Troostende woorden bij afscheid nemen en verdriet

01. Ik zie.... - 02. Wanneer de lente komt - 03. Dood - 04. Troostende woorden - 05. Een kleinood - 06. Er was eens een boom... - 07. Heer - 08. Sterfbed - 09. Als ik nog een leven zou mogen leven - 10. Ik denk - 11. Dood - 12. Lazarus - 13. Als je van iemand houdt - 14. Verdriet - 15. De mensen van voorbij - 16. A Dieu - 17. Weggaan - 18. Wat is sterven? - 19. Melancolia - 20. Melancolia 2 - 21. Afscheid - 22. Interieur - 23. Wanneer ik slapen zal - 24. De dag is... -  25. Elkaar kennen - 26. If you ever need me -
 
 
 
 
 
 
 01. Ik zie....
 
 
Ik zie een mens
Ik zie een mens,
steen geworden
van verdriet.
Hij krimp ineen.
Hij rolt zich op.

Hij heeft geen ogen om te schreien,
geen mond om te huilen,
geen oren om het troosten te verstaan.
Hij is verstild tot steen.

En ik vroeg U, God:
Is zijn leven dan gedaan?
Toen hoorde ik uw stem, die zei:
wees gij zijn ogen en zijn oren,
de voeten waar hij op kan staan.

Leg uw handen op zijn versteende hoofd
En noem heel zacht zijn naam.
Dan zal hij weer leven gaan.

G.E. Braehler

 
 

 02. Wanneer de lente komt

 
 
 

Wanneer de lente komt,
En als ik dan al dood ben,
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.


Ik voel een enorme vreugde
Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is.


Als ik wist dat ik morgen zou sterven
En het was overmorgen lente,
Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.


Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?
Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zo als het moet zijn;
Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.
Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,
Want alles is werkelijk en alles is zo als het moet zijn.


Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben.
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is.


Fernando Pessoa

 
 
03. Dood
 


Dood. Heb geen angst.
Talm niet voor mijn deur. Kom binnen.
Lees mijn boeken. In negen van de tien
kom je voor. Je bent geen onbekende.

Hou mij niet voor de gek met kwalen
waarvan niemand de namen durft te noemen.
Leg mij niet in een bed tussen kwijlende
kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen.
Klop mij geen geld uit de zak
voor nutteloze uren in chique klinieken.

Veeg je voeten en wees welkom

Eddy van Vliet


 
 04. Troostende woorden

Wanneer het koud is in je hart
Wanneer het koud is in je hart
en je geen warmte uit kunt stralen
Wanneer je denken je verwart
en je moet gaan door diepe dalen
 
Wanneer je niets dan zorgen ziet
en je alleen moet door de dagen
Wanneer je eenzaam je verdriet
en onbegrepen pijn moet dragen
 
Wanneer  je zelfs geen woorden vindt
voor je ontmoedigde gedachten
dan zoekt God jou, Zijn droevig kind
dat klein en stil op Hem blijft wachten
en wie zichzelf zo machteloos
zo moe voelt en zo vol van zorgen,
die troost Hij zo een moeder troost
die houdt Hij in Zijn hart geborgen.
 
En God zegt niet
Dat je maar niet moet huilen
Dat het er nu op aankomt
Sterk te zijn
Hij weet toch zelf wat zwakheid is en pijn
Mijn kind, zegt Hij,
Kom nu maar bij Mij schuilen
 
En God zegt niet
Dat je maar niet moet vragen
en dat je flinker zijn moet
dan je bent
Hij heeft toch zelf ook het "waarom” gekend
Mijn kind, zegt Hij,
Laat Mij maar helpen dragen

auteur mij niet bekend.
 
