Vaak zitten er wijze lessen verborgen in een verhaaltje. Zoals in deze hier.



 
 
01. Mediterende katten en Zen - 02. Drie zeven - 03. Twee wolven - 04. De slang - 05. De Goddelijkheid van de mens - 06. Luisteren - 07. De Halsketting - 08. De droom van de koning - 09. De Wandeling - 10. De man op de heuvel - 11. Het mosterdzaadje - Een oud boeddhistisch verhaal - 12. Hemel of hel - 13. Legende van de kleuren - 14. De Waarheid - 15. Aan het volk van de Aarde
 
 
 
 
 
 
 
01. Hoe belangrijk zijn katten bij het mediteren.

 
 
 
 
 
Een groot zenmeester die aan het hoofd stond van het klooster van Mayu Kagi, had een kat die de liefde van zijn leven was. Om zo veel mogelijk van zijn gezelschap te kunnen ge­nieten, hield hij de kat tijdens het meditatieonderricht bij zich.

Op zekere ochtend bleek de meester - hij was niet meer een van de jongsten - gestorven te zijn. Zijn beste leerling nam zijn plaats in.

'Wat doen we met de kat?' vroegen de andere monniken. Bij wijze van eerbetoon aan zijn vroegere leermeester be­sloot zijn opvolger dat het beestje bij de meditatielessen aan­wezig zou blijven.

Op een dag deden leerlingen van elders, die veel door de streek reisden, het klooster aan en zagen de kat. Zo begon het verhaal de ronde te doen dat in een van de beroemdste tempels van die streek een kat deelnam aan de meditatie.

Vele jaren gingen voorbij. De kat ging dood, maar de leerlingen van het klooster waren zo gewend geraakt aan zijn aanwezigheid, dat ze een nieuwe kat namen. De andere kloosters begonnen ook katten te gebruiken bij de meditatie: ze meenden dat de kat de oorzaak was van de faam en de kwaliteit van het onderricht in Mayu Kagi en vergaten dat de vroegere zenmeester een uitstekend onderwijzer was ge­weest.

Een nieuwe generatie diende zich aan en er verschenen verhandelingen over de waarde van de kat in de zenmeditatie. Een professor kwam met de theorie (die in de academi­sche wereld wijd en zijd ingang zou vinden) dat de aanwezigheid van een katachtige bijdraagt aan een betere concentra­tie bij de mens en bovendien de ontwikkeling van negatieve energie voorkomt.

En zo gold de kat decennialang als een essentieel onderdeel van de zenmeditatie - en de studie ervan - in die streek.

Tot er een zenmeester kwam die allergisch was voor huisdieren en die daarom besloot geen katten meer toe te laten bij de dagelijkse oefeningen met zijn leerlingen.

De reacties waren bijzonder negatief, maar de meester volhardde in zijn besluit. Hij was een uitmuntende leraar en zijn leerlingen behaalden uitstekende resultaten, ofschoon bij zijn lessen geen kat aanwezig was.

Een voor een begonnen de kloosters - steeds op zoek naar nieuwe inzichten en het eigenlijk beu om zoveel katten te moeten voeren - de dieren uit de leslokaaltjes te verwijderen. In de twintig jaren die volgden werden er revolutionaire theorieën ontwikkeld en verschenen er nieuwe verhandelingen met titels als Mediteren zonder kat of Een evenwichtig zen­universum door de kracht van de geest en zonder de hulp van dieren.

Er ging een eeuw voorbij waarin de kat volledig uit de meditatierituelen van die streek verdween. Maar het duurde twee hele eeuwen voordat alles weer normaal was en niemand zich nog afvroeg waar de kat was wanneer hij met zijn meditatie begon.

Bron: Als een rivier - Paulo Coelho
 
  
 
 
02. De drie zeven.

 
 
 

Socrates, de Griekse wijsgeer, liep eens door de straten van Athene. Plotseling komt een man opgewonden naar hem toe. "Socrates! Ik moet je iets vertellen over je vriend die..."

