Kahlil Gibran, dichter, denker en schilder


zelfportret.
 
 
Kahlil Gibran, dichter, denker en schilder. Hij werd geboren in Bisharri in Libanon in 1883 en stierf in 1931 op 48-jarige leeftijd in New York.
Miljoenen over de hele wereld, die met zijn geschriften vertrouwd zijn, beschouwen Gibran als een van de grootste geesten van onze tijd.
Zijn werk werd in meer dan 25 talen vertaald. Zijn schilderijen en tekeningen zijn over de hele wereld verspreid.

Enkele poŽtische werken van hem waren De Profeet (1923) en Jesus, de Zoon van de Mens (1928). Hier combineerde hij delen van Westerse en Oosterse mystieken.

Khalil Gibran heeft met zijn poŽtische werken geschiedenis geschreven: met name zijn boek De Profeet is zeer geliefd geworden bij het publiek en is tot op de dag van vandaag door velen gebruikt als persoonlijke bijbel. Tevens is hij in de Arabische wereld bekend als een vrije denker en schrijver, een van de weinige mannen van zijn tijd die schreef met een liefde voor het kijken over grenzen en verschillen heen. Zijn werk is erg toegankelijk voor zowel religieuzen als hen die zich thuis voelen in het atheÔsme. Naast het schrijven schilderde hij ook veelvuldig, in zijn boeken staan veel van zijn werken. Zijn werken zijn vertaald in meer dan 25 talen. Zijn schilderijen en tekeningen zijn verspreid over de hele wereld.
 
Er zijn zoveel prachtige teksten van deze bijzondere man te vinden. Daarom besloot ik een pagina van deze pagina aan hem te wijden. Ik hoop dat jullie ervan genieten.
 
 
 
 
Boeken van Kahlil Gibran op mijn boekenplanken.
 
 

       
         
       
 
         
       
 
 
Citaten, gedachten en gedichten.


ZELFKENNIS.....

Je hart kent in stilte de geheimen van de dagen en de nachten.
Maar je oren dorsten naar de klank van de kennis van je hart.
Je zou in woorden willen kennen wat je altijd in je gedachten hebt gekend.
Je zou met je vingers het naakte lichaam van je dromen willen betasten.

En zo is het goed.
De verborgen bron van je ziel moet opzwellen en murmelend naar de zee stromen;
en de schat uit je oneindige diepten zal aan je ogen geopenbaard worden.
Maar laat er geen weegschaal zijn om je onberekenbare schat te wegen;
en peil niet de diepten van je kennis met staf of dieplood.
Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee.

Uit: De profeet

 

ALS ZE WAKKER ZIJN...
zeggen ze tegen me:
'Jij en de wereld waarin je leeft,
zijn maar een korrel zand
op de oneindige kust van een oneindige zee.'
En in mijn droom antwoord ik hen:
'Ik ben de oneindige zee,
en alle werelden zijn maar korrels zand op mijn kust.'

 
Uit: dagboeken

 
Liefde
 
Liefde die vrij is van jaloezie...
is een hemelse liefde, rijk
en nooit schadelijk voor de geest.
Het is een diepe verwantschap
die de ziel baadt in tevredenheid,
een diepe honger naar genegenheid die,
wanneer zij wordt voldaan,
de ziel vult met overvloed,
een tederheid, die hoop schept
zonder dat zij de ziel in opschudding brengt,
die de aarde verandert in een paradijs
en het leven in een lieflijke, mooie droom.

xxxxx

Het is verkeerd te denken.....
dat liefde ontstaat uit lang met elkaar omgaan
en volhardende hofmakerij.
Liefde is de vrucht van geestverwantschap
en als deze niet in een oogwenk wordt gewekt,
zal zij in geen jaren of zelfs generaties ontstaan.
Zo verandert de uiterlijke verschijningsvorm
van de dingen
in overeenstemming met onze gevoelens
en zo zien we daarin toverkracht en schoonheid,
terwijl deze zich in werkelijkheid
in onszelf bevinden.

Uit: Gebroken Vleugels


Je hart kent in stilte de geheimen van de dagen
en de nachten.
Maar je oren dorsten naar de klank
van de kennis van je hart.
Je zou in woorden willen kennen
wat je altijd in je gedachten hebt gekend.
Je zou met je vingers het naakte lichaam
van je dromen willen betasten.
En zo is het goed.

De verborgen bron van je ziel moet opzwellen
en murmelend naar de zee stromen;
en de schat uit je oneindige diepten
zal aan je ogen geopenbaard worden.
Maar laat er geen weegschaal zijn om je
onberekenbare schat te wegen;
en peil niet de diepten van je kennis met staf
of dieplood.
Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee.

ZO WERD IK EEN DWAAS............
En ik heb in mijn dwaasheid
zowel vrijheid als veiligheid gevonden;
de vrijheid der eenzaamheid,
en de veiligheid van niet-begrepen-worden,
want wie ons begrijpen, maken iets in ons tot slaaf.

Uit: De Dwaas


Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.


Een scheikundige die uit zijn hart
de compassie, het respect, het verlangen,
het geduld, de spijt, de verrassing
en de vergeving
weet de extraheren
en ze samenvoegt tot een eenheid,
schept het atoom
dat LIEFDE genoemd wordt.

 
Geen mens kan je openbaren dan wat reeds
half slapend in de dageraad van je kennis ligt.
De leraar die in de schaduw van de tempel wandelt,
te midden zijner leerlingen,
geeft niet van zijn wijsheid,
maar veeleer van zijn geloof en zijn liefde.
Zo hij inderdaad wijs is,
nodigt hij je niet uit het huis
van zijn wijsheid binnen te treden,
maar leidt je naar de drempel van je eigen geest.

 
Omdat de stem de tong en de lippen niet hoeft
te dragen op zijn vleugels,
kan hij de hemel doorkruisen.
Zo vliegt ook de adelaar door
het uitgestrekt firmament
zonder zijn nest
op de rug mee te dragen


Ze zeggen: 'Als een slaaf in slaap gevallen is,
moet je hem niet wakker maken.'
Ik zeg: 'Als een slaaf in slaap gevallen is,
moet je hem wakker schudden en over de vrijheid vertellen.'



