Niet echt verhalen, maar meer meditatieve overdenkingen van Hendrik Klaassens

 
 
 
01. Gezicht op een zomeravond - 02. Op weg naar het licht - 03. Bij het sterven van mijn moeder




01. Gezicht op een zomeravond


Het gebeurde iets voor twaalven. Terwijl ik op de dijk stond, met uitzicht op de zee vóór me en de eindeloze sterrennacht boven me, maakte een lichtpuntje zich los uit het sterrenbeeld Bootes. Eerst had ik er geen erg in. Met de handen losjes in m'n zakken en m'n verrekijker bungelend voor mijn borst stond ik naar de vuurtoren van Terschelling te kijken. Een prachtig gezicht is dat altijd, die zwaaibundel van de Brandaris die door de verten strijkt. Het heeft iets feeëriek, iets weemoedigs, die verre lichten aan de horizon, dat rusteloze tasten en speuren van een vuurtoren over de einder.
Omdat ik ingespannen naar de horizon tuurde, bemerkte ik niet dat er zich iets ongewoons voordeed aan het uitspansel. Het komt wel vaker voor dat je, staande op de dijk, plotseling vanuit je ooghoeken een meteoor opmerkt. Bliksemsnel richt je je blikken dan naar de plek waar het ongewone schijnsel zich voordoet. Soms heb je geluk en kun je nog net het laatste deel van het lichtend spoor volgen, maar vaak zijn die grappenmakers je te snel af en heb je het nakijken.

Dit was echter geen meteoor: het leek meer een ster, die zich geleidelijk los begon te maken uit het sterrenbeeld Bootes en langzaam helderder werd. Het bewoog naar het westen en kwam zo'n 45 graden boven de horizon tot stilstand. Ondertussen nam de helderheid ervan steeds meer toe. Oogverblindend werd het, maar juist op het moment waarop ik m'n blikken wilde afwenden, gebeurde er iets vreemds wat ik nog nooit eerder had gezien: het schijnsel van de ster veranderde geleidelijk in een het beeld van een grote stad, die zich majestueus tussen de sterren uitstrekte.

Ik hapte naar adem, maar bleef gefascineerd kijken. Was dit misschien een hologram of een beeld dat door een laserbeam werd geprojecteerd? Welke mafkees kwam er nu op het idee om 's nachts laserbeelden te projecteren boven het wad? Maar nee, dat was volstrekt onmogelijk: het beeld, dat ik zag, was loepscherp. Het moest uit een andere dimensie komen, misschien vanuit de geestelijke wereld. Toch bewaarde ik diep van binnen mijn kalmte en bleef geconcentreerd en met volledig overzicht van de situatie alles registreren wat zich voor mijn ogen afspeelde.

Vóór me, boven de lichtbundel van de Brandaris, zag ik een brede straat van een mij onbekende stad. Zo te zien lag deze straat op een heuvel, want hij liep glooiend af naar een plein dat ik nog net in de verte kon waarnemen. Aan weerszijden van de straat stonden huizen met drie en vier verdiepingen. Het leken wel huizen uit het eind van 19e en het begin van de 20e eeuw. De gevels ervan waren allemaal in verschillende kleuren beschilderd: groen, geel, zalmkleurig, blauw, diep donkerrood. Kennelijk was het het oude centrum van een grote stad. Het was midden overdag, maar toch was het behoorlijk donker. Inktzwarte wolken pakten zich boven de stad samen. Even later flitsten de eerste bliksemschichten door het zwerk. Maar het was geen gewone bliksem: ik huiverde toen ik een enorme bolbliksem zag, die zich als een slang van elektriserend licht door de straat voortbewoog, als een wild, verscheurend dier, op zoek naar zijn prooi.

De hemel werd snel donkerder en steeds meer bliksems doorkliefden het zwerk. Het leek wel alsof een fotograaf vanaf de wolken onophoudelijk flitsfoto's nam van de stad. Enkele ogenblikken later begon het te stortregenen. Het water kolkte schuimend door de straten, terwijl de bolbliksems er overheen sisten als slangen.

Wat er zich in de huizen afspeelde, kon ik niet zien, daar kon ik alleen maar naar gissen. Maar het aantal elektrische ontladingen was zó overweldigend groot, dat er ongetwijfeld slachtoffers moesten vallen. Op de straat zelf was het uitgestorven; er was geen sterveling te zien.

Op dat moment verschoof het beeld, alsof ik door een onzichtbare hand werd opgetild. Met grote snelheid zonk de stad onder me weg, zodat ik een overzicht kreeg van de omgeving waarin ik mij bevond. En plotseling drong het tot me door, dat ik San Francisco onder me zag, San Francisco, en dat nog wel in het uur, waarop de oude aarde verging...

