Gedichten rond de Goede Week en het feest van Pasen


 

 
Op de Wederopstanding-triptiek heeft Hans Memling (van links naar rechts) de kruisiging van Christus, zijn wederopstanding en zijn hemelvaart afgebeeld (Musée du Louvre, Parijs)
 
 
 
 
Evangelieteksten over de tijd rond Pasen in het N.T. 
 
 
 
 
 
 
 
01. De betekenis van Pasen – 02. Gethsémané – 03. De soldaat die Jezus kruisigde – 04. Goede Vrijdag – 05. Het is volbracht – 06. Paaszaterdag – 07. Pasen (Nel Benschop) – 08. Reiziger 'doet' Golgotha – 09. Na Pasen – 10. Pasen! (Chris Westra) –  11. Goede Vrijdag – 12. Pilatus – 13. Mater Dolorosa – 14. Toen God de Heer – 15. De drie jonkvrouwen – 16. Petrus - 17. De Kruisiging – 18. De Via Dolorosa – 19. Pasen – 20. De Kruisweg van Jezus – 21. Sabat Mater – 22. Stille week – 23. Niet mijn wil, maar Uw wil -  24. Palmpasen – 25. Pasen 2006 – 26. Emmaüs – 27. Berouw – 28. Paasmorgen – 29. De andere Maria -  30. In stille nacht - 31. Filius regis non mortuus est -  32. De Olijvenhof - 33. Christus als Hovenier - 34. Leven – 35. De weg ten leven – 36. Pasen - 37. Verrijzenis - 38. Pasen 2015 - 39. Te mogen leven – 40. Haec Dies – 41. Goede Vrijdag – 42. Vrij naar psalm 139 – 43. De wijnstok – 44. Paasgedachte - 45. Jezus of Barabbas -
 
 
 
01. De betekenis van Pasen

 

Van oorsprong is Pasen een heidens feest, oftewel een feest van niet-gelovigen. Pasen is oorspronkelijk het lentefeest ter ere van de godin van licht en lente: Eastre. Op de zondag na de eerste volle maan in de lente is het Pasen. Het feest werd gehouden om de vernieuwing van het leven in de lente te vieren. Daarom zijn vruchtbaarheidssymbolen, zoals hazen en eieren, erin opgenomen. Pasen is dus oorspronkelijk geen godsdienstig feest. Later heeft Pasen voor gelovigen een eigen betekenis gekregen die overigens wel aansloot op de oorspronkelijke betekenis. De godsdienstige betekenis van Pasen is de viering van de opstanding van Jezus Christus. In bijna alle landen in de wereld wordt Pasen gevierd. Maar de manier waarop Pasen wordt gevierd, is voor ieder land verschillend.

De viering van het Paasfeest is zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament het centrum van waaruit de samenhang van de Schrift gezien kan worden. Het Paasfeest is het centrum van ons geloof, dat het een overwinning is op de dood.
Het Paasfeest is het oudste christelijke feest dat wij kennen. En dus zijn van het Paasfeest belangrijke impulsen uitgegaan voor de ontwikkeling van de feestkalender in het algemeen. Voor dit feest zijn verschillende namen gangbaar: Pascha, Pasen en Paasfeest. Men stelt voor, om Pascha de Griekse versie van Pesach, voor het joodse feest te gebruiken, terwijl men  Pasen en Paasfeest voor het christelijk feest zou moeten handhaven.

De vroege christenen moeten ook het Joodse Pascha gevierd hebben, maar die viering is nu praktisch geheel verdwenen. Op het Concilie van Nicéa in 325 werd eveneens de ontkoppeling van Pesach en Pasen aanvaard. De gemeenschappelijke paasdatum van de kerk is een duidelijke afgrenzing tegen het joodse Pascha. De viering van Pasen in de christelijke gemeente heeft wortels in het Nieuwe Testament, maar de precieze ontwikkeling van het feest ligt in het duister. Voor ons gevoel moet Paasfeest vanaf Jezus' opstanding uit de dood, toch jaarlijks gevierd zijn. De werkelijkheid is bepaald genuanceerder geweest. Pasen blijkt niet eerder dan in de eerste helft van de tweede eeuw als jaarlijks terugkerend feest te worden gevierd, en daarbij wordt niet in de eerste plaats Jezus' opstanding maar vooral zijn dood herdacht.

Deze nadruk op de dood van Jezus, en van hieruit op Zijn opstanding, horen wij Melito van Sardes leggen in een paaspreek rond het jaar 165, wanneer hij het woord "pascha" verbindt met het Griekse werkwoord "paschein", dat "lijden" betekent. Melito echter tekent het lijden van Jezus niet gescheiden van Zijn verheerlijking, zoals in latere tijden Goede Vrijdag van de paasmorgen wordt losgemaakt, om daarmee tot een zelfstandige gedenkdag uit te groeien.
De oudst bekende viering van een jaarlijks Paasfeest op de eerste dag van de week valt inderdaad op de zondag die volgt op de veertiende van de maand Niesan.
Op het Concilie van Nicéa wordt om motieven van verlangde eenheid van de christenen besloten, dat de paasdatum voortaan zal zijn op de eerste zondag na de eerste volle maan na de lente-nacht-evening (globaal gesproken: 21 maart).
Het gaat voortaan dus om een drievoudige berekening: de datum van de paasviering heeft te maken met de zeven-dagen-week, met de maancyclus en met het zonnejaar.
 
 
 
 02. Gethsémané

Waakt met mij,  één nacht, één uur, één oogwenk,
Opdat ik de plek voel waar gij zijt.
Kunt gij waken, strijdend tegen lijfsdwang,
Kunt ge ook troosten met aanwezigheid.

Zoo zijn goden vaak op ’t eind vereenzaamd,
Menschonwaardig, haav’loos en verkild,
Dat zij need’rig smeeken om de bijstand
Van een vriend die ’t zelfde heeft gewild.

En zij gaan ongaarne in de doodsstrijd
Waar geen spiegel zelfs hen gadeslaat,
En zij huiv’ren voor de bleeke nanacht,
Als de haan kraait en de vriend verraadt.

Waakt met mij,  één nacht, één uur, één oogwenk,
Slaap is maar een smalle overzij,
En wanneer de slaap u tóch vermeestert,
Breekt uit droomen los, en waakt met mij

Simon Vestdijk
  
 
 
 
03. De soldaat die Jezus kruisigde
 

 

Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn vingers grepen
wild om den spijker toen 'k den hamer hief -
Maar hij zei zacht mijn naam en: 'Heb mij lief -'
En 't groot geheim had ik voorgoed begrepen.
 
Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
en werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
den spijker door zijn hand in 't hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
trek ik een visch - Zijn naam, Zijn monogram -
in ied'ren muur, in ied'ren balk of stam,
of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
'Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.'

Martinus Nijhoff

 
 
 
 
 
 04. Goede Vrijdag

Toen Judas Jezus had verraden
Vond hij geen uitweg dan een strop,
Waar alle poorten der genade
Gesloten zijn – en hing zich op.

