomen van een symbool, van een grens, voor. Dit kan een deur aan het einde van de donkere tunnel zijn, een rivier die overge­stoken zou moeten worden op de verdere tocht, een mistsensatie of gewoon een lijn. Voor deze getuigen betekende de ontmoeting met dat symbool dat zij te­ruggingen, maar zij zien het passeren van deze uiterste grens als het definitieve sterven, het ingaan van een toe­stand waaruit geen weg terug is.

Vervolgens worden de belevenissen van teruggaan, er over aan anderen vertellen, effecten op het verdere leven, een nieuwe kijk op de dood en bekrachtiging beschreven, waarvan de de­tails voor dit boek niet interessant zijn, maar hebben alle gemeen dat men de angst voor de dood kwijt is, zelfs een zeker verlangen ernaar heeft en de overtuiging dat het le­ven niet afgelopen is met het passeren van de uiterste grens, maar dat daarachter andere vormen van leven liggen. Ge­lukkig heel bemoedigende ervaringen, die zouden moeten aanzetten tot een meer met hét denken en voorbereiden op hét sterven bezig zijn in het leven.

Ik houd er echter rekening mee dat dit toch een wat eenzij­dig en te gunstig beeld oproept. Het feit dat mensen over hun ervaringen willen praten, kan leiden tot een positieve selectie van getuigenissen, terwijl andere bronnen, zoals de Bardo Thödol, duidelijk ook andere informatie geven.

In al de getuigenissen van westerlingen, waaruit Moody en anderen hun inzichten hebben geput, valt op dat de erva­ringen van de getuigen bijna allemaal aangeven dat ze de stervenservaring hebben ondergaan als iets wat over hen komt en waarin anderen vaak een leidende rol spelen. Ik denk dat dit samenhangt met de heersende opvattingen in het westerse cultuurpatroon; Ook daarin denkt de wester­se mens dat hij alleen staat en invloeden van zijn omgeving ondergaat, waarop hij reageert.

Al deze ervaringen zijn daarom niet principieel anders dan die van levende westerlingen, die voortkomen en hun kleur krijgen door de vooringenomenheden ten aanzien van het ik en de ander die in de westerse cultuur bestaan.

In beschouwingen van anderen over dit soort stervenser­varingen klinkt vaak iets afwijzends door als zouden deze een gevolg zijn van de vergiftigingsprocessen die bij de stervende in de hersenen plaatsvinden en dat zij daarom niet reëel of zinsbegoochelingen zijn. Ik ben het daar niet mee eens. Ook al zou de samenhang juist zijn dan nog zijn het werkelijkheden, omdat zij door de stervende kennelijk zo ervaren worden. Ik zet slechts een vraagteken bij de juistheid van de ervaring dat anderen, de overleden familie en vrienden, of het lichtwezen, werkelijk aanwezig zijn. Niet alle stervenden hebben deze belevenissen, terwijl dat wat zij zouden veroorzaken - de aanvaarding, vertrouwen en de panoramische terugblik op het geleefde leven - dan wel door de stervende ervaren wordt. Daarom denk ik dat de ervaringen, waarvan deze teruggekeerden vertellen, in diepste wezen projecties van de stervende zelf zijn die net zo tot stand komen als het beeld van henzelf en hun omge­ving tijdens het leven, namelijk vanuit de idee dat hun zelf een permanent onveranderlijk gegeven is. Zolang die op­vatting bestaat en men zich daaraan vastklampt, zal men het leven als zodanig ervaren en het sterven zoals in de hier­voor omschreven negen ervaringsgebieden van het sterf­proces, dat eindigt bij het passeren van de grens tussen le­ven en dood.


Bron: Helder Sterven - Jan Karel Hylkema. - Amsterdam: Bres
ISBN 90-6229-024-8
SISO 429 UDC 129 NUGI 615


 
 
 
 10. BDE in de Griekse Mythologie  

Over de verrichtingen der dodenrechters wordt het uitvoerigst gesproken in het slot van Plato's meesterwerk "De Staat". Daar verhaalt Sokrates van een zekere Er uit Pamphylië, die in de oorlog was gesneuveld. Tien dagen na zijn dood werd diens lijk, dat nog volkomen gaaf was, voor de begrafenis naar huis gebracht. Op de brandstapel keerde de man echter tot bewustzijn terug! Hij bleek zich nauwkeurig te kunnen herinneren, wat hij gedurende het korte ver­blijf in de onderwereld had gezien en gehoord.

Er verhaalde, hoe hij en de andere gesneuvelden eerst een heel eind hadden moeten lopen. Al lopend waren ze aan een plek gekomen, waar zich twee tegen­over elkaar liggende aardspleten bevonden, die een gapende diepte omsloten. In de rotswand, die zich boven deze plek verhief, liepen twee soortgelijke kloven naar boven; langs een smal bergpad kon men in die kloven naar de hemel klim­men. Op het kruispunt van wegen naar hemel en Tartaros waren de Rechters gezeten.

De mensen, die konden aantonen dat zij een rechtschapen levenswandel hadden geleid, werden door de Rechters rechtsaf naar boven, naar de hemel, gediri­geerd; op de borst kregen zij een briefje, dat de beslissing der rechters ver­meldde met de motivering. De anderen, wier vroegere levenswandel aanleiding tot kritiek gaf, moesten linksaf naar beneden met een briefje op de rug, waarop al hun misdrijven beschreven stonden. Toen Er op zijn beurt voor het Gerecht was getreden, kreeg hij evenwel te horen, dat hij in het leven terug zou keren ten einde alles te kunnen vertellen, wat hij hier zou ervaren. De Rechters ver­zochten hem zelfs zijn ogen en oren wijd open te zetten!

Wat had deze Er daar nu nog meer gezien? Hij zag niet alleen, dat de binnen­stromende zielen in de twee genoemde richtingen uiteengingen, maar ook, dat er uit de beide spleten (links van boven en rechts van beneden) zielen terug­kwamen. Zij, die uit de aarde van beneden kwamen, zaten onder het stof en de vuiligheid; zij, die uit de hemel afdaalden, waren stralend-schoon. Beide groe­pen schenen een lange reis achter de rug te hebben en wisselden, als ze kennissen van vroeger zagen, wederzijds hun ervaringen uit. Na de begroeting zetten zij  zich in groepjes te samen; het leek wel, of het een grote bijeenkomst van feest­gangers was. De zielen uit de hemel verhaalden van al het onbegrijpelijk-schone, dat zij daar mochten schouwen. Maar de zielen uit de onderwereld jammerden en huilden om de ellende van hun duizendjarige zwerftocht beneden. Uit hun gesprekken begreep Er, dat iedere boetedoener voor zijn vergrijpen een tien­voudige straf krijgt; hij moet namelijk elke honderd jaar de vastgestelde boete ondergaan, tienmaal in duizend jaren. Na elke periode van duizend jaar begint de ziel aan een volgend leven op aarde.

Er hoorde, dat er druk geïnformeerd werd, of Ardiaios de Grote al was gearri­veerd. Die Ardiaios was duizend jaren geleden tiran (= dictator) in Pamphylië geweest; hij had uit machtswillekeur zijn vader en zijn oudste broer gedood en nog veel meer slechte dingen gedaan. Maar er werd geantwoord, dat Ardiaios hier nog niet was aangekomen en zich hier voorlopig ook wel niet zo spoedig zou laten zien. Maar bij zijn vertrek maakte Er Ardiaios' aankomst nog net mee! Er was al bij de Poort van de Hades op de terugweg, toen hij Ardiaios met nog andere vroegere tirannen en staatslieden op de uitgang van de onderwereld zag toekomen met de bedoeling een nieuw leven op aarde aan te vangen. Toen was er iets vreselijks gebeurd! De Poort van de Hades, die de mensonwaardige tirannen niet wilde doorlaten, was gaan loeien als een orkaan. Onmiddellijk waren er woest-uitziende, vuurspuwende mannen komen aanrennen, die een aantal vroegere regeringschefs vastgrepen om hen daar terug te brengen, van­ waar zij getracht hadden (op slinkse wijze) te ontkomen: naar de onderwereld. Ardiaios en enkele anderen echter bonden zij handen, voeten en hoofd aan elkaar; zij wierpen hen tegen de grond en begonnen op hen los te slaan. Tijdens dit bedrijf riepen de vurige mannen de voorbijgangers de redenen toe, waarom hun slachtoffers deze nabehandeling ondergingen. Terwijl zij voortdurend op de geboeiden lossloegen, sleepten zij hen naar de kant van de weg om hen door de doornenstruiken te sleuren. Daarna, zo hoorde het publiek, zouden deze regeringsleiders voor altijd in de Tartaros worden geworpen.

Bron: Mythologie der Grieken – dr. H. H. Diephuis
 
 
 
 11. Een BDE van Carl Gustav Jung.

 

Ten tijde van Jung was de term ‘BDE’ waarschijnlijk nog niet uitgevonden.
Maar dat betekent niet dat die niet bestonden.
Tijdens het lezen in de biografie over Jung, geschreven door Vincent Brome, getiteld: Jung, Waarheid en Legende, kwam ik volgend hoofdstuk tegen over ‘een visioen’ waarin duidelijk een reeks kenmerken van een typisch BDE te herkennen zijn.

Een ernstige ziekte

Het jaar 1944 begon voor Jung erg slecht. Tijdens zijn dagelijkse wandeling gleed hij uit op de met ijs bedekte weg buiten Küssnacht, viel en brak zijn enkel. Met veel pijn slaagde hij erin overeind te komen en naar het dichtst­bijzijnde huis te hinken. Daar belde hij op om zijn auto te laten komen. Al­les zou daarna normaal zijn verlopen als hij voor het gips om zijn enkel niet een paar dagen volstrekte rust had moeten nemen.! Dit leidde, plotseling en onverwacht, tot een embolie die een ernstig hartinfarct veroorzaakte. Hij werd naar het ziekenhuis overgebracht en zweefde drie weken tussen leven en dood, waarbij de artsen hem regelmatig zuurstof moesten toedienen.

Terwijl hij zich op de rand van de dood bevond, kreeg hij uitzonderlijke visioenen, die hem, in zijn eigen woorden, bijna een blik lieten werpen op de andere wereld. Zijn verpleegster vertelde hem later dat zijn gezicht de in­druk had gemaakt dat het 'door een helder schijnsel was omgeven' . Zelf zei hij dat hij 'de uiterste grens had bereikt' en niet wist of hij 'droomde of in extase was'.

Het was bijna alsof er een onstoffelijk deel van hemzelf, bevrijd van het stof­felijk omhulsel, ter hemel was gevaren en, naar beneden kijkend, de reus­achtige aardbol zag met zijn zeeën en continenten, die gedompeld waren in 'een heerlijk blauw licht'.

Het was volgens Jung een schitterend en betoverend visioen. 'Later', schreef hij, 'heb ik geïnformeerd hoe hoog je in de ruimte moet zijn om een derge­lijk ver uitzicht te hebben. Dat bleek ongeveer 1500 kilometer te zijn!'

Het is moeilijk uit te maken of Jung deze visioenen achteraf aanvulde met rationele en bewuste reacties, of dat hij op het moment zelf inderdaad een geweldig gevoel van grandeur had. Wat er daarna gebeurde, is nog onge­looflijker. Het kan worden gezien als een prachtige allegorie over een ziel die ten hemel vaart en plotseling in een andere wereld geconfronteerd wordt met het hele, lange verhaal van zijn lichamelijke leven, en met de pijnlijke vraag waar het allemaal goed voor was.

Toen Jung zijn blik van het noorden naar het zuiden wendde, kwam er plot­seling een enorme donkere steenklomp, die op een grote meteoriet leek, in zijn gezichtsveld. Jung zweefde moeiteloos langs het hemelgewelf naar de steen toe, ging door een uitgehakte ingang naar binnen en trof daar een donkere hindoe aan, die zwijgend in de lotushouding zat. Jung had het uit­zonderlijke gevoel dat 'de hele fantasmagorie van het aardse bestaan' van hem af viel, of hem ontroofd werd - 'een uiterst pijnlijk proces'. Het was duidelijk dat de hindoe hem verwachtte, en hij werd nu naar de poort van een tempel geleid. 'Ontelbare kleine nisjes met brandende kaarsenpitten' omgaven deze ingang met een krans van heldere vlammetjes. Het leek sterk op de Tempel van de Heilige Tand, die hij op Ceylon had bezocht, maar toen hij de ingang naderde, kreeg hij een nieuw voorgevoel. Hij wist plotseling zeker dat hij weldra alle mensen zou ontmoeten 'waar hij in werkelijkheid bij hoorde', en eindelijk de historische samenhang van zijn leven zou ont­dekken. 'Ik zou weten wat er vóór me was geweest, waarom ik geworden ben en waarheen mijn leven verder zou stromen.’