"Ho eens even", onderbreekt Socrates hem. "Voordat je verder gaat. Heb je het verhaal dat je mij wilt vertellen gezeefd door de drie zeven?"
"De drie zeven? Welke drie zeven", vraagt de man verbaasd. "Laten we het proberen", stelt Socrates voor.

"De eerste zeef is de zeef van de waarheid. Heb je onderzocht of het waar is wat je mij vertellen wilt?" "Nee, ik hoorde het vertellen en..."

"Ah juist! Dan is het toch zeker wel door de tweede zeef gegaan? De zeef van het goede? Is het iets goeds wat je over mijn vriend wilt vertellen?" Aarzelend antwoordt de man: "Eh nee, dat niet. Integendeel..."

"Hm", zegt de wijsgeer. "Laten we dan de derde zeef gebruiken. Is het noodzakelijk om mij te vertellen wat jou zo opwindt?" "Nee, niet direct noodzakelijk", antwoordde de man.

"Welnu", zegt Socrates glimlachend. "Als het verhaal dat je vertellen wilt, niet waar is, niet goed is en niet noodzakelijk is, vergeet het dan en belast mij er niet mee."

 
 
  
 
 
 
 03. Twee wolven.

 
 
 

Een oude Cherokee indiaan geeft zijn kleinzoon onderricht over het leven. "Binnen in me is een gevecht gaande", zegt hij tegen de jongen.

"Het is een afschuwelijk gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht - hij bestaat uit woede, jaloezie, verdriet, spijt, hebzucht, verwaandheid, zelfmedelijden, schuldgevoelens, wrok, minderwaardigheid, leugens, valse trots, superioriteit en ego.

De andere wolf is goed - hij is vreugde, vrede, liefde, hoop, kalmte, nederigheid, vriendelijkheid, welwillendheid, medegevoel, vrijgevigheid, waarheid, compassie en geloof.
 
Binnen in jou woedt dezelfde strijd - en datzelfde geldt voor ieder mens."

De kleinzoon denkt daar enkele ogenblikken over na en vraagt dan aan zijn grootvader: "Welke wolf zal het gevecht winnen?"

De oude Cherokee glimlacht en antwoordt eenvoudig: "Degene die ik voed."
 
 
 
   
 
 
 04. De slang
 
 
 
 
 
 

Er was eens een heilige man die een dorp bezocht. De dorpelingen waarschuwden hem een bepaald pad niet in te slaan omdat daar een giftige slang huisde, die reeds vele mensen gedood had.

"Hij zal mij niet deren”, sprak de heilige en hij vervolgde zijn weg. Zoals te verwachten viel, kwam de slang op hem af en hief al sissend de kop omhoog om aan te vallen; maar toen de slang de heilige man zag, legde hij zich nederig aan zijn voeten neer. De wijze leerde de slang de gedachte aan bijten en doden te laten varen.

Geheel in overeenstemming met de instructie die de slang had ontvangen van de wijze en nadat hij door middel van een heilige naam van God was ingewijd in geestelijk leven, kroop de slang weer terug in zijn hol, en de heilige vervolgde zijn weg. Weldra ontdekten de dorpsjongens dat de slang van aard veranderd was. Omdat zij wisten dat de slang nu niet meer gevaarlijk was, sloegen zij hem met stokken telkens wanneer hij uit zijn hol te voorschijn kwam, maar de slang beet nooit terug. Na verloop van tijd werd de slang zo zwak vanwege de vele verwondingen die hij had opgelopen, dat hij zich ternauwernood kon voortbewegen. Heel zelden, en dan nog alleen maar ’s nachts, kwam hij uit zijn hol op zoek naar voedsel.

Toen de heilige de volgende keer weer langs het dorp kwam, werd hem gezegd dat de slang dood was. Maar de wijze antwoordde dat dit onmogelijk was. "Hij kan niet doodgaan voordat hij de vrucht van het heilige woord waarmee hij is ingewijd, ontvangen heeft.” Daarop ging de heilige naar het hol van de slang en riep hem naar buiten. Bij het horen van de stem van zijn leermeester, kroop de slang, verminkt en verschrikkelijk vermagerd, omdat hij niet meer voldoende voedsel kreeg, naar buiten. De heilige vroeg hem naar de reden van zijn erbarmelijke toestand.

"Eerwaarde heer”, antwoordde de slang, "Gij hebt mij opgedragen om geen schepsel meer te kwetsen. Ik heb geleefd van bladeren en vruchten. Dat is wellicht de reden waarom ik zo mager ben.”

De slang had inmiddels de deugd van vergevensgezindheid verworven en was vergeten dat de dorpsjongens hem bijna hadden doodgeslagen. De wijze antwoordde echter dat voedselgebrek niet de oorzaak van zijn conditie kon zijn, en vroeg de slang nog eens goed na te denken.

Toen herinnerde de slang zich dat de dorpsjongens hem geslagen hadden en dat hij hen niet had willen bijten, zodat hij hen stil had laten begaan en hun stokslagen lijdzaam onderging. De slang verwachtte woorden van lof vanwege zijn lijdzaamheid. Maar tot zijn grote verwondering werd de heilige heel boos: "Ge zijt een dwaas!” zo riep hij uit. "Ik zei u niet te bijten. Maar heb ik u ook opgedragen niet te sissen?”

Bron: de Bergrede in het licht van de vedanta-leer
 
    
 
 
05. De Goddelijkheid van de mens
Een Hindoe legende
 
 
 

 


Er was eens een tijd heel lang geleden,
dat alle mensen Goden waren.
Ze beschikten allen over een geweldige macht,
maar zij maakten daar misbruik van.
Brahma, de God der goden, besloot daar iets aan te doen.
Hij wilde de goddelijkheid van de mens verbergen.
Hij riep alle mindere Goden bijeen en vroeg hen
waar hij het beste met die grootheid kon blijven.

Een van de Goden zei:
"Laat ons die grootheid maar begraven in het diepst van de aarde."
Waarop de Brahma antwoordde:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens
zo diep zal graven dat hij zijn grootheid terug zal vinden.

Een andere God zei toen:
"Gooi het in het diepst van de oceaan."
Maar opnieuw antwoordde Brahma:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens
het diepst van de oceaan zal ontdekken."

Een derde zei:
"Verstop het op de allerhoogste berg."
Maar ook hierop antwoordde Brahma:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens die bergtop zal beklimmen."
Ten einde raad gaven de mindere goden het op.

Toen zei Brahma de God der goden:
"Op aarde is maar één plaats,
waar de grote goddelijkheid van de mens
afdoende kan worden opgeborgen.
Eén plaats waar hij zeker nooit zal zoeken.
En dat is: In het diepst van hemzelf."

En sindsdien heeft de mens gegraven, gedoken en geklommen
op zoek naar datgene wat diep in hemzelf verborgen ligt….
 
 
 
 
 
 
06. Luisteren
 


Als ik je vraag naar mij te luisteren
en jij begint mij adviezen te geven,
dan doe je niet wat ik vraag.

Als ik je vraag naar mij te luisteren
en jij begint mij te vertellen
waarom ik iets niet zo moet voelen als ik voel,
dan neem jij mijn gevoelens niet serieus.

Als ik je vraag naar mij te luisteren
en jij denkt dat jij iets moet doen
om mijn probleem op te lossen,
dan laat je mij in de steek,
hoe vreemd dat ook mag lijken.

Dus alsjeblieft, luister alleen maar naar me
en probeer me te begrijpen.
En als je wilt praten, wacht dan even
en ik beloof je, dat ik op mijn beurt
naar jou zal luisteren.

Bron: Happinez/Leo Buscaglia
 
 
 
 
 
07. De halsketting
 


Op de bodem van een kristalhelder meer lag een prachtige halsketting.
Iedereen kon haar zien en velen doken het water in om de ketting te pakken te krijgen.
Maar het lukte niemand. Zo gauw iemand de bodem bereikte was de ketting verdwenen. En toch was het sieraad vanaf de oever van het meer heel duidelijk te zien.