Toen Petrus driemaal had gelogen
Tussen soldaten en een vrouw,
Ging hij naar buiten, in zijn ogen
De hete tranen van berouw.

En ik? Ik zou hun rechter zijn?
Ik schonk de beker met venijn;
Ik bood voor minder nog Uw leven
Maar heb het geld niet teruggegeven,
En mengde edik in de wijn.

Ik heb U honderdmaal bedrogen,
Mijn gal in Uw gelaat gespogen,
En duldde dat men U verried;
Maar ging weer slapen, zonder zorgen,
De hanen kraaiden elke morgen:
En niettemin, ik weende niet.

H. L. Prenen – uit: Tafelrede en andere gedichten.
 
 
 
 
 
05. Het is volbracht

Ik denk aan de weg
die Jezus moest gaan
aan Zijn pijn en Zijn lijden
hoe Hij alleen kwam te staan.

Verlaten van mensen
van Vader en vriend
Hij droeg onze straf
Die Hij niet had verdiend.

Ik zie Hem daar hangen
een wond in Zijn zij
gehoond en bespuugd
voor jou en voor mij.

Ik hoor de echo van de slagen
die de spijkers door z'n handen sloeg
ik zie de striemen op z'n rug
Zijn zweet dat werd tot bloed.

Zijn Handen doorboord
op Zijn hoofd een doornenkroon
bloed uit zijn wonden
een Koningszoon.

Zijn intens van God verlaten zijn
Zijn woorden: "Zie de mens".
Zijn liefde voor de moordenaar aan het kruis
vergeving was Zijn laatste wens.

Stil ga ik de weg naar Golgotha
aan het kruis kniel ik neer vol ontzag
vrij van zonden en straf, voldaan is mijn schuld,
omdat Jezus alles heeft volbracht.

Cobi van der Hoeven

 
 
 
 
 
06. Paaszaterdag

Nog is de stilte Gods volkomen
En boven ons, ontbladerd, staat
Het vruchtbaar hout: de Boom der bomen
Omhangen met een dageraad.

De rijp hangt in de meidoornhagen,
De wachters waken bij het Graf;
Maar ons geloof zal vruchten dragen,
Groen lover reeds draagt onze staf.

De duiven dalen naar de beken,
Een kleine vrouw verlaat haar huis
En schouwt den heuvel en het Teken
En tekent zich met Christus' Kruis.

Als gij de krekels in de grassen
Het jong hoort piepen in de schaal,
Zal u zijn heerlijkheid verrassen !
Want maatloos is zijn zegepraal.

Jacques Schreurs
 
 
 
 
 
 
 07. Pasen

Hij was twee nachten in het graf geweest
toen God Hem riep: "Sta op, mijn Zoon!
De hele hemel viert nu feest,
de engelen staan juichend om mijn troon.
Ga, zeg de mensen dat Ik door uw lijden
hen uit de macht van dood en zonde wil bevrijden.”

En bij die woorden wentelde de steen
en Christus stond omstraald door morgenzon.
De wachters vluchtten vol ontzetting heen,
alsof de dood hen achterhalen kon.
En toen heeft God twee engelen gezonden
die Christus’ windsels hebben opgewonden.

En zij verkondigden de vrouwen, dat
de Meester opgestaan was uit het graf.
Toen hoorde zij, die Hem het meest had liefgehad,
haar naam. Maar Hij leek zó ver van haar af
dat zij alleen vol eerbied kon aanbidden.
En toen zijn jong’ren treurden, stond Hij in hun midden.

Als toen, in Emmaüs, breekt Hij het brood;
Hij opent onze ogen, dat ook wij
zien hoe Hij leed voor ons tot in de dood
en zullen weten: Jezus kocht ons vrij.
Het sterven is geen einde, maar een nieuw beginnen.
Het is iets afstaan om het ál te winnen.

Nel Benschop - Uit: "Een open hand naar de hemel”
 
 
 
 
 
08. Reiziger 'doet' Golgotha

I

Zij hebben Hem, zonder zich af te vragen
of Hij het kon verdragen,
met nagels aan een kruis geslagen.

En toen Hij daar te lijden hing,
- een spijker is een lelijk ding -
zei Hij: Vader vergeef het hun.

Zei Hij: ze weten niet wat ze doen.
Het was hun er immers om te doen,
om eens te zien, wat of Hij nu zou doen!

Zo heeft Hij nog voor hen gebeden,
en in Zijn sterven aan hen meegegeven
een alibi voor hun geweten.

En ik stond in de verte quasi wat te praten
met 'n paar onnodige, onnozele soldaten.
Ze deden immers tóch, wat ze niet konden laten.

Maar Hij beriep zich op het allerlaatste:
de handen van Zijn Vader; - nog vóór Pasen
moest ik me naar mijn schip in Jaffa haasten.

II

Toen heb ik - 't was op Cyprus - in de krant gelezen:
J. v. N., Christus geheten,
is, na voor drie dagen gekruist te wezen,
zoals onze geachte lezers weten,

niet in Zijn graf gevonden: het was open.
Hardnekkige geruchten lopen,
dat Zijn discipelen de wacht beslopen,

toen deze sliep, en zo het lijk ontvreemdden.
Geëxalteerde vrouwen echter meenden,
dat zij Hem zagen wandelen door de beemden;

Maria moet gestameld hebben: Here!
Er zijn ook vissers, die beweren:
Hij heeft met ons gegeten bij de meren.

Maar dit is van bevoegde zijde wedersproken.
Men late zich geen knol voor een citroen verkopen.

III

Rome. - Het anker valt. Wij varen thuis.
Ik spoed mij naar de thermen, word ontluisd
van reis en roes en in mijn eigen huis

bij vrouw en vuur en radio gezeten,
ben ik alras Christus en kruis vergeten.
... Toen heeft een S.O.S. mijn ziel doorreten:

'Mijn Geest wordt uitgestort op alle vlees.
Wie niet vóór Mij is, is tégen Mij geweest',
seint een Geheime Zender wit en hees.

Weer onder zeil, over de eenzaamheden
van oceanen die mij van U scheiden,
Christus, wil mij verschijnen aan den einder.

Gerrit Achterberg
 
 
 
 09. Na Pasen

't Is maandag en het is april,
de lucht is kerngezond
met ijsblokken bestapeld aan
de blauwe horizon,

de wind draagt fonk'lend zonlicht koel
als hoge berglucht mee,
er wappert helder wasgoed wit
als uitgestoken sneeuw.

't Is maandag en het is april,
Uw kruis stond opgericht,
ik mag met heel de wereld mee
staan blinken in een witte zee
van zuiverheid en licht.

Nel Veerman - uit: 'Stenen in een meer', 1991

 
 
 
 10. Pasen!

Een 'Goede Vrijdag'
wens ik U, ... maar 'Goede'? ... ach ...
werd lang geleden niet genomen,
het 'Leven' van het Kind, dat was gekomen?

