Op weg naar een universele godsdienst

 
01. EEN UNIVERSELE GODSDIENST

 
Een vergelijkende studie der godsdiensten, indien op de juiste wijze ondernomen, n.l. zonder voorkeur of vooroordeel en wanneer de nadruk meer speciaal ge­legd wordt op het zoeken van overeenkomsten dan op verschillen en tegenstellingen, zal ongetwijfeld een verruiming van inzicht, een uitbreiding van visie en een groter waardering van elkanders inzicht en standpunt kunnen brengen. Ogenschijnlijk onover­komelijke verschillen worden onbelangrijk als wij daar tegenover de onberekenbare winst plaatsen, die uit de vele overeenkomsten voortspruit. Dan zal blijken, dat in hoofdzaken en in vele gevallen dikwijls zelfs tot in details, allen op dezelfde grondslagen berusten, dezelfde principiële moraal verkondigen, dezelfde levenslessen onderrichten, dat allen trachten de mens op te voeden tot een edeler, geestelijker bestaan.

Indien dat juist is - en de onderhavige studie is een zwakke eerste poging de waarheid hiervan aan te tonen - dan bezitten wij daarmee een machtig hulpmiddel tot het bevorderen van beter begrijpen en waarderen van elkanders levensbeschouwing en dit weer is de beste methode tot het aankweken van universele verdraagzaamheid. Gegrond op kennis, begrijpen en waarderen, kan aldus de vergelijkende godsdienststudie een krachtig tegenwicht zijn tegen alle bekrompenheid en onverdraagzaamheid, welke alleen in onkunde en onwetendheid kunnen bestaan. Maar al te vaak voert een vast geloof en de over­tuiging van de grote waarde van de eigen godsdienst de eenzijdig georiënteerde mens tot een afwijzen van eens anders geloof. En aan de andere zijde vindt men dan een dergelijk standpunt: belijders van elke godsdienst zijn vast ervan overtuigd zelf alleen de Waarheid en de Alleenzaligmaking te bezitten en te vertegenwoordigen; alle anderen zijn betreurens­waardige dwalingen voor hen. Waar allen met even­veel overtuiging eigen standpunt voorstaan, hoewel meestal zeer onvoldoende ingelicht omtrent het ge­zichtspunt der anderen, daar is men geneigd reeds te gaan vermoeden, hoe allen ongelijk (of wellicht allen gelijk) moeten hebben.

Maar bij dergelijke beoordelingen en veroordelingen wordt de toch zo belangrijke vraag buiten beschou­wing gelaten of het menselijk denken, zoals dat nu is, wel in staat is De Gehele Waarheid te onderkennen en te bevatten. Zou men niet redelijkerwijs moeten verwachten, dat elke eventuele Visie van de Waar­heid gekristalliseerd en beperkt moet worden, zodra zij wordt neergelegd in taal (Prediking, Heilige Boe­ken), in riten, ceremoniën, liturgieën en in leerstel­lingen bovenal?

Door dit proces móet elke vaststel­ling der Ene Waarheid omsluierd, verstoffelijkt worden. Zou de gewone mens van thans in staat zijn de ganse Grote Waarheid in al haar omvang te kun­nen omvatten?

Klaarblijkelijk niet. En als een gro­tere dan de gemiddelde mens Zijn Visie der Waarheid brengt, waarmee Hij dan poogt de mens tot Gids in het Leven te zijn, dan kan het niet anders of al heel spoedig wordt dat, wat Hij brengt, tot onherkenbaar geworden toe verwrongen en verdraaid.

Geen van de huidige godsdiensten is erin geslaagd de oorspronkelijke leer zuiver te handhaven en het was de uitgesproken overtuiging van Mohammed, de Profeet van Arabië, dat zulks ook onvermijdelijk altijd moest gebeuren, dat in verloop van tijd elke Leer der Waarheid naar omlaag getrokken wordt door hen, die na de Leraar komen, omdat deze nog niet gelijke hoogte bereikt hebben als de Leraar Zelf en zij dus daardoor alleen al niet in staat kunnen zijn die Leer in al zijn grootheid te omvatten, laat staan te prediken.

