Hendrik Klaassens - Verhaal - De duivelskunstenaar


 
 
 
Sinds de dag waarop mijn familieleden mij hier brachten en mijn moeder huilend afscheid van mij nam aan de poort, zijn er vijf maanden verstreken. Vijf maanden - en volgens mijn psychiater moet de eigenlijke behandeling nog beginnen. Voorlopig vindt hij me nog te verward en ontoegankelijk om nu al te starten met psychotherapie. Daarom moet ik eerst nog een paar maanden lang elke dag trouw de arbeidstherapie bezoeken en vier maal daags medicijnen slikken die eruit zien als koffieboontjes. Hij be≠weert dat ik daar rustiger en evenwichtiger van zal worden. Maar daar heb ik nog niet veel van gemerkt. Sinds ik die rare koffieboontjes slik zijn mijn handen gaan trillen en kan ik mijn benen maar met moeite in bedwang houden, anders ga ik ermee trappelen. Mijn mond voelt kurkdroog aan en m'n ogen zitten halfdicht alsof ze zijn ontstoken. Dat zijn de bijver≠schijnselen, zegt 'ie, dat moet nog wennen.

Uitslapen is er ook niet meer bij. Elke morgen word ik stipt om zeven uur gewekt door een meid van negentien, die aan mijn oren begint te trekken als ik niet dadelijk aanstalten maak om eruit te komen. De eerste keer dat ze dat probeerde werd ik zo razend dat ik haar een klap voor haar billen verkocht. Daar hadden ze eigenlijk blij mee moeten zijn omdat ik het altijd moeilijk vind om voor mijzelf op te komen. Maar niets daarvan: in een mum van tijd werden er enkele potige ziekenbroeders opgetrommeld die mij in de houdgreep namen en mij vervolgens een injectie toedienden waar ik twee dagen van heb geslapen. Toen ik bijkwam lag ik in een kale cel met een stalen deur, waarin een kijkgaatje was aangebracht. Daar stond dat kreng geniepig doorheen te loeren. Het spreekt vanzelf, dat ik haar sindsdien geen woord meer waardig heb gekeurd,ook niet toen ik er twee dagen later weer uit mocht. Therapie noemen ze dat, bah.

Toch heb ik hier ook veel aardige mensen leren kennen, enkele medepatiŽnten bijvoorbeeld. Dan bedoel ik niet de man, die de hele dag shagjes zit te draaien en ze voor een stuiver per stuk probeert door te verkopen. Ook heb ik niet die twee gekken op het oog, die alsmaar in zichzelf zitten te praten. Storend vind ik dat, vooral als ik eens rustig in de serre een goed boek wil lezen. Nee, mijn gedachten gaan daarbij vooral uit naar Willem Drijver.

Enkele weken na mijn eigen opname werd hij in alle vroegte binnengebracht. We zaten al aan het ontbijt, toen hij, verge≠zeld door twee verpleegsters, in de deuropening van de eetzaal verscheen, met in zijn ene hand een sporttas en in zijn andere een klein zwart koffertje. Nadat hem kort en duidelijk te ver≠staan was gegeven, dat hij daar elke morgen stipt om half acht werd verwacht, lichtte hij beleefd zijn hoed en groette ons allen vriendelijk: "Heren, ik wens u allen een smakelijke voortzetting van uw ontbijt!" En hij verdween weer, voorafgegaan door de beide verpleegsters die hem naar de gesloten opname-≠afdeling brachten voor een intakegesprek. Mijn maatje Anton ≠en ik wisselden een blik van verstandhouding met elkaar: die moest nog veel leren, de opschepper! Zulke manieren kun je in een inrichting niet lang volhouden. Als patiŽnt moet je niet te veel kapsones hebben, niet te deftig of voornaam willen doen, anders lig je er bij de anderen al gauw uit. Daar zou hij nog wel achter komen!

Ongeveer een week later kwam hij bij ons op de open afdeling.

