Allerlei auteurs waarvan er meerdere boeken op mijn boekenplanken staan

01. Frederik van Eeden - 02. Marten Toonder - 03. Paul van Ostaijen - 04. Hubert Lampo - 05. Marianne Fredriksson - 06. Paulo Coelho - 07. Joanne Klink - 08. Henri de Vidal de St.Germain - 09. Toon Hermans - 10. Hans Stolp - 11. Mellie Uyldert - 12. Deepak Chopra - 13. Edgar Cayce - 14. Jozef Rulof -
 
 
 
 01. Frederik van Eeden
 
 
 
 
Mijn absolute nummer één. Niet enkel één plank is gevuld met zijn boeken, maar een halve boekenkast. Vandaar dat ik ook een aparte website over Frederik van Eeden heb gemaakt. Daar vind je heel veel info en volledige boeken. 
 
 
 
 
02. Marten Toonder

 

De schepper van de Bommelsaga wordt geboren in 1912 in Rotterdam. Zijn Groningse wortels zijn in zijn taalgebruik regelmatig op te merken. Hij groeit op met zijn broer Jan Gerhard en schept als kind zijn eigen fantasiewereld, omdat zijn - als kapitein immer afwezige - vader en zijn aan depressies lijdende moeder weinig opvoedkundige invloed op het tweetal uitoefenen.
Na de HBS maakt Marten Toonder een zeereis met zijn vader naar Zuid Amerika, waar hij onder invloed komt van het tekenwerk van Dante Quinterno (die door Walt Disney is opgeleid).
Omdat hij striptekenaar wil worden, gaat hij naar de kunstacademie in Rotterdam. Maar deze opleiding spreekt hem totaal niet aan, zodat hij die dan ook spoedig vaarwel zegt.
Als tekenaar bij de Rotogravure Maatschappij in Leiden bekwaamt hij zich in het vak door vervolgstrips te tekenen voor verschillende bladen. Zo moet hij de strip van Bruintje Beer in het Nieuwsblad van het Noorden vervangen door een strip over Bruintjes verre neef: Thijs IJs. Samen met zijn broer Jan Gerhard (die de tekst schrijft) vervaardigt hij 52 Thijs IJsverhalen.
In 1935 trouwt Toonder met zijn buurmeisje Phiny Dick. Ook zij heeft tekentalent. Zo schrijft en illustreert zij de verhalen van o.a. Miezelientje, de vrouwelijke tegenhanger van Tom Poes. Verder is van haar bekend de strip van Olle Kapoen.

In 1938 gaat Toonder werken in Amsterdam bij uitgeverij Diana, waar hij met de eerste Tom Poes tekeningen op de proppen komt.

In 1941 moet de Telegraaf - vanwege de oorlog - de Mickey Mouse-strip beëindigen. Toonder wordt gevraagd een vervangend stripverhaal te verzorgen. Het wordt Tom Poes. Het eerste Tom Poesverhaal (Tom Poes ontdekt het geheim van de Blauwe Aarde) begint op 16 maart 1941 en is al meteen een succes. In het derde verhaal (Tom Poes in de tovertuin) verschijnt heer Bommel ten tonele, wiens rol steeds belangrijker wordt.

Samen met Joop Geesink worden tekenfilms gemaakt. Maar tenslotte gaan Geesink en Toonder uit elkaar en worden de Toonder studio's opgericht. Tijdens de oorlog duiken steeds meer mensen onder in Toonders bedrijf en hij raakt verzeild in de illegaliteit omdat hij - met de Studio's als dekmantel en met een eigen drukkerij - in staat is documenten te vervalsen. Ook werkt hij mee aan het illegale blad 'Metro'.
In 1944 wordt de Telegraaf een 'SS-krant'. De grond wordt Toonder nu te heet onder de voeten, maar als hij zelf zou onderduiken zou hij vele mensen in gevaar kunnen brengen. Hij besluit zichzelf manisch-depressief te laten verklaren, zodat het verhaal 'Tom Poes en de Chinese Waaier' halverwege stopt. Tom Poes en heer Bommel duiken letterlijk onder (BV 23, strook 1079).

Na de oorlog begint de Tom Poesstrip zijn zegetocht, ook in het buitenland. Ook de stripverhalen van Kappie en Panda verschijnen nu. Veel bekende striptekenaars werken in de Toonder Studio's, zoals Hans Kresse, Ben van 't Klooster, Walling Dijkstra, Dick Matena, Lo Hartog van Banda, enz.
De Bommelsaga verschijnen vanaf 1947 in de Volkskrant en in de Nieuwe Rotterdamse Courant (later NRC-Handelsblad). Ook verschijnt de strip van Koning Hollewijn.

Tot zijn verbazing wordt Toonder in 1954 benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waardoor de kritiek uit de officiële literaire wereld grotendeels verstomt. Vanaf dit moment wordt Toonders werk algemeen erkend als behorend tot het Nederlandse culturele erfgoed. De verhalen zullen echter in de loop der jaren alleen nog maar in kwaliteit toenemen.
In 1964 vertrekt Toonder met zijn vrouw naar Ierland, om zich geheel te wijden aan de Bommelsaga, alle zakelijke beslommeringen achter zich latend.

