Pinksteren, gedichten en teksten

De naam Pinksteren is afgeleid van het Griekse woord 'pentekoste' dat vijftigste (dag) betekent. Het is het feest van de vijftigste dag na Pasen.
In de christelijke kerken wordt herdacht dat de Heilige Geest neerdaalde over de apostelen. Deze geschiedenis wordt beschreven in het Nieuwe Testament, De Handelingen der Apostelen 2:1-6.
Op Pinksteren verspreidden zich tongen als van vuur over de apostelen. Deze begonnen daarop alle volken in hun eigen taal toe te spreken. Het betekende het begin van de verbreiding van het christendom.


 
 
 
 
O, Heil’ge Geest, daal neer…

O Heil’ge Geest, daal neer.
Verbind mij met U, Heer,
Straal door mij heen met Uwe liefdestromen,
O Trooster, kom nabij,
Verschijn nu aan mijn zij,
Ontsteek mijn wezen dat in U wil wonen.

Dat aards verlangen wijk’,
Door Uwen brand bezwijk’,
Heel ‘t oude zelf in Uwe vlam verterend.
Dat nu uw wonder licht
zijn werk verricht,
Mijn ganse zelf in lichtgewaad verkerend.

Laat heil’ge liefdekracht
Mij leiden door de nacht,
Nederigheid mijn diepste wezen omgorden.
Nederigheid van hart,
vragend het kleinste part,
Zich schamend over hoogmoed en tekorten.

En deze hunkering
Naar zieleloutering,
Zal ver uitstijgen boven mens’lijk begrijpen.
Want niemand kent haar kracht
tot men ontvangt de macht
die de geestziel tot volheid zal doen rijpen.

Bron: Tijdschrift De Topsteen, maart 1977
 
 
01. Autobiografisch grafschrift

Tot het ruimteloze verinnigd
tot het tijdloze ingewijd
tot al vervolkomen,
leef ik de vreugde van het nu
in het onvatbaar ogenblik.

Nu niets meer kan veranderen
terwijl de stromen vloeien
kan ik liefdevol sterven:
vonk uit een leven dat nooit vergaat.

Pinksteren 1999 - uit "Zangen van Ongrond"
Erik van Ruysbeek (1915-2004)


 

02. Tussen Pasen en Pinksteren

Joh. 20: 21-23

Hij blies op hen en wekte hen tot leven;
zoals God Adam eens tot leven riep
zo wilde Hij Zijn jong'ren volmacht geven
te heersen over alles wat Hij schiep;
maar deze heerschappij zou dienen worden,
elkaar de voeten wassen, needrig, klein,
zoals de Heer deed, toen Zijn jong'ren morden
omdat niet één de minste wilde zijn.
Toen heeft hij hun de sleutel doorgegeven
waarmee het rijk der heemlen opengaat:
"Wie gij de zonden kwijtscheldt, zijn ze ook vergeven,
en rekent gij ze toe - Ik straf hen voor hun kwaad."
Tot tweemaal toe sprak Hij Zijn woord van vrede
opdat die hen geheel vervullen mocht:
want wie Hij uitzendt, wordt
door Zijn gebeden gedragen tot zijn laatste ademtocht

Nel Benschop – uit: ‘hemel-hoog & aarde-diep’
 

 
03. Laat mij, Heer

Laat mij, Heer, door de kracht van Uw Geest
elke dag een wonder verrichten,
een klein wonder van liefde, dat steeds
een ziel uit het duister zal lichten,
een wonder dat weer hoop schenkt en moed,
dat treurenden vreugd'vol laat loven
en zelfs harten van steen trillen doet.

Heer, schenk mij die geestkracht van boven!

Laat mij, Heer, door uw Geest onbevreesd
met vuur'ge tong de vlam ontsteken
op plaatsen waar Uw liefd' is geweest,
doch voor kou reeds lang is geweken.

Geef mij de kracht die Simson bezat
wereldse tempels te vernielen
en te bouwen de hemelse stad
in verdwaalde, zoekende zielen.

Frits Deubel

 

 
04. De Heilige Geest

Het leren leven uit Zijn kracht,
is wat de Heil'ge Geest mij geeft,
opdat een bronwel, fris en rein,
met levend water mij omgeeft.
Het wekt mij op, bezielt, verkwikt
en laat met vuur'ge tongen zien,
wie ík wil zijn in deze tijd
en welke Geest ík heden dien.