Alle godsdiensten zijn terug te voeren tot één zulk een oorspronkelijk Stichter; alle wijzen terug naar Eén, die ver boven alle anderen uitstekend, een god­delijk Leraar was, Die kennis en inzicht en de Wijs­heids-Waarheid bezit en daardoor in staat is de men­sen de Weg te wijzen, hun te tonen hoe te leven. Maar al deze Leraren, die allen getuigen van de Zekerheid van Hun Weten, staan ver uit boven de mensen en geven die Kennis in allegorieën, parabelen en symbolen, waarin en waarachter zij verborgen (en tegelijkertijd bewaard) ligt. En hoe verder in de loop der tijden men van de Oorspronkelijke Leraar ver­wijderd geraakte, hoe verder men ook afdwaalde van dat, wat Hij had gebracht. Vandaar juist de onver­mijdelijke oorzaak en noodzaak, waarop Mohammed wees, dat telkens weer opnieuw het Licht der Waarheid moet worden ontstoken en een volgend Lichtdra­ger verschijnt.

Wel is het waar, dat deze Grote Leraren, Stichters van godsdiensten, niet immer letterlijk en woordelijk hetzelfde onderricht brachten, doch Hun lering gaven al naar de aard en de behoeften van het volk en het ras, waaronder Zij moesten optreden en werken. Maar toch ligt aan aller Leer duidelijk herkenbaar Eén en dezelfde Waarheid ten grondslag, welke Zij in de taal en naar de behoeften van hun tijd en om­geving trachten te geven. En even onmiskenbaar duidelijk is, dat die originele Leer in al haar hoogheid door velen nog moeilijk kon worden begrepen en nog moeilijker kon worden geleefd, opgevolgd. Zeker hebben hier en daar enige zeer enkelen de Leraar iets beter of meer begrepen dan de anderen, de massa, doch zelfs die weinigen waren klaarblijkelijk niet zelf in staat Zijn zo hoog verheven standpunt volledig in te nemen.

Wanneer wij inderdaad onbevooroordeeld naar ver­heldering en opklaring van inzicht streven, geen vooropgezette meningen willen opdringen ter bevoor­rechting van de een of andere bijzondere godsdienst­vorm dan zullen wij ontdekken, dat elk van hen zijnbijzondere schoonheid en waarde bezit, dat elk van hen beoogt de Waarheid te verduidelijken, te onder­richten en dat uitsluitend menselijke beperking steeds weer de oorzaak is van elkander niet begrijpen ten gevolge van verschillen, van onderling niet begrepen uitdrukkingen, van het gebruik van verschillende voorstellingswijzen en gewoonten, verschil in ge­bezigde symbolen, allegorieën, legenden en parabelen, riten, en ceremoniën. Toch zijn dit alle slechts hulpmiddelen, gebezigd om in de gemanifesteerde tijd­ruimte wereld de Ene tijdruimteloze, want Eeuwige Waarheid en Werkelijkheid die er achter ligt, uit te drukken. Alle zijn zij pogingen om de Ene Waarheid weer te geven voor zover dit in gemanifesteerd be­staan mogelijk is.

Het zal wellicht nuttig zijn - zij het toch, naar wij hopen, ten overvloede - met nadruk erop te wijzen, dat wij "godsdienst" in geen geval kunnen aanvaar­den als zijnde alleen een complex van leerstellingen en dogma's, welke de mens slechts aan te nemen of te "geloven" heeft, zulks op poene[1]  van de' allerverschrikkelijkste en meest onrechtvaardige gevolgen voor hem. Godsdienst kan niet van buitenaf worden opgelegd, doch is - of moest in elk geval zijn - een zaak van hart en van gemoed, van het Innerlijk Leven zelve. Het is uitsluitend en alleen iets, wat elk individu bijzonderlijk voor zichzelf alleen aangaat en dat ten nauwste met zijn eigen innerlijk leven ver­band houdt. Ware levende godsdienst kan niet be­staan uit woorden, dogma's, leerstellingen, nog min­der is het een uitsluitend intellectueel stelsel; gods­dienst is verwerkelijking, is leven en in geen geval slechts een aanhoren en aanvaarden zonder begrijpen.

Godsdienst is leven en veranderen - die twee zijn synoniem en identiek.

Ware godsdienstkennis sluit alle wetenschappelijk en filosofisch kennen in (of moest dat doen). Eigen­lijk zijn dit drie wegen als gevolg van het feit van de Drie-Ene wijze, waarop het Ene Leven Zich in de wereld manifesteert. Inderdaad zijn zij onscheid­baar en zouden zij tezamen beoefend moeten worden, wat de Wijzen der Oudheid dan ook deden. De een vult de ander aan. Inderdaad zullen zij nooit tot waarlijk verschillende of tegenstrijdige conclusies kunnen leiden, daar het alle drie methoden zijn tot het benaderen van de Ene Waarheid. Verschillen zij wel in hun momentele conclusies, dan moet dit een aanduiding zijn, dat een of meer der drie zich ver­gist. Zij zijn eigenlijk drie aanzichten in de gemani­festeerde wereld van de Ene Onbeschrijfbare Wijs­heids-Waarheid.
 
