Teksten over de betekenis van Pasen en de oorsprong van het paasfeest

 
 
 
 
 
01. Betekenis van Pasen - 02. Er is geen dood03. Pasen, de dood overwonnen - 04. De mens op Golgotha - 05. Pasen Ė een lezing van Henk Leene - 06. OSIRIS en HET EVANGELIE - 07. Stille Zaterdag - In de schaduw van de dood -
 
 
 
 
01. De betekenis van Pasen
 



Van oorsprong is Pasen een heidens feest, oftewel een feest van niet-gelovigen. Pasen is oorspronkelijk het lentefeest ter ere van de godin van licht en lente: Eastre. Op de zondag na de eerste volle maan in de lente is het Pasen. Het feest werd gehouden om de vernieuwing van het leven in de lente te vieren. Daarom zijn vruchtbaarheidssymbolen, zoals hazen en eieren, erin opgenomen. Pasen is dus oorspronkelijk geen godsdienstig feest. Later heeft Pasen voor gelovigen een eigen betekenis gekregen die overigens wel aansloot op de oorspronkelijke betekenis. De godsdienstige betekenis van Pasen is de viering van de opstanding van Jezus Christus. In bijna alle landen in de wereld wordt Pasen gevierd. Maar de manier waarop Pasen wordt gevierd, is voor ieder land verschillend.

De viering van het Paasfeest is zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament het centrum van waaruit de samenhang van de Schrift gezien kan worden. Het Paasfeest is het centrum van ons geloof, dat het een overwinning is op de dood.
Het Paasfeest is het oudste christelijke feest dat wij kennen. En dus zijn van het Paasfeest belangrijke impulsen uitgegaan voor de ontwikkeling van de feestkalender in het algemeen. Voor dit feest zijn verschillende namen gangbaar: Pascha, Pasen en Paasfeest. Men stelt voor, om Pascha de Griekse versie van Pesach, voor het joodse feest te gebruiken, terwijl men  Pasen en Paasfeest voor het christelijk feest zou moeten handhaven.

De vroege christenen moeten ook het Joodse Pascha gevierd hebben, maar die viering is nu praktisch geheel verdwenen. Op het Concilie van Nicéa in 325 werd eveneens de ontkoppeling van Pesach en Pasen aanvaard. De gemeenschappelijke paasdatum van de kerk is een duidelijke afgrenzing tegen het joodse Pascha. De viering van Pasen in de christelijke gemeente heeft wortels in het Nieuwe Testament, maar de precieze ontwikkeling van het feest ligt in het duister. Voor ons gevoel moet Paasfeest vanaf Jezus' opstanding uit de dood, toch jaarlijks gevierd zijn. De werkelijkheid is bepaald genuanceerder geweest. Pasen blijkt niet eerder dan in de eerste helft van de tweede eeuw als jaarlijks terugkerend feest te worden gevierd, en daarbij wordt niet in de eerste plaats Jezus' opstanding maar vooral zijn dood herdacht.

Deze nadruk op de dood van Jezus, en van hieruit op Zijn opstanding, horen wij Melito van Sardes leggen in een paaspreek rond het jaar 165, wanneer hij het woord "pascha" verbindt met het Griekse werkwoord "paschein", dat "lijden" betekent. Melito echter tekent het lijden van Jezus niet gescheiden van Zijn verheerlijking, zoals in latere tijden Goede Vrijdag van de paasmorgen wordt losgemaakt, om daarmee tot een zelfstandige gedenkdag uit te groeien.
De oudst bekende viering van een jaarlijks Paasfeest op de eerste dag van de week valt inderdaad op de zondag die volgt op de veertiende van de maand Niesan.
Op het Concilie van Nicéa wordt om motieven van verlangde eenheid van de christenen besloten, dat de paasdatum voortaan zal zijn op de eerste zondag na de eerste volle maan na de lente-nacht-evening (globaal gesproken: 21 maart).
Het gaat voortaan dus om een drievoudige berekening: de datum van de paasviering heeft te maken met de zeven-dagen-week, met de maancyclus en met het zonnejaar.
 
 
 
 
 
 02. Er is geen dood
 
 


Het woord "doden" heeft in de bijbel twee betekenissen:

1ste  de normale betekenis van het woord, zoals wij die er in het algemeen aan hechten; dus mensen, die niet meer in de stof leven, die overleden zijn;

2de  mensen, die geestelijk dood zijn; dus zij, die niets zien dan de stof en niets beseffen van het geestelijk leven dat er achter ligt.     

Jezus zegt één zijner discipelen hem te volgen. Deze verzoekt hem eerst zijn vader, die gestorven is, te mogen gaan begraven. Hierop antwoordt Jezus: "Laat de doden hunne doden begraven".   
Hiermede bedoelde hij dus: "Laat diegenen, die geestelijk dood zijn, hen, die stoffelijk dood zijn begraven".
Op deze wijze bezien is een ieder "dood" - ook al is hij niet gestorven - die niet het geestelijk leven in zichzelf kan realiseren.                 

Het leven op aarde, zooals dit geleefd wordt zoolang het "Koninkrijk der hemelen" nog niet gevonden is, is dan ook inderdaad een graf.
De mens blijft in dat graf tot de komst van Christus. Doch dat is niet de Christus, zooals deze in het algemeen begrepen is, nl. als van buiten tot ons komende en die ons dan zal toeroepen om te ontwaken.
Het is de Christus in ons, die er altijd is; die er altijd geweest is en ons steeds heeft toegeroepen om ons te doen ontwaken, doch waarvan wij de stem niet hoorden, omdat wij er niet naar luisterden.

Dit graf moeten wij dus niet opvatten als het graf in de aarde voor ons stoffelijk lichaam. Dit graf is het geestelijke graf, waarin we leven.
Uit dit graf kunnen wij slechts opstaan, wanneer wij de stem van Christus-in-ons horen. Het "graf" is hier dus symbolisch bedoeld.
Met het stoffelijke graf heeft het niets te maken, want wat hierin komt is het stoffelijk lichaam; het omhulsel van de geest, dat niet meer geschikt was om langer als woning voor de geest te dienen en dus verlaten wordt.

Na dit verlaten van het stoffelijk omhulsel maakt de geest een rustperiode door om zijn in het afgelegde voertuig opgedane ervaringen te verwerken.
Na deze periode zoekt de geest zich een nieuw voertuig om verdere ervaringen op te doen en om datgene, wat niet op de juiste wijze werd gedaan, te verbeteren; dit zou men "nood-lot" kunnen noemen.
Terwijl men de hulp, die verkregen werd door de goede dingen in een vorig leven gedaan, "goed-lot" zou moeten noemen.      

Dit zal steeds zoo doorgaan tot de geest in het stoflichaam zich bewust wordt van, wakker wordt voor de Christus in hem, zoodat dus aan de roepstem van Christus gehoor kan worden gegeven.     ≠
Wanneer wij zoover zijn, dan staan wij op uit het "graf" van de belemmeringen, waarin onze stoffelijke inzichten ons gebracht hebben, om op te stijgen naar het "Koninkrijk der hemelen".

Wij moeten dus zeer beslist niet wachten, totdat Christus zich weer zal manifesteren op aarde.
De Christus is er; in onszelf en kan door ons gehoord worden.
Het vinden van Christus in onszelf kan alleen geschieden op aarde - in het stoffelijk lichaam.
Het is het oprijzen uit het graf van de stoffelijke beperkingen om in het "Koninkrijk 'der hemelen" in te gaan. En zolang zullen wij steeds weer opnieuw moeten terug≠keeren naar de aarde, totdat wij gevonden zullen hebben.
Dit is de weg, die vůůr ons ligt.
Hoe een ieder dit - naar zijn geaardheid - ook onder woorden moge brengen, het is de enige weg, die voor ieder gelijk is.

De geest doorloopt - na het afleggen van het stoffelijk lichaam - achtereenvolgens ≠ verschillende sferen, waarin verwerkt en gerealiseerd wordt, wat op aarde werd verricht. Na de louteringen in deze verschillende sferen, wordt in de hoogste sfeer - die meesten≠tijds ligt bůven de aardsche daden - een rustperiode doorgemaakt, waarna weer een afdaling door de verschillende sferen volgt om opnieuw een aardse periode door te maken.

De toestand in de laatste sfeer is zeer verheven en de geest is daar in die mate door≠drongen van God in ons en in alles, dat wij hiervan inderdaad zouden kunnen zeggen, dat "de ziel bij God is".
Daarom is het verstandig en juist om geen verdriet te hebben over het heengaan van hen, die ons lief, zijn.
Voor hen is het zeer zeker beter, want ons verdriet zal door hen gevoeld worden en wanneer zij trachten ons te troosten, dan bemerken wij dat niet en hierdoor houden wij hen vast aan de aarde.

Zij zouden ons graag willen vertellen, dat het hen goed gaat, doch wij hooren dit niet en dat doet hen  verdriet, zodat ůns verdriet wederom verdriet ten gevolge heeft. Wij moeten daarom trachten te berusten en doorgaan met hen gevoelens van liefde toe te zenden, hen los te laten zodat zij vrij zijn om verder te kunnen gaan.

Of mensen jong of oud zijn, wanneer zij sterven, heeft een oorzaak, die wij niet zien en ook niet kunnen zien. Wij moeten daarvoor geen moeite doen, want wij zouden naar allerlei oorzaken kunnen gissen, waarvan er geen de werkelijke is. Bovendien houdt het er ons van af om hen de liefde te geven, die wij hen kunnen toezenden.
Want indien iemand die wij liefhebben sterft, houdt dan daarmede onze liefde voor hem op?
Neen immers, want die liefde blijft, wanneer het de juiste liefde was en wij kunnen er mede blijven doorgaan deze uit te zenden. Wat is het dan, dat wij missen? Zijn het de uiterlijke blijken van liefde, die wij ontvingen en die wij nu niet meer zien?

Het is toch in de regel zů, dat wij missen hetgeen wij ontvingen, terwijl wij vergeten te geven.    
Jezus stelde niet als eis het ontvangen van liefde; hij gaf liefde.
Wanneer wij het van deze zijde bezien, dan wordt het ons duidelijk, dat wij Gods liefde niet voelden, omdat wij verwachtten, dat deze van buitenaf zou komen - precies zoals wij van buitenaf de liefde ontvangen van hen, die ůns lief zijn.
Gods liefde kůmt niet van buiten tot ons en hoeft niet van buiten tot ons te komen, omdat deze er reeds is; in ons; misschien diep verborgen, doch Gods liefde IS steeds ook in die tijden, die wij ondervinden als een beproeving.