'k Zie voor mijn oog de tempelbeek,
waarin Ezechiël mag gaan.
Ik hoor hoe hem een stem verzoekt
er tot zijn enkels in te staan.
En verder moet hij, tot de beek
weldra tot aan zijn knieën reikt,
daarna zelfs tot zijn heupen gaat
en nog die stem niet van hem wijkt.

Totdat hij merkt, de tempelbeek
uiteind'lijk ondoorwaadbaar blijkt.
Helaas kan hij er niet meer staan,
slechts zwemmen thans het beste lijkt.
Het woord klinkt: "Hebt gij het gezien?
Nu keren wij hier samen om."
Dan zwijgt in mij dit wond're beeld
en ik weer bij mijzelf uitkom.

Ik ben terug op aard en denk:
Als 't vuur des Geestes in mij gloeit,
de goddelijke tempelbeek
als 'n stroom van levend water vloeit,
die troost, bemoedigt en versterkt
en mij vervult geheel en al,
dat ik dan als Ezechiël
mij daarin vrij'lijk werpen zal!

Frits Deubel
31-05-2001


05. Uw kracht

Heer, ik wil U vragen:
als U mij voorbij ziet gaan
deze dag of morgen
raakt U mij dan even aan
U hoeft niets te zeggen
want alleen dat stil gebaar
zal in mij bewerken
dat ik weer Uw kracht ervaar

Frits Deubel
 
 
 

06. Gebed op de pinksterdag

Geest van de Heer, geef ons weer zicht
op 't woord dat Petrus tot ons richt,
opdat we niet in Jezus' naam
de weg der minste weerstand gaan.

Blijf voor Uw kerk realiteit
ook dan, als Gij haar niet bevrijdt
en de omweg van Uw geduld
verleidt tot rebellie en schuld.

Gij kent ons strijdbaar christenhart,
dat levenslang Uw leiding tart.
Heer van de Geest, doe ons voortaan
Uw lange weg met geestdrift gaan
onder de tongen van Uw vuur
getuigend van Uw grote uur.

Frank Daen

 

 
07. Pinksteren

Gesluierd ging ik door het leven
een waas bedekte mijn gezicht
hoe moest ik ware Liefde geven
het duister verjagen voor het Licht?

Waar is Uw Shaloom?
Waar is Uw vrede?
Waar is Uw kracht, o Heer, in mij?

Hoe moet ik overwinnend leven?
Waar is Uw blijdschap?
Wanneer ben ik vrij?

"Ontvang Mijn Geest, kind, Ik wil Hem jou geven
Hij schenkt jou alles wat jij begeert.
Shaloom en vrede, kracht en vreugde
als Mijn Heilige Geest in jouw leven regeert.

Dan is het Pinksteren, ook in jouw leven
als Mijn Geest als een duif op jou nederdaalt.
Dan ben je vrij, kun je werkelijk leven
geen sluier bedekt dan nog jouw gelaat."

Cobi van der Hoeven
 

 
08. Vuur en Vlam

Heer, Uw adem
geeft ons
nieuwe levens
kracht,
door Uw
macht!

Zet ons in
Vuur en Vlam
Heer, door
Uw Heilig
Woord.

Laat ons danken
voor Uw Geest
op dit
Pinksterfeest!

Ina Emmink


 
09. Kom met uw Geest

Waar is de Geest van Pinksteren gebleven,
doorzindert dan die gloed niet meer ons leven.
Waar is de vlam,is hij gans opgebrand,
Houdt ik slechts as,verkoolde resten in mijn hand?

Waar is de wind die waaide door ons leven,
wordt niemand dan meer door Zijn kracht gedreven.
Is het vuur van Pinksteren gedoofd,
wordt in de kracht des Geestes niet geloofd?

Waar is de drang die ons weer noopt tot spreken,
moet dan de Geest de mond niet openbreken.
Moet dan de hele wereld niet verstaan,
de grote werken die de Here heeft gedaan?

Nog klinkt ons toch uw opdracht in de oren,
"Gaat heen,doet alle volken van Mij horen"
"Want Ik heb eeuwige zaligheid beloofd,
aan iedereen die in Mijn woord geloofd".