De aarde brak open, spleet, scheurde. Ik keek in de gapende muil van een trechter in het aardoppervlak, een diepe voor die snel breder en dieper werd. Ik zag hele straten, wijken en wegen weg tuimelen in de afgrond. Daar bleef het niet bij, want vanuit mijn positie zag ik op veel meer plaatsen in de stad openingen ontstaan, waarin de bebouwing wegzakte.

Terwijl het bleef bliksemen en donderen en de regen onophoudelijk neer gutste, begon het allerergste wat ik ooit gezien heb: er openden zich steeds meer vurige aders in de aarde, die alles opslokten wat nog overeind was gebleven. Rook steeg op uit de vurige schachten en een dichte smog hulde de miljoenenstad in nevelen. Een waas van rook en vuur onttrok de stad steeds meer aan het zicht.

Het was alsof ik nog verder werd opgetild en nu zo'n tweehonderd kilometer boven de aarde zweefde. Heel westelijk Californië brak af van het Amerikaanse vasteland en zonk in een orgie van rook en vuur in zee. Enorme dampen stegen uit de Pacific op, giftige dampen vol zwavel. Vanaf de plek waar ik me bevond kon ik andere delen van de aarde zien. Overal zag ik hetzelfde beeld: enorme bliksemschichten, inktzwarte wolken, aardbevingen en ook vulkanen die sidderend tot ontlading kwamen. Was dit nu het definitieve einde van de aarde, het laatste shot van de wereld zoals ik die kende?

Heel langzaam trokken de nevels op. De damp, die boven verschillende continenten en oceanen had gehangen, vervluchtigde. Toen de contouren van de zeeën en de landmassa's weer geleidelijk opdoemden uit de sluier die boven de planeet had gehangen, zag ik dat het aanzien van de aarde grondig was veranderd. Waar eens het water van de oceaan had geklotst in eindeloze deining, strekte zich nu een breed vasteland uit; delen van de oude continenten waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor de zee. Het leek wel alsof ik naar een andere planeet keek met een andere topografie: de aarde was onherkenbaar geworden.

Het belangrijkste verschil met vroeger zat 'm echter niet in de verdeling van water en land: de hardheid van de vroegere contouren was verdwenen. Het leek alsof de aarde werd omspeeld door een onaards, mild licht, een tintelende gloed, een zachte aanraking van licht, als door een engelenhand beroerd.
Ik bleef kijken, ademloos, staande op de dijk, maar in de geest als door een reuzenhand hoog boven de aarde weg getild. Onder me straalde een vriendelijk licht me tegemoet, de glans van een andere wereld, een nieuwe aarde, een aarde waaruit al het kwaad was verdwenen, verdampt, weg belicht door een hemelse gloed.

Het beeld van de aarde, dat ik al die tijd boven de horizon had gezien, loste geleidelijk op. Toen alle contouren waren vervaagd, verdichtte het zich tenslotte tot dezelfde ster, die aanvankelijk mijn aandacht had getrokken. Terwijl de intensiteit van zijn schijnsel langzaam afnam, zocht hij zijn oorspronkelijk plaats tussen de sterren van Bootes weer op.

Lang bleef ik naar dat onooglijk sterretje van de vierde grootte kijken. Wat had die ster in vredesnaam met de radicale omvorming van de aarde te maken? Misschien wel niets, misschien betekende dat alleen maar een verandering van perspectief en duidde het op een verplaatsing in tijd en ruimte.

Zwijgend, roerloos bleef ik staan. Maar toen er tien minuten later niets bijzonders meer was voorgevallen, herademde ik weer. Ik kreeg weer aandacht voor de geluiden van de zee, voor meeuwen die krijsend over scheerden, voor de lichten in de verte van schepen die langzaam voort stoomden, op weg naar Duitse en Scandinavische havensteden. En plotseling, als uit een oude, diepe zweer, welden tranen in me op, tranen waartegen ik geen verweer had. Tranen van vreugde en verdriet, tranen over het heden, het verleden en de toekomst van de aarde, de planeet waar hemel en hel dicht bij elkaar leven, waar liefde en haat zich met elkaar lijken te vermengen, waar woorden, daden en gedachten een mens kunnen optillen naar het goddelijke licht, maar ook naar de diepste afgronden van de hel. En ik zegende de dag waarop er eind zou komen aan alle kwaad, alle duisternis, alle onvrede, alle haat, al het onrecht dat er wordt begaan...

