Boeken die ik heb gelezen en die ik graag aanbeveel

01. Harry Mulisch - De ontdekking van de hemel - 02. Henk Fransen - Bondgenoot - 03. Paracelsus - Laat iedereen zijn eigen koning zijn - 04. Marianne Fredriksson - De nachtwandelaar - 05. Ik geloof het wel – Annemiek Schrijvers en Hein Stufkens - 06. Het Jezus Mysterie – Bernd Kollmann - 07. Veronika's drievoudig licht - Manfred Kyber - 08. Heiliging - J. Anker Larsen - 09. Roes - J. Anker Larsen - 10. Hansen - J. Anker Larsen -  11. De Steen der Wijzen - J. Anker Larsen - 12. Martha en Maria - J. Anker Larsen - 13. Dierenverhalen vol wijsheid en symboliek - Manfred Kyber - 14. De geschiedenis van ‘De Steen en de Fluit’ - Hans Bemmann – 15. Simon - Marianne Fredriksson

 
 
 01. Harry Mulisch - De ontdekking van de hemel
 
 
 

De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch is een van de zeldzame meesterwerken uit de moderne literatuur. Een boek waarin alles met alles samenhangt, een boek dat betovert en dat niemand ongelezen kan laten.

God is teleurgesteld geraakt in de mens en is vastbesloten zijn contract met de mensheid, de Tien Geboden van Mozes, in te trekken. Om dit te bewerkstelligen, werd een engel belast met de taak om het testimonium - de Stenen Tafelen - weer terug te krijgen in de hemel. Hiervoor worden de levens van de onwetenden Max Delius en Onno Quist van hogerhand gestuurd, met verstrekