Gedichten die ik in de loop der jaren verzameld heb

01. Hij, die ons naar de top leidt - 02. De gelatene - 03. Wedergeboorte - 04. Bijna - 05. Aan een verloren vriend - 06. Scheepje onder Jezus' hoede - 07. De tuin - 08. Stille getuigen - 09. Lentelach - 10. Bladeren van tijd -  11. De ploeger - 12. Wat ik je wens - 13. Soms loop ik - 14. Versjes van Aurelis - 15. De bladeren vallen - 16. Waarover zal ik zingen - 17. Zo meen ik dat ook jij bent - 18. En als je mij zou vragen - 19. Alleen - 20. A en O - 21. Een stralend licht! - 22. Ineens - 23. Hoe meer zielen - 24. Juli - 25. Mijn handen - 26. Te Middelharnis is een kind verdronken - 27. Men moet ... - 28. Streng en aanbiddend - 29. Aan een boom in het Vondelpark - 30.  kom vanavond

 

 

01. Hij, die ons naar de top leidt

Steeds weer, over tal van wegen,
keert mijn zin en leven tot Hem terug.
Gelooft in Zijn beeld aan te treffen,
voor zijn onrust, eindelijk geluk.

Steeds zoeken wij het ene,
dat de veelheid niet beroert:
Dat het voor ons verschijne,
dat ons naar de top toe voert.

Eens zullen wij daar boven staan,
waar aarde opgaat in de zon
dan kan de vorm, de wij, vergaan,
en worden wij, wat wij zijn.

Christian Morgenstern (1871-1914)



02. De gelatene.

Ik open het raam en laat het najaar binnen,
het onuitsprekelijke, het van weleer
en van altijd. Als ik één ding begeer
is het: dit tot het laatste te beminnen.

Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
als men zich op het wereldoude zeer
van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
hunkeren naar onverganklijke beminden,
en eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
en dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

J.C. Bloem


03. Wedergeboorte

Toen, in een mist aan een oever,
dit lichaam leeg lag, brak
den grond der ziel een vuur uit
dat de wereld in vlammen stak.

Afgronden braken open,
hemelen sloten dicht;
van grond tot wolken sloeg er
een rode orkaan van licht.
Ik vluchtte, mijn handen geslagen
tegen mijn aangezicht...

Ik weet niet hoe ik weervond
een weg, die verloren was;
ik kwam aan een glinsterend water
en bloemen en zacht gras;
daar speelde God met een kind,
dat nog niet geboren was.

Ik dacht een tijding te staamlen:
'De wereld is vergaan'...
God sprak: "Wat mijn stem niet doen kon
dat heeft mijn vuur gedaan:
gij kwaamt. Ga naar het water;
uw hoofd is nog zwart van roet,
en was er van uw handen
die vegen as en bloed."

Toen vroeg het kind: "Wat is dat:
de wereld?" en God zei
blij na bedroefd herdenken:
"De wereld is voorbij."
En toen tot zichzelven: "Nu blijven
zij beiden weer bij mij."

Ik wies mij in 't glinsterende water;
God speelde met het wicht...
ik legde mij in de bloemen;
mijn ogen vielen dicht.

Toen ik ontwaakte lag ik
in licht en bloemen alleen;
vreemd en verzaligd zag ik
over een water heen.

A. Roland-Holst



04. Bijna

Misschien morgen, vandaag
stonden alle dingen stil,
de wind kon er niets aan
doen, nergens kwam beweging
in. Ik zat en keek, werd
stilte zelf, een hoge boom,
overal dicht van groen,
geen blad bewoog.

Ik had kunnen sterven,
denk ik nu, zonder dat
ik het merkte, zelfs ver
van mijzelf, in een heelal
van ander geluk, vrede die
niemand iets ontneemt, licht
dat geen schaduw ziet,
toekomst zonder herinnering.

Toch kwam ik later nog
terug en er bleek iets
verschoven te zijn: een wolk,
een gevoel van vaag verdriet,
een ogenblik bijna, een stem
die onbelemmerd spreken kon.
Maar alles zweeg. Ver weg
danste een vlinder in de zon.

Gabriël Smit


05. Aan een verloren vriend

Forlorn! The very word is like a bell. Keats

Gij zult me in 't vreemde land wel nooit gedenken,
Ook mij ontging allengs uw verre beeld.
Nu komt dit uit der jaren schemers wenken,
Zo wazig als een droom een droom doorspeelt.

Toen 'k nog uw ogen zien, uw stem mocht horen
In 't stille stadje eens onzer jeugd ter woon,
Gingt gij mij reeds, hoe ik ook bad, verloren,
Want elk zocht in dit leven ander schoon.

U joeg een wilde drang naar wereldsteden,
Waar 't leven krampt als in een snikkend hart,
En koortsdoorschrijnd elk vliedt voor zijn verleden,
Maar in de strikken van het nu verwart.

Mij liet het leven stil en peinzend achter,
Voor altijd in gedroomde vlucht gestuit.
En 'k tuur, als op een berg een eenzaam wachter,
Over de dalen van 't verleden uit.

Wel kende ook ik dat einderwijd verlangen
Naar tochten over aardes breed gebied,
Als niet één dak onze onrust kan omvangen,
En ied’re dageraad ons verder ziet.

Maar ik wist dit: slechts weinigen is gegeven,
Weinigen van ons, die ied’re schijn verleidt,
Het leven naar zijn schoonsten wil te leven:
De velen raken nooit tot zaligheid.

U sloegen de onverzoenlijk- wrede vlagen
Van 's levens bitterheid en barren nood.
Toch zult ge nu zelfs niet uw keus beklagen:
Gij mocht niet anders, waar de droom gebood.

Maar mij zijt gij verloren. Lange stoeten
Van uren zijn sinds 't scheidingsuur vergaan.
En 'k wens geen weerzien: als we elkaar ontmoetten,
Zouden we, een vreemde naast een vreemde, staan.

Hoe eindloos teer klinkt mij dat woord in de oren,
Teer als aan middaglucht een ijle maan,
Die broze luiding van geluid: verloren...
Is heel dit leven niet verloren gaan?

Weet dan, verslagene, maar immer strevende,
Dat steeds mijn hart de herinnering bewaart:
Mijn vriendschap is u nog als voor een levende,
Mijn weemoed om u of ge een dode waart.

J.C. Bloem


06. Scheepje onder Jezus' hoede
 
Dit is afschuwelijk: die zwarte eenzaamheid,
dit weggeslagen zijn van ied're kust,
dit drijven op de stroom van tijd naar eeuwigheid,
dit worstelen vóór de eindelijke rust.
 
Ik ben een drenkeling, wiens schip te pletter sloeg
en klem me vast aan nog een wrak 'Stuk hout,
waarom? Ik wou toch dat de zee mij niet meer droeg
en dat ik zonk - ik krijg het al zo koud ­
 
o God, waar is het schip met 's Vaders Zoon aan boord?
Waar is de kruisvlag, wapp'rend in de top?
Wanneer Gij spreekt, al is het maar een enkel woord,
dan vecht ik door. - Maar nu geef ik het op.
 
- "Het is niet ver meer naar het veilig strand,
nog éven, kind, dan trek Ik je aan land."
 
Nel Benschop


07. De tuin

Een morgen ben ik zeer vroeg opgestaan
En zie de bloemen, halmen, grassen staan
In een zo helder eigenaardig licht
Of zij daar nog niet lang alleen zo staan
Maar iemand juist van hen was heengegaan,
Zo, als men in gezelschap binnentreedt
In stilte, en weet dat er gesproken is
Maar niemand u wil zeggen wat het was.

Het is of er een engel op dit gras
Getreden is en juist verdwenen is
Zodat nog alles luistert naar zijn tred
En halmen, grassen staan nog in gebed.

J.W.F. WERUMEUS BUNING (1891-1958)


08. Stille getuigen

Al denkt gij ook: "Wij zijn alleen!"
De sterren houden wacht,
De wind strijkt door de linden heen,
Die fluistren in de nacht;
Er zijn getuigen bij uw eed
In 't rustige avonduur,
En wat geen mens bekend is, weet
De zwijgende natuur!

En schendt gij d'eed van liefde en trouw
Dan is uw rust verstoord;
Verwijt u 't reine hemelblauw
Het breken van uw woord,
Dan huivert ge als het koeltje zacht
Door 't lindelover stoeit,
En mijdt uw oog de gouden wacht,
Die aan de hemel gloeit!

Uit de bundel: XL Gedichten - Frederik Hemkes, 1882



09. Lentelach

De winter weent, de lente lacht,
de kluizekens gaan open;
en 't blad, dat zich te bergen placht,
komt kraakfijn uitgekropen.
 
't Is al zo klein en al zo nipt,
zo netjes en zo nuchter;
en 't meesje dat er tussen wipt
het fladdert nog zo schuchter.
 
Een vlinderlucht waait vleiend zacht
om al die tere levens.
De winter weent, de lente lacht,
ik ween en lache tevens.
 
René de Clercq   Echo's (1900)
 


10. Bladeren van tijd

Toen veegde de bezem
van de tijd de bladeren
van alle geleefde levens bijeen.

De wind joeg ze op
en bracht ze op zijn holle rug
buiten ruimte en tijd,
waar ze tot sterren werden.

In helderheid van geest
zag ik mijn ware gelaat
en werd het zien
zonder nog iets te zien,
het licht dat alles verlicht
maar van zichzelf niet weet.

De bladeren van de tijd verkleurden
en in de bloesem van het Al
openbaarde zich mijn goddelijke natuur.
Het was mijn stervensuur
van een nooit meer sterven.

Marcel Messing

 
 11. De ploeger

Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
ik sta in uwen dienst zonder bezit.
Maar ik ben rijk in dit:
dat ik den ploeg van uw woord mag besturen,
en dat gij mij hebt toegewezen
dit afgelegen land en deze
hoge landouwen, waar - als in het uur
der schafte bij de paarden van mijn wil
ik leun vermoeid en stil -
de zee mij zichtbaar is zover ik tuur.

Ik vraag maar een ding, kracht
te dulden dit besef, dat ik geboren ben
in 't najaar van een wereld
en daarin sterven moet.
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
weemoed mij talmen doet
tot ik welhaast voor u verloren ben.

Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst geloven
waarvoor ik dien...

Opdat, nog in de laatste voor,
ik weten mag dat mij uw doel verkoor
te zijn een ernstig ploeger op de landen
van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
der eigen liefde dalend avondrood -
die ziet beneden aan den sprong der wegen
de hoeve van zijn deemoed, en het branden
der zachte lamp van een gelaten dood.


A. Roland Holst
(1888-1976)
Uit: Gedichten 1911-1976
 
 
 
 12. Wat ik je wens

Wat ik je wens
nu alles herbegint van voorafaan:
dat je je weg weer vindt
in ’t labyrint der dagen.
Men zal je weer met aandrang vragen
een luisterend goed mens te zijn,
die waakt en zorgt
en mensen heelt
van buiten en van binnen,
die diep verborgen pijnen deelt
en door belangeloos beminnen
de aarde vriendelijk maakt.
 
Neem de gekwetsten geduldig op je rug,
schenk hen wat proviand aan moed
en vraag hen niets terug,
wat heb je zelf al niet gekregen?
Wie wegschenkt,  wordt onschatbaar rijk,
zijn dagen zijn aaneengeregen
kralen van gedroomd geluk.
Waar jij en ik het meest van leven
is van het brood
dat wij aan anderen geven.

M. Weemaes 
 
 
 
 13. Soms loop ik


Soms loop ik van een vreemde wind bewogen
tussen de lichamen der mensen door
gelijk een kind met ingeslapen ogen:
ik stoot mij niet, val niet, word niet bedrogen
omdat ik U binnen mijzelve hoor.
 
Blijf Gij daar, God, blijf Gij, terwijl mijn voeten
geduldig en gehoorzaam op hun reis
terwijl mijn handen maken wat zij moeten,
terwijl ik lachen zal, lezen en groeten
tot in het paradijs.

Anton Van Wilderode 
 
 
 14. Versjes van Aurelis
 
 Als je vriendelijkheid wil zien
kijk dan naar het gezicht van
Boeddha.
De echte Boeddha
niet een beeldje,
de echte Boeddha
in de spiegel

Aurelis
 
XXX
 
Jij
diep binnen in mij.
Bij elke stap
stap ik in mijzelf.
Als ik eet
eet ik mijzelf.
Elke nacht
slaap ik mijzelf
en droom ik mijzelf.
 
Jij
diep binnen in mij.
In een kerk
bid ik tot mijzelf.
Als ik naar Stilte luister
hoor ik mijzelf.
Als ik iemand in de ogen kijk
zie ik mijzelf.
 
Heel ver van mijzelf
ben ik heel dicht bij mijzelf.
Jij, diep binnen in mij.
Ik, diep binnen in jou.

Aurelis


XXX

Nederigheid

Een blad valt van een boom
vanzelf volmaakt.
Een bloem verwelkt
vanzelf volmaakt.
Alleen het zien van dit alles
is niet vanzelf volmaakt
maar het is zien.
Zien!
 
Streef a.u.b. naar het zo goed
mogelijk zien
ook al ‘weet je dat het hopeloos is’.
Het is niet hopeloos
als het hoop-loos is.
 
Hoop nederig.
Kijk nederig.
Gooi jezelf niet
tussen jezelf en de wereld.
Nederigheid
is openheid.

Aurelis


XXX

Eenvoud

In allereenvoudigste
eenvoudigheid
ligt een blijdschap
die grenzeloos is.
Eenvoudiger dan woorden.
Eenvoudiger dan bezit.
Eenvoudiger dan status.
Een blijdschap
die de bodem raakt
van mijn ziel.
 
Alles wordt ontzettend mooi.
Rijst in een kom.
Water.
Mensen.
Een gevoel.
Een inzicht.
Ah, de schoonheid van een inzicht!
En dan
vanwege al deze schoonheid
tranen met tuiten.

Aurelis

 
 
15. De bladeren vallen

De bladeren vallen
stil, een voor een.
De vogelkens alle
die gaan nu heen.

Leêg liggen de velden,
zoo kaal en bloot;
de stoppelen melden
den zomerdood.

'k Hoor 't roepen van kranen,
die trekken voorbij;
een stil vermanen:
ook gij ... ook gij ...

A. Sauwen
 
 
 
 
 
 16. Waarover zal ik zingen

Waarover zal ik zingen
over regenjassen over het lover van geboomte
of zal ik van de liefde zingen
Waarover zal ik zingen over vliegmachines
blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht
of zal ik zingen over de liefde
Over auto's over steden en historie
of zal ik zingen over de liefde
Over vele vreemde dingen
over de gewone
of zal ik zingen over de liefde
Over bloemen over water
over mooie dingen of wat droevig is
of zal ik zingen over de liefde
Over tabak en vriendschap
over geur en wijn
over schepen zeilen meeuwen over ellende
over de ouderdom over de jeugd
of zal ik over de liefde zingen
 
Jan Hanlo (1912-1969)

 

17. Zo meen ik dat ook jij bent

zoals de koelte 's nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent
als melk
als leem
en 't bleke rood van vaal gesteente
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is
zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent

Jan Hanlo (1912-1969) 
 
 
 
18. En als je mij zou vragen

En als je mij zou vragen Wijs me de Weg
dan zou ik antwoorden:

Volg de stem van je Hart,
wandel over het pad van Liefde,
vol mededogen en zachtmoedigheid.

