Troostende woorden bij afscheid nemen en verdriet - deel 2

Troostende woorden bij afscheid  - deel 1
 
Deel 2
01. Voor sterven geen angst - 02. Woorden van Troost - 03. Zij zijn niet dood - 04. Streepje - 05. Onvergankelijk - 06. Doodsgebed - 07. Koortsdeun - 08. Voor­zang - 09. Two songs - 10. Want wat is sterven anders - 11. Spreken met vader - 12. De brug - 13. Afscheid nemen - 14. Blij - 15. Die laatste dag - 16. Mijn man - 17. De definitieve reis - 18. Naar binnen - 19. Huil niet om mij - 20. Twelve Songs - 21. Koe ik mar skilje - 22. Ôfskie - 23. Voorbij de vorm -  24. Het is niet waar - 25. Dood zijn duurt zo lang
 
 
 
 

01. Voor sterven geen angst.

Sterven is moederziel alleen de nacht ingaan.
Sterven is vreemd en angstaanjagend
als je blindweg een land binnengaat
waar je nooit aan gedacht hebt
en nooit van gedroomd,
als je met duizend banden gebonden ligt
aan een stukje aarde, dat voorbijgaat
en dat vele namen draagt.
Als je sterft verandert alles, de hele wereld,
alles waaraan je je een leven lang hebt
vastgehouden.

Sterven wordt aanvaardbaar en draaglijker
als je hebt leren loslaten,
als je je innerlijk hebt opengesteld
voor het mysterie dat je wacht na de dood.
Dan voel je al iets van die nieuwe wereld in je komen
en ga je alles relativeren
waarover mensen dagelijks twisten en klagen.

Als je kunt geloven, dat er een God is,
die van je houdt, niet alleen als je leeft
maar meer nog als je doodgaat,
dan wordt sterven
als een kind thuiskomen bij de Vader
in een land waar alles goed is
en waar het leven pas voorgoed begint
in een eeuwig nu.

Uit: ‘God, niet te geloven’ door Phil Bosmans.



02. Woorden van troost

Stil maar mijn kind, Ik weet van je verdriet,
Huil nu maar uit: je hoeft niet flink te wezen,
Het zal wel duren, voor je wonden zijn genezen;
Ik weet het
 
Stil maar mijn kind, Ik weet wat je behoeft:
Woorden van troost, die om geen uitleg vragen,
Een arm die steunt en die je last helpt dragen,
Een hart dat mee huilt om wat jou bedroeft.
 
Stil maar mijn kind, de nacht gaat weer voorbij,
Ik strooi het licht uit, waar je voeten lopen,
Ik doe de dichte deur weer voor je open,
Ik ben er altijd, maar vertrouw op mij...
 
Stil maar mijn kind, Ik geef je troost en moed,
Meer dan een moeder aan haar kind kan geven;
Je naam staat in mijn handpalmen geschreven.
Vertrouw op Mij...
Je Vader...

Nel Benschop


03. Zij zijn niet dood.

Wat leven heet is ’t op en neer bewegen
van ons klein scheepje als het daalt en rijst;
en wat wij sterven noemen, is niet meer
dan dat wij op de verre kim verdwijnen.

Zij zijn niet dood.
Wij die vanaf het laaggelegen strand bespeuren
hoe door hun vaart de afstand wordt vergroot,
wij zien niet wat gebeurt achter de einder,
wij noemen daarom hun verdwijning: dood.

Zij zijn niet dood;
Wij staan te laag en zijn bijziend
als zij de sfeer van ruimte en tijd ontzeilen;
zo komt het dat ons oog hun eind niet ziet,
wanneer het roer hun schip de eeuwigheid in stuurt.

Koos Geerds


04. Streepje

Toen ik Streepje had begraven,  
                            Achter bij de lijsterbes,                                
Zei mijn moeder, ‘luister es’.
Moet je niet gaan treuren,     
Het was tenslotte maar een kat.
 
