Gnosis in teksten en boeken

Degenen die zeggen: 'Eerst sterft men en dan zal men opstaan' dwalen.
Als men niet tijdens dit leven de opstanding ontvangt
zal men niets ontvangen wanneer men sterft.

Uit: Het evangelie van Filippus
 
 
01. Het lied van de Parel versie 1 - 02. Het lied van de parel versie 2 - 03. Hermes Trismegistos - 04. Esoterische psychologie - 05. Het evangelie der waarheid - 06. De zin van ziek zijn - 07. Maria Magdalena of Het lot van de vrouw - 08. Het evangelie volgens Maria Magdalena - 09. Jezus van Nazareth, esoterisch Bijbellezen - 10. Esoterische levenswijsheid
 
 
 
                 
 
 
 
 
 
 01. Het lied van de Parel

Het lied van de Parel is een joods-gnostisch geschrift uit de eerste eeuw voor Christus. Het behoort toe aan de Mandeëen een van de talrijke gnostische groeperingen. De Mandeëen waren vooral gevestigd in Mesopotamië.
Zij waren aanhangers van de Gnosis. Ze verwierpen de Pentateuch van Mozes. Hun leer staat centraal rond de twee mythische figuren Ruha en Ur twee duistere machten die op aarde heersen. In die zin zijn analoog met de leer van Ahoera-Mazda en het latere Manicheïsme. Hun ideeën werden overgenomen door de Peratai. Bij deze laatste groepering stond de persoonlijke onsterfelijkheid centraal.


Toen ik een klein kind was, in het Rijk van mijn Vaderlijk huis woonde, mij verlustigde aan de rijkdom en aan de pracht van mijn opvoeders, zonden mijn ouders mij, vanuit het Oosten, ons vaderland, met een voorraad geestelijk voedsel voor de reis, weg.

Uit de rijkdom van onze schatten belastten ze mij met een last, rijk en toch zo licht, dat ik haar alleen kon dragen. Zij bekleedden mij met het prachtige gewaad, dat zij in liefde tot mij hadden vervaardigd. Zij sloten met mij een verdrag en schreven dit in mijn hart, opdat ik het ene niet zou vergeten : "Wanneer je naar Egypte reist en de ene parel haalt, die zich midden in de door een sissende slang omringende zee bevindt, zul je je prachtig gewaad weer aantrekken. Je zult dan met je broeder (ons tweede kind, dat thuis achterblijft) erfgenaam in ons Koninkrijk worden."

Ik verliet het Oosten en ging op reis, vergezeld van twee boden, daar de weg gevaarlijk was en moeilijk. Ik was jong om deze reis te ondernemen. Ik trok over de grens van Maison verder. Zo kwam ik in Egypte en mijn begeleiders verlieten mij. Regelrecht begaf ik mij naar de slang, ging bij haar verblijfplaats zitten, tot ze zou insluimeren, teneinde haar de parel te ontnemen. Daar ik alleen en vreemd was als een kluizenaar, kenden de medebewoners van mijn herberg mij niet. Daar zag ik één van mijn geslacht, een vrijgeboren man uit het Oosten, een schone en lieftallige jongeling, een vorstenzoon. Hij naderde mij, om zich bij mij te voegen en ik maakte hem tot mijn vertrouwde metgezel, aan wie ik het doel van mijn reis meedeelde. Hij waarschuwde mij voor de Egyptenaren en voor de omgang met de onreinen. Ik kleedde mij echter in hun kleren, opdat ik er niet als een vreemdeling zou uitzien, niet als iemand die uit de vreemde komt om de parel te ontnemen en opdat zij niet de slang zouden wekken.

Om de een of andere reden bemerkten ze, dat ik niet hun landgenoot was. Zij naderden mij en bereidden mij een drank van hun listen en gaven mij van hun voedsel te eten. Zo vergat ik, dat ik een koningszoon was en diende hun koning. Ik vergat de parel, waarvoor mijn ouders mij hadden uitgezonden. Door de zwaarte van hun voedsel viel ik in slaap.

Alles wat me overkwam bemerkten mijn ouders ; zij waren bedroefd over mij. Een roep ging uit in ons koninkrijk, dat allen aan de poorten zouden komen. Een boodschap werd uitgezonden :

"Van je Vader, van de Koning en van je Moeder, die over het Oosten regeert, van je broeder, ons tweede kind, voor jou, onze Zoon in Egypte, gegroet ! Ontwaak en sta op uit je slaap. Verneem de woorden uit onze brief. Herinner je, dat je een koningszoon bent, zie toe, wie je in knechtschap gediend hebt. Dank aan de parel, waarvoor je naar Egypte bent gereisd. Herinner je het pronkgewaad, opdat je het draagt, je je daarmede tooit en opdat je naam gelezen wordt in het boek der helden, en opdat je met je broeder erfgenaam van ons rijk wordt !"

Als een gezant was de brief, die de koning met zijn zegel verzegeld had door de onreinen, de kinderen van Babel en de rebellerende demonen van Sarbug. Hij verhief zich in de gedaante van een adelaar, de koning van alle vogels, daalde tot mij neder en werd geheel tot stem. Hierdoor ontwaakte ik uit mijn bedwelming en ik stond op. Ik nam de brief, kuste hem, verbrak het zegel en las. Geheel zoals in mijn hart was geschreven, zo waren de woorden van mijn brief te lezen. Ik herinnerde me weer een koningszoon te zijn en dat mijn vrije afkomst naar haar eigen wezen verlangde. Ik herinnerde me weer de parel, waarvoor ik naar Egypte gezonden was en begon de vreselijke sissende slang te betoveren, door haar de naam van mijn Vader en Moeder te noemen.

Zo greep ik de parel en wendde mij, om tot mijn Vader terug te keren. Het vieze en onreine kleed trok ik uit, liet het in hun land achter en richtte mijn schreden, opdat ik tot het licht van ons vaderland, het Oosten zou komen. De brief, die mij uit mijn slaap wekte, ging voor mij uit en zoals hij mij met zijn stem uit de slaap had gewekt, zo leidde hij mij nu met zijn licht, dat mij voorging, leidde mij met zijn stem en trok mij tot zich met zijn liefde. Het pronkgewaad, dat ik uitgetrokken had zonden mijn ouders naar Maisan, door de schatbewaarders aan wie het was toevertrouwd. Zijn schittering had ik vergeten, daar ik het als kind in mijn vaderlijk huis had achtergelaten.

Toen ik nu het gewaad zag, scheen het mij plotseling toe, als het ware het een spiegelbeeld van mijzelf geworden. Ik zag het geheel in mijzelf en mijzelf geheel daarin, zodat wij beide als het ware gescheiden waren en weer eenzelfde gestalte.

Ik nam over het gewaad heen de manifestaties van de gnosis waar, zag dat het zich gereed maakte te spreken, vernam de klank van zijn hymnen, die het bij de neerdaling fluisterde : Ik ben het dynamische in de daden van hem, voor wie men mij bij mijn Vader werkzaam deed zijn. Ik nam aan mezelf waar, hoe mijn gewaad overeenkomstig zijn wezen groeide. En met zijn koninklijke bewegingen gaat het geheel in mij over uit de hand der schatbewaarders opdat ik het zou nemen ; ook in mij ontwaakte de liefde het gewaad tegemoet te snellen. Zo richtte ik mij op, tooide mij met de schoonheid van kleuren. Ik steeg op tot de poort der begroeting en aanbidding. Ik boog het hoofd en aanbad de schittering van de Vader, die mij het gewaad had gezonden, wiens gebod ik had volvoerd, zoals ook hij deed, wat hij plechtig beloofde - ik was met hem in zijn Koninkrijk, waar alle dienaren hem met hun stem prezen.
 
 02. Het lied van de parel

 
Volgens een oude overlevering reisde Judas Thomas, de 'tweelingbroer van Jezus' naar India, om daar het evangelie te verkondigen. Over zijn avonturen aldaar kunnen we lezen in De Handelingen van Thomas, een apocrief geschrift uit de derde eeuw. Op enkele plaatsen refereren deze Handelingen aan twee andere aan Thomas gewijde teksten, Het Evangelie van Thomas en Het Boek van Thomas. Evenals deze twee teksten zijn de Handelingen sterk ascetisch gekleurd. De Handelingen zijn niet echt gnostisch te noemen, met uitzondering van enkele gedeelten, vooral de twee hymnen. Want naast het 'Lied van de parel', waarvan hieronder de tekst volgt, kent dit geschrift nog een andere poëtische hymne over ‘de bruiloft van een Koningsdochter’.

Het 'Lied van de parel', dat in de oorspronkelijke tekst 'Zang van de apostel Judas Thomas in het land der Indiërs' genoemd wordt, verhaalt in allegorische beelden over de afdaling van een boodschapper, die vanuit het Pleroma op weg gaat om een parel te vinden.



1. Toen ik nog een klein kind was in het paleis van mijn Vader, genietend van de rijkdom en de weelde van mijn opvoeders, voorzagen mijn ouders me van het nodige, en zonden me weg uit het Oosten, ons huis.
Van de overvloed aan schatten maakten ze een last, groot en toch licht, opdat ik deze alleen kon dragen: goud is de last uit de hoge, en zilver uit de grote schatkamers, en robijnen uit India, en parels uit Kustan.
En ze wapenden me met diamant, dat ijzer kan snijden.

2. Zij namen mijn mantel af, vol edelstenen, overdekt met goud, die ze in liefde voor me hadden gemaakt, ook de toga, goud van kleur, die op mijn maat gemaakt was.
Zij sloten met mij een verdrag, en schreven 't in mijn hart om niet te vergeten, en ze zeiden: 'Als je afdaalt naar Egypte en vandaar de ene parel terughaalt, die daar is, omgeven door de verblindende slang, dan zul je je mantel, vol edelstenen, aantrekken, en je toga die daar omheen valt.
En met je tweelingbroer, onze naaste in rang, zul je erfgenaam zijn in ons rijk.'

3. Ik verliet het Oosten en langs een weg, slecht en gevaarlijk, reisde ik in gezelschap van twee gidsen, want in reizen had ik geen ervaring.
Ik ging over de grenzen van Maisan, waar de kooplui samenkomen uit het Oosten.
Ik bereikte het land van Babel, waar ik de stad Sarburg binnenging.
Toen ik kwam in Egypte verlieten mij mijn gidsen.

4. Ik ging regelrecht op de slang af en verbleef in een herberg in de buurt van zijn schuilplaats, wachtend totdat hij zou sluimeren of slapen om dan de parel van hem te pakken.
En daar ik een eenling was, was ik een vreemde voor mijn medegasten in de herberg.
Maar ik zag er iemand van mijn familie, een vrij man, uit het Oosten, een jonge man, lieflijk en schoon, de zoon van Koningen.
En hij kwam naar me toe en voegde zich bij me en ik maakte hem mijn metgezel, aan wie ik   mijn zending vertelde; een vriend, die mij vergezelde op reis.
Hij waarschuwde mij tegen de Egyptenaren, en tegen het omgaan met onreine mensen.
Ik kleedde me in hun kleding, opdat ik voor hen niet vreemd zou zijn, als iemand van buiten, die de parel kwam halen.
Anders zouden de Egyptenaren de slang uit zijn slaap halen en tegen me ophitsen.

5. Maar om de een of andere reden ontdekten ze dat ik hun landsman niet was.
Zij palmden mij in, vermengden mijn drank met hun listen en gaven me hun eten tot spijs.
Ik vergat dat ik een Koningszoon was, en ik werd een knecht van hun koning.
En ik vergat de parel, waarom mijn ouders me hadden gestuurd.
En door de zwaarte van hun eten viel ik in diepe slaap.

6. Maar wat mij was overkomen, bemerkten mijn ouders en ze waren bedroefd om mij.
En een proclamatie ging uit in ons rijk, dat ieder zich bij onze poort moest verzamelen.
En de koningen uit Perzië en de ministers en al de vooraanstaanden uit het Oosten maakten een plan terwille van mij, opdat ik niet in Egypte zou blijven.
Ze schreven mij een brief, ondertekend door machtigen:
'Van je Vader, de Koning der Koningen, en van je moeder, de heerseres van het Oosten en van je broer, onze naaste in rang, aan onze zoon, die in Egypte is. Vrede.
Sta op en ontwaak uit de slaap en luister naar de woorden van de brief.
Herinner je dat je een Koningszoon bent, en aanzie de mens die je thans dient.
Herinner je je parel, waarom je bent gestuurd naar Egypte.
Denk aan je mantel, bedekt met goud, opdat je deze dragen zult en jezelf ermee zult tooien, opdat je naam vermeld wordt in het boek des levens, en je met je broer, onze afgezant, erfgenaam wordt in ons koninkrijk.'


 7. En de Koning, als zender, zegelde hem wegens de boze Babylonische kinderen, en de tirannieke demonen van Labyrinthe.
En de brief verhief zich in de gedaante van een adelaar, de koning van al het gevederde volk, en vloog tot hij aan mijn zijde neerstreek.
Toen werd hij geheel en al Stem.
En ik ontwaakte uit de slaap, doordat ik zijn stem bemerkte.
Ik ontving hem en kuste hem en ik verbrak zijn zegel en begon te lezen.
En zoals het in mijn hart was geschreven zo stond het er in.
Terstond herinnerde ik mij een Koningszoon te zijn.
En bevrijd verlangde ik naar mijn afkomst.
Ik herinnerde mij de parel, waarvoor ik naar Egypte was gestuurd.

