Teksten afkomstig uit Theosofische boeken en lezingen

01. Over gedachten, liefde en haat - 02. Inzicht door oude Wijsheid en Moderne Wetenschap - 03. Licht op het pad - 04. Mensen en Zonne-Inwijding - 05. Isis ontsluierd -
 
 
 
 
 
01. Over gedachten, liefde en haat.
 


In een artikel over Middelpunten van Gedachte in het boek Het Innerlijk Leven, heb ik uitgelegd dat gedachtemassa’s zeer bepaalde dingen zijn, die een plaats in de ruimte innemen. Gedachten over hetzelfde onderwerp en van dezelfde aard hebben de neiging zich op te hopen; daarom bestaat er voor vele onderwerpen een gedachtecentrum, een bepaalde ruimte in de dampkring, waardoor andere gedachten over dezelfde zaak tot zo'n middelpunt worden aangetrokken en de grootte en de invloed daarvan doen toenemen. Een denker kan dus op deze wijze aan een centrum bijdragen, maar hij kan er omgekeerd ook door beïnvloed worden; dit is een der redenen waarom de mensen in kudden denken, als schapen. Het is voor iemand, die te lui is om te denken veel gemakkelijker een gedachte van een ander kant-en-klaar aan te nemen, dan de verstandelijke arbeid te verrichten om de verschillende kanten van een onderwerp te beschouwen en dan voor zichzelf tot een beslissing te komen.

Dit geldt op het mentaal gebied wat gedachten aangaat en met weinig verschil geldt het evenzeer op het astraal gebied wat gevoelens betreft. Gedachten vliegen met bliksemsnelheid door de ijle stof van het mentaal gebied, zodat de gedachten van de gehele wereld over een bepaald onderwerp gemakkelijk bijeen kunnen komen op één plek en toch voor elke denker over dat onderwerp toegankelijk blijven en hun aantrekking behouden. Astrale stof, hoewel zoveel fijner dan de fysieke, is toch nog dichter dan de stof van het mentaal gebied; de grote wolken "aandoeningvormen", welke in de astrale wereld verwekt worden door krachtige gevoelens, vliegen niet allemaal naar één centrum voor de wereld, maar zij verenigen zich met andere vormen van gelijke aard in hun eigen omgeving, zodat reusachtige en zeer krachtige "blokken" van gevoelens vrijwel overal rondzweven en iemand er gemakkelijk mede in aanraking kan komen en erdoor beïnvloed kan worden.

Het verband tussen deze zaak en ons onderwerp is gelegen in het feit, dat wanneer zo'n invloed wordt uitgeoefend, dit gebeurt door bemiddeling van een der chakra's. Laat mij, om toe te lichten wat ik bedoel, het voorbeeld nemen van iemand die vol vrees is. De trillingen, die worden uitgezonden door een astraallichaam in die toestand, zullen ogenblikkelijk alle wolken van vrees, die toevallig in de buurt mochten zijn, aantrekken. Als die persoon zich spoedig kan herstellen en zijn vrees de baas worden, zullen de wolken traag terugwijken, maar als de vrees blijft of toeneemt, zullen zij hun verzamelde energie door zijn navelchakra ontladen en zijn vrees kan omslaan in een dolzinnige paniek, waarbij hij zijn zelfbeheersing volkomen verliest en zich blindelings in elk gevaar kan storten. Zo ook trekt iemand die boos wordt, wolken van boosheid aan en stelt hij zich bloot aan een instroming van toorn welke zijn kwaadheid zal veranderen in dolle woede - een toestand waarin hij, door een onweerstaanbare aandrang gedreven, een moord zou kunnen begaan bijna zonder het te weten. Insgelijks kan iemand die toegeeft aan bedruktheid, gesleurd worden in een vreselijke staat van blijvende melancholie; of iemand, die zich geheel laat beheersen door dierlijke begeerten, kan tijdelijk een monster van lust en zinnelijkheid worden en onder die invloed misdaden begaan welke hem, wanneer hij weer tot bezinning komt, met afgrijzen zullen vervullen.

Al deze ongewenste stromingen bereiken de mens door het navelchakra. Gelukkig echter zijn er ook andere en hogere mogelijkheden. Zo zijn er bijvoorbeeld wolken van genegenheid en toewijding; degene, die deze edele aandoeningen gevoelt, kan door zijn hartchakra hiervan een wonderbare vermeerdering verkrijgen.
De aandoeningen, die op bovengenoemde wijze op het navelchakra inwerken, zijn aangegeven in Een Studie over het Bewustzijn door Dr. Besant, waarin zij de aandoeningen in twee klassen verdeelt, namelijk van liefde en van haat. Alle aandoeningen, die aan de zijde van de haat staan, werken in het navelchakra, maar die aan de zijde van de liefde staan, hebben hun inwerking op het hartchakra.

Zij schrijft:
"Wij hebben gezien, dat Begeerte twee hoofduitdrukkingen heeft: begeerte om aan te trekken, teneinde te bezitten, of ook om in aanraking te komen met enig voorwerp, dat vroeger genot verschaft heeft en begeerte om af te stoten, of aanraking te vermijden met enig voorwerp, dat vroeger smart heeft veroorzaakt. Wij hebben gezien, dat Aantrekking en Afstoting de twee vormen van Begeerte zijn, die over het Zelf heersen.

"Daar Aandoening Begeerte is, doordrongen van Verstand, vertoont zij onvermijdelijk dezelfde verdeling in tweeën. De Aandoening, die van de aard van Aantrekking is, en voorwerpen naar elkaar toetrekt door genot, de samenstellende kracht in het heelal, wordt Liefde genoemd. De Aandoening, die van de aard van Afstoting is, en voorwerpen van elkander af drijft door smart, die ontbindende kracht in het heelal, wordt Haat genoemd. Dit zijn de twee stammen die voortkomen uit de wortel van Begeerte, en alle aandoeningen kunnen tot een van deze twee teruggebracht worden.

"Vandaar de identiteit der kenmerken' van Begeerte en Aandoening; Liefde zoekt het aantrekkelijke voorwerp tot zich te trekken of ernaar toe te gaan, teneinde zich ermede te verenigen, het te bezitten of erdoor te worden bezeten. Het verbindt door genot, door geluk, zoals Begeerte bindt.
"Haar banden zijn weliswaar duurzamer, meer samengesteld, bestaan uit talrijke en tere draden, in groter ingewikkeldheid dooreen geweven, maar de kern van Begeerte-Aantrekking, het verbinden van twee voorwerpen aan elkaar, is de kern van Aandoening-Aantrekking, van Liefde. En evenzo zoekt Haat het afstotende voorwerp van zich af te drijven, of ervan weg te vluchten teneinde er gescheiden van te zijn, het af te stoten of erdoor afgestoten te worden. Haat scheidt door smart en ongeluk. En aldus is de kern van Begeerte-Afstoting: het uiteendrijven van twee voorwerpen, de kern van Aandoening-Afstoting, van Haat. Liefde en Haat zijn de uitgewerkte en van gedachte doordrongen vormen van de eenvoudige begeerten om te bezitten en te ontwijken."

Verderop verklaart Dr. Besant , dat elk dezer twee grote aandoeningen in drie delen onderverdeeld is naar gelang de mens, die ze ervaart zich sterk of zwak voelt.
"Liefde, neerwaarts ziende, is Welwillendheid; Liefde, opwaarts ziende, is Eerbiediging, en deze zijn in 't algemeen genomen de verschillende gemeenschappelijke kenmerken van Liefde van meerderen tot minderen en van Liefde van minderen tot meerderen.
"De normale betrekking tussen man en vrouwen die tussen broeders en zusters verschaft ons het veld om de openbaringen van liefde tussen gelijken te bestuderen. Wij zien Liefde zich tonende als wederkerige tederheid en wederkerig vertrouwen, als achting, eerbied en begeerte om te behagen, als een vermogen om de wensen van anderen vlug te begrijpen en de poging deze te vervullen; als grootmoedigheid en verdraagzaamheid. De elementen aanwezig in de liefdeaandoeningen van meerderen tot minderen, worden hier gevonden, maar in dit geval zijn ze wederkerig.

Dus kunnen wij zeggen, dat het gemeenschappelijke kenmerk van Liefde tussen gelijken Begeerte naar Wederkerige hulp is.

"Wij hebben dus als de drie hoofdverdelingen van de Liefdeaandoening: Welwillendheid, Begeerte naar Wederzijdse Hulp en Eerbiediging, en hieronder kunnen alle liefdeaandoeningen gerangschikt worden. Want alle menselijke verhoudingen kunnen worden samengevat in deze drie klassen: de betrekkingen van meerderen tot minderen, van gelijken tot gelijken en van minderen tot meerderen."