                                                        Wat Streepje voor me had betekend,                                                             
Had mama dus nooit doorgehad.
Ga een keertje lekker fietsen.  
Zo erg is het ook weer niet.
                                      
Ik dacht enkel: ’zwijg nou even.          
Ik heb verdriet!’
                                          Morgen gaat het vast al beter.                                          
Alhoewel, dat stomme beest          
                       Was al heel mijn kinderleven                         
Toch mijn beste vriend geweest.

Bas Rompa


05. Onvergankelijk

Nu de avondzon in zee verdwijnt,
overpeins ik weer dat het nooit echt went.
Mijn hart weent hoewel ik zeker weet
dat je niet wezenlijk verdwenen bent.

Want vanmorgen kwam ik je nog tegen
in de glimlach van mijn spiegelbeeld.
En met de stralen van de gouden zon
heb je vandaag genoeglijk mijn haar gestreeld.

Ik kan je horen als ik het aandacht geef
in het ritselen van de bomen
en ik ontmoet je ’s nachts ergens in het midden
van mijn allermooiste dromen

Hoewel wij niets tastbaars meer kunnen delen,
ben je toch nog steeds zo heel dichtbij.
Jouw subtiel aanwezig zijn,
maakt een uitverkoren mens van mij.

Waar ik ook ga, ik voel jouw liefde
en geniet van die tegenwoordigheid.
Ik krijg meer aandacht dan ik durfde hopen
toen wij hier fysiek nog waren, tegelijkertijd.

© Hilda Spruit


06. Doodsgebed

Heer, als ik sterf
op een december-dag,
in het ziek laken dat ruikt,
en mijn gezicht: geel als een raap,
mijn baard verwoest door het zweet,
terwijl mijn hand vol angst in het kussen plukt,
Heer, houd dan voor mij, arm schaap,
houd uw barmhartigheid gereed.

Want gedurig was ik lui en dom,
onkuis, hoovaardig en zot,
ik was gulzig aan bier- en wijnpot
en mijn tanden bruin van de pijp.

Heer, als ik sterf
en mijn voeten zijn koud als glas,
de kaars druipt op mijn hand
en de dokter zegt: "‘t Is gedaan,"
als bij de kamer-wand
de priester bidt: "Heer, laat hem gaan",
dat ik dan bidde:
"Heer, neem mij in ontferming aan."

Karel van den Oever
(1879-1926)



07. Koortsdeun

‘t Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar-buiten,
- En wat de bloemen wegen in de herfst;
- en de oude regen lekend langs de ruiten...

Zwaai-stil staan grauwe boomen in het grijs,
de goede sider-boomen, ritsel-weenend;
- en ‘t is de wind, en ‘t is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend...

- Nu moet me komen de oude drentel-tred,
nu moet me ‘t oude vreê-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om ‘t diepe bed
waar zich de warme koorts een licht dierf droomen,
en ‘t wegend wee in leede tranen berst...

...'t Is triestig dat mijn droefheid thans moest komen,
en loomen in ‘t atone van de boomen;
- ‘t Is triestig dat het regent in den herfst...

Karel van de Woestijne (1878-1929)

Volgende goede raad verstrekt August Vermeylen aan hen die gedichten van Karel van de Woestijne willen lezen: "Zijn verzen zijn er door den band niet naar om zo maar van het blad gelezen te worden. Als ge in dat rijk binnentreedt, moet ge u van uw stoffig schoeisel ontdoen, en u ootmoedig overgeven aan de stem die uit het brandende braambos klinkt."

08. Voor­zang

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust­gewelfde blaêren.
­ Ik was een kind, en mat het leven aan de lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de bomen, en der jaren
om 't vredig leven van de roereloze dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn dromen als een goede vader ging...
­ De dagen hadden mij vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van grote vooglen hing,
iedere avond in de teedre zomer­luchten
die zeegnend om de ziel der needre mensen gaan,
als de avond daalt en maalt in avond­kleur de vruchten
die rustig­zwaar in 't loof der stille bomen staan.

...Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in de avond, o mijn kind.
En 'k minde u. ­ En zo 'k véle vrouwen heb bemind
sinds dien, met moede geest of smekende gebaren:
ú minde ik; want ik zag uw kinder­ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken tróostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen tráge waren...

Karel van de Woestijne (1878-1929)


09. Two songs

Song 1

When I am dead, my dearest,
Sing no sad songs for me;
Plant thou no roses at my head,
Nor shady cypress tree:
Be the green grass above me
With showers and dewdrops wet;
And if thou wilt, remember,
And if thou wilt, forget.

I shall not see the shadows,
I shall not feel the rain;
I shall not hear the nightingale
Sing on, as if in pain;
And dreaming through the twilight
That doth not rise nor set,
Haply I may remember,
And haply may forget.

Christina Rossetti

 
 Song 2

Do not stand at my grave and weep
I am not there; I do not sleep.

I am a thousand winds that blow,
I am the diamond glints on snow,
I am the sun on ripened grain,
I am the gentle autumn rain.

When you awaken in the morning's hush
I am the swift uplifting rush
Of quiet birds in circled flight.
I am the soft stars that shine at night.

Do not stand at my grave and cry,
I am not there; I did not die.

Phoebe Lauren
 

Huil niet aan mijn graf
Daar ben ik niet. Ik slaap niet.

Ik ben duizend winden die waaien,
ik ben de diamanten schittering op sneeuw.
Ik ben het zonlicht op rijp graan,
Ik ben de zachte regen in de herfst.

Als je wakker wordt in de stilte van de ochtend,
ben ik de zwerm van vogels
die in een vlaag opstijgen.
Ik ben de zachte ster die 's nachts schijnt.

Huil niet aan mijn graf,
daar ben ik niet.

 

10. Want wat is sterven anders

Want wat is sterven anders dan naakt staan in de wind
en samensmelten met de zon?
En wat is ophouden met ademen anders
dan de adem bevrijden van zijn rusteloze eb en vloed,
opdat hij onbelemmerd oprijst en zich ontvouwt en op zoek gaat naar God?
Alleen wanneer je uit de rivier van stilte gedronken hebt,
zul je waarlijk zingen.
En wanneer je de top van de berg bereikt hebt,
pas dan zul je beginnen met klimmen.
En wanneer de aarde je ledematen zal opeisen,
pas dan zul je werkelijk dansen.

Kahlil Gibran
 

11. Spreken met vader

Vader, wij hebben u begraven en de grond erkend
zacht om te slapen, zacht om te vergeten:
zand dat vervloeit en water, ongeweten,
herinnering en droefheid voormaals onbekend.

Gij zult niet eenzaam zijn, maar slapen, slapen
met sterren 's avonds een onblusbaar vuur
en, rond uw eiland, het traag stromend water.
De bomen wuiven tijdeloos en ieder uur.

Gij zult niet eenzaam zijn. De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loopt de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.

Gij zult niet eenzaam zijn: de nachtegaal zal fluiten.

Anton van Wilderode


12. De brug

Breng mij op weg tot aan de brug.
Ik ben zo bang om daar alleen te staan.
Als we daar zijn, ga dan niet direct terug,
maar wacht tot ik overga en zwaai me na,
dan voel ik me heel veilig en vertrouwd.

Breng mij weg tot aan de brug.
Ik heb geen idee hoe diep het water is.
De overkant lijkt me zo ver.
Je kunt de oever hier niet zien.
Zo ver het oog reikt, zie ik mist.
Ik twijfel aan het verder gaan.

Breng mij weg, tot aan de brug
en ga dan niet te vlug, terug.
Zwaai je mij na als ik er over ga.
Een heel klein duwtje in mijn rug,
is alles wat ik nog verlang van jou.

Dank je voor je liefde en je trouw.
Ik ga nu gauw,
want het begin is reeds in zicht:
ik voel de warmte van een licht.

Toine Lancet.


 13. Afscheid nemen.

Afscheid nemen
betekent achterblijven
omringd door stilte en gemis.
Verdriet dat nergens
onderkomen vindt.