Met kerst kwam dat 'Kind'  op aarde
en Engelen zongen, dat God zich openbaarde.
En nu, op deze dag ? ..   'God' aan een KRUIS?
Wat zijn wij mensen ver  van huis!

Morgen is het 'Stil',
alsof de 'Schepper'  wachten wil.
De 'Schepping' houdt de adem in ...
Had het 'Leven' nog wel zin?

Zondag komt Zijn boodschap aan,
"De Heer is waarlijk opgestaan!"
Wij mensen mogen 't wéér proberen, .
Of je wilt of niet, het is de dag des Heren!
 
Chris Westra ©
Almelo, 09-04-2004
 
 
 
 
 
 11. Goede Vrijdag

Wanneer we het niet beter wisten
dan hadden we beslist gedacht
dat er geen hoop meer was voor Jezus,
geen leven na Zijn lijdensnacht.
Maar ’t grootste wonder aller tijden,
Zijn opstanding, heeft ons geleerd,
dat Hij na dit afschuw’lijk lijden
in glorie heeft getriomfeerd.

Mijn lieve kind, ook in jouw nachten
zul je wel eens vertwijfeld zijn
wanneer het drukkend kruis zo zwaar is,
je hart verscheurd wordt door de pijn.
En toch wil ik je innig raden:
Houd moed! God heeft het laatste woord
en schoner dan het gouden zonlicht
Zijn kracht de duisternis doorboort.

Wanneer we het niet beter wisten,
dan dachten jij en ik bij leed
dat onze Vader in de hemel
Zijn kinderen misschien vergeet.
Doch wees getroost, Die heeft bewezen
dat Hij van kruisen kronen maakt,
laat ook jouw levensnacht verdwijnen,
zodat een nieuwe dag ontwaakt.

Frits Deubel
 
 
 
 
 
 
12. Pilatus

Ik wilde niet, ik wilde niet.
Ik wilde Hem niet kruisigen.
De ogen in dat smal gezicht
zagen te recht mij aan.
Van buitenaf drong tot mij door eisend,
de roep der duizenden,
maar ik, ik wist Hem schuldeloos.
Walgen greep mij aan.

Wij stonden in het rechtshuis
tegenover elkaar.
Hij reikte slechts tot mijn schouder –
Wie was Hij, en vanwaar?
De krenking van Zijn zwijgen
stak in mijn trots.
Waarom liet Hij met eigen hand
de furie in mij los?

Ik wilde niet, ik wilde niet.
Het hart had eigen redenen:
hoe, zo de walging die ik wist
háár overviel, voor mij?
Teder was zij, en kinderlijk,
bevend in mijn omhelzen –
En zo ik aan Hem schuldig werd,
wie weet, was dit voorbij?

Ik staarde op mijn handen.
Waarom? dacht ik. Waarvoor?
De dreiging uit de menigte
drong luider tot ons door,
grommend de prooi bewakend,
alleen nog beest.
Maar Zijn ogen bleven dezelfde,
helder en onbevreesd.

Ik wilde niet, Hij wist het.
Hoe is het dan gekomen?
Woede om Zijn zwijgen,
vrees die mij overviel,
het oproer, losgebroken
dat ik vaak zag in mijn dromen,
de vlucht… en, log en weerstandsloos,
Caesars beeld, dat viel?

Ik liet Hem de kruisweg gaan.
Niet Hem, maar mij was de schande.
Vergeefs wees ik die af,
waste vergeefs mijn handen.
En toen ik ’s avonds, dodelijk
vermoeid, mij aan haar lei,
toen zweeg ook zij, en wendde zich,
en alles leek voorbij.

Maar die nacht, in de droom,
vocht ik mij door vele deuren,
ik zocht, naar waar de waarheid was,
schemer brak door een kier,
en een stem zei: ‘Die mij U overgaf
draagt groter deel der zonde.
Sta op, en zoek Mijn Koninkrijk,
het is ginder, en niet hier.

Lidy van Eysselsteyn.

 
 
 
 
 13. Mater Dolorosa  *


 
  Heb je geen medelij met mijn Kind?
Of met mij, van rouw geslagen?
Neem af van het hout mijn lieve Kind
of laat Het ons samen dragen.

Meer pijn dan ik lijd zal er nimmer zijn,
niets blijft mij dan rouw en verdriet.
In zijn liefde blijven wij samenzijn,
ik wil sterven als Hij, anders niet.

 John Grimstone

* Moeder van smarten
 
 
 
 
14. Toen God de Heer

Toen God de Heer in de stille hof
zijn lijden begon, geknield in het stof,
toen treurde alles wat daar was,
de vogels, het kruid en het groene gras.

Maria hoorde een hamer slaan....
'O wee, mijn Kind! Wat vang Je aan?
O wee, o wee, mijn zoon, mijn …,
ik voel dat Je mij verlaten zal!'

Maria kwam onder het kruis gegaan,
daar hing haar Kind, haar liefste aan,
naakt aan het kruis,- hoe vals, hoe wreed!
Nooit kende een moeder feller leed.

'Johannes, liefste vriend van Mij,
zorg voor mijn moeder, sta haar bij.
Ga weg met haar, opdat zij niet
mijn bittere marteling hier ziet!'

'Ach Heer, graag doe ik wat Gij vraagt,
ik zal haar geven wat haar behaagt,
ik zal haar troosten stil en zoet
zoals een kind het zijn moeder doet.'

'Bomen en bloemen, buigt wenend neer,
mijn Kind heeft rust noch vrede meer.
Bladeren en vruchten, buigt neer in smart,
laat dit lijden gesneden zijn in uw hart!'

De hoge bomen bogen zwaar,
de rotsen spleten van elkaar,
de zon verloor haar fonkeling,
de vogels hielden hun zingen in.

De wolken weenden ach en wee,
de steile bergwand spleet in twee,
men zag de graven open gaan
en de doden zijn koninklijk opgestaan.


Duits volkslied, zestiende eeuw
 
 
 
 
 
  15. De drie jonkvrouwen

Drie jonkvrouwen zijn er vroeg opgestaan
om vroom naar het heilige graf te gaan;
zij hielden haar kostelijke balsem gereed
als ook eertijds Maria van Magdala deed.

De jonkvrouwen gingen bedrukt naar het graf:
'Wie wentelt ons toch de steen er af?
Wij willen het lichaam van onze Heer
zorgvuldig zalven ter zijner eer.'

Toen zij bij het graf waren aangekomen
met de balsem, die zij hadden meegenomen,
ontdekten zij angstig de open poort;
twee stralende engelen stonden ervoor.

'Gij jonkvrouwen, blijft er niet roerloos staan,
snel moet gij naar Galilea gaan;
gaat snel Galilea berichten, jonkvrouwen,
dan doe ik u uw Heer Jezus aanschouwen.'

Doch Maria van Magdala liet niet af,
zij zocht naar haar Meester nog in het graf
waar gelegen hadden zijn leden zoet;
maar toen kwam Heer Jezus haar zelf tegemoet.