In 1967 bereikt de hoofdredacteur van de 'Bezige Bij', Geert Lubberhuizen, voor Toonder de ultieme erkenning door zijn saga uit te geven in de serie 'Literaire Reuzenpockets'. Om de literaire kwaliteit van de verhalen te benadrukken, worden de tekeningen verkleind en de tekst vult het grootste deel van de pagina, zeer tot verdriet van de notoire stripliefhebbers, die Toonders tekeningen nu met een vergrootglas moeten bekijken. Met 48 delen (per deel 2 of 3 verhalen) wordt het grootste deel van Toonders oeuvre op deze wijze uitgegeven. De eerste 45 verhalen worden echter niet meer uitgegeven, wat een stroom aan illegale drukwerkjes oplevert, die onder de toonbank aan bommelfans geleverd worden. Dan besluit Toonder ook deze verhalen nog één keer uit te geven, maar dan in het vertrouwde oblongformaat.

In 1982 stelt Toonder het verhaal 'Heer Bommel en de Andere Wereld' (BV163) beschikbaar als boekenweekgeschenk.

Toonders grootste passie, de tekenfilm, heeft wel veel geld gekost, maar is eigenlijk nooit verwezenlijkt. Maar in 1983 verschijnt er dan toch een avondvullende Bommelfilm 'Als je begrijpt wat ik bedoel'. Toonder is echter niet erg tevreden met het resultaat.

In 1986 beëindigt Toonder de Bommelsaga met het verhaal BV 177 'Het Einde van Eindeloos'.
In 1990 sterft zijn vrouw Phiny Dick.

Toonder schrijft een autobiografie in 3 delen: 'Vroeger was de aarde plat', Het geluid van bloemen' en 'Onder het kollende meer Doo'.

In 1996 hertrouwt Marten Toonder met de componiste Tera de Marez Oyens. Drie maanden later overlijdt zij. Hij schrijft daarna het boek 'Tera', als epiloog op zijn autobiografie.
Wegens problemen met zijn gezondheid verhuist Toonder in 2001 terug naar Nederland. Het overlijden van zijn eerste en tweede vrouw en drie van zijn vier kinderen heeft een stempel gezet op zijn late levensjaren.

In 2001 verschijnt van hem een boekje met korte verhalen, getiteld: 'We zullen wel zien'.
In 2002 wordt, ter gelegenheid van Toonders 90ste verjaardag een monument voor hem onthuld in zijn geboortestad Rotterdam. Ter gelegenheid daarvan wordt het boek 'Zoek De Grein' uitgegeven.
In hetzelfde jaar verschijnt het boek 'De Kunst Van Toonder', waarin tekeningen en schilderwerk van hem zijn afgedrukt.

Tenslotte zijn de 177 Bommelsaga uitgegeven in 40 kloeke delen als 'Volledige Werken' door uitgeverij Panda te Den Haag, waarbij alle tekeningen weer op dezelfde grootte zijn afgedrukt in de dagbladen. De delen verschijnen successievelijk van 1990 tot 2002

Lees meer op Toonder en O.B. Bommel 01 en Toonder en O.B. Bommel 02
 
 
 
 
 03. Paul van Ostaijen
 


Leopold Andreas (Paul) van Ostaijen (Antwerpen, 22 februari 1896 – Miavoye-Anthée, 18 maart 1928) was een modernistisch Vlaams dichter en prozaschrijver. Bij het grote publiek is hij vooral bekend om gedichten als 'Huldegedicht aan Singer', 'Rijke Armoede van de Trekharmonica', 'Alpejagerslied', 'Boem Paukeslag', 'Avondgeluiden', 'Melopee' en 'Marc groet 's morgens de dingen'.

Paul van Ostaijen is - net als Frederik van Eeden - een kunstenaar waar ik een zeer sterke band mee voel. Heel vreemd want beide waren al lang overleden voordat ik het levenslicht zag. En toch voelt het alsof ik hen altijd heb gekend en alsof er een hechte familieband bestaat tussen deze auteurs en mezelf. Bij van Eeden kwam dit gevoel pas opduiken toen ik al volwassen was; bij Paul van Ostaijen voelde ik dit van toen ik pas een jaar of 13 was. Het gevoel is ook nooit weer weggegaan. Ik ga er dus maar vanuit dat er ergens een geestelijk verband is, zoals ik beschreef in mijn gedicht/liedje over reïncarnatie.
 