8. En ik begon hem te betoveren, de vreselijke slang.
Ik bracht hem aan het sluimeren, want ik noemde de naam van mijn Vader en de naam van mijn broeder, de naaste in rang, en die van mijn moeder, de heerseres van het Oosten.
En ik griste de parel weg en ging terug om hem naar mijn vaderhuis te brengen.
En het vuile kleed deed ik uit, en ik liet het in hun land.

9. Ik zocht mijn weg regelrecht naar het licht van ons huis in het Oosten.
En mijn brief bleek mij op de weg voor te gaan. En zoals de brief een stem had gehad om te wekken toen ik sliep, zo geleidde hij me nu met zijn licht, dat voor mij uitscheen.
Met zijn stem bemoedigde hij mij in mijn angst en met zijn liefde hielp hij me mij voorwaarts te spoeden.
Ik ging Labyrinthe voorbij en liet Babel links liggen en kwam bij het grote Maisan, dat ligt aan de oever van de zee.

10. Terwijl het koninklijk zijden kleed dat ik uitgetrokken had, en de toga, goud van kleur, door mijn ouders vooruit gezonden werden door middel van hun schatmeesters' die met de zorg daarvoor belast waren, herinnerde ik mijn glans niet meer, want ik was slechts een kind en nog erg jong, toen ik die achterliet in het paleis van mijn Vader.

11. Maar ineens, toen ik het kleed zag, als het ware in een spiegel, aanschouwde ik geheel mijzelf erin.
Ik zag het geheel in mijn eigen binnenste.
Daardoor kende en zag ik mezelf gescheiden van, maar wel afkomstig van de Ene.
En voorts één met één gestalte.
Eén koninklijk teken was op beide geschreven. Geld en rijkdom hadden de schatmeesters in hun handen, en ze gaven mij mijn loon en het prachtige kleed, dat schitterend, goudkleurig versierd was met edelstenen en parels in overeenstemming daarmee.
Deze waren bevestigd in de hoge en het beeld van de Koning der Koningen was er overal op te zien.
En in de hoge waren er saffieren harmonieus op bevestigd.
En ik zag verder dat er door dit alles bewegingen van gnosis trilden.

12. En het kleed was klaar om te spreken.
En ik hoorde het zeggen:
'Ik ben het die handelde in de daden van Hem, terwille van wie ik in mijns vaders huis werd grootgebracht; en ik werd in mijzelf gewaar hoe mijn gestalte groter werd in overeenstemming met Zijn daden.'
Ik merkte zijn gestalte op.
En al zijn koninklijke bewegingen rustten op mij en goten zichzelf geheel over me uit.
En uit handen van die het me gaven maakte het haast dat ik het zou grijpen.
De liefde dreef mij hard te lopen en hem tegemoet te gaan en het te ontvangen.
En ik strekte me uit om het te krijgen.
Met de schoonheid van zijn kleuren versierde ik me.
En ik omgaf me geheel met zijn koninklijke toga van schitterende kleuren.

13. En toen ik het aan had, werd ik opgetrokken naar de plaats van vrede en eerbetoon.
Ik boog mijn hoofd en aanbad de schittering van de Vader, die mij dit gezonden had en wiens opdracht ik had uitgevoerd.
En ook Hij deed wat was beloofd.
En aan de poort van Zijn paleis mengde ik me als vanouds onder de prinsen.
Want Hij was blij met mij en heette me welkom, en ik was met Hem in zijn paleis.
Al zijn dienaren zongen met welluidende stemmen.
En Hij beloofde me dat ik deel zou hebben aan het hof van de Koning der Koningen, en dat ik, nu ik mijn parel gevonden had, samen, naast Hem, zou verschijnen.

Met dank aan Hans Stolp

 
 
03. HERMES TRISMEGISTOS

Het is waar!
Het is zeker!
Het is de volle waarheid!
Wat beneden is, is gelijk aan wat boven is, en wat boven is, is gelijk aan wat beneden is, opdat de wonderen van het Ene zich voltrekken.
En zoals alle dingen uit den Ene geworden zijn, door één middelaarschap,
zo zijn zij alle uit dit ene Huwelijk geboren.
De Vader ervan is de Zon; de Moeder is de Maan.
De Lucht heeft het in haar schoot gedragen, de Aarde is de voedster.
De Vader van alle Talismans in de ganse wereld is alomtegenwoordig.
Zijn Kracht blijft ongerept, wanneer zij in de aarde wordt aangewend.
Scheidt liefdevol, en met groot inzicht en wijsheid, de aarde van het vuur,
het fijn gewevene van wat hard, dicht en gestold is.
Van de aarde stijgt het op tot de hemel, en daalt het vandaar weer af tot de aarde; en neemt daarbij tot zich de Kracht van hetgeen boven is, en die van hetgeen beneden is.
Zo zult ge de glorie van de ganse wereld bezitten,
en deswege zal alle duisternis van u vluchten.
Deze is de machtige Sterkte aller Sterkten, omdat hij al het zachte zal overwinnen, en al het harde zal doordringen.
Zo is de wereld geschapen.
Uit haar zullen, op dezelfde wijze,
wondervolle scheppingen ontstaan.
Men heeft mij dáárom de driemaal-grote Hermes genoemd, omdat ik de drie aanzichten van de Wijsheidsleer der ganse wereld bezit.
Volledig is wat ik over de toebereiding van het Goud, de werkzaamheid van de Geestelijke Zon, gezegd heb.
 
Tekst van de Tabula Smaragdina

Nag Hammadi – Codex VI – 8

Uittreksel uit: Asclepius over ‘onsterfelijkheid en dood.’

Nu moet eerst de vraag over onsterfelijkheid of dood worden besproken. De verwachting van de dood jaagt velen vrees aan die in onwetendheid hierover verke­ren.

'Want de dood die zal intreden, houdt de ontbinding in van de werking van het lichaam en van de leeftijd, wanneer zij de leeftijd van het lichaam vol maakt. Want leeftijd is aan het lichaam verbonden. Het lichaam sterft nu wanneer het niet (meer) in staat is de mens te dragen. En dit is dan de dood: de ontbinding van het lichaam en de vernietiging van de zintuiglijke gewaarwording van het lichaam. En het is overbodig hiervoor bang te zijn, of zich hierom druk te maken, want men vreest eigenlijk wat men niet kent of niet gelooft.'

'Maar wat is het dan wat men niet kent of gelooft?'

'Luister, Asclepius! Er is een grote demon. De grote God heeft hem aangewezen als toezichthouder of rech­ter over de zielen van de mensen. En God heeft hem middenin de lucht geplaatst tussen hemel en aarde. Wanneer nu de ziel het lichaam verlaat, zal zij onver­mijdelijk deze demon ontmoeten. Onmiddellijk zal hij haar omgeven en hij zal onderzoeken hoe zij tijdens haar leven is geweest. En als hij bemerkt heeft dat zij met God in het hart al haar daden heeft verricht waar­voor zij naar de aarde was gekomen, zal deze (demon) haar loslaten. [Maar wanneer hij de ziel besmeurd ziet met de vlekken van slechte daden, en bezoedeld met ondeugden, en ziet dat zij in haar] leven in daden [te­kortgeschoten is], dan grijpt hij haar, sleurt haar naar boven en werpt haar neer zodat zij tussen hemel en aarde wordt opgeschort en gestraft wordt met een zware straf. En zij zal beroofd worden van haar hoop en in grote pijn zijn.

En die ziel is noch op de aarde noch in de hemel ge­plaatst, maar zij verblijft in de open luchtzee van de wereld, de plek waar er een groot vuur is en ijswater en greppels van vuur en een grote ontreddering. De (licht)lichamen worden op ongekende manieren ge­marteld. Soms worden ze geworpen in woedende wa­teren, dan weer worden ze in het vuur gesmeten opdat het hen zou verteren. Hiermee wil ik niet zeggen dat dit de dood van de ziel is, want die wordt (hierdoor) van het kwaad bevrijd, maar (evengoed) is het wel een doodstraf.

Asclepius, het is noodzakelijk dit alles te geloven en te vrezen opdat we er nimmer aan (ten prooi) vallen. Want degenen die (dit nu) niet geloven, zijn goddeloos en zondigen. Nadien zullen ze gedwongen worden te geloven, omdat ze dan niet alleen op grond van horen zeggen luisteren, maar die ervaring zelf hebben onder­gaan. Want ze geloofden stellig dat zij deze dingen niet hoefden te verduren. Maar [de misdaden der mensen worden] niet alleen bestraft [door de menselijke wet]. Op de eerste plaats, Asclepius, alles wat tot de aarde behoort [zal sterven]. [En wat tot het] lichaam behoort zal ophouden [----]

'Trismegistus, wat is nu de aard van de ongelijkheid die [hier bestaat]?'

'Nu denk je (misschien), Asclepius, dat wanneer ie­mand iets uit een tempel ontvreemdt, dat hij godde­loos is. Want zo iemand is een rover en een dief. En hierom zijn zowel goden als mensen bezorgd. Maar (nogmaals) vergelijk hen hier niet met hen op die an­dere plaats. Nu wil ik je het volgende in vertrouwen zeggen, wat men volstrekt niet geloven zal. Want de zielen die totaal vervuld zijn van kwaad zullen niet vertoeven in de lucht (de tussensfeer), maar zij zullen worden vastgezet op de plaatsen van de demonen, die vol zijn van pijn, die altijd vervuld zijn van bloed en doodslag; en hun voedsel zal bestaan uit geween, ge­jammer en gekerm.'

'Trismegistus, wie zijn (toch) deze (demonen)?'

'Asclepius, zij zijn degenen die wurgers worden genoemd
en zij die zielen naar beneden rollen in het vuil,
en zij die hen geselen,
en zij die in het water werpen,
en zij die in het vuur smijten,
en zij die de pijnen en rampen
voor de mensen veroorzaken.
Want zulke demonen zijn niet afkomstig
van een goddelijke ziel,
noch van een redelijke menselijke ziel.
Ze stammen daarentegen van het vreselijke kwaad.'

Noot van mij: Bij bovenstaande tekst voel ik een link met teksten van R. Steiner over De Wachter op de drempel.
 
 
 
 04. Esoterische psychologie
 
 
De Schepping van de mens
 
 
 

In het esoterische en gnostische gedachtegoed gaat men uit van schepping en leven op drie niveaus. Wanneer we de eerste hoofdstukken van Genesis op die manier bekijken, dan wordt veel van wat tot nu toe onbegrijpelijk en duister was, ineens veel helderder.

Hier volgt wat Thorwald Dethelefsen hierover schrijft in ‘Esoterische Psychologie’.

Het bijbels scheppingsverhaal.

Het onderscheiden van de verschillende ‘werelden’ wordt voor het begrip van het bijbels scheppingsverhaal belangrijk. In het eerste Boek Mozes (Genesis) wordt in het eerste hoofdstuk de schepping van de wereld beschreven, hoe God in zeven dagen hemel en aarde, licht en duisternis, planten, dieren en de mens schiep.

Hoofdstuk 1, vers 26-27: Toen sprak God: laten wij mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis, die zullen heersen over de vissen der zee en de vogels van de hemel, over het vee en alle dieren van het land, en over al het gedierte dat over de aardbodem kruipt. En toen schiep God de mens naar zijn beeld, naar Gods beeld schiep hij hem; als man en vrouw schiep hij hen.

Het zevendaagse scheppingsverhaal uit het eerste hoofdstuk van Genesis heeft beslist geen betrekking op de materiële wereld, maar beschrijft de schepping van de oer-ideeën. God schiep de mens als man en vrouw, eenvoudigweg het beeld van de mens die op deze trap van ontwikkeling nog androgyn is.
Want pas in het tweede hoofdstuk van Genesis wordt ons verteld over de schepping van Adam als levend bezield wezen.

Hoofdstuk 2, vers 7: …toen vormde God, de Heer, de mens uit aarde van de akker en blies hem levensadem in de neus;

Zo werd de mens een levend, bezield wezen.
In vers 19 wordt verder gezegd: Nu vormde God, de Heer uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels van de hemel en bracht ze tot de mens.

Vers 28 vertelt tenslotte over de schepping van de vrouw: Nu liet God, de Heer, een diepe slaap op de mens vallen, zodat hij insliep, en hij nam een van zijn ribben en sloot het vlees over die plaats toe; de rib echter, die God uit de mens had weggenomen, vormde hij tot een vrouw en bracht deze tot de mens. Toen riep de mens uit: ‘Dit is eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees, deze zal Mannin worden genoemd: want uit de man werd zij genomen.’ (in het Hebreeuws betekent isch = man, ischa = vrouw.)

Zij waren beiden naakt, de man en zijn vrouw, en toch schaamden zij zich niet.