Geloof, Rede en Kennis, de drie ver­mogens tot waarnemen, die in de mens ontplooid moeten worden en die in verloop van Evolutie in hem zullen moeten worden ontwikkeld tot de Hoogste Levensuitingen in hem, zijn de drie aardse aspecten van de Ene Geest, die hij is. Godsdienst, Wijsbegeerte en Wetenschap vormen de drie wegen, die ten slotte moeten samenvallen en samenwerken in het zoeken en vinden van het Ene Doel, de Ene Wijsheids-Waar­heid, het Ene Alomtegenwoordige Inwezen Zelf.

De innerlijke wereld, ons meest innerlijke Zelf van de Geest, is in werkelijkheid die Eenheids-Kern Zelf, zoals alle godsdiensten ons zeggen. De uiterlijke wereld der verschijningsvormen is ver, heel ver van die Eenheid af en dáár zal het dan ook moeilijk zijn om de werkelijkheden van Bestaan en Leven-zelf te ontdekken. Ware godsdienst nu, tracht de begren­zingen en beperkingen der zinnen te boven te komen door in zichzelf in te keren, in het eigen centrale Inwezen door te dringen. Alle Stichters en werkelijk belangrijke Leiders van alle godsdiensten verklaren nadrukkelijk, dat zij erin geslaagd zijn binnen in zichzelf tot dat Centrale Inwezen door te dringen, waar zij dan in zichzelf een geheel nieuwe en gans andere wereld vonden, alwaar zij boven de tijdruimtelijke manifestatie der lichamen waren uitgestegen en waar zij ontdekten, dat daar de Ene Werkelijkheid van alle werkelijkheden, de Ene Bron en Oor­sprong van alle bestaan gekend kan worden.

Het is deze mogelijkheid die de mens bezit, om op zekere momenten en onder zekere en bepaalde voor­waarden en omstandigheden, boven de mogelijkheden der gewone aardse zinnen en zintuigen uit te stijgen, welke alle godsdiensten der wereld hebben verkon­digd. Allen komen zij tot het vaststellen van zekere gegevens en feiten, welke alsnog gewoonlijk voor het verstand niet waarneembaar of bewijsbaar zijn, doch welke desniettegenstaande door hen allen als definitief wáár zijn vastgesteld - het vermogen van de Geest Zelf.

Als allerhoogste Wijsheids-Waarheid moest gods­dienst dus eigenlijk alle vormen van kennis en waar­neming omvatten, welke dan van beneden-af steeds meer en meer benaderd kan worden. En zulk een godsdienst kan niet anders dan Universeel zijn; de Weg, de Waarheid en het Leven, welke alle drie voeren tot de ontdekking van Het Ene Doel, het vinden van God van-binnen.

Want het voornaamste gevolg van zulk een objectief vergelijkende studie der godsdiensten zal zijn, dat voor allen duidelijk wordt aangetoond, dat alle gods­diensten berusten op een aantal door allen gelijkelijk waargenomen en bewezen, want ondervonden feiten van het innerlijk hoger Leven des mensen, waar de materialen verkregen worden, die kennis verschaffen omtrent 's mensen ineigen aard en wezen, met alle consequenties daaraan verbonden. De identieke on­derdingen van metafysische aard, waarop alle godsdiensten berusten, blijken steeds en ten allen tijde overal dezelfden te zijn geweest.

[1] Op straffe van….
 
 
Bron:  Jan Kruisheer - De Synthese der godsdiensten
 
 
 
02. Wat de wereld tegenwoordig nodig heeft.

 
 

Als men goed overweegt, in welke toestand de mensheid zich tegenwoordig bevindt, dan zal niemand met gezond verstand het feit kunnen loochenen, dat de wereld ‘de’ godsdienst nodig heeft. Dat ik zeg ‘de’ godsdienst en niet ‘een’ godsdienst, is omdat er vele godsdiensten tegenwoordig bestaan, die ‘een’ godsdienst heten. Maar wat heden ten dage vereist wordt is ‘de’ godsdienst. En nu komen we tot de vraag wat ‘de’ godsdienst moet zijn. Moet het een nieuwe godsdienst zijn? Als het een nieuwe godsdienst zou zijn, dan zou het niet ‘de’ godsdienst genoemd kunnen worden; dan zou het zijn als zovele godsdiensten. Ik noem ‘de’ godsdienst die religie, die men in zichzelf kan waarnemen, wanneer men uitrijst boven de sekten en de verschillen, welke de mensen verdeeld houden; en door ‘de’ godsdienst te begrijpen zullen wij alle godsdiensten begrijpen, die een godsdienst genoemd kunnen worden.