 
Avondgeluiden


    Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
    van de blauwe velden langs de maan
    's avonds hoort gij aan de verre steenwegen
    paardehoeven
    dan hoort gij alles stille waan
    van verre maanfonteinen zijpelt plots water
    - gij hoort plots het zijpelen
    van avondlik water -
    de paarden drinken haastig
    en hinniken
    dan hoort men weer hun draven stalwaarts


Melopee


    Onder de maan schuift de lange rivier
    Over de lange rivier schuift moede de maan
    Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

    Langs het hoogriet
    langs de laagwei
    schuift de kano naar zee
    schuift met de schuivende maan de kano naar zee
    Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
    Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee


Marc groet 's morgens de dingen
 
Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn



Lied voor mezelf
 
Mijn Heer, mijn schip is op de zee.
Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu;
wie klaagt, draagt hij niet met zich mee
bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd?

Mijn schip zal niet liggen blijven aan de ree,
te luisteren naar het spelemeien van der tijen eb' en vloed,
niet onder morose zegenrege', noch onder zonnevree,
mijn schip moet in de storm mee op zee.

Ik heb betrouwen in mijn boot, doch de baren slaan zo hoog,
reeds over de voorsteven, reeds over de achtersteven.
Als weer de zee vol vrede en rust is, zal dan het wrak van mijn boot
niet mededrijven naar de ree?

Ik ben een koen kind dat niets weet van de kloof
die ligt tussen dood en leven.
Kan een boot, mijn Heer, vergaan
die niets draagt dan het licht gewicht van mijne blauwe ziel?

En zo mijn boot nochtans vergaat, mijn Heer,
kan ik dan zondigen nog?
Neen... neen... Al de stemmen zingen mij: Ga mee op zee,
met de baren van Kristus, met de baren van de Lorelei


Zijn 'zelfportret'

Ik ben geboren. Dit moet worden aangenomen, alhoewel een absoluut-objektief bewijs niet is voor te brengen. Axioom is het domein van de subjektieve ervaring. Objektief is het slechts gissen. Dus: zijn wij geboren? Zien. Tasten. Maar lachen om het weinig overtuigende van dit bewijs. Ik vraag; Wie is wel degelijk geboren?

Op tweejarige leeftijd: spoorwegramp. Schrik zonder kennis daargelaten, geen boze gevolgen. In de zware struggle for life met bitterheid daarover gemediteerd. Mijn leven begon met ontsporing. Zó begrijpelijk dat ik het leven steeds van deze zijde beschouw; hoe ontspoor ik op de voordeligste wijze. Want dat een mens dáár is in te ontsporen, daaraan kan ik, vroeg ontspoorde, niet twijfelen. Was deze spoorwegramp wel werkelijkheid? Is zij misschien enkel lokalisatie van een vroegrijpe wil tot ontsporen? Of nog: onduidelijke herinnering van een zeer vroege 'Alpdruck'?

Mijn bloedverwanten droomden: muzikale wonderknaap. Evenwel geen talent. -- Maar toestanden uiterst gunstig. Slechts eenmaal voetbal gespeeld. Voldoende om een 10 x 2 centimeter lang op breed litteken te behouden. Ik speel geen voetbal meer. Mijnheren, ik ben een slachtoffer van de sport.

Na zorgeloos leven kamp voor het bestaan te Berlijn, Potsdam en Spandau. Niet romantisch. Fantasie is de vertelling dat ik het van liftboy tot eigenaar van een nachtlokaal zou hebben gebracht. Ben veel te primitief om vooraanstaande plaats in de samenleving te bekleden. Spijts zeer verlangend het niveau der vlaamse dekadenten te bereiken, begrijp ik mijn 'Unfähigkeit'. Op het punt leraar voor ritmisch-typografische poëzie te worden benoemd, moest ik bedanken daar niet in het bezit van een geklede jas. In de tang van de struggle f.l. sigaretteventer, oppikker (Schlepper) in dienst van een nachtlokaal alwaar naaktdansen. Eindelijk fatsoenlijke plaats door voorspraak van een vooraanstaande kunstcriticus: verkoper in een schoenmagazijn, afdeling dames. Vandaar sterke beïnvloeding. Zie: 'sikkelbeen', 'siderische slinger' = invloed schoenmagazijn afdeling D.

Zeer gelukkig om deze goede situatie, alhoewel met weemoed naar het Westen starend. Le bonheur est fait d'un je-ne-sais-quoi mélancolique (1). Brussel. O deze luxestad nog éénmaal zien. Sterven met de weelde van een Brusselse bar in perspektief. O Wonne.

Drie boeken uitgegeven: 'Music-Hall', 'het Sienjaal', 'Bezette Stad'. Misschien is ook dit slechts massahypnose. Wie kan dit bewijzen dat hij deze boeken heeft gelezen? Laat staan: begrepen. God beware: begrepen: Ik zelf heb ze niet begrepen.

(1) Het geluk is gemaakt van een melancholisch 'ik-weet-niet-wat'.

 
Meer lezen
 
 
 
 
04. Hubert Lampo
 (Antwerpen, 1 september 1920 - Essen, 12 juli 2006)
 
 
 
 

Hubert Lampo stal mijn hart bij het lezen van een van zijn eerste romans: Hélène Defraye uit 1945. De hoofdpersonen waren zo levensecht dat meegesleept werd in het verhaal op een manier alsof ik er zelf in meespeelde. Het boekje staat nog in mijn boekenkast en is meerdere keren herlezen.