 
 
05. Een kleinood

er is een lege plek ontstaan
een diepe wond geslagen
die niet zo snel meer dicht zal gaan
want als verdriet en vreugden
zo lang en innig zijn gedeeld
dan vraag je of de tijd wel
de allerdiepste noden heelt

je voelt je vaak verlaten
naast die vertrouwde lege stoel
men zegt: dat gaat wel over
maar 't geeft je nu zo'n kil gevoel
en zelfs de mooiste woorden
al zijn ze nog zo echt gemeend
doen je toch niet vergeten
waarom je ziel zo zachtjes weent

en toch komen er tijden
waarin de boom weer kleurrijk bloeit
en takken zullen groenen
die nu zo smart'lijk zijn gesnoeid
waarin je weer kunt zeggen:
zelfs in dit ongevraagde lot
draag ik nog als een kleinood
mijn onbegrensd geloof in God!

Frits Deubel

 
06. Er was eens een boom...
 


Een onbekende boom, ergens langs de waterkant.
Geplant door niemand weet wie.

Hij leefde daar breeduit met vele takken.  
Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht.
's Winters was het leven kaal,
en zwiepend op de harde wind en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten,
stond hij maar te wachten op de lente.

Tot zijn takken weer vol groen en bloesems schoten van ingehouden leven!
En, als de zomer kwam, maakte hij gratis schaduw voor iedereen,
en soms een paraplu tegen de regen.

Zo leefde die boom daar, jaar in, jaar uit, op en neer in vier seizoenen.
Maar op een zekere dag kwam er een man, gewapend met een mes.
Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak werd afgesneden en de man nam hem mee naar huis.
Een dode tak … voorgoed van het leven weggesneden.
En straks natuurlijk vergeten.

Drie dagen later kwam de man terug bij de boom.
Die stond daar, doodstil van angst.
Welke tak is vandaag aan de beurt?


Maar kijk, de man ging zitten aan de voet van de boom
en hij blies op de afgesneden tak.
Hij blies het lied van de fluit  

"Horen jullie mij? Ik leef! Ik leef!        
En méér dan ooit tevoren. Ik leef! Ik fluit! Ik zing!"
 
Marinus van den Berg
 
 
07. Heer

Heer,
Er valt geen blad van een boom
buiten U om.
U bent aanwezig in alle leven
en in de loop der dingen.
U weet van mijn vreugden,
van mijn beproevingen
en van mijn tranen.
Laat die gedachte
mijn troost zijn.
U raapt op wat is gevallen
en maakt het nieuw.
 
Toon Hermans

 
 08. Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten
zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

Jean Pierre Rawie

 
 09. Als ik nog een leven zou mogen leven
 



Als ik nog een leven zou mogen leven
dan zou ik meer fouten willen maken.

Ik zou meer willen ontspannen en zachter willen zijn,
ik zou dommer willen zijn dan ik was
tijdens deze reis.

Ik zou dingen minder serieus willen nemen,
ik zou meer kansen willen pakken,
meer bergen beklimmen
en in meer zeeën willen zwemmen.

Ik zou meer ijs willen eten en minder bonen.

Ik zou misschien meer echte zorgen hebben
maar minder ingebeelde.

U begrijpt… ik ben zo iemand die voorzichtig en gezond leeft
uur na uur, dag na dag.

Oh, natuurlijk heb ik mooie momenten gehad
en als ik het over mocht doen
zou ik proberen alleen maar momenten te hebben.
Het ene moment na het andere
in plaats van zoveel jaar vooruit te leven.

Ik was zo iemand die nooit ergens heenging
zonder thermometer, kruik, regenjas en parachute.
Als ik mijn leven nog eens mocht leven zou ik
mijn tas minder volstoppen.

Als ik nog een keer mocht leven
zou ik in de lente blootsvoets wandelen
en ermee doorgaan tot ver in de herfst.

Ik zou vaker dansen en vaker in een draaimolen zitten
en ik zou meer duizendschonen plukken.