Hij kwam getreden al over het gras
in een mantel alsof Hij een tuinman was,
Hij droeg een spade vast in zijn hand
alsof hij ging arbeiden op het land.

'Ach tuinman, ik bid u, dat gij het mij zegt:
waar hebt gij mijn Meester toch neergelegd?
Hebt gij hem gezien? Ach, wil toch spreken,
angst en verdriet doet mijn hart haast breken.'

Doch toen Hij haar met zijn woord begroette,
herkende zij Hem en viel aan zijn voeten;
zij knielde neer op de harde steen,
want zij vond haar Meester, zij alleen.

'Maria van Magdala, raak Mij niet aan,
het is nog te vroeg, gij moet verder gaan.
Ga heen en raak Mij niet aan met uw hand
vóórdat Ik zal zijn in mijns Vaders land.'

Duits, veertiende eeuw
 
 
16. Petrus

De herinneringen blijven fel.
Ik, die in mijn jongensdromen
desnoods tot aan de poorten van de hel
had willen gaan, ik was niet in te tomen.

Voor deze mens wilde ik sterven,
tot aan het einde bij Hem zijn,
maar angst deed deze droom bederven:
een felle doodsangst kreeg mij klein.

In een waas zag ik mensen en vuren.
Ik ontvluchtte de drukte, zocht eenzaamheid,
bleef maar rennen door de nachtelijke uren
vol woede en angst, daarna zelfverwijt.

De zon ging onder in een bloedig rood.
Wie ik had willen zijn is dood.

Dylan Terwier
 
 
 
 
 
17. De Kruisiging

Toen klonken kort en hol de hamerslagen
Op 't folterend kruishout, waar de Christus lag.
De rechters grimden in een wreed behagen
En vrouwen kreunden zacht bij iederen slag.

'n Jongen schreide -, 'n kinderstem riep "ach!" - -
Doch van Zijn lippen kwam geen kreet, geen klagen.
Stil vloeide 't bloed, één-vervig met den dag,
Stervend den rooden dood van al de dagen.

En traag en zwijgend schuifeldalend tot
Jeruzalem 's vreemd schemerende straten,
Verward, ontroerd, dacht menigeen aan Zijn lot - -,

En huiverend omziend trof diens blik 't verlaten,
Scherp silhouet van den gekruisten God
En wist opeens dat hij dien Man niet haatte.


JAN EEKHOUT
 
 
 
 
 18. De Via Dolorosa

De Via Dolorosa
ben ik zo vaak gegaan
en steeds heb ik verbijsterd
op plaatsen stilgestaan,
waar Jezus heeft gelopen,
Zijn kruishout moeizaam droeg
en men Hem zonder reden
vernederde en sloeg.

De Via Dolorosa
loopt door mijn treurend hart.
Ik ga haar met mijn Heiland
en voel iets van de smart,
die Hij heeft meegedragen,
hier, waar ik wenend sta
en met ontzetting waarneem
het einde: Golgotha!

De Via Dolorosa
geeft aan mijn leven zin.
't Is na het bitter einde
goddank een nieuw begin
van leven zonder sterven,
van opstanding na dood.
Het is de weg naar boven,
die God mij hierdoor bood.

Frits Deubel
 
 
19. Pasen

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de slag van
lerke en vinke,
nu de stem van
mense en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
pint de lampen,
laat de verse
wierook dampen:
Hallelujah,
‘t jok is af
van de dood en
van het graf!

Pasen, Pasen,
opgestanden
is de God, die
boze handen
hadden aan het
kruis gedaan:
Pasen, Pasen,
vrij voortaan,
heeft Hij hout en
steen en ijzer
overwonnen,
die, verrijzer,
Hallelujah,
één uit al,
leeft en immer
leven zal!

Pasen, Pasen,
dwaze mannen
dachten Hem in ‘t
graf te spannen,
met Pilatus'
zegelmerk:
Pasen, Pasen,
ijdel werk,
ijdel waken:
God almachtig
is verrezen,
eigenkrachtig,
Hallelujah,
door de steen,
eer de zonne in
‘t oosten scheen.

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de taal van
lerke en vinke,
nu de taal van
mense en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
spijst de lampen,
laat de blauwe
wierook dampen:
Hallelujah,
God is groot:
overwinnaar
van de dood!

Guido Gezelle
 
 
 
 
 20. De Kruisweg van Jezus

Niemand heeft Hem gedwongen
Jezus is zelf de kruisweg gegaan
en met pijn in Zijn hart
heeft de Vader Hem zien gaan.

Jezus had zelf kunnen kiezen
voor Zijn Zoonschap en grote macht
maar Hij legde alles af
maakte zich los van God'lijke kracht.

Hij koos voor de mens
voor jou en voor mij
die keus maakt ons nu
voor eeuwig vrij.

Hoe kan ik U danken
mijn Jezus en God
hoe hebt U geleden
hoe vreselijk was Uw lot.

Uw bloed vloeit nog steeds
voor een wereld in nood
U stierf voor elk mens
nog steeds is er hoop


Cobi van der Hoeven
 
 
 
 21. Stabat Mater

1.

Naast het kruis, met schreiende ogen
Stond de moeder, diep bewogen
Toen de Zoon te sterven hing,
En haar door het zuchtend harte,
Overstelpt van wee en smarten,
't Zevenvoudig slagzwaard ging.

2.

O hoe droef, hoe vol van rouwe,
Was die zegenrijkste vrouwe,
Moeder van Gods ene Zoon!
Ach, hoe streed zij! ach, hoe kreet zij,
En wat folteringen leed zij,
Bij 't aanschouwen van die hoon!

3.

Wie, die hier niet schreien zoude,
Als hij 't grievend leed aanschouwde,
Dat Maria's ziel verscheurt?
Wie kan, zonder mee te wenen,
Christus' moeder horen stenen,
Nu zij met haar zoon hier treurt?

4.

Voor de zonden van de zijnen
Zag zij Jezus zo in pijnen,
En de wrede geselstraf,
Zag haar lieve Zoon zo lijden,
Heel alleen de doodskamp strijden,
Totdat Hij zijn geest hergaf.

5.

Geef, o Moeder! bron van liefde,
Dat ik voel, wat U zo griefde,
Dat ik met U medeklaag.
Dat mij 't hart ontgloeit van binnen,
In mijn Heer en God te minnen,
Dat ik Hem alleen behaag.

6.

Heil'ge Moeder, wil mij horen,
Met de wonden mij doorboren,
Die Hij aan het kruishout leed.
Ach, dat ik de pijn gevoelde,
Die uw lieve Zoon doorwoelde,
Toen Hij stervend voor mij streed.

7.

Mocht ik klagen al mijn dag,
En zijn plagen waarlijk dragen,
Tot mijn jongste stervenssmart.
Met U onder 't kruis te wenen,
Met uw rouw mij te verenen,
Dat verlangt mijn zuchtend hart.

8.