Dan verklaart zij de haat-aandoeningen op dezelfde wijze:
"Haat, benedenwaarts ziende, is Verachting en opwaarts ziende, Vrees.
"Evenzo zal Haat tussen gelijken zich tonen in gebrek aan achting, woede, strijdlustigheid, hevigheid, twistziekte, jaloezie, onbeschaamdheid, enz. - aandoeningen, die de ene mens van de andere mens afstoten, wanneer zij als mededingers tegenover elkander en niet naast elkander staan. Het gemeenschappelijk kenmerk van Haat tussen gelijken zal dus Wederzijdse Belediging zijn. En de drie hoofdkenmerken van de Haat-Aandoening zijn Verachting, Begeerte naar Wederzijdse Belediging en Vrees.

"Liefde wordt in al haar openbaringen gekenmerkt door medegevoel, zelfopoffering en de begeerte om te geven; dit zijn haar hoofdkenmerken, zoals Welwillendheid, Begeerte naar Wederzijdse Hulp, en Eerbiediging. Zij versterken Aantrekking, want zij brengen vereniging tot stand, zij zijn van de aard van Liefde zelf. Vandaar dat Liefde uit de Geest is, want medegevoel is het voelen voor een ander, zoals men voor zichzelf zou voelen; zelfopoffering is de erkenning van de aanspraken van een ander als onze eigen aanspraken; geven is de voorwaarde van geestelijk leven. Aldus behoort Liefde tot de Geest, tot de levenszijde van het heelal.

"Haat, aan de andere kant, wordt gekenmerkt in al zijn openbaringen door antipathie, zelfverheffing, de begeerte om te nemen; deze zijn zijn hoofdkenmerken, zoals Verachting, Begeerte naar wederzijdse Belediging of Vrees. Hierdoor ontstaat afstoting en zij brengen verwijdering tussen de een en de ander. Vandaar dat Haat tot de stof behoort, de nadruk legt op veelheid en verschillen, in wezen afgescheidenheid is, en een uitdrukking van de vormzijde van het heelal."

Bron: De Chakra’s - Mgr. C. W. Leadbeater
1959 Tweede Druk – Uitgeverij der Theosofische Vereniging Nederland

 
 
 
 
 

02. Inzicht door oude Wijsheid en Moderne Wetenschap

 
ENKELE GRONDBEGRIPPEN DER THEOSOFIE

Laten wij onze aandacht richten op enkele grondgedachten der Theosofie en opmerken hoezeer zij in har­monie zijn met inlichtingen, die uit de laboratoria der wetenschap tot ons komen. Om dit te doen, behoeven wij niet zeer diep door te dringen in de Oude Wijsheid, maar eerder enkele grondbeginselen te beschouwen, die voor ons en voor de wereld, waarin wij leven, zulke verreikende consequenties hebben. Volgens deze lerin­gen is er door het ganse heelal heen, in elk ding en overal, een bezielend beginsel, dat wij leven of geest kunnen noemen.

Dit levensbeginsel is van nature immer werkzaam, vermeerdert en ontplooit steeds nieuwe eigenschappen, nieuwe vermogens, naarmate het in de stof werkt, om het goddelijk plan voor het heelal te ver­volmaken. Op het lager peil van ontwikkeling is leven of geest gelijkstaande met wat de fysicus energie of kracht noemt, en op de hogere trappen geeft het uit­drukking aan wat wij geestelijke hoedanigheden noe­men. Dit leven, dit éne bezielende beginsel werkt voort­durend in de stof, ten einde in toenemende mate zijn ingeboren eigenschappen tot uitdrukking te brengen, want het leven kan alleen beginnen zijn ware aard te openbaren, wanneer passende stoffelijke vormen be­schikbaar zijn. Uit deze lering volgt, dat alle levende vormen, met inbegrip van de menselijke, weerkaatsin­gen zijn van het éne leven. Broederschap is een feit in de natuur.

De werkzaamheden van het leven worden geleid door de hoofdwet van het heelal, de Wet van het Evenwicht, of van oorzaak en gevolg. Zonder deze wet zou de rusteloze energie van het leven aan nutteloze pogingen besteed worden. Het heelal zou in chaos ontaarden. Het is de Wet van het Evenwicht, welke de planeten in hun banen in beweging houdt en de vibrerende har­monie van een levend organisme regelt.

De combinatie van de voortdurende werkzaamheid van het leven met zijn inwerking op de stof in overeenstemming met de Wet van het Evenwicht leidt tot de ontsluiering van zijn eigenschappen in een opgaande spiraal van ontwikkeling of evolutie. Zij begint op deze aarde in het delfstoffenrijk en ontplooit zich langzaam omhoog door middel van planten- en dierenrijk, mens­heid en wat daarboven uitgaat. Er is een gelijklopende evolutie van de vormzijde en van de onzichtbare zijde van de natuur. Terwijl het leven zich omhoog beweegt door middel van de stof, ontwaakt het tot bewustzijn en verkrijgt in het menselijk stadium zelfbewustzijn.

Elke eenheid van leven begint goed en kwaad te on­derscheiden, wanneer ze het menselijk stadium bereikt. Van nu af neemt ze een grotere mate van verantwoor­delijkheid jegens de universele wet voor haar handelin­gen op zich. Dit heeft tot gevolg een toenemende druk in het menselijke leven in vergelijking met de werking van de wet in het dierenleven. Er is lijden en verdriet door verkeerde handelingen, en vreugde en genot, wan­neer het gedrag in overeenstemming is met de natuur. Volgens deze leringen is het 's mensen allereerste taak zijn verwantschap met zijn medemensen te beseffen, wat een andere wijze is om te zeggen, dat hij zijn ware Zelf moet kennen. Totdat deze kennis zijn hart en hoofd vervult, zullen er levens vol beroering zijn.

Het leven, of de geest, begint zijn grote pelgrimsreis door de stof als een zuiver, goddelijk, niet-denkend, ongedeeld beginsel. Het doel van zijn lange reis is om zijn ontelbare eigenschappen door middel van individuele plannen uit te stralen en. al deze tot een geordend ge­heel te maken tijdens de vorming van het heelal. Naar­ mate dit in wording is, ontstaan levende organismen in een verbijsterende tentoonspreiding van gevarieerde ontwerpen, waarvan elk, gezien van de vormzijde, af­gescheiden en onafhankelijk van de rest schijnt te zijn.

Wanneer de eigenschappen van verstand en gevoel in het spel komen, versterkt dit 't besef van afgescheiden­heid, totdat ten slotte in het onontwikkelde menselijke stadium het individu niet in staat is om iets van éénzijn met anderen te erkennen buiten zijn familie en vrien­den. Maar ten slotte ontplooit de geest in de mens de wetenschap, dat hij geestelijk één is met al zijn mede­mensen.

Het leven, dat van de bron uitging in éénzijn, maar met al zijn hoedanigheden onontwaakt, bereikt na een ondenkbaar lange periode in de stof van verschillende hoogten wederom de éénheid.

Maar deze éénheid wordt nu uitgedrukt door ontelbare aantallen van individueel unieke, denkende, zelfbewuste vormen. Wanneer de mens tot geestelijke rijpheid komt, weet hij dat het leven één is, dat alle wezens hem verwant zijn en dat er een bijzondere band is tussen hemzelf en ieder ander. Een blijvend gevoel van broederschap geeft de ontwaking van de geest te kennen.

 Met deze beginselen kunnen wij de opeenvolgende stadia van ontwikkeling van het delfstoffenrijk tot dat van plant, dier, mens en oppermens verklaren, niet al­leen van de stoffelijke of vormzijde, maar ook van de levens- en geestelijke zijde der evolutie. Deze kennis stelt ons in staat te begrijpen dat, terwijl er één leven is, dat het heelal doordringt, het zich in een ontzaglijke ver­scheidenheid van vormen openbaart. Want zowel in het leven als in de stof is er een haast eindeloze mogelijkheid voor de schepping van nieuwe ontwerpen, zodat elk blad onder de talloze bladeren van een boom onder­scheiden en ongeëvenaard is in de een of andere bijzonderheid. Ook kunnen wij met deze beginselen begrijpen dat, ondanks de schijn van het tegendeel, volkomen rechtvaardigheid aan elk onzer is verzekerd, naarmate wij, in overeenstemming met de éne wet, door vele levens hier en elders heen tot ontplooiing komen.

Zoals wij hebben gezien, bevestigen de gegevens, die verkregen zijn door laboratoriumonderzoek, voor zover zij gaan, deze leringen. De aandacht van de beoefenaar der wetenschap is beperkt tot de stoffelijke kant van het leven; daarom zijn zijn inzichten en feiten meer begrensd, vergeleken met die van onderzoekers, welke toegang hebben tot gegevens, die niet alleen de fysieke, maar ook de ijlere stof toestanden betreffen. Niettemin zijn deze theosofische beginselen in harmonie met de inzichten van de wetenschappelijke onderzoekers, in zo­verre zij toepasselijk zijn op de wereld, die openstaat voor zijn wijze van onderzoek. De eenheid van het leven, zijn ontwikkeling door een opgaande spiraal van onderscheidene vormen in overeenstemming met de Wet van Evenwicht, of oorzaak en gevolg, zijn waarheden, waaraan wordt vastgehouden zowel door de weten­schap als door Theosofie.