Wanneer wij nu steeds spreken over "Gods Liefde" en niets vertellen van de weg, die er heen voert; dan verplaatsen wij de moeilijkheid van het vinden van deze weg. Daarom moeten wij spreken over blijheid en liefde.

Wanneer wij blij zijn, dan is dit doorgaans, doordat er iets moois of prettigs naar ons toe komt. Wij zijn dan blij als gevolg van een gebeurtenis, die buiten ons zelf plaatsvindt.
Wij zijn dan blij, omdat er een oorzaak voor is.   

Zo is het ook, wanneer wij verdrietig zijn. De reden, waardoor wij verdrietig zijn, ligt altijd bij een gebeurtenis in onze omgeving, waardoor dit gevoel in ons kon ontstaan. Hier is dus hetzelfde het geval, nl., dat de oorzaak buiten ons ligt en het gevolg in ons.

In beide gevallen ontstaat het gevolg in ons en ondanks ons. Zolang wij ons dus geheel op ontvangen uit de omgeving instellen, zijn wij volkomen afhankelijk van datgene wat onze omgeving ons biedt: hetzij blijheid, hetzij verdriet.
Wij zoeken steeds, voor gevoelens en stemmingen in ons, naar de aanleidingen ervoor buiten ons.
Dit is de reden dat men dikwijls hoort: "Hoe kan ik blij zijn, wanneer ik zooveel ver≠driet om mij heen zie?"
Het is echter mogelijk om onszelf "blij" te voelen, ongeacht en onafhankelijk van elke omgeving.
Dit gevoel van blijheid in ons, zouden wij kunnen aanduiden met "beginnen te luisteren naar de stem van Christus-in-ons".

Wij voelen ons dan blij als oorzaak en niet als gevolg. Daarbij wachten we dus niet af tot we iets krijgen uit de omgeving. Het is niet gemakkelijk, neen, het is moeilijk en het kost oefening, want het betekent, dat we moeten "stil-zijn". Het be≠tekent, dat we al onze gedachten moeten stilzetten om te kunnen luisteren naar die stem van Christus en het eerste wat we van die stem opvangen is het gevoel van blijheid. Wanneer het ons de eerste maal lukt, om dat gevoel op te vangen, zal het heel kort zijn. Doch als we doorzetten, dan zal het steeds langer duren, terwijl het tenslotte, als uiterste mogelijkheid, ons constant bijblijft. (Wij willen er nog eens de nadruk op leggen, dat wij ons niet één of andere reden voor de geest mogen halen, waardoor we ons wel eens blij hebben gevoeld).

Wanneer wij ons constant blij voelen - al is de omgeving om ons heen dan ook nůg zo ellendig - dan mogen we ons nimmer verwijten blij te zijn, terwijl de omgeving dit niet is.
Het heeft niets te maken met onaandoenlijkheid of leedvermaak - hoewel de omgeving het er dikwijls voor zal aanzien.
Het gaat er hier uitsluitend om, dat we zélf weten wat het is. In deze toestand van blijheid is geen plaats voor uitingen van verdriet om stoffelijk leed.
Wij zijn als het ware geheel gevuld met blijheid en er is geen plaats voor verdriet, smart, haat of boosheid.

Het beteekent natuurlijk niet, dat we deze gevoelens van en in onze omgeving niet zou≠den opmerken: deze stromen uit de omgeving naar ons toe en dat nemen we wel dege≠lijk waar.
Vroeger werd dit dan beantwoord met hetzelfde gevoel: verdriet (medelijden, tranen of wat dan ook) met verdriet, boosheid met boosheid, enz.
Nu wordt alles wat op ons toekomt natuurlijk ůůk beantwoord, zooals dit steeds het geval isÖ Maar hoe zal nu het antwoord zijn, nu, er alleen maar blijheid is?
Ziet, wanneer wij vroeger liefde ontvingen, dan voelden wij ons blij. Dus: de liefde, die naar ons wordt uitgezonden, manifesteert zich in ons als blijheid. Zoo zal ook de blijheid, die wij uitzenden, liefde zijn.
Wanneer dus blijheid in ons is en wij die blijheid gaan uitzenden, is het liefde.

Werkelijke Liefde is dus het uitgezonden blijheidgevoel, dat permanent in onszelf is. Wanneer wij dan verdriet waarnemen, zullen wij blijheid - die liefde is - uitzenden en dit zal in degene, die verdriet heeft, ůůk blijheid oproepen. Daarmede zal het ver≠driet verminderen en hoe sterker de liefdestroom was, des te minder zal dat verdriet worden. En wanneer die liefdestroom zeer sterk is, doordat onze blijheid zoo groot is, dan zal dat verdriet geheel verdwijnen.

Alles wat smart en pijn is, alles wat boosheid en haat IS zal verdwijnen - zelfs de oor≠zaken ervan. Want dit alles is tegengesteld aan de liefde, die uitgezonden wordt. Het is tegengesteld aan de blijheid, die bij de lijdende tevoorschijn wordt geroepen.

Dit was de wijze, waarop Jezus zieken genas.

De ontzaglijke kracht van de liefde, die uitging van zijn innerlijke blijheid, - die de Christus in hem was - was dermate krachtig, dat er niets kon blijven bestaan, wat tegengesteld aan die kracht was. Zoals het licht de duisternis verdrijft en de zon aan de nieuwe dag het licht brengt, zodat niet de geringste duisternis kan blijven bestaan,≠ zů bracht Jezus met zijn blijheid, die de volledig geopenbaarde Christus in hem Was, zijn alles helende Liefde.
Daarom wordt steeds van Jezus Christus gesproken, omdat Jezus zich volledig bewust was van den Christus in zichzelf en Deze in Liefde weer van zich uitstraalde.
Het is de uiteindelijke toestand, zoals  ons deze als voor≠beeld werd gegeven.

Laat ons dan trachten ditzelfde te vinden, door te beginnen blijheid in onszelf te voelen, onbeÔnvloed door wat van de omgeving op ons afkomt. Dan zetten we de eerste schrede op de weg, die voor ons allen uitgestippeld ligt.

Het is niet te veel gevraagd om dit te volbrengen. Het is dwaas en onverstandig om zij≠paden te willen gaan, als we weten, dat de groote weg, die we onontkoombaar gaan moe≠ten, vůůr ons ligt.
Wél wordt deze groote weg moeilijk en smal genoemd, maar dit komt doordat al die zijpaden een zeer groote aantrekkingskracht voor ons hebben, omdat zij vlugger lijken of omdat we denken er dingen te zullen zien, die mooier zijn, dan datgene wat de groote weg ons bieden kan.

Men denkt misschien, dat wij van ons uitgangspunt afgedwaald zijn. Men had misschien verwacht, dat wij zouden schrijven over het "lijden" van Jezus. Dat lijden is er niet ge≠weest en daarom kan er niet over geschreven worden. Het lijdensverhaal is ontstaan, omdat wij, menschen in ons volkomen niet bewust zijn van den Christus in ons - het als een lijden zouden ondervonden hebben, wanneer wij -hadden gehandeld ŗls Jezus.

Tracht éérst dit blijheidsgevoel in U wakker te roepen, als het stil is om U heen, bijv. 's morgens als U wakker bent, of 's avonds, voordat U gaat slapen. Tracht niet alleen liefde te voelen voor de omgeving, doch stel U allereerst tevreden met U blij te voelen, - in Uzelf, - niet ům het één of ander, uitsluitend blij. Liefde is altijd een gevolg hier≠van en zal gaan uitstromen, wanneer U zich blij voelt.
Bepaalt U zich tot het blijheidsgevoel in U.
De gevende liefde komt vanzelf.

A. R. v. H.
Bron: een zeer oud tijdschriftje zonder jaartal.

 
 
 
 
 
 03. Pasen, de dood overwonnen - Johan M. Pameijer
 
 
 
 
Met Pasen behoren we de overwinning op de dood te vieren. Het is een vrolijk feest na de aangrijpende spanning van Goede Vrijdag. Heel realis≠tisch plaatst de lijdensweek ons de vergankelijkheid voor ogen. Uitermate indringend klinkt dat door in de MattheŁs Passion van Bach. Ondanks de stijgende zon en de uitbottende takken ondergaan we de benauwenis van de dood bijna lijfelijk. Maar dood is ook de toegang tot nieuw leven. Dat leren ons de religies en dat zeggen vele filosofen. Deze kennis is de erfenis van de wijzen van alle tijden.

Tienduizenden betrouwbare rapportages, die het voortbestaan na de dood aannemelijk maken, staan ons ter beschikking in talloze boeken. Maar wij staan aan de zijde van de sterfelijken. Wij aanschouwen de lijdende zieke, het ijlen, het sterven. Wij blijven achter met ons verdriet. Waar blijft Paulus met zijn woord: "De dood is verzwolgen in de overwinning." Voor ons is de dood een belediging, een destructie van het leven. Wat kan een leven betekenen, dat altijd eindigt in de fuik van de dood? Het leven is een list van een boosaardige demon, die elke jonggeborene meedogenloos in de val lokt.

En toch is daar dat wonderlijke paasfeest, het zegefeest op de dood. Christus is opgestaan in navolging van de maan, die na drie dagen afwezigheid blank als een scheepszeil tevoorschijn komt. Grinnikend en voorzien van een brede kiekeboe-lach staat hij weer tegenover ons alsof hij wil zeggen: jullie denken dat er een dood is. Niets daarvan. Ik leef en zal blijven leven. Ik verdwijn alleen maar uit het gezicht, maar steeds weer kom ik terug.

Christus is ook opgestaan in navolging van al die Griekse goden, die stierven en herleefden op het ritme van de natuur. Elk voorjaar vierde men uitbundig de wederopstanding van de godheid.

In de luidruchtige proces≠sies, behorende bij de Attis-mysteriŽn, werd een pijnboom rondgedragen waarop een jongeman was vastgebonden. Daarna werd hij losgemaakt en begraven. Maar bij het vallen van de nacht werd de graftombe geopend ende god trad naar buiten, zegevierend over de dood. Een priester riep: "Attis is opgestaan uit de dood. Wees verheugd over zijn opstanding." Dat was aanleiding tot een extatische feestroes, waarbij mensen zich met de godheid probeerden te verenigen. Dat gebeurde allemaal in de laatste dagen van de maand maart, tegelijk met de nieuwe glorie van de natuur.