Maagd der maagden! nooit volprezen,
Wil voor mij niet bitter wezen,
Laat mij treuren aan uw zij,
Laat mij al de wrede plagen,
En de dood van Christus dragen,
Laat mij sterven zoals Hij.

9.

Laat zijn wonden mij doorwonden,
Worde ik bij zijn kruis verslonden
In het bloed van uwen Zoon.
Moge ik in het vuur niet branden,
Neem, o Maagd, mijn zaak in handen
In het oordeel voor Gods troon.

10.

Christus, moge ik eens behalen,
Als mijn levenszon gaat dalen,
Door uw Moeder, palm en prijs.
En als 't lichaam dan zal sterven,
Doe mijn ziel de glorie ervan
Van het hemels paradijs.
Amen

g-moll D. 175 - Franz Schubert (1787-1828)
 
 
 
  ***

De moeder stond met smart bevangen
En met tranen langs haar wangen
Waar haar zoon gekruisigd hing
En het was haar in haar lijden
Of een zwaard haar kwam doorsnijden
Dat dwars door het hart heen ging

Hoe verdrietig en verloren
Was de toch zo uitverkoren
Moeder die het 't leven gaf.
Ze moest klagen, ze moest rouwen
En ze beefde bij 't aanschouwen
Van zijn vreselijke straf.


(Vertaling van Willem Wilmink)
 
 
 
 
 
 
22. Stille week

Het voorjaar komt, de knoppen breken
en bloesems geven taal en teken.

De vogels zingen, God wat is dit mooi.
Ook ik wil zingen in mijn alledaagse kooi.

Maar kan niet. Deze dagen staat
tussen de takken uw bebloed gelaat.

De bomen lopen wonderbaarlijk uit
rond uw verminkte, naakte huid.

Spijkers die hand en hout doorboren,
de aarde bloeit als nooit tevoren.

Ik hunker naar wat gaande is,
naar opbloei, naar verrijzenis.

Maar kan het voorjaar nog niet aan,
eerst moet de Heer zijn opgestaan.


Jaap Zijlstra (predikant)
 
 
 
 
 23. Niet mijn wil, maar Uw Wil geschiedde.

 
Denkend over de gebeurtenissen die zich, nu bijna 2000 jaar geleden, moeten hebben afgespeeld in Jeruzalem.
Hierbij stilstaand bij de woorden die Jezus sprak toen hij zich in Gethsemane voorbereidde op Zijn zeer nabije gevangenneming en dood: "Vader, niet mijn wil, maar Uw Wil geschiedde.”

Wij, mensen hier op aarde, zijn zo dikwijls aan het jammeren over ‘hoe moeilijk’ ons leven wel is, hoeveel tegenslagen wij gekend hebben, dat we onze doelen niet gehaald hebben, dat we er niet in slagen om te verwezenlijken wat we zouden willen verwezenlijken en waarom God dat allemaal laat gebeuren, waarom Hij ons zo op de proef stelt.

Toen kwamen de volgende bedenkingen in mij op: In het zaad van een appelboom ligt de hele boom al opgeslagen, samen met de vruchten die hij zal dragen, appelen namelijk.

Stel nu dat die boom bewustzijn zou hebben en in de loop van zijn leven zichzelf als doel zou stellen om kersen voort te brengen. Waarschijnlijk zou hij dan ook jammeren over het feit dat hij zijn doel niet heeft bereikt en zijn leven zou één voortdurende klaagzang zijn.

In de zaadjes van een rozenstruik zijn al de kenmerken opgeslagen van de bloemen die de struik zal gaan voortbrengen. Zou die struik nu besluiten dat hij voortaan tulpen aan zijn takken wil vertonen, dan zou hij huilen van ’s ochtends tot ’s avonds omdat er, ondanks al zijn inspanningen, toch geen tulpen aan hem groeien. De schoonheid en de heerlijke geur van de rozen die hij draagt zouden helemaal aan hem voorbijgaan.

Dit lijken misschien lachwekkende overwegingen, maar zo is het niet. Want het is precies wat wij, mensen op aarde, doen. De boom en de struik kunnen niet op die manier denken, omdat zij geen vrije wil hebben gekregen. Wij kregen die wél.

Onze Schepper heeft ons, van bij ons eerste begin, talenten en mogelijkheden als gereedschappen meegegeven, ruimschoots voldoende om de doelen te bereiken die Hij aan ons heeft toevertrouwd.

Maar vermits wij een eigen vrije wil hebben, stellen wij onszelf doelen waarvoor wij niet de juiste gereedschappen meegekregen hebben. Wij hebben verleerd om Zijn wil te herkennen en het doel te zien waarvoor Hij ons hier heeft geplaatst omdat wij die innerlijke stem  overstemmen en het zwijgen opleggen met onze eigen wil en doelen.

En wanneer wij dan die doelen niet bereiken, wanneer niets loopt zoals wij het wensen, dan kunnen we allen maar jammeren en ons afvragen: ‘Waarom laat U mij dit overkomen, God? Bent U wel zo’n liefdevolle God?’

Terwijl we er zelf voor gekozen hebben om tulpen te willen dragen terwijl we verondersteld werden rozen voort te brengen, om bomen om te zagen met een keukenmes, m.a.w. om met de talenten die ons geschonken zijn iets totaal anders te willen verwezenlijken dan waarvoor zij in het goddelijk plan bedoeld waren.

Een appelboom kan alleen gelukkig zijn als hij appels voortbrengt, een rozenstruik wanneer hij zijn rozen laat bloeien.

En een mens? Wanneer hij vanuit het diepste van zijn hart kan zeggen: ‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde’ en daar ook naar leeft.


©Mijn overdenkingen  30/03/2006
 
 
 
 
 
 
 
 24. Palmpasen

Het is Palmpasen en ik zie de bomen,
De palmen weer met kinderogen aan:
Hun blaadren die als vogelveren stromen
En in de top der stam gestoken staan.

En alles is bereid Hem te ontvangen,
En de verwachting vlamt op elk gelaat:
De kreupelen die aan hun krukken hangen,
De honden en de blinden van de straat.

Er draaft een ezeltje met rechte oren
Als aan de witte klasmuur van mijn jeugd;
Al heeft het Jezus van zijn rug verloren,

Ik zie Hem in mijn kinderlijke vreugd,
En zachtjens juicht het kind in mij verblijd:
Hosannah die de Zoon van David zijt.

Bertus Aafjes (uit: 'Het koningsgraf', Amsterdam 1948)
 
 
 
 25. Pasen 2006

Gekleurde eierdoppen op het bord
de lege schalen onverkort
als tekenen van feest en vreugde.
De maretak, het kruis, het leed
dat toen geschiedde
moest een nieuwe toekomst bieden.


Een toekomst in geloof en diep vertrouwen
waarop de mensheid echt kon bouwen,
bouwen aan gerechtigheid en vrede
geldt dit dan ook nog voor het heden?
Pasen, een feest van menselijk genot
geworden tot een lege dop.