Doe dan o Heer het Pinkstervuur weer branden,
Gij voert ten hemel op met zegenende handen.
Laat dan die Zegen dalen op ons hoofd,
ontsteek in 't hart de vlam die bijna was gedoofd.

Dan worden wij weer door Uw sterke wind gedreven.
Dan zal het Pinkstervuur weer branden in ons leven.
Dan worden wij opnieuw bezield door Uwe Geest.
Dan viert Uw kerk op aarde weer echt Pinksterfeest!

Gerrit Kloos


10. Pinksteren

De wereld krijgt een andere kleur:
De kleur van zonlicht en van vuur,
God opent wijd de hemeldeur
En laat Zijn duif los in dit uur.

De duif des Geestes vliegt omlaag,
de vrede is ons bereik:
God geeft antwoord op de vraag:
Heer, komt in deze tijd Uw rijk?

Uw vuur zet onze tong in vlam
En iedereen kan ons verstaan.
De Geest die uit de hemel kwam
Is tot ons, mensen, ingegaan.

Nel Benschop


 
11. Pinksteren 2005

Voor velen een vraag :
Wat is pinksteren vandáág ?
is het echt een feest
van Gods Geest?

De Geest, die in ieder zou leven ?
Diens gedachten, woorden en daden wil zeven ?
Die de mens begeleidt,
en heelt op Zìjn tijd ?

Diè Geest wil U leren,
naar het Licht U te keren !
Stel Uw harte slechts open,
dàn pas kunt U echt, geloven en hopen !

Geloven in de toekomst der aarde.
Hopen in dingen van waarde.
Uw leven een eeuwigdurend gebed,
tot de Liefdevolle Schepper, Die redt !

zondag 15 mei 2005. Chris© (+)
 

 
 
 12. Pinksteren

Uit: Nieuw Inzicht omtrent de Bijbel
J.G. Sutherland


Waar twee of drie in Mijn naam tezamen zijn, daar ben Ik in hun midden’, heeft de Christus gezegd. Wanneer voor enig doel de mensen bij elkaar komen, dan kan een samenbundeling van krachten – zielenkrachten – plaats hebben, die hen in staat stelt tot een verhoogde ontvankelijkheid.

Op de dag van Pinksteren, nog kort nadat de apostelen de Heiland voor het laatst aanschouwd hadden, waren zij bijeen gekomen, vervuld van droefheid en ongetwijfeld tot het uiterste gevoelig geworden door de overstelpende gebeurtenissen, die na de gevangenneming van Jezus elkander hadden opgevolgd. Toen zij daar bijeen waren, aangevuld met Matthias, die ter vervanging van Judas was gekozen, geschiedde het dat, als een bruisende windvlaag en als een vuur dat hen in beroering bracht, de Heilige Geest zich over hen uitstortte. Voor de bovenzinnelijke aanschouwing werd de aura rondom hun hoofden ongewoon helder lichtend, zodat het was of er vurige tongen boven hen waren, zoals Lucas beschrijft. De uitstorting van de Geest was bij hen ook zichtbaar geworden.

Voor de anderen die er bij kwamen, was het eveneens een verwonderlijke gebeurtenis, want allen, onder wie ook vreemdelingen uit verschillende landen, konden deze Galileeërs verstaan. Nu is het ‘met tongen spreken’ een bekend feit, dat in die tijd nog veelvuldig voorkwam. Wij mogen er echter ook nog een ander aspect in zien en wel, dat mensen, die waarlijk uit de geest denken en spreken, elkaar verstaan.

Wij zullen de betekenis van de Pinkstergebeurtenis eerst in enkele grote lijnen bezien.

De evolutie van de mensheid valt te onderscheiden in twee delen, de tijd vóór en de tijd sedert de komst van Christus. Voordat deze plaatsvond, werd de mens, die innerlijk nog chaotisch was, geordend, tot op zekere hoogte uiteraard. Wij kunnen dat nog het duidelijkst waarnemen bij Israël, waar aan deze ordening nog een bijzonder doel was verbonden: de voorbereiding van de komst van Christus. Hier was het de Wet van Mozes, die de ordening in het denken bracht, allereerst de tien Geboden uit Exodus 20:3-17 en voorts de talloze minutieuze voorschriften in hetzelfde en in de drie volgende boeken.

Maar ook bij andere volkeren kwamen er wetten die ordening brachten. Deze wetgevingen hadden een zekere functie bij de vorming van het denken, maar bij die van Mozes was dit in een zeer bijzondere mate het geval.