Op een dag kwam de meester langs en men vroeg hem om raad.
Hij keek het water in en zei: "De ketting ligt niet op de bodem van het meer; wat jullie zien is alleen maar een weerspiegeling ervan."

De mensen schudden hun hoofden en keken de meester twijfelend aan.
Maar deze wees met zijn arm naar een boom die op de rand van het meer stond, met zijn takken boven het water. Aan één van de takken hing de schitterende ketting.
Een vogel had haar gevonden en hier laten hangen. Niemand had haar gezien, niemand had ooit naar boven gekeken

En de meester zei: "Omdat jullie je blik niet verheffen zien jullie alleen de weerspiegeling. De werkelijkheid is heel dichtbij, je kunt haar zo grijpen; laat je niet misleiden door haar weerspiegelingen in de materie, die zijn maar schijn. Open je ogen en wordt wakker.”

uit: 'Taal van de stilte'

  
 
 
 
 08. De droom van de koning
 
 
 



De koning droomde dat hij al zijn tanden en kiezen had verloren. Meteen de volgende ochtend vroeg hij een droomuitlegger naar de betekenis van de droom.
"Ach, wat een ongeluk, heer!" riep de droomuitlegger. "Elke verloren tand betekent de dood van één van uw familieleden!"
"Wat!", riep de koning, rood van woede. "En dat durft jij tegen mij te zeggen! Maak dat je wegkomt!"
En de koning gaf het bevel de droomuitlegger vijftig stokslagen te geven.

Terwijl de arme man zijn straf onderging werd een andere droomuitlegger voor de koning geleid, die intussen omgeven was door zijn gehele hofhouding.

Nadat de tweede droomuitlegger de droom had gehoord hief hij als in vervoering zijn handen ten hemel en verkondigde: "0, welk een geluk, mijn koning! U bent voorwaar gezegend! U zult al uw verwanten overleven!”
Het gezicht van de koning klaarde onmiddellijk op en vriendelijk zei hij:
"Ik dank je, mijn vriend voor deze heldere uitleg. Ga dadelijk naar mijn schatbewaarder en laat je vijftig goudstukken geven. Je hebt ze verdiend.

Toen de droomuitlegger het paleis verliet, fluisterde een hovelingen hem in het oor:
"Zeg, je hebt tegen de koning toch eigenlijk niets anders gezegd dan de eerste droomuitlegger?"
Met een glimlach antwoordde de slimme man: "Zo zie je, je kunt alles zeggen, het hangt er alleen van af hoe je het zegt!"

Bron: Er was eens... van Ramesh Balsekar.
 
 
 
 
 09. De wandeling.
 
 
 
 
 

Lao Tse maakte elke ochtend een wandeling in de pure stilte die het begin van de dag heeft. En hij wilde nooit gezelschap hebben, want hij wist dat mensen niet stil kunnen zijn en dat zou zijn wandeling en de beleving van de stilte verstoren.
Maar de buurman van Lao Tse waagde het toch een keer om een verzoek aan hem te doen voor een vriend van hem. Hij zei: "Laat hem eens met u meegaan tijdens uw ochtendwandeling. Het lijkt hem zo'n heerlijke belevenis. En hij heeft beloofd om absoluut stil te zijn.

Lao Tse stemde voor deze ene keer toe. Dus de vriend ging mee op weg.

Ze wandelden naast elkaar voort zonder ook maar één woord te spreken.
En ze drongen dieper in de bossen door.

Toen kwamen ze bij een meer dat omringd werd door hoge bomen, die zich in het water weerspiegelden. Door de bomen heen scheen het zonlicht en dat viel in patronen op het water. Het was een schitterend gezicht. De mond van de vriend viel open en hij riep ontroerd: "Oh, wat mooi!" Toen sloeg hij zijn hand voor zijn mond omdat hem te binnen schoot wat hij beloofd had. Hij zou immers geen woord zeggen!

Lao Tse reageerde niet en ze keerden zwijgend terug naar huis.

Thuisgekomen zei Lao Tse tegen zijn buurman: "Dit was eens maar nooit weer! Vraag me niet nog eens om je vriend mee te nemen tijdens mijn wandeling. Hij praat teveel!"