Ik bedoel niet dat alle godsdiensten geen godsdienst zijn, maar zij zijn slechts de noten. Er is muziek, en die muziek is ‘de’ Godsdienst. Iedere godsdienst slaat één bepaalde noot aan, welke beantwoordt aan de vraag der mensheid, die in een bepaald tijdperk leeft. Maar tezelfdertijd is de bron van iedere noot dezelfde muziek, die gehoord wordt, wanneer de noten samengevoegd worden. Al de verschillende godsdiensten zijn de verschillende noten, en hun samenvoeging maakt muziek.

Nu zal men vragen, waarom in ieder van die tijdperken niet de gehele muziek gegeven werd en alleen maar een enkele noot. Het antwoord is, dat er tijden in het leven van een kind zijn, dat het genoeg heeft aan een rammelaar en voor de viool komt er een andere tijd in zijn leven. Gedurende de tijd van de Chalaeërs, Arabieren, Grieken en Romeinen werden er verschillende godsdienstige idealen gegeven. Voor de enkelen werd de muziek gebracht, voor de velen slechts een enkele noot. Dit bewijst dat deze muziek altijd bestaan heeft, maar dat de mensen in het algemeen niet in staat waren haar te begrijpen, en zó werd er alleen maar één noot gegeven. Maar het gevolg was dat hij, aan wie de noot C was gegeven en een ander, aan wie de noot G was gebracht, elkaar bestreden doordat ieder zei: ‘de noot die mij gegeven is, is de juiste noot.’ En er hebben altijd zielen bestaan, die zeiden: ‘G is de ware’ en anderen die zeiden: ‘C is het ware’. Alle noten zijn juist, en als zij mét elkaar gebruikt worden, dan ontstaat er muziek. Dat bewijst dat het uiterlijk deel van de Godsdienst is, de vorm, en de innerlijke essentie: de wijsheid. Wanneer de ziel door innerlijke wijsheid gezegend is, dan heeft de ziel de hemelse muziek gehoord.

Zij, die hun harten gestemd hadden om naar muziek te luisteren, die hun zielen hoog genoeg hadden opgevoerd, zij hoorden deze goddelijke muziek. Maar zij, die met hun rammelaar speelden, hun enige noot, zij twistten met elkaar. Zij zouden een viool geweigerd hebben; zij waren er niet aan toe; zij zouden niet geweten hebben hoe ermee om te gaan.

Heden ten dage hongert de wereld meer dan ooit naar muziek. En wat is de reden? De reden is, dat eenvoudige zielen, die gehecht waren aan het geloof van hun voorvaderen, hun geloof in ere hielden en godsdienst in het leven noodzakelijk achtten; maar dat vele zielen, begaafd met verstand, rede en begrip van het leven, tegen de godsdienst in opstand kwamen, zoals het kind, als het volwassen is, zijn rammelaar wegwerpt; hij heeft er geen belangstelling meer voor.

En zo is tegenwoordig de toestand, dat de godsdienst in handen blijft van hen, die hem bewaard hebben in zijn uiterlijke vorm, uit devotie en trouw aan het geloof van hun voorouders; en dat zij, die om zo te zeggen, volwassen zijn in verstand en in geest, en iets beter willen hebben, niets kunnen vinden.

Hun zielen hongeren naar muziek en als zij vragen om muziek, dan geeft men hun een rammelaar en zij werpen de rammelaar weg, zeggend, dat zij niets geven om muziek. En toch bestaat er dat innerlijk verlangen naar muziek, naar de muziek der ziel, en waar zij ontbreekt wordt hun leven leeg.

Maar toch, als men hun over religie spreekt, dan zeggen zij: ‘Nee, nee, spreek van iets anders, wij hebben geen religie nodig.’ Dit betekent dat zij alleen de rammelaar-partij van de religie kennen, en niet de vioolpartij. Zij denken niet dat er iets bestaat, dat anders kan zijn dan de rammelaar, en toch is er een verwarring in hen, een geestelijke honger, die niet gestild wordt door al hun geleerde en geestelijke onderzoekingen.

Bron: Inayat Khan - De eenheid van religieuze idealen.