En teder aanraken
van dingen
die onontvreembaar zijn:
dat woord, die plek
en de herinneringen
vol warmte en innigheid,
zoals de dagelijkse jas
die op een stoel bleef hangen
en herbergt wat er niet meer is.

De kamer wordt een schrijn
van pijn en hunker
naar oneindigheid.
Want alle armen
zijn te kort
om voor altijd
het liefste te omarmen.

Kris Gelaude
 
 
 14. Blij

Als je van iemand houdt
en je bent door de dood van elkaar gescheiden
dan is op de wereld niemand en niets
die de leegte van de afwezigheid kan vullen.

Probeer het maar niet
want het zal je nooit lukken.
Aanvaard liever het gemis
dat je overkomen is.
Dat klinkt erg hard
maar het is ook een troost.

Want zolang die leegte werkelijk leeg blijft,
blijf je daardoor met elkaar verbonden.

Zeg niet: God zal die leegte vullen,
want, geloof me, dat doet hij niet.
Integendeel: Hij houdt die leegte leeg
en helpt ons zo
om de vroegere gemeenschap met elkaar
te bewaren
zij het ook in pijn.

Hoe mooier en rijker de herinneringen
des te moeilijker de scheiding.

Maar dankbaarheid zal de pijn der herinnering
veranderen in stille vreugde.

De mooie dingen van vroeger
zijn geen doorn in het vlees
maar een kostbaar geschenk
dat je meedraagt.

Zorg dat je niet blijft graven
in herinneringen
maar doe het van tijd tot tijd.

Ook een kostbaar geschenk
bekijk je niet aldoor
maar alleen op bijzondere ogenblikken.

Buiten die ogenblikken
is het een verborgen schat
een veilig bezit.

Dan wordt het verleden
een blijvende bron van vreugde en kracht!


uit: Verzet en overgave door Dietrich Bonhoeffer


 
15. Die laatste dag

Ne mens ga nie dood op dien laatsten dag
Met sombere klokken en met rouwbeklag
Misschien overleed ie al zonder geween
Nauwelijks merkbaar zoveel jaren geleen.
 
Zoveel grote mensen in werk en verkeer
Zoveel dode zielen zo druk in de weer
Zoveel arme sukkels in grote nood
Als ’t kind in ons sterft dan gaan we dood.
 
Ne mens ga nie dood als ie moe is gesjokt
Zijn herte begeeft en zijnen asem stokt
Dat sterven dat is al jaren aan de gang
Dood gaan dat doe j’ heel uw leven lang.
 
Gaan vader en moeder naar den overkant
Trekt uw kind uw liefste naar ’t ander land
Je zingt en verdrinkt in een tranenzee
Bij ieder sterven sterf j’ ook wat mee.
 
Ne mens ga nie dood als zijn lijf ontbindt
Tot stof en as zijn lichaam verzwindt
Misschien is de dood een vereenvoudiging
Door vuur en eerde een soort loutering.
 
Kijk naar het licht en hoort hoe dat ’t waait
Kijkt hoe dat moeder eerde altijd verder draait
Zegen de regen, onze wijn en ons brood
Der is gene grens tussen leven en dood.
 
Willem Vermandere: West-Vlaams lied
 
 16. Mijn man

Ik ben nooit meer
naar zijn graf gegaan.
Is dat schande? Nee.
Ik voel het anders aan.

Ik weet zeker
dat ik hem niet vind
op dat kerkhof daar,
in de koude wind.

Maar wel voel ik
zijn aanwezigheid
waar we samen waren
in die oude tijd.

Dikwijls is het
of hij naast me gaat.
Of 'k hem spreken kan,
vragen kan om raad.

'k Vind dat hij het
dichtste bij me is,
als ik troost behoef
in mijn droefenis.

Maar is een dag eens
mooi en goed geweest,
juist dán mis ik hem,
mis ik hem het meest.

Willem Wilmink


17. De definitieve reis

... En ik zal weggaan. En de vogels
blijven zingend achter;
en mijn tuin blijft achter, met zijn groene boom,
en met zijn witte put.