Nadine Stair, 85 jaar, Louisville, Kentucky
Bron: Barbro Bronsberg - Hoe ga je een burn-out te lijf
 
 
 
 10. Ik denk

Ik denk
als het regent:
laat ze niet nat worden
en als het stormt:
vat ze geen kou?
 
en ik denk ook
dat denken niet helpt
want je wordt nooit meer
nat noch vat je kou

want het regent
noch waait ooit
meer voor jou

Bert Schierbeek

 
11. Dood
 


Je lichaam was warm.
Je lichaam is koud.
Je mond was zo zacht.
Je lippen zijn koud.
Je ogen zo helder en diep.
Je ogen zijn koud,
kleine vensters van de nacht.

Alles valt stil.
Wie kan je nog strelen,
nog zeggen, dat hij van je houdt.
Je bent zo eindeloos ver.
Je hart is stilgelegd?
Je benen worden stijf.
Je armen, je mooie handen, je ogen.

Alles valt stil.
Daareven was je nog hier.
Eén moment en je huis was leeg,
je lichaam verlaten.
Ben je nu zo ver weg, onbereikbaar ver?
Of hoor je mijn roepen.
Misschien zie je mijn tranen.
Ik weet het niet.
Waarom laat je mij dood
en kies je zelf het leven?

Uit: ‘God, niet te geloven’ door Phil Bosmans.
 
 
 12. Lazarus
 


Soms ben ik moedeloos, en hoogstens nog een vonk
van het vuur dat in mij was.
Ik weet niet waar ik gaan moet en waar staan:
verhef je hart eens als het graf steeds aan je trekt,
omdat je levensdraad te ver werd uitgerekt…

Ik val terug, ik kan niet langer uit mijzelf vandaan.
Ik geloof in Hem, in Hem, maar niet in mij.
Soms denk ik: in de dood was ik pas vrij.
Hoe maak ik waar wie ik voor Hem moet zijn?
Hoe kan ik groeien als ik krimpen moet van pijn?


Wiel Kusters (1947), dichter en
hoogleraar Algemene en Nederlandse letterkunde


 
13. Als je van iemand houdt

 

Als je van iemand houdt
en je wordt van hem gescheiden
kan niets de leegte van zijn aanwezigheid vullen.
Je moet dat eenvoudig niet proberen,
je moet het eenvoudig aanvaarden en volharden.
 
Dat klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost,
want zolang de leegte werkelijk leeg blijft,
blijf je daardoor met elkaar verbonden.
Het is fout om te zeggen: "God vult die leegte"
Hij vult haar helemaal niet, integendeel:
Hij houdt die leegte leeg
en helpt ons zo de vroegere gemeenschap
met elkaar te bewaren, zij het ook in pijn.
 
Hoe mooier, hoe rijker de herinneringen
des te moeilijker de scheiding,
de pijn van de herinnering in stille vreugde.
 
De mooie dingen van vroeger zijn geen doorn in het vlees,
maar een kostbaar geschenk dat je meedraagt.
 
Je moet zorgen ,
dat je niet in je herinneringen
blijft graven en je erin verliest;
een kostbaar geschenk bekijk je niet aldoor,
maar alleen op bijzondere ogenblikken.
Buiten die ogenblikken
is het een verborgen schat, een veilig bezit.
 
Dan wordt het verleden
een blijvende bron
van vreugde
en kracht.


Dietrich Bonhoeffer
 
 
 14. Verdriet


Verdriet kun je niet delen,
want het is iets dat jij alleen voelt.
Verdriet is van binnen sterven,
een enorme leegte, een angstaanjagende pijn.

Het is eenzaamheid,
een ziekmakende pijn 's nachts, een gapend gat bij het ontwaken.
Wat men ook tegen je zegt, het helpt niet.
Argumenteren heeft geen zin.

Stilte is het beste antwoord wanneer iemand verdriet heeft.
Niet de ongemakkelijke stilte
die soms, ongewild, in een gesprek ontstaat,
maar een stilte waarin je met je hart bij de ander bent.