Bron: www.zinnigeverhalen.nl
 
 
  
 
 
  10. De man op de heuvel
 
 
 
 
 

 
Er was eens een man die boven op een hoge heuvel stond. Drie reizigers die in de verte voorbij kwamen, merkten hem op en begonnen over hem te argumenteren.
De ene zei: "Hij is vast zijn hond kwijtgeraakt.”
Een ander zei: "Nee, hij zoekt waarschijnlijk zijn vriend.”
De derde zei: "Ik denk dat hij alleen daarboven is om van de frisse lucht te genieten.”
De drie reizigers konden het niet eens worden en het argumenteren ging door tot het moment dat ze de top van de heuvel hadden bereikt.

Toen vroeg de ene: "Meneer kan ik u misschien helpen, bent u uw hond kwijtgeraakt?”
"Nee dank u, ik ben mijn hond niet kwijt.”
De ander vroeg: "Bent u dan soms uw vriend aan het zoeken?”
"Nee meneer, ik ben ook mijn vriend niet aan het zoeken.”
Tenslotte vroeg de derde reiziger: "Bent u hier om van de frisse lucht te genieten?”
"Nee, meneer.”
"Maar…, wat doet u hier dan?” vroegen de drie reizigers bijna tegelijk.
De man op de heuvel antwoordde: "Ik sta hier gewoon.”

Verhaal uit: Het geluk van TAO
 
 
  
 

11. Het mosterdzaadje - Een oud boeddhistisch verhaal

De enige zoon van een moeder stierf. In haar verdriet en wanhoop zocht ze de Boeddha op, om te vragen of hij misschien haar zoon weer tot leven kon brengen. De Boeddha ging niet in op haar verzoek, maar zei: "Brengt u mij een mosterdzaadje uit een huis dat nooit verdriet heeft gekend. Dat kunnen we gebruiken om het verdriet uit uw leven te verdrijven."

De vrouw ging direct op pad om zo'n magisch zaadje te ontdekken. Maar welk huis ze ook binnen ging om haar vraag te stellen, steeds opnieuw bleek dat ieder huis wel zijn eigen verdriet kende of had gekend. De verhalen van de inwoners, of het nu vorsten waren of bedelaars, raakten de vrouw zodanig in haar hart dat ze een tijdje bleef om hen te troosten. Ze dacht bij zichzelf: "Wie is beter in staat om deze arme, ongelukkige mensen te helpen dan ik, die zelf ongelukkig ben?"

Ongemerkt begon ze in de loop der tijd door deze betrokkenheid bij anderen haar eigen verdriet te vergeten. Ze vergat het magische mosterdzaadje, zonder te beseffen dat dit inderdaad het verdriet uit haar leven verdreven had.

 
 
 
  
 
 12. Hemel of hel?
 

Er bestaat een verhaal,  een verhaal over de hemel en de hel, dat vroeger door ouders aan hun kinde­ren verteld werd, tegenwoordig is het vergeten.

Een man, zijn paard en zijn hond lopen over een weg. Wanneer ze vlak bij een enorme boom zijn, slaat de bliksem in en ze zijn op slag dood. Maar de man heeft niet in de gaten dat ze de wereld al verlaten hebben en trekt gewoon verder met zijn twee dieren. Soms duurt het even voor de doden zich van hun nieuwe situatie be­wust zijn...'

'De tocht duurt en duurt, het gaat bergop en de zon brandt, ze zijn drijfnat van het zweet en vergaan van de dorst. Als de weg een bocht maakt, zien ze een prachtige poort, helemaal van marmer. Ze geeft toegang tot een plein dat met gouden stenen geplaveid is. In het midden staat een fontein waar kris­talhelder water uit spuit. De man richt zich tot de wachter bij de ingang.