Hubert Lampo werd geboren te Antwerpen op 1 september 1920 als zoon van een postbediende en een onderwijzeres. In 1938 behaalt hij het diploma van onderwijzer, in 1941 dat van geaggregeerd leraar. Tot 1944 geeft hij les. In datzelfde jaar wordt hij tewerkgesteld bij het Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven te Antwerpen. Na zijn militaire dienst wordt hij journalist-kunstcriticus. Hij oefent dit beroep uit tot 1965. Hij speelde een actieve rol in de Vlaamse letterkundige wereld, o.m. als redactiesecretaris van het "Nieuw Vlaams Tijdschrift". Ondertussen werd hij in 1948 tevens rijksinspecteur van de Openbare Bibliotheken. Vanaf 1965 is hij hoofdinspecteur. In 1973 werd hij voorzitter van de Vereniging van Vlaamse letterkundigen en in 1979 lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. In 1989 werd hij vereerd met de titel van eredoctor aan de universiteit van Grenoble. Hubert Lampo huwde driemaal. Hij woont thans in Grobbendonk.

Hubert Lampo debuteerde met de roman "Don Juan en de laatste nimf" (1942), gevolgd door "Hélène Defraye" (1945) en "De ruiter op de wolken" (1948). Deze werken zijn psychologische romans waarin misterieuze supra-rationele verbanden gesuggereerd worden, hetgeen zijn latere magisch-realistische strekking reeds doet vermoeden. In "Triptiek van de onvervulde liefde" uit 1947 ontpopt Hubert Lampo zich dan ook naast Johan Daisne als grondlegger van het magisch-realisme (1) in Vlaanderen. Zoals Daisne combineert Lampo de weergave van realiteit en fictie met als resultaat een nieuwe psychologisch samenhangende werkelijkheid.
 
In tegenstelling tot Daisne echter, maakt Lampo hierbij ook gebruik van parapsychologische (2) elementen en bepaalde interpretaties van de cultuurgeschiedenis. De schrijver lijkt hierbij inspiratie gevonden te hebben in Jungs archetypenleer. Zo o.a. verwijst in "De komst van Joachim Stiller" (1960) het verschijnen van een raadselachtige verlossersfiguur naar het messias-archetype (3).
 
Ook de Orfeusmythe (4) speelt een rol in verschillende verhalen en romans. Dit komt o.m. tot uiting in "De goden moeten hun getal hebben" (1969). De schrijver verklaarde echter ooit zelf dat dit alles spontaan en intuïtief gebeurde : hij volgde gewoon zijn inspiratie en onderkende pas later de archetypische grondslagen van zijn werk.
Het latere werk van Lampo wordt gekenmerkt door meer en meer intriges en steeds diepere peilingen in het onbewuste van zijn personages. Getuige hiervan is "De heks en de archeoloog" uit 1967. Naast zijn romans schreef Hubert Lampo nog talrijke essays. Hij vertaalde ook uit vreemde talen, o.a. enkele romans van Françoise Sagan. Bovendien was hij ook nog gedurende 20 jaar redacteur kunst en letteren bij "De Volksgazet" en werkte hij mee aan verschillende tijdschriften.

Naast talrijke andere prijzen, ontving de schrijver in 1963 de Driejaarlijkse Staatsprijs voor zijn roman "De komst van Joachim Stiller". In 1983 kreeg hij de Prijs van de Vlaamse Provincies. In 1993 tenslotte ontving hij de Gouden Erepenning van de Vlaamse Raad. Zijn werk werd in verschillende talen vertaald en "De madonna van Nedermünster", "Kasper in de onderwereld" (= De goden moeten hun getal hebben) en "De komst van Joachim Stiller" werden verfilmd.
 
 
(1) magisch-realisme = letterkundige stroming die het leven en de wereld wil weergeven al een onverbreekbare eenheid van realiteit en droom met tevens een bovenzinnelijke dimensie
(2) parapsychologie = wetenschap der paranormale verschijnselen en begaafdheden
(3) archetype = oorspronkelijk beeld of model
(4) Orpheus = figuur uit de Griekse mythologie die met zijn gezang mens en dier in zijn ban bracht en na het verlies van zijn vrouw doelloos en eenzaam rondzwierf
 
 
 
 
 05. Marianne Fredriksson
Göteborg, 28 maart 1927 – Österskär, 11 februari 2007
 


Marianne Fredriksson (1927) groeide op in Göteborg, na Stockholm de grootste stad in Zweden. Haar ouders waren politiek geëngageerd en trokken zich het lot van de arbeiders aan. ‘Eigenlijk waren ze zelf geen arbeiders. Mijn vader was een kleine ondernemer, hij bouwde schepen. Mijn moeder was huisvrouw en zorgde voor de twee kinderen. Het sprak voor zich dat ik de middelbare school zou volgen. Daar heb ik me een objectiever beeld van de burgers kunnen vormen.’