Ik spreidde mijn armen uit, met mijn handpalmen omhoog naar de sterren, en bad om innerlijke vrede. Alle onrust verdween daardoor uit me, zodat ik even later met een gerust hart terug kon reizen naar de stad, peinzend, ontroerd, een intense ervaring rijker.


Hendrik Klaassens.



02. Op weg naar het licht


I
Met de afstandsbediening in de ene en een sigaret in de andere hand zapte hij over de kanalen. Om zijn huisgenoten, die allemaal al lagen te slapen, niet te storen had hij de speakers van de tv in de laagste stand gezet. Nog net hoorbaar las de nieuwslezer op BBC-1 het laatste nieuws voor over de overstromingsramp in West-Polen en het oosten van Duitsland. Beelden trokken aan hem voorbij van ondergelopen boerengehuchten en modderige stadjes, waarin mensen in onderbroek rondscharrelden tussen de schamele resten van hun huizen. Nieuwe vloedgolven werden aangekondigd en op een keurig grafiekje was een dreigende piek zichtbaar, die de te verwachten hoogste waterstand van de komende 24 uur moest voorstellen. Zap.

Op TMF dansten zwarte danseresjes in strakke minirokjes en veel te korte truitjes op de maat van hip-hop. Verveeld volgde hij hun zwoele huppelpasjes enige ogenblikken. De blitse tafereeltjes die elkaar in hoog tempo afwisselden konden hem nauwelijks bekoren. Zap.

Op BRT-2 was een praatprogramma aan de gang over het leven met een handicap. Rolstoelgebruikers, liefdevol omstuwd door hulpverleners en familieleden, bevolkten de studio. Een presentatrice met rood geverfd haar dribbelde met een draadloze microfoon van de ene rolstoel naar de andere.

Zap. Zap. Zap. Uit.


Hij stond op, rekte zich uit en liep naar de tuindeur. Bijna geluidloos liep hij de achtertuin in. Hij haalde diep adem en keek naar boven. Het was veel helderder dan hij had verwacht. Laag in het zuidoosten prijkte Mars aan de nachtelijke hemel. Daarboven herkende hij al gauw de Leeuw. Meer naar het noorden schitterde de oranje Arcturus. Een brede baan van gedempt wit licht slingerde zich van het noordoosten naar het zuiden. Op dit middernachtelijk uur was de melkweg heel duidelijk zichtbaar. Sinds hij de straatlantaarn in het gemeenteperkje naast zijn achtertuin stiekem met tape had afgeplakt, had de duisternis zich daar geïntensiveerd en was deze locatie in een woonwijk zelfs geschikt geworden voor observaties met een telescoop. Melkwegstelsels, wier schijnsel anders verdronk in het blauwwitte neonlicht, waren sinds die heimelijke actie duidelijk zichtbaar geworden en sterrenhopen, die hij vóór die tijd alleen maar van hoogglanzende foto’s uit sterrenatlassen kende, lagen nu binnen het bereik van zijn bescheiden sterrenkijker.

Terwijl hij zo stond te mijmeren en de koele nachtlucht inademde, was het alsof hij geleidelijk uit een verdoving ontwaakte. Langs de omweg van de sterren kwam hij tot zichzelf. Eigenlijk zou hij nu het liefst de fiets willen pakken en de stad uit willen rijden om ergens langs een stil landweggetje weg te dromen bij de aanblik van de sterren. Een opkomende vermoeidheid vanwege het late uur en de gedachte aan zijn verplichtingen voor de volgende dag weerhielden hem er echter van om dit voornemen ten uitvoer te brengen.

Hij liep weer de kamer in. Dit was eigenlijk geen leven voor hem, dacht hij. Een wild en vrij leven wilde hij leiden, stoer en ongebonden lokkende verten tegemoet gaan, op zoek naar nieuwe uitdagingen en avonturen die zijn stoutste dromen overtroffen. Bah, wat was hij een doorsnee burgermannetje geworden. Waar waren de dichter, de dromer en de zoeker in hem gebleven? Stapels ongepubliceerde verhalen en gedichten lagen in zijn bureauladen te wachten om door een breed publiek te worden gelezen. Over een paar jaar was hij vijftig en wat had hij dan per saldo van zijn leven gemaakt? Het onvervulde leven jankte in zijn borst, huilde als een kind dat maar niet tot bedaren kwam. Gesmoord schreeuwde het om gehoord te worden. Het was als een vlam die opgloeien wilde en de wijde omgeving wilde laten baden in het schijnsel van zijn wilde, romantische licht. Bont gevederd waren nog immer zijn dromen en zijn fantasieën, schilderachtig waren de ideeën die in hem opkwamen. Maar in de sleur, de grauwheid en de lichte, nauw verholen angst van alledag was dat licht aan het verbleken geraakt. Opgloeien moest het, oplaaien tot een hoog, toverachtig vuur dat anderen in vuur en vlam kon zetten door de oerkracht van het woord dat in zijn inborst leefde. Dromer, dichter, zoeker, waar heb je je schrijfstift gelaten, waar heb je de foute afslag genomen die je deed verworden tot een bleke schim van de schrijver die in je school?