Het is duidelijk dat Jung bezig was aan de recapitulatie van zijn leven die kenmerkend schijnt te zijn voor stervenden, maar hij heeft niet de fatale stap in de tempel gezet, die symbolisch het einde van zijn leven zou hebben betekend. In plaats daarvan steeg er ongeveer vanuit de richting van Europa een gedaante omhoog, die sterk op zijn arts leek. Nuchter bezien was zijn koortsige delirium aan het afnemen en begon de aanwezigheid van zijn arts tot hem door te dringen. Dr. H. nam echter niet zijn normale gedaante aan.

Jung dacht bij zichzelf: '0 ja, dat is mijn dokter' , maar niet in zijn gebruike­lijke belichaming. Hij kwam nu als een Basileus van Kos, of 'de tijdelijke be­lichaming van de oergestalte die altijd al heeft bestaan'. (Basileus betekent koning en Kos was in de oudheid beroemd om zijn Asklepios-tempel en was de geboorteplaats van Hippocrates.)
 
Iemand die erbij aanwezig was, heeft verteld dat Dr. H. inderdaad een paar bemoedigende woorden had gesproken tegen Jung, omdat er eindelijk ver­betering begon te komen in zijn toestand. Maar Jung interpreteerde het heel anders. Zijn familie had Dr. H. afgevaardigd, zei hij, om ertegen te proteste­ren dat hij 'op het punt stond heen te gaan', en te zeggen dat hij 'de aarde niet mocht verlaten en moest terugkeren'.

Dr. Frey-Rohn, die met Jung bevriend was, herinnert zich een droom die Jung in zijn Herinneringen niet noemt. In deze droom zweefde hij eveneens langs de hemel, maar nu riepen maar liefst dertig vrouwen dat hij moest terugkeren naar de aarde. 'Hij kon hun protesten eenvoudig niet negeren.’ In dit stadium van Jungs ziekte was zijn toestand zo slecht dat Emma, zijn vrouw, zelfs in het ziekenhuis overnachtte en voortdurend contact hield met de artsen en verpleegsters.

Nu kwam het keerpunt. Zijn levenswil was de volgende tien dagen uiterst zwak en voedsel stond hem tegen. Er volgde een nieuwe reeks 'visioenen', waarin hij het uitzicht uit zijn raam aanzag voor 'een krant vol gaten, met foto’s die me niets zeiden'.

Het idee om naar het leven terug te keren stond hem tegen en hij bleef zich verzetten tegen de aanmoedigingen van zijn arts. Tegelijk kwam er ook een nieuwe en verontrustende gedachte in hem op. Wanneer iemand zijn oerge­daante bereikte, zoals met Dr. H. was gebeurd, wilde dat zeggen dat hij ging sterven, en Jung raakte er plotseling van overtuigd dat Dr. H. in zijn plaats moest sterven. Hij worstelde zich overeind en deed een wanhopige poging om Dr. H. te waarschuwen, maar de arts begreep het niet en Jung kreeg een gevaarlijke woedeaanval. Emma, die hem tijdens zijn hele ziekte trouw ver­zorgde, zei dat hij niet zo vijandig moest doen tegenover de dokter. Maar Jung dacht bij zichzelf: 'God nog aan toe, hij moet toch oppassen. Hij heeft het recht niet om zo onvoorzichtig te zijn!'

Het verdere verloop van het leven van Dr. H. bevestigde niet alleen Jungs synchronistische gaven, maar zou, als we Jungs verhaal letterlijk namen, ook betekenen dat hij het demonische vermogen bezat om zijn eigen dood over te brengen op iemand anders. Het is echter een verkeerde interpretatie van Jungs theorie om over bijzondere gaven te spreken. Zijn definitie van syn­chroniciteit vermeed het begrip 'gave'. Dit soort ervaringen betekenden dat men schijnbaar een 'magisch' acausaal potentieel bezat om zich in iemand anders te verplaatsen.

Op 4 april 1944 was Jung voor het eerst weer zover dat hij rechtop in bed mocht zitten, en diezelfde dag werd Dr. H. inderdaad ziek en moest bedrust nemen. Hij kreeg koortsaanvallen en stierf korte tijd later aan septicaemie (bloedvergiftiging). Jung was Dr. H. 's laatste patiënt geweest.

Bron: Jung, Waarheid en Legende – Vincent Brome – hoofdstuk 28 – ISBN 90-6069-870-3


Jung zelf heeft deze gebeurtenis en ervaring uitgebreider beschreven in zijn autobiografie: Herinneringen, dromen en gedachten – geredigeerd door Aniela Jaffé – ISBN 90-6069-306-x
Dit verhaal is te lezen op de pagina’s die ik speciaal aan Jung heb gewijd.