LIED VAN DE ZIEL

In de diepte van mijn ziel is
Een woordeloos lied - een lied dat woont
In het zaad van mijn hart.
Het weigert om samen te smelten met inkt
Op papier. Het overspoelt mijn gevoelens
In een transparante mantel en vloeit,
Maar niet over mijn lippen.

Hoe kan ik het verlangen? Ik ben bang dat
Het zich vermengt met aardse ether.
Voor wie zal ik het zingen? Het woont
In het huis van mijn ziel, in vrees voor
Verharde oren.

Toen ik in mijn innerlijk zocht,
Zag ik de schaduw van haar schaduw.
Als ik mijn vingertoppen aanraak,
Voel ik haar trillingen.
De daden van mijn handen zien haar
Aanwezigheid zoals een meer de schittering
Van de sterren weerspiegelt. Mijn tranen
Onthullen haar, zoals heldere dauwdruppels
Het geheim van een verwelkte roos onthullen.

Het is een lied ontstaan in gedachten
En uitgevoerd in stilte,
Gemeden door schreeuwers,
En omhelsd door waarheid,
Herhaald door dromen,
En begrepen door liefde,
Verborgen bij het ontwaken
En gezongen door de ziel.

Het is het lied van de liefde.
Welke KaÔn of Ezau kan het zingen?
Het is geuriger dan jasmijn.
Welke stem kan het tot slaaf maken?

Het is een hartsgeheim zoals dat van een maagd.
Welke snaar kan het doen trillen?
Wie durft het gebulder van de zee te verenigen
Met het zingen van de nachtegaal?
Wie durft het geloei van de storm te vergelijken
Met de zucht van een kind?
Wie durft de woorden hardop uit te spreken
Die bedoeld zijn voor het menselijk hart?
Welke mens durft het
Lied van God te zingen?

Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

Onze God, die ons gevleugeld zelf bent,
het is jouw wil die in ons het willen werkt.
Het is jouw verlangen in ons dat hunkert.
Het is jouw drang in ons die onze nachten, die de jouwe zijn,
wilt doen verkeren in dagen, die ook de jouwe zijn.
Wij kunnen je niets vragen,
want je kent onze noden,
voor zij in ons geboren worden.
Je bent wat wij nodig hebben;
en ons meer gevend van jezelf, geef je ons alles.

Uit "Spiegels van de ziel"

 
 
Citaten

Ofschoon we voortdurend worden overspoeld door een golf van woorden, is onze diepte voor immer stil.

Als je je geheimen aan de wind onthult, verwijt hem dan niet dat hij ze doorvertelt aan de bomen.

Vergeetachtigheid is een vorm van vrijheid.

Een groot mens heeft twee harten: het ene bloedt en het andere verdraagt.

Wie van zijn bezit iets weggeeft, geeft slechts weinig; echt geven is: zichzelf geven.

Geliefden omhelzen meer wat tussen hen is dan elkander.

Een overdrijving is een nijdig geworden waarheid.

Als twee vrouwen spreken zeggen zij niets, als één vrouw spreekt openbaart zij het leven.

Laat openingen in uw samenzijn zodat de hemelwind tussen u danst.

Hoe dieper verdriet in uw wezen kerft, hoe meer vreugde u kunt bevatten.

Wanneer of je vreugde of je smart groot wordt, wordt de wereld klein.

Gij zijt de boog waarmee uw kinderen als pijlen het leven in worden geschoten.
De boogschutter ziet het doel op het pad van de oneindigheid
en spant u met al zijn kracht opdat zijn pijlen gezwind en ver vliegen.
Laat het spannen door de boogschutter u tot vreugde zijn.

Wanneer je het prettig vindt je buurman lief te hebben, houdt het op een deugd te zijn.

Vreemd is het dat schepselen zonder ruggengraat de hardste huid bezitten.

Wij lenen vaak van de toekomst om de schulden van het verleden te betalen.

Iedere man heeft twee vrouwen lief:
de ene is de schepping van zijn verbeelding,
de andere is nog niet geboren.

Wie zijn deugdzaamheid enkel draagt als zijn zondagse kleren kan beter naakt gaan.

Als we elkaar allemaal onze zonden zouden opbiechten dan zouden we elkaar allemaal uitlachen om ons gebrek aan originaliteit.

Eigenlijk praten we alleen tegen onszelf, maar soms praten wij luid genoeg zodat anderen ons kunnen horen.

We leven slechts om schoonheid te ontdekken. Al het andere is een vorm van afwachten.

Een overdrijving is een waarheid die haar geduld heeft verloren.

Misdaad is een andere naam voor nood of een aspect van een kwaal.

Je vreugde is je verdriet ontmaskerd.
En de zelfde bron waar je vrolijkheid uit opstijgt, was vaak gevuld met je tranen.
Hoe kan het anders zijn?

Ik werd opnieuw geboren toen mijn ziel en mijn lichaam elkaar lief kregen en een huwelijk aangingen

Wanneer je het eindpunt bereikt van je kennis sta je aan het beginpunt van je voelen.

De eerste gedachte van God was een engel. Het eerste woord van God was een mens.

Liefde is een woord van licht, geschreven door een hand van licht, op een blad van licht.
De liefde geeft alleen zichzelf en put ook uit zichzelf alleen.
De liefde neemt niet in bezit, en wil ook niet in bezit genomen worden;
want de liefde is zichzelf genoeg.
En als je liefhebt zeg dan niet: 'God woont in mijn hart',
maar veeleer: 'Ik ben in het hart van God'.
En meen niet dat je richting geven kunt aan liefde's loop,
want de liefde richt, zo zij je waardig acht, je loop.
De liefde zoekt alleen zichzelf te vervullen.

Haat is een dood iets. Wie van jullie wil een graf zijn.
De strijd in de natuur is enkel de wanorde die naar orde verlangt.
Elke gedachte die ik in een vorm gevangen heb, moet ik bevrijden door mijn daden.
Geen mens kan je openbaren dan wat al slapend in de dageraad van je kennis ligt.