Alle middagen zal de hemel
blauw en vredig zijn;
en zullen de klokken van de klokkentoren
luiden zoals nu.

Die van mij hielden, zullen sterven;
en het dorp zal elk jaar anders zijn;
en in die hoek van mijn bloeiende, witte tuin
zal mijn geest dwalen, vol heimwee.

En ik zal weggaan; en ik zal alleen zijn, zonder huis,
zonder groene boom, zonder witte put,
zonder blauwe, vredige hemel. . .
En de vogels blijven zingend achter.

JUAN RAMÓN JIMÉNEZ


18. Naar binnen

Ik zou haar willen kennen,
deurtje in haar hoofd
en zo naar binnen.
Omzichtig door de doolhof die zij is.

Daar is een kamer vol
met alles wat zij mist.
Feiten, dagen, mensen door elkaar.
Het heeft gewaaid in haar.

Een man is hier die dood is.
Een kind dat niet bestaat.
Ik snuffel in een leven,
kan met alles niets beginnen.

Het is goed dat het vergaat.

Bernard Dewulf


19. Huil niet om mij

Huil niet om mij
ik heb mijn doel bereikt.
Waar kan een gelovig mens
ten slotte beter zijn
en veiliger geborgen
dan in de eeuwigheid
van vrede, liefde, God?

Huil niet om mij,
mijn lijden is ten einde.
Voor mij geen zorgen meer,
geen angst en nooit meer pijn.
Wil niet verdrietig zijn
zoals soms mensen doen
die weten van verlies
maar vreemd zijn aan 't gewin.

Huil niet om mij,
ik kreeg wat ik verlangde:
de vrede, die uit God is, is mijn deel.
Laat dat 'n troost zijn
voor die achterblijven.
Er komt 'n uur, waarop wij allen
verenigd zullen zijn in God,
de God die liefde is.

Henri Kerckhoffs - uit: Woorden van rouw



20. Twelve Songs.

Stop alle klokken, maak de telefoon kapot,
Belet de hond te blaffen met een lekker bot,
Leg de piano’s het zwijgen op en breng met stille trom
De kist naar buiten, dat de rouwstoet komt.

Laat vliegtuigen cirkelen, kermend boven ons hoofd
En in de lucht de boodschap kerven ‘Hij is dood’,
Knoop elke stadsduif crêpe strikken om de witte kraag,
Dat de verkeerspolitie zwartkatoenen handschoenen draagt

Hij was mijn noord, mijn zuid, mijn oost, mijn west,
Mijn werkweek en mijn zondagsrust,
Mijn dag, mijn nacht, mijn woord, mijn lied;
Ik dacht dat liefde eeuwig was, zo is het niet.

De sterren zijn niet welkom nu: doof ze terstond,
Omwikkel de maan en ontmantel de zon;
Giet oceanen leeg en veeg de bossen schoon,
Want er is niets meer nu waar ooit nog iets van komt.

Wystan Hugh Auden
Nederlandse vertaling: Koen Stassijns



21. Koe ik mar skilje
 
Ik seach de bêsten fan myn generaasje
laitsjen stribjen smokend deagean
mar tagelyk
ik seach pompieren flinters fleanen
en helena boatsjefarren yn 'e sinne.

Wachtsjend op 'e bus dy't allang foarby is
sûnder my te sjen nea komt
want de nachtmerje fan de dea
wint mei san pear hannen
myn skedel fan beton fan plaatizer
fol mei oanfretten gedachten.

Ien wynpûster en ik lis efteroer
njonken in toer fol wachtsjende ynsekten
apels dy't hol binne
parren mei ferrotte kaken.

Koe ik mar skilje
mei de dea
dy't wachtet
want ik bin in kers
sûnder pit
yn 't blik
fan 'e maatskippij.

Josse de Haan


22. Ôfskie

As 'k ienkear skiede moat - in ljochte dei
Yn maaietiid wie my it lichtst ­-
Dan set myn bank, dat iepen foar my leit
Wêr't jimmer 't djipst ferlangen hinne teach.