De naam van Attis kan ook vervangen worden door Adonis of Tammoez of zelfs Odin. Overal werden goden door het dodenrijk gevoerd om daarna weer triomfantelijk te herrijzen. De opstanding van Jezus Christus staat niet op zichzelf, maar zij kreeg een nieuwe vorm en een diepere inhoud.

Zijn opstanding uit het rotsgraf nabij Golgotha is omhuld door tegenstrij≠dige berichten. Elke evangelist vertelt zijn eigen verhaal over de wachters bij het graf. Maar over één ding zijn ze het eens. Er was een steen van het graf gewenteld. Op bovennatuurlijke wijze was het graf geopend, zodat de herleefde dode het ongedeerd kon verlaten. Het was een loodzware steen, die niet zomaar door een mens kon worden weggerold. Wie verantwoorde≠lijk was voor het verwijderen van de steen wordt niet verteld. Misschien was het de aardbeving, waar MattheŁs over vertelt.

Of sleepten de twee mannen, die Lukas noemt, de steen weg. Zeker is, dat de berichten van de begrafenis altijd erg rationeel zijn benaderd. Door de eeuwen heen is ervan uitgegaan, dat de evangelisten een natuurgetrouw verslag deden van de gebeurtenissen. Als dat zo is blijken ze geen van vieren precies geweten te hebben wat er gebeurde.

Als we de moed kunnen opbrengen om de symboliek van het verhaal te doorgronden dan opent zich ineens een glanzend panorama op het nieuwe geestelijke leven van de mens Jezus. De steen is natuurlijk een metafoor voor het materiŽle bestaan. Met het weg wentelen daarvan wordt de ziel bevrijd van haar stoffelijke last. Ze herkrijgt haar vrijheid, die ze bij haar geboorte in een lichaam verloor. In de eerste Petrus-brief noemt de schrijver Jezus "de levende steen" en hij adviseert de vreemdelingen die in de verstrooiing zijn zich ook als "levende stenen" te laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis. Dit soort uitspraken bewijst het zinnebeeldig gebruik van materiegebonden woorden.

Woorden als "graf' en "dood" betekenen in de bijbel ook niet altijd wat ze schijnen. Jezus zelf noemt bijvoorbeeld de FarizeeŽn en schriftgeleerden "gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid." Het woord "graf' kan wijzen op een psychische toestand waarin iemand verkeert. Dat geldt ook voor het woordje "dood". Iemand kan geestelijk dood zijn, hoewel hij lichamelijk leeft. Op dit soort metaforen moeten we altijd bedacht zijn bij het lezen van Bijbelse verhalen.  

Een van de bijzonderheden van de opstanding van Jezus is dat zijn verdwijning uit het graf wordt ontdekt door vrouwen. Voortdurend verzette Jezus zich tegen de ondergeschikte rol van de vrouw, die de traditie haar had toebedeeld. Deze positie dankt zij aan de zondige Eva en de ongehoorzame Sophia. Deze oervrouw zette de kringloop in beweging en bracht daarmee de dood in de wereld. Dat is haar nooit vergeven. Maar Jezus kende het geheim. Tal van voorbeelden getuigen van zijn steun aan het vrouwelijke principe. Steeds nam hij het voor de vrouw op, hielp haar, genas haar, beschermde haar. En nu, bij zijn dood, zijn het vrouwen die zijn opstanding ontdekken.

Met name de geheimzinnige figuur van Maria Magdalena wordt steeds vermeld. Volgens Markus 16 werden er van haar zeven boze geesten uitgeworpen. Deze uitdrukking is niet zomaar gebruikt.

Zeven boze gees≠ten omvatten alle kwaad dat mensen kan beheersen. Door het verwijderen daarvan is Maria van Magdala gezuiverd van alle boosheid. In het vervolg zal zij, die door de hel is gegaan, een rein wezen zijn, in wie geen enkele ongerechtigheid meer te vinden is.

Meermalen is gesuggereerd dat zij met Jezus getrouwd was. Hoewel dat niet te bewijzen valt, staat zijn liefde voor haar wel vast. De gnostische evangelisten maken geen geheim van de afgunstige gevoelens bij de discipelen jegens Maria van Magdala. Jezus zou haar voorgetrokken hebben en hij kuste haar zelfs op haar mond, aldus het Philippus-evangelie. Met deze uitdrukking geeft de schrijver te kennen, dat Jezus Maria intiem onderricht gaf. Dat miste zijn doel dan ook niet. Want het gnostische "Gesprek met de verlosser" noemt haar de vrouw die het Al kende.

Uit het feit dat drie van de vier evangelisten Maria van Magdala noemen in gezelschap van de vrouwen die het graf bezoeken, blijkt dat zij tot de intieme kring van Jezus heeft behoord. Door haar onderricht beschikte ze overeen bovennatuurlijk gezichtsvermogen. Daardoor kon ze de opgestane Jezus als eerste waarnemen.

Als grootse gestalte binnen de gnostische traditie behoort zij tot de vrouwelijke drievuldigheid van Sophia/Eva - Maria - Maria Magdalena. Sophia/Eva draagt de dualiteit van de schepping in zich, Maria de Moeder≠maagd droeg de Verlosser en Maria Magdalena is de draagster van de herstelde eenheid. In haar hebben de oerwateren hun oorspronkelijke zuiverheid teruggewonnen. Toch is hiermee het geheim van haar relatie met Jezus nog maar voor de helft ontsluierd. De vrouwen rondom Jezus zijn meer dan alleen maar reisgenoten op zijn aardse zwerftocht. Maria Magdalena is zelfs meer dan zijn echtgenote. Ze maakt deel uit van zijn gecompliceerde zielewezen.

Over de zielenroerselen van Jezus wordt vrijwel nooit gesproken. Lijfelijk als de mens Jezus doorwandelt hij de vlakten van Palestina, maar zijn leringen komen van de Christus, zijn geestelijk Wezen. Als Jezus Christus maakt hij zich bekend in lichaam en Geest. Het zielewezen van Jezus openbaart zich in drie vrouwen, drie Maria's, die in zijn aardse leven een bepaalde rol spelen. Maria de Moeder Gods is daarin de nederigheid, Maria van BethaniŽ belichaamt het devotionele aspect en Maria Magdalena is de verpersoonlijking van de Wijsheid. Nederigheid, Devotie en Wijsheid verlenen de Jezus-ziel haar vermogen om kanaal te zijn voor de Goddelijke Geest.

Maria Magdalena, de vroegere prostitué, maakte van deze drie vrouwen de duidelijkste bekering door. Een prostitué is in de Bijbelse symboliek een ziel, die zich hoofdzakelijk met het materiŽle leven bezighoudt. In die zin gaan de meeste mannen en vrouwen als prostitué door het leven. Het materiŽle vormt immers hun grootste inspiratiebron. Voor al deze mensen is Maria van Magdala een lichtend voorbeeld. Haar bekering (het uitdrijven van de zeven duivelen) is het ingrijpende inwijdingsproces, dat haar maakt tot een gereinigde beker voor de goddelijke Wijsheid. In haar heeft de opstanding uit de geestelijke dood al plaatsgevonden voordat Jezus uit het graf verrees. Maria Magdalena maakt de bevrijding zichtbaar. Zij is het voorbeeld van alle mensen, die blindelings in geestelijke duisternis rond≠tasten. Haar rol in de mystiek wordt schitterend verwoord in een uitspraak van de Soefi-meester Inayat Khan: "In de man heb ik mijn beeld ontworpen. In de vrouw heb ik het voltooid."

Een dergelijke strijd werd Maria de moeder Gods bespaard. Zij was rein van nature en daarom voorbeschikt om het lichaam van de verlosser te baren. Maria van BethaniŽ zat nog midden in het reinigingsproces. Als het meest actieve deel van de Jezus-ziel bezet zij de centrale plaats tussen Maria de Moeder en Maria van Magdala . Haar devotie is de uitdrukking van haar diepe liefde voor God.

Uit: Het Gnostisch Alternatief - De inwijdingsweg van de christelijke feestdagen.
 
 
 
 
04. De mens op Golgotha


Het is merkwaardig, dat er steeds zo betrekkelijk weinig aandacht geschonken wordt aan de beide moordenaars, die met Jezus gekruisigd werden. Toch zijn deze voor ons van het grootste belang, omdat wij onszelf hierin terugvinden.

Onze levenshouding vindt zijn crisis in de kruisiging op Golgotha. In elk leven komt een moment, dat wij schijnen vast te lopen. Wij zijn als uitgeworpenen en hangen gebonden tussen hemel en aarde.
Gebonden aan en verbonden met de aardse materie, terwijl wij weten, dat boven ons zich koepelt de hemel.

Het lot, dat de beide misdadigers ondergaan, symboliseert ons eigen lot, doch hoe verschillend zijn - in beide gevallen ≠de reacties.

Hieruit zien wij, dat niet zozeer de moeilijkheden, die wij in ons leven ondervinden, van belang zijn, als wel de wijze waarop en hoe wij deze moeilijkheden verwerken. DŠt bepaalt ons leven!

De éne mens is gebonden door en vervuld van haat tegen God en wereld. Hij roept in zijn wanhoop als hoon: "Indien gij de Christus zijt, verlos ons en U zelf en kom af van het kruis!" Hier is geen zelfonderzoek, geen schuld bekennen van het zelf, doch enkel hoon en verwijt aan God.

Geheel anders in de houding van de andere gekruisigde. Deze mens besefte, dat hij de oorzaak van zijn lot bij zich zelf moest zoeken. Hij weet zich zelf schuldig en uit dan ook geen opstandig woord. Hij aanvaardt dit lot als rechtvaardig: "Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebbenĒ

Deze mens is in staat het Goddelijke te herkennen en te erkennen. Hoewel dit, verguisd door de mensheid, naast hem gekruisigd werd.

De eerste moordenaar ziet niets dan het stoffelijke en daarom kŠn Jezus geen antwoord geven op zijn hoon waar inzicht ontbreekt.

De tweede toont te begrijpen, dat achter het stoffelijke, geestelijke mogelijkheden zijn en vraagt aan Jezus:

"Gedenk mijner, wanneer Gij in Uw Koninkrijk zijt." Daarom kan Jezus hem met de woorden "Heden zult gij met mij in het paradijs zijn" te kennen geven, dat deze geestelijke mogelijk≠heden voor hem open liggen, omdat hij zijn stoffelijk lot heeft ondergaan en begrepen.

De kruisiging van deze drie wil ook zeggen dat de geest op drieŽrlei wijze gekruisigd is in de stof: Het stoffelijke overheerst de geest, de geest begint zich bewust te worden van de stof en de geest beheerst de stof.