"Goeie morgen."
"Goeie morgen," antwoordt de poortwachter.
"Mooi is het hier, maar hoe heet het hier?"
"Dit is de hemel."
"Komt dat goed uit dat we bij de hemel zijn, we vergaan van de dorst."
"U kunt naar binnen gaan en water drinken zoveel u belieft, meneer. "
En de wachter wijst naar de fontein.
"Mijn paard en mijn hond hebben ook dorst."
"Het spijt me zeer," zegt de wachter, "maar dieren mogen hier niet naar binnen."

De man is zeer teleurgesteld want hij heeft erge dorst, maar als enige drinken doet hij niet; hij bedankt de wachter en gaat verder

Na nog een lange weg, steeds bergop, komen ze uitge­put aan bij een oud poortje waarachter een zanderig laantje be­gint. In de schaduw van een boom ligt een man met zijn hoed over zijn gezicht geschoven, mogelijk in slaap.

"Goeie morgen," zegt de reiziger. De man onder de boom knikt.
"Mijn paard, mijn hond en ik vergaan van de dorst."
"Tussen die stenen daar is een bron," zegt de man, terwijl hij naar de plek wijst. "Drink zoveel als jullie willen."
Man, paard en hond gaan naar de bron en lessen hun dorst.
De reiziger gaat terug om te bedanken.
"Kom terug wanneer je maar wilt," antwoordt de man.
"Wat ik wilde vragen, hoe heet het hier?"
"Hemel. "
"Hemel? Maar de wachter bij de grote marmeren poort zei dat daar de hemel was!"
"Dat is niet de hemel daar, dat is de hel"

De reiziger is stomverbaasd: "Jullie moeten hen verbieden jullie naam te gebruiken! Ze misleiden de mensen, dat zal toch wel de nodige verwarring veroorzaken?"

"Integendeel, ze bewijzen ons feitelijk een grote dienst. Want al degenen die er geen been in zien om hun beste vrienden in de steek te laten, blijven daar achter...”

Bron: De Duivel en het meisje – Paulo Coelho


 
  
 
 
13. Legende van de kleuren.

Wijsheid van de Sioux, de Mohawk en de Lakota


 
 

De kleuren van de wereld waren eens aan het discussiëren. Zij stelden allemaal dat zij de beste waren, de meest belangrijke, de meest nuttige en de favoriet.

GROEN zei:

"Het is duidelijk dat ik de meest belangrijke ben. Ik sta gelijk aan het leven en de hoop. Ik ben gekozen voor het gras, de bomen en de bladeren. Zonder mij zouden alle dieren dood gaan. Kijk maar op het platteland en je zal zien dat ik in de meerderheid ben."

BLAUW onderbrak:

"Jij denkt alleen maar aan de aarde, maar denk eens aan de lucht en de zee. Het is het water dat de basis is van het leven en de wolken die voortkomen uit de diepe zee. De lucht geeft ruimte en vrede en sereniteit. Zonder vrede, zijn jullie niets."

GEEL mompelde:

"Jullie zijn allemaal zo serieus. Ik breng glimlachen, vrolijkheid en warmte in de wereld. De zon is geel, de maan is geel, de sterren zijn geel. Elke keer als je naar een zonnebloem kijkt, begint de hele wereld te glimlachen. Zonder mij zou er geen lol aan zijn."

ORANJE begon toen haar uiteenzetting:

"Ik ben de kleur van gezondheid en kracht. Ik mag dan schaars zijn, maar ik ben wel belangrijk omdat ik voorzie in de benodigdheden van de mensheid. Ik draag de meest belangrijke vitamine. Denk aan wortels, pompoenen, sinaasappels en mango's. Ik hang er niet altijd, maar als ik de hemel vul tijdens de zonsopkomst op zonsondergang, dan is mijn schoonheid zo schitterend dat niemand meer aan andere kleuren denkt."

ROOD hield het niet langer uit en hij schreeuwde:

"Ik ben de heerser van jullie allemaal - ik ben bloed - levensbloed! Ik ben de kleur van het gevaar en/of heldendom. Ik ben bereid te vechten voor een doel. Ik breng vuur in het bloed. Zonder mij zou de aarde zo leeg zijn als de maan. Ik ben de kleur van passie en van liefde, de rode roos, de kerstroos en de klaproos."

