Esoterische gedichten, voor wie oren heeft voor het geheim

 01. Weven - 02. De Leerling Vrijmetselaar - 03. Spoorzoekend naar een woord - 04. Klop - 05. Wijsheid - 06. Zeilschip - 07. Nautilius - 08. Inwijder - 09. Ik ben de lichtvonk - 10. Soms kun je zomaar verdwijnen - 11. Alle dingen - 12. Ik meende  - 13. Stenen - 14. Psalm 1 - 15. En de ziel spreekt - 16. Stenen - 17. Licht - 18. Dakloos geborgen - 19. Duizenden wonderen - 20. Een ander ik -
 
 
01. Weven

Het spannen van gedachten
Op 't weefgetouw der ziel
als wonderbare draden
waarop Gods Goudglans viel
Is 't Rozenlied des harten
uit 't eeuwig Levenswiel

In 't zevenvoud van stralen
zoemt 't weefgetouw zijn lied
waarin, fijn uitgesponnen,
het zijn symbolen giet
als schering en als inslag
zijn hiërogliefen schiet..

In 't Licht van Gnosis Liefde
leest 't nieuwe Ik ons voor:
Symbolen zijn de Tekens,
die wijzen 't rechte spoor.
En hiërogliefen spreken
tot 't innerlijk gehoor.

Zo wordt het kleed geweven
van Licht en klank en kleur
Door het vibrerend Leven
met reine Rozengeur
Het Feestkleed voor de bruiloft,
dat opent ons De Deur.

Bron: Gedachten en Gedichten, A. Spoel-de Pril


02. De Leerling Vrijmetselaar
 



Gestadig werkend aan de ruwe steen
voelt hij zijn zware taak steeds zwaarder worden,
hij wanhoopt soms zich weder aan te gorden
tot deze plicht voor hem voor hem alleen.

Het stof verblindt zijn ogen, en de hand
tot bloedens toe gewond, met eelt en schaven,
weet hij zich tot de neederigste der slaven,
aanschouwt hij bukkend enkel steen en zand.

Maar als het licht plots op zijn arbeid speelt
gaat onverwachts een edele vorm verschijnen,
de zuivere kubiek, en alle pijnen
verzoeten en de diepste wonde heelt.

Hij kijkt omhoog, ontdekt de tempelboog
en weet opeens de koninklijke waarde
van ‘t rusteloos buigen over stof en aarde,
en ziet zijn bouwsteen in de hoogste toog.

Willem Brandt
         
     
03. Spoorzoekend naar een woord
 


 Steeds meer gewond
 en in mijzelf besloten,
 zwijgend maar ademend
 verborgen levend
 binnen de schuilplaats van mijn eigen huid;
 
 oerbos: teruggetrokken, onbegaanbaar,
 gedompeld in het mos der eenzaamheid.
 
 Steeds meer gekwetst,
 stilaan vergaan vanbinnen,
 onder een duistre doem
 van eeuwen her,
 maar soms opeens
 tussen het rottend hout
 het diep wanhopig en verhongerd huilen
 van een verlaten dier:
 een solitair.
 
 Ik zoek het woord
 en de geheime paden.
 De oerbosrand
 is mij te zeer bevolkt
 en zekere dood
 voor wie wil blijven sterven,
 de bittere meren drinkend van zijn dorst.
 
 Eens zal ik naderen
 tot een open plek,
 dieper dan ooit binnen de kolk der bossen,
 aarde en hemel vallen in elkaar
 binnen de armen van bloedwarme bomen.
 Ik zal mij neerleggen en oorhart zijn
 en het zal komen,
 het zal zeker komen, -
 witte lianen rankend uit mijn borst.

Willem Brandt



04. Klop
 


Jezus geneest een blinde
Nicolas Poussin 1593 – 1665
olieverf op doek (119 × 176 cm) — 1650
Musée du Louvre, Parijs


Tot driemaal toe klopte hij aan
de poort ging open, hij is ingetreden,
wankel en blind, nog vol onzekerheden,
van alle aardse ijdelheid ontdaan.