Want wat is sterven anders

Want wat is sterven anders dan naakt staan in de wind
en samensmelten met de zon?
En wat is ophouden met ademen anders
dan de adem bevrijden van zijn rusteloze eb en vloed,
opdat hij onbelemmerd oprijst en zich ontvouwt en op zoek gaat naar God?
Alleen wanneer je uit de rivier van stilte gedronken hebt, zul je waarlijk zingen.
En wanneer je de top van de berg bereikt hebt,
pas dan zul je beginnen met klimmen.
En wanneer de aarde je ledematen zal opeisen,
pas dan zul je werkelijk dansen.

 

AARDE

HOE PRACHTIG BEN JE, aarde, en hoe verheven!
Hoe volmaakt is je gehoorzaamheid aan het licht en
Hoe nobel is je overgave aan de zon!

Hoe liefelijk ben je, gehuld in schaduw, en hoe
Charmant is je gelaat, gemaskerd met duisternis!

Hoe rustgevend is het lied van de
Morgen en hoe
Wrang zijn de lofzangen van het avondrood!
Hoe volmaakt ben je, aarde, en hoe machtig!

Ik heb gewandeld over je vlakten en
Je stenen bergen
Beklommen; ik ben afgedaald in je valleien;
Ik ben je grotten binnengegaan.
In de vlakten vond ik je droom. Op de berg
Vond ik je trots. In de vallei was ik getuige van je
Rust. In de rotsen zag ik je vastberadenheid, in de
Grotten je geheimzinnigheid.

Je bent zwak en machtig en nederig en hooghartig.
Je bent volgzaam en onbuigzaam,
Helder en mysterieus.
Ik heb over je zeeŽn gevaren en je rivieren verkend en
Je beekjes gevolgd.
Ik hoorde eeuwigheid spreken in eb en vloed,
En de eeuwen weerkaatsten je liederen tussen de heuvels.
Ik luisterde naar leven dat naar leven riep in jouw valleien en langs je hellingen.

Je bent de mond en de lippen van de eeuwigheid,
De snaren en de vingers
Van de tijd,
Het mysterie en de oplossing
Van het leven.
Je lente heeft me gewekt en me naar je velden geleid
Waar je geurende adem opstijgt
Als wierook.

Ik heb de vruchten gezien van je zomerarbeid.
In de herfst, in je wijngaarden, zag ik je
Bloed vloeien als wijn.
Je winter droeg me in je bed, waar de sneeuw getuig≠de van je zuiverheid.
In je lente ben je een geurende olie; in je zomer ben je vrijgevig;
In je herfst ben je een bron van overvloed.

Op een kalme en heldere nacht
Opende ik de ramen en deuren
Van mijn ziel en ging
Naar buiten om je te ontmoeten,
Mijn hart gespannen met lust.

Ik zag je staren naar de sterren die naar jou lachen.
Zo wierp ik mijn boeien weg, want ik
Ontdekte dat de woonplaats van de ziel in jou is.
Haar verlangen groeit in jouw verlangen; haar
Vrede rust in jouw vrede; en haar geluk is in het
Goudstof dat de sterren uitstrooien boven jouw Lichaam.

Op een nacht, toen de lucht grijs werd, en mijn ziel
Vol verdriet was, ging ik naar je toe.
En je verscheen voor me als een reus, gewapend met
Woedende stormen, het verleden bevechtend
Met het heden,
Het oude vervangend door het nieuwe, terwijl je
het sterke het zwakke liet verstrooien.

Zo leerde ik dat de wet van de mensen
Jouw wet is.
Ik leerde dat wie droge takken niet laat breken
In de storm, vermoeid zal sterven.
En wie de revolutie niet gebruikt om de
Droge bladeren te verwijderen, langzaam zal vergaan.
Hoe vrijgevig ben je, aarde, en hoe sterk is jouw
Verlangen naar je kinderen, die verdwaald zijn tussen
Wat ze hebben verworven en dat wat ze niet konden verwerven.
Wij klagen en jij lacht; wij fladderen weg
Maar jij blijft!

Wij lasteren de naam van God en jij zegent.
Wij ontheiligen en jij heiligt.
Wij slapen zonder dromen, maar jij
Droomt in je eeuwige waaktoestand.

Wij doorboren je boezem met zwaarden en speren,
En jij kleedt onze wonden met olie en balsem.
Wij beplanten je velden met schedels en beenderen,
En jij verbouwt cipressen
En wilgen.

Wij legen ons afval in je schoot, en jij vult
Onze voorraadschuren met tarweschoven
En onze wijnpers met druiven.

Wij maken van je grondstoffen bommen
En kanonnen, maar jij schept uit dezelfde stoffen
Lelies en rozen.

Hoe geduldig ben je, aarde, en hoe barmhartig!
Ben je een atoom van stof, dat opwaait
Door de voeten van God toen Hij reisde van het oosten
Naar het westen van het universum?
Of een vuurvonk uit de oven
Van de eeuwigheid?
Ben je een zaad dat in de velden is geworpen
Van het firmament om Gods boom te worden
Die uitreikt boven de hemelen met zijn hemelse tak≠ken?
Of ben je een druppel bloed in de aderen van de
Reus der reuzen, of een druppel zweet op zijn
Voorhoofd?

Ben je een vrucht die gerijpt is in de zon?
Groei je aan de boom van absolute
Kennis, waarvan de wortels zich uitstrekken door de
Eeuwigheid en waarvan de takken door het
Oneindige zweven?

Ben je een juweel geplaatst door de God van de tijd in de
Palm van de God van de ruimte?

Wie ben je, aarde, en wat ben je?
Jij bent mij, aarde!

Jij bent mijn blik en mijn onderscheidingsvermogen.
Jij bent mijn kennis en mijn droom.
Jij bent mijn honger en dorst.
Jij bent mijn vreugde en verdriet.
Jij bent mijn onachtzaamheid en mijn waakzaamheid.
Jij bent de schoonheid die in mijn ogen leeft,
Het verlangen in mijn hart,
Het eeuwige leven in mijn ziel.

Jij bent mij, aarde.
Als het niet voor mijn wezen was geweest,
Dan zou jij niet hebben bestaan.

Uit: Kahlil Gibran Ė De Dromer
 
 
 
 
KENNIS EN SEMI- KENNIS

Vier kikkers zaten op een houtblok dat vlak langs de oever in een rivier dreef.
Plotseling werd het blok door de stroom gegrepen en langzaam meegesleurd.
De kikkers waren verrukt en volkomen geabsorbeerd, want zij hadden nog nooit gevaren.