In het begin zag ik hem alleen 's avonds, want hij mocht nog niet naar de arbeidstherapie. Eigenlijk was hij wel prettig gezelschap, want hij zei heel weinig en dan kon ik lekker doorlezen - de meesten waren 's avonds toch naar het recreatie≠centrum om er te biljarten of te kegelen. Dan zat ik vaak met hem alleen in de serre. Heerlijke uren waren dat, want je merk≠te haast niet dat hij er was. Eerst las hij de krant helemaal uit. Dan schonk hij koffie voor ons beiden in. Als we die op hadden gedronken verliet hij de serre altijd op zijn tenen alsof hij bang was gerucht te maken. De hele verdere avond zag ik hem niet meer. Wat hij allemaal uitspookte mag Joost weten, lekker rustig was het in elk geval wel. Tot een uur of tien tenminste, wanneer de anderen terugkwamen van het recrea≠tiecentrum. Dan deden ze de televisie aan en staken zware shagjes op. Binnen een half uur kon je de rook wel in plakjes snijden en hing er een doordringende teerlucht. Maar voordat het zo ver was had ik al lang mijn kamer opgezocht om er onge≠stoord verder te kunnen lezen.

In het begin zei Willem dus praktisch niets tegen me, hij ging gewoon zijn eigen gang. Totdat hij me 'es aansprak op een avond, waarop de anderen tot elf uur weg bleven omdat er in het recreatiecentrum een optreden was van Mieke Telkamp of de Zangeres-Zonder-Naam, dat weet ik niet meer precies. Ik zat op mijn gemak een boek te lezen over het leven van Salvador Dali, een man die geen zee te hoog gaat om de meest bizarre fantasieŽn die er onder zijn schedeldak opkomen natuurgetrouw vast te leggen op het witte doek. Zwevende schaakborden, krom≠getrokken horloges, masturberende vrijgezellen, brandende giraffes, dat soort werk. Zoiets interesseert me. Hoe je met je eigen gekkigheid wereldberoemd kunt worden, gewoon door consequent jezelf te zijn. Ik had er net een paar bladzijden in gelezen, toen Willem de serre binnenkwam. Hij schonk zich een kop koffie in en kwam naast me zitten.
 

 
 
 
 
 
"Mag ik dat boek eens zien?" vroeg Ďie. Ik overhandigde het hem. Kalmpjes begon hij erin te bladeren. Af en toe liet hij een goedkeurend gemompel horen.

"Kijk", zei Ďie, terwijl hij een reproductie aanwees van een schilderij waarop een groepje mensen in zestiende-eeuwse klederdracht stond afgebeeld, "dat vind ik nou aardig, ziet u dat?" Ik volgde zijn vinger die een cirkelvormige beweging maakte over het papier. "Als je goed kijkt, dan zie je hoe die drie figuurtjes samen een menselijk gezicht vormen."

Ik boog me voorover, tuurde er een tijdje naar en begreep toen opeens wat hij bedoelde. "Met dergelijke technieken werk ik op 't ogenblik ookĒ, vervolgde hij. "Ik ben net weer met de voorbereidingen voor een doek begonnen. Daar komen allemaal verpleegsters op te staan die hier op Ďt paviljoen werken. Leuke kopjes, aardige meiden met blozende gezichtjes, hele pelotons ervan gooi ik er tegenaan. Daarachter, achter dit groepsportret van het zusterpark, komen een paar mannenfiguren. Dat zijn de co-assistenten. Frisse jongens, je haalt ze zo weg achter de bar van de ballentent. Ook een paar broeders en psy≠chiaters schilder ik erop, handen een beetje onverschillig in de zakken. Samen vormen ze het complete personeel van dit paviljoen. Akkoord. Maar wat zie je als je het doek op grote afstand houdt? Als ik het klaar heb tenminste? Nou?"

"Ik zou het echt niet weten," antwoordde ik. "Nou?" drong hij aan. Verzin 'es iets?" En zijn ogen begonnen te stralen van genot. "Een duivelskop! Een duivelskop!Ē Hij hief zijn handen in de hoogte alsof hij daarmee een monstrueus groot hoofd wilde omvatten. "Ik leg de diepere structuren bloot, ik laat de mensen zélf ontdekken wat er achter de schone schijn wérkelijk aan de hand is! Wat vindt u daarvan?"

"Och, wel aardig," antwoordde ik. "Doet u dat wel meer in uw vrije tijd?Ē

"Vrije tijd? Vrije tijd?" Hij wierp mij een vernietigende blik toe. "Man, dag en nacht ben ik ermee bezig! Ik ben kunstschilder, wist u niet? Willem Drijver, nog nooit van gehoord?"

"Eh ... nee. Eigenlijk niet.Ē Ik wilde hem niet kwetsen, maar voelde ook weinig behoefte om de zaken florissanter voor te stellen dan ze waren.