De uitvoerige citaten moeten opmerkelijke punten verduidelijken die vaak tot misverstanden leiden: de Genesis doet achtereenvolgens verslag van verschillende scheppingen. De zevendaagse schepping in het eerste hoofdstuk heeft betrekking op de ideeënwereld. Reeds hier wordt ‘de mens’ geschapen. Alleen hier wordt gezegd dat hij naar Gods evenbeeld werd geschapen. Dit is de ‘Adam Kadmon’ van de kabbalisten, de oer-idee mens, die met de concrete mens zoals wij hem kennen en belichamen niet veel gemeen hoeft te hebben. De in het eerste hoofdstuk geschapen mens is het ideaalbeeld dat nog niet tot de zondeval gekomen en daarmee nog niet materieel geworden is. De zo vaak geciteerde goddelijkheid van de mens kan niet op de concrete mens van onze stoffelijke wereld worden toegepast, maar stelt in het gunstigste geval het doel voor waarheen de mensheid zich moet ontwikkelen. – ‘Gij moet daarom volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is’(Bergrede)

Reeds in het eerste hoofdstuk schiep hij de mens als man en vrouw, pas veel later volgt de beschrijving hoe God Adam uit aarde vormt en later de vrouw uit de rib gestalte geeft. De mens op het eerste niveau, de ideeënwereld, is man en vrouw in een, is androgyn, want hij is nog niet met de polariteit in aanraking gekomen.

Net zoals de schepping van de mens wordt ook de schepping van de planten en dieren al in het eerste hoofdstuk beschreven, in het tweede hoofdstuk vernemen we echter dat de schepping van mensen, dieren en planten nogmaals wordt verricht, deze keer door de vorming van de gestalten uit de aardbodem. In het tweede hoofdstuk namelijk wordt het hele scheppingsproces, dat in het eerste hoofdstuk reeds door de zevende dag, de rustdag, werd afgesloten, op een ander niveau, in een andere wereld herhaald. Vond de eerste schepping plaats op het geestelijk niveau van de oer-ideeën, de tweede schepping (tweede hoofdstuk) heeft betrekking op het niveau van de vormgeving. Pas in het tweede hoofdstuk wordt aan de vromen gestalte gegeven, wordt de mens door ‘het inblazen van de levensadem’ tot een, zoals er woordelijk staat: ‘levend bezield wezen.’ – vergelijk de betekenis van het Griekse woord psyche = ziel, adem.

Hoewel op dit niveau – de kabbalisten noemen het Yetzirah – de vormen werden geschapen, heeft het nog niets met ons materiële niveau te maken. Daarentegen is dit de schepping van de astrale, geestelijke matrijs die later voor de materiële vorming het ontwerp zal leveren. De mens is op deze trap van ontwikkeling nog steeds androgyn, omvat beide geslachten, wat duidelijk tot uitdrukking komt in het feit dat de latere tegenpool ‘vrouw’ uit de mens wordt genomen en niet van buiten toegevoegd.

De opmerking dat ze hun naaktheid niet beseften, toont ons, dat de mens op deze trap van zijn ontwikkeling in de eenheid nog geestelijk volmaakt was, dat hij in zijn bewustzijn de polariteit nog niet kon beseffen. Daarom zegt men ook over hem dat hij nog in het paradijs was en met God en de dieren kon praten. Dit is alleen maar een omschrijving van het feit dat hij nog in het grote bewustzijn leefde, dat zijn bewustzijn nog niet geïndividualiseerd was, dat zijn bewustzijn nog niet van het kosmische bewustzijn verschilde. In de eenheid zijn betekent: met alles een zijn; pas de polariteit splitst het Ik van het Niet-ik. Het paradijs is het symbool voor de eenheid waarin de mens oorspronkelijk was. Hij was nog niet van God, zijn oorsprong, gescheiden; er was nog geen scheiding van de geslachten, er was nog geen besef van de individualiteit.

De uitdrijving uit het paradijs.
 
 
 

We vermeldden eerder in het boek reeds dat kennis aan de polariteit gebonden is. Daarom is het de paradijselijke mens ook verboden van de boom der kennis te eten omdat hij anders sterfelijk zou worden. De mens in het paradijs bezat kosmisch bewustzijn maar geen kennis. De slang [1]kroop uit de boom en overreedde de mens de weg van de kennis te gaan. Door het eten van de vrucht der kennis kon de mens gaan zien wat goed en kwaad is. Want hij viel uit de eenheid in de polariteit van het bewustzijn, hij zonderde zich van de eenheid af en werd daarmee ‘zondig’. Zonde is afzondering van de oer-eenheid, waaruit volgt dat elk mens zondig is, want polariteit en zonde is hetzelfde. Deze samenhang noemt de Kerk: erfzonde. De zonde is de prijs voor de kennis. Te vaak wordt deze onscheidbare verbinding tussen kennis en zonde over het hoofd gezien.
 
De verdrijving van de mens uit het paradijs of uit de bewustzijnstoestand van de eenheid is de val van de mens in de polariteit en tegelijkertijd de val in de materie. Alleen de materiële mens is sterfelijk, alleen de materiële wereld zondig. Dit werd bedoeld toen we het bij de bereiding van de homeopathische middelen over de giftigheid van de hele natuur hadden.[2] De hele materiële wereld is zondig, is uit de eenheid gevallen en verlangt ernaar terug. De grofstoffelijke materie is uitdrukking van de verste verwijdering van de oorsprong, van het oerlicht. Materie symboliseert het donker.

De kabbalisten definiëren het kwaad als ‘gebrek aan licht’. Zo zaten aan de materie altijd al de attributen van het kwade, donkere, satanische vast. Satan wordt daarom als tegenpool van het licht terecht ook ‘heer van deze wereld’ genoemd. De val van het licht tot in het materiële donker is de involutie, waarvan de neerwaartse beweging op het diepste punt wordt getransmuteerd in een opwaartse beweging, in de evolutie. Zoals de pendel op een bepaald punt wetmatig in een tegengestelde richting omslaat, zo verandert ook de neerwaartse beweging van de involutie in een opwaartse beweging, de evolutie. Het is het aan alle levende wezens inherente verlangen dat hen er allemaal voortdurend toe brengt hun eigenlijke vaderland te zoeken. De mens noemt dit verlangen het zoeken naar geluk – geluk betekent echter hetzelfde als overwinning van de polariteit en het terugvinden van de eenheid.

Op het materieel-lichamelijke niveau betekent het zoeken naar eenheid seksualiteit. De polariteit, die zich lichamelijk als geslacht manifesteert, wordt in de geslachtsdaad overwonnen en het geluksgevoel van eenheid wordt in het orgasme ervaren. In het korte ogenblik van deze lichamelijke eenheid is de mens reeds ‘godgelijk’ en kan iets volbrengen wat hij als polaire mens anders niet kan: leven verwekken. Maar de gelukzaligheid die uit de vereniging der lichamen ontstaat is niet duurzaam, reden waarom hij probeert dit geluk door veelvuldige herhaling steeds weer te verkrijgen. De lichamelijke wereld is onderhevig aan de tijd – daarom is elk materieel en lichamelijk geluk vergankelijk.

Brengen we echter de ervaringen van de seksualiteit over op het niveau van de ziel en de geest, dan wordt duidelijk dat het menselijk verlangen naar altijddurend geluk alleen door de terugkeer in de eenheid waaruit we ooit kwamen kan worden gestild. Deze uiteindelijke versmelting van het eigen kleine, begrensde bewustzijn met het grote, alomvattende, kosmische bewustzijn wordt in verschillende beelden en benamingen in alle religieuze en esoterische systemen als doel beschreven: de ‘Chymische Hochzeit’ van de alchemisten, de conjunctio oppositorum, de iuna mystica, de mystieke bruiloft enzovoort.

Al deze beelden en benamingen bedoelen hetzelfde: De terugkeer in de goddelijke eenheid. Deze stap is echter onscheidbaar verbonden met het opgeven van het ego. Want zolang de mens de dominantie van zijn ego versterkt, gaat hij door met de polariteit te verstevigen. Zolang er een ‘ik’ is, is er ook iets wat ‘niet-ik’ is – elk ‘ik wil’ verhoogt de muur die de mens van de eenheid scheidt. Daarom leren alle religies de mens de naaste lief te hebben, omdat alleen liefde in staat is de dominantie van het ego te overwinnen.

Het kan dat de vraag rijst, waarom de schepping zich eigenlijk heeft voorgedaan wanneer het eigenlijke doel daarvan de oorspronkelijke eenheid is. De poging deze vraag te beantwoorden is altijd enigszins gewaagd, omdat ze zich op gebieden begeeft die zo ver van het menselijk bewustzijn afstaan dat menselijke gedachten meestal niet geschikt zijn voor de problemen. Maar het analogisch denken maakt op zijn minst een benadering van het antwoord via beelden en gelijkenissen mogelijk. Keert de schepping terug in haar oorsprong, dan keert ze rijker, bewuster terug dan ze zich uit de eenheid losmaakte. De afgelegde weg van leren bracht juist door de hoge individualisering inzichten die tenslotte de eenheid verrijken. Zo vertelt de mythe van Lucifer, de lichtbrenger, dat God juist hem graag mocht omdat deze de wetmatigheid van de eenheid doorbrak, viel en zondigde. Hij zal op een dag terugkeren, en wel vrijwillig, gelouterd door het inzicht, en God zal zich verheugen zoals de vader, toen de verloren zoon terugkeerde – voor hem slachtte de vader het gemeste kalf en organiseerde een feest.

De centrale betekenis van de mens in het scheppingsverhaal ligt juist in zijn ontrouw ter wille van het inzicht. Het gaat er hier dus niet om de aardse materiële wereld als duivels te beschouwen, haar zondigheid te bezweren en de mens op te roepen al het aardse zo spoedig mogelijk te ontvluchten om het geluk op ‘pseudo-geestelijk’ niveau te zoeken. Helaas is dit echter de vaak voorkomende consequentie in kringen die de vlucht uit de wereld voor esoterisch houden, hoewel men een probleem niet oplost door er met een grote boog omheen te gaan, maar alleen door er zich intensief mee bezig te houden. Vlucht uit de wereld heeft niets met overwinning of verlossing van deze wereld te maken.

Jezus leerde de weg van de verlossing, die juist hierin bestond, dat hij zich helemaal in het mens-zijn onderdompelde. In ontelbare beelden drukt de bijbel dit afdalen uit: Het licht scheen in de duisternis – daarom vieren we ook Kerstmis, de geboorte van het licht, op de dag dat het buiten het donkerst is, op de winterzonnewende. Hij werd in een stal in armoede geboren, hij ging met tollenaars en hoeren om, hij leed onrecht, pijn en hij stierf, is afgedaald ter helle. Pas wanneer de mens helemaal in het donker afdaalt, wordt hij rijp om aan het opstijgen te beginnen.

Op deze wet lopen al degenen stuk, die esoterische systemen als alibi gebruiken omdat ze hun aardse leven niet aankunnen of willen. De mens is, zolang hij nog een materieel lichaam bezit, aan polariteit gebonden. Elke schending of overtreding van de polariteit brengt hem onvermijdelijk ten val.

Een boom kan alleen zijn kruin uitbreiden en differentiëren in de mate waarin hij ook zijn wortels ontwikkelt. Verzuimt hij de ontwikkeling van de wortels ten gunste van de kruin, dan zal de eerste rukwind hem ten val brengen. De vorming van een kruin moet altijd in correlatie met de vorming van wortels plaatsvinden – het zich wenden naar boven moet altijd in de tegenpool veilig gesteld zijn. Men ontsnapt niet aan het donker door het niet te willen zien, maar men moet het tot licht omvormen, wil men het niet steeds als schaduw met zich mee blijven zeulen.

Wil men toch naar een onderscheid tussen het christendom en de oosterse religies zoeken, dan ligt dat beslist in het aanvaarden van de wereld door het oorspronkelijke christendom, dat overigens tijdelijk door de Kerk tot het tegendeel werd geperverteerd. Hier liggen de kracht en het geheim van het christendom: wereld en mens als zondig erkennen en toch hun zondigheid aanvaarden.

Van deze diepe samenhang tussen kennis en zonde, tussen val en verlossing, weet de mythe van de graal, wanneer ze vertelt hoe deze schaal, waarin het bloed van Christus werd opgevangen, werd gesneden uit de steen die bij de val van Lucifer uit diens kroon viel. De zondeval is het vallen uit de eenheid in de polariteit. De mens op zich is zondig, alleen omdat hij als polair wezen bestaat – dit bedoelt het begrip van de erfzonde. De mens kan niet losgemaakt worden van schuld – wel verlost.

Ziekte en Zondeval
 
 
 

Ziekte is alleen de microkosmische nabootsing van de zondeval. De mens is ziek, de hele materiële schepping is ziek. De gezonde mens bestaat niet, hij is een uitvinding van de geneeskunde. ‘De gezonde ideale mens, vrij van erfzonde, is een bedacht kunstproduct van de geneeskunde, alleen uitgevonden om mee te demonstreren.’ (Hans Blüher). Op deze omstandigheid lopen alle medische theorieën stuk waarvan het hoogste doel de voorkoming van ziekten is.

De mensen denken altijd nog dat ziekte een vermijdbare tegenspoed is. Men begrijpt niet dat ziekte het kostbaarste goed van de mensheid is, je het mens-zijn eigenlijk pas bepaalt omdat alleen de zieke kan worden genezen. De ziekte maakt de mens vatbaar voor ‘heiliging’ (healing) – maar daarvoor moet hij er doorheen, niet eromheen. Zoals de ziekte een microkosmische zondeval is, moet genezing ook altijd een microkosmisch verlossingsproces zijn. De zieke is schuldig – in concrete zowel als in metafysische zin – en moet met deze schuld worden geconfronteerd, wil zijn ziekte tot heil worden omgevormd.