DE WET VAN HET EVENWICHT

De Wet van het Evenwicht, in het oosten aangeduid als de Wet van Karma, werd ten dele uitgedrukt door Sir Isaac Newton, toen hij zijn derde wet der thermo­dynamica vaststelde: "Actie is altijd tegengesteld aan een gelijke reactie"; en Emerson vatte ze samen toen hij zeide: "Elk geheim wordt verteld, elke misdaad gestraft, elke deugd beloond, elk onrecht hersteld, in stilte en met zekerheid. Wat wij vergelding noemen, is de universele noodzaak, waardoor het geheel verschijnt overal waar een deel verschijnt" (Compensatie). Deze wet verzekert de ontwikkeling van de hoedanigheden, de eigenschappen, die in het leven latent zijn. Het leven is van nature steeds actief en de Wet van het Evenwicht helpt om de levensenergie in kanalen te leiden, die de ontplooiing van haar ingeboren vermogens zullen ver­zekeren. Wanneer levende organismen te ver in een be­paalde richting ontwikkelen, komen krachten in wer­king die zorgen dat zij hun loop wijzigen, totdat de be­trokken bijzondere eigenschappen belevendigd zijn in harmonie met hun plaats in de natuur. Dit maakt span­ning en druk noodzakelijk, terwijl een nieuwe eigenschap of vermogen bezig is zich te ontwikkelen. In het voorbeeld van de opeenvolging eikel-eikeboom hebben wij natuurlijk te maken met een verloop, dat het leven gemakkelijk bestuurt en met weinig vergissingen. Enor­me tijdsperioden zijn gewijd aan de ontvouwing van eigenschappen om de stof te kneden en al de andere hoedanigheden toe te voegen, die uitlopen op boomvor­men, met inbegrip van de bijzondere toepassing voor het type eikenboom. Wie zal zeggen wat dit leven, dat het hedendaagse eikenboomontwerp meester werd, in de toekomst zal tot stand brengen?

Het proces waardoor het leven, overeenkomstig de Wet van het Evenwicht, nieuwe eigenschappen ontwik­kelt, kan met een voorbeeld op een elementaire wijze worden toegelicht door wat gebeurt als wij leren fietsrijden. Eerst kan de uitvoering ervan nog al ruwen onzeker verlopen, mogelijk met een paar keer vallen tengevolge van onze onwetendheid, ons gebrek aan oefening; maar als wij volhouden met ons te oefenen, wordt onze bekwaamheid, om de fiets te berijden, ver­wezenlijkt en wij rijden vlot en met een minimum van inspanning verder. Hetzelfde beginsel is overal in de natuur werkzaam en het verklaart zowel de vreugde als het verdriet in ons leven en in dat van onze mede­mensen

HET VOORNAAMSTE PLAN

Wanneer wij het scheppende leven, dat in de stof werkzaam is om zijn sluimerende eigenschappen te ont­plooien, beschouwen, wordt het duidelijk dat er een hoofddoel moet zijn, waarheen het leven zich beweegt. Om even terug te gaan naar de eikel, weten wij dat het plan voor de boom in de een of andere vorm of hoe­danigheid in dit zaad aanwezig is. Een gecompliceerd organisme, zoals een boom, kan slechts ontstaan door een nauwkeurige organisatie van structuren en werk­zaamheden. Wij weten dat zelfs zulk een betrekkelijk eenvoudige machine als een auto door de fabrikant niet kan worden opgebouwd zonder een plan, dat hem in staat stelt de verschillende onderdelen te maken en bij­een te voegen overeenkomstig het ontwerp van de wa­gen. Een eikenboom of welk ander levend organisme ook, is onvergelijkelijk meer gecompliceerd dan een auto, on­derdelen inbegrepen. Men heeft daarvan geen notie bij machines, door mensen gemaakt. De veronderstelling, zoals die van materialisten, dat stof zonder doel of plan door middel van een proces van toevalligheden een boom of een mens kan voortbrengen, als daartoe vol­doende tijd wordt gelaten, is niet alleen in strijd met alle ervaring, maar wordt niet gerechtvaardigd door de gegevens en beginselen van de wetenschap zelf.

Indien een door mensen geconstrueerde machine een nauwkeurig opgesteld ontwerp vereist ten einde de juiste vereniging van de materialen te verzekeren, dan wordt het duidelijk dat de onvergelijkelijk grotere inge­wikkeldheid van een heelal een plan van de hoogste graad moet vereisen om ontwikkeld te worden. - Volgens de Oude Wijsheid is er zulk een plan en zoals het ont­werp van de eikenboom in de eikel verborgen ligt, is het plan voor het heelal verborgen in leven en stof. Elke zandkorrel, elke levende cel, elk atoom weerspie­gelt dit goddelijk plan of, zoals Emerson het zegt: "Het heelal is in elk van zijn deeltjes vertegenwoordigd. Alles in de natuur bevat al de vermogens der natuur. God verschijnt opnieuw met al zijn delen in elk mos en in elk spinnenweb." Het proces van evolutie beeldt uit de voortgaande benadering van een vervolmaakte kosmos.

Auteur: Alfred Taylor - Vertaling: ir. B. Wouters
1961 – Uitgeverij der Theosofische Vereniging Nederland
 

 
 

 03. LICHT OP HET PAD EN KARMA
NEERGESCHREVEN DOOR MABEL COLLINS
MET NOTEN EN COMMENTAREN DOOR DE AUTEUR



Uittreksel I: over Karma.


noot: met 'occultist' bedoelt Mabel: een leerling in de geheime leer


Beschouw met mij het individueel bestaan als een koord dat zich van het eindige tot het oneindige uitstrekt, en noch begin heeft noch einde, noch ook kan worden verbroken.
Dit koord is gevormd uit ontelbare fijne draden, die dicht bij elkaar liggend de dikte er van uitmaken.

Deze draden zijn kleurloos, zijn volmaakt in hun hoedanigheid van rechtheid, sterkte en evenmatigheid. Aan dit koord, dat zoals werkelijk het geval is, door alle plaatsen heengaat, overkomen vreemdsoortige ongelukken. Zeer dikwijls wordt een draad gevangen en vastgehecht of misschien alleen met geweld weggetrokken van zijn rechten weg. Dan is hij voor lange tijd in wanorde en brengt wanorde in het geheel. Soms wordt er een bevlekt met vuil of met kleur en de vlek loopt niet alleen verder door dan de plaats van aanraking, maar zij doet andere draden verkleuren.

En bedenk dat die draden levend zijn, - dat zij zijn gelijk elektrische draden, meer zelfs, gelijk trillende zenuwen. Hoe ver moet dus niet de smet, het wegtrekken worden meegedeeld! Maar ten laatste gaan de lange strengen, de levende draden uit de schaduw over in de zonneschijn. Dan zijn de draden niet meer kleurloos, maar goudkleurig; zij liggen weer naast elkaar op dezelfde hoogte. Wederom is de harmonie tussen hen hersteld en door die harmonie wordt de grotere harmonie daarbinnen waargenomen.

Deze toelichting stelt slechts een klein gedeelte - één enkele zijde van de waarheid voor, zij is minder dan een fragment. Blijf er evenwel bij stilstaan, met behulp daarvan kunt gij er toe geleid worden meer waar te nemen. Wat noodzakelijk eerst moet begrepen worden is het feit dat de toekomst niet op willekeurige wijze wordt gevormd uit afgescheiden handelingen, welke ook, van het tegenwoordige, maar dat de gehele toekomst een onafgebroken voortzetting is van het tegenwoordige evenals het tegenwoordige van het verleden

Op één gebied, van één gezichtspunt bezien, is het beeld van het koord juist. Er wordt gezegd, dat een weinig aandacht geschonken aan het occultisme, grote karmische gevolgen teweegbrengt. Dit komt, omdat het niet mogelijk is enige aandacht te schenken aan het occultisme zonder een besliste keuze te doen tussen hetgeen gewoonlijk goed en kwaad wordt genoemd. De eerste stap in het occultisme brengt de studerende tot de boom der kennis. Hij moet plukken en eten, hij moet kiezen. Hij kan niet langer in de besluiteloosheid van onwetendheid blijven. Hij gaat voort hetzij op het goede of op het kwade pad. En als hij met beslistheid en kennis het ene of andere pad betreedt brengt dit grote karmische gevolgen teweeg.

De grote massa gaat weifelend voort, niet zeker van het doel, waarnaar zij streeft, haar levensstandaard is onbepaald, ten gevolge daarvan werkt haar karma op verwarde wijze. Maar wanneer eenmaal de drempel van kennis is bereikt, begint de verwarring te verminderen en derhalve nemen de karmische gevolgen bijzonder sterk toe, dewijl zij alle in dezelfde richting werken op al de verschillende gebieden. Want de Occultist kan niet half iets doen, noch ook kan hij terugkeren, wanneer hij de drempel heeft overschreden. Zo iets is even onmogelijk als dat een man weer een kind zou worden. De individualiteit is de staat van verantwoordelijkheid genaderd ten gevolge van groei, zij kan zich daarvan niet meer terugtrekken.