"Ach, dat krijg ik nou altijd te horenĒ. Zijn houding zakte wat in en er verscheen een droevige blik in zijn ogen. "Sinds ik van de kunstacademie af ben gekomen heb ik nu al acht jaar geploeterd. Acht jaar! Denkt u eens in! Abstracten heb ik er tegenaan gegooid, in het begin. Dat waren mijn beste jaren. Een opdracht je hier en daar, gemeentehuizen die zo nodig vol moesten worden gehangen met werk van kunstenaars uit de bijstand. "Phantasy in blue", "A rainy sunday afternoon in Orvelte", grijsblauwe pasteltinten, dat soort toestanden. Maar door de bezuinigingen kwamen er steeds minder opdrachten binnen. Toen ben ik portretten gaan schilderen. Wethouders, specialisten, huisartsen, bankdirecteuren, alles heb ik in mijn atelier gehad. Je had die tronies 'es moeten zien! IJdeltuiten waren het, en dan gingen ze er nog even lekker voor zitten ook. Als die portretten dan klaar waren zeiden ze dat ze ze niet zo erg sympathiek vonden. En dat terwijl ik hen juist natuurgetrouw moest schilderen! Ach meneer, dan gaat de lol er al snel af. Dus toen ben ik maar landschappen gaan schilderen, die verkopen altijd wel. Maar moest ik daar tot mijn vijfenzes≠tigste mee doorgaan? Nou?

Zo kwam de klad erin, de overtuiging was eruit, en dat voelen de mensen. Mijn werk werd zwakker en zwakker. Ik begon te tobben en op den duur ben ik naar een psychiater gegaan. Hij vond me wel een interessant geval, zo'n geflopte kunstenaar. Af en toe moest ik schilderijen voor 'm meenemen, daar praatten we dan over. Ook mocht ik 'es een portret van 'm maken, vijftig gulden en de materiaalkosten. Dat was de afspraak. Maar hij heeft me nooit betaald, het bedrag heeft 'ie zelfs niet eens in mindering gebracht op z'n honorarium. Razend was ik! Ik heb hem toen 'es bij de strot gegrepen en 'm een klap voor z'n kop verkocht waar hij van suizebolde! Maar ik kreeg m'n geld niet en bovendien kon ik niks bewijzen, er stond niks zwart op wit. Die rotzak heeft me zelfs met een rechterlijke machtiging laten opnemen. 'Drijver', zei 'ie, 'uw agressiviteit loopt de spuigaten uit.' Maar is zo'n oplichter niet veel gevaar≠lijker? Nou vraag ik je! Hij zal nog van me horen. Ik zal me op 'm wreken, op hem en op de hele psychiatrie!" Zijn vuist maakte een stompende beweging die aan duidelijkheid niets te wensen overliet. "Op dat groepsportret komt zijn duivelskop, ik hoef hem haast niet te vervormen. Daar zullen ze nog raar van staan te kijken!"

Ik vroeg hem of ik wat werkjes van hem mocht zien. Niet alleen uit medelijden; ik voelde ook een stille bewondering voor de originele manier waarop hij af wilde rekenen met zijn kwelgeesten, hoe absurd zijn methoden me ook toeschenen. Daar had hij wel oren naar en met pretlichtjes in zijn ogen ging hij me voor naar zijn kamer.

Aan de muur boven zijn bureautje hing een groot aantal foto's van personeelsleden. Daarvan had hij stuk voor stuk de achtergrond weggeknipt, zodat er een soort groepsfoto was ontstaan, een mozaÔek van lachende en ginnegappende broeders, zusters, coassistenten en psychiaters, sommige in witte jas, andere in vrijetijdskleding. Daaronder, op zijn bureau, lagen ver≠schillende voorontwerpen, getekend met dunne potloodlijnen. Trots liet hij mij zijn verzameling zien. "Overmorgen kan ik eindelijk beginnen met olieverf. Maar dat doe ik niet hier, daarvoor heb ik in deze kamer te weinig ruimte." Hij pauzeerde even en keek mij onderzoekend aan. "Kun je geheimen bewaren?" Ik knikte, want als het moet kan ik zwijgen als het graf. "Akkoord. Het doek, waar ik de voorontwerpen op overbreng, heb ik opgespannen op een tafelblad, in de bergruimte van het theehuisje. Die heb ik gekraakt. Er komt toch nooit iemand in. Zo kan ik er ongestoord aan werken. Geen gesodemieter met de verpleging, niemand kan me daar zien. Overmorgen kan ik daar beginnen."