We hadden het er in verband met de homeopathie over, dat de oerprincipes ‘dom’ kunnen worden en tot stoffelijkheid vervallen en zo het organisme vergiftigen. Door de homeopathische zowel als de alchemistische vervaardiging van geneesmiddelen wordt natuur uit haar stoffelijkheid verlost[1] en kan de zieke helpen zijn ziekte tot een ‘beter worden’ om te polen. Genezing van een ziekte zou steeds met een toename aan rijpheid en ontwikkeling gepaard moeten gaan. Ouders weten dat elke overwonnen kinderziekte het kind rijper doet worden – maar om dat te verhinderen kan men natuurlijk ook vooraf inenten …

C. A. Meier en Herbert Frische brachten het motief van de door de slang omstrengelde boom van het paradijs in verband met de esculaapstaf. Het is de paradijsslang die de val van de mens inluidde waardoor hij ziek werd – ze is daarom ook degene die door de geneeskunde weer moet worden opgericht – aan de staf van Aesculapius. Zoals uit het gif het geneesmiddel ontstaat – zoals uit de confrontatie met de schuld pas de bevrijding groeit, zo ontstaat uit de ziekmakende slang de heilbrengende slang. Zoals ze zich aan de paradijselijke boom naar beneden richtte, zo wordt ze omgepoold en opgericht aan de esculaapstaf. De mens moet boven het leed uitgroeien, niet eromheen gaan. Daarom wordt hier aan het begin van dit hoofdstuk geplaatste citaat van Herbert Frische nog eens herhaald: ‘Het vermijden van leed, hoe en waar zich dat ook altijd openbaart, toont steeds aan, dat degene die dat doet een principieel oningewijde is.’

Jezus werd Heiland omdat hij het leed niet vermeed door zijn macht te demonstreren en gevolg te geven aan de oproep: ‘Kom dan van het kruis, indien gij de zoon van God zijt.’ Daarentegen nam hij het leed – de zonde van de wereld – op zich. Hij werd geneesheer van deze wereld doordat God aan de mensen gelijk (niet hetzelfde!) werd; hij werd zelf het geneesmiddel van deze wereld. Het zieke lichaam en het vergoten bloed van Christus werden en worden sindsdien in homeopathische hoge potenties, gebonden aan de materiële dragers ‘brood en wijn’, als heilzaam geneesmiddel aan de mens uitgereikt.

Door ziekte naar het heil.

We hebben al denkend een lange weg afgelegd om aan te tonen dat ziek zijn diep in de metafysische gronden van het mens-zijn wortelt. Tegen deze achtergrond zijn alle klinisch-medische, natuurgeneeskundige en gezondheid bevorderende inspanningen uit onze tijd schrikwekkend naïef. Ziekte kan net zo min door inenting als door positief denken, autosuggestie of gezonde voeding verhinderd worden. Men twist overal over de betere middelen ter voorkoming van ziekte, staat echter niet stil bij de gegrondheid van de eigen positie. Zo komt het dat zowel de ‘positieve denkers’ als de ‘gezondheidsapostelen’ hun doen en laten onder esoterische vlag willen plaatsen.

Maar zo eenvoudig is de weg naar het heil niet, het kan noch door rauwkost noch door vroeg naar bed te gaan, noch door suggestieve formules noch door volkorenbrood worden afgedwongen. Al deze gezondheidsfanatici proberen zich tegen een ontwikkeling, waarvan de richting sinds het paradijs bepaald is, door functionele maatregelen te verzetten. De keuze luidt nu eenmaal niet: ziek of gezond, maar de weg leidt door de ziekte naar gezondheid.

De in sommige kringen gebruikelijke opmerking over het gezonde, natuurlijke leven van de dieren gaat aan de taakstelling van de mens voorbij. Zo is het heel goed denkbaar zich door een gezonde, natuurlijke leefwijze tot een gezond dier te ontwikkelen – de weg van de mens is echter een andere: hij moet door leed naar inzicht, door ziekte naar het heil.

Om misverstanden te vermijden: er wordt hier niet gepleit voor een ‘ongezonde’ leefwijze. Het gaat niet om de dingen zelf, maar om de instelling waarmee ze begonnen en beoefend worden. Het lichaam is de tempel van de geest en het hoort bij een esoterische ontwikkeling die te reinigen en schoon te houden. Dat heeft echter niets met de voorkoming van ziekte te maken. Men moet onderscheid maken tussen wetmatig en gezond! ‘Gezond’ is alleen gerechtvaardigd als het in betrekking staat tot ‘ziek’. Voor een zieke kan een bepaald dieet een tijdlang noodzakelijk en bijgevolg ook ‘gezond’ zijn; daaruit volgt echter niet dat ook de niet-zieke een speciaal dieet zou moeten volgen om ‘gezond te blijven’. Onafhankelijk daarvan zijn er mogelijkheden om de leefwijze ook op lichamelijk gebied steeds beter aan de wetmatigheid aan te passen.

Op dit gebied ligt bijvoorbeeld de vegetarische voeding. Het is tamelijk onbelangrijk of die gezonder of ongezonder is, maar heel interessant om de rechtmatigheid van het vlees eten te overwegen. Zo zou het te denken moeten geven dat alle vleesetende wezens uitsluitend het vlees van vegetarische wezens eten. De ervaring leert dat met toenemend bewustzijn de afkeer van het zich voeden met vlees stijgt. Het is een goede oefening om bij elke maaltijd te onderzoeken of men in staat zou zijn het eten van het beging tot het einde zelf klaar te maken en het dan altijd nog met smaak te kunnen opeten. Velen zouden beslist geen trek meer hebben in een lekkere kalfsoester wanneer ze eerst het kalf zouden moeten slachten en uitbenen. Daarentegen schaadt de voorstelling zelf groente, fruit en graan te oogsten nauwelijks de eetlust.

Een soortgelijke maatstaf voor de indeling van de zuiverheid van voedsel is de houdbaarheid ervan. Hoe zuiverder een product, des te langer blijft het goed. Vergelijk eens de houdbaarheid van tarwe en die van ingewanden, mosselen enzovoort. Dergelijke overwegingen leiden mettertijd naar een toestand van bewustzijn die helemaal vanzelf en zonder dat men zichzelf dwingt steeds meer met de wetmatigheid overeenstemt. Maar men moet zich altijd hoeden voor uitersten. Wie gelooft dat door een stukje vlees zijn zielenheil wordt vernietigd, loop waarschijnlijk gevaar, datgene wat hij niet zou willen verliezen nog helemaal niet te bezitten.

Bij al deze vragen gaat het veel minder om de uiterlijke dingen op zich dan om de toestand van bewustzijn waarvan ze een uitdrukking zijn. Wie nog een vlieg kan doodslaan, laat onmiskenbaar zien dat hij nog niet begrepen heeft wat ‘leven’ eigenlijk betekent. Dit verdient meer medelijden dan de doodgeslagen vlieg. Wetmatig leven ontstaat uit inzicht – de inspanningen van de gezondheidsfanatici uit angst – angst is echter altijd gebrek aan kennis.

We zeiden eerder dat genezing uitsluitend zaak van de religie is en nooit in het kader van een functionele geneeskunde kan plaatsvinden. Wanneer we het over religie hebben, dan bedoelen we daarmee ‘religio’ in de oorspronkelijke betekenis. We verstaan onder religio de verbinding van de mens met zijn diepste grond. Ik bedoel echter geen religie in haar confessionele uiterlijke gedaante.

Wanneer ik herhaaldelijk de bijbel geciteerd heb, dan is dat omdat op grond van onze cultuur en opvoeding het culturele bezit daarvan het dichtst bij ons staat. Maar alle religies leren tenslotte hetzelfde – de ene waarheid. Wie gelooft dat de religies van deze wereld van elkaar zouden verschillen, die ziet alleen de verschillen in de verpakking. Men moet zich wel de moeite geven de inhoud uit te pakken, en zie: die is altijd dezelfde! Dat geldt voor de religies, niet voor de kerken. Deze zijn het werk van de mens en daarom net als al het menselijke onvolmaakt en feilbaar.

De esoterie heeft plaats voor alle confessies en geloofsovertuigingen, want de esoterie toont de waarheid en de wet die achter de verschillende beelden en gelijkenissen staat. De kerken daarentegen hebben geen plaats voor de esoterie omdat ze aan het concrete vasthouden. Het grotere heeft altijd plaats voor het kleinere, het kleinere echter geen plaats voor het grotere. De kerken vinden hun rechtvaardiging in het feit dat ze de oorspronkelijke waarheden in een begrijpelijke verpakking dichter bij de exoterische kring van de mensheid brengen.


Esoterie is voor degenen die bereid zijn zich de oorspronkelijke kennis zelf eigen te maken. De priester is uiteindelijk niet het resultaat van een loopbaan, maar het resultaat van de inwijding van de mysteries van het mens-zijn. Dan wordt hij een ‘pontifex’ – een bruggenbouwer die de mens de weg terug kan bereiden naar de diepste grond. Genezen is de verzoening met God – en zo genas Jezus met de woorden: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’

 
Noten:

[1] Vandaar de enorme verdunning van de stoffen in de homeopathische geneesmiddelen … het oerprincipe van de stof wordt op die manier vrij gemaakt van de stof en alleen als ‘idee’ meegegeven aan het geneesmiddel.

[1] in andere gnostische geschriften: Sophia (het vrouwelijke aanzicht van God)  of zelfs Christus (de Zoon uit de triniteit of drie-eenheid)

[2] Zie boek

 
 
 
 
 
06. De zin van ziek zijn
Thorwald Dethlefsen en Rüdiger Dahlke

 

Signalen en betekenis van ziekten


"Dit is een ongemakkelijk boek, want het ontneemt de mens de mogelijkheid zijn ziekte te gebruiken als een alibi voor zijn onop­geloste problemen", zeggen de auteurs in hun voorwoord. Ze wil­len duidelijk maken dat ziekten verschijningsvormen zijn van één grote ziekte, die onlosmakelijk verbonden is met het ongelukkig zijn van de mens.

Symptomen zijn lichamelijke verschijnselen waarin psychische conflicten tot uitdrukking komen.
Deze ziekte-uitingen zijn beelden die we moeten verklaren en waarvan we de betekenis onder ogen moeten zien. Hoofdpijn, in­fectie, stress, maagklachten en impotentie geven ons signalen door uit het rijk der psyche.

Dit boek bestaat uit twee delen. In het eerste gaan de schrijvers in op de achtergronden en filosofie van het ziek zijn en beter worden.
In het tweede gedeelte beschrijven ze de meest voorkomende ziek­tesymptomen, de mogelijke oorzaken, met welke gevoelens en activiteiten ze corresponderen en wat we eraan kunnen doen. De samenhang van lichamelijke klachten en psychische problemen­ zal velen choqueren; toch zullen we de confrontatie moeten aan­gaan, willen we aan onze genezing kunnen werken.

Ons wordt een nieuwe zienswijze geleerd, waarmee we zelf symp­tomen kunnen interpreteren en als zinvol aanvaarden: ons lot is een uitdaging, onze ziekte een weg om onszelf te vinden.

------------------

'Wie daar zegt: mooi
schept tegelijk: niet-mooi.
Wie daar zegt: goed
schept tegelijk: niet-goed.

Bestaan bepaalt: niet-bestaan, verward bepaalt: eenvoud,
hoog bepaalt: laag,
luid bepaalt: zacht, bepaald bepaalt: onbepaald,
nu bepaalt: eens

Aldus de Verlichte:
Hij is werkzaam, zonder te werken, hij spreekt, zonder te praten.
Hij draagt alle dingen in zich
in eenheid vervat.

Hij brengt voort, maar bezit niet, hij voltooit leven, eist geen welslagen.
Omdat hij niet eist,
lijdt hij nooit verlies.'

 
Lao-tze in het tweede vers van de Tao-te-king

De schaduw

De gehele schepping bestaat in jou, en alles wat in jou is, bestaat ook in de schepping. Er zijn geen grenzen tussen jou en een voorwerp dat heel dicht bij je is, net zo min als er een afstand is tussen jou en zeer ver verwijderde voor­werpen. Alle dingen, de kleinste en de grootste, de laagste en de hoogste zijn in jou, en gelijkwaardig met jou, aanwe­zig. Een enkel atoom bevat alle elementen van de aarde. Een enkele beweging van de geest houdt alle wetten van het leven in. In een enkele druppel water vind je het geheim van de eindeloze oceaan. Een enkele verschijningsvorm van jou zelf omvat alle verschijningsvormen van al het leven.

Kahlil Gibran


De mens zegt 'ik' en verstaat daaronder om te beginnen een groot aantal identificaties: 'Ik ben een man, een Hollander, een vader van een gezin, een leraar. Ik ben actief, dynamisch, tolerant, een harde werker, een dierenvriend, een pacifist, een theedrinker, amateurkok, enz.' Aan dergelijke identificaties gingen ooit be­slissingen vooraf, die tussen telkens twee mogelijkheden een keuze betekenden: een pool werd geïntegreerd en de andere pool werd uitgesloten. Zo sluit de identificatie 'Ik ben actief en een harde werker', tegelijkertijd uit: 'Ik ben passief en lui.' Uit een identificatie ontstaat ook al gauw een waardering: 'Men moet actief en hard werkend zijn - het is niet goed als iemand passief en lui is.' Deze waardering blijft, onafhankelijk van de mate waarin men haar achteraf met argumenten en theorieën probeert te ondersteunen, alleen subjectief overtuigend.