De eerste twee geven aan het dualisme waarin de mens zich in zijn huidig stadium bevindt. Beurtelings erkennen en ver≠werpen wij de geest, het goddelijke. Jezus daarentegen Ė boven dit dualisme uitgestegen zijnde - toont de mogelijkheden tot beheersing van de stof door de geest.   

De honende woorden van de eerste gekruisigde spreken wij wanneer de angst voor ons zelf, voor het onderzoeken van ons zelf, ons wil beletten ons zelf te leren kennen. Ontstellend groot kan deze angst zijn die zich openbaart in een masker van luid≠ruchtigheid en een vaak koortsachtig zoeken naar uiterlijk ver≠toon, vermaak, het uitleven ervan in verlangen naar macht en vaak ook wreedheid. Nog onbewust wordt hiermede getracht de stilte en de eenzaamheid, die nodig zijn voor zelfonderzoek, te overstemmen en er aan te ontkomen.

De woorden van de tweede gekruisigde geven te kennen dat wij het masker beginnen te begrijpen en beginnen het af te zetten voor een eerlijk zelfonderzoek.

Jezus laat ons zien dat hierdoor een eenheid in de geest mo≠gelijk wordt; omdat begrepen wordt, dat deze eenheid nood≠zakelijk is, waar in wezen eenheid is.

door E. A. de Beus.
 
 
 
 05. Pasen Ė een lezing van Henk Leene
 
 
 

De christelijke wereld maakt zich gereed om het Paasfeest te vieren, liever gezegd om een historische gebeurtenis van 2000 jaar her te betreuren.

Wij zouden echter deze conferentie willen wijden aan dat mysterieuze gehangen worden aan het kruis, een archaÔsch gebruik in Egypte, ArabiŽ en andere Oosterse landen.
Men kruisigde de ingewijde aan een bank in de vorm van een Ankh, een Egyptisch levenskruis.

Kruisigen betekende hier: vastbinden, waarna "de Slaap van Siloam" over de neofiet werd gelegd.
Deze slaap van Siloam kent men nog bij inwijdingen in Klein-AziŽ, SyriŽ en Egypte.
Het gaat hier allemaal om de Inwijding die de neofiet moet ondergaan en deze bestaat uit niets anders dan het Endura, de ik≠ overgave, de offerande van de persoonlijkheid aan het Levenselixer of de Boom des Levens.

Wat er in onze tijd van dit symbolische kruis geworden is weet u allen.
Het wordt gebruikt als wapen, als bedreiging en als zegen, men gebruikt het voor strijd en vrede.
Kortom, de mens die totaal veruiterlijkt is, kent de zin van het kruis niet meer: het kruis dat ontstaan is uit de Levensboom die in het midden van het Paradijs stond en waaraan de oude Adam zich moet verhangen.

Zodra de leer der ingewijden gepopulariseerd werd, doordat de mens zich verwijderde van het innerlijke inzicht, werd het kruis tot een vloekhout, het werd misbruikt ten eigen bate tot verheerlijking van dogma en wereldse organisaties. En daar waar de mens het hoogste vernedert, wordt het hem tot een oordeel.

De mens van heden is het resultaat van het verleden en op hem rust de vloek van het kruis, van een vuur waarmede hij speelde.
Die moeizame terugweg tot de hoogste hoogten bestaat uit niets anders dan de over onszelf opgeroepen vloek af te werpen.
Het kruis drukt als een loden last op onze schouders, maar het staat niet als een lichtend symbool opgericht in onze harten.

Het is hetzelfde met dat eeuwenoude schone symbool van de Roos, die in het hart van het kruis gehecht moet worden.
In onze handen is zij verlept, zij werd door onze ballende vuisten fijn geknepen en haar geur verspreidde haar stervenspijnen.
Indien de mens de heilige symboliek, de inwijdingstaal der archaÔsche tijden niet als heilige relikwieŽn in zijn hart kan bewaren, dan worden zij hem tot een belemmering en moet hij tegen hen vechten.

Zoals men heden vecht tegen die smartelijke, primitieve kruisdood; de grootse wonderbaarlijke achtergrond licht niet meer door die lijdenstrekken van de gekruisigde heen.

Velen aanbidden het lijden omwille van de pijnen, die de zaligheid zouden moeten brengen, maar zij weten niet dat de gewijde neofiet het lijden als zodanig niet kent.
Zodra de mens gerijpt is in wijsheid, is de offerande der persoonlijkheid geen offerande meer, maar een verglijden van het ene levensveld in het andere.
Daarom is er geen enkele reden tot rouwbeklag en geweeklaag op de dag dat de neofiet gekruisigd wordt.

Het beeld van het kruis is over de wereld gegaan als een schrikbewind en daaruit is die aversie ontstaan tegen het dogmatische christendom.
Iedere dogmatische religie heeft ontelbare vijanden, slechts de individuele Religio kan liefhebbenden om zich heen verzamelen zonder vijanden te kweken, omdat het individu de mogelijkheid bezit zijn Religio naar eigen inzicht te belijden.
Zo hij zich niet aan zijn innerlijke leerstellingen houdt, schaadt hij zichzelf, maar hij schaadt zijn leer nooit.

Bij alle dogmatische leerstellingen wordt de levende of gestorven meester als een vlag omhooggehouden en daarachter verbergen zich de falenden.

De individuele belijder, die niemand belijdt dan zijn innerlijke meester, heeft niemand anders om zich achter te verschuilen dan zichzelf en deze maskerade duurt geen eeuwen zoals een hiŽrarchiaal massaal religieus systeem eeuwen kan teren op zijn machtige materiŽle bouwwerken.

De mens, op zijn terugreis tot de hoogten der intuÔtieve herinnering, is bezig het karkas van de waarheid uit de romantische en luxueuze verhullingen los te wikkelen.

De tijd is niet ver meer, en iedere opmerker zal dat kunnen beamen, dat dit karkas van de waarheid de mensheid zal aangrijnzen.

Het is de waarheid der menselijke waardigheid, de waarheid van hun innerlijke rijkdom, de waarheid van hun eigen wijsheid, want die onaantastbare goddelijke Waarheid die licht als een felle zomerzon, ontvlucht de onreine, grijpende handen en trekt zich op in haar levenssfeer.

Want nog nooit heeft een profane de kern van deze waarheid en wijsheid kunnen ontheiligen.
Wat zij ontheiligden waren de uiterlijke symbolen, maar hetgeen men niet kent blijft onbereikbaar.
Daarom is het waanzin om op een menselijke manier met menselijke en uiterlijke middelen de oerwijsheid te willen beschermen.

De wijsheid beschermt zichzelf, zij toont zich niet aan de onwijze. Waar de mens mede speelt en wat hij onder zijn voeten vertrapt, is de uiterlijke leer, de waarden die hij grijpen kan.

Twee mensen kunnen een heilige voordracht lezen of aanhoren; de één zal andere dingen vernemen dan de andere. De ene zal een sleutel in handen krijgen, de andere zal op een muur stuiten.

Het symbool van het kruis verenigt geen zielen, maar de werkelijkheid van de kruisgang verbindt de zielen.

Disharmonie, onbegrip, uiterlijke verschillen onder mensen, zij zouden volkomen kunnen wegvallen wanneer bij ieder mens hetzelfde doel voorop zou staan.
Niet als theorie, maar als realisatie.
Geen enkel symbool kan de lading, de inhoud van een religieus lichaam dekken.

Alle religies worden geÔllustreerd, begeleid door hoogstaande symbolen, waarvan de betekenis zich in een archaÔsch verleden verliest, doch deze zijn niets dan schone etiketten geworden waarachter zich de ledigheid verbergt.

Wij leven in een ontmaskerende tijd, eerbied voor traditie en heilige waarden is verloren gegaan.
Innerlijke zielenstanding is zeldzaam en treft men slechts aan bij de dikwijls zwijgende eenling.

Het opgeheven kruis in de handen van de religieuze hiŽrarchieŽn kan niet de opmars van het intellect tegenhouden en dit intellect heeft maling aan tradities, aan archaÔsche gebruiken.

Het wil de waarheid weten en het zal de waarheid ontdekken, in zoverre het deze bevatten kan.

Het is altijd een waarheid die begrensd is, de waarheid die gevangen ligt binnen de ring of de ban van Saturnus.

De saturnale waarheid is keihard; en zij wordt niet verlicht door de glans van een goddelijke wijsheid.

Daarom brengt onze tijd bitterheid met zich mede, daarom vluchten duizenden in de schijnverlichting; aan de ene kant bespot men de dogmatische gebruiken, aan de andere kant zoekt men een plaatsvervanger. De mens is nog niet in staat alleen te staan met zichzelf, alleen geplaatst te worden tegenover die afschrikwekkende waarheid.

Het overgrote deel der mensheid wordt voortgejaagd door een groot angstcomplex en daarmede doen de zielenherders hun voordeel. Het kruis is de toevlucht der vertwijfelden, van hen die geen innerlijke zekerheid hebben om op te bouwen.

Zij zoeken een organisatorische zekerheid, en een sterke menselijke figuur om zichzelf aan vast te klemmen, om hun grieven op bot te vieren, om hun adoratie aan op te dragen.
De mens is, spiritueel gezien, slechts een kind, maar dan een verwend en bedorven kind.

Hij heeft de gaven van het intuÔtieve kindschap verloren en daarvoor in de plaats kreeg hij de twijfelachtige gaven van een enfant terrible, een kind dat met woorden en begrippen schermt, waarvan het de inhoud niet kent.

Er zou een grandioze eenheid kunnen bestaan tussen hen die een innerlijke God dienden: zij zouden als één massaal godsleger de aarde kunnen bevolken.
Maar wat gebeurt er?

Het individu verliest zich in kleine belangen, in materiŽle sterfelijke waarden, waardoor hij zich laat verleiden om zijn naaste, zijn broeder, te vernietigen.
En daar waar verdeeldheid heerst, grijnst satan - Saturnus.

Het "verdeel en heers" is altijd het wapen geweest van de saturnale hiŽrarchieŽn, het wordt altijd met succes gehanteerd. Omdat de mens, dat half goddelijke, half duivelse individu, in zichzelf verdeeld is.

Indien dit individu in zichzelf één zou zijn, principieel, vastberaden, dan zou dit satanische wapen, waardoor duizenden de meest wrede dood werden ingejaagd, falen.

In onszelf huist dit wapen.

In onszelf ligt die duivelse spreuk: "Verdeel en Heers", als een draak onder het slik verborgen.