Na haar studie ging Fredriksson direct als journaliste aan de slag bij de lokale krant Göteborgstidningen, waar ze scheepvaartverslaggeefster werd. Zo kon ze sneller in haar eigen onderhoud voorzien dan wanneer ze zich aan de kunst gewijd zou hebben. Bovendien zocht ze, net als haar vader, het avontuur. ‘Het was zwaar werk voor een jong meisje, maar juist om die reden trok het werk me aan. En ik had succes. Wat hielp was dat ik er leuk uitzag. Toen, voordat de vrouwenbeweging ons verbood onze vrouwelijkheid als wapen in te zetten, deden we dat zonder enige terughoudendheid. Ik was behoorlijk meedogenloos.’ Het talent van Fredriksson bleef niet onopgemerkt. Ze werd hoofdredactrice van invloedrijke tijdschriften als Allt i Hemmet (een woonmagazine), Vi Föräldrar (ouders van nu) en Allt om Mat (een gastronomisch tijdschrift). Maar voor haarzelf was de periode (1974-1989) waarin ze redactiechef was bij het grootste Zweedse dagblad Svenska Dagbladet het belangrijkst.

Haar twee dochters (die nu allebei als psychologe werkzaam zijn) veranderden haar leven. Het avontuur lonkte niet meer. Het moederschap vroeg alle aandacht. In 1980 verscheen haar eerste roman, Evas Bok (Het boek van Eva), de geschiedenis van de eerste vrouw. Tot dan toe had Fredriksson geen plannen voor een literaire loopbaan. ‘Eigenlijk lag de basis voor het schrijven van literatuur al zo’n acht jaar eerder. Ik had veel succes in mijn werk en een evenwichtig gezinsleven. Maar ik was bang. Ik kon die angst niet beheersen en dacht zelfs aan zelfmoord. Toen greep een collega in en stuurde me naar een psychoanalytica. De analyse veranderde alles. Ik begreep langzaamaan dat ik altijd te veel van mezelf had geeïst en nog langzamer kwam het inzicht dat mijn angst heel diep en existentieel was: ik had me altijd een achtergesteld kind gevoeld.’

Na Het boek van Eva volgde in 1981 Het boek van Kaïn en Norea’s sprookje (1983). Samen met Het boek van de man die door de nacht dwaalt (1988) en De Zondvloed (1990) zijn die romans sterk in de mythologie verankerd. In 1985 verscheen het boek dat ze altijd al had willen schrijven: Simon, het boek over haar eigen jeugd. Ze kon er pas aan beginnen toen ze besloot niet een meisje, maar een jongen - een joods adoptiekind - als hoofdpersonage te gebruiken. Alleen op die manier kon ze de thematiek van het achtergestelde kind verwerken.‘Het eigenaardige is dat ik nauwelijks eigen jeugdherinneringen heb. De psychoanalyse heeft me daarbij geholpen.’ Haar laatste werk Volgens Maria Magdalena (1997), grijpt weer terug op Bijbelse motieven. Maar Fredriksson verwerkt de geschiedenis naar eigen inzicht. In deze nieuwe roman is Jezus de minnaar van Maria Magdalena, die getrouwd is met de Griek Leonidas. Bij het schrijven van Volgens Maria Magdalena voerde Fredriksson spannende gesprekken met haar personage. Het is dan alsof Maria Magdalena haar bezoekt, alsof ze een vrouw van vlees en bloed is. ‘We zijn het niet altijd met elkaar eens. Maria heeft soms een al te levendige fantasie. Maar als ze vertelt over haar gesprekken met Petrus en Paulus, moet ik haar gelijk geven. Als zij als volgelinge van Jezus was erkend, hadden we een ander soort christendom gehad. Er zijn volgens haar zaken overgeleverd die niet op waarheid berusten. Jezus wilde geen wetten of geboden, integendeel, hij wilde er vanaf. Hij had geen vooroordelen. Maria is ervan overtuigd dat Jezus te groot was voor de mensen.’

Tot voor kort was Marianne Fredriksson in Nederland een volslagen onbekende auteur. In Zweden zijn al haar romans bestsellers. Uitgeverij De Geus geloofde in het werk van Fredriksson en introduceerde Anna, Hanna en Johanna dat in Zweden in 1994 uitkwam en in Nederland in november 1997 verscheen. Sindsdien zijn er meer dan 132.000 verkocht in Nederland en stond het boek maandenlang nummer 1 op de top tien. Gezien het feit dat Anna, Hanna en Johanna, in 31 landen verschijnt, mag er met recht gesproken worden over een internationale doorbraak van deze auteur. In eigen land werd Fredriksson uitgeroepen tot Schrijfster van het Jaar en ontving ze de Literatuurprijs van de Noordse Raad.
 