Objectief gezien is dit slechts een mogelijkheid om de dingen te zien - en wel een heel willekeurige. Wat zouden wij van een roos denken die hardop verkondigt: 'het is goed en juist om rood te bloeien, maar fout en gevaarlijk om een blauwe bloem te heb­ben'? Afwijzing van welke manifestatie dan ook is altijd een teken van ontbrekende identificatie (...daarom wijst het viooltje ook blauwe bloemen niet af).

Zo houdt iedere identificatie die op een beslissing berust, een pool buiten de deur. Maar alles wat wij niet zijn, wat wij niet in ons zelf willen aantreffen, wat wij niet beleven willen, wat wij niet in onze identificatie willen opnemen, vormt onze schaduw. Want de afwijzing van de helft van alle mogelijkheden doet haar beslist niet verdwijnen, maar verbant deze helft slechts uit de ik-identificatie of uit het bovenbewustzijn.

Het 'neen' van onze beslissing heeft weliswaar een pool uit ons gezichtsveld verbannen, maar zijn aanwezigheid niet opgeheven. De afgewezen pool leeft vanaf het moment van de afwijzing in de schaduw van onze bewustheid verder. Net zoals kleine kinde­ren geloven, dat zij door het sluiten van hun ogen onzichtbaar worden, geloven de mensen dat zij zich van de ene helft van de werkelijkheid zouden kunnen bevrijden door er in zichzelf niet naar te kijken. Op die manier staat men de ene pool (bijvoorbeeld hard werken) toe in het licht van het bewustzijn te treden, terwijl zijn tegenpool (luiheid) in het donker moet blijven, opdat men hem niet ziet. Uit het niet-zien concludeert men dan al snel een niet-hebben en gelooft men dat het ene zonder het andere kan bestaan.

Wij noemen dus 'schaduw' (dit begrip werd voor het eerst door C. G. Jung gebruikt) alle afgewezen mogelijkheden van de werkelijkheid, die de mens bij zich zelf niet ziet of niet zien wil, en die hem daarom onbewust zijn. De schaduw is het grootste gevaar van de mens, omdat hij haar heeft zonder haar te kennen en van haar bestaan op de hoogte te zijn. De schaduw is oorzaak dat alle voornemens en inspanningen van de mens uiteindelijk in hun tegendeel veranderen. Alle manifestaties die uit zijn schaduw voortkomen, projecteert de mens op een anoniem kwaad in de wereld, omdat hij vreest de werkelijke bron van al het onheil bij zichzelf te vinden. Alles wat de mens eigenlijk niet wil en wat hem onaangenaam is, komt voort uit zijn eigen schaduw - want deze schaduw is de som van alles wat hij niet wil hebben. Maar de weigering om zich in te laten met een deel van de werkelijkheid en deze te beleven, leidt nu juist niet tot het gewenste resultaat.

Veel eerder dwingt dit afgewezen deel van de werkelijkheid de mens juist om er zich zeer intensief mee bezig te houden. Dit gebeurt meestal via de omweg van de projectie, want als men een bepaald principe in zichzelf heeft afgewezen en verdrongen, roept dat steeds weer angst en afwijzing op, wan­neer wij het in de zogenaamde buitenwereld weer tegenkomen.

Om ons in deze samenhangen te kunnen inleven kan het van belang zijn er nog eens op te wijzen, dat wij onder 'principes' archetypische gebieden van het zijn verstaan, die zich in een reus­achtige verscheidenheid van concrete vormen kunnen manifeste­ren. Iedere concrete manifestatie is dan een formele representant van dat inhoudelijke principe. Voorbeeld: vermenigvuldiging is een principe. Dit abstracte principe kunnen wij in de formeel meest uiteenlopende manifestaties tegenkomen (3 keer 4, 8 keer 7,49 keer 348 enz.). Deze uiterlijk verschillende uitdrukkings­vormen zijn echter allemaal representanten van dat ene principe 'vermenigvuldiging' .

Verder moeten wij ons realiseren, dat de buitenwereld uit dezelfde archetypische principes is opgebouwd als de wereld in ons. De wet van de resonantie zegt dat wij slechts in contact kunnen komen met datgene, waarvoor wij een reso­nantieruimte hebben. Deze overweging die in Esoterische psy­chologie uitvoeriger werd besproken, leidt tot de identiteiten van buitenwereld en wereld-in-ons. In de hermetische filosofie wordt deze identiteit van binnen- en buitenwereld, resp. van mens en kosmos, verwoord met microkosmos = macrokosmos.

Projectie betekent dus dat wij van de ene helft van de principes een buiten-ons maken, omdat wij hen binnen-ons niet willen accepteren. Wij hebben al in het begin gezegd, dat het 'ik' verant­woordelijk is voor dit afgescheiden zijn van alle 'zijn', Het ik maakt een jij, dat als buiten wordt beleefd. Wanneer de schaduw echter uit al die principes bestaat, die het 'ik' niet wilde integre­ren, dan zijn uiteindelijk schaduwen buiten identiek. Wij beleven onze schaduw altijd als een buiten-ons, zouden wij haar in en bij ons zien, dan was zij niet meer de schaduw. De afgewezen principes, die nu schijnbaar van buiten op ons afkomen, bestrij­den wij nu in die buitenwereld net zo heftig als wij het in ons innerlijk gedaan hebben. Wij blijven proberen de door ons als negatief gewaardeerde gebieden uit de wereld te helpen. Maar omdat dit onmogelijk is - zie de wet van de polariteit! - wordt deze poging een permanente activiteit, die gegarandeerd ervoor zorgt, dat wij met dit afgewezen deel van de werkelijkheid bijzon­der intensief bezig zijn.

Hierin ligt een ironische wetmatigheid, waaraan niemand zich kan onttrekken: de mens houdt zich het meest bezig met dat wat hij niet wil. Daarbij komt hij op den duur zo dicht bij het afgewezen principe, dat hij het ten slotte gaat beleven. Het is goed om deze twee laatste zinnen niet meer te vergeten. De afwijzing van welk principe dan ook bewerkt zonder mankeren, dat de betrok­ken mens naar dit principe zal gaan leven. Volgens deze wet ma­ken de kinderen zich later ooit de gedragspatronen eigen, die zij bij hun ouders haatten, worden pacifisten op den duur mili­tant, worden moralisten losbandig en ijveraars voor de gezond­heid zwaar ziek.

Men moet niet over het hoofd zien, dat ook afwijzing en strijd tenslotte betekenen, dat men zich op het afgewezene richt en ermee bezig is. In deze zin is het ook duidelijk, dat een mens die consequent een bepaald gebied van de werkelijkheid uit de weg gaat, met dit gebied een probleem heeft. De interessante en belangrijke levensgebieden voor een mens zijn die, welke hij be­strijdt en vermijdt - want zij ontbreken in zijn bewustzijn en ma­ken hem onvolledig. Alleen die principes in de buitenwereld kun­nen een mens problemen geven, die hij niet bij zichzelf heeft geïn­tegreerd.

Het moet hier nu duidelijk zijn, dat er in werkelijkheid geen we­reld om ons heen bestaat, die ons bepaalt, vormt, beïnvloedt of ziek maakt. De wereld om ons heen is als een spiegel, waarin wij altijd slechts onszelf zien, maar dus ook (en duidelijk) onze schaduw, waarvoor wij bij onszelf blind zijn. Net zoals wij bij het bekijken van ons fysieke lichaam slechts een klein deel zien, maar veel (kleur van de ogen, gezicht, rug, enz.) slechts kunnen zien met behulp van de reflectie van een spiegel, zijn wij voor een deel van onze psyche blind en kunnen wij dit voor ons on­zichtbare gedeelte (schaduw) slechts via de projectie en reflectie van de zogenaamde wereld om ons heen of de buitenwereld leren kennen. Kennis heeft de polariteit nodig.

Maar de reflectie heeft slechts nut voor die mens, die zich ook herkent in de spiegel - anders wordt zij een illusie. Wie in de spiegel zijn blauwe ogen bekijkt - maar niet weet dat het zijn eigen ogen zijn die hij ziet, die oogst illusie in plaats van kennis. Wie in deze wereld leeft, maar niet beseft dat alles wat hij waar­neemt en beleeft, hij zelf is, verstrikt zich in begoocheling en illu­sie. Het is waar, de begoocheling lijkt ongelooflijk echt en reëel (... velen zeggen zelfs: bewijsbaar) - maar men moet niet vergeten, dat ook een droom net zo echt en reëel lijkt zolang wij ons in die droom bevinden. Men moet eerst wakker worden om de droom als droom te kunnen herkennen. Dat geldt ook voor de grote droom van ons bestaan. Men moet eerst wakker worden om de illusie te kunnen doorzien.

Onze schaduw boezemt ons angst in. Dat is geen wonder, want hij bestaat immers uitsluitend uit al die gedeelten van de werke­lijkheid, die wij het verste van ons afgeschoven hebben, die wij het minste willen beleven, of ook maar in onszelf willen aantref­fen. De schaduw is de som van alles, waarvan wij tot in het diepst van ons hart overtuigd zijn, dat het uit de wereld moet worden

geholpen, opdat deze goed en heel kan worden. Maar juist het tegendeel is het geval: de schaduw heeft als inhoud alles wat de wereld - onze wereld - ontbreekt om heel te worden. De schaduw maakt ons ziek, d.w.z. maakt dat wij niet-heel zijn, want hij is niet in ons geïntegreerd.

De schaduw maakt ziek - de confrontatie met de schaduw heel. Dat is de sleutel tot het begrip van ziekte en genezing. Een symp­toom is altijd een in de materie gezonken schaduwgedeelte. In het symptoom manifesteert zich datgene wat de mens ontbreekt. In het symptoom beleeft de mens datgene, wat hij in het bewust­zijn niet beleven wilde. Het symptoom maakt de mens via de omweg van het lichaam weer heel. Het is het complementaire principe dat voorkomt, dat de totaliteit, het heel-zijn, tenslotte niet verloren gaat.

Wanneer een mens weigert een principe in zijn bewustzijn te beleven, dan zinkt dit principe in het lichaam en verschijnt daar als symptoom. Dit dwingt de mens het afgewe­zen principe toch te beleven en te realiseren. Op deze wijze maakt het symptoom de mens heel - het is het lichamelijke surrogaat voor datgene wat de ziel mankeert.

Nu zullen wij het oude vraag- en antwoordspel op een nieuwe wijze kunnen verstaan: 'Wat mankeert u?’ en 'Ik heb dit symp­toom.' Het symptoom laat inderdaad zien wat de patiënt ont­breekt, want het symptoom is zelf het ontbrekende principe, ma­terieel en zichtbaar geworden in het lichaam. Geen wonder dat wij zo weinig met onze symptomen op hebben, want zij dwingen ons immers om die principes te verwerkelijken, die wij juist niet wilden beleven. En daarom zetten wij onze strijd tegen de symp­tomen voort - zonder de geboden kans aan te grijpen om het symptoom voor onze heel-wording te gebruiken. Juist in het symptoom zouden wij ons zelf kunnen leren kennen, zouden wij naar die zijden van onze ziel kunnen kijken, die wij zonder meer bij onszelf nooit zouden ontdekken, omdat zij in de schaduw liggen.

Ons lichaam is de spiegel van onze ziel - het laat ons ook dat zien, wat de ziel zonder confrontatie niet kan herkennen. Maar wat voor nut heeft de beste spiegel, wanneer wij het waar­genomene niet op onszelf betrekken? Dit boek wil een hulp zijn onze blik zo te trainen, dat wij in staat zijn in het symptoom onszelf te ontdekken.

De schaduw maakt de mens oneerlijk. De mens denkt altijd al­leen maar dat te zijn, waarmee hij zich identificeert, of alleen maar zo te zijn, zoals hij zichzelf ziet. Deze zelf waardering noemen wij oneerlijkheid. Daarmee bedoelen wij altijd de oneerlijkheid tegenover onszelf (en niet wat voor leugens of bedrog ook tegen­over andere mensen). Alle bedrog van deze wereld is onschuldig, vergeleken bij dat wat de mens zichzelf een leven lang voorliegt. Eerlijkheid tegenover zichzelf behoort tot de zwaarste eisen, die men aan zichzelf kan stellen. Daarom werd van oudsher de zelf­kennis de belangrijkste en moeilijkste opgave genoemd voor hen die op zoek waren naar de waarheid. Zelfkennis betekent dat men het 'zelf vindt, niet het 'ik', want het 'zelf omvat alles, het 'ik' echter verhindert door zijn afgrenzing voortdurend de herkenning van het geheel, het zelf.

Maar voor degene die zich inzet om eerlijker tegenover zichzelf te worden, kan ziekte een gewel­dig hulpmiddel worden op zijn weg. Want ziekte maakt eerlijk! In het ziektesymptoom beleven wij duidelijk en eerlijk, wat wij in onze psyche willen verdringen en verbergen.

De meeste mensen vinden het moeilijk om over hun diepste pro­blemen (als zij die al kennen) frank en vrij te praten - over hun symptomen praten zij echter uitvoerig met iedereen. Maar een meer nauwkeurige en exacte informatie kan een mens over zich­zelf niet geven. Ziekte maakt eerlijk en ontmaskert meedogen­loos de verborgen gehouden afgronden in onze ziel. Deze (on­gewilde) eerlijkheid is vermoedelijk ook de basis van de sympa­thie en de toewijding die men voor een zieke heeft. De eerlijkheid maakt hem sympathiek - want in het ziek zijn wordt de mens echt.