Tenslotte sprak de eerste kikker, en zei: 'Dit is werkelijk een zeer wonderlijk blok.
Het beweegt alsof het leeft. Nooit hebben wij eerder van een dergelijk blok gehoord'.

Toen sprak de tweede kikker, en zei: 'Nee, mijn vriend, het blok is net als andere blokken, het beweegt niet. Het is de rivier die naar de zee wandelt, en ons en het blok met zich mee draagt'.

En de derde kikker sprak, en zei: 'Het is noch het blok noch het water dat beweegt.
De beweging is in ons denken. Want zonder het denken beweegt er niets'.

En de drie kikkers begonnen te kijven over wat er nu werkelijk bewoog.
De ruzie werd al heviger en luidruchtiger, maar zij konden het niet eens worden.
Toen wendden zij zich tot de vierde kikker, die tot op dat moment aandachtig had geluisterd, maar stil had gezwegen, en ze vroegen zijn mening.

En de vierde kikker zei, 'Ieder van jullie heeft het bij het rechte eind, en geen heeft ongelijk.
De beweging is in het blok én in het water en ůůk in ons denken'.
En de drie kikkers werden zeer boos, want geen van hen was bereid toe te geven dat zijn waarheid niet de hele waarheid was, en dat de beide anderen niet geheel ongelijk hadden.

Toen gebeurde er iets vreemds.
De drie kikkers verenigden zich
en duwden de vierde van het blok af de rivier in.

uit: De Voorloper


LIEFDE
 
MEN ZEGT DAT de jakhals en de mol
Drinken uit dezelfde stroom
Als waar de leeuw van drinkt.
 
En men zegt dat de adelaar en de gier
Hun snavels steken in hetzelfde karkas,
En vrede hebben met elkaar
In tegenwoordigheid van het dode ding.

O liefde, wier vorstelijke hand
Mijn verlangens heeft beteugeld,
En mijn honger en mijn dorst verhief
Tot waardigheid en trots,
Laat niet de sterke en standvastige in mij
Het brood eten of de wijn drinken
Die mijn zwakkere zelf verleiden.

Laat mij liever hongeren,
En laat mijn hart versmachten van dorst,
En laat mij sterven en te gronde gaan,
Aleer ik mijn hand uitstrek
Naar een kom die gij niet vulde,
Of naar een beker die gij niet hebt gezegend.

uit: De Voorloper


WAARDEN

EENS ONTDEKTE EEN man een heel mooi marmeren beeld in zijn tuin. En hij bracht het naar een verzamelaar die hield van alles wat mooi was en bood het hem te koop aan, en de verzamelaar kocht het tegen een hoge prijs. En zij scheidden.

En terwijl de man met zijn geld huiswaarts liep dacht hij na, en hij zei bij zichzelf, 'Wat een leven betekent dit geld! Hoe kan iemand zoveel geven voor een dode gebeeldhouwde steen die duizend jaar onder de grond heeft gelegen zonder dat iemand ervan droomde'?

En nu keek de verzamelaar naar zijn beeld, en hij dacht na en zei bij zichzelf, 'Wat een schoonheid! Wat een leven!
De droom van welk een ziel - en fris door de zoete slaap van duizend jaren.
Hoe kan iemand dit alles weggeven voor dood en dromen-loos geld'?

uit: De Voorloper

ANDERE ZEEňN

EEN VIS ZEI tegen een andere vis, 'Boven deze zee is een andere zee, en er zwemmen wezens in - en die leven daar op dezelfde manier als wij hier'.
De andere vis antwoordde, 'Louter verbeelding! Louter verbeelding!
Als je weet dat alles wat onze zee ook maar een centimeter verlaat, en niet terugkeert, sterft.
Wat voor bewijs heb jij voor andere levens in andere zeeŽn'?


EEN VELLETJE SNEEUWWIT PAPIER

ZEI EEN VELLETJE sneeuwwit papier: 'Zuiver werd ik geschapen, en zuiver zal ik altijd blijven.
Liever verbrand ik en verga ik tot witte as dan dat ik mij door de duisternis laat aantasten of door het onreine laat benaderen'.
De inktpot hoorde wat het papier zei en lachte in zijn donkere hart; maar hij durfde nooit in haar buurt te komen.
En de veelkleurige potloden hoorden haar ook, en ook zij bleven altijd op een afstand.
En het sneeuwwitte velletje papier bleef altijd zuiver en rein - zuiver en rein
... en leeg.

uit: De Voorloper
 
 
 
UIT MIJN DIEPERE hart steeg een vogel op die hemelwaarts vloog.
Hoger en hoger rees hij, en toch werd hij groter en groter.
In het begin leek hij slechts een zwaluw, toen een leeuwerik, een adelaar, toen leek hij zo groot als een lentewolk, en tenslotte vulde hij de besterde hemelen.
Uit mijn diepere hart vloog een vogel hemelwaarts.
En terwijl hij vloog nam hij steeds in omvang toe.
Toch verliet hij mijn hart niet.

O mijn geloof, mijn ongetemde kennis, hoe zal ik vliegen tot jouw hoogte en samen met jou 's mensen grotere zelf zien, afgetekend tegen de hemel?
Hoe zal ik deze zee binnen in mij doen verkeren in een nevel, en mij samen met jou bewegen door de onmetelijke ruimte?
Hoe kan een gevangene binnen in de tempel haar gouden koepels zien?
Hoe zal het hart van een vrucht zich uitrekken en eveneens de vrucht omvamen?

O mijn geloof, geketend lig ik achter deze zilveren en ebbenhouten barriŤres, en ik kan niet met je vliegen.
Toch stijg je hemelwaarts vanuit mijn hart, en het is mijn hart dat je bevat, en ik zal tevreden zijn.

uit: De Voorloper

 
HET OOG

Op een keer zei het oog: 'over deze valleien heen zie ik een berg gehuld in blauwe nevel. Is hij niet prachtig?
Het oor luisterde; en na enige tijd aandachtig geluisterd te hebben, zei het: 'Maar waar is die berg dan toch? Ik hoor hem niet.'
Daarop sprak de hand en zei: 'Vergeefs poog ik hem te voelen of te tasten, ik kan geen berg vinden.'
En de neus zei: 'Er is geen berg, want ik kan hem niet ruiken.'
Daarop keek het oog een andere kant op, en zij - oor en hand en neus - begonnen samen te praten over de vreemde waan van het oog.
En zij zeiden: 'Er moet iets niet in orde zijn met het oog.'