De weg is moeilijk en straks struikelt hij;
er is iets dat hem nochtans niet doet vallen
een vrij man zoekt de waarheid; dat is alles
en haast genoeg om sterk van geest te zijn.

Wie licht begeert ontkomt geen duisternis
maar wijsheid leidt waar zich zijn voeten richten.
het hart mag huiveren, het lichaam zwichten,
de ziel getuigt dat ergens luister is.

Hij kent het reeds, de blinddoek voor ´t gezicht;
en schijnbaar dwalend over vreemde paden
weet hij een zachte stem zijn binnenste raden
wanneer hij tasten voortgaat naar het licht.

Willem Brandt

 
         
05. Wijsheid
 
 

Tot wijsheid groeien kost een mensenleven,
Dat van het eigen Ik geen vezel spaart,
Zichzelf tot werkstuk en tot werktuig wezen.
Naar een volmaaktheid die geen mens verklaart.

Willem Brandt


06. Zeilschip
 
 

Soms zeilt een schip oostwaarts,
het and're naar West,
met denzelfden wind, die ze drijft;
't Is de stand van het zeil,
die gevaar brengt of heil,
niet de wind, die haar banen beschrijft.

Als de winden op zee zijn de kansen van 't Lot
voor ons levensschip hier benêen;
't Is de houding der ziel,
die doet keeren de kiel,
niet de kalmte of ruwheid der zeeën.

Ella Wheeler Wilcox

      

07. Nautilius
 
 

Jaar na jaar ging ongestoord
In stilte de opbouw der kronkels voort:
Steeds wijder werd der spiralen boog,
Terwijl hij van woning tot woning toog,
Zich zachtkens naar ‘t nieuwe voortbewoog,
De vergank'lijke deur weer gesloten had.
Van het laatste tehuis - en het oude vergat.

Gij bracht ons een hemelsche boodschap mee,
Heb dank daarvoor, kind van de woelige zee,
Hulp'loos gespoeld op 't strand, daar verloren,
Kondt ge stervend met schooner geluid ons bekoren,
Dan ooit Triton' s omkranste hoorn deed hooren.
En terwijl deze toon in mijn ziel weerklinkt,
Hoor ik diep in gedachten een stem die zingt:

"Bouw u, o mijn ziel, in den loop der tijden
Een waardiger woning, een schoone, wijde.
Verlaat uw bekrompen verleden, en leer
Elk volgend verblijf te verbeteren weer.
't Zij ruimer van welving dan dat van weleer.
Totdat gij, van uw omhulsel bevrijd,
't Laat liggen op 't strand der Oneindigheid."

Oliver Wendell Holmes


08. Inwijder
 


Ik ben uw Inwijder,
uw eigene, enige.
Verlos Mij uit de beelden
waarin het kinderhart Mij bindt:
Meesters, Profeten en Heilanden.
Gij weet, wie u heeft ingewijd.
Ik ben uw Inwijder en Uw Verlosser,
uw Heiland, uw God.

Geen taal is onmiddellijk
als tussen u en Mij:
woordloos en vormloos.
Ik ben met u bekleed
en gij met Mij.

Geen vriendschap is inniger
dan tussen u en Mij.
Ik ben uw Zelf
dat in u werkt
van trede tot trede,
van wijding tot wijding ­
en gij werkt aan Mij
van schepping tot schepping,
van verwerkelijking tot verwerkelijking.

Mellie Uyldert – Mijn hart is aan de overzijde

           

09. Ik ben de lichtvonk


Zo lang mijn zelfbesef in God blijft,
ben ik onkwetsbaar en onvergankelijk.
Zou ik het in mijn tijdelijke vorm verleggen,
ik zou daarmede vergaan.

Ik ben een licht Gods, van binnen helder:
alles kan ik weten.
De lampjes, buiten rondgedragen,
gaan mij niet aan.