Sinds die avond waren we onafscheidelijke vrienden. Voor zover mijn bezigheden overdag het ook maar enigszins toelieten wipte ik even bij hem aan. Omzichtig sloop ik dan naar het theehuisje. Eerst klopte ik driemaal op het kelderraam. Dan deed Ďie een luikje open, waar ik me slechts met de grootst mogelijke moeite doorheen kon wringen. Soms bleef ik er een hele avond, zolang het nog licht was tenminste, want de elektrische bedrading was er al jaren geleden uitgesloopt. Aan de verpleging op het pavil≠joen vertelde ik steeds dat ik naar het recreatiecentrum ging, gewoon om er te kegelen of te biljarten, zomaar voor de gezel≠ligheid. Dat vonden ze prachtig. Al dat lezen in mijn eentje was toch maar niks gedaan, zeiden ze, daar word je depressief van. Ik ging vooruit, dat kon je aan alles wel merken.

En het kunstwerk vorderde. Uit een raamwerk van dunne lijnen doemden langzaam hele regimenten zusters, broeders en artsen op. Hij had er juist weer een nieuwe rij verpleegsters tegenaan gegooid, toen Ďie me op een avond vertelde dat hij het doek even een paar dagen in de steek zou laten om op adem te komen. Al weken lang had hij er elke middag en avond aan gewerkt en dat had zijn sporen nagelaten: er stonden donkere kringen om zijn ogen en zijn hand was niet meer zo vast als eerst. Terwijl Ďie er op een afstandje door zijn oogharen naar stond te turen, wees Ďie me de plaatsen aan waar de ogen van het monster moesten verschijnen. Daarvoor zouden twee psychiaters worden gebruikt. De bokkenhorens en de oren kwamen daarna aan de beurt, die vulde hij op met broeders. Maar eerst wilde Ďie eventjes uitrusten. Over drie dagen moest ik maar weer 'es langskomen.

Op de afgesproken dag - een woensdag - glipte ik er kort na het middageten tussenuit om de verdere verrichtingen van mijn vriend te volgen. Eerst was ik van plan geweest om hem 's avonds op te komen zoeken, maar het vooruitzicht om - zoals gewoonlijk - van twee tot vijf oude jaargangen van 'Medisch Contact' te moeten inbinden lokte me allerminst. En dat nog wel onder het toeziend oog van een man, die in zijn vrije tijd als Jehova's getuige de stad afstroopte op zoek naar zieltjes, die van de eeuwige verdoemenis moesten worden gered! Die gedachte wekte zo'n weerzin in me op, dat ik in een vlaag van woede de arbeidstherapie opbelde. Ik deelde mee, dat ik bezoek verwachtte van mijn familie. Dat le≠verde geen problemen op. Ze wensten me een plezierige middag. Wat ze echter niet wisten was, dat ik op dat moment al lang geen contacten meer onderhield met mijn ouders of andere familieleden. In de eerste periode na mijn opname kwamen ze me nog wel 'es opzoeken. Maar sinds ik, om hen te sarren, maoÔstische denkbeelden ben gaan verkondigen, die door hen als het summum van gekte worden beschouwd, keuren ze mij geen woord meer waardig. Hun bezoeken zijn abrupt opgehouden. Maar dat zal me een rotzorg zijn: die zak sinaasappels, die ze altijd voor me meenemen, mogen ze voor mijn part wel houden. Ik heb geen extra vitaminen nodig; ik heb zelden last van de griep. En op hun zelfmedelijden omdat ze een zoon hebben die in het gesticht is opgeborgen stel ik al helemaal geen prijs. Bovendien kan ik me wel aangenamere manieren voor≠stellen om een woensdagmiddag door te brengen. Vooral als ik iemand mee kan helpen om op een even geniale als oorspronkelijke manier af te rekenen met de inrichtingspsychiatrie.