Wij splitsen onszelf op totdat er niets meer van ons overblijft: wij delen uit van hetgeen wij hebben, dan weer aan onze god, dan weer aan onze inwonende duivel en wij bemerken te laat dat die waardevolle mens die wij eens zijn geweest, opgesoupeerd is door de verdeeldheid.

In onze nood grijpen we dan naar een veilige beschutting, een meester, een kruishout, een religieuze hiŽrarchie, maar hetgeen wij met onszelf gedaan hebben, hetgeen wij onszelf aangedaan hebben, is niet goed te maken door een sausje van uiterlijk religieus vertoon.

Wij zijn onderdeel van deze natuur en wij zijn daardoor onderworpen aan de wet van deze natuur en hoewel zij de tijdelijke dochter is van de goddelijke natuur, zoals het Scheikundig Huwelijk zegt, kent zij toch haar wetten waaraan de tijdelijke mens zich moet onderwerpen.

Trekt het eeuwige, de eeuwigheidskern uit ons weg, dan vervallen wij in de wet der natuur en deze is rechtvaardig, maar 0, zo wreed. Wreed in de zin van meedogenloos.

Hetgeen van de aarde is, wordt wederom tot aarde; datgene wat wij voortbrachten zal ons vernietigen.

Wij moeten ons lot zelf bevechten en zo wij die goddelijke Levensadem in ons hebben gedoofd, zullen wij de harde wet volgen van tand om tand en oog om oog.

De wet van Mozes, bestemd voor een saturnale natuur, staande onder een Jahweh die nog niet door onszelf werd omgewend.

Dan stellen wij goed tegenover kwaad en daar deze beide elkander niet opheffen maar bevechten, blijven wij gebonden aan de wet en vergaan wij door die wet.

Hoevelen hebben in deze wereld het goede tegenover het kwade gesteld, d.w.z. hetgeen zij dachten dat goed was.

Kwaad met kwaad brengt explosie, kwaad met goed brengt beroering, het zet de wetmatige beweging voort, maar heft de ban van de saturnale ring, de greep van satan niet op.

Het "Hebt uw vijanden liefĒ en "bid voor degenen die u hatenĒ is heel schone wet, een wet die zich onderwerpt aan een harmonische natuurbeweging, maar het heft de oorzaak niet op.

Iedere wijze zal liefde tegenover haat plaatsen en goed tegenover kwaad, daardoor zal hij de aanval stillen, maar nooit uitroeien.

Onwetendheid, hetgeen de oorzaak van alle kwaad is, bewuste, onwillige onkunde, is niet uit te doen door er kennis of begrip tegenover te plaatsen. Het kwade dat uit het misbruik van de heilige waarden is voortgekomen, is niet te vernietigen door er liefde tegenover te plaatsen.

Het kwade vernietigt zichzelf, waardoor het goede zegeviert.

En dit gebeurt doordat de voortbrengselen des mensen zich tegen hemzelf zullen keren. In zulk een episode leven wij.

De voortbrengselen der mensheid zijn zo machtig geworden dat zij hun scheppers gaan vernietigen.

Daarin kan geen enkele menselijke wet ingrijpen. Door ons gedrag plaatsen wij ons automatisch onder een wet, er bestaat geen existentie zonder wet. En zij, die de vrijheid zo liefhebben en er over schrijven en filosoferen, moeten zich wel realiseren dat hun woorden hen onder een bestaande wet plaatsen en dat deze wet hen oordelen zal! Want iedere vrijheid op deze aarde heeft zijn eigen wet, er is slechts een nuanceverschil. Zoudt u de zielenvrijheid binnengaan, dan komt u onder een andere wet, een hogere wet. Het woord "wet" heeft tegenwoordig iets afschrikwekkends, omdat het niet begrepen wordt. Een wet is een complex van regels waaraan het individu zich houden moet.

Houden MOET, hetzij van binnenuit, omdat deze wet in hemzelf besloten ligt, hetzij van buitenaf omdat die wet hen opgedrongen werd. Zij, die geen innerlijke Wet meekregen uit het Tehuis der zielen, zij moeten een uiterlijke wet hebben willen zij enigszins een beschaafd mens genoemd worden.

Maar zij die een Innerlijke Wet ingeschapen kregen, zij bemerken geen uiterlijke wet, storen zich niet aan regels en zondigen niet tegen princiepen.

Voor hen geldt de Innerlijke Wet van de Gnostieke Kruisgang, waarover Johannes in zijn apocriefe evangelie spreekt.

De mensen van de Innerlijke Wet en de mensen van de uiterlijke wet begrijpen elkander niet, want tussen hen ligt de afgrond, de afgrond die zich bevindt tussen Chaos en Hemel, aarde en hemel, een afgrond die niet door een Jakobsladder overbrugd kan worden, want deze kwam neder VANUIT de hemelen voor hen die van de Hemel zijn.

Maar zij die terugkeren tot de hemelen, zij herkennen degenen die op diezelfde weg staan altijd, want gelijk trekt gelijk aan.

En zo hun doel waarlijk de geest dient en de materie voor hen bijzaak is, komen zij als overwinnaars uit de strijd.

Wellicht arm aan aardse goederen, mogelijk vermoeid en met enkelen, maar zij bezitten een innerlijke schat die boven alle aardse goederen is verheven.

Deze schat is de grond waarop het lichtende innerlijke kruis zich opricht en een aureool vlecht om het hoofd van de neofiet.

Dit kruis verlicht hem van binnen en van buiten en zo viert hij zijn Paasfeest, ondergaande in een apotheose van licht, hoewel de menigte aan de voet van het kruis niets ziet en niets begrijpt.

Maar hij, de neofiet, de volhardende en oprechte kandidaat, hij weet van nu aan en zijn Kennis is de Gnosis geworden die hem inwijdt in de geheimenissen van den Beginne.

 
 


06. OSIRIS en HET EVANGELIE.

PROF. MR. DR. G. MEULEMAN

 

Voor de onschuldige lezer is het Nieuwe Testament een verslag van de gebeurtenissen rond het leven van Christus en zijn leerlingen. Ons historisch tijdsbesef laat de jaartelling beginnen bij de geboorte van Christus, en toen Jozef en Maria met hun boreling naar Egypte vluchtten, was dat land al meer dan 300 jaar beurtelings onder Perzische, Griekse en Romeinse heerschappij geweest. De Egyptische beschaving was voorbij. Als echter inscripties op piramidewanden in het Egyptische Sakkara en teksten op papyrusrollen, daterend uit de 24ste tot de 21ste eeuw vůůr onze jaartelling, melding maken van de onbevlekte ontvangenis, het verraad, de doornenkroon, de kruisiging, de wederopstanding en de hemelvaart, en dit alles in verband met Osiris, wat dan?



De Egyptische God OSIRIS ... Ik ben het Vuur, zoon van het Vuur! ...

De Osiris-legende zoals we die gewoonlijk vermeld zien is een Griekse lezing, gro≠tendeels afkomstig uit de geschriften van de schrijver en filosoof PLUTARCHUS (ca. 46≠ - 120 na Christus), en is als volgt kort samen te vatten.

Osiris is de eerste zoon van GEB, ook wel Seb genoemd, en NOET. Hij was van uitzonderlijke schoonheid, had een donkere huid en stak met zijn lichaamslengte ver uit boven alle mannen in het land. Toen zijn vader was gestorven volgde hij hem op als koning, en nam zijn zuster ISIS tot vrouw en koningin.

Hij schafte het kannibalisme af, onderwees de nog halfwilde bevolking de eerste landbouw≠technieken, de rituelen voor de goden, en liet de eerste tempels en steden bouwen. Zo kreeg hij de naam Onnophris, 'de Goede'.

Vervolgens ging hij op reis naar AziŽ en 'de ge≠hele aarde', om de beschaving te verspreiden. Zijn zuster bleef achter als regentes.

Na zijn terugkeer wordt er door zijn broer SETH een complot tegen hem gesmeed. Osiris doet achteloos mee aan een wedstrijd en loopt daarmee in een val. Seth looft een prachtige kist uit aan diegene van de aanwezigen die er precies in past. Als Osiris dit probeert en er eenmaal in zit doet Seth het deksel dicht en gooit de kist in zee.

Een treurende Isis vindt de kist met het lijk van Osiris in Byblos (PhoeniciŽ), en brengt deze te≠rug naar Boeto in Egypte. Met haar zuster NEPHTYS samen zingt Isis een lied dat Osiris weer tot leven wekt, en zij verstopt hem in een moeras.

Seth komt dit echter te weten, doodt Os iris op≠nieuw, en snijdt hem in veertien stukken. Isis zoekt en vindt deze stukken in verschillende steden van Egypte en zet de macabere puzzel weer in elkaar. Zij mummificeert haar echtge≠noot, die voortleeft als koning van het doden≠rijk.

Volgens sommigen verwekte Isis in het moeras op het dode lichaam van Osiris de zoon HORUS, die later de moord op zijn vader wreekt door Seth te doden. Anderen houden het erop dat de verwekking mogelijk was doordat hij tot leven gewekt was.

Ook zou er van de veertien stukken één nooit teruggevonden zijn door Isis: het geslachtsor≠gaan. Als mummie werd Osiris echter "ithy≠phallischĒ afgebeeld, d.w.z. hij hield in de dood zijn verwekkende kracht: het leven handhaaft zich door de dood heen.

De Griekse mythologie bevat sterke verwant≠schappen met de Egyptische. Het is echter heel goed mogelijk dat de verhalen door Griekse aanpassingen veranderingen hebben ondergaan die een aantal typisch Egyptische elementen on≠der tafel hebben geveegd  

 

De teksten uit de vijfde en zesde dynastie

 

Piramideteksten in de piramide van Oenas, Sakkara, ca. 2500 v.C. - wonderlijke parallellen met het Nieuwe Testament ...

De in verband met Osiris interessante pirami≠deteksten werden ontdekt op de wanden van pi≠ramides te Sakkara, uit de vijfde en zesde dy≠nastie (ca. 2588-2263 v.C.) van de farao's OE≠NAS, TETI, PEPI I, MERENRE en PEPI II. Deze teksten worden ondersteund en aangevuld door vermeldingen op papyrusrollen van schrijvers zoals NOE, SENSENNEB, NEBENSI, ANI, AUFANKH, MESEMNETER, ANHAI, MOETHETEP en HOENEFER. Hieronder zal op de wonderlijke parallellen tussen de teksten en het Nieuwe Testament worden ingegaan.

De onbevlekte ontvangenis

Egyptologen gaan er doorgaans van uit dat Seb en Noet vier kinderen hadden, te weten Osiris, Set, Isis en Nephtys.