Mijn licht schijnt door de lampion mijner persoonlijkheid
zo dacht mij God.
Ik ben de lichtvonk, niet de lampion.
Ik doe mijn dienst, ik schijn maar uit –
Ik ben een denk-beeld Gods.

Mellie Uyldert – Mijn hart is aan de overzijde

 
 
10. Soms kun je zomaar verdwijnen.


Je zit in de schaduw van een boom,
je gedachten zijn niet bij het verleden of de toekomst,
je bent er gewoon - waar kun je dan zeggen dat jij bent?
Waar is het ik? Je kunt het niet voelen,
het is er niet. Het ego is nooit in het heden.
Het verleden is er niet meer,
de toekomst moet nog komen;
die zijn er dus allebei niet.

Het verleden is verdwenen, de toekomst is
nog niet verschenen - alleen het heden is.
En in het heden is niet zoiets als het ego te vinden.
In sommige Tibetaanse kloosters doen de
monniken nog steeds een meditatie
die tot de oudste behoort die we kennen.
Die meditatie gaat uit van de waarheid
waar ik het nu over heb.

De monniken leren ons dat je soms
gewoon kunt verdwijnen.
Terwijl je in de tuin zit,
krijg je de gewaarwording dat je verdwijnt.
Kijk eens hoe de wereld eruit ziet
als jij eruit verdwenen bent, als jij hier niet meer bent,
als je volkomen transparant bent geworden.
Probeer één seconde lang niet te zijn.

In je eigen huis, wees daar eens alsof je er niet bent.
Echt waar, het is een prachtige meditatie.
Je kunt binnen een etmaal verschillende
keren de proef nemen - een halve seconde is genoeg.
Stop een halve seconde met leven:
je bent er niet en de wereld gaat door.

Als het steeds sterker tot je begint door te dringen
dat de wereld zonder jou prima functioneert,
kun je met een ander deel van je leven kennismaken
dat al zolang,
vele levens lang, niet op waarde is geschat.
En dat is je ontvankelijke kant.
Je laat gewoon toe, je wordt een doorgang.
De dingen gebeuren zonder jou.

Uit Osho: het oranje boek - leven wie ik ben.
 
 

11. Alle dingen
 

 
Alle dingen
zijn me te klein;
ik ben zo wijd!
Één, ongeschapen
heeft me gevat
in eeuwige tijd.

Ik heb ‘t gevangen.
Het heeft me geopend,
wijder nog dan wijd;
te klein is al het andere
voor mij – en dat weet u
die ook daar zijt.

Men is vrij
in het nabij-zijn,
ongescheiden;
daarom wil hij
dat het net zo is
met ons beiden.

Hadewijch
(vertaling: Maria van Daalen)

          
 
12. Ik meende       
 
    
            

Ik meende ook de godheid woonde verre,
in enen troon hoog boven maan en sterren.
En hief menigmaal mijn hoofd
met diep verzuchten naar omhoog,
maar toen Gij U beliefde te openbaren,
toen zag ik niets van boven nederdalen
maar in de grond van mijn gemoed
daar werd het lieflijk en zoet.

Daar kwam Gij uit der diepte uitwaarts dringen
als een bron mijn dorstig hart bespringen.
Zodat ik U o God bevond
te zijn de grond van mijnen grond.

Jan Luiken


13. Stenen
 

 
een steen leeft goedmoedig langzaam
zo traag als dood,  stille stoller van het licht
een steen stilt rustig tussen de dingen
stenen blijven en mensen sterven

mensen leven kwetsbaar vluchtig
hun stof trilt op elke harteklop
wankel lichaam dat voorbijgaat
veroudert en vervalt

licht zoekt in ons een meegaande bedding
zacht vloeiend spreidend zich verbreidend
alleen wie beweegt kan eeuwig leven

in stenen rust het licht
met mensen vloeit het

© uit Willem Glaudemans, kortstondig bestendig            
       
       
       
14. Psalm 1
 

Systeem! Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
Hij die in U een man ontwaart
misvormt U naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.