Opgetogen over het succes van mijn bezoektruc begaf ik me die middag naar het clandestiene atelier in het theehuisje. Drie maal klopte ik op het kelderraam, maar in het binnenste van het ronde gebouw klonk geen enkel gerucht. Was hij misschien zo geconcentreerd bezig, dat hij nu niet gestoord wilde worden? Ik probeerde het nog 'es, maar ook deze keer bleven de nadere voetstappen van Willem uit. Op mijn knieŽn ging ik voor het kelderraampje zitten en tuurde naar binnen. In het vaag verlichte vertrek zag ik een paar bezems staan en een bus vim. Kennelijk was de vloer pas geboend. De roodstenen tegels glommen van het vocht en op sommige plekken, waar de tegels wat waren uitgesleten, hadden zich kleine plasjes water gevormd.

Vol bange voorgevoelens wurmde ik me door het luik naar binnen. Ik forceerde de kelderdeur en kwam uit in de salon. Ook hier het zelfde beeld: zwabbers, stofdoeken en schoonmaakmiddelen.

In een hoek van het vertrek stonden enkele rieten stoelen rondom een laag tafeltje waarop een opengevouwen Panorama lag en een theeschoteltje met uitgedrukte sigarettenpeuken erin. Sporen van de huishoudelijke dienst. Wat hadden die lui hier te zoeken? Wilden ze het gebouw na jaren leegstand weer in gebruik nemen? Ik mompelde een verwensing en opende met trillende vingers de deur van onze werkruimte aan de achterzijde van het gebouw. Middenin het kamertje, dat ooit als keuken had gediend maar later was gedegradeerd tot bergruimte, prijkte een lichtblauwe vuilnisemmerzak die tot de rand toe was gevuld. Ik keerde hem om. Een stroom van roestige spijkers, gebroken serviesgoed, stukken hout, oude kranten en gedeukte koffiekannen viel bonkend en rinkelend op de vloer. Als een soort toegift rolde daar traag en kleverig een enorme prop wit linnen achteraan. Ik vouwde het open. Hele rijen verkreukelde verpleegstersgezichtjes lachten me vrolijk toe. Op sommige plaatsen vertoonde het doek scheuren en één kop, die van een psychiater, was met een viltstift onbeholpen tot een clowntje vervormd. FrŲbelwerk en zeker niet van Willem. De lui van de huishouding. Natuurlijk, wie anders?

Mijn handen trilden, de woede golfde in me omhoog. En ik zag die proleten al voor me, zoals ze die morgen het doek hadden ontdekt, er ginnegappend naar hadden staan kijken. Om de meisjes aan het lachen te maken had één boerenpummel z'n viltstift gepakt. Gegiechel, stagi≠aires van de huishoudschool die in de billen werden geknepen. Geproest, gehinnik, Hilversum drie op de achtergrond, gekras van een viltstift over het linnen. Een paar snelle halen, jongens, we maken er clowntjes van! Schaapachtig gelach, domme grapjes. Daarna het doek verfrommelen, samenwringen tot een dikke prop en onder schouderophalen in de plastic zak gooien. Och, het was toch maar gekkenkunst, gekkenwerk, hi hi hi. En nog even goed aanstampen, want er moet nog meer in! Nog even goed aanstampen!

Laaiend van drift liep ik naar de salon, pakte de bezems en zwabbers en brak de stelen op mijn geheven knie middendoor. Op de vensterbank ontdekte ik een transistorradio met een opzichtige metalen strip waarop alle tijdzones van de aard≠kloot stonden aangegeven. Die had zijn beste tijd gehad. Met de hak van mijn schoen trapte ik 'm kapot. De batterijen, die er aan de achterkant uit rolden, smeet ik door de ruit, de rieten stoelen en het rotantafeltje ondergingen hetzelfde lot. Een paar bussen met schoonmaakmiddel reet ik met een glasscherf open, de inhoud ervan goot ik uit over de vloer. Daarbij viel m'n blik op een dameshorloge, kennelijk door één van de meiden van de huishoudelijke dienst achtergelaten. Ik raapte het op: vijf voor twee. Over een paar minuten zouden ze terug komen om het karwei af te maken. Ik stopte het pot≠sierlijke ding in m'n zak. Gehaast verliet ik daarna het thee≠huisje, op zoek naar Willem. Hij moest zo snel mogelijk worden gewaarschuwd. Of was 'ie al op de hoogte?