Uit: De dwaas 
 
 
 
 
 

OVER ARMOEDE

 
MIJN VRIEND
Als je eens wist, mijn noodlijdende vriend, dat de armoede die je tot diepe ellende veroordeelt je tegelijkertijd bezielt met kennis van rechtvaardigheid en het vermogen om de essentie van het leven te leren kennen, dan zou je tevreden zijn met het je door God gegeven

Ik zei 'kennis van rechtvaardigheid', want de aandacht van de welgestelden wordt van deze kennis afgeleid door hun rijkdom. En ik zei 'de essentie van het leven', omdat de machtigen daarvan afgeleid worden door hun jacht naar roem. Verheug je dan in rechtvaardigheid, want jij bent haar boek. Wees blij, want jij bent een bron van deugd voor je weldoeners en een gever van deugd voor wie je bij de hand neemt.

Als je toch begreep, mijn eenzame kameraad, dat de lasten waaronder je bezwijkt de krachten zijn die je hart verlichten en je ziel verheffen van het niveau van spot naar het rijk van respect, dan zou je tevreden zijn met deze erfenis en wat zij je brengt aanvaarden als wijze raad. Je zou weten dat het leven een keten is, die soms verbonden is met die van anderen, en dat verdriet een gouden schakel is, die vertrouwen in het heden scheidt van vreugde in de toekomst, zoals de morgenstond de slaap scheidt van ontwaken.

Mijn vriend, armoede legt de verhevenheid van de ziel bloot, terwijl rijkdom afkeurenswaardige neigingen oproept. Droefheid verleent aan emoties tederheid, terwijl vreugde ze bezoedelt. Want mensen gebruiken rijkdom nog steeds als een middel tot onmatigheid, zoals zij misdaden begaan in naam van het Boek dat het kwade verbiedt en in naam van de mensheid doen wat menselijkheid loochent.

Als alle armoede was uitgebannen en alle verdriet overwonnen, dan zou de ziel een onbeschreven blad zijn, behalve voor letters die egoÔsme en een neiging tot zelfverheerlijking uitdrukken en woorden die aardse genoegens betekenen. Ik heb gezocht en heb goddelijkheid gevonden, het spirituele wezen van de mens dat niet gekocht kan worden met geld of vermeerderd kan worden door overgave aan mateloosheid. Ik heb gezien hoe de rijken hun goddelijkheid prijsgeven om hun welstand te beschermen en hoe de slaven van deze tijd hun goddelijke zelf opgeven om genot na te jagen.

De tijd die jij, behoeftige, doorbrengt met vrouw en kind, nadat je van het veld bent teruggekeerd, is een symbool van het gezin van de toekomst en een teken van geluk voor toekomstige generaties. Het leven dat de rijken doorbrengen te midden van hun bezit is een verachtelijk leven, dat doet denken aan het wroeten van wormen in een graf; het is een symbool van angst.

De tranen die je vergiet, jij die droef gestemd bent, zijn zoeter dan het geginnegap van snobisten en de schaterlach van spotters. Tranen reinigen het hart van de smet van rancune en leert degene die ze vergiet hoe de gebrokene van hart zijn gevoelens deelt; het zijn de tranen van de Nazarener.

De kracht die jij zaait, jij arme, die door de rijke en machtige wordt uitgebuit, zal naar je terugkeren. Want de wet van de natuur zegt dat alles terugkeert naar zijn oorsprong. De beproevingen die jij hebt doorstaan, jij die door tegenspoed getroffen bent, zullen door een hemels bevel in gelukzaligheid getransformeerd worden.

Komende generaties zullen van armoede gelijkwaardigheid leren en van leed liefde.

Uit: Het Visioen - pagina 86
 

OVER VERGISSINGEN

DE GROOTSTE OCEAAN
Gisteren - hoe ver weg is gisteren en toch, hoe dichtbij - ging ik met mijn ziel naar de grote oceaan, om met haar water het stof en de modder van de aarde die ons bezoedelen af te wassen.
Toen wij bij het strand aankwamen, gingen wij op zoek naar een stille plek, ver weg van glurende blikken.

Terwijl wij daar samen liepen, zagen wij een man zitten op een stoffige rots. In zijn hand hield hij een zak, waaruit hij steeds een hand zout nam, dat hij in de oceaan wierp.
Mijn ziel zei tegen mij: 'Die man is een cynicus, want hij ziet van het leven niets dan zijn schaduw. Een cynicus is het niet waard om onze naakte lichamen te aanschouwen. Laten wij weggaan van deze plek, want hier kunnen wij niet baden.'

Wij verlieten die plaats en liepen, totdat wij een inham bereikten. Daar ontdekten wij een man die op een wit rotsblok stond en in zijn hand een met juwelen afgezet kistje had. Uit het kistje nam hij klontjes suiker en gooide ze in de oceaan.
Mijn ziel zei tegen mij: 'Deze man is een optimist, die goede voortekenen ziet waar ze niet zijn. Pas op dat een optimist onze naakte lichamen niet aanschouwt.'

Opnieuw liepen wij verder. Bij toeval troffen wij een man die bij de rand van het water stond. Hij pakte dode vissen op en gaf ze liefderijk terug aan de oceaan.
Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een man vol mededogen, die poogt om degenen die reeds in hun graf liggen weer tot leven te wekken. Laten wij hem mijden.'

Vervolgens kwamen wij aan bij een plek waar wij een man zagen die zijn fantasieŽn tekende in het zand. De golven kwamen en wisten zijn schetsen uit, maar hij bleef doorgaan met wat hij deed, steeds opnieuw.
Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een mysticus, die in zijn verbeelding een afgodsbeeld maakt om te aanbidden. Laten wij hem in zijn werk niet storen.'

Rustig wandelden wij verder, totdat wij bij een vredige baai een man bespeurden die het schuim van het wateroppervlak schepte en in een kornalijnen schaal deed.
Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een dromer die van spinnenwebben een gewaad maakt om zichzelf in uit te dossen. Hij heeft niet het recht om onze naakte lichamen te zien.'