Liefde die zich uit in de stilte,
is de weg in de gapende leegte van het verdriet.
De liefde die stil en teder de pijn verzacht,
de droefheid een beetje wegneemt,
dát is de beste liefde.

Het is de liefde van God, warm en waarachtig,
die het bedroefde hart aanraakt en geneest.
Hij kijkt vol medelijden naar wie verdriet heeft,
want droefheid is een groot lijden.

Hij kwam te midden van ons om het verdriet te leren kennen,
en nog zoveel meer, deze Man van Smarten.
Hij weet ervan. Hij begrijpt het.
Verdriet zal plaatsmaken voor vrede
- te zijner tijd.

Kardinaal Basil Hume, OSB
 
 
 15. De mensen van voorbij

De mensen van voorbij
wij noemen ze hier samen.
De mensen van voorbij:
wij noemen ze bij name.
Zo vlinderen zij binnen
in woorden en in zinnen.
De naam, een kaars, een gebaar:
zo zijn we even bij elkaar;
 
De mensen van voorbij;
ze blijven mét ons leven.
De mensen van voorbij;
ze zijn met  ons verweven.
In liefde, verhalen,
die wij zo graag verhalen;
in bloemengeuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.
 
De mensen van voorbij;
wij zullen ze niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Nu mogen ze dáár wonen,
waar pijn niet meer kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht - zijn vrij.
 
Anna Lamb
 
 
 
 16. A Dieu (*)

Je bent niet dood - de Heer heeft je geroepen
bij Hem te wonen in Zijn glanzend huis;
Je hoeft geen rust en vrede meer te zóeken.
je hebt ze nu - want je bent veilig thuis.

Je bent niet dood - je mag voor eeuwig leven,
je bent verlost van onvolkomenheid,
van pijn en van verdriet.

God zal je geven een onbegrensd geluk in
onbegrensde tijd - Je bent niet dood -
Maar ach, ik zal je missen zoals een mens
de meest geliefde mist.

De jaren van geluk zijn nooit meer uit te wissen,
en ik geloof:
God heeft zich niet vergist......  


Nel Benschop

(*) mooie titel want A Dieu = Aan God en adieu = vaarwel
 
 
 
 17. Weggaan


Als een auto die lang in de regen gestaan heeft
optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter;
een plek die zich van de rest van de straat
onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is
en niet afzonderlijk meer bestaat.

Dat is wat blijft als je weggaat

Anton Korteweg
 
 
 18. Wat is sterven?
 

 
Ik sta aan de kust.
Ik zie een schip met volle zeilen dat uitvaart naar de blauwe oceaan.
Hij is schitterend en vol kracht en ik sla hem gade
totdat hij uiteindelijk niet meer is dan een wit wolkje,
daar waar de zee en de lucht samenkomen en in elkaar overgaan.

Dan zegt iemand naast me: "Kijk! Hij is weg!”.
Hij is niet meer te zien.
Zijn mast, romp en rondhout zijn nog net zo groot als toen hij bij mij wegging
en hij is nog net zo goed in staat zijn levende lading
naar zijn haven van bestemming te varen.
Zijn kleiner geworden formaat zit in mezelf, niet in hem.
 
En op precies hetzelfde moment waarop iemand naast me zegt: "Kijk! Hij is weg!”,
zijn er aan de andere kant ogen die hem zien komen
en andere stemmen die de blijde roep overnemen: "Daar komt hij!”

En dat is sterven…
 
 
 19. Melancolia
 


Toen ik door het maanlicht liep
En de paden meed,
Bang, dat ik den tuin, die sliep,
Wakker schrikken deed

Door het ritselend gerucht
Van mijn kleed en voet-
De oude boomen! die een zucht
Wakker schrikken doet.