Boeken van Fredriksson:

1980     Het boek Eva
1981     Het boek Kaïn
1983     Norea, dochter van Eva
1985     Simon
1988     De nachtwandelaar
1989     Het mysterie
1990     De Zondvloed
1992     Het zesde zintuig
1993     Als vrouwen wijs waren      
1994     Anna, Hanna en Johanna      
1995     De elf samenzweerders
1997     Volgens Maria Magdalena
1999     Inge en Mira
2001     Elisabeths dochter
2003     Mijn leven in Zweden
2004     Het raadsel van de liefde
2006     De kracht van een vrouw
 
Meerdere uittreksels vind je hier: Leestips en uittreksels deel 3
 
 
 
06. Paulo Coelho
 



Paulo Coelho is in Nederland vooral bekend als auteur van De alchemist. Maar de schrijver is méér dan dat. Bij De Arbeiderspers verscheen bijna zijn complete oeuvre, waaronder zijn nieuwste boek Elf minuten. De Braziliaanse meester ontpopt zich in al zijn werk als een geestelijk avonturier, die vóór alles op zoek is naar de waarheid en zichzelf.

De Braziliaan Paulo Coelho (1947) heeft een turbulent leven achter de rug. Zeer tegen de wens van zijn ouders, die hem liever een technisch beroep zagen uitvoeren, stortte hij zich al op jonge leeftijd op de literatuur. Zijn vader beschouwde Paulo’s bescheiden rebellie als een teken van gekte, en liet hem meerdere malen opnemen in een psychiatrische inrichting. Dat had averechts effect: de sancties spoorden Paulo slechts aan zich te wijden aan kunst en literatuur. Hij sloot zich aan bij een theatergroep en begon te werken als journalist. In de jaren zestig kreeg de internationale hippie-beweging voet aan de grond in Brazilië, destijds onderdrukt door een repressief militair regime. Coelho werd beïnvloed door de beweging, experimenteerde met drugs en startte een tijdschrift, waarvan slechts twee nummers uitkwamen.

Met popmusicus en goede vriend Raul Seixas raakte Coelho betrokken bij de Alternatieve Gemeenschap, een culturele verzetsbeweging. Samen publiceerden zij komische strips, gericht tegen het heersende regime. Toen aan het licht kwam wie de maker was van de strips, werd Coelho opgepakt en dagenlang gemarteld. Na deze ervaringen, die een blijvende geestelijke wonde achterlieten, besloot Coelho zijn leven als geëngageerd en kritisch kunstenaar de rug toe te keren, en verkoos de anonimiteit.

Eind jaren zeventig maakte Coelho een rondreis met zijn vrouw door Europa, waar het echtpaar onder andere het concentratiekamp van Dachau bezocht. Daar kreeg Coelho een visioen waarin een man aan hem verscheen. Twee maanden later, in een café in Amsterdam, kwam hij deze man daadwerkelijk tegen. De twee praatten urenlang. De man raadde Coelho aan zich weer te bekeren tot het katholicisme, en een pelgrimstocht naar Santiago te ondernemen.

In 1987, een jaar na voltooiing van deze tocht, schreef Coelho zijn eerste boek, De pelgrimstocht naar Santiago. Het verscheen bij een kleine uitgeverij in Brazilië. Weer een jaar later werd De alchemist uitgegeven, het werk zou dat een enorm succes zou worden. In eerste instantie verkocht De alchemist echter matig, wat Coelho ertoe bracht zijn heil bij een andere, grotere uitgeverij te zoeken. Een goede zet: het boek werd heruitgegeven en bestormde samen met De pelgrimstocht naar Santiago de bestsellerlijsten in Brazilië. Zo groeide De alchemist uit tot het bestverkopende boek aller tijden in het Portugees.
Na Brazilië zou ook de rest van de wereld veroverd worden. In 1993 werd De alchemist uitgegeven in de Verenigde Staten, waar het een ongekend succes werd.

Hierna volgden spoedig andere landen, waaronder Nederland.

In 1994 verscheen De alchemist bij de Arbeiderspers; er zijn sindsdien meer dan 150.000 exemplaren van verkocht. Inmiddels is het boek vertaald in 56 talen en uitgegeven in meer dan 150 landen, en kan men het gerust beschouwen als een klassieker van deze tijd.

Maar zoals gezegd: Coelho is meer dan De alchemist alleen. Bij de Arbeiderspers verschenen acht boeken van zijn hand, waaronder Veronika besluit te sterven, De duivel en het meisje, en het recente Elf minuten.

Centraal thema in al zijn werk is de eindeloze queeste van de mensheid naar vrede en harmonie met het universum. Voor zijn hele oeuvre ontving Coelho in 1999 de Crystal Award van het World Economic Forum. In 2002 mocht hij toetreden tot de rijen der ‘onsterfelijken’ van de Academia Brasileira de Letras, een instituut dat in Brazilië hetzelfde aanzien geniet als de Académie Française in Frankrijk. Coelho behoort inmiddels tot de meestgelezen auteurs ter wereld. De combinatie van puur literair vakmanschap en een grote geestelijke bagage heeft hem gemaakt tot een wereldwijd cultureel fenomeen. Een terechte winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur in 2003.