Wij vervolgden onze weg. Plotseling hoorden wij een stem die schreeuwde: 'Dit is het diepe water, de machtige en gevreesde zee.'
Wij zochten naar degene die gesproken had en zagen een man staan met zijn rug naar de oceaan. Hij hield een schelp bij zijn oor en luisterde naar het geruis.
Mijn ziel zei tegen mij: 'Laten wij gaan, want dit is een materialist, die alles wat hij niet kan peilen de rug toekeert en zich in zijn wezen bezighoudt met zaken die alleen hem interesseren.'

Wij liepen totdat wij op een grazige plek tussen stenen een man ontwaarden die zijn hoofd in het zand begraven had.
Ik zei tegen mijn ziel: 'Kom, mijn ziel, laten wij hier baden, want deze man kan ons niet zien.'
Mijn ziel schudde haar hoofd en zei: 'Nee, duizend≠maal nee. Degene die je ziet, is de ergste van allemaal. Hij is vroom en zuiver, maar verbergt zich voor de tragiek van het leven, zodat de vreugden van het leven voor zijn ziel verborgen blijven.'

Toen tekende zich een diepe droefheid af op het gezicht van mijn ziel. Met een stem die gebroken was door teleurstellingen zei zij: 'Laten wij weggaan van dit strand, want er is hier geen beschutte en verborgen plek voor ons om te baden. Ik zal er nooit in toestemmen mijn gouden lokken te laten wapperen in deze wind of mijn gevoelige borsten te ontbloten in deze ruimte of mij te ontkleden om naakt in dit licht te staan.'

Mijn ziel en ik gingen weg van de grote oceaan, op zoek naar de grootste oceaan.

Uit: Het Visioen - pagina 31

 

OVER DE EENHEID DER MENSEN


DE STEM VAN DE DICHTER
Macht wordt gezaaid in de diepten van mijn hart en ik oogst en verzamel het graan om het overvloedig te schenken aan wie honger hebben. Geest doet deze kleine wijnstok herleven en ik pers de druiventrossen en schenk het sap uit voor wie dorst hebben. De hemel vult deze lamp met olie en ik ontsteek haar en plaats haar in het venster van mijn huis voor hen die voorbijgaan in het donker van de nacht. Deze dingen doe ik, omdat ik ervan leef en wanneer de tijd mij dit verhindert en de nacht mijn hand kluistert, zal ik de dood zoeken. Want de dood gelijkt het meest op een profeet die in zijn eigen land niet erkend wordt of een dichter die een vreemdeling is onder zijn eigen volk.

Mensen gaan als een storm tekeer, terwijl ik zucht in stilte. Maar ik heb ontdekt dat het razen van stormen bedaart, want de muil van de tijd slokt ze op. Een zucht echter blijft zoals God bestaan.

Mensen klampen zich vast aan materie, die koud is als sneeuw. Maar ik zoek de vlam van de liefde om haar te plaatsen in mijn borst, alwaar zij mijn ribben verteren en mijn binnenste vernietigen zal. Want ik heb ontdekt dat materie pijnloos doodt, maar de lief≠de ons door haar kwellingen doet herleven.

Mensen zonderen zich af in groeperingen en stam≠men zweren trouw aan land en streek. Maar ik zie mijn wezen als uitheems in ieder land en als een vreemdeling te midden van ieder volk. De hele aarde is mijn thuis en het menselijk geslacht mijn familie. Want ik heb ontdekt dat de mensen zwak zijn en zich in hun kortzichtigheid afzonderen van anderen; de aarde is verkrampt, want alleen door onwetend≠heid komen de mensen ertoe om haar te verdelen in koninkrijken en vorstendommen.

Mensen verenigen zich alleen om de "tempels van de geest omver te werpen en werken alleen samen om gebouwen voor het lichaam op te richten. Ik prijs slechts in treurzangen. Binnen in mij spreekt echter een stem van hoop: 'Zoals de liefde door pijn het leven in het menselijk hart herstelt, zo wijst dwaasheid de weg naar kennis. Pijn en dwaasheid leiden tot grote gelukzaligheid en tot volmaakt weten, want de Eeuwige Wijsheid heeft niets onder de zon vergeefs geschapen.'

Uit: Het Visioen - pagina 35

 

OVER LICHAAM EN ZIEL


HEB MEDELIJDEN, MIJN ZIEL
Hoelang zul je nog klagen, mijn ziel, terwijl je weet hoe zwak ik ben? Hoe lang zul je nog protesteren, terwijl ik slechts menselijke woorden bezit om je dromen te verbeelden?
Kijk, mijn ziel, want mijn hele leven heb ik naar je lessen geluisterd. Denk na, mijn folteraar, want door in jouw voetstappen te gaan heb ik mijn lichaam verbruikt.

Mijn hart was mijn koning, maar het is jouw slaaf geworden. Mijn geduld was mijn vertrouweling, maar onder jouw invloed is het mijn zedenmeester geworden. De jeugd was mijn vrolijke metgezel, maar nu berispt zij mij. En dit alles is mij door de goden geschonken. Hoe kun je nog meer van mij vragen? Wat verlang je toch!

Ik heb mijn wezen verstoten en de vreugden van het leven opgegeven. Ik heb mijn roem in de steek gelaten en alleen jij bent mij overgebleven. Oordeel mij dus met rechtvaardigheid, want rechtvaardigheid is je glorie. Of roep de dood en ontsla je beschermeling uit zijn gevangenis.

Heb medelijden, mijn ziel, want je hebt mij belast met een liefde die ik niet kan dragen: jij en liefde vormen een gezamenlijke kracht, terwijl ik en materie verscheurd worden door onze zwakheden. Kan jullie band standhouden wanneer hij uiteen ge≠scheurd zou worden tussen kracht en zwakheid?

Heb medelijden, mijn ziel, want je hebt mij van grote afstand vreugde getoond. Jij en vreugde verkeren op een hoogverheven heuvel, terwijl diep ongeluk en ik bestaan in de diepten van een ravijn. Kunnen verhevenheid en laagheid elkaar ooit ontmoeten?