Toen ik naar den vijver ging
Door het korte gras,
Naar den boom die overhing
Waar het water inkt geleek,

En zoo roerloos sliep,
Of het oog in 't duister keek
Van een peilloos diep,
Waar het windgefluister klonk

Door het popelblad...
Weet gij, wie op d' elzentronk
Mij te wachten zat?
Vleermuisvleugelige vrouw,

Die mij 't eeuwig jong,
't Eeuwig oude lied van rouw
Vaak te voren zong,
Tot ik in den maneschijn

Zacht heb mee geschreid
Met het eeuwenoud refrein:
"Alles ijdelheid."
Hebt ge hier op mij gewacht,

Denkend, dat ik sliep?
Hebt gij zóó aan mij gedacht,
Dat uw geest mij riep,
Dat ik staan kwam aan het raam

En onrustig werd
Door het roepen van mijn naam
Uit de lichte vert'?....
Toen ik u hier wachten vond

En met stillen schrik
In den peilloos diepen grond
Staarde van uw blik,
Toen ik zwijgend binnentrad

En in zwarte schauw
Uwer vleuglen nederzat,
Zwartgewiekte vrouw,
Heb ik, met uw hoofd gevleid,

Liefste aan mijn hart,
Zachtkens met u mee geschreid
Om der dingen ijdelheid
Om onze oude smart.

Jacqueline E. van der Waals
 
 
 20. Melancolia 2
 
Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.
 
Als 't kleed ons past is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.

C. Vosmaer.
 
 
 
 21. Afscheid



 Een oogenblik voor het voorbije leven
Als voor 't bewogen spiegelvlak te staan
Van rimplend water, dat met stadig beven,
Het beeld, eer het tot stand komt, doet vergaan,
Den vorm te zien, die in het water drijft,
Onzuiver zoo van kleuren als contouren,
Die, vluchtig bij het allerlichtst beroeren,
Geen wezen heeft, dat in zichzelf beklijft...

En heen te gaan - en niets dat achterblijft
Dan dingen, die wij meenden te bezitten,
En niet ons eigen waren, die als klitten
Nog hechten in de plooien van ons kleed,
Maar die wij van ons doen, zooals we leed
En bitterheid en zorgen van ons deden,
Als niet van ons, als dingen van 't verleden...

Een oogwenk voor het vlottend watervlak te staan
En naar 't verwarde spiegelbeeld te staren
Dat nog de trekken draagt, die de onze waren,
En stil en eenzaam heen te gaan.

Jacqueline E. van der Waals
 
 
22. Interieur
 


In dit met boeken volgestouwd vertrek
Heb ik steeds minder anderen van node,
met al mijn aan de dood ontstegen doden
iedere nacht stilzwijgend in gesprek.

Bij wie is wat ik liefheb nog in trek?
Het meeste is al eeuwen uit de mode.
Van wat ik deed, uit nood of om den brode,
rest enkel de grandeur van het echec.

Maar ook al bood het leven nog zoveel
Waar ik mijn tanden op heb stukgebeten,
éen regel, en de wereld raakt vergeten,

éen rijm, en het verscheurd heelal wordt heel:
alleen achter mijn schrijftafel gezeten
heb ik opnieuw aan heel de schepping deel.

Jean Pierre Rawie
Uit: Onmogelijk geluk, 1992 - Uitgever: Bert Bakker
 
 
 
 23. Wanneer ik slapen zal

 
 
Wanneer ik slapen zal in 't graf,
ijskoud, zwijgend, onbewogen,
In mijne doodkist vastgeschroefd,
Van eeuwig-donkeren nacht omtogen;

En, als daar boven, in 't lentelicht,
Bloemen en bladeren weer ontspruiten,
Wijl in den treurwilg over mijn hoofd,
De vogels van lust en liefde

Zal er dan, in dien zonneschijn,
Bij al dat frisch opborrelend leven,
Niets meer, niets van wat ik was,
Mede genietend, mogen zweven?