De ziekte compenseert alle eenzijdigheden en brengt de mens naar het midden. Er verdwijnt plotseling veel van de dik­doenerige egospelletjes en het machtsvertoon - er worden veel illusies met één klap vernield en er wordt plotseling getwijfeld aan de juistheid van tot dan gevolgde levenswijzen. Eerlijkheid bezit een eigen schoonheid, waarvan iets in de zieke zelf zichtbaar wordt.

Samenvattend gezegd: de mens als microkosmos is een af­beelding van het universum en bevat de som van alle zijnsprinci­pes latent in zijn bewustzijn. De weg van de mens door de polari­teit eist van hem deze in hem latent aanwezige principes door concreet handelen te verwerkelijken, om daardoor stap voor stap zich van hun bestaan bewust te worden. Kennis echter kan niet bestaan zonder polariteit, en deze dwingt op haar beurt de mens voortdurend om te kiezen. Iedere keuze verdeelt de polariteit in een geaccepteerd deel en in een afgewezen pool. Het geaccep­teerde deel wordt in gedrag omgezet en zodoende bewust geïnte­greerd. De afgewezen pool komt in de schaduw terecht en dwingt ons ook in het vervolg er aandacht aan te schenken, doordat zij schijnbaar van buitenaf weer op ons toekomt. Een specifieke en vaak voorkomende vorm van deze algemene wet is de ziekte. Bij dit verschijnsel zinkt een deel van de schaduw in de lichamelijkheid en wordt somatisch als symptoom. Dit symptoom dwingt ons via het lichaam het vrijwillig niet beleefde principe toch te realiseren en brengt de mens op deze wijze weer in even­wicht. Het symptoom is de somatische verdichting van datgene wat ons in het bewustzijn ontbreekt. Het symptoom maakt de mens eerlijk, omdat het verdrongen inhouden zichtbaar maakt­
 
 
 
 07. Maria Magdalena of Het lot van de vrouw  


Waarom vrouwen al 20 eeuwen geweerd worden in de Kerk.
 

Het moge duidelijk zijn, uit de vele gnostische geschriften, dat Maria Magdalena[1] ten tijde van Jezus een zeer bijzondere plaats innam aan de zijde van de Meester. Meermaals wordt door de andere, mannelijke leerlingen, jaloers gereageerd omwille van de liefde die hun meester blijkbaar aan deze vrouw betoonde[2]. De tijdsgeest van toen schreef immers voor dat vrouwen alleen maar een nederig plaatsje mochten innemen, zwijgend, dienend en steeds onderdanig aan de man. Dat Jezus daar anders over dacht viel niet in goede aarde – zeker niet bij Petrus. Het is dan ook geen wonder dat men, in de eerste eeuwen van het christendom, er alles aan gedaan heeft om Maria Magdalena in een slecht daglicht te plaatsen zodat Petrus de unieke rechten kreeg om de boodschap van Jezus, onfeilbaar, door te geven aan zijn opvolgers … de latere pausen van Rome.

Dat daar geen plaats is voor vrouwen is nog steeds een uitvloeisel van de opvattingen van die tijd.

Hoe men erin geslaagd is om Maria Magdalena uit de positie die zij bij Jezus innam te verdrijven wordt beschreven door Hans Stolp in zijn boek: Maria Magdalena of het lot van de vrouw.

 
Uittreksel uit het boek van Hans Stolp

Dat Maria Magdalena een volledig ingewijde was, lezen we niet alleen in de oude, buiten-bijbelse, christelijke geschriften, maar ook in de Bijbelse geschriften zelf. In het evangelie van Lucas staat een korte opmerking over Maria Magdalena, bestaande uit slechts zeven woorden, die echter in de loop der eeuwen mede het lot van Maria Magdalena bepaald hebben. De zeven woorden waar het over gaat staan in het volgende tekstfragment:

En het geschiedde kort daarop, dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het evangelie van het Koninkrijk Gods, en de twaalven met Hem, en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten: Maria, met de bijnaam van Magdala, van wie zeven boze geesten uitgegaan waren ….

Die zeven woorden over Maria Magdalena: ‘van wie zeven boze geesten uitgegaan waren’, zijn een technische formulering uit de inwijdingstraditie. Ze betekenen heel eenvoudig dat Maria Magdalena de zeven inwijdingen heeft volbracht. Want bij elke inwijding weet een mens een deel van het ego te transformeren. Die transformatie werd, versluierd, het uitdrijven van een boze geest genoemd. Logisch, want een negatief deel van het ego werd bij een inwijding afgelegd, ‘uitgedreven’, om op een nieuwe, getransformeerde manier weer geïntegreerd te worden. Als van Maria dan ook zeven boze geesten zijn uitgegaan, betekent dat, dat zij de ‘zeven innerlijke blokkades in de mens die ons afhouden van bevrijding of verlossing’ heeft weten op te heffen. Dat deze zevenvoudige transformatie op deze versluierde manier wordt aangeduid, heeft alles te maken met de geheimhouding waartoe ingewijden verplicht waren. Dus gebruikten zij termen die duidelijk waren voor andere ingewijden, voor hen die ‘oren om te horen’ hebben, maar die voor anderen het geheim het geheim lieten.
(….)

In de derde, vierde en latere eeuwen wisten de theologen niet meer wat dat kleine bijzinnetje uit het evangelie van Lucas nu eigenlijk betekende. Ze wisten niet meer dat dat een term was uit de oude inwijdingstraditie. Dat was het directe gevolg van de vernietiging van al die oude geschriften[3] die ons iets daarover vertelden.

En met die geschriften werd ook alle kennis uit die oude traditie vernietigd. Toen dus de theologen de betekenis van dat kleine bijzinnetje niet meer wisten, zijn ze die paar woorden letterlijk gaan nemen: Maria Magdalena werd een bezeten vrouw. Degene die de boze geesten dan zou hebben uitgedreven werd natuurlijk Jezus. En het feit dat er niet één, maar wel zeven boze geesten werden uitgedreven, betekende volgens de kerkvaders en de theologen, dat de bezetenheid van Maria wel héél ingrijpend en verregaand was geweest. Zo werd Maria Magdalena, ‘de apostel der apostelen’, van haar ereplaats beroofd en tot een van bezetenheid genezen vrouw verklaard.  


[1] Gnostische evangeliën 
[2] Evangelie van Filippus
[3] Gnostische geschriften van de eerste spirituele christenen


 
 
 
 
 
 08. Het Evangelie volgens Maria Magdalena

 

 
Inleiding.



Het Evangelie volgens Maria Magdalena, is één van de gnostische geschriften, gevonden in 1945 bij de plaats Nag Hammadi in Egypte en een ander exemplaar was reeds eerder gevonden in de zogenaamde Berlijnse Codex. Maria Magdalena is in deze tekst een volgeling van Jezus. Zij vertelt dat zij Jezus heeft ontmoet in een visioen en dat hij haar geheime leringen heeft onthuld. Er brandt onder de discipelen een ruzie los over haar autoriteit als vrouw en leerling. Met name Petrus valt haar fel aan, vooral omdat wordt gezegd dat Jezus haar meer liefhad dan de andere leerlingen.

Voor de studie van de gnostiek is het Evangelie van Maria Magdalena van groot belang, omdat ze een beschrijving bevat van de reis van de ziel na de dood langs de Archonten. Helaas is slechts een deel daarvan overgeleverd, maar niettemin geeft wat rest een goede indruk van de opvattingen in de gnostiek over de hemelvaart van de menselijke ziel na de dood.

De Archonten zijn de heersers van het aardse noodlot. De Archonten zetelen op de planeten, op elke planeet één. Hun doel is de menselijke ziel gevangen te houden in morele slavernij tijdens haar aardse verblijf.

Na de dood, zo beschrijft het Evangelie van Maria Magdalena, passeert de ziel de planeetsferen. Bij elke planeet zal een Archont proberen haar tegen te houden. Lukt dat, dan moet de ziel opnieuw incarneren in een aards leven.
De Archont zal proberen de ziel tegen te houden door haar vast te grijpen bij een zielengewaad. Maar als de ziel over de juiste gnosis beschikt, zal ze bij elke planeet de juiste magische woorden weten uit te spreken. De Archont zal dan achterblijven met het lege zielengewaad en de ziel zal haar reis kunnen vervolgen. Wanneer de ziel zo al haar zielengewaden achterlaat, zal ze tenslotte met haar naakte wezenskern, voorbij de planeetsferen, verenigd worden met de goddelijke eenheid, als een druppel die terugkeert naar de oceaan.

Het Evangelie van Maria Magdalena geeft enkele twistgesprekken weer tussen de ziel en een Archont.

In Lucas 8:2 wordt vermeld dat Maria Magdalena door Jezus werd bevrijd van zeven duivelse geesten. Men kan hierin een verwijzing zien naar de zeven Archonten die de ziel moet passeren na de dood. Jezus zou Maria Magdalena dus, volgens de gnostieke visie, de geheime gnosis hebben geleerd om de zeven Archonten te kunnen passeren.

Moet men deze beschrijving van de hemelvaart van de ziel nu zien als een letterlijk zo bedoelde waarheid? Wie vertrouwd is geraakt met de gnostische teksten beseft dat nagenoeg alle gnostische teksten als allegorisch kunnen worden verstaan. In de klassieke oudheid zijn mythes de taal van de ziel. Ze beschrijven processen van de ziel.

In het kerkelijk christendom is steeds sterke nadruk gelegd op de letterlijke waarheid van de christelijke mythes. Daarom, ook al is men geen christen, zal een hedendaagse lezer toch nog geneigd zijn om zo'n beschrijving van de reis van de ziel langs de Archonten te lezen alsof het door de schrijver letterlijk zo bedoeld is. Maar om de gnostische teksten werkelijk te verstaan moet men afstand nemen van deze door de christelijke kerken aangeleerde leeswijze, en proberen de gnostische teksten te lezen zoals ze in hun tijd bedoeld waren, namelijk als symbolische beschrijving van een zielenproces.

Zo gelezen is het Evangelie van Maria Magdalena een tekst die beschrijft hoe de menselijke ziel in morele slavernij kan verkeren en hoe ze zich daaruit kan bevrijden. In de gnostische symboliek is de dood het symboolwoord voor iemand die 'zichzelf vergeten is'. De reis van de ziel na de dood is te verstaan als de beschrijving van de ontwikkelingsweg die de ziel kan gaan na het ontwaken uit de zelfvergetelheid. Want om werkelijk tot zichzelf te komen moet men daarna nog 'de Machten' overwinnen.

Zo verstaan biedt het Evangelie van Maria Magdalena een visie op het mens-zijn, die betekent dat een mens zich kan bevrijden uit de greep van het noodlot, en zelf, in vrijheid, na de opstanding uit de spirituele dood, medeschepper kan worden van het koninkrijk op aarde.



Evangelie volgens Maria Magdalena

Tekst vertaald uit het Koptisch

 

De eerste zes pagina's ontbreken

[7]...zal de materie vernietigd worden of niet?
De Verlosser zei: " alle naturen, alle vormen en alle schepselen bestaan in en met elkaar en ze zullen weer teruggevoerd worden tot hun eigen wortel. Want in de natuur van de materie kan zich slechts tot haar eigen natuur terugvoeren. Wie oren heeft om te horen, die hore !"
Petrus vroeg hem:
"omdat u ons alles heeft uitgelegd, zeg ons nu nog dit: wat is de zonde van de wereld?"
De Verlosser zei:
"Zonde bestaat niet.Maar het zijn jullie die de zonde maken, namelijk wanneer jullie doen wat in wezen gelijk staan aan overspel,dat wat men de "zonde" noemt.
Daarom is het goed in jullie midden gekomen, naar het wezen van iedere natuur, om deze weer in zijn wortel te herstellen"
Toen ging hij voort en zei :
[8]"daarom worden jullie ziek en sterven jullie, omdat jullie houden van wat jullie misleidt. Wie het vatten kan, vatte het!
De materie gaf geboorte aan een begeerte die haar gelijke niet kent omdat zij is uitgegaan van iets tegennatuurlijks. Zo heerst er verwarring in het gehele lichaam.
Daarom heb ik jullie gezegd : heb goede moed. En als jullie moedeloos zijn, vat toch moed tegenover de verschillende vormen van de natuur. Wie oren heeft om te horen, die hore!
 
Toen de Gezegende dit gezegd had, groette hij hen allen met de woorden:
Vrede zij met jullie, Breng mijn Vrede voort. Let erop dat jullie niemand misleiden door te zeggen "zie hier, "of "zie daar" want de Zoon des Mensen verblijft in jullie binnenste. Volg hem!
Die hem zoeken zullen hem vinden. Ga zo heen en verkondig het evangelie van het Koninkrijk.
[9] Leg geen andere bepaling op dan die welke ik jullie heb gesteld. En vaardig geen wet uit zoals de wetgever,opdat jullie daar geen gevangenen van worden"
Toen hij dit gezegd had ,ging hij heen.
 