Henk Banis
 
 
 
 
 
 
 26. Emmaüs


De tocht terug is nooit zo lang geweest.
Jeruzalem een puin, de droom verdroomd.
Al wat men in de oude Schriften leest
is tevergeefs, voor altijd weggehoond.

De mijlen naar hun oude dorp doen pijn.
Twee volgelingen gaan vermoeid hun weg
van dagelijks brood en amper samenzijn,
bedroefd om alles wat hun werd ontzegd.

"Te klein is uw geloof in de profeten."
Alleen hun oren zien, ze houden halt,
vernemen wat men nooit meer kan vergeten
en vragen: "Blijf bij ons, de avond valt."
 
Patrick Lateur (uit: 'Ravenna', Uitgeverij P, Leuven 2001)
 
 
 
27. Berouw

In den schemer het angstige luistren
Naar den wind, die waait om de huizen.
Van de wilgen stuiven de pluizen,
Wit in den regen van 't duister.

Ver weg het bedwelmend bruisen
Van de zee: haar vage geluiden
Eentonig, versmelt met het ruischen
Van het bloed, zoo warm en duister.

In het duistren en het ruischen
Een buigend mensch, arm en donker...
Op een heuvel stonden drie kruisen.
Gij leedt daar, ik weende er onder.

Willem de Mérode  uit: 'Verzamelde gedichten', UM Holland, Amsterdam 1952
 
 
 
 
 
 28. Paasmorgen

Nu is de morgen gerezen
boven de dood en het graf,
van angstig hopen en vrezen
hangt Gods rijk niet meer af;

allen die zijn gekomen
op deze derde dag,
zien 't Eeuwig Licht ontstromen
waar Christus begraven lag;

engelen en heiligen knielen
waar de Zoon verheerlijkt staat:
Zon voor Wie de duivelen vielen,
Die niet meer ondergaat!

Zingende en in verblijden
met alle zielen tezaam,
Winnaar der hel, door Uw lijden
loven ook wij Uwen Naam!


A.J.D. van Oosten (1898-1969) publiceerde het gedicht 'Paasmorgen' in 1936 in zijn bundel 'De dag beweegt' (Bosch & Keuning, Baarn)
 
 
 
 29. De andere Maria

Ook ik ben droevig naar een dode Heer gegaan,
en heb met tranen bij zijn open graf gestaan.
Ik wilde Hem de laatste eer bewijzen;
en was vergeten,dat Hij zou verrijzen;
Ik maakte mij veel zorgen om de zware steen.
Wie zou hem wentelen van het graf?


Ik was alleen.
Maar in de hof vroegen de hemelboden
Wat zoekt gij Hem,Die leeft,
hier bij de doden?

Dat Hij verezen was,begreep ik later pas.
Omdat ik nog niet wist,
hoe eind'loos groot Hij was.


Soms denkt de liefde klein van 't liefste wezen.
Om eigen kleinheid en om eigen vrezen.
In wanhoop wilde ik de Meester zoeken gaan,
maar plots'ling hoorde ik zijn stem:
Hij zei mijn naam!


Nu ik door Jezus zó mijn naam mocht horen.
Ben ik tot het leven uit de dood geboren!


Gerrit Kloos
 
 
 
 30. In stille nacht


In stille nacht
ving wonderzacht
een stemme aan te klagen.
'k Stond stil en hief
mijn hoofd,- wat riep
zij daar sidderend bij vlagen?
 
Het was de Heer,
stil lag Hij neer,
zijn hoofd diep in zijn armen.
Het was zo wit
als sterrenlicht,-
een steen zou zich erbarmen.
 
'Ach, Vader mijn,
ach, Vader mijn,
moet Ik die beker drinken?
Kan 't anders niet,
uw wil geschied',
doch laat mijn kracht niet zinken!
 
Laat God vannacht
u troosten zacht,
Maria, Moeder pure....
Is géén hierbij
die waakt met Mij
in deze bange ure?
 
De zilveren maan
wil ondergaan,-
van angst is zij verdwenen.
De sterren zijn
nu bleek van pijn,
zij willen met Mij wenen.'  

Friedrich von Spee (1591-1635)
 
 
 
 
 31. Filius regis non mortuus est   
 

  
 
Ik ging bedroefd de stadsmuur langs
en liep de heuvel op:
ik zag - hoe kwelde mij de angst -
daar op de kale top
het kruis, waaraan zijn lichaam hing.
Ik zag het bevend aan:
de lijdensweg, die Jezus ging,
is Hij voor mij gegaan.
Drie droeve dagen stond ik daar,
Hij was al afgenomen,
toen werd 'k een kleine stoet gewaar:
ik zag drie vrouwen komen.
Zij liepen haastig langs mij heen,
haar kruiken aan haar borst geprest,
geen groet, een fluisteren alleen:
Filius Regis mortuus est.
 
Bedrukt en zwijgend volgde ik haar
naar 't graf, waar Jezus lag:
een engel, licht en goddelijk klaar,
kwam van de grafsteen af.
De vrouwen schrokken en zeiden hem:
'Hier legden wij Hem toch neer.'
Toen zei de engel met gouden stem:
'Dien gij zoekt, is hier niet meer.
Hij rees uit de dood, zoals Hij zeide,
licht als een vogel uit zijn nest.
Gaat, zegt het voort en wilt u verblijden,
want: Resurrexit! Non mortuus est!'
 
Snel ging ik heen om blij van zin
de wondere tijding voort te dragen,
doch bij een tempel, waarlangs ik ging,
vernam ik een bitter klagen.
Ik zocht en zag een arme vrouw,
gans in haar leed verdoken;
zij keek mij aan vol diepe rouw
nog vóór ik had gesproken.
'Ach,' weende zij, 'wie zag ooit als ik
haar eigen Kind gekwetst?'
Ik zei haar het zelfde ogenblik:
'Filius Regis non mortuus est!'
 
Sint Thomas zegt, en anderen met hem,
dat Hij eerst verscheen Onze Lieve Vrouw;
geen was Hem nader sinds Bethlehem
en geen droeg dieper rouw.
Hij was in lichtglans opgestaan,
en morgen, diep en klaar,
Hij kwam eerbiedig op haar aan
en groette en zeide haar:
'Salva sancta parens,'- dit is Latijn,
doch luidt, in eigen taal gezegd:
'Mijn Moeder, wil gezegend zijn.'
Resurrexit! Non mortuus est!
 
Wie zag ooit groter wonder aan:
de moeder en haar verrezen Kind!
Ge kunt de verste wegen gaan,
maar stralender vreugde dan ge hier vindt
was er nooit en zal er ook nooit zijn.
De aarde is zuiver, en de zon staat hoog,
nooit gaf zij blijder schijn,
licht als het lichten van Jezus' oog.
Christenen, wilt daarom blijde wezen
en zingt met mij, voor het allerlest:
Hic dies, o vreugd, is Hij verrezen!
Resurrexit! Non mortuus est!  