PAARS rekte zich uit tot zijn volle lengte. Hij was erg groot en sprak met veel pracht:

"Ik ben de kleur van koninklijke macht. Koningen, chiefs en bisschoppen hebben altijd mij gekozen omdat ik sta voor autoriteit en wijsheid. Mensen twijfelen niet aan mij - zij luisteren en gehoorzamen."

INDIGO sprak tenslotte; veel rustiger dan alle anderen, maar met net zoveel vastberadenheid:

"Denk aan mij. Ik ben de kleur van de stilte. Ik val haast niet op, maar zonder mij zou alles  oppervlakkig zijn. Ik sta voor gedachte en reflectie, geheimen en diep water. Je hebt mij nodig voor balans en contrast, voor gebeden en innerlijke rust."

De kleuren gingen maar door, elk overtuigd van zijn of haar superioriteit. Hun discussie werd steeds heftiger en heftiger. Plotseling kwam er een enorm heldere bliksemschicht en de donder rolde en bulderde. Er volgde een enorme stortbui. De kleuren krompen ineen uit angst en zochten veiligheid dicht bij elkaar.

Midden in dit geweld begon de regen te spreken:

"Jullie, domme kleuren, vechtend onderling, elk proberend te domineren over de anderen. Weet je dan niet dat jullie stuk voor stuk gemaakt zijn voor een speciale reden, uniek en verschillend? Sla de handen ineen en kom naar mij toe."

Zij deden wat ze gevraagd werden en de kleuren kwamen bijeen en sloegen de handen ineen.

De regen ging door:

"Vanaf nu, elke keer als het regent, zal elk van jullie zich uitstrekken naar de hemel in een grote boog van kleuren als een herinnering aan het feit dat je kan samenleven in vrede. De regenboog is een teken van hoop voor morgen."
En zo, iedere keer als er een flinke regenbui de wereld schoon wast en een regenboog in de lucht verschijnt, denk er dan aan dat je elkaar waardeert.
 
 
 
  
 
 
 
 14. De Waarheid
 

Er was eens, zo gaat het verhaal, lang, heel lang geleden, in een land heel ver van hier, een oude wijze meester. Zijn leven was zeer gevuld, ondanks zijn eerbiedwaardige leeftijd. Want elke dag stond hij ten dienste van al wie hem nodig had. Hij gaf raad, heelde en velde een oordeel als een rechtvaardige rechter in kleine onderlinge geschillen, telkens als de dorpelingen uit de wijde omgeving hem daarom verzochten.

Zijn avonden waren volledig gewijd aan zelfstudie en meditatie.

Maar het mooiste moment van de dag was voor hem, die in alle nederigheid en eenvoud zijn taak vervulde, toch altijd weer de morgen. Want bij het rijzen van de zon wekte hij, volgens een bepaald ritueel, zijn zeven favoriete leerlingen, die in de omstaande hutten verbleven.

Ze wasten zich en genoten van een kop boterthee, vrijwel hun enige luxe. Daarna trokken ze dan samen de bergen in. En al wandelend onderwees de meester hen en wijdde hen in in de geheime natuurwetten en de kosmische patronen. Hij probeerde hen inzicht te geven in zichzelf en in hun medemens. Op die manier bereidde hij hen langzaamaan voor op het onvermijdelijke ogenblik waarop zij de taak van hem zouden moeten overnemen.

En op één van die tochten vroeg iemand van de leerlingen hem: 'Meester, wat is de waarheid? Leer ons de waarheid kennen.'

En de meester antwoordde met een wedervraag... Hij schaarde hen alle zeven rondom een mooie bloemenstruik. Hij wees hen op een grote dauwdruppel die schitterde in de vroege zon, en vroeg: 'Zeg me allen naar waarheid: welk is de kleur van deze waterdruppel?'