De hele middag en avond heb ik hem lopen zoeken; op het paviljoen, in de binnenstad, het stadspark, de cafés en boekhandels waar hij wel 'es kwam, overal heb ik gekeken en naar 'm gevraagd. Ik waagde me zelfs in het arbeidstherapiegebouw, waar ik vroeg in de middag naar toe had gebeld om te zeggen dat mijn ouders me zouden komen opzoeken. Maar overal haalde men niet begrijpend de schouders op. Nee meneer, die hebben we niet gezien, het spijt ons, probeert u het ergens anders, is hem iets overkomen, wŠt is hem dan overkomen, komt u van de inrichting, aha! Overal hetzelfde liedje,  ik werd er moedeloos van.

Om tien uur 's avonds keerde ik van mijn vergeefse speurtocht terug uit de stad. Vol walging liép ik het terrein van de inrichting op. Het was alsof de lelijkheid van de gebouwen nu pas goed tot me doordrong, alsof onder hun uiterlijk en onder≠linge rangschikking iets veel diepers zichtbaar werd, dat mij met afgrijzen vervulde. Was dat de invloed van het schilderij? Misschien.

Helemaal vooraan, aan mijn linkerhand, weggemoffeld achter het groen, waren vaag de omtrekken zichtbaar van een woning met een rieten dak. Daarin woonde de man, die één van de langste psychiatrische carriŤres achter de rug had van alle ingezetenen van het gesticht: de geneesheer-directeur. Daarna passeerde ik de paviljoens, sombere kazerneachtige gebouwen met brede vleugels, waarin hier en daar neonverlichting brandde. Boven de ingangen prijkten stichtelijke namen, die me deden denken aan vreugdeloze kerkdiensten en pepermunten, die met gedempte knalletjes werden stuk gebeten: Sion, Rehoboth, Bethel, Habakuk. Ze verwezen naar de gereformeerde grondslag van het gesticht waaraan met niet aflatende ijver werd herinnerd in briefhoofden, op enveloppen, badlakens, kussens, slopen en ondergoed. Zelfs de lepels, vorken en messen, die uit veiligheidsoverwegingen nooit mochten worden geslepen, werden niet gespaard. Iedereen die dat las wist: men is hier streng doch rechtvaardig. Onwillekeurig moest ik daarbij denken aan Willem en zijn schilderij, dat door personeel met een positief-christelijke levensovertuiging als een vod tussen andere vodden was opge≠ruimd. Misschien zat hij nu wel in een cafeetje om zich te bedrinken of had hij de trein genomen, zomaar ergens heen, ontgoocheld, woedend, moedeloos.

Die avond kroop ik al vroeg onder de wol, het gesjouw in de stad en op het terrein had me erg vermoeid. Maar 's nachts schrok ik telkens wakker uit nare dromen waarin beelden van de voorbije dag zich herhaalden, grotesk en indringend. Pas aan het begin van de morgen slaagde ik erin enige tijd onaf≠gebroken te slapen.

Om zeven uur werd ik gewekt. Zeer tegen mijn gewoonte in kwam ik er vlot uit, waste me en kleedde me aan. Was Willem inmiddels teruggekomen? Ik vroeg het aan de andere 'heren' met wie ik samen op liep naar de eetzaal, sommigen waren nog in pyjama. Maar niemand wist waar hij gebleven was. Ze vermoedden, dat hij was gaan stappen, dat deed 'ie wel 'es vaker. Ook de ver≠pleegster die therapeutisch - en dus gratis Ė mee tafelde kon me geen uitsluitsel geven. Verder aandringen had geen zin, dat zou zelfs argwaan kunnen wekken. Zwijgend werkte ik daarom mijn ontbijt naar binnen. Aan een apart tafeltje schuin tegenover mij zat iemand onophoudelijk in zichzelf te prevelen, waarbij hij vreemde grimassen maakte tegen een denkbeeldige gespreks≠partner. Maar het stoorde me deze keer niet, ik had wel wat anders aan mijn hoofd.

Kwart over acht. We werden door een broeder gemaand om naar de arbeidstherapie te gaan. Samen met een aantal andere 'heren' van de afdeling verliet ik daarop de eetzaal en begaf me op weg. Uit alle paviljoens kwamen nu kleine groepjes patiŽnten die zich aaneensloten tot een traag voortbewegende stroom met als eindbestemming het therapieŽncomplex aan de rand van het inrichtingsterrein. Sommigen liepen schuifelend, voetje voor voetje, anderen vertoonden een bizar trippelpasje of werden door de zorgzame hand van een verpleegkundige in een invaliden≠karretje naar de wasknijpertherapie gereden. Maar de meesten onderscheidden zich in geen enkel opzicht van werknemers, die zich 's morgens in alle vroegte op weg begeven naar hun bedrijf of kantoor - zij het dan, dat de laatstgenoemden wél en deze arbeidskrachten niet werden gesalarieerd. In gedachten verzonken liet ik mij meevoeren met de stroom.