Hij, die uit de boeien van Karma wil ontsnappen moet zijn individualiteit opheffen uit de schaduw in de zonneschijn; moet zijn bestaan zodanig verheffen, dat deze draden niet in aanraking komen met bezoedelende stoffen, dat zij niet zodanig worden vastgehecht, dat zij weggetrokken (kunnen) worden. Hij licht zichzelf eenvoudig uit dat gebied, waar Karma werkt.

Hij verlaat daarom echter niet de bestaanstoestanden die hij doormaakt. Zij mogen ruw zijn en vuil, of vol van rijke bloesems, wier stuifmeel besmet, en van zoete dingen, die vastkleven en gehechtheden worden - maar boven zijn hoofd is altijd de vrije lucht. Hij die verlangt karmaloos te zijn, moet naar de lucht uitzien als zijn tehuis, en daarna naar de ether. Hij die verlangt goed Karma te maken zal vele verwarrende toestanden ontmoeten, en in zijn poging om zaden te zaaien, die voor hemzelf rijken oogst zullen voortbrengen, plant hij wellicht duizenderlei onkruid en daaronder het reuzenonkruid. Verlang niet zaad te zaaien voor uw eigen oogst: verlang slechts dat zaad te zaaien waarvan de opbrengst de wereld zal spijzigen. Gij zijt een deel der wereld, door haar te voeden, voedt gij uzelf.

Toch schuilt zelfs in die gedachte een groot gevaar, dat plotseling tevoorschijn komt en de discipel tegemoet treedt, die lange tijd gemeend heeft, dat hij arbeidde voor het goede, terwijl hij in het diepst zijner ziel slechts het kwade heeft gekoesterd. Dat wil zeggen, hij heeft gedacht, dat hij een grote weldaad bedoelde voor de wereld, terwijl hij al die tijd onbewust de gedachte aan Karma heeft gevoed, en de grote weldaad waarvoor hij arbeidt voor hemzelf is.

Een mens kan weigeren aan beloning voor zichzelf te denken. Maar in die weigering zelf is het feit te zien dat beloning wordt begeerd. En het is voor de leerling nutteloos om te trachten te leren door zichzelf in te houden. De ziel moet ongeketend wezen, de begeerten moeten vrij zijn. Maar ijdel is zijn pogen zolang het niet gericht is op de staat waar noch beloning is noch smart, noch goed, noch kwaad.

Het kan schijnen, dat hij grote vorderingen maakt, maar op zekere dag zal hij van aangezicht tot aangezicht komen te staan met zijn eigen ziel en tot de erkenning komen, dat hij, toen hij tot de boom der kennis trad, de bittere vrucht heeft gekozen en niet de zoete; en dan zal de sluier geheel wegvallen en hij zal zijn vrijheid opgeven en de slaaf van begeerte worden.

Wees derhalve gewaarschuwd gij, die u slechts even begint te wenden naar het leven van occultisme. Verneem nu, dat er geen ander geneesmiddel is tegen begeerte, geen ander geneesmiddel tegen de liefde voor beloning, geen ander geneesmiddel tegen de smarten van hevig verlangen dan het vestigen van gezicht en gehoor op datgene wat onzichtbaar is en geluidloos.

Begin zelfs nu dat te oefenen en duizenden slangen zullen van uw pad worden afgehouden. Leef in het eeuwige. De werkingen van de eigenlijke wetten van Karma kunnen niet worden bestudeerd voordat de discipel het punt heeft bereikt, waar zij hem zelf niet meer aandoen. De ingewijde heeft het recht de geheimen der natuur op te eisen en de wetten te kennen, welke het menselijk leven beheersen. Hij is een erkend deel geworden van het goddelijk element, en wordt niet meer aangedaan door wat tijdelijk is. Dan verkrijgt hij kennis van de wetten, die tijdelijke toestanden beheersen.

Tracht derhalve eerst uzelf van de wetten te bevrijden, gij die de wetten van Karma wenst te begrijpen: en dit kunt gij alleen volbrengen, doordat gij uw aandacht vestigt op datgene, wat door die wetten niet wordt aangedaan.

 

Uittreksel II: over Discipelen

Deze voorschriften zijn geschreven voor alle discipelen. Houdt u daaraan.

Voordat de ogen kunnen zien, moeten zij niet meer in staat zijn tranen te storten. Voordat het oor kan horen, moet het zijn gevoeligheid hebben verloren. Voordat de stem kan spreken in de tegenwoordigheid der Meesters, moet zij haar vermogen tot kwetsen hebben verloren. Voordat de ziel kan staan in de tegenwoordigheid der Meesters moeten hare voeten zijn gewassen in het bloed van het hart.

1. Roei eerzucht uit.

2. Roei de begeerte uit naar leven.

3. Roei de begeerte uit naar gemak.

4. Werk als degenen werken, die eerzuchtig zijn. Heb eerbied voor het leven als zij, die het begeren. Wees gelukkig als degenen, die voor geluk leven. Zoek in het hart de bron des kwaads en vernietig die. Het kwaad wast even vruchtbaar in het hart van de toegewijde discipel als in dat van de mens van begeerte. Alleen de sterken kunnen het uitroeien. De zwakke moet zijn wasdom, vrucht dragen en afsterven af­wachten. En het is een plant, die door de eeuwen heen leeft en groeit. Zij bloeit, wanneer de mens talloze bestaanstijdperken in zichzelf heeft opgetast. Hij, die het pad van macht betreden wil, moet dit iets uit zijn hart rukken. En dan zal het hart bloeden en het ganse leven des mensen geheel vernietigd schijnen. Deze zware beproeving moet worden doorstaan; zij kan komen op de eerste sport der gevaarlijke ladder, die voert naar het pad des levens, zij kan ook eerst op de laatste komen. Maar, 0 leerling, bedenk wel, dat gij die verduren moet, en richt de krachten uwer ziel op deze taak. Leef noch in het tegenwoordige, noch in de toekomst, maar in het Eeuwige. Dit reuzenonkruid kan daar niet bloeien; deze smet op het bestaan wordt door de atmosfeer zelf der eeuwige gedachte uitgewist.

5. Dood alle gevoel van afgescheidenheid.

6. Roei de begeerte uit naar gewaarwording.

7. Roei uit het hunkeren naar groei.

8. Sta evenwel alleen en afgezonderd, omdat niets dat belichaamd is, niets dat zich bewust is van afscheiding, niets, dat buiten het Eeuwige is, u kan helpen. Leer van gewaarwording en sla die gade, want slechts aldus kunt gij de studie van de wetenschap der zelfkennis beginnen en uw voet zetten op de eerste sport der ladder. Groei als de bloem groeit, onbe­wust, maar gretig verlangend haar ziel te openen voor de lucht. Zó moet gij voorwaarts dringen om uw ziel te openen voor het Eeuwige. Maar het moet het Eeuwige zijn, dat uw kracht en schoonheid te voor­schijn brengt, niet de begeerte naar groei. Want in het éne geval ontwikkelt gij u in de weelderige pracht der reinheid, in het andere verhardt gij u door het krachtige hartstochtelijk verlangen naar persoonlijke grootheid.

9. Begeer slechts dat, wat in u is.

10. Begeer slechts dat, wat boven u is.

11. Begeer slechts dat, wat onbereikbaar is.

12. Want in u is het licht der wereld, - het enige licht dat kan worden uitgestraald op het Pad. Indien gij niet in staat zijt het binnen in u waar te nemen, is het nutteloos er ergens anders naar te zoeken. Het is boven u, want wanneer gij het bereikt, hebt gij uzelf verloren. Het is onbereikbaar, omdat het steeds terugwijkt. Gij zult het licht intreden, maar gij zult nim­mer de Vlam raken.

13. Begeer vurig naar macht.

14. Begeer innig naar vrede.

15. Begeer bezittingen boven alles.

16. Maar deze bezittingen moeten alleen behoren aan de reine ziel, en gelijkelijk het bezit uitmaken van alle reine zielen en dus alleen het bijzonder eigendom van het geheel, wanneer zij verenigd zijn. Haak naar zodanige bezittingen als het eigendom kunnen zijn der reine ziel, opdat gij rijkdom moogt verzamelen voor dien verenigde geest des levens, die uw enige ware Zelf is. De vrede, dien gij zult begeren, is die geheiligde vrede, dien niets kan verstoren en waarin de ziel groeit gelijk de heilige bloem op de stille lagunen. En de macht, die de leerling zal begeren, is die welke hem zal doen schijnen als niets in de ogen der mensen.