Boeken van Paulo Coelho:

De alchemist
De duivel en het meisje
Veronika besluit te sterven
De vijfde berg
De pelgrimstocht naar Santiago
De Zahir
11 minuten
Strijder van het licht
Aan de oever van de Piedra huilde ik
 
 
 
 07. Joanne Klink 
 
 
 
08. Henri de Vidal de St.Germain
 
 
 
 
09. Toon Hermans 
 
 
 
Es ich neet mee zèng
brèng mich dan mer nao hoes
brèng mich trök nao mien landj
dao veul ich mich thoes
dan lik op 't veldj
die sjneewitte sjprei
en dan lik ich mich neier
in 't graas van de wei

(Toon)

Zaterdag 22 april 2000 overleed Toon Hermans. Die dinsdagmiddag is hij in besloten kring begraven op de Algemene Begraafplaats in Sittard. Toon werd 83.

Toon Hermans wilde in stilte worden begraven. In Sittard, waar hij in 1916 werd geboren en waar zijn in 1990 overleden vrouw Rietje was begraven.

Vrolijk zijn, op hem proosten, en vooral geen traan laten. Zo zou Toon willen dat we hem gedenken. Omdat het leven prachtig is en omdat Toon erop rekende dat het leven niet ophoudt bij de dood, maar het begin is van iets nieuws.

Toon leefde eigenlijk al jaren met de dood, niet alleen privé thuis maar ook op de bühne. Het was gewoon een manier om het verlies van zijn vrouw te verwerken. Wit en Rood waren de kleuren tijdens de begrafenis. Wit, de kleur van licht en hoop, en rood, de kleur van de liefde.


 
 
Bij het overlijden van Rietje


DE BRON

Dagelijks gedenk ik mijn dierbare doden, en ik
bid hun voor ons te willen bidden.
Zij zijn immers dichter bij 'de bron' dan wij.


RIETJE

Zij stierf in november.
Nu ik dit schrijf is het zomer.
Het is dus nog maar kort geleden.
Maar er is geen kort meer en geen lang.
Ze is nog geen uur dood geweest.

Nu ik haar handen niet meer aan kan
raken en haar ogen niet meer kan zien,
zijn we nóg meer dan ooit twee zielen
en één gedachte.


Gedichten van Toon Hermans
uit '75 Woorden', De Fontein 1991


 

Voor een vriend

 
nu 't rouwrumoer rondom jou is verstomd
de stoet voorbij is, de schuifelende voeten
nu voel ik dat er 'n diepe stilte komt
en in die stilte zal ik je opnieuw ontmoeten
en telkens weer zal ik je tegenkomen
we zeggen veel te gauw: het is voorbij.

Hij heeft alleen je lichaam weggenomen
niet wie je was en ook niet wat je zei
ik zal nog altijd grapjes met je maken
we zullen samen door het stille landschap gaan
nu je mijn handen niet meer aan kunt raken
raak je mijn hart nog duidelijker aan
 
(uit 'Fluiten naar de overkant')
 
Merel

HET ZAL VIER uur in de middag geweest zijn.
Ik ging de lege kerk binnen en wist niet wat ik hoorde.
In de hoge devote stilt van het oude  godshuis zong een merel.
Waar hij precies zat in de hoge gewelven kon ik niet zien, maar wat hij zong viel onuitsprekelijk mooi, woord voor woord in de serene ruimte.
Eigenlijk was ik onmiddellijk met stomheid geslagen. Ik hield m 'n adem in en luisterde met alles waarmee ik maar luisteren kon.
Niet eerder heb ik in een kerkgebouw een stem zó duidelijk iets over God horen zeggen.

Dit gezang had het pure van het hemelse.
Dit kleine gezang had had het allesomvattende, het waarachtige van de waarheid. De echo van de schepping galmde onder de eeuwenoude bogen.
Toen ben ik gaan zitten. Stil en ontroerd.

Hoe kunnen klanken zo diepzinnig zijn? Zo vervuld van liefde, zo veelzeggend?
Hoe schamel zijn dan onze woorden
die wij zo berekenend afwegen.
Hoe leeg is wat wij zingen en zeggen over God.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook niet lang heb nagedacht over wat ik hoorde, omdat ik liever dan erover te denken, wilde luisteren naar de stilte die gezang geworden was en mij zo diep van binnen raakte.

Uit: Toon Hermans - Het water is heerlijk


Kleinkind

THE NEW YORK SYMPHONY ORCHESTRA is maar 'n fluitje van 'n cent vergeleken met het geluid van mijn joelende kleinkind dat vanaf een hoge heuvel in het bos op haar kleine witgekouste beentjes naar mij toe rent en zich in m'n armen gooit. Regelrechte hemelvonken spatten om mijn oren als ze haar mondje op mijn wangen drukt. Zóveel violen als ik hoor op dit moment zijn er niet. Dit hosanna-kind jubelt mij door merg en been en om mij heen dansen de dennenbomen van het bos en het is alsof de zon er nog maar een schepje goud op gooit.