Een groot aantal teksten bevat echter gegevens die erop wijzen dat Osiris in tegenstelling tot zijn broer en zusters geen kind was van Seb, nůch van enige andere mannelijke inwoner van Amenti, maar van TOEM, ook wel Atoem ge≠noemd. Als godheid werd hij geassocieerd met Ra, de zonnegod.

Een tekst uit de Piramide van Pepi I zegt:

'Toem is de vader van Osiris die verwekt is toen de hemel niet geschapen was, toen de aarde niet geschapen was, toen de mensen niet geschapen waren, toen de goden - kosmische krachten - ≠niet geboren waren en toen de dood niet ge≠schapen was.'

In de piramide van Merenre staat: 'Wordt vlees gemaakt! zegt Toem, O gij die verwekt zijt in de ruimte en ontvangen in de afgrond! Hef het hoofd, O buigzame Sycomoor van Noet, want de hemelen hebben gebaard en Hemel en Aarde - Sjoe en Tifnoet - houden een kind in hun handen. Hij komt tot u als een ster - Sah. Zo komt Osiris tot u!'

De Papyrus van Anhai vermeldt: 'Ik doe het binnendringen in het verborgene van de moe≠derschoot voor het leven van het hart, zegt Thot (de Heilige Geest).'

De piramideteksten bevatten de volgende invo≠catie:
'0 Ra! Doordring het lichaam van Noet met het zaad van de Heilige Geest die in haar is.'

Toch nam Seb Osiris als zijn eigen kind aan want: 'Het is Toem, de Vader, die de dienares, de vrouw van Seb, heeft gedwongen en voor zijn woord worden alle hoofden in vrees gebo≠gen' (Papyrus van Noe).

Volgens de overlevering werd op het ogenblik van de geboorte van Osiris een stem in de hemel gehoord die sprak: 'Dit is mijn geliefde in wie ik voldoening vind.'

Op het moment van de geboorte van Osiris zou de ster Sept - de Sothis van de Grieken, dat is Alpha uit het sterrenbeeld de Grote Hond - stil zijn blijven staan in een vaste positie: 'De be≠nen van Sept stonden stil en ik - Osiris - werd tijdens hun rust geboren.' Een interessante pa≠rallel met de ster van Bethlehem.

Het verraad en het avondmaal

Osiris werd door zijn eigen aanhangers verra≠den.

'Bevrijd Osiris van de bewakers die hij heeft aangewezen om hem te beschermen en zijn vij≠anden in bedwang te houden en die als slachters doden. Men kan aan hun greep niet ontsnap≠pen!'

'Bevrijd Osiris van de bewakers die messen dragen om mee te doden en die wrede vingers hebben. Moge Osiris kunnen zegevieren over Seth en degenen die Seth 's nachts moeten be≠waken!'

Het avondmaal dat aan zijn dood voorafging was zo wezenlijk verbonden met zijn lijdensweg dat zelfs in de verbasterde versies die door de Grieken zoveel eeuwen later in hun legenden verwerkt werden de dood van Osiris na een avondmaal plaatshad.

'Osiris kende zijn uur en wist dat zijn levenspe≠riode ten einde liep. Wat is dat dan? Het is de horizon van zijn Vader Toem. Als het zesde, zevende en achtste uur komt roept Ra-Toem Osiris.'

Osiris is bang. 'Osiris heeft angst om in het donker te lopen uit vrees dat hij hen die omge≠keerd - dood - zijn ziet.'

'Zij die zich van mij willen ontdoen en mij kwaad willen berokkenen zijn de zonen der duisternis.'

'Loochen Osiris niet, 0 God, want gij kent hem en hij kent u! Loochen Osiris niet, 0 Ra-Toem, want gij kent hem en hij kent u! Loochen Osiris niet, 0 Ra-Toem, opdat hij niet omkome! Loo≠chen Osiris niet, 0 Thot! Opdat hij alleen kan rusten! '

'Ik ben uw heer. Komt en neemt uw plaatsen in mijn gelederen in. Ik ben de zoon van uw Heer en gij behoort mij toe via mijn goddelijke Va≠der die u heeft geschapen.'

'Ik heb niet gezondigd. Laat uw haat niet tegen mij losbarsten. Ik geef me over. Handel naar mijn bevel. Ruk mij het hart niet uit, want ik ben de Heer des Levens.'

De doornenkroon en de bespotting

Doornenkronen werden soms door vrome Egyptenaren gedragen ter nagedachtenis aan Osiris. Zo geeft een bas-reliŽf in het museum van Wenen Osiris weer met de witte kroon op zijn hoofd terwijl hij de scepter en de gesel vasthoudt. Voor een kleine offertafel bevinden zich een man en twee vrouwen, de handen in aanbidding geheven. Alle drie dragen doornen≠kronen in de vorm van een koepel.

De witte kroon van Egypte had de vorm van een koepel. Ze was waarschijnlijk oorspronke≠lijk gemaakt van acaciatakken. De Egyptena≠ren kenden twee soorten acacia's: de shent met zwarte doornen en de aser, die meer gewaar≠deerd werd dan de andere en waarvan de door≠nen wit zijn. Deze twee acacia's maakten deel uit van de acht heilige houtsoorten die vermeld worden in de Papyrus van Leiden.

Zijn handen vastgebonden, het lichaam met bloed bevlekt, werd Ba-neb-Tatoe, de Heer Ram van het Kruis, naar de offerplaats geleid. Uit spot voor de verloren troon liet Seth hem een kroon dragen en een scepter vasthouden. Deze bespotting wordt later nog door Plutar≠chus vermeld in de fabel 'Meta maidias'.

Een piramidetekst luidt: 'Gij gaat naar hen toe in uw naam van spd.w - god der doornen - de gesel in de hand, uw scepter over de arm. Vijanden vallen op hun aangezicht voor u.'

'Ik ben gekomen en ik heb dit kwetsende voor≠werp dat Osiris op het hoofd had weggenomen. Ik heb de Atefkroon - de kroon van zijn va≠der? - in de plaats van de voor de gelegenheid gemaakte Ureretkroon gesteld. Ik heb de smart van Osiris verzacht. Ik heb de steun voor zijn voeten vastgezet.'

De kruisiging

Voor de kruisiging van Osiris werd de syco≠moor gebruikt, de Egyptische vijgenboom (Ficus sycomorus) waarvan het lichte grijs-gele en on≠vergankelijke hout zeer geschikt is voor meube≠len die men wil polijsten.

'Gegroet 0 Sycomoorboom! De uiteinden van uw takken zijn afgehakt toen het lijden groot was.'

'O! keten mij niet aan uw kruishout van de dood! Sleep me niet voort tot de plaats waar de vijanden doden!'

'Dat mijn armen niet gekneveld worden! Dat mijn handen niet bedwongen worden!'

'Ik omarm de sycomoor, ik zelf ben verbonden met de sycomoor en zijn armen hebben zich voor mij geopend.'

'Hulde aan u, 0 Sycomoor, Groot Kruishout, metgezel van de god. Uw borst raakt de schou≠der van Osiris.'

'Ik ben gekomen en ik heb speeksel op zijn ver≠wondingen gedaan, ik heb zijn arm en zijn been verbonden. '

'Pepi komt tot u, Osiris! Moge hij uw gezicht afvegen! Moge hij uw gezicht afvegen!... (vier maal herhaald).'

'Ik bevind mij achter het kruishout. Ik stop het bloedbad! Ik bescherm u, Osiris!'

'Kon ik maar bij Isis, de goddelijke vrouwe zijn, kon zij mij maar beschermen tegen hen die me kwaad willen doen! Dan niemand durve komen kijken naar het goddelijke Wezen dat naakt en weerloos is!'

'Dit wezen is Osiris. Hij smeekt dat men het graf voor hem opent. De ogen van de goddelij≠ke prins zijn neergeslagen. Hij geeft u uw deel aan waarheid en gerechtigheid naar de Beschik≠king omtrent de omstandigheden van de mens.' '0, gij die de harten wegneemt! 0, gij die de harten vernietigt en steelt! Neemt dit hart niet in uw vuist! Dit hart is van Osiris!'

'Een zwart en rood mes dringt binnen tot het verslindt wat het heeft gegrepen.'

'0 Osiris! Heeft hij u gedood omdat zijn hart hem had gezegd dat gij voor hem moest ster≠ven?'.

'Ik ben met hen die lijden en met de vrouwen die Osiris bewenen.'

'Gij die hier zijt, Isis, beween uw broeder; Gij die hier zijt, Nephtys, beween uw broeder. Isis zit neer, haar handen op haar hoofd.'

'Ik ben met Horus, ik bewaak de linkerschou≠der van Osiris.'

De romp van de boom waarop Osiris ter dood werd gebracht werd tat genoemd, een woord dat terug te vinden is in de naam van de Egypti≠sche stad Tatu.

De tat werd weergegeven als de romp van een boom of een verticaal stuk hout waardoorheen twee, soms drie, dunnere stukken hout hori≠zontaal geplaatst waren.

Door de eeuwen heen bracht het volksgeloof de tat in verband met de wervelkolom of het hei≠ligbeen van de overledene omdat Osiris op de tat was gestorven en zijn wervelkolom ont≠wricht was. De tat werd een religieus embleem; men begroef de overledenen dikwijls met een tat van verkleinde afmetingen, soms van goud.

'De soevereine prinsen in Tatu zijn Osiris, Isis, Nephtys en Heru-netch-hra-tef, ofwel Horus wreker van zijn Vader. De nacht van de oprich≠ting van de tat in Tatu betekent het opheffen van de arm en de schouder.'

'Dit hoofdstuk zal worden gereciteerd voor een beeldje met een mensenhoofd, de handen ver van het lichaam gestrekt. Op zijn rechterschou≠der zult gij een ramskop plaatsen en evenzo op de linkerschouder. En op een stuk linnen zult gij het gezicht van de god tekenen met de god≠delijke ziel in de geheven hand; Gij zult dit op het hart aanbrengen. Laat de ogen van geen en≠kel mens dit zien. Verberg u.'

Omgehakt en uitgehold fungeerde de stam van de sycomoor waarop Osiris was gestorven als lijkkist. Deze werd daarna naar de waterkant getrokken, in een boot geplaatst en overgele≠verd aan de stroming. Toen de golven van de zee de boot op het strand neerzetten en het li≠chaam uit de kist werd genomen stond Osiris uit de dood op.