17. Zoek naar de weg .

18. Zoek de weg, door u naar binnen terug te trekken.

19. Zoek de weg door moedig naar bui­ten uit te gaan.

20. Zoek hem niet langs een bepaalde lijn. Voor elk temperament is er één lijn, die het meest wenselijk schijnt. Maar de weg wordt niet gevonden alleen door toe­wijding, alleen door godsdienstige bespiege­ling, alleen door vurig voorwaarts streven, door zelfopofferenden arbeid, door het le­ven met studie gade te slaan. Geen dezer op zichzelf kan de leerling meer dan één sport hoger brengen. Alle sporten zijn nodig om de ladder volledig te maken. De ondeugden der mensen worden sporten in de ladder, één voor één naarmate zij over­wonnen worden. De deugden des mensen zijn inderdaad noodzakelijke sporten, die vooral niet gemist kunnen worden. Toch, al scheppen zij een schone atmosfeer en een gelukkige toekomst, zijn zij nutteloos, in­dien zij alleen staan. De gehele aard van de mens moet wijselijk worden benut door degene, die de weg wenst te betreden. Ieder mens is voor zichzelf volstrekt de weg, de waarheid en het leven. Maar dat is hij al­leen, wanneer hij zijn gehele individualiteit grijpt met vasten greep, en deze individualiteit door de kracht van zijn ontwaakten geestelijken wil erkent als zijnde niet hij­zelf, maar dat iets, dat hij met smart heeft geschapen voor zijn eigen gebruik en door middel waarvan hij zich ten doel stelt, naar­mate zijn groei langzamerhand zijn intel­ligentie ontwikkelt, het leven boven de individualiteit te bereiken. Wanneer hij weet, dat daarvoor zijn wonderbaarlijk samengesteld afgescheiden leven bestaat, dan inderdaad, en dan alleen is hij op de weg. Zoek hem, door in de geheimenissen en de wondervolle diepten af te dalen van uw eigen innerlijkst wezen. Zoek hem door alle ondervinding op de proef te stellen, door de zinnen te benutten, teneinde de groei en de betekenis van individualiteit te begrijpen en de schoonheid en de duisterheid van die andere goddelijke fragmenten, die zij aan zij met u worstelen, en het ras vormen, waartoe gij behoort. Zoek hem door studie van de wetten van het zijn, de wetten der natuur, de wetenschap van het bovenaardse, en zoek hem door uw ziel diep te doen nederbuigen voor de zacht­stralende ster die in uw binnenste brandt. Gestadig, terwijl gij gadeslaat en aanbidt. zal het licht sterker worden. Dan kunt gij weten, dat gij het begin van de weg hebt gevonden. En wanneer gij het einde hebt gevonden, zal zijn licht plotseling het on­eindige licht worden.

21. Zie eerst uit naar de bloem, die zal bloeien, in de stilte, die op de storm volgt, niet voor dien tijd. De plant zal groeien, zij zal opschieten, zij zal takken en bladeren vormen en knoppen doen ontspruiten, terwijl de storm nog duurt, terwijl de slag nog voortgaat. Maar niet voordat de gehele persoonlijkheid van de mens is opgelost en weggesmolten ­ niet voordat deze door het goddelijk frag­ment dat haar geschapen heeft als louter een onderworpen iets, dienstig voor ernstige proefneming en ondervinding, wordt be­schouwd - niet voordat de gehele aard zich heeft overgegeven en onderworpen is geworden aan zijn hoger Zelf, kan de bloe­sem zich openen. Dan zal er een kalmte komen zoals in een tropische streek na de zware regen, wanneer de natuur zo snel arbeidt, dat men hare werking kan zien. Zulk een kalmte zal over de gekwelde geest komen. En in diepe stilte zal de geheim­zinnige gebeurtenis plaats vinden, die aan­toont dat de weg is gevonden. Noem die bij welken naam gij wilt, het is een stem, die spreekt, waar geen is om te spreken, het is een boodschapper, die komt, een boodschapper zonder vorm of substantie; of wel het is de bloesem der ziel, die zich geopend heeft. Zij kan niet worden beschreven, door geen enkele figuurlijke uit­drukking. Maar men kan er naar voelen, naar zoeken en verlangen zelfs onder het razen van de storm. De stilte kan een ogen­blik duren in tijd of duizend jaren lang. Maar zij zal een einde nemen. Toch zult gij hare kracht met u dragen. Telkens en tel­kens weer moet de strijd worden gestreden en de overwinning behaald. Het is slechts voor een ogenblik, dat de natuur stil kan zijn.

De hierboven neergeschrevene zijn de eerste voorschriften, die geschreven staan op de muren van de Halle der Lering. Zij, die vragen, zullen ontvangen. Zij, die begeren te lezen, zullen lezen. Zij, die begeren te leren, zullen leren.

VREDE ZIJ MET U.

 

04. Mensen en Zonne-Inwijding
Alice A. Bailey

 

DE HEER BOEDDHA HEEFT GEZEGD dat we niet in iets moeten geloven alleen omdat het gezegd is; noch in tradities, omdat ze vanuit de oudheid aan ons zijn over­geleverd; noch in geruchten als zodanig; noch in geschriften van wijzen, omdat wijzen ze schreven; noch in fantasieën, waarvan we misschien mogen vermoeden, dat ze ons door een Deva zijn ingegeven (dat wil zeggen in veronderstelde geestelijke inspiratie); noch in gevolgtrekkingen afgeleid uit de een of andere door ons gemaakte toevallige veronderstelling; noch omdat iets een analo­gische noodzakelijkheid schijnt te zijn; noch alleen maar op het gezag van onze leraren of meesters, maar dat wij moeten geloven wanneer het geschrift, de leerstelling of het gezegde door ons eigen verstand en ons eigen bewustzijn wordt bevestigd. "Daarom", zegt hij tot besluit, "leerde ik u om niet alleen maar te geloven, omdat gij hebt gehoord, maar om, indien gij met uw bewustzijn gelooft, in overeenstemming daarmee te handelen."
(Geheime Leer, Deel III, pag. 401, Eng. Uitgave)


 

DISCIPELSCHAP

Beschrijving van een Discipel.


* Een discipel is iemand, die zich vóór alles ertoe verbonden heeft, drie dingen te doen:
a. De Mensheid te dienen.
b. Mede te werken aan het Plan van de Groten, zoals hij dit ziet en zo goed als hij kan.
c. De krachten van het Ego te ontwikkelen, zijn bewustzijn te verruimen, totdat hij op de drie gebieden in de drie werelden en in het oorzakelijk lichaam kan werken en de leiding van zijn hoger Zelf, in plaats van de ingevingen van zijn drievoudige lagere openbaringsvorm, te volgen.

* Een discipel is iemand die begrip begint te krijgen van het groepswerk en die het middelpunt van zijn werkzaamheid begint te verleggen van zichzelf (als de spil waar alles om draait) naar het groepscentrum.

* Een discipel is iemand, die tegelijkertijd de betrekkelijke on­beduidendheid van elke bewustzijnseenheid en tevens de ont­zaglijke belangrijkheid ervan beseft. Hij heeft gevoel voor ver­houding gekregen en hij ziet de dingen zoals zij zijn; hij ziet de mensen zoals zij zijn; hij ziet zichzelf zoals hij inwezenlijk is, en tracht datgene te worden, wat hij is.. Een discipel reali­seert zich de levens- of krachtzijde van de natuur, en de vorm trekt hem niet aan. Hij werkt met en door kracht; hij herkent zichzelf als een krachtsmiddelpunt in een groter krachtcentrum en op hem rust de verantwoordelijkheid de energie, die hem moge doorstromen, te leiden in kanalen, waardoor de groep kan wor­den gebaat.

* De discipel weet zichzelf - in meerdere of mindere mate ­een voorpost van het bewustzijn van de Meester, terwijl hij de Meester op tweeërlei wijzen ziet:
a. Als zijn eigen egoïsch bewustzijn.
b. Als het middelpunt van zijn groep, als de kracht, die de eenheden van de groep bezielt en die hen tot een homogeen geheel tezamen bindt.

* Een discipel is iemand, die zijn bewustzijn vanuit het persoon­lijke naar het onpersoonlijke overbrengt en gedurende het over­gangsstadium moet hij noodzakelijkerwijs veel moeilijkheden en lijden verdragen. Deze moeilijkheden ontstaan uit verschillende oorzaken:
a. Het lager zelf van de discipel, dat in opstand komt tegen de omzetting.
b. De onmiddellijke groep van een mens, zijn vrienden of familie, die in opstand komen tegen zijn toenemende on­persoonlijkheid. Zij houden er niet van om als één met hem te worden beschouwd aan de levenskant, en toch als afge­zonderd van hem op het gebied, waar begeerten en belangen liggen. Toch blijft de wet gelden, en alleen in het essentiële leven van de ziel kan waarachtige eenheid worden gekend. In de ontdekking van wat "vorm" is, ligt veel leed voor de discipel besloten, maar de weg leidt uiteindelijk tot vol­maakte éénwording.

* De discipel is iemand, die zijn verantwoordelijkheid beseft ten opzichte van alle eenheden, die onder zijn invloed komen, - een verantwoordelijkheid om mede te werken aan het plan van evo­lutie, zoals dit voor hen bestaat, en zodoende hun bewustzijn te verruimen en hen het verschil te leren tussen het werkelijke en het onwerkelijke, tussen leven en vorm. Dit doet hij het gemakke­lijkst door in zijn eigen leven zijn doel, zijn oogmerken en het brandpunt van zijn bewustzijn te demonstreren.