O ja, uitgestaard over de zee, de zee van je dromen, heb je meermalen, maar uit dat sterrenstof heb je maar zelden een vuurpijl de hemel ingestuurd. Af en toe vonkte het in je en vulde je je woorden op met trillende levenskracht, met het vuur waaruit de sterren laaiend zijn geboren en de oceanen ruisen van de ene einder naar de andere. Maar vaker nog was er donkerte in je, sloeg de vlam neer en zwoegden je verhalen zich moeizaam en bibberend voort, op weg naar een gekunsteld einde. Niet omdat je het vuur niet meer aan kon blazen, kon aanwakkeren tot een helder stralende vlam, maar meer omdat je verkrampt was, bang om fouten te maken en stilistisch het schip in te gaan door nodeloze hoogstandjes waarmee je jezelf en je vaardigheden zo nodig moest bewijzen. Weg met die verrekte angst, weg met die zinloze verkramping, die aap op zijn rug. Van nu af aan gold het credo van de vrijheid. Al het vet en vuil dat in de loop der jaren die vlam had gesmoord zou hij verwijderen door een innerlijke daad, door een nieuw en daadkrachtig begin van het leven vanuit zijn binnenste.

II
Op dit late uur was er in de verste verte geen sterveling te bekennen. De rook van zijn sigaret verwaaide in de koele bries die over het eindeloze akkerlandschap streek. Gezeten op een verlaten picknickplaats, enkele meters van zijn auto, staarde hij uit over het landschap dat langzaam oploste in de avondschemering. Het was een warme dag geweest, ietwat zwoel, en het vocht kroop langzaam uit de velden omhoog. Witte nevels vormden zich in de buurt van sloten en kanalen. Dit is het uur waarop de witte wieven verschijnen, dacht hij. Het bijgeloof waart nog door de polders, maar niemand durft dat meer toe te geven. Men schurkt samen rond de tv Waarschijnlijk wordt in deze contreien waarin toch niks te beleven viel veel gekeken naar de geile programma’s van SBS-6.

Hij trapte zijn sigaret uit en stapte in de auto. Tien over elf was het; nog een half uur rijden en hij was weer thuis. Hij startte de motor en reed langzaam weg. Vreemd eigenlijk dat zo weinig mensen nadachten over de werkelijke zin van hun leven, van de redenen waarom hun overkwam wat hun overkwam. Ze namen het leven zoals het kwam, morrelden wat in de marge van het toeval of bedachten grootse plannen die tot mislukken waren gedoemd. Dit leven is slechts een façade, peinsde hij, een ononderbroken oefening om het kleine, zielige ik met al zijn ontelbare verlangens en behoeften te laten ondergaan in de wijde oceaan van het leven zelf, in het leven zonder bijbedoelingen met het eeuwige nu als middelpunt. En hij – hij bedreef zijn eeuwige alchemie van het zielenrijk, de bodemkunde van de geest. Hij was een diepzeeduiker geworden in het grottenrijk van herinneringen, dromen en gedachten, waaruit hij schaarse parels dolf voor zijn epische verhalen en gedichten. Morgen – wat zou hij morgen nu ‘es doen? Stel dat geen enkele angst of bekrompenheid hem hinderde, hoe zou hij dan de volgende dag het liefst willen doorbrengen?

Eigenlijk was dat laatste niet zo moeilijk. In gedachten reed hij al met zijn kinderen naar de dierentuin. Hij wist dat de jongste twee verzot waren op beesten; de oudste was dol op computers. In het Noorder Dierenpark had je ze allebei. Als hij een uitpuilende tas met proviand meenam moest het zeker lukken om er een genoeglijke dag van te maken. Gewoon niet zeuren, maar doen. Tussen de bedrijven door kon hij misschien video-opnamen maken.

Het was inmiddels helemaal donker geworden. In de verte zag hij de flatgebouwen opdoemen aan de rand van de stad waarin hij woonde.  Nog een paar kilometer en hij was weer thuis. Uit de speakers van zijn autoradio schalde sonoor "Moonlight Shadow” van Mike Oldfield. Hij neuriede zachtjes mee. De toekomst kon wat hem betreft beginnen. Niet meer denken, dat eindeloze denken. Hij zou wel zien.