Engels, begin vijftiende eeuw 

 
 


 
 
32. De Olijvenhof    
 


Hij ging de berg op onder 't grauwe lover,
heel donker, haast verloren in de hof
en boog het voorhoofd, helemaal vol stof,
in zijn bestoven, hete handen diep voorover.

Na alles dit. Hier eindigt het voorgoed.
Nu moet ik gaan. Mijn ogen worden blind.
En waarom wil je dat ik zeggen moet
dat jij bestaat, als ik je niet meer vind?

Ik vind ie echt niet meer. Niet in mij, neen.
Niet in de anderen. En niet in deze steen.
Ik vind ie echt niet meer. Ik ben alleen.

Alleen voel ik mij nu met al het leed
van mensen dat ik dankzij jou verzachten zou,
omdat jij niet bestaat en ik me schaam.

Later vertelde men dat toen een engel kwam.

Waarom een engel? Ach, het was de nacht.

Hij bladerde onverschillig in de bomen.
De leerlingen bewogen in hun dromen.
Waarom een engel? Ach, het was de nacht.

Zoals die nacht zo zijn er veel verschenen.
Wel honderden zijn zo voorbijgevlaagd.
Daar slapen honden en daar liggen stenen.
Een droeve nacht was het. Het was zo ene
die wacht tot weer de morgen daagt.

Tot wie zo bidt zal nooit een engel naderen
en om zo iemand wordt geen nacht ooit groot.
Zichzelf verliezend staat hij arm en bloot
en prijsgegeven door de vaderen
en weggestoten uit de moederschoot.
Rainer Maria Rilke
 
 
 
 33. Christus als Hovenier      

Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15


Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was de hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en - wat terzijde - in stille schrik die éne,
zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

0 kinderdroom van groen en goud –
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.
Hij is de hovenier.

Ida Gerhardt.


 
 
 
34. Leven!

Ook wij lijden deze dagen!
Elke slag die men U gaf,
onbarmhartig, wreed en laf,
zelfs het kruis dat U moest dragen,
laat bij ons de wonden steken
alsof het vandaag gebeurt
en de hemel openscheurt
in een woeste wolkendeken.

Ook wij wenen deze dagen,
omdat schijnbaar al Uw pijn
om ons heil vergeefs moest zijn,
eindigend in duizend vragen,
die zo zwaar zijn te begrijpen
voor degeen die op U bouwt
en zo menig veld aanschouwt
waar geen vruchten zullen rijpen.

Ook wij smeken deze dagen.
Laat ons ’t werk dat U begon
en in moede harten drong
als Uw kind’ren verder dragen,
opdat ’t goede zal verwinnen
en elkeen verneemt de stem:
Jezus leeft en wij met Hem!
Leven laat zich nooit bedwingen!

Frits Deubel

 

35. De weg ten leven

De opstanding van onze Heer
is als een draad verweven
in onze prille kindertijd
en daar met glans omgeven.
We luisterden hoe Hij de dood
voor ons kon overwinnen
en wie wil met zo’n sterke Held
het leven niet beginnen?

Wat was het goed van Hem te zijn,
die voor ons heeft geleden
en zelfs de diepten van de dood
onschuldig heeft betreden..
Het gaf zo’n rustig kindgevoel
Zijn vleug’len te bespeuren,
te weten wat er ook geschiedt,
mij kan geen kwaad gebeuren!

Maar als je groot wordt komt de dag
dat waarden gaan vervagen.
Doordat je minder waakzaam wordt,
gaan stemmen aan je knagen.
Je raakt de grootste wond’ren kwijt,
het worden slechts legenden
en God weent zachtjes omdat Hij
jouw woorden nooit zo kende.

Er is één weg, de weg terug,
die door een nacht omgeven
na Golgotha verrijz’nis schenkt.
Dat is de weg ten leven!
Hij, die voorwaar is opgestaan,
gaat zeeg’nend daarop mede.
Je wordt als vroeger weer een kind
dat wandelt met de vrede.

Het kruis staat lichtend voor je oog.
Ook jij zult overwinnen,
naast Hem die jouw Verlosser is
de weg opnieuw beginnen,
de geest van: zou het? achter je
en voor je: Ik zal vechten,
met Jezus als mijn Vriend en Heer
de levensstrijd beslechten!

Hij, die de derde dag verrees,
laat ons ook heden horen
Zijn roepstem die zo dringend klinkt,
nog luider dan tevoren:
”Ik leef en die in Mij gelooft
kan Ik Mijn almacht tonen.
Een elk die waarlijk kind wil zijn
zal ’t hemelrijk bewonen!

Frits Deubel
 
 
 
 36. Pasen

Ik ben nog blind
en kan niet vinden
het dode lichaam
in het graf

Ik ben nog blind
en kan niet voelen
de ziel en geest
zijn zó ver af

Ik ben nog blind
ga tastend verder
en zoek de Christus
buiten mij om

Ik ben nog blind
ach lieve Heer
ik ben écht nog
een beetje dom

Ik ben nog blind
maar wel verlangend
naar U mijn God
die liefde uitstraalt

Ik ben nog blind
Ach, laat mij voelen
Uw liefde die zich
steeds herhaalt

Adriana Biesbroeck
 
 
 
 37. Verrijzenis

Waarom zoek je de levende onder de doden?

Het lege graf
verdwenen lichaam
geest en ziel
die verder gaan

Het lege lichaam
achterlatend
Het heeft
zijn taak gedaan

Waarom zoeken
naar de levende
onder de doden
in het graf

Hij die zich gaf
voor onze vrijheid
Ons lief had
en ons vergaf

Geen verdrijven
van ons zonden
maar bewustwording
in ons

Wie door de liefde
wordt gedreven
ervaart
de nodige respons

Adriana 24.1.2015

Voor ons plaatselijk kerkblaadje had men de keuze tussen dit of dat vorige gedicht over Pasen. Men koos het andere omdat de meerderheid daar nog steeds gelooft in de vergeving van de zonden door de Christus en wijzelf passief kunnen blijven en afwachten. Christus zorgt overal voor. Is niet mijn opvatting. We moeten alles zelf goedmaken, hetgeen we veroorzaakt hebben in dit of vorige levens , ook de gevolgen van onze goedheid valt daaronder, dus niet altijd negatief. Karma, dat men veroorzaakt heeft, eveneens.

 
 
 
 38. Pasen 2015

Ach Jezus, veroordeeld tot het kruis,
in actie komt ál het gespuis
en kronen u tot koning
 
Tot koning, met een doornen kroon
en rondom U, al het gehoon
van onbewuste mensen

U, als de hoogste geest van ’t AL,
U schenkt hen uw genade
en slaat dit alles gade

De tocht naar Golgotha vangt aan
U wilt dit alles ondergaan
zoals eertijds is voorspeld

De beul staat klaar,
U kijkt er naar
met liefde in Uw ogen

En hangend aan Uw kruis
bent U reeds thuis
van waar U bent gekomen


Het afscheid is in duisternis
omdat het LICHT, dat er wel ís,
nog niet wordt waargenomen

Ach leer mij, Jezus, 't licht in mij ’t ontsteken
zodat, ondanks mijn gebreken,
ik word bewust

Adriana 26.3.2015
 
 
 
 39. Te mogen leven

Nu is het graf voorgoed geopend,
en Jezus de Verlosser lééft!!
Nu is de boodschap wáár gebleken,
dat Hij de wereld uitzicht geeft.
Hij leeft! Dus wil Hij bij ons wonen.
Hij leeft! Dus hoort Hij onze stem.
Hij leeft! Dus is Zijn kracht de onze.
Hij leeft! Dus leven wij voor Hem..