Zij echter waren bedroefd. Ze huilden heftig en zeiden:
"Hoe moeten we naar de heidenen gaan en het evangelie van het Koninkrijk van de Zoon des Mensen prediken? Als hij al niet werd gespaard,hoe zal men ons dan sparen?
Toen stond Maria Magdalena op en zij kuste hen allen en zei tegen haar broeders:
"Huil niet, wees niet bedroefd en twijfel niet, want zijn genade zal geheel met jullie zijn en jullie behoeden.Laten we liever zijn grootheid prijzen,want hij heeft ons voorbereid en ons tot mens gemaakt.'
Toen Maria dit zei richtten zij hun harten op het Goede. En ze begonnen de woorden van de Verlosser te bespreken.
 
[10]Petrus zei tegen Maria:
"Zuster ,we weten dat de Verlosser meer van jou gehouden heeft dan van de andere vrouwen. Zeg ons de woorden van de Verlosser zoals jij je die herinnert, die jij kent maar wij niet kennen en die we ook nog niet hebben gehoord."
 
Maria antwoordde en zei:
"Wat voor jullie verborgen is zal ik jullie bekendmaken"
en ze begon hun het volgende te vertellen:
"Ik ,zei ze,ik zag de Heer in een visioen, en ik zei tegen hem: 'Heer , ik zie u vandaag in een visioen' Hij antwoordde en sprak tot mij: "Gezegend ben je dat niet wankelt bij mijn aanblik. Want waar het bewustzijn is, daar is de schat" Ik vroeg hem : "Heer ,ziet hij, die een visioen heeft, nu met de ziel of met de geest?" De Verlosser antwoordde en sprak : "Hij ziet noch met de ziel noch met de geest, maar met het bewustzijn,dat tussen de twee in ligt .Zo is het dat hij een visioen waarneemt en het is......
 
 
Hier ontbreken de pagina's 11- 14 van het oorspronkelijke handschrift
 

[15]...het.
En de Begeerte zei:
"Ik heb je niet omlaag zien gaan,
maar nu zie ik je omhooggaan.
Waarom lieg je?
Want je hoort bij mij !"
De Ziel antwoordde en zei:
"Ik heb jou gezien
maar jij zag mij niet,
noch herkende je mij.
Je hebt mij als kleding gediend
en je kende mij niet"
Toen ze dat gezegd had ging ze met grote vreugde weg.
 
Toen kwam ze bij de derde macht,
die Onwetendheid genoemd wordt.
Deze wilde de ziel uithoren:
"Waarheen ben je op weg?
In slechtheid ben je vastgehouden en
je bent onderworpen aan mijn oordeel!"
Maar de ziel zei:
"waarom oordeel je over mij
terwijl ik niet geoordeeld heb.
Ik werd vastgehouden
hoewel ik niets vastgehouden heb.
Ik werd niet herkend
Maar ik heb wel herkend dat het Al opgelost zal worden
[16]zowel de aardse dingen als de hemelse"
 
Toen de ziel zo de derde macht was voorbijgekomen,
steeg ze verder omhoog en zag de vierde macht.
Deze had zeven gedaanten:
De eerste vorm is de duisternis
De tweede de begeerte
De derde de onwetendheid
De vierde de prikkel van de dood
De vijfde is het koninkrijk van het vlees
De zesde is de domme wijsheid van het vlees
De zevende is de vertoornde wijsheid.
Dat zijn de zeven heerschappijen van de Toorn.
 
Ze vroegen de ziel:
"Vanwaar kom je, moordenares;
en waarheen ben je op weg,
jij die de ruimte bedwong?"
En de ziel antwoordde en sprak:
"Wat mij bindt is gedood
en wat mij omringt is overwonnen
Mijn begeerte heeft opgehouden te bestaan
en de onwetendheid is gestorven
In een wereld ben ik bevrijd
uit een andere wereld
[17]en in een beeld
door een beeld van boven,
want de boeien der vergetelheid
hebben een tijdelijke duur.
Vanaf dit ogenblik af
zal ik de rust ontvangen,
los van het tijdsverloop van de eon;
in zwijgen"
 
Toen Maria dit had gezegd, zweeg ze,
want tot zover had de Verlosser met haar gesproken.
 
Maar Andreas nam het woord en zei tegen de broeders:
"zeg eens, wat denken jullie over wat zij gezegd heeft?
Ikzelf geloof niet dat de Verlosser dit heeft gezegd,
want het is duidelijk dat het afwijkende ideeën zijn."
Petrus nam het woord en sprak over dezelfde dingen
Hij vroeg hun over de Verlosser:
"Zou hij werkelijk buiten ons om en niet openlijk met een vrouw gesproken
hebben? Moeten wij ons soms omkeren en allemaal naar haar luisteren?
Heeft hij aan haar de voorkeur gegeven boven ons?"
 
[18]Toen huilde Maria en zei tegen Petrus:
"Mijn broeder Petrus,wat denk je? Denk je dat ik het zelf in mijn hart
bedacht heb of dat ik leugens vertel over de Verlosser?"
Levi nam het woord en zei tegen Petrus:
"Petrus,  jij bent altijd zo heetgebakerd!
En nu zie ik weer dat je redetwist met deze vrouw als met tegenstanders.
Als de Verlosser haar waardig bevonden heeft,
wie ben jij dan om haar te verwerpen?
Zeer zeker kende de Verlosser haar erg goed en
daarom heeft hij van haar meer gehouden dan van ons.
We moesten ons eerder schamen en ons bekleden
met de volkomen Mens en hem in onszelf verwerven,
zoals hij ons heeft opgedragen,en het evangelie verkondigen.
En laten we daarbij geen andere bepaling of wet opleggen
dan wat de Verlosser gezegd heeft.
 
[19]Toen Levi dit gezegd had,
maakten ze zich op om te verkondigen en te prediken.
 
Het Evangelie volgens Maria

 
 
 
 
09. Jezus van Nazareth

 
 

Esoterisch Bijbellezen
Hans Stolp

 

Uit hoofdstuk vijf: De mysteriën van Jezus.
 
De Bijbelse geschriften zijn dus mysteriegeschriften. Het betekent dat wij die pas gaandeweg kunnen gaan verstaan, als wij de weg van loutering en zuivering willen gaan. Dat is immers het kenmerkende van mysteriegeschriften: dat zij hun geheim alleen maar op de weg van de navolging onthullen. Zij vertellen dan ook over mysteriën die men slechts kan ervaren, maar die voor het verstand niet toegankelijk zijn. Wij gaan ze pas verstaan als wij de Meester, die in de belangrijkste geschriften van de bijbel, de evangeliën, zelf aan het woord is, willen volgen.

Zo spreekt de Meester over het offer en zegt dat alleen wie zichzelf verliest, het leven vinden zal. Zo’n woord is niet meer met het verstand te begrijpen (is: overmeesteren, in je macht krijgen); de waarheid van dat woord onthult zich slechts aan haar of aan hem, die daadwerkelijk de weg van het zelfverlies, van het offer, gaat.

De weg van de inwijding gaan betekent ook de vijand in jezelf durven aanzien en erkennen: het donker in jezelf aan het licht laten brengen. Wie niet doorheeft dat al onze afkeer van anderen, onze haat, onze woede, slechts projecties zijn van wat in het donker, diep verborgen, in onszelf leeft, die zal de woorden van de Meester niet écht verstaan. Want al zijn woorden (en daden) bedoelen nu juist de ontmaskering van ons donkere ik, onze schaduw. Je schaduw leren kennen, het betekent zelfkennis opdoen. Op de gevel van de tempel van Delphi in Griekenland stond: Ken uzelf. Zelfkennis heeft alles te maken met het ontmaskeren van de projecties in onszelf om, voorbij de projecties, ons geestelijke ik te ontdekken. Daarom zegt de Meester:

Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet.[1]

De Meester navolgen, jezelf onder ogen durven zien, de weg van verlies en van het offer leren gaan, het betekent ook, dat wij gaandeweg ons ego leren overwinnen. Dat wil zeggen: wij leren meester te worden van de krachten van ons ego om die dienstbaar te maken aan een hoger, geestelijk belang dat al doende in ons begint op te lichten. Ontdekken wat écht gelukkig maakt: de stilte, die vrede bevat, de glimlach op het gezicht van een ander, de harmonie waarin mensen kunnen samenzijn, die stilte en harmonie zíjn. Durven kiezen voor dat geluk, in plaats van voor rijkdom, voorspoed, aanzien enzovoort. Het ego overwinnen betekent oog krijgen voor die geestelijke waarden en je daardoor leren inzetten, in plaats van voor wat van nature het verlangen van ons (kleine) ik is.

De weg van de inwijding gaan betekent ook overgave leren: in al de ervaringen en gebeurtenissen die je overkomen weten: zij overkomen mij niet toevallig, maar bevatten een zin en een bedoeling, die voor mij weliswaar nu (meestal) verborgen is, maar die er wel ís, en die mij eens, hetzij later in dit leven op aarde, hetzij straks in de geestelijke wereld, duidelijk zal worden. Natuurlijk gaat overgave leren niet vanzelf: het kost dikwijls tranen. Maar alleen op de weg van groeiende overgave onthult zich het geheim, dat de Meester ons wil toevertrouwen.

Overgave leren houdt ook een groeiende gevoeligheid in voor het feit, dat ons een weg door het leven gewézen wordt. Niet altijd de weg die wij zelf zouden willen kiezen, maar wél de weg, die voor ons bedoeld is – door ons hogere, eigenlijke ik, door Christus. Die weg aanvaarden, hoe ongewis hij ook is, zelfs als hij ons slechts verlies lijkt te brengen. Ervaren dat wij niet alleen gelaten worden op die weg, ook al is dat een besef dat dikwijls pas later door ons hart begrepen wordt.

De weg van inwijding gaan betekent ook de eenzaamheid die daaraan verbonden is aanvaarden. Die heel eigen weg gaan die jou gewezen wordt, en die niet de weg van iedereen is en daarom ook dikwijls niet begrepen wordt en op afwijzing rekenen kan. Ervaringen opdoen, waarvoor geen woorden te vinden vallen en die daarom ook niet met anderen te delen zijn. Het is de weg waarop je leert dat ons enige vertrouwen, onze enige hoop ligt in God. Mattheus vertelt ons dat woord van Jezus:

Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is mij niet waardig.[2]

Vaak heb ik bij deze woorden stilgestaan. Kiezen wij werkelijk, als het eropaan komt, voor die stille kracht die wij in onszelf ervaren en die van elders tot ons komt, een kracht in wie sommigen Christus herkennen en die anderen met een andere naam noemen – kiezen wij voor Christus boven alles? Ik denk dat we pas dan, wanneer we het leven hebben laten slijpen en schaven aan onszelf, iets van de diepte van die woorden gaan verstaan. Het zijn dan ook woorden om in meditatie bij stil te staan: zeker geen woorden om een geloofsleer op te bouwen. Het zijn dan ook woorden die hun geheim niet aan ons verstand prijsgeven. Hun geheim onthult zich gaandeweg, beetje bij beetje, aan mensen die bereid zijn te gáán.

Met deze overwegingen komen wij in de sfeer van de ervaring, de sfeer van de inwijdingsweg, waartoe de evangeliën en de overige Bijbelse geschriften ons willen oproepen. Het is ook de sfeer van de inwijding, zoals die aan de mysten in de mysteriën geleerd werd. Maar, en dat is een kenmerkend verschil, deze inwijding voltrekt zich, in onze tijd, middenin het leven aan ons. We hoeven ons daarvoor niet meer in tempels terug te trekken, of zoals later bijvoorbeeld de Katharen dat deden, in de grotten van de Pyreneeën. Het lijkt wel, alsof in onze tijd het leven zelf ons dikwijls deze inwijdingsweg afdwingt, door alle ervaringen die op ons afkomen en die om verwerking en doordenking vragen.

Daarbij is het leven zelf onze leermeester, en er is geen hiërofant of priester, die ons  op die inwijdingsweg begeleidt. Maar – dat is de ervaring van velen in onze tijd die ook werkelijk de weg van de inwijding gaan – achter de ervaringen van het leven, die ons stap voor stap verder brengen op de weg van inwijding, staat een onzichtbare gestalte: Christus zelf. Want in de ervaringen van de inwijdingsweg ontdekken wij de stilte en de verborgen werkzaamheid van Christus.

In feite heb ik nu het nieuwe dat Jezus, die Christusdrager werd, gebracht heeft, onder woorden gebracht. Hij maakte de inwijding universeel, voor iedereen toegankelijk. En hij werd zelf vanaf dat moment de grote inwijder. In de tijd van Jezus was het de Christus die door Jezus heen werkte en mensen inwijdde. Nu is het de Christus in de geestelijke wereld, die van daaruit, in het verborgene, ons mensen op onze inwijdingsweg begeleidt en de inwijding ook daadwerkelijk aan ons verricht als wij daaraan toe zijn. Alle woorden die de evangelisten ons van hem overleverden, bedoelen ons in dit geheim in te wijden. Het Mattheusevangelie eindigt met deze woorden van Jezus:

En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.[3]

Ook deze woorden bevatten een geheim – voor wie het vatten kan - : dat het Christus is, die met ons is, die ons begeleidt vanuit de geestelijke wereld. Dat betekent dat Hij zelf meestal verborgen, onzichtbaar voor ons is. Maar als onze geestelijke ogen geopend worden, zullen wij weten mat dat zekere weten van ons hart (en dat is dus gnosis) dat Hij het is die ons leidt en stap voor stap verder brengt op de weg van onze inwijding, waarop de geheimen van God ons geopenbaard worden. Ons hart weet immers, wat voor het verstand verborgen blijft.