Het werk dat gedaan moet worden.

Er zijn voor de discipel daarom verschillende dingen, die hij zich ten doel moet stellen:
Een gevoelig reageren op de trilling van de Meester.
Een praktische zuiverheid van leven; niet alleen maar een theo­retische zuiverheid.
Een vrij zijn van zorgen. Onthoud hier, dat zorg wortelt in de persoonlijkheid en het gevolg is van een tekort aan onge­hechtheid en een te bereidwillig reageren op de trillingen van de lagere werelden.

Vervulling van plicht.

Dit punt houdt in het rustige afdoen van alle verplichtingen en de nodige aandacht aan karmische schulden. Bijzondere nadruk moet voor alle discipelen gelegd worden op de waarde van kalmte.

Gebrek aan onderscheidingsvermogen vormt in deze dagen voor discipelen niet zo vaak een hinderpaal, dank zij de ont­wikkeling van het denkvermogen, maar wel is dit dikwijls het geval met gebrek aan ongehechtheid. Dit betekent het bereiken van die staat van bewustzijn, waar evenwicht wordt gevonden en vreugde noch pijn overheerst, omdat blijheid en geluk in de plaats hiervan zijn getreden. Wij mogen hier wel goed over na­denken, want ernstig streven naar ongehechtheid is noodzakelijk.

Hij moet ook het Kama-manasisch lichaam bestuderen (het be­geerte-denk-lichaam). Dit is van zeer werkelijk belang, want het is, in vele gevallen, het belangrijkste lichaam in het zonnestelsel, waar het het menselijk wezen in de drie werelden betreft. In het volgende stelsel zal het mentale voertuig van de zelfbewuste eenheden eenzelfde plaats innemen, zoals het stoffelijke deed in een vorig zonnestelsel.

Hij moet ook wetenschappelijk te werk gaan, indien dit zo mag worden uitgedrukt, bij het bouwen van het stoffelijk lichaam. Hij moet ernaar streven in iedere incarnatie een lichaam voort te brengen, dat beter dienst zal doen als een voertuig voor kracht. Daarom schuilt er niets onpraktisch in het verstrekken van in­lichtingen betreffende inwijding, zoals sommigen wel eens den­ken. Er is geen ogenblik van de dag, dat dit doel niet voor de geest gehaald en het werk van voorbereiding voortgezet kan worden. Een der beste werktuigen voor de praktische ontwikke­ling in handen van groot en klein is de SPRAAK. Hij, die over zijn woorden waakt en die alleen spreekt met altruïstische be­doelingen, teneinde de energie der Liefde door middel van de tong uit te dragen, is iemand, die snel de beginstappen machtig wordt die genomen moeten worden ter voorbereiding tot in­wijding. Spraak is de meest occulte openbaringsvorm die be­staat. Het is het middel tot scheppen en het voertuig van kracht. In het niet-spreken ligt volgens esoterische opvatting het behoud van kracht; in het gebruik van juist gekozen en gesproken woorden ligt de verspreiding van de liefdekracht van het zonnestelsel besloten, de kracht, die in stand houdt, sterk maakt en stimu­leert. Slechts diegene, die iets weet van deze twee aspecten van de spraak, kan veilig voor de Inwijder staan en bepaalde klanken en geheimen uitdragen vanuit die Aanwezigheid, die hem mede­gedeeld zijn onder de belofte van stilzwijgen.

De discipel moet leren het stilzwijgen te bewaren wanneer hij tegenover het slechte komt te staan. Hij moet leren te zwijgen bij het lijden van de wereld, geen tijd te verspillen met ijdele klachten en met een demonstratie van droefenis, maar hij moet de lasten der wereld helpen dragen en al werkend geen kracht verspillen met spreken. Toch moet hij daar spreken, waar behoefte aan bemoediging bestaat en de tong gebruiken voor constructieve doeleinden; hij moet de liefdekracht van de wereld tot uitdruk­king brengen, zoals deze misschien door hem heen stroomt, overal waar de kracht het best kan dienen om een last te verlichten of een druk op te heffen, terwijl hij daarbij steeds in gedachten houdt, dat naarmate het ras vorderingen maakt, het liefde-element tussen de seksen en de uitdrukking daarvan op een hoger plan gebracht zal worden. Dan zal door het gesproken woord en niet zoals thans door de uitingen behorend tot het stoffelijk gebied, het besef komen van die waarachtige liefde, die degenen die één zijn in dienst en in streven, met elkaar verbindt. Dan zal de liefde tussen de leden van de menselijke familie de vorm aannemen van het gebruik maken van de spraak, teneinde te scheppen op alle ge­bieden en de energie, die nu bij de meerderheid tot uitdrukking komt door de lagere of geslachtscentra, zal overgebracht worden naar het keelcentrum. Dit is thans nog een ververwijderd ideaal, maar zelfs nu kunnen sommigen zich dat ideaal voor de geest halen en trachten - door gezamenlijke dienst, liefdevolle samen­werking en eenheid van aspiratie, gedachte en streven - er een, hoewel niet altijd doelmatige, vorm aan te geven.

Groepsverhoudingen.

Het pad van de discipel is doornig; wilde rozen omgeven elke stap die hij zet en bij iedere kromming ontmoet hij moeilijkheden. Toch komt met het betreden van het pad, met het overwinnen van de moeilijkheden en met het oprechte vasthouden aan het welzijn van de groep, met een daaraan evenredige aandacht voor de afzonderlijke personen en hun evolutionaire ontwikkeling, tenslotte vervulling en het bereiken van het doel. Hij wordt een Dienaar van het ras. Hij is een dienaar omdat hij geen eigen oog­merken heeft, die hij wenst te dienen en van zijn lagere omhul­sels gaat geen trilling uit, die hem van het eens gekozen pad kan weglokken. Hij dient, omdat hij weet wat er in de mens verborgen ligt en omdat hij gedurende vele levens gewerkt heeft met af­zonderlijke personen en met groepen, waarbij hij langzamerhand de omvang van zijn streven vergroot, totdat hij om zich heen die bewustzijnseenheden heeft verzameld, die hij kan bezielen en ge­bruiken en door wie hij de plannen van zijn meerderen kan uit­werken. Dat is het doel, maar de tussenliggende stadia zijn vol moeilijkheden voor allen, die op het punt staan zichzelf te ont­dekken en het Pad zelf te worden.

Enige praktische raadgevingen zouden hier misschien van waar de kunnen zijn:

* Bestudeer zorgvuldig de eerste drie boeken van de Bhagavad Gita. Het probleem van Arjuna is het probleem van alle discipelen en de oplossing ervan is eeuwig dezelfde.

Wees bereid, waak over het hart. Het overbrengen van het vuur vanuit de solar plexus naar het hart-centrum gaat met veel pijn gepaard. Het is niet gemakkelijk om lief te hebben, zoals de Groten dit doen, met een zuivere liefde, die niets voor zichzelf terugeist; met een onpersoonlijke liefde, die zich erover verheugt, wanneer zij beantwoord wordt, maar er niet naar uitkijkt en die gestadig, rustig en innig blijft volharden, ondanks alle schijnbare verschillen, in de wetenschap dat, wanneer een ieder zijn eigen weg naar huis heeft gevonden, hij zal merken, dat dit tehuis een plaats is van eenwording.

*  Wees voorbereid op eenzaamheid. Het is de wet. Wanneer een mens zichzelf losmaakt van alles wat betrekking heeft op de stoffelijke, astrale en mentale lichamen en zich concentreert in het Ego, veroorzaakt dit een tijdelijke scheiding. Dit moet worden verdragen en doorgemaakt, daar het op een later tijdstip leidt tot een nauwere band met allen die met de discipel zijn verenigd door het karma van vorige levens, door groepswerk en door de werkzaamheid van de discipel (eerst bijna onbewust uitgeoefend), die beoogt diegenen, door wie hij later zal werken, tezamen te brengen.

* Kweek een toestand van geluk aan in de wetenschap, dat neerslachtigheid een ziekelijk speuren naar beweegredenen en een overdreven gevoeligheid ten aanzien van kritiek van anderen is, en leidt tot een toestand, waarin een discipel bijna van geen nut is. Geluk is gebaseerd op vertrouwen op de innerlijke God, een juiste waardering van tijd en een vergeten van zichzelf. Neem alle pret­tige dingen, die mogen komen, als een pand dat benut kan wor­den om geluk te verspreiden en kom niet in opstand tegen geluk en vreugde in dienst, doordat gij het als een aanwijzing beschouwt, dat niet alles in orde is. Lijden komt, als het lagere zelf opstandig is. Beheers dat lager zelf, verdrijf begeerte en alles is vreugde.

* Heb geduld. Uithoudingsvermogen is één der kenmerken van het Ego. Het Ego houdt vol, in de wetenschap van eigen onsterfe­lijkheid. De persoonlijkheid raakt ontmoedigd in de wetenschap, dat de tijd kort is.