Heb medelijden, mijn ziel, want jij hebt mij de liefde geopenbaard en haar toen weer verborgen, jij en schoonheid in het licht, onwetendheid en ik in het duister. Kunnen licht en duisternis zich ooit ver≠mengen?

Jij, mijn ziel, geniet van het hiernamaals nog voor het gearriveerd is, terwijl dit lichaam lijdt onder dit bestaan terwijl het leeft.
Jij nadert de eeuwigheid met spoed en dit lichaam loopt met trage tred naar de vernietiging. Jij draalt niet en dit lichaam haast zich niet, en dat, mijn ziel, is de uiterste kwelling.
Jij verheft je naar de hoogte, aangetrokken door de hemel, terwijl mijn lichaam pijlsnel wegzinkt door de aantrekkingskracht van de aarde. Jij biedt het geen troost en het wenst jou geen geluk; en dat is rancune.

Jij, mijn ziel, bent rijk in je wijsheid, maar dit lichaam is arm door zijn instincten. Je betoont het geen mededogen en het volgt je niet, en dat is de diepste ellende.
Jij gaat in de stilte van de nacht naar de geliefde en geniet van zijn omarming, maar dit lichaam blijft eeuwig een martelaar van verlangen en gescheiden≠heid.
Heb medelijden, mijn ziel, heb medelijden.

Uit: Het Visioen - pagina 55

 

OVER GEVEN


MIJN ZIEL IS ZWAAR VAN HAAR EIGEN VRUCHT
Mijn ziel is zwaar van haar eigen vrucht. Is er iemand die honger heeft en die haar wil oogsten, en van haar wil eten om zich met haar te verzadigen?
Is er onder de mensen iemand die gevast heeft en die de vasten wil breken met mijn vrucht en mij ontheffen van de zorg voor mijn vruchtbaarheid en overvloed?
Mijn ziel bezwijkt onder het gewicht van goud en zilver. Is er iemand onder de mensen die zich wil verrijken en mijn last verlichten?    
Mijn ziel stroomt over van de wijn van de eeuwigheid. Is er iemand die dorstig is en hem wil uitschenken en drinken om zijn dorst te lessen?

Er staat een man midden op straat. Hij gooit een handvol edelstenen naar voorbijgangers en roept hun toe: 'Heb medelijden en neem ze van mij weg. Heb mededogen en verlos mij van mijn bezit!' Maar de mensen gaan voorbij zonder aandacht aan hem te besteden.

Werkelijk, het is alsof hij een bedelaar is die smekend zijn bevende hand uitsteekt naar voorbijgangers en hem leeg weer terugtrekt. Het is alsof daar een blinde zit die men onverschillig voorbijloopt

Een welgestelde en vrijgevige sjeik slaat zijn tenten op tussen de witte, onbekende bergen en de woestijn. Iedere avond bereidt hij een gastvrije ontvangst voor en stuurt hij zijn dienaren erop uit om voor hem een gast te vinden die hij zou kunnen onthalen en vereren. Maar de wegen leveren hem geen bezoeker om te eten van zijn dis en brengen hem geen reiziger om zijn geschenken te ontvangen.
Was hij maar een verschoppeling, een arme!
Was hij maar een dakloze vagebond die zwerft door het land, een staf in zijn hand en een bedelnap aan zijn gordel, zodat hij als de avond valt met andere zwervers en landlopers kan samenkomen om met hen het brood van liefdadigheid te delen.

De dochter van de machtige koning ontwaakt uit haar slaap, staat op van haar bed en kleedt zich in purper en lavendel, versiert zich met parels en saffieren, besproeit haar haren met parfum en doopt haar vingers in vloeibare amber. Zij loopt de ruin in en de dauwdruppels bevochtigen de zoom van haar jurk. In de stilte van de nacht wandelt zij door de tuin, op zoek naar haar geliefde, maar nergens in het rijk van haar vader is iemand te vinden die haar wil beminnen.
Was zij maar de dochter van een arme boer. Hoedde zij maar haar vaders schapen in het dal en keerde zij 's avonds terug naar zijn hut, haar voeten stoffig van het zware werk en de geur van de wijngaard nog in de plooien van haar kleed. Dan, als de nacht valt en de mensen gaan slapen, zou zij onmerkbaar wegsluipen naar de plaats waar haar geliefde op haar wacht.

Was zij maar een non in een klooster, met een hart brandend van wierook, waarvan de geur door de wind wordt verspreid. Haar geest zou een kaars ontsteken en de ether zou vertellen van het licht van haar ziel. Zij zou haar knie buigen in gebed en de geesten van het onzichtbare zouden haar gebeden meevoeren naar de schatkamer van de tijd, waar de devotie van gelovigen bewaard wordt naast de harts≠tocht van geliefden en de twijfels van kluizenaars.

Was zij maar oud en afgeleefd en zat zij maar naast hem met wie zij haar jeugd heeft gedeeld, om zich in zijn aanwezigheid te koesteren. Want dat ware beter dan de dochter te zijn van de machtige koning, in wiens rijk geen minnaar te vinden is die het brood van haar hart wil eten en de wijn van haar bloed wil drinken.

Mijn ziel is zwaar van haar eigen vrucht. Is er dan op aarde niemand die honger heeft en die haar wil oogsten om zijn honger met haar te stillen?
Mijn ziel stroomt over van haar wijn. Is er iemand die dorstig is die hem wil uitschenken en ervan wil drinken om zijn dorst te lessen?

Was ik maar een boom die nimmer bloeide, die geen vruchten droeg. Want de pijn van de vruchtbaarheid is bitterder dan de angst voor onvruchtbaarheid, en de kwelling van welgestelden met hun onvervreemdbare rijkdom betekent een grotere gruwel dan enige pijn die een pauper die geen eten heeft kan lijden.

Was ik maar een droge waterput en gooiden de mensen maar stenen in mij, want dat zou gemakkelij≠ker zijn dan een bron te zijn van stromend water waar de dorstigen aan voorbijgaan en waarvan zij vermijden te drinken.

Was ik maar een afgerukte tak, vertrapt door vele voeten, want dat zou beter zijn dan een lier te zijn met zilveren snaren in het huis waarvan de meester al zijn vingers verloren heeft en wiens kinderen doof zijn.