Dit maakte de sycomoor tot Boom des Levens, want het leven zegevierde op zijn stam over de dood. Zo wordt de tat in vignetten van talrijke papyri weergegeven als het onderstuk van een boomstam waaruit het levensteken, een kruis met erbovenop een ovaal dat het hoofd van de herrezen god symboliseert, zich verheft.


De wederopstanding

'0 Osiris! Dit uur van de dageraad van de der≠de dag is gekomen als gij met de onvergankelij≠ke sterren naar de hemel moet rijzen!'

'Moge Thot het licht aan zijn hart teruggeven!' 'Ik ben Thot die het Besluit verkondigt van de Dageraad, de Schepper van landen en volke≠ren. Ik ben degene die Osiris Un-nefer de zach≠te adem bracht toen hij uit de schoot van haar die hem baarde te voorschijn kwam. O Osiris! Ik ben het die iedere dag van uw leven over u gewaakt heeft. Ik ben Thot, uw goddelijke broer. Ik ben gekomen en ik breng u het Leven. Maat - vereenzelvigd met het leven - verenigt zich met uw borst, Osiris!'

'Ik ben de Allerhoogste, zoon van de Aller≠hoogste! Ik ben het Vuur, zoon van het Vuur! Rood als een vlam, eeuwig als Kheper, uw le≠ven komt tot u, Osiris!'

'De Vlam nadert uw Wezen, 0 Osiris, Khent Amentet! De Vlam nadert uw Wezen, O Osiris, Khent Amentet! Hij plaatst zich op uw voor≠hoofd! Hij maakt zich aan u vast! Hij gaat uw borst binnen!'

'0 Heren van de Eeuwigheid, Gij die de Tijd beheerst! De Almachtige - Thot - van wie de woorden de ledematen zijn en die zijn hart zendt om in het lichaam van Osiris te wonen! Hij - Osiris - heeft de macht over zijn ledema≠ten hervonden. Zijn hart gehoorzaamt hem. Hij heeft het in zijn macht: het is voor altijd in zijn lichaam en zal het nooit meer verlaten.'

'Zijn lichaamsvocht zit van binnen, onaange≠tast; zijn bloed zit van binnen, onaangetast; zijn adem zit van binnen, onaangetast.'

'Osiris is een hart dat klopt, zoon van het hart des Hemels - sjoe. Een wijd verbreid weerlicht! Wees gegroet, Uniek Wezen, zoals uw Vader u heeft genoemd, verwekt vůůr hemel en aarde werden gescheiden! Gegroet, 0 Ziel in zijn rode bloed! '

'Gij plaatst uw hand op de aarde en zie, gij staat op!'

De hemelvaart

Osiris zou na de wederopstanding veertig da≠gen bij de zijnen op aarde hebben verbleven hetgeen later bij het overlijden van iedere farao werd herdacht.

Zijn laatste menselijk contact bestond uit het overdragen van de kroon van de levenden aan zijn zoon Horus met de opdracht door de Tou≠at tot aan de grenzen van de aarde te gaan:

'Ik heb je voor de twee Leeuwengoden de nem≠meskroon gegeven opdat je de hemelse weg kunt bereiken, opdat zij die in de Touat zijn voor je strijden in hun gebieden en opdat zij die de uiteinden van de horizon bewonen je zien en je ontvangen.'

'Ik ben de Bennoe - de Fenix - die voortkomt uit God. Ik ben het bewijs waarvan de incarna≠tie mijn lichaam is. Ik ben in mijn land geko≠men, ik ben in mijn steden gekomen. Wat is dat dan? Het is het licht van mijn Vader Toem. Ik ben bij de mijnen gekomen. Ik heb de grond van mijn provincies betreden. Zo ben ik bij mijn vader Toem totdat de laatste der dagen eindigt. '

'0 Ra-Toem! Hier is uw zoon Osiris die Gij hebt doen leven en in leven hebt gehouden. Hij leeft! Hij is niet dood! Hij is niet ondergedom≠peld! Hij is niet geoordeeld! Hij beoordeelt!'

'0 Ra-Toem! Uw zoon komt tot u! Laat hem zich verheffen en sluit hem in uw armen! Hij is de zoon van uw schoot in alle eeuwigheid!'

'0 Ra-Toem! In het diepste van uw verblijf dat in de hoogten des hemels is! Hij is ik en ik ben Hem en Ptah - de adem Gods - heeft de hemel met kristal bedekt. Ik ben uit de dood op≠gestaan. Ik breng mijzelf bijeen als de Fenix en ik maak van de breedte van de hemel een pad voor mijn schreden!'

'Osiris vliegt weg! Hij vliegt ver van ons van≠daan als een vogel! Hij vliegt op als een valk! Hij tilt zijn lichaam op als een veer! Hij is be≠vrijd van de zwaartekracht die aan de aarde bindt! Hij beweegt zijn armen als een zwaan! Zijn vleugels klapperen als zeilen! 0 Thot! Neem Os iris op uw vleugel naar het noorden van het Meer van Kha! Hef hem op met zijn li≠chaam en zijn kledingstuk, want hij is de zoon van Ra-Toem!'

'0 Osiris! Gij komt tot in de hemel als Orion! (Sah) Gij stuurt uw ziel als Sothis - Sept-Sirius. Stijg op! Vlieg! Uw vleugels zijn die van een adelaar, Uw haren zijn de lichtstralen van een ster! Gij doorklieft de hemelen!'

'Osiris heeft ons verlaten! 0 hemel! 0 aarde! Ik zie u niet meer! Gij ziet mij!'

'Hij is gezeten op de grote Zetel naast God.'
 

 

Een sprong door de tijd

Boven geciteerde teksten zijn bijeengebracht door MARTHE DE CHAMBRUN RUSPOLI, een boei≠ende persoonlijkheid die over een fabelachtige talenkennis beschikt, en als echtgenote van een diplomaat in de gelegenheid was zich in Noord-Afrika te ontwikkelen tot archeologe en egyp≠tologe van groot formaat.

Het opvallende aan deze teksten is, dat ze dui≠delijk een andere functie hadden dan die uit het bekende Egyptische Dodenboek. Ze zijn af≠komstig van uitverkorenen zoals de farao's, hun vertrouwenslieden en religieuze hoogwaar≠digheidsbekleders. De koning is nooit onderda≠nig, spreekt nooit in de eerste persoon, de Osiris-cultus is niet zo uitgesproken als in het Dodenboek, en de 'negatieve biecht' ontbreekt. Er heeft namelijk in de 'eerste tussenperiode' (2258-2134 v.C.) een volksrevolutie plaatsge≠vonden die van grote historische betekenis ge≠weest is. De almachtige formules die destijds uitsluitend gereserveerd waren voor de konin≠gen en hun hoogwaardigheidsbekleders, als ingewijden, waren voortaan in het bezit van het hele volk. De 'papyrus van Leiden', vertaald en gepubliceerd in 1909 door GARDINER, geeft een duidelijke impressie van deze revolutie waarin de poorten van de mysteriŽn met geweld wer≠den opengebroken. De magie raakt alom ver≠breid, de geheimen van de farao's worden ont≠wijd, en de riten van Osiris worden in het open≠baar gecelebreerd. De gehele bevolking nam er≠aan deel.

In de daaropvolgende religieuze smeltkroes raakten de lotgevallen van Osiris wellicht ver≠mengd met andere verhalen en populaire volks≠gebruiken.

Hoe het ook zij, opeens duikt in het jaar nul een man op, wiens levensloop op essentiŽle punten gelijkenissen vertoont met Osiris. Na≠tuurlijk kan men tegenwerpen: er zijn ook be≠langrijke verschillen. Opvallend mag echter he≠ten dat de overeenkomsten vooral betrekking hebben op zeer belangrijke keerpunten in het leven van Christus en Osiris.

Waarnaar verwijzen die overeenkomsten? Welk geheim bevatten beide levensverhalen?

Wat voor oerthema zit er verstopt in een onbe≠vlekte ontvangenis, het verraad, een doornen≠kroon, een kruisiging, een wederopstanding en een hemelvaart? Wat, als het levensverhaal van Christus al lang voor zijn geboorte bestond?

Tal van vragen die, naast wetenschappelijke middelen, ook onbevangen dichterlijkheid, mythologische gevoeligheid en speelsheid no≠dig maken om ze te beantwoorden.


Bron: Bres No 127 Ė december 1987


De verschillende onderdelen van het Osirisverhaal zijn op de volgende plaatsen in de EvangeliŽn terug te vinden:

a. de onbevlekte ontvangenis in MattheŁs 1:18-25 en Lucas 1:35;
b. het verraad in MattheŁs 26:14-16, Marcus 14:10≠-11, Lucas 22:47-49 en Johannes 13:21-32;
c. de doornenkroon in MattheŁs 27:27-31 en Mar≠cus 15:16-20;
d. de kruisiging in MattheŁs 27:32-38, Marcus 15:23-27, Lucas 23:33-34 en Johannes 19:17-22;
e. de wederopstanding in MattheŁs 28:1-8, Marcus16:1-8; Lucas 24:1-8 en Johannes 20:1-10;
f. de hemelvaart in Lucas 24:50-53.

De geciteerde piramide- en papyrusteksten zijn af≠komstig uit de volgende bronnen:

Piramide van Merenre, ed. Maspero 1882, regel(s) 97/98, 785.
Textes des Pyramides, ed. Mercer 1952, regel(s) Ib, 54, 324, 431, 451, 463, 481, 561, 578, 820/821, 853/854, 964, 990a, 1084, 1281, 1485, 1874. Piramide van Teti, ed. Maspero, 170, 2Il/213, 214. Piramide van Oenas, ed. Maspero, regel(s) 419, 463/465, 497.
Piramide van Oenas, ed. Kurt Sethe, regels 160/167. Piramide van Pepi, ed. Kurt Sethe, 11.
Piramide van Neterikere, ed. Jéquier, 773. Papyrus van Anhai, plaat 2b, blad II 7.
Papyrus van Noe, hoofdstuk XXV, XL, XLVII, LXIV, LXXVII, LXXVIII, LXXXII, CII, CXXX, CXXXVII.
Papyrus van Auf-ankh, hoofdstuk XLV b, CLXV. Papyrus van Nebseni, hoofdstuk XVII, XVIII, LXIV.
Papyrus van Ani, hoofdstuk I, XVII, XXVII, XXVIII, XLIII.
Papyrus van Hunefer, hoofdstuk XVII.
Papyrus van Parijs, hoofdstuk CLXXX.
Papyrus' van Kerasher, hoofdstuk IV-9.
Papyrus van Muthetep, hoofdstuk CLXXXII. Lepsius, Alteste Texte.