Wij mogen delen in zijn wonder,
dat heel ons daag'lijks doen doorbreekt,
en dat de glans van 't eigen kunnen
te niet doet en totaal verbleekt.
Zijn wonder dat ons mens'lijk denken,
zó in beslag neemt en bevrijdt,
dat 't groeien naar Gods welbehagen,
nog slechts een kwestie is van tijd

God, die de banden hebt gebroken:
laat mij óók in de ruimte staan!
Geef, dat de drang naar 't nieuwe leven,
zal zwellen tot een heilsorkaan,
die heel mijn hart zal openscheuren,
zodat uw kracht er werken kan,
en ik, ontdaan van eigen luister,
weer bruikbaar word voor 't grootse plan,
dat U door mij wilt gaan vervullen;
de wereld móet uw heil verstaan!

God, als U mensen daartoe uitrust,
wil dan bij mij beginnen gaan!

Gerrit Kloos

 
 
 40. Haec Dies

De dood, de duist're, hield Hem niet,
geen steen, geen wade of breidel –
Hij steeg als 't eerste merellied,
want was dit wonder niet geschied:
zijn woorden bleven ijdel.

En alle leven is in 't Woord
voor wie zijn ziel kan dragen
zoo nieuw als lied'ren die men hoort
wanneer de merel, ongestoord,
het lente-licht ziet dagen.

O licht, o lied, o merelkeel
die voor den grafsteen beven –
was ooit een menschenwoord te veel
wanneer het voor een enkel deel
in Zijn geluk wil leven?

De Meesterzanger overal
maakt dronken van geluiden,
zij gaan als golven door het dal –
o zingend hart, gij weet het al:
de klok komt uit het Zuiden.

Het ritselt reeds in de spelonk
waar klare waters vloeien,
een vlam sprong uit de tondelvonk,
een lijkkleed zonk, het lichaam blonk,
geslaakt zijn alle boeien.

Hij stijgt, de horizon wordt rood,
Zijn purp'ren wonden lichten –
nu zweeft Hij boven hel en dood
en maakt het exultemus groot
in monden en gezichten.

Geen mensch is zoo melaatsch en klein
die hier niet kan genezen,
want alle wonden worden rein
en ieder ijdel woord een schijn
als Christus is verrezen.

Jan Engelman
(posthuum voor Willem Asselbergs)
uit: 'Het bittermeer', Querido, Amsterdam 1969
 
 
 
 
 
41. Goede Vrijdag

Ik zag Hem op zijn kruis, gelaten en verduldig,
Met nagelen door zijn hand, en doornen in zijn hoofd;
Bloed stroomde langs zijn oog gebroken en verdoofd;
Hij stierf voor uwe schuld, en voor de mijne, onschuldig!

Ik heb opnieuw bemind, daar 'k weder heb geloofd!
Ik weet, mijn zonden zijn zo zwaar, zo menigvuldig;
Doch, heeft de laatste blik van Deze, die ik huldig,
Mij, arme kranke, niet zijn reddend hulp beloofd?

O reiniging door Bloed, gelijk de bloedschuld erflijk;
O wonderbare nacht, daar 't licht zijn oorsprong vindt,
O goddelijke dood, daar 't leven herbegint.

Komt herwaarts, gij die zegt: "Geen liefde is onbederflijk!"
Komt herwaarts, gij die treurt, omdat gij hebt bemind:
De liefde sterft voor u, en leeft voor u, onsterflijk

René de Clercq - Echo's (1900)
 
 
 
 42. Vrij naar psalm 139

Voor U
verlies ik m'n maskers,
houd ik op om op
m'n tenen te lopen,
houd ik op
om mezelf te verkopen,
want U heeft m'n prijs
allang betaald.

Dan sta of zit ik,
gebogen weliswaar,
maar m'n ogen gericht
op U.
U kent m'n woorden,
wegen en gedachten,
m'n rusteloze dagen,
m'n slapeloze nachten.

Nu vlucht ik niet meer.
Waarheen zou ik gaan?
U ziet elke beweging,
U kent m'n lopen,
m'n zitten en m'n staan.
Ik hoef niets meer
uit te leggen.

U begrijpt en verstaat
allang voordat ik praat.
U leest de woorden
nieuwsgierig
van m'n lippen
en vertaalt de tranen
van m'n woordeloze snikken.

U bergt me met uw liefde
in de holte van uw hand.
Het is te diep
voor m'n gevoel
en veel te groot
voor m'n verstand.

Michiel Gouman
 
 
 
 43. De wijnstok

Het was de hovenier,
die in het vroege licht
de ranken heeft gericht,
diep in elkaar verward,
vervreemdend van het hart,
de wortelstok.

Geen zag wat zich voltrok
in het zeer vroege licht.
Hij raakte hen slechts aan:
zij zijn vaneen gegaan,
ontbonden
ontwonden.

Het was de hovenier.
Verwonderd, in vroeg licht,
gescheiden ongescheiden
de door zijn hand geleide
hartranken.
- Aan ons beiden
hebt gij het, God, verricht

 
Ida Gerhard
 
 
 
 44. Paasgedachte

Nog steeds begrijpt de massa niets
van de Calvarieberg
Ze denken Jezus stierf voor ons
dus is het niet zo erg

We ondergaan niet meer de straf
voor ’t verkeerde wat we deden
Zodra wij verrijzen uit ons graf
dan is het leed geleden

Ze kennen geen oorzaak en gevolg
de karma’s die ze schiepen
Ze willen er niets van weten
en zich daarin niet verdiepen

Degene die bewuster is
die kan het gaan bevoelen
Dat Christus het ons leerde
wat Hij hiermee wilt bedoelen

29.3.2007 Adriana Briesbroeck

 
 
 
 
 
 45. Jezus of Barabbas
 
Elke dag weer moet ik kiezen:
Jezus, ofwel Barabbas.
't Gaat om winnen of verliezen,
om wat kómt of om wat wàs.

Steeds weer moet ik antwoord geven
op die vraag, zo klemmend groot:
Wil je door de dood naar 't leven,
of door 't leven naar de dood?

En mijn hart kiest Jezus' zijde,
maar 'k wil niet naar Golgotha,
want ik ben zo bang voor 't lijden
daarom schreeuw ik and'ren na.

God, Gij weet het, want Gij kent mij,
ziet mij vóór Pilatus staan;
daarom smeek ik U: vergeef mij,
spreek mij vrij in Jezus' naam!

Nel Benschop