En, - Vrouw! - als we eindelijk allebei,
In de eigenste groef ter rust gedragen,
Weer liggen en sluimeren zij aan zij,
Gelijk we daar boven in 't echtbed lagen;

En, als, bij zonnenondergang,
De kinderen versche bloemen brengen,
En licht daarover een stillen traan
Van liefderijk herdenken plengen;

Of, als zij treurig tot elkaar
Fluisteren: "Waar nog zijn ze te vinden,
 Die op aarde, hun leven lang,
Beminnen gelijk die twee beminden?"

zal er dan uit ons stilstaand hart
Geen vonk van d'ouden gloed ontspringen
Die, lichtend en warmend, van mij tot dij,
Van dij tot mij door 't graf komt dringen?

En, als der kinderen kinders dan,
Die lichtkroon onzer oude dagen,
Met pruilend mondjen en vochtig oog,
Bij 't huiswaartskeeren den ouderen vragen:

"Komt nu Grootva nimmer weer
Vertelsels vertellen en liedjes zingen?
En brengt ons zoete Grootmoe nooit
Meer speelgoed mee of lekkerdingen ?"

zal er dan niets meer, niets van ons
Zich mogen aan d'ijzeren nacht ontrukken,
Om op die hoofdekens, bruin en blond,
Onzichtbaar nog eenen kus te drukken?
 

Jan van Beers
 
 
 
 24. De dag is...
 


De dag is buiten onze macht vergleden
De blaadjes hebben zich gevouwen
Het licht ontbreekt in deze stonde
Van de laatste ademtocht van de dag
De duisternis van de nacht omringt ons
De verre zielen van de sterren zijn te zien
Ver van deze wereld waaraan wij zijn gebonden
Een wereld van verdriet, van angst en dood

Slaap de eeuwige slaap, mijn lief
Je ziel zal deze nacht doorstaan
Omhels de duisternis innig
Slaap de eeuwige slaap, mijn lief

De toegenomen duisternis verovert onze zielen
Omhelst ons in een verkillend kleed
Diep in het niets van een Meesteres
Die ons lot in haar handen houdt

Droom, krijgers, van de duisternis daarboven
En proef de zoete verlossing
Van de gemalin van de nacht, en haar liefde
Voor ieder die zich in haar boeien bevindt

Slaap de eeuwige slaap, mijn lief
Je ziel zal deze nacht doorstaan
Omhels de duisternis innig
Slaap de eeuwige slaap, mijn lief

De ogen vallen toe, de ziel legt zich ter ruste
En na het opbiechten van onze zwakheid
Leggen we onze wil in hare handen
En buigen we voor de hare
 
De kracht van de stilte vult de hemel
In diepten die ons ver te buiten gaat
En onze zielen zullen daarheen vliegen
Waar angst en leed zijn uitgewoed
 
Slaap de eeuwige slaap, mijn lief
Je ziel zal deze nacht doorstaan
Omhels de duisternis innig  
Slaap de eeuwige slaap, mijn lief


auteur mij niet bekend
 
 
 
 25. Elkaar kennen
 

Nu kende hij haar pas echt, zei hij,
de vrouw van wie hij, toen ze nog leefde,
zonder een moment van twijfel had gehouden,
maar die hij nooit had gekend.

Een mens kon alleen met een ander samen zijn
wanneer deze laatste dood was
en zich echt binnen in hem bevond.

Thomas Bernhard, Verstörung
 
 
 26. If you ever need me.

If ever you need me,
I'll be right here,
To chase away the sadness,
And wipe away a tear.

If ever you need me,
I'll be two steps behind,
To follow in your footsteps,
And hear what's on your mind.

If ever you need me,
You'll never have to fear,
That your presence isn't important,
And your love isn't dear.

If ever you need me,
I'll always be around,
To bring back the laughter,
Where deep in your heart it's found.

You'll never have to worry,
For I'll always be here,
To chase away the sadness,
And wipe away a tear.

Alexandro Goncalves De Lima