Is dit wat wij geluk noemen? Dit kind in mijn armen. Die ogen zo nieuw, bij mijn ogen zo oud? Die paar kleine spartelende woordjes bij mijn bedachtzame gepraat? Zij wekt uit mijn stilte de toeters en bellen van het voorjaar op en samen met haar dans ik door het groen.

Zeg niet dat er geen engelen zijn, want ze zijn er wel. Hele trossen, hier en overal. Gelukkigmakende ogen die liefde losmaken diep in je binnenste. Liefde die zin en betekenis geeft aan je bestaan.

Als ik thuiskom na de boswandeling, zo vervuld van de kleine Githa, staat haar moeder al achter de glazen deur van de serre te wachten met op haar arm een engeltje van nog geen drie weken. Ze doet de deur niet open vanwege de tocht, maar door het glas zie ik meer dan genoeg. De Madonna en het kind. Een beetje Bethlehem in maart. Mijn dag kan niet meer stuk.

O kindje

o kindje
ik vind je
zo kindje

een elfje
een engel
een sintje

maar net nog
geen vrouwtje
en net nog geen man

met net nog
geen denken
en net nog
geen plan

ik kijk
in je wieg
en ik lach

ik aai je
en zwaai je
gedag
 

 
Wanneer er iets vanbinnen fout zit,
dan word je lusteloos en moe
en of je met je kont in ’t goud zit,
dat doet er dan geen flikker toe.

Toon Hermans


Nacht of avond, middag, morgen
Maak je om de tijd geen zorgen
Kraaienpoten, grijze haren
Laat je drijven op de jaren
En heb lak aan de kalender
Als je maar zeggen kunt: ik bén d‘r

Toon Hermans

XXX

’k Ben ’n druppel van de regen 
en ’n korrel van ’t zand 
’k ben ’n vonkje van ’t zonlicht 
en ’n kluitje van ’t land

’k ben ’n nootje van Sinatra
en ’n kleurtje van Van Gogh
’k ben ’n plukje van de glorie
en ’n schijfje van ’t bedrog

’k ben ’n schepje van de bergen
en ’n plakje van ’t dal
’k ben ’n deel van alle leven
’k ben ’n kind van ’t heelal

Uit: Toon Hermans - 80 gedachten

ZOEKTOCHT 

Ik heb gezocht
gevonden en verloren 
en weer opnieuw gezocht 
totdat ik het weer vond 
een mens wordt zoveel meer
dan eens geboren
en voor wie zoekt is op ’n dag
de cirkel rond
 
Uit: Toon Hermans - 80 gedachten


Toen ik een kind was, hing er op mijn slaapkamertje een schilderij dat ik vanuit mijn bed kon zien. Er stond ’n engel op afgebeeld die zijn sterke krachtige vleugels uitspreidde boven het hoofd van een klein jongetje, dat door ’n rotsgebergte liep, terwijl ’n hevige stormvlaag stukken steen naar beneden joeg in de richting van het argeloze kind.

Dat beeld is mij bijgebleven, In het stadje waar ik leefde, waren weinig bergen, dus ook weinig vallend gesteente, maar toch gaf het mij een veilig gevoel iemand in m’n nabijheid te hebben, die me in bescherming nam als de boze geest dreigend mijn kant op kwam.

  Dat gevoel is mij bijgebleven. Ik heb het zelfs uitgezongen in het theater:

  Ik had een eigen engel, die heette Gabriël
  die engel had ik nodig want ik kneep ’m als de hel
  hij sloeg meteen z’n vleugels uit bij elk gevaarlijk spel
  ’n heilig soort gevogelte, mijn engel Gabriël

Uit: Toon Hermans - 80 gedachten

 
 
 
 

"PIEP’
 

Als je in je gebeden praat met Franciscus, dan praat je regelrecht met Franciscus.
  Je hoeft je ook niet af te vragen:
  ’Met wie spreek ik?’
  Je spreekt in zekere zin wel met jezèlf, maar óók met hem in jou.
  Er is nooit een antwoordapparaat. Je kunt onmiddellijk praten en zeggen wat je wilt en je hoeft dus ook niet te wachten op de ’piep’.
  Gek hè? Als je over zo’n onnozele ’piep’ begint, voel je direct de engheid van het aardse leven, het apparaat, het snoer, de hoorn aan je oor.
  Als zielen spreken is dat er allemaal niet bij, dan is alles mogelijk.

Uit: Toon Hermans - 80 gedachten 
 
 
 
 
 
 
10. Hans Stolp 
 
 
 
11. Mellie Uyldert 
 
 
 
12. Deepak Chopra 
 
 
 
13. Edgar Cayce 
 
 
 
14. Jozef Rulof