Systeem, ik noem U dus geen God,
Geen Heer of ander Woord
waarvan men gave of gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt.

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,
aard van ons hier en nu,
Ik voel mij diep door U bereikt
En als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.

Leo Vroman (Gouda, 10 april 1915 – Fort Worth, 22 februari 2014)
 
 
15. En de ziel spreekt:
 


Daar zag ik als één geheel mijn leven tot in elk detail,
elke handeling, hoe gering of belangrijk ook,
elke gedachte, hoe verheven of banaal ook,
elke gebeurtenis, hoe kort of ingrijpend ook.

Ik zag elke toevallige ontmoeting en levenslange relatie,
elk gevoel dat ik had, elk woord dat ik sprak.
Ik zag ze alle als één geheel, en ik zag ze
alsof ik er tegelijk in en uit was,
ik nam mijzelf waar en was in de hoofdrol,
ik was waarnemer en deelnemer tegelijk.

Ik was tegelijk kind, puber en volwassene.
Alles was in mij bewaard gebleven,
elke levensdraad lichtte even op.
Ik zag het reservoir van mogelijkheden en
waarschijnlijkheden en de keuzes die ik maakte.

Ik zag wat mijn rol was geweest, mijn aandeel,
en ik kon geen verantwoordelijkheid meer afschuiven
of aan omstandigheden wijten. Het waren mijn keuzes.
Ik ervoer het effect van al mijn daden en woorden
op de mensen om mij heen, hun vreugde en hun pijn.

Ik zag mijn vergissingen en mijn nalatigheden,
mijn mislukkingen en mijn vermeend succes,
mijn vriendelijkheid en behulpzaamheid,
vooral zag ik in alles een lichtdraad geweven
die soms afwezig leek. Ik zag de liefde die ik gaf
aan totaal vergeten figuren en toevallige passanten,
ik beleefde mijn worsteling met wie ik liefhad,
mijn zelfzucht en mijn onbaatzuchtigheid.

Ik zag mij lessen weigeren en pijn ontkennen,
ik zag mezelf winnen en verliezen en het
had totaal geen betekenis meer.
Daar zag ik alles, mijn liefde en mijn lijden,
hoe mijn leven werkelijk was geweest
in alle eerlijkheid en overzicht.

– Ik huiverde noch juichte. –

Ik keek met een Getuige van licht,
en de blik van zijn oneindige liefde
beving mij, ik kon niet anders
dan kijken zoals hij keek en mijzelf
begrijpen zoals ik geworden was, wat mijn
intenties en motieven waren, zuiver, onzuiver
en gemengd. En ik zag mijn aandeel en ik zag
de altijd aanwezige bescherming, en alle kwetsuren
die ik anderen gedaan had werden met liefde
ongedaan gemaakt. En ik had totale compassie
met mijzelf, compleet begrip en volkomen vrede.

Ik voelde diepe ontroering voor alles wat ik zag,
voor de prachtige samenhang van dit alles,
voor de schoonheid van alle gesponnen draden,
mijn schering en Gods inslag.

Ik knikte en boog en de lichtbeelden verdwenen,
wat bleef was grote dankbaarheid voor elke
gelegenheid, benut en onbenut, om met liefde
te leven in deze leerschool die aarde heet,
opgenomen in het Grote Weefwerk van God.
 