Zoals uit de geschiedenis van Jacob en die van Odysseus zichtbaar wordt, bestond de eerste fase van het denken uit de sluwheid en de listigheid. Tekenend hiervoor is het – overigens onwaarschijnlijke – verhaal van Herodotus, dat farao Ramses II, die geen zoon had om hem op te volgen, de slimste dief van het land uit bewondering voor diens intelligentie met zijn dochter liet huwen. Wij kunnen  er echter uit zien, hoezeer in Egypte de intelligentie in ere was.

Uit die fase der listigheid is tot op heden overgebleven, dat bij veel mensen het denken nog steeds een aangelegenheid is van het berekenend verstand, dat in dienst van het eigenbelang wordt gesteld. Niet echter bij allen is dit het geval; in de loop van het vierde tijdperk reeds begon bij een zeker aantal mensen, allereerst de wijsgeren, het denken zich bezig te houden met morele normen. Dit luidde de overgang in van het denken bij de ‘natuurlijke mens’ tot het geestelijk gerichte denken.

In het ‘midden der tijden’ had de komst van Christus plaats. De mensheid, welker zielenbewustzijn sedert de ‘zondeval’ steeds verder naar de aardewereld toe was gegroeid, moest de impuls ontvangen om de weg terug, d.i. tevens de weg omhoog, te gaan betreden, hetgeen moest geschieden met behoud van de verworven vrijheid en onder het verder ontwikkelen van de individualiteit.

De komst van Christus luidt het hier bedoelde tweede deel van de weg der evolutie in. Drie jaren verblijft de Heiland bij de mensen, hen lerend dat naastenliefde de normale verhouding tussen hen behoort te zijn, en metterdaad laat Hij zien, dat de hoogste liefde gelegen is in het geven van zichzelf.

Na zijn hemelvaart zendt de Verlosser, zoals Hij beloofd heeft, de mensen de heilige Geest toe. Op dat merkwaardige Pinksterfeest geschiedt het voor de eerste keer, maar Hij wil ons deze te allen tijde toezenden, en wel opdat wij op een nieuwe wijze zullen gaan denken, met inschakeling van de naastenliefde en de morele factor.

Degenen die dit niet doen en het denken alleen een berekende en combinerende functie toekennen, worden in de brief aan de gemeente te Sardes toegesproken (Openb. 3:1). ‘Ik weet uw weken, (ik weet) dat gij de naam hebt te leven, maar gij zijt dood’. Hiermede wordt bedoeld, dat hun denken dood is. Het denken uit de geest daarentegen wordt gevoed uit de geestelijke wereld en schenkt ons een levend bewustzijn. Het is de geest, die levend maakt en die alles nieuw maakt.

In de brief aan de Romeinen staan enige woorden, die een licht werpen op de betekenis van de Pinkstergebeurtenis: ‘Hervormt u door de vernieuwing van uw denken’ (12:2). In de oorspronkelijke tekst wordt dit niet in de aoristvorm gezegd, die er een aansporing voor één keer van zou hebben gemaakt; deze woorden gelden dus voor altijd.

De Pinkstergebeurtenis is niet iets voor één keer geweest; zij was een begin. Christus heeft bij de afscheidswoorden kort voor zijn gevangenneming gezegd, dat hij na zijn heengaan de trooster (parakletos) zou zenden, de geest der waarheid. Dit geldt voor alle tijden.

Men heeft aangaande de betekenis van Pinksteren wel eens gemeend, dat de heilige Geest alleen zou werken in en vanuit de gemeente der gelovigen. Dit is echter een te beperkte opvatting.

Weliswaar geeft het samenkomen van een groep mensen een verhoogde ontvankelijkheid, maar de heilige Geest is er ook voor de enkeling.

Dit laatste brengt de vraag met zich mee: hoe kan de individuele mens de geest ontvangen?

Diep in ons hart weten wij het allen: dit kan geschieden door het gebed, en ook door meditatie en concentratie. Bij het bidden komt het vooral aan op de juiste zielenhouding en op het concentreren van de gedachten op Hem, tot wie men zich richt. Men kan zich wenden tot God, maar ook tot de Verlosser;  Hij toch maakt deel uit van Gods wezen en is het tot ons gewende deel daarvan.

Tot God of tot Christus richt men zich met de gehele mens, met het denkend verstand, maar ook met de liefde (met geheel uw hart) en met al zijn kracht. Dat laatste niet in een poging om zijn eigen wil door te zetten; dat zou ook niet baten, maar wel de kracht der liefde.

Het is eveneens mogelijk, woordloos te bidden, want voor de Hemel is niets van ons wezen verborgen, zelfs onze intiemste gedachte niet. Dit wordt voorspelbaar wanneer men denkt aan de woorden, die Paulus aanhaalt bij zijn rede op de Areopagus te Athene over God sprekende zegt de apostel: ‘…hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enigen van uw dichters hebben gezegd’.

Het is aanbevelenswaardig, na het overdenken of uitspreken van wat men zou willen vragen, zwijgzaam te worden en te ‘luisteren’. Men houdt daarbij dus op actief te denken en stelt zich open om te ontvangen. Immers, zolang wij eigen gedachten vormen, kunnen wij daarmee een belemmering opwerpen voor datgene, wat tot ons wil komen. Men zij niet ontmoedigd als het antwoord niet dadelijk komt; de tijd van God is een andere dan die van de mens.

Een goede methode is ook de volgende: ’s avonds voor het slapen gaan stelt men zijn vraag. Het antwoord vinden wij dan vaak bij het ontwaken, want op dat ogenblik zijn wij het meest ontvankelijk voor bovenzinnelijke belevenissen; wij gevoelen het antwoord dan veelal in ons bewustzijn aanwezig.

Tenslotte nog iets dat Steiner hieromtrent heeft gezegd: wanneer wij de vaste overtuiging hebben dat onze bede verhoord zal worden, dan wordt deze verhoord. (Wellicht is het er als volgt mee gesteld: zou dit laatste niet het geval zijn, dan zouden wij ook de overtuiging niet gevoelen.)

Kenmerkend voor het geestelijk bewustzijn is, dat wij dit ook gezamenlijk kunnen hebben. Hoewel volkomen onze eigen individualiteit behoudend, kunnen wij toch elkander verstaan en nader tot elkaar komen, doordat wij in de medemens datgene herkennen, wat wij ook in onszelf dragen.

In het verhaal van de Pinkstergebeurtenis wordt gezegd, dat de aanwezigen elkanders taal begonnen te spreken, toen zij vervuld waren met de heilige Geest. De taal van de geest maakt, dat wij elkander verstaan, boven alle onderscheid van rassen en volkeren.

Het desbetreffende verhaal in Handelingen 2 is de uit geestelijke aanschouwing afkomstige weergave van een gebeurtenis, die heeft plaatsgevonden toen de twaalf ervoeren, dat de Christus hun, gelijk hij beloofd had, de heilige Geest toezond. Zij waren de eersten die deze konden ontvangen. De toestand van verhoogde ontvankelijkheid waarin ze verkeerden stelde hen in staat dit op een zeer bijzondere wijze te beleven.

 
 
 13. Zolang wij ademhalen

Zolang wij ademhalen
schept Gij in ons de kracht
om zingend te vertalen
waartoe wij zijn gedacht:

elkaar zijn wij gegeven
tot kleur en samenklank.
De lofzang om het leven
geeft stem aan onze dank.

Ons lied wordt steeds gedragen
door vleugels van de hoop.
Het stijgt de angst te boven
om leven dat verloopt.

Het zingt van vergezichten,
het ademt van Uw Geest.
In ons gezang mag lichten
het komend bruiloftsfeest.

Sytse de Vries

 

 
14. 'S HEREN HEMELVAART

Maria sprak bedroefd en moe:
'Mijn Zoon, waar moet ik nu naar toe?
Ik treur en klaag de ganse dag
als ik U niet meer volgen mag.'

En Hij: 'Neen, lieve Moeder, neen,
Ik laat u niet bedroefd alleen.
Ik wees u al mijn liefste vrind,
Sint Jan, in wie gij vreugde vindt.
Zijn liefde zal uw aardse pad
verlichten als uw grootste schat.

Hij zal u minnen, eren;
niets hoeft gij nog begeren.
En ook het vrome vrouwental
neemt weg al wat u deren zal.'

Maria sprak: 'Die troost is klein,
moet ik van U gescheiden zijn.
En Hij: 'O Moeder, neen,
Ik laat u niet alleen.

Tot troost u allermeest
zend Ik de Heilige Geest,
die uit Gods wijde hemelzalen
op deze aarde neer zal dalen
om met zijn leer en wijze troost
uw hart te sterken, onverpoosd.'

Duits, dertiende eeuw

 
 
 15. De eerste Pinksterdag.

Als Gods Geest wordt uitgestort
op de eerste Pinksterdag
krijgen de apostelen
vrijmoedigheid; 't evangelie
dat nu door hen gepredikt wordt
geeft vele mensen kracht.
Toch blijven zij nog worstelen
met twijfels, maar dan... zie:

Een heel nieuw tijdperk breekt nu aan.
Gods Woord maakt mensen vrij!
Met geweld breekt het zich baan
in elke maatschappij.

De wereld wordt erdoor geraakt
en kan er niet omheen.
Wetten en regels, die gemaakt
worden, zijn gebouwd op deze Steen.
 
De steen, voor het graf weggerold,
is een prachtig mooi symbool.
Zelfs als mensen zijn weggehold
groeit Gods Koninkrijk als kool.

 


16. PURE VLAM

Pure vlam van de Heilige Geest,
trooster van de Vader allermeest,
levenwekkend wonder, -
oorsprong en heil van al wat leeft,
bron die het enig leven geeft,
geen schepsel kan er zonder.

Heilig zijt Gij, uw balsem spreidt
levenskracht over al wat lijdt,
hoe fel het werd gebroken;
heilig zijt Gij, - Gij wast ons rein,
al onze zonden, al onze pijn,
alles wat is ontstoken.

Krater van heiligheid, liefdevuur,
ons hart kent nimmer smaak zo puur
als Gij het mild laat proeven:
het is de smaak der zoetste deugd, -
o schenk ons haar tot eeuwige vreugd,
laat ons niets méér behoeven.

Reinste der bronnen, spiegelvlak,
waarin wij zien dat al wie zwak
en blind verloren,
vervreemd van God, hier ommegaan,
eens in zijn heil weer samen staan
zijn stem te horen.

Schild van ons leven, merg en kracht
van ons gebeente, wie U verwacht
kan gelukkig sterven.
Sla ons allen de gordel om
van uw verheven adeldom,
laat ons U beërven.

Waak over hen, die in kerkernood
boeten wat hun de vijand gebood,
ontsla hen van hun lijden;
Gij, die zelfs de scherpste pijnen stilt,
Gij redt allen, allen die Gij wilt,
allen kunt Gij bevrijden.

Machtigste der wegen, die geleidt
tot de hoogste toppen van de tijd,
tot de diepste gronden, -
alles voegt Gij tezamen, alle ding
staat vast geklonken in uw flonkering,
alles houdt Gij verbonden

Gij drijft de wolken, beweegt de lucht,
gans de aarde hebt Gij bevrucht,
Gij stuwt de stromen;
U is de nevel, de morgendauw,
Gij kleurt de sterren, het hemelblauw
en het groen der bomen.

En ook de wijzen schenkt Gij uw raad:
geen kennis die zonder U ontstaat.
Al wie U horen,
luisterend naar uw innige stem,
zoeken naar God en zij vinden Hem, -
geen gaat verloren.

Dus zij U lof, Gij, die zelve zijt
goddelijk loflied in eeuwigheid,
eindeloos verlangen;
vreugde van ons leven, hoop en eer,
sterk vertrouwen, nu en immermeer,
Gij zult ons tot loon bij de wederkeer
in uw licht ontvangen.

toegeschreven aan Hildegard van Bingen (1098-1179)

 

 
17. PINKSTERHYMNE

Gij, die eeuwig met de Vader
en de Zoon in licht tegader
ongedeeld verbonden zijt,
laat ons, na uw vurige tongen
gans en al van U doordrongen,
kondigen uw heerlijkheid.

Liefde, immermeer begerig,
Zoon en Vader wederkerig
bindend en aan Hen gelijk, -
alles werkt Gij alles leidt Gij,
sterren stelt Gij, hemelen breidt Gij:
tekens van uw vuren rijk.

Gouden vlam, uw blinkend schijnen
doet de droeve nacht verdwijnen
onzer onmacht, blind en laf;
Gij, die 't al blijft overstralen,
redt de zielen die verdwalen,
wast hen rein van zonde 's draf.

Waarheid zendt Gij hier beneden,
die de rechte weg betreden,
't voetspoor der gerechtigheid;
blinde harten tot ontferming,
lichte harten tot bescherming
zijt Gij, troost en kracht altijd.

Spreekt Gij, dan wijkt alle duister,
komt Gij, dan verspreidt uw luister
reinheid, wijsheid en geluk.
Gij zult alle geest bevrijden,
allen kunnen zich verblijden,
want Gij redt van leed en druk.

Gij bezielt de elementen,
en de Heilige Sacramenten
lenen U hun werkzaamheid;
Gij geneest der zinnen schade,
licht ons bij waar sluw de kwade
nacht der zonden is gespreid.

Zie, uw komst verblijdt ons allen;
klaar van 's hemels hoge wallen
klinkt uw stem, - de vijand vlucht.
Heilig vuur, dat ons doet strijden,
Gij zult juichend ons bevrijden;
niemand, die uw kracht niet ducht.

Zieken, die verlamd, verlangen,
dood in duister nederlagen,
geeft Gij jeugd en nieuwe moed;
dichters doet Gij stralend zingen;
alle harten blijft Gij dwingen
tot het onvergankelijk goed.

Redder der verongelukten,
milde trooster der bedrukten,
aller armen onderstand, -
leer ons aards genot verzaken
en alleen naar 't hemels haken;
wees ons machtig onderpand.

Hij, die 't al bezielt en heiligt,
opwekt, aandrijft en beveiligt,
woont in het deemoedig hart,-
wéér het kwaad, verdrijf het lijden,
bind tezaam wat was gescheiden,
duid ons wat ons nu verwart.

Gij, die eens zijt neergekomen
tot de jongeren, wier schromen
uw geduchte kracht verwon, -
wil nu ons gebed verhoren,
zonder U zijn wij verloren;
laat niet los wat toen begon.

Onveranderd is uw wezen
bron van krachten uitgelezen,
één met God in goddelijkheid;
Gij, van alle eeuwigheden
met de Zoon en Vader mede
heerser over ruimte en tijd,

weidser dan wij ooit bezinnen,
grootser dan wij ooit beminnen,-
hoor dit pover zingen aan,
tot wij, in uw licht tegader
met de Zoon en met de Vader,
eeuwig uw geheim verstaan.

 
Vrij naar Adam van St. Victor,
einde twaalfde eeuw
 
 
 
 
 18. Pinkstergebed

Kom mei jo Geast dochs yn ús herte
en iepenje ús eagen, Hear
dat w'oan jo leafde net foarby gean
opmerksum binne hieltyd mear.

Kom mei jo Geast dochs yn ús herte
dat wy Hear jo taal ferstean
dat wy tsûgje fan jo leafde
dat wy yn jo fuotprint gean

Kom mei jo Geast dochs yn ús herte
fernij ús inerlik bestean
help ús te wurkjen oan 'e frede
yn 'e mienskip dêr 't wy stean

Kom mei jo Geast dochs yn ús herte
Jo segeb freegje wy o Hear
dat ús dwaan en litten alle dagen
wêze mei ta jo lof en ta jo ear

Kom mei jo Geast dochs yn ús herte
jou ús dy wiere Pinkstergeast
hope en leauwen sil der wêze
mar de leafde 't aldermeast.

Wieke de Boer-Hiemstra.
 
 
 
 
 19. Pinksteren

O Geest, toen Gij ternederkwaamt
En voor hun oog gestalte naamt,
Doorzonk de hemel ademloos
Een stille witte vlammenhoos.

Boven hun lichaams donkre zuil
Verscheen een zacht bewogen tuil
Van licht, en glinsterende gleed
Het neder langs hun schamel kleed.

Hun mengelmoes van woorden vaal
Klonk ieder als zijn moedertaal.
In mensenwoord, op mensenwijs
Geeft God zijn heilgeheimen prijs.

Geen is zo druk, geen leeft zo snel,
Of hij hoort Uw vermaning wel:
De storm steekt op, de noodklok luidt,
De wereld wijkt, o mens, trek uit!

Die U in vlammen openbaart,
Wiens adem door de wereld vaart,
Die 't al bezielt, doordringt ons 't meest,
Ken ons, dat wij U kennen, Geest!

Willem de Merode
De steile tocht (1924-1928)