De discipel overkomt slechts dat, wat tot het plan behoort en waar de beweegreden en het enige streven van het hart erop ge­richt zijn, de wil van de Meester ten uitvoer te brengen en het ras te dienen, draagt al wat gebeurt, het zaad van een volgende onder­neming in zich en belichaamt de omstandigheden voor een vol­gende stap voorwaarts. Hierin ligt veel, dat verheldering brengt en hierin kan datgene gevonden worden, waarop de discipel kan steunen, wanneer de visie vertroebeld is, de trilling lager dan zij misschien zou moeten zijn en het oordeel verduisterd door de nevelen, die voortkomen uit omstandigheden op het stoffelijk ge­bied. Bij menigeen doet zich in het astrale lichaam veel voor, dat op oude trillingen berust en waarvoor feitelijk geen grond bestaat en de strijd is dus, de astrale toestanden zó te beheersen, dat uit tegenwoordige angsten en zorgen vertrouwen en vrede mogen groeien en dat uit heftige daden en reacties daarop weloverwogen kalmte tot stand gebracht moge worden.

Het is mogelijk een punt te bereiken, waar niets dat plaats grijpt, de innerlijke rust kan verstoren; waar de vrede, die alle begrip te boven gaat, gekend en ervaren wordt, omdat het bewust­zijn in het Ego geconcentreerd wordt, het Ego, dat vrede zelf is daar het de cirkel is van Boeddhisch leven, waar het evenwicht zelf wordt gekend en gevoeld en evenwicht heerst, omdat het middelpunt van het leven in het Ego ligt, dat - in wezen - even­wicht is; waar onverstoorde en ongeschokte rust heerst, omdat de goddelijke Kenner de teugels van het bewind in handen houdt en geen storing, uitgaand van het lager zelf, toelaat; waar geluk­zaligheid zelf bereikt wordt, gebaseerd niet op omstandigheden in de drie werelden, maar op het innerlijk besef van een bestaan, afgescheiden van het niet-zelf, een bestaan dat voortduurt, wan­ neer tijd en ruimte en al wat daarin vervat ligt, niet meer zijn; dat gekend wordt, wanneer men alle begoochelingen van de lagere gebieden heeft ervaren, doorgemaakt, omgezet en te boven is ge­komen: dat voortduurt als de kleine wereld van menselijk streven is vervlogen en heengegaan en gezien wordt als niets betekenend en dat gebaseerd is op het weten van IK BEN DAT.

Zo'n houding en ervaring krijgen allen die volharden in hun verheven streven en die niets laten meetellen, als zij slechts het doel mogen bereiken en die door alle omstandigheden heen een vaste koers houden, het oog gevestigd op het doel dat zij voor zich zien, het oor aandachtig luisterend naar de Stem van de innerlijke God, die klinkt in de stilte van het hart: de voeten stevig geplant op het pad, dat voert tot de Poort van Inwijding; de handen uitgestrekt in hulpbetoon aan de wereld en het hele leven ondergeschikt gemaakt aan de roep tot dienen. Dan is alles, wat komt voor zijn eigen bestwil - ziekte, gunstige kansen, succes en teleurstelling, de hoon en kuiperij van vijanden, het gebrek aan begrip van de kant van hen, die wij liefhebben - alles is er slechts om benut te worden en alles bestaat slechts om omgezet te worden. Het ononderbroken voortduren van de visie, van aspiratie en van innerlijk contact, wordt belangrijker geacht dan al het andere. Die continuïteit is hetgeen waarnaar gestreefd moet worden, on­danks, niet dank zij, de omstandigheden.

Terwijl de aspirant vorderingen maakt, vindt hij niet alleen het evenwicht tussen de paren van tegenstelling, maar ook het geheim van het hart van zijn broeder wordt hem geopenbaard. Hij wordt een erkende kracht in de wereld en wordt herkend als iemand op wie gerekend kan worden bij het dienen. Mensen wenden zich tot hem om bijstand en hulp op zijn erkende manier en hij begint zijn speciale toon te laten weerklinken om in de gelederen van deva's en mensen gehoord te worden. Dit doet hij - in dit sta­dium - door zijn pen in de literatuur, door het gesproken woord in lezingen en onderricht, door muziek, schilderen en kunst. Hij bereikt op de een of andere manier de harten der mensen en wordt een helper en dienaar van zijn ras. Twee andere kenmerken van dit stadium zouden hier vermeld kunnen worden.

De aspirant heeft waardering voor de occulte waarde van geld, aangewend in dienst. Hij zoekt niets voor zichzelf, behalve dat­gene wat hem een uitrusting kan verschaffen voor het werk, dat gedaan moet worden en hij ziet geld en al wat voor geld gekocht kan worden als iets wat gebruikt moet worden voor anderen en als een middel om de plannen van de Meester, voor zover hij die kan aanvoelen, in vervulling te doen gaan. De occulte betekenis van geld wordt weinig gewaardeerd; toch is een van de belang­rijkste proeven, waardoor de plaats van een mens op het Proef pad wordt bepaald, die proef, die betrekking heeft op zijn houding tot en op het hanteren van datgene wat alle mensen trachten te verkrijgen teneinde aan hun begeerten te voldoen. Alleen hij die niets voor zichzelf verlangt, kan fungeren als ontvanger van gel­delijke overvloed en als uitdeler van de rijkdommen van het Heelal.

In andere gevallen brengt toenemende rijkdom slechts verdriet en zorg, ontevredenheid en misbruik met zich mede.

In dit stadium wordt het leven van de aspirant een werktuig tot vernietiging, in de occulte betekenis van het woord. Waar hij ook gaat, veroorzaakt de kracht die door hem heen stroomt van­uit de hogere gebieden en vanuit zijn eigen innerlijke God, bij tijden eigenaardige gevolgen op zijn omgeving. Deze kracht werkt als een stimulans, zowel op het goede als op het kwade. De Maan­pitri's, of de kleine levens, die zowel het lichaam van zijn broeder als zijn eigen lichaam samenstellen, worden eveneens gestimuleerd, hun werkzaamheid wordt groter en hun kracht neemt sterk toe. Dit feit wordt door Degenen, Die aan de innerlijke zijde werken benut, om bepaalde gewenste resultaten teweeg te brengen. Hier wordt ook zo vaak de tijdelijke terugval van gevorderde zielen door veroorzaakt. Zij kunnen de kracht, die in of over hen stroomt, niet verdragen, en door de tijdelijke over-stimulering van hun centra en voertuigen, gaan ze ten onder. Deze uitwerking kan men waarnemen zowel bij groepen als bij op zichzelf staande personen. Maar, omgekeerd, indien de Maan-Heren of -levens van het lager zelf, reeds eerder zijn onderworpen en onder beheersing gebracht, dan is het effect van de kracht of energie, waarmede men in aanraking komt, zodanig, dat het reageren van het bewustzijn der stoffelijke hersens en de hoofdcentra op het contact met het Ego, wordt gestimuleerd. Dan worden anders destruc­tieve krachten een factor ten goede en een bevorderlijke stimu­lering en kunnen gebruikt worden door Hen, die weten hoe dit te doen, teneinde de mens tot verdere verlichting te brengen.

Al deze trappen moeten uitwerken op alle drie de lagere ge­bieden en in de drie lichamen en dit gebeurt overeenkomstig de bijzondere straal en onderstraal. Op deze wijze wordt het werk van de discipel voortgezet en heeft zijn beproeving en opleiding plaats. Zo wordt hij - door het op juiste manier richten van energie en het verstandig gebruik van krachtstromen – gevoerd naar het Portaal van Inwijding en hij wordt uit de Hal van Lering bevorderd tot de Hal van Wijsheid, die Hal, waarin hij zich lang­zamerhand "bewust" wordt van krachten en machten, die latent in zijn eigen Ego en egoïsche groep aanwezig zijn en waarin hij de kracht van zijn egoïsche groep de zijne kan noemen en kan gebruiken, omdat er nu op vertrouwd kan worden, dat hij deze kracht slechts zal aanwenden om de mensen te helpen en waarin hij, na de vierde inwijding, iets van de energie van de Planeet­Logos deelachtig wordt en toevertrouwd krijgt en nu in staat gesteld wordt, de evolutieplannen van die Logos verder uit te voeren.

 
 
 
05. Over Theologen en materialisten… een uittreksel uit ‘Isis ontsluierd.’
 

"Er is een persoonlijk God en een persoonlijke Duivel", zoo buldert de Christen prediker. "Hij zij vervloekt, die dit durft ontkennen". - "Er is geen persoonlijk God, behalve onze grijze hersenmassa", antwoordt de materialist minachtend, "en er bestaat geen Duivel. Dat hij als een driedubbele idioot beschouwd worde, die zoo iets waagt te beweren."

Ondertussen storen de occultisten en de ware filosofen zich aan geen der twee strijdende partijen, doch arbeiden ijverig voort. Zij geloven geen van allen in den belachelijke, hartstochtelijke, veranderlijken God van het bijgeloof, doch allen geloven zij in goed en kwaad. Ons menselijk verstand, de emanatie van ons eindig denkvermogen, is niet bij machte om ene goddelijke intelligentie, ene oneindige grenzeloze macht te begrijpen, en volgens strikte logica kan datgene, wat ons verstand te boven gaat en volkomen onbegrijpelijk voor onze zinnen blijft, niet voor ons bestaan en bestaat dus niet.