En wanneer je je Zelf dan vindt,
dan vind je de ander.
En wanneer je je Zelf dan voelt,
dan voel je de ander.

En wanneer je dan je Zelf Volledig ervaart,
dan ervaar je het Hart van God.
En wanneer je het Hart van God gewaar bent,
dan bén je je Goddelijke Vonk.

En wanneer jij jouw Goddelijke Vonk bent,
dan zullen we samen zijn,
dan zullen we één zijn!

****

Voordat je een keuze kunt maken
zul je de ervaring moeten hebben
te weten, dat je een keuze hebt.

Vervolgens komen de lessen
om je duidelijk te maken waaruit je kiezen kunt!

Waar kun je beter leren kiezen dan op Aarde,
waar de dualiteit je telkens weer dwingt
te kiezen

om uiteindelijk de ultieme keuze
tussen Leven en Niet Leven
tussen Zijn en Niet Zijn
te maken
op élk moment in het Nu!

Bron: De Kracht van het Licht – Ellen de Brouwer.
ISBN 90 9013 963 X


 
 
19. Alleen

Sinds de eerste kindsheid was ik niet
Als andren waren - hun verdriet
En hun geluk was niet voor mij:
't Ging alles aan mijn ziel voorbij.

Hoe kon hun dronk mijn smachting koelen?
Hoe kon mijn duistre hartstocht woelen
Om 't heil, dat hun begeerlijk scheen?
Ik minde zeer, doch steeds alleen.

Maar in die kindsheid - morgendauw
Van woest bestaan - ontgloorde flauw
't Mysterie dat mij nooit verlaat,
En houdt vertrouwd met goed en kwaad: -

Aan stortbeek en aan bron verknocht -
Aan grauwe rots en diepe krocht -
Aan het scheemrig dennenwoud -
Aan de zon in 't herfstlijk goud -

Aan de slag van 't bliksemlicht,
Raaklings langs mij heengericht -
Aan de donder, aan de storm,

Aan de grillige wolkenvorm
Temidden van 't peilloos esmerald
Tot een duivelgestalte samengebald.

Edgar Allan Poe

 

20. A en O

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar.
Het Griekse alfabet staat op het bord.
'Kijk, kinderen, ?: dat is een kandelaar.
Maak dat de Omega gaaf getrokken wordt.'

Behoed dit eerst beginnen voor gevaar;
dat niet het werk, nauwelijks ontkiemd, verdort.
-Zie, als het buiten vroege lente wordt,
liggen de kleine Griekse bijbels klaar.

Pasen: een jongen leest met heldere stem
van Jezus, twaalf jaar, in Jeruzalem;
en hoe hij voor de schriftgeleerden las.

En elk kind in de luisterende klas
Begrijpt het vragend: 'Wist gij niet?' van Hem,
die in de dingen van zijn Vader was.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: Verzamelde Gedichten, Amsterdam (1980)


 

21. Een stralend licht!

Iemand zijn waar ’t licht doorheen straalt,
zo wil ik voor and’ren leven,
met mijn handen als een brugdek
een vernieuwde doorgang geven,
kijkend naar de velen naast mij,
zoekend in vermoeide ogen
en met uitgestrekte armen
leed verzachten, tranen drogen.

Iemand zijn waar ’t licht doorheen straalt,
als door vensters, wijd geopend,
met de zwakken en verkilden
op een nieuwe lente hopend.
Ik zie links en rechts de barsten,
scheuren die maar moeizaam helen,
van bedroefden die vereenzaamd
nergens zorgen kunnen delen.

Iemand zijn waar ’t licht doorheen straalt,
daarvoor laat ik mij gebruiken,
zodat door een golf van aandacht
bloemen van de hoop ontluiken.
’t Is míjn licht niet, noch míjn liefde,
maar God wil het met mij delen.
’t Is Zijn kracht die door mij heen straalt
als een warmtebron voor velen!