[1] Mattheus 7:3
[2] Mattheus 10:37
[3] Mattheus 28:20
 
 
 
 
 10. Esoterische levenswijsheid

 

Hans Geisler

 

Ons tegenwoordig wereldbeeld is afhankelijk van het functioneren van onze vijf zintuigen, zoals die nu eenmaal zijn. Het wordt daarom onvermijdelijk beperkt door de sensitiviteit respectievelijk sensibiliteit, door de prikkel- of waarnemingsdrempel van deze zintuigen. Talloos veel andere wereldbeelden en belevingsvormen zijn tot op zekere hoogte denkbaar, afhankelijk van de aard en de structuur van het zintuiglijke apparaat dat een gevoelig waarnemend bewustzijn ter beschikking staat.

Thans rijst nu de vraag waar dit bewustzijn in de mens gezocht moet worden. De materialistische wetenschap beschouwt het bewustzijn van de mens als een functie van de stoffelijke hersenen, wat het echter beslist niet is. Maar ook in het Westen kunnen de psychologen, fysiologen, biologen, antropologen en ten slotte ook de meeste filosofen de vraag naar de zetel van het menselijke bewustzijn niet beantwoorden. Er bestaan wel veel hypothesen, bij voorbeeld dat de hypofyse (pijnappelklier) een soort schakelstation voor het zelfbewustzijn en het bewustzijn van de buitenwereld zou zijn. Leerstellingen uit het Verre Oosten vermoeden het bewustzijn en de kennisvorming zelfs in de hartstreek.

Na alles wat de vragende, onderzoekende en experimente­rende mensheid tot nu toe bekend is geworden schijnt het zo te zijn, dat het menselijke individuele bewustzijn een deel van een alomvattend, eeuwig en oneindig albewustzijn (het oerbewustzijnsprincipe) is en dus anatomisch niet kan worden gelokaliseerd. Uitspraken van denkers en kennis­theoretische filosofen uit de oude en de moderne tijd zeggen het zeer duidelijk: De enige realiteit in het gehele universum is de bewustheid, die in oneindig veel vormen en graden op zichzelf inwerkt en daardoor de wereld (het universum) schept en in stand houdt. (Alan Leo: 'De schepping is een spel van het goddelijke oerbewustzijn met zichzelf.')

Dat het menselijke bewustzijn niet van de stoffelijke hersenen afhangt of zelfs daarmee identiek is, blijkt onder andere daaruit dat de zogenaamde mentale of astrale reizigers, die hun fijnstoffelijk lichaam van hun grofstoffelijk omhulsel vermogen los te maken (uit hun lichaam 'uittreden') zonder dat zij hun stoffelijk brein meenemen, ten volle bewust zijn en zelfs hun achtergelaten lichaam (natuurlijk met de stoffelijke hersenen) op het bed zien liggen. Aan het feit dat mentale en astrale reizen mogelijk zijn, zullen degenen die de desbetreffende goede vakliteratuur gelezen hebben, niet meer twijfelen. Er bestaan zelfs methoden het vermogen tot 'uittreden' bij zichzelf te ontwikkelen, maar ik wil er in dit boek niet dieper op ingaan, omdat we immers geen onderzoek naar het hiernamaals willen instellen, maar middelen en wegen willen zoeken om beter vat te kunnen krijgen op ons leven binnen het aardse bestel.

Bij natuurvolken, wier wereldbeeld zich hoofdzakelijk uit eigen ervaring heeft gevormd en is samengesteld, staat het bestaan van een 'zielenlichaam' onafhankelijk van een vleselijk lichaam buiten kijf. Wie enigszins bekend is met de oosterse religies zal zich herinneren dat daar sprake is van verscheidene, elkaar doordringende fijnstoffelijke respectie­velijk psychisch-geestelijke lichamen (dragers van het bewustzijn) met trillingsfrequenties van verschillende hoogte. Er is geen reden om  aan deze duizenden jaar oude ervaringen en kennis a a-priori te twijfelen alleen omdat zowel de schoolpsychologie van het marxistische Oosten als die van het Westen het daarmee niet eens zijn.

Het eigenlijke hogere leven van de mens, dat wil zeggen zijn bewuste gedachten, gevoelens, voorstellingen, herinneringen, conclusies en beslissingen, vindt dus plaats in dit bewustzijn dat anatomisch niet gelokaliseerd kan worden. Bij de meeste mensen worden deze processen opgewekt, respectievelijk veroorzaakt, door de signalen die door middel van de vijf zintuigen worden ontvangen. Het gevolg hiervan is een wereldbeeld veroorzaakt door de van buitenaf, van de buitenwereld, op ons toe komende signalen van de zintuigen; reden waarom de wijsheidsleren iemand die het ontstaan van zijn eigen wereldbeeld niet duidelijk voor de geest staat, een exotericus noemen.

En daar de meeste mensen deze signalen van buitenaf, van het volgens Kant niet-kenbare 'ding op zichzelf', op gelijke of analoge wijze ontvangen, heeft zich in de loop der tijd het op de zintuiglijke feiten berustend wereldbeeld gevormd dat als 'harde werkelijkheid' wordt beschouwd en de basis levert voor het heersende wereldbeschouwelijke en vooral voor het dialectisch materialisme. (Er bestaat alleen dat wat ik kan zien, horen, grijpen en met de mij ter 'beschikking staande waarne­mingsapparaten of met de verfijning hiervan - meetappa­ratuur, microscoop en telescoop - kan analyseren, registreren en met elkaar vergelijken.)

De esoterie stelt zich echter met dit soort beschouwingen van de werkelijkheid niet tevreden. Zij weet immers - eveneens uit ervaring - dat het essentiële bij het beleven niet de verschillende ontvangen signalen zijn, maar de wijze waarop het bewustzijn deze opneemt en verwerkt. Zij weet dat ieder mens een van de andere mensen verschillend bewustzijn heeft en de ontvangen signalen anders verwerkt en in zijn geheugen vastlegt. Daaruit resulteert voor de esotericus de overtuiging dat hij met de verandering of verbetering van de buitenwereld bij zichzelf, dus in zijn eigen bewustzijn, moet beginnen.

Hier zij mij een korte afdwaling veroorloofd: De essentie der genialiteit bestaat daarin dat een geniaal mens (een belangrijk man van wetenschap, uitvinder, ontdekker, kunstenaar) veel meer uit de door hem ontvangen zintuiglijke signalen haalt dan de zogenaamde gewone mens (afgezien van zijn eventueel beter ontwikkeld en geoefend vermogen tot buitenzintuig­lijke waarneming). Op zichzelf staan ook de geniale mens normaal alleen de vijf zintuigen als bron van informatie ter beschikking, maar zijn verwerkend bewustzijn is beter en 'ruimer' ontwikkeld dan dat van de gewone mens. Terwijl deze laatste zich in zijn omgeving meestal slechts van alledaagsheden bewust wordt, die alle anderen ook waarnemen, werkt het bewustzijn van een genie fijner en dikwijls ook sneller, ziet en hoort het, en voelt het dingen en processen aan, waarvoor het bewustzijn van de gewone mens ofwel geen enkele ofwel slechts een onderontwikkelde antenne heeft.

Daardoor raakt het genie dikwijls automatisch in conflict met de wereld- en levensbeschouwing van de grote massa die het erover eens is geworden de buitenwereld zo waar te nemen en te interpreteren als overeenkomt met de graad van bewustzijn van die massa.

De wereldgeschiedenis toont aan dat het werkelijk zo was en heden ten dage nog zo is, dat genieën op een of ander gebied het moeilijk hadden en nog hebben hun, de heersende tijdgeest voorbij snellende en daarom dikwijls schokkende, ideeën ingang te doen vinden. Gewone mensen ervaren het in de regel als een storing in hun (als bewezen en gewaarborgd verondersteld) wereldbeeld; wanneer er iemand komt die beweert dat de gangbare opvatting der wereld in een of ander essentieel opzicht fout is. Het zijn in het bijzonder de academici die meestal onvriendelijk reageren, wanneer een niet uit hun kringen stammend genie (dus volgens onze definitie iemand die meer waarneemt) kritiek uitoefent op de vigerende wetenschappelijke status-quo. Ook genieën die uit hun eigen schoolwetenschappelijke kringen voortkwamen zijn door de lieve collega's dikwijls niet hoogstaand en tolerant behandeld. Er bestaan talloze cultuurkritische boeken waarin de foutieve interpretaties en vergissingen, de hatelijke onderlinge strijd over de verschillende meningen aan de kaak worden gesteld, reden waarom wij er hier van kunnen afzien om voorbeelden te geven. Bijna ieder van ons die zich voor de achtergronden van het leven interesseert, dus occulte en esoterische literatuur leest, zal in zijn eigen fami­lie-, vrienden- en kennissenkring desbetreffende ervaringen hebben opgedaan.

We moeten dit echter niet als tragisch opvatten. Het bewustzijn van een mens kan slechts dat begrijpen en verwerken waartoe zijn intelligentiepeil en opnamecapaciteit in staat is. Dit hangt in hoge mate van de leeftijd der ziel af, dat wil zeggen van het aantal en de kwaliteit der gedurende de incarnaties opgedane ervaringen en de daaruit resulterende kennis, die tot de schatten behoren die niet door de motten en door de roest kunnen worden aangevreten, maar het eeuwige bezit van het individu blijven. Het zou toch pure waanzin zijn van een leerling uit de eerste klas van de lagere school te verwachten of te verlangen dat hij het betoog van een professor in de theoretische fysica kan volgen en begrijpen.

De mensheid heeft altijd bestaan uit gevorderde, middelma­tige en achtergebleven dragers van bewustzijn en zo zal het wel blijven. De hier bedoelde rijpheid der ziel (intelligentie) en het eventueel veredelde intellect zijn (hierop kan niet genoeg de nadruk gelegd worden) niet hetzelfde.

Uit hetgeen hierboven werd gezegd blijkt logischerwijze dat niet alleen de kwantiteit en kwaliteit van onze buitenwereld ervan afhangen hoe ons persoonlijk bewustzijn de ontvangen signalen verwerkt, maar ook dat de geestelijk-psychische verdere ontwikkeling van de enkeling afhankelijk is van de kwaliteit en de wijze van functioneren van zijn bewustzijn.

En hier kan worden vastgesteld dat alle religies, filosofieën, ideologieën, geheimenleerstelsels en PSI-trainingsmethoden naar een of andere verandering in het bewustzijn streven, in het bijzonder naar een verruiming van het bewustzijn.

Een bewustzijn heeft ieder normaal mens, alleen is het - als bij een kind - nog min of meer nauw en onontwikkeld of ruimer en fijngevoeliger. Er zijn, zoals wij allemaal weten, zeer sensitieve, op de fijnste trillingen reagerende mensen en ook lieden waarvan de volksmond zegt dat ze een gemoed als van een slagershond hebben. Welnu, misschien hebben wij allen in de loop van onze geestelijk-psychische ontwikkeling tot dat wat we nu zijn, ook eens zo'n gemoed als van een slagershond gehad, en waren we mensen die alleen zuiver realistisch-materialistisch vermochten te denken en te reageren. Wie echter een boek als dit leest, toont daarmee reeds aan dat hij wat het bewustzijn betreft de kinderjaren ontgroeid is. Hij begrijpt dat wij in deze wereld toch niet helemaal zo eenvoudig zijn als de meerderheid van onze tijdgenoten zich dat voorstelt, voor wie een banksaldo van zes cijfers, carrière, goed eten en drinken etc de voornaamste inhoud van hun leven uitmaken.

Alleen al de gedachte dat de mens na zijn lichamelijke dood bewust in een andere wereld verder leeft, dat de soort en kwaliteit van zijn leven in het hiernamaals er in hoge mate van afhangt hoeveel schatten aan ervaring en kennis hij op aarde heeft vergaard en bewust heeft verwerkt, is voor de zuivere materialist en realist aanleiding tot openbare spot en energieke ontkenning. Overigens volkomen begrijpelijk.

De voldoende geïnformeerde esotericus weet echter dat er mogelijkheden zijn, zijn bewustzijn niet alleen met de door de vijf vleselijke zintuigen overgebrachte signalen te voeden, maar dat er ook mogelijkheden bestaan tot het vergaren van kennis van bovenzinnelijke en buitenzintuiglijke aard. De energieën en trillingen waarom het hier gaat, worden onder het overkoepelende begrip PSI-krachten samengevat.

En wanneer de lezer thans vraagt: is het voor de mens dan mogelijk doelbewust op zijn eigen bewustzijn in te werken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja zeker, dat is mogelijk!' De grote wijze en verlichte mannen, de filosofische en religieuze genieën hebben dit eensgezind beweerd en er ook ten dele naar geleefd.

Samengevat: Het is mogelijk het bewustzijn te beïnvloeden en te veranderen, in het bijzonder met behulp van PSI-krachten, die een hogere en daardoor effectievere trillingsfrequentie hebben dan de normaliter uit de materiële buitenwereld ontvangen signalen. En hoe men deze normaliter superieure energieën kan herkennen en voor zijn persoonlijk leven (niet voor wereldomvattende reddingsacties!) kan gebruiken, daarvoor wil dit boek enige bruikbare aanwijzingen en toepassingen geven.