Tot zoover gaat de beperkte rede met de wetenschap mede, en zegt: "Er is geen God". Maar aan den anderen kant gaat ons Ego, dat wat onafhankelijk van ons in ons vergankelijk omhulsel leeft en denkt en voelt, nog verder dan geloven. Hij weet dat er in de natuur een God bestaat, want de enige en onover­winnelijke Schepper van alles leeft in ons, gelijk wij in Hem leven. Geen dogmatisch geloof of exacte wetenschap is in staat dat intuïtieve gevoel, dat den mensch is ingeboren, uit te roeien, wanneer hij het eens ten volle beseft heeft.

De menselijke natuur gelijkt daarin op de natuur van het heelal; die beide een afkeer van een vacuüm hebben. Zij smacht intuïtief naar een Opperwezen. Zonder een God zou de kosmos haar als een zielloos lijk toeschijnen. Daar het den mensch verboden is daar naar Hem te zoeken, waar alleen Zijne sporen te vinden zouden zijn, vulde hij de pijnlijke leegte op met den persoonlijken God, dien zijne geestelijke leraren voor hem opbouwden uit de ineengestorte overblijfselen van de heidense mythen en de wijsbegeerten der grijze Oudheid.

Hoe anders te verklaren, dat nieuwe sekten, waarvan sommige zoo bovenmate belachelijk zijn, als paddenstoelen uit den grond opschieten? De mensheid heeft een ingeboren, niet te onderdrukken verlangen waaraan voldaan zou moeten worden in elke godsdienst, die de dogmatische, onbewezen en onbewijsbare theologie onzer Christelijke eeuwen zou willen vervangen. Dat is het verlangen naar de bewijzen voor de onsterfelijkheid. Zoals Sir Thomas Browne het uitdrukte: . . . "Het is de zwaarste steen, dien de zwaarmoedigheid naar den mensch kan slingeren, wanneer men hem zegt, dat hij aan het eind van zijn bestaan is of dat er geen toekomstig leven te wachten is, waar het tegenwoor­dige heenleidt en zonder hetwelk dit geen doel zou hebben!"

Laat er een godsdienst komen, die deze bewijzen in den vorm van wetenschappelijke feiten kan aanbieden, en het bestaande stelsel zal genoodzaakt zijn of zijne dogma's met zulke feiten te versterken, Of den eerbied en de liefde van het Christendom te verliezen. Menig Christelijk geestelijke is gedwon­gen geweest te bekennen dat er geen authentieke bron bestaat, waaruit de mensch de verzekering van toekomstig leven kan putten.

Hoe kon dan zulk een geloof talloze eeuwen hebben standgehouden wanneer den mensch bij al die volkeren - beschaafd of wild - niet het bewijs ware gegeven? Is niet het bestaan van zulk een geloof zelf het bewijs, dat de denkende filosoof en de niet-redenerende wilde beiden genood­zaakt geweest zijn de getuigenis hunner zintuigen aan te nemen? Dat, wanneer al in op zichzelf staande gevallen gezichtsbegoochelingen het gevolg van lichamelijke ongesteldheden mogen zijn geweest, aan den anderen kant in duizenden gevallen verschijningen van personen tege­lijkertijd met verschillende lieden hebben gesproken, die hen gezamenlijk zagen en hoorden en toch niet allen gekrenkt in hun verstand kunnen zijn geweest?

De grootste denkers van Griekenland en Rome beschouwden zulke dingen als bewezen feiten. Zij onderscheidden de verschijningen in manes, anima en umbra: de manes daalden na den dood van het individu in de Onderwereld af, de anima of reine geest steeg ten hemel en de rusteloze umbra (de aan de aarde gebonden geest) zweefde om diens graf, omdat de aantrekkingskracht van de stof en de liefde tot zijn aardse lichaam er de overhand in hadden en diens opwaartsstijging tot hogere gebieden verhinderde.

"Terra legit carnem, tumulum circumvolet umbra,
Orcus habet manes, spiritus astra petit," [1]


zegt Ovidius, sprekende van de drie samenstellende delen der ziel.

Doch al die omschrijvingen moeten worden onderworpen aan een nauwkeurige wijsgerige ontleding. Te velen onzer denkers slaan er geen acht op dat de talrijke veranderingen in de taal, de allegorische zins­bouwen de klaarblijkelijke geheimhouding der oude, mystieke schrijvers, op wie gewoonlijk de verplichting rustte de plechtige tempelgeheimen nooit te openbaren, de vertalers en commentatoren wel zeer op een dwaalspoor kunnen hebben geleid.

De zinnen van de middeleeuwse alchemist vatten zij letterlijk op; zelfs de gesluierde symbologie van Plato wordt gewoonlijk door den modernen geleerde verkeerd begrepen. Eens zullen zij leren beter te weten, en dan zullen zij bemerken dat het stelsel dat door de uiterste noodzakelijkheid werd voorgeschreven zoowel in de oude als in de moderne wijsbegeerte werd gevolgd: dat van de eerste tijden van 's mensen bestaan af de grondwaarheden van alles, wat wij op aarde mogen weten, in de veilige handen van de adepten van het heiligdom wordt bewaard, dat het verschil in geloof en godsdienstoefeningen slechts uiterlijk was, en dat die bewaarders van de oorspronkelijke goddelijke openbaring, die elk vraagstuk hadden opge­lost dat binnen het bereik van het menselijk verstand valt, aan elkander waren verbonden door ene universele vrijmetselarij van wetenschap en wijsbegeerte, die één onafgebroken keten vormde om de aarde.

Nu is het de taak van filologie en psychologie om het einde van den draad te vinden. Wanneer die gevonden is, zal men tot de ontdekking komen dat door één enkelen knoop uit de oude godsdienst­stelsels los te maken de keten van geheimzinnigheid kan worden ont­ward. Het niet-zoeken naar en het achterhouden van die bewijzen heeft eminente mannen als Hare en Wallace en andere mensen met grote vermogens in de armen van het moderne spiritisme gedreven. Tegelijkertijd heeft het anderen, die van nature van geestelijke intuïtie waren ontbloot, tot een grof materialisme gebracht, dat onder verschillende namen optreedt.

Doch het is onnodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Want hoewel naar de mening van de meesten onzer tijdgenoten de wetenschap slechts één dag heeft bestaan, in welks schemering de oude filosofen stonden, terwijl de volle middagglans aan ons behoort, hoewel de getuigenis van talloze oude en middeleeuwse denkers geen waarde bleek te hebben in de ogen onzer moderne onderzoekers, alsof de wereld slechts van het eerste jaar onzer Christelijke tijdrekening af bestond en alle kennis slechts van jongen datum ware, zullen wij toch de hoop en den moed niet verliezen.

Het ogenblik voor een hernieuwde studie van de wijsbegeerten der Oudheid is gunstiger dan ooit. De oudheid­kundigen, filologen, sterrenkundigen, scheikundigen en natuurkundigen naderen steeds meer het punt, waar zij zullen worden gedwongen de waarde ervan te erkennen. De natuurkunde heeft reeds de grenzen van onderzoek bereikt, de dogmatische theologie ziet de bronnen van haar inspiratie opgedroogd. Wanneer wij ons niet in de tekenen vergissen, nadert de dag, waarop de wereld de bewijzen zal ontvangen dat slechts de godsdiensten der Oudheid in overeenstemming waren met de natuur en dat de wetenschap der Oudheid alles omvatte, wat kan worden gekend.

Geheimen zullen nu waarschijnlijk worden geopenbaard; lang vergeten boeken en kunsten, reeds geruimen tijd verloren geraakt, zullen misschien weder aan het licht komen; papyri en perkamenten van onschatbaar belang zullen opduiken in de handen van mensen, die beweren ze van de mummies te hebben afgerold of ze toevallig in onderaardse graven te hebben gevonden, tafeltjes en pilaren zullen uitgegraven en verklaard worden, waarvan de gebeeldhouwde openbaringen de theologen en geleer­den verstomd zullen doen staan. Wie kent de mogelijkheden der toe­komst? Een tijdperk van ontgoocheling en wederopbouwing zal weldra een aanvang nemen - ja, is reeds aangebroken.

De kringloop is bijna voltooid; een nieuwe cyclus staat aan zijn aanvang, en de bladen der toekomstige geschiedenis zullen het volledige getuigenis bevatten en volkomen bewijzen, dat:

"Indien men het voorgeslacht in enig opzicht mag geloven
Nedergedaalde geesten met den mensch hebben gesproken
En hem de geheimen der onbekende wereld hebben medegedeeld."

Bron: Isis ontsluierd – H.P. Blavatsky

[1] "De aarde trekt het vlees, het dubbel (eig. de schaduw) vliegt rondom den graf­heuvel, de onderwereld heeft de schim, de geest stijgt naar de sterren." Vert.