W. Glaudemans
 
 
 16. Stenen

een steen leeft goedmoedig langzaam
zo traag als dood, stille stoller van het licht
een steen stilt rustig tussen de dingen
stenen blijven en mensen sterven

mensen leven kwetsbaar vluchtig
hun stof trilt op elke harteklop
wankel lichaam dat voorbijgaat
veroudert en vervalt

licht zoekt in ons een meegaande bedding
zacht vloeiend spreidend zich verbreidend
alleen wie beweegt kan eeuwig leven

in stenen rust het licht
met mensen vloeit het

© uit Willem Glaudemans, kortstondig bestendig  



17. Licht

licht  komt  breed  op  ons  toe
een kracht
die ons doordringt
waarheid opstoot
het hart wekt
cellen iriseert
licht breekt
zich baan
door achterkant
van droom en tijd

en toch zo stil is licht
onmerkbaar alomvattend
openbaart zich
nauw vibrerend
transformeert meteen

licht spreekt altijd
op het juiste moment
de toekomst razendsnel
nabij
verheft ons
boven onszelf

licht van waarheid
doorbreek mij tot inzicht
wek mij tot voltallig licht
eenoog kan zien

niets kan het licht weerhouden
zichzelf tot een
te delen
ontwakend licht in mij

© Willem Glaudemans, uit Van zelf sprekend heden, 2010.
 
 
 
 18. Dakloos geborgen

 
Wie met MIJ gaat, zal dakloos worden, zodat hij de sterren beleeft
Wie met MIJ gaat, zal pijn lijden, zodat IK hem genezen zal
Wie met MIJ gaat, zal hongeren, zodat IK hem het Levensbrood reik
Wie met MIJ gaat, zal dorsten, zodat IK hem zal laven met de Wijn
Wie met MIJ gaat, zal ontledigd worden, zodat IK in hem kan wonen.

Geborgenheid omvat méér, dan welk dak ook kan bieden
Geborgenheid is stiller dan woorden kunnen zeggen
Geborgenheid is inniger dan de mens kan bevroeden
Geborgenheid is het verlossende Antwoord op alle ont-wikkeling
Geborgenheid ontstijgt aan alle ontwrichting, pijn, nood en benardheid.

Wie in Gods Naam bereid is om te leven op de aarde
Wie in Gods Naam bereid is om te dragen op de aarde
Wie in Gods Naam bereid is om los te laten op de aarde,

die mens zal deel hebben aan het boventijdelijke ware Leven
die mens zal zich geborgen weten te allen Tijde
die mens zal bereid zijn tot mateloos volbrengen,

Ik zend u Vrede, ga in Mijn Naam.
Vrede zend Ik u, VREDE.
Amen.

R. Fentener
 
 
 19. Duizenden wonderen


Sinds ik de schoot van mijn moeder verlaten heb,
tot het uur waarin mijn zon zal ondergaan
omgeven Uw wonderen mij, 0 God.

En zelfs het kleinste van deze wonderen
is zo groot dat het menselijke verstand
het niet kan bevatten ­
onvermoed en onvoorstelbaar,
met geen penseel te schilderen,
met geen pen te beschrijven,
en er is geen tong die het vertellen kan.

Temidden van al deze wonderen
word ik - zelfvergeten - stil...
en zo peinzend komt het mij voor
dat ik zelf het grootste van alle wonderen ben.

Mikhaïl Naimy – Gesprek met de Ander
 
 
 20. Een ander ik
 
 
Er schuilt een gedaante in mijn eigen 'ik'
die anders is en levender en vrijer
die in zichzelf geen muren kent en tralies
geen eigendunk heeft en geen geldingsdrang
die zich weet los te maken uit de windsels
van angst en gal en treurig zelfbeklag.
die open gaat en ademt in de ruimte
die luisteren wil, geduld heeft, troosten kan
en minnend inziet wat een ander mens bezielt
die geen bedenkingen, geen grenzen kent
en lachend geeft en deelt vanuit een
wijd besef dat allen op aarde één zijn
en dat geen lot ons breken kan
omdat wij gronden in echte liefde.

Soms in het donker
kijkt dat diepste 'ik' mij aan
en ik herken het als de levende icoon
van wat ons ooit is aangezegd:
de nieuwe mens is in mij en iedereen verborgen
zo ver, zo ver, maar onder ons bereik.

Catharina Visser