Even stilte. Dan klonk het door elkaar heen... 'Rood,' zei de één. 'Oranje', zei een tweede. 'Nee, geel!' riep een derde haast boos. 'Groen, meester,' zei een vierde verbaasd. 'Blauw! Paars! Violet!'... En ze kregen voor het eerst in die lange tijd dat ze samen waren, écht ruzie met elkaar. Overtuigd als ze waren, elk van het eigen gelijk.

De meester glimlachte een beetje triest. 'Kijk' zei hij, 'dat gebeurt er nu altijd met de waarheid... Jullie hebben allemaal de waarheid gesproken, elk vanuit zijn eigen ervaring, vanuit zijn eigen gezichtsveld. Alleen vergeet je daarbij dat, van welke hoek je het ook bekijkt, je altijd slechts een deel van de waarheid kunt zien. Daarom kun je pas een idee van de grote universele waarheid krijgen wanneer je bereid bent te luisteren naar de visie van anderen en tegelijk jouw eigen stukje informatie bij die andere te voegen. Alleen dan wordt de waarheid "de Waarheid": evenwichtig en totaal.
 
uit: 'Een cirkel van liefde' - Rosa Wouters
 
  
 
 15. Aan het Volk van de Aarde.


Er zijn geen problemen op Aarde
De Aarde is schoon, in vreugde, kosmisch, eeuwig.
De Wereld is het ongelukkige bouwwerk dat de mens met geweld op Aarde heeft gezet.
De Wereld bestaat uit de problemen van de mens.

Zowel Aarde als Wereld bevinden zich in jou. Wat je om je heen ziet en wat er met je gebeurt, is zuiver de weerspiegeling van dat wat er in je is. Zie je en voel je schoonheid in je leven, dan is dat de Aarde, het leven in je dat je waarneemt. Zie je de problemen en voel je onvrede in je leven, dan kijk je naar de Wereld.

Om de onsterfelijkheid te bereiken van het leven op Aarde in je, moet je je gehechtheid aan de Wereld oplossen. Die hechting is duivels subtiel. Alle mentale of emotionele pijn die je ooit in je voelt, is die hechting.

Dit moet je zien zonder het te vergoelijken of uitzonderingen en excuses te verzinnen, wat de Wereld in jou zal proberen. Je moet de pijn in jezelf, de Wereld in jezelf onder ogen zien zonder je eruit te praten. Er bestaat geen rechtvaardiging voor ongelukkig zijn, geen enkele. Om alle grond voor twijfel of mogelijkheden tot interpretaties in je weg te nemen, zal ik deze fundamentele waarheid herhalen: alle mentale of emotionele pijn die je ooit in je leven voelt, wat de oorzaak er ook van moge zijn, is te wijten aan de Wereld in je. Je hebt de Aarde verlaten en concentreert je op de Wereld.

Je moet door jezelf heen kijken en inzien dat je pijn of verwarring je liefde voor de Wereld is. Je moet door de Wereld heenkijken en hem zien voor wat hij is, inzien wat hij je heeft aangedaan en wat hij met je doet. Hoe groter je liefde voor de Wereld, des te meer zal die Wereld een probleem voor je zijn;

Stil en moedig moet je afdalen naar de bodem van de Wereld in je. En dan moet je door die bodem heen. Dat is de hel, een tijd lang. Maar het is jouw hel, niet die van een ander; de hel die je zo graag voor jezelf gemaakt hebt op Aarde door te geloven in de Wereld en jezelf te hechten aan de waarden en wegen van de Wereld en de dingen en personen erin. Dingen en personen die je trouwens allemaal eens zullen verlaten of ontglippen. Alles wat je lief hebt in de Wereld, zal je pijn doen; die pijn is de hel waar je doorheen moet: ofwel nu, ofwel in het proces van je lichamelijke dood.

Ga op de verkeerde manier door de hel en je draait rond in kringetjes, je maakt meer problemen, meer Wereld zonder einde, meer hel voor jezelf. Ga op de rechte weg door de hel en je wordt verenigd met de onveranderlijke schoonheid en vreugde van de Aarde in jezelf als jezelf. En al je Wereldse angsten en vrezen ten spijt verlies je niets. Want alleen de angst sterft

Uit: Sterven om te leven" (Barry Long)