Frits Deubel

 
 
22. Ineens

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja ja. Ik kroop onder steeds
meer dekens. De kachel
loeide. De warmste van ons
tweeën kon mij niet meer
verhitten. Ik rilde en
huiverde alsof ik oog
in oog stond met de dood.

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.
 
Anna Enquist - Uit: Klaarlichte dag

 
 

23. Hoe meer zielen

Ik heb een ziel
die precies in mij past-

ik doe alles met mijn ziel
klop op mijn ziel en stof hem af
schaaf aan mijn ziel en blaas de krullen weg
boor gaten in mijn ziel en vul ze weer op
met nuchtere gedachten.

Ik wou dat ik meer zielen had
en van een andere soort
oneffen zielen kromme zielen
zielen als spartelende zilvervisjes
als meisjes in een winterjas
zwarte zielen.

Maar mijn ene ziel-
een tamelijk vierkante effen en solide ziel-
vult reeds alle beschikbare ruimte
en krimpt geen millimeter
zolang ik leef.
 
Toon Tellegen - Uit: Wie A zegt
 

 
 
24. Juli
 
Ik ving één glimp van je op.
Je liet me weer feilloos zuchten.
 
Ik zag één van je ogen:
is het andere ook zo vals?
 
Je gaf me weer alles
en niets wat ik nog niet bezat.
 
Je maakte het weer bont
waar effen de toon aangaf.

Ik was even bij je, lieve Juli,
en jij met je dikke rode haren,
jij hebt mij weer opgestookt.
 
Een keizer als een gele kater
spreekt van nu af aan weer recht.

Toon Tellegen


 
 
25. Mijn handen

    Aan de nagedachtenis van Frederik van Eeden

Zij werden stompen, grauw, verbeten,
door 't rustelooze, dat hen joeg,
en in de toppen aangevreten,
toen van uw woord de smaad mij sloeg.
 
Hij, die ik was, die 'k wilde wezen:
mijn handen, gij herkent ze niet?,
de rechter, die naar 't kruishout rees en
de linker, die het van zich stiet.
 
En beiden nu: de uitgewoeden,
waarom de doodsvlieg weldra zoemt,
zal één hun angst en schande hoeden,
hun laatst gebaar, dat niets verbloemt?

Ed. Hoornik


 

26. Te Middelharnis is een kind verdronken

Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad:
't stond bij een hooiberg die had vlam gevat
en bij een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.

-Te Middelharnis, denk ik, 'k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem.

Ed Hoornik (1910-1970)
Uit: Verzamelde Gedichten (1966)
Uitgever: J.M. Meulenhoff


 

27. Men moet ...

Men moet altijd
enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,

maar men moet
wel een beetje verloren zijn -
van het reddeloze soort -
anders zou
men alleen maar gelukkig zijn,

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo
maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,

anders zou
men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig,
altijd.

Toon Tellegen


 
 
28. Streng en aanbiddend

Streng en aanbiddend kijkt zij in mijn ogen
terwijl zij drinkt, of zij iets heiligs doet.
En een godin in mij wordt plots bewogen
en stort in mildheid uit en overvloed.
Ik word een pijn van liefde en erbarmen,
een huif van aandacht en van veiligheid.
O lief, zó dorst ik naar uw armen
in noodzaak en in heiligheid.

M. Vasalis (1909-1998)
Uit: Vergezichten en gezichten, 1954
Uitgever: Van Oorschot


 
 
29. Aan een boom in het Vondelpark

Er is een boom geveld met lange groene lokken.
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
met slepend haar en met de geur van jeugd
stromende uit zijn schone wonden,
het jonge hoofd nog ongeschonden,
De trotse romp nog onverslagen.

M. Vasalis (1909-1998)
Uit: Vergezichten en gezichten, 1954
Uitgever: Van Oorschot


 

30.  kom vanavond

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Leo Vroman (1915-2014) fragment uit Vrede.