It fine lichem, no in griis te sjen,
Leit sûnder macht. Mar yn 'e eagen blinkt
It goede ljocht, en rook komt fan it fjild;
Wat ea myn leafde hie, giet my foarby.

Dan far ik út en stilkes wurd ik wei.
Wat oerbliuwt is myn skym; beloaist it net te wreed
En nim gjin print fan de te-ploege mom;
't Koe wêze dat hja spriek wat better wie ferswijd.

Al wat er foech jout haw ik jimme bean,
Bewarje dat; en mei wat leafde tink
Him nei, dy't mannich ding syn leafde joech ­-
Sa lang as duorje mei de skiente dy't er wûn.

Obe Postma


23. Voorbij de vorm


Wat gek, je hebt geen lichaam meer;
ik kan nog steeds er niet aan wennen
dat het zo is en ik vraag je weer:
'hoe ik je moet herkennen

als je plotseling voor me staat
en je stralend aan mij toont,
thuis, in de winkels of op straat
en ik niet zie waarin je woont?'

Toch ben je voelbaar in alle vormen,
in al het zijnde om mij heen;
je overschrijdt dus alle normen
waarin je ooit aan mij verscheen.

Hoe goed moet ik nu leren kijken
diep in mijzelf, waarin jij leeft,
door recht te gaan en niet te wijken

voor wat het denken aan sluiers weeft
en mij belet naar jou te kijken
en niet ontvangt wat je aan mij geeft:

een hart zo vol van liefdelicht,
het leven dat zichzelf leeft,
stralend geluk, oneindig zicht.

Karel Wellinghoff  
Uit: Diep vervuld, intieme gedichten voor de gestorven geliefde, Bonneville, 2005
 
 
 24. Het is niet waar
                               
Ze heeft zijn eten klaar
en in de ijskast heeft ze bier.
Want ze weet: het is niet waar,
straks is hij hier.
En naast zijn bord legt ze de krant.
Dan kan hij zo beginnen.
Want er is niets aan de hand.
Straks komt hij binnen.

Ze zet de televisie aan.
Dan kan hij kijken bij het eten.
Ze kijkt zelf niet naar het nieuws, nee.
Ze wil er niets van weten.
En buiten op straat hoort ze kinderen spelen.
Een hond blaft en een fietsbel belt.
Allemaal bewijzen van hetzelfde voor haar.
Het is niet waar, het is niet waar, het is niet waar.

Ze zet een plaat op.
Ze zingt zo hard ze kan mee.
Omdat ze zeker weet:
straks zijn ze met z’n twee.
En tegen haar gewoonte in
drinkt ze een glas wijn.
Ze zet de fles weg, want als hij komt
wil ze niet dronken zijn.
En binnen op de bank rekt de kat zich uit.
De hond blaft weer en een kerkklok slaat.
Allemaal bewijzen van hetzelfde voor haar.
Het is niet waar, het is niet waar, het is niet waar.

Ze gaat alvast naar bed.
Ze laat het licht aan aan zijn kant.
Want het is niet waar, nee,
er is niets aan de hand.
En als ze eindelijk slaapt,
droomt ze zijn armen om haar heen.
Ze voelt zijn adem in haar haar.
Zie je wel, ze had gelijk.
Het is niet waar.
                                               
Bram Vermeulen


25. Dood zijn duurt zo lang

Het is niet fijn om dood te zijn.
Soms maakt me dat een beetje bang.
Het doet geen pijn om dood te zijn,
maar dood zijn duurt zo lang.

Als je dood bent, droom je dan?
En waar droom je dan wel van?
Droom je dat je in je straat
langzaam op een trommel slaat?
Dat iemand je geroepen heeft?
Droom je dat je leeft?

Maar ach, wat maak ik me toch naar,
het duurt bij mij nog honderd jaar
voor ik een keertje dood zal gaan.
Ik laat vannacht een lampje aan.
                                                           
Willem Wilmink - uit: ‘Ernstig genoeg’