Tot mijn verrassing zag ik echter, dat de lange rij therapiegangers enkele honderden meters voor mij uit tot stilstand was gekomen. Voor twee paviljoens, die pal tegenover elkaar stonden, vormde zich een oploopje en er klonk druk geroezemoes. Zelfs rolstoelgebruikers spoedden zich erheen, terwijl hun begeleiders hen op een sukkeldrafje volgden. Overal werd druk gewezen en gekeken naar de frontgevels van de beide gebouwen. Anderen liepen of renden naar een klein park iets verderop, waarin zich, diep verscholen achter de begroeiing, enkele schuurtjes en het thee≠huisje bevonden. Een enorme brandweerslang kronkelde zich dwars over de weg en verdween ergens in de struiken. Daarachter was een dunne zwarte rookkolom zichtbaar die traag boven de toppen van de sparren uit kringelde.

Geschrokken liet ik de anderen van ons groepje in de steek en rende naar het park. In het voorbijgaan wierp ik een blik op de voorgevels van de beide paviljoens. En eigenlijk wist ik toen al genoeg. Bloedrood, met letters waar de verf in dunne straaltjes vanaf was gedropen, stond over de volle gevelbreedte van de beide gebouwen het woord "PROLETEN!" geschreven. Daaronder was in kleinere letters te lezen: "PSYCHIATRIE, HET HANDWERK VAN DE DUIVEL!". Buiten adem bereikte ik het park. Ik volgde de loop van de brand≠weerslang en kreeg al gauw twee spuitgasten in het oog, die een ferme straal gericht hielden op de rokende resten van het theehuisje. Enkele verfbussen, die kennelijk inderhaast door de nachtschilder waren achtergelaten, lagen schots en scheef over de weg. Daaromheen hadden zich grote plassen bloedrode verf gevormd.

Ik drong me door de menigte naar voren tot aan de dranghekken, die in allerijl rondom het smeulende optrekje waren opgesteld. Zwijgend, met een mengeling van bewondering en afgrijzen, keek ik naar het resultaat van de nachtelijke wraakoefening. Het dak van het gebouw was volledig afgebrand op een paar steunbalken na, die zich zinloos welfden over het geblakerde interieur van de salon en de bergruimte daarachter. De muren stonden nog gedeeltelijk overeind, maar op twee plaatsen helden ze gevaarlijk over zodat het voor de hand lag dat ze het spoedig zouden begeven. Ze gloeiden nog dofrood na en stootten dunne zwarte rookslierten uit. Van de rieten stoelen en het rotan≠tafeltje was geen spoor meer te bekennen. Wel ontdekte ik na enig turen de verkoolde resten van twee rolschuivers op de cemen≠ten vloer, die zelf weinig schade had opgelopen.

De achterdeur van de salon was uit zijn scharnieren gebarsten en verleende nu vrije doorgang naar de bergruimte, ons vroegere atelier. Voor een walmende muur, die steeds gevaarlijker begon over te hellen, stond daar een plastic zak met afval. Als door een godswonder was deze tot nu toe gespaard gebleven. Flarden wit linnen kronkelden zich, rossig door de gloeiende sintels rondom verlicht, over de rand van het plastic. Toen, eigenlijk nog onverwacht, stortte de muur aan de achterzijde van het gebouw in met een doffe dreun die de aarde onder mijn voeten licht deed trillen. Een enorme steekvlam schoot onheilspellend uit de zak met afval op.

Terwijl ik toekeek hoe de inhoud ervan in hoog tempo door de vlammen werd verteerd, hoorde ik iemand achter mij roepen. Ik draaide mij om. "Heren", riep een broedertje van een jaar of twintig, "gaat u nog naar de arbeidstherapie? Het is al kwart voor negen, de hoogste tijd!"

Gelaten verliet ik het toneel van de brand. Ook anderen gaven schoorvoetend aan deze oproep gehoor. Enigszins voorover gebogen, met mijn handen diep in m'n zakken, begaf ik mij op weg terwijl ik zorgvuldig de grote plassen rode verf meed die het asfalt ontsierden.      

Hendrik Klaassens, 1986