 
 
 
 
 07. Stille Zaterdag - In de schaduw van de dood



 
Bij de Goede Vrijdag en bij paaszondag hebben we een voorstelling. We weten waar het over gaat. De grote onbekende is echter die merkwaardige dag ertussen. Tineke Croese over de afdaling van Christus in het dodenrijk, over de Stille Zaterdag.

De Stille Week - voor het katholiek opgevoede kind dat ik was, nog te jong om veel besef te hebben van tijd, kwam Palmzondag altijd als een verrassing. Eindelijk kwam het eind in zicht van die lange, saaie, sombere vastentijd. Palmzondag was de aankondiging van de lente, van nieuwe vrolijkheid die natuurlijk pas met Pasen echt zou beginnen - eerst kwam nog Goede Vrijdag - maar die nu toch binnen de tijdsduur lag die ik kon overzien. In mijn herinnering waren de Palm- en paaszondagen altijd zonnig en lenteachtig, fris van geur en met de eerste prille voorjaarsbloemen. Het is een herinnering die onmogelijk op waarheid kan berusten, maar die vermoedelijk een herinnering is aan de paasstemming: de wereld is weer jong, fris en pas gewassen, net als toen ze nieuw geschapen was.

En net zoals de schepping van de wereld plaatsvond in zeven dagen, gaan aan de jaarlijkse vernieuwing van de schepping zeven dagen van voorbereiding vooraf: de Stille Week. De evangeliŽn beschrijven de gebeurtenissen van de eerste zes dagen, van Palmzondag tot en met Goede Vrijdag. Wat er tussen dood en opstanding gebeurt, op de zaterdag voor Pasen, vermelden ze niet. Toch is binnen het christendom de opvatting algemeen dat Christus na zijn dood direct de 'poorten van de hel gebroken heeft', dat hij is binnengegaan in het dodenrijk waar voorheen alleen de mens kon binnen gaan. In de kerken van Oost-Europa wordt dit meer meebeleefd dan bij ons in het Westen. Er is hier zelfs nauwelijks iconografisch materiaal met betrekking tot dit toch niet van dramatiek gespeende onderwerp, terwijl de andere gebeurtenissen uit de Stille Week volop in de kunst verbeeld zijn.

Wat gebeurt er tussen de dood en de opstanding van Christus? Wat gebeurt er wanneer Christus binnengaat in het dodenrijk? Deze vragen staan denk ik in nauw verband met het waarom van zijn lijden en sterven. Waarom moest Christus mens worden, waarom als mens door de dood gaan?

Aan het begin van de jaartelling was het al heel moeilijk voor een geestelijk wezen om zich met een mens te verbinden. Christus was in staat zich in een tijdspanne van drie jaar volledig als mens te incarneren. Alleen als mens kon hij de dood leren kennen. De dood werd immers in de wereld gebracht door geestelijke wezens die in opstand waren gekomen tegen God en wat God met de mensen voorhad. De geestelijke wezens die God trouw waren gebleven, kenden de dood niet en konden niet binnengaan in het rijk van de dood. Alleen door mens te worden en als mens te sterven, was Christus in staat in het dodenrijk binnen te gaan. Tot het moment dat Christus erin afdaalde, was het dodenrijk een voor de geestelijke wereld volledig ontoegankelijk gebied. Pas door Christus' afdaling in de onderwereld konden de daar heersende tegenstanders machten overwonnen worden.

Wat dit betekent, kan duidelijk worden uit de mythologieŽn van vlak voor en vlak na het begin van de jaartelling. Met name de Griekse en de Noorse mythologieŽn spreken over de onderwereld of het dodenrijk als over een schaduwrijk, waar de mensenzielen een soort schimmenbestaan leiden zonder dat ze zich hun vroegere bestaan op aarde kunnen herinneren. Odysseus kan in de onderwereld slechts met de zielen van de doden spreken als hij hun bloed te drinken geeft. Pas dan herinneren zij zich wie zij zijn en worden ze uit hun schimmenbestaan gewekt. Het is de in het bloed aanwezige kracht van het ik die hun in het schimmenrijk ontbreekt. Juist deze kracht van het ik en het met dat ik in verband staande vermogen tot herinnering, worden door Christus in het dodenrijk binnengebracht.

De Grieken kennen naast het schimmenrijk ook nog de ElyseÔsche velden waar de 'helden' naar toe gaan. In de Noorse mythologie bestaat er in de wereld na de dood zelfs een driedeling, die je niet simpelweg als hemel en hel kunt betitelen. Alice Woutersen geeft in haar boek Tussen Wodan en Widar een heel heldere kijk op deze driedeling. Ze vat haar niet op als een uiteenvallen van de mensen in drie 'soorten', maar als een driedeling binnen het ene mensenwezen zelf. Elk op aarde verblijvend mensen-ik is een strijder en begeeft zich wat betreft zijn innerlijke strijd op drie slagvelden.

    Op het eerste slagveld slaagt hij erin zichzelf te overwinnen. Daar is hij de held, de overwinnaar, en dat is het gedeelte van hem dat naar de god Odin en het Walhalla kan gaan.

    Op het tweede slagveld gaat het ik ook moedig de strijd aan, maar daar blijft die strijd onbeslist. Dat deel is voor de godin Freya, die de helft van de gevallenen kiest en hen liefdevol in haar zaal Folkvangrl opneemt. Het woord 'halfanval' dat als 'helft van de gevallenen' vertaald wordt, zou je ook kunnen vertalen als 'het onvolmaakte deel' (van de strijdende mens).

    Op het derde slagveld echter heeft het ik nauwelijks of helemaal niet gestreden, daar heeft het zich door 'zwakte' laten overwinnen en sterft het van ziekte of ouderdom. Dat deel gaat naar de godin Hel, naar het eigenlijke schimmenrijk.

Het schimmenrijk van Hades is het meest bekende klassieke beeld van de wereld na de dood. In de oudheid ging men ervan uit dat men na zijn dood daar terecht kwam, en niet ergens anders. Ik denk dat het gedeelte waar de mens met zichzelf kon strijden na de zondeval geleidelijk aan steeds kleiner werd, dat hij steeds meer door 'zwakte' en 'ziekte' overwonnen werd. Daardoor werd een steeds groter deel van zijn wezen veroordeeld tot een schimmenbestaan, volledig afgesloten van de geestelijke wereld, en vanuit die wereld ook onbereikbaar. De mensenziel kon zich in het schimmenrijk zijn vorige leven op aarde niet meer herinneren. Je kunt je afvragen wat dat voor gevolgen heeft voor een volgende incarnatie. Ben je dan wel in staat je vorige aardse leven te verwerken in het volgende, wanneer je ook niet op hulp vanuit de geestelijke wereld kunt rekenen? En hoe bewust sta je dan in dat volgende leven? Zou je niet, doordat je je vorige leven niet voldoende mee hebt kunnen nemen, in het volgende gemakkelijk de weg kwijt kunnen raken, waardoor je je weer eerder door 'zwakte' en 'ziekte' moet laten overwinnen? Je kunt je voorstellen dat op die manier het schimmenrijk in de mens zich steeds verder heeft uitgebreid en dat het voor de geestelijke wereld noodzakelijk werd in deze dodenwereld binnen te dringen, omdat anders de mensheid al gauw helemaal niet meer te bereiken zou zijn, volledig in de handen van de machten die deze schimmenwereld gecreŽerd hadden door met de zondeval de dood in de wereld te brengen. De eerste taak van Christus na zijn dood was de poorten van deze hellenwereld open te breken.

De legende zegt, dat de poorten vielen met donderend geraas en de dienaren van de vorst der duisternis naar alle kanten wegvluchtten, toen met het verschijnen van Christus het zonlicht begon te gloren in het rijk van duisternis en schaduwen. In alle ruimtes en zalen van de onderwereld vonden de zielen van de gestorvenen de kracht om hun ogen naar Christus op te slaan, toen hij hen voorbij ging. - Zij die gebonden zaten in schaduw van de dood - naar 't scheen van God verlaten - begroeten 't morgenrood (uit het lied Het daghet inden Oosten) - Hij reikte hun zijn licht als een mantel, en toen ze die omsloegen herinnerden ze zich dat het hķn mantel was, in een voorbij bestaan, dat ze die droegen toen ze naar beneden kwamen en dat ze die mee moesten nemen, waar ze ook heen zouden gaan.

Ik denk dat het, door wat Christus met zijn gang door de onderwereld heeft gedaan, voor ons mogelijk is geworden met steeds meer bewustzijn van incarnatie tot incarnatie te gaan en zelfs dat je dit bewustzijn kunt oefenen binnen één leven. Dat is wat mensen volgens mij doen wanneer ze in hun leven, door depressies of anderszins, met hun eigen of andermans schaduwzijden geconfronteerd worden en dan tot het besef komen dat ze dergelijke situaties hun hele leven al op een of ander manier tegenkomen. De herinnering aan vorige levenssituaties en hoe je daarmee bent omgegaan kan richtinggevend worden voor het leven dat nog voor je ligt. Misschien wordt het binnen niet al te lange tijd zelfs mogelijk jezelf niet alleen te beleven als een persoonlijkheid die van levenssituatie naar levenssituatie gaat en die met hulp van zijn herinnering deze situaties op zinvolle wijze kan verbinden, maar ook als een persoonlijkheid die van het ene leven naar het andere gaat en zich de verbanden en verhoudingen tussen zijn verschillende levens herinneren kan.

De hele vastentijd, als voorbereiding op lijden, sterven en opstanding van Christus, is erop gericht om juist in een tijd waarin de uiterlijke natuur opnieuw tot leven komt, in de eigen levenskrachten de dood toe te laten. Door te vasten en zo tot in het eigen organisme de doodskrachten te beleven, ontstaat een nieuwe helderheid, een nieuwe wakkerheid. Wakend beleefde men vroeger in de kerk de overgang van Stille Zaterdag naar paaszondag, wakend werd de opstanding van Christus meebeleefd. Wat in het fysieke de confrontatie is met de dood, kan in het innerlijk leven de confrontatie zijn met de eigen schaduw. Door ook die vorm van doodskrachten in het eigen innerlijk mee te beleven, ga je tot in het schaduwrijk van de dood de strijd aan met jezelf. Ook dat is wakend en met zelfbewustzijn de overgang van dood naar opstanding beleven.

Artikel uit: Motief, maandblad voor antroposofie - nr. 40, April 2001© Antroposofische Vereniging in Nederland