Hendrik Klaassens, 1998.

 

 
 
03. Bij het sterven van mijn moeder
 

Op 7 oktober 2009 overleed mijn moeder. Ze was 89 jaar oud en verbleef sinds eind juli in een verpleeghuis. In de laatste maanden van haar leven had ik enkele gesprekken met haar over de dood en wat ons na de dood te wachten staat. Hoewel zij haar hele leven gelovig is geweest, begon ze af en toe toch te twijfelen aan een hiernamaals. Enkele dagen voor haar overlijden verdween die onrust.

In de nacht na mijn moeders overlijden had ik een overweldigend sterke ervaring waarbij ik heb gevoeld hoe het haar na haar dood verging. Ik voelde dat ze bij mij in de buurt was en zich afvroeg of ze tegenover mij alles wel goed gedaan had. In gedachten stelde ik haar gerust en liet haar duidelijk merken dat ik haar alle liefde, rust, geborgenheid en vrede toewenste die ze maar kon krijgen.
Ik zag haar daarop een tuin binnengaan met bloemen in allerlei schakeringen, een tuin die baadde in een oogverblindend sterk licht, dat een diepe, onaardse vrede uitstraalde. Zó intens waren dat licht en die liefde, dat ik erdoor werd overweldigd. Eén gedachte drong zich aan me op en stond me glashelder voor de geest: "Er is alleen maar liefde; liefde is de enige kracht in het heelal, buiten haar is er niets, alleen maar leegte. Liefde is de kracht die reikt van hier tot aan de uiteinden van het heelal."

Het maakte me sprakeloos en allerlei beelden trokken aan me voorbij. Ook kwam de gedachte in me op: "Het heeft geen zin om wie dan ook iets kwalijk te nemen, omdat je daardoor zowel je eigen leven als dat van anderen verzwaart". Die gedachte bevrijdde me, gaf me ruimte en betekende een geweldige opluchting voor me. Ik voelde me toen heel kalm, uitgebalanceerd en vredig van binnen, een vrede waarbij je de dingen accepteert zoals ze zijn en anderen in stilte accepteert zoals ze zijn, zonder ze meteen te willen veranderen. Het was een gevoel van liefdevolle, vredevolle acceptatie die rust en kracht geeft, wonden heelt en pijn volledig doet verdwijnen.

Hemel en aarde kunnen elkaar aanraken, soms, bij het sterven van iemand die héél veel voor je heeft betekend. De onaardse vrede die ik ervoer, was bijna niet te beschrijven. Het trilde diep van binnenuit door me heen, verlichtte alles, was een stralend licht in de nacht, een baken dat voor me uit ging.

Deze ervaring heeft alles in een ander perspectief geplaatst. Er is alleen maar continuïteit tussen leven en dood. Onze geest leeft in alle eeuwigheid, gaat over van de ene sfeer naar de andere, in onze oneindige opgang naar het stralende licht - totdat we weer verenigd zijn met onze goddelijke oorsprong en baden in een licht dat onze huidige voorstelling te boven gaat omdat we nog steeds glimwormen zijn vergeleken bij het machtige vuurtorenlicht van de hoogste geestelijke sferen.
Nederig maakt het ons, bescheiden, realistisch, nuchter... Maar soms kunnen we even bij God op tafel kijken, in een ondeelbaar moment, een bliksemflits in de nacht, bij het schijnsel van een vuurpijl die plotseling de hoogte inspuit en de weidse verten verlicht, zodat we ons kunnen oriënteren en het traject vóór ons zien dat we nog moeten afleggen.

Klein maakt zoiets, bescheiden, maar wel geeft het een gevoel van geborgenheid. De beklemming van de materie, het ingekerkerd zijn in het aardse, valt dan weg, verdwijnt, lost op om plaats te maken voor een verwijd bewustzijn: er is alleen maar liefde, al het andere is schijn.

Er schieten me een paar dichtregels te binnen. Ik schreef ze lang geleden, toen ik nadacht over de grens tussen leven en dood. Ze geven aan hoe ik dacht over de dood en de realiteit van de geest. Door deze ervaring heb ik ook op een intense manier ervaren wat de continuïteit tussen leven en dood inhoudt en wat het werkelijke doel is van ons leven:

 
"En eindelijk voor anker gegaan
voorbij alle leed en alle pijn
zullen wij als goden zijn,
de droom van het bestaan ontstegen.”