 
Uit: Het Visioen - pagina 58
 


OVER WIJSHEID

 

HET BEZOEK VAN WIJSHEID
In de stilte van de nacht kwam Wijsheid en stond aan mijn bed, starend naar mij als een moeder die dol is op haar kind. Zij wiste mijn tranen en zei: 'Ik heb de schreeuw van je ziel gehoord en ben gekomen om je te troosten. Open je hart voor mij, zodat ik het met licht kan vullen. Vraag mij en ik zal je de weg van de waarheid wijzen.'

Ik zei: 'Wie ben ik, Wijsheid, en hoe ben ik op de≠ze afgrijselijke plek terechtgekomen? Wat zijn deze hevige verlangens, deze talrijke boeken en vreemde symbolen? Wat zijn deze gedachten die als troepen duiven aan mij voorbijvliegen? Wat is deze taal, geor≠dend in genegenheid en verstrooid in genot? Wat zijn deze gevolgen die droevig maken en in verruk≠king brengen, die mijn geest meevoeren en mijn hart belagen? Wat zijn deze ogen die zich op mij richten, die staren in mijn diepste zelf en mijn pijn negeren?

≠Wat zijn deze stemmen die rouwen over mijn dagen en mijn kindertijd bezingen? Wat is deze jeugd die speelt met mijn verlangens, die de spot drijft met gevoelens, die de daden van gisteren vergeet, die zich verheugt in de trivialiteiten van het moment en minachting toont voor de traagheid van morgen? Wat is deze wereld die zich spoedt ik weet niet waar en mij met verachting beziet? Wat is deze aarde die met haar geopende muil lichamen verzwelgt en in haar boezem aan ambitie een verblijfplaats biedt? Wat is deze persoon die instemt met liefdevolle ge≠lukzaligheid, maar de hel aanvaardt als hij het geluk niet kan bereiken, die de kus van het leven zoekt en de slagen van de dood ontvangt, die een ogenblik van genot inruilt voor een jaar van wroeging, die zich overgeeft aan slaap en dromen die hem roepen, die loopt langs de sloten van onwetendheid naar de maalstroom van de duisternis? Wat zijn al deze din≠gen, Wijsheid?'

Zij antwoordde: 'Je begeert, sterveling, de wereld te zien door de ogen van een god en wenst met je men≠selijke intellect de mysteriŽn van het ondermaanse te begrijpen, en dat is de grootste dwaasheid. Trek het open land in en je zult de bijen zien zweven boven de bloemen en de adelaar zien pikken aan zijn prooi. Ga het huis van je buurman binnen en je zult een kind zien staren in het vuur, terwijl zijn moeder druk is met haar taken. Doe als de bij en breng de dagen van het voorjaar niet door met overdenken wat de ade≠laar doet. Wees als het kind en schep behagen in de helderheid van de vlammen, en schenk geen aan≠dacht aan je moeder en haar bezigheden.

Alles wat je zag en ziet bestaat voor jou. De talrijke boeken, de geheimzinnige symbolen en de schone gedachten zijn de geesten van zielen die jou zijn voorgegaan. De taal die zij gebruiken is de verbinding tussen jou en je menselijke nakomelingen. De gevol≠gen die verdriet en extase brengen zijn de zaden die het verleden in de ziel heeft gezaaid en waarmee de toekomst haar voordeel zal doen. Deze jongeling die speelt met je verlangens is dezelfde persoon die de deur van het hart geopend heeft om het te overspoe≠len met licht. Deze aarde met haar gapende open ruimte is degene die je bevrijdt van de kluisters van je lichaam. De wereld die je maant tot spoed is je hart en je hart is alles wat je van de wereld kunt begrijpen. De persoon die je als onwetend en onbe≠duidend ziet, is door God gezonden om je te leren gelukzaligheid te onderscheiden van verdriet en ken≠nis van melancholie.'

Wijsheid legde haar hand op mijn rusteloze voor≠hoofd en zei: 'Ga voort en weifel nooit, want voort≠gang is volmaaktheid. Ga voort en vreest niet de doornen op je pad, want zij prikken slechts verdor≠ven bloed.'

Uit: Het Visioen - pagina 63



OVER VOLMAAKTHEID


VOLMAAKTHEID
Je vraagt me, mijn broeder, wanneer de mensheid volmaaktheid zal bereiken.
Luister naar mijn antwoord.

De mensheid zal de weg naar volmaaktheid bewandelen wanneer zij voelt dat menselijkheid is: een hemel zonder grenzen, een oceaan zonder oevers, een eeuwig brandende vlam, een immer glanzend licht, een wind die briest of kalm is, een wolk die dondert, bliksemt en regent, een rivier die zingt of raast, een boom die in de lente bloeit en zich in de herfst ontkleedt, een berg die zich hoog verheft, een vallei die zich verlaagt en een akker die rijk is of onvruchtbaar.

Wanneer de mensheid al deze dingen gevoeld heeft, zal zij het punt halverwege haar weg naar volmaaktheid bereikt hebben. Als zij, zich bewust van haar essentie, de weg naar volmaaktheid wil gaan, dan moet zij voelen dat menselijkheid is: een kind dat rekent op zijn moeder, een volwassen man die verantwoordelijk is voor wie hem toevertrouwd zijn, een jongeling die heen en weer geslingerd wordt tussen begeerten en hartstochten, een oude man wiens verleden en toekomst met elkaar vechten, een monnik in zijn kluizenaarshut, een misdadiger in zijn cel, een geleerde te midden van zijn boeken en geschriften, een dwaas tussen het duister van zijn nacht en het licht van zijn dag, een non tussen de vrucht van haar geloof en de doornen van haar eenzaamheid, een prostituee in de greep van haar zwakheden en de klauwen van haar behoefte, de arme tussen zijn verbittering en zijn onderdanigheid, de rijke tussen zijn ambities en zijn dienstbaarheid, en de dichter tussen de nevelen van zijn avonden en het stralende licht van zijn ochtendstond.

Als de mensheid in staat blijkt om al deze dingen te ervaren en te kennen, dan zal zij volmaaktheid be≠reiken en een gedaante worden onder de gedaanten van God.

Uit: Het Visioen - pagina 123

 
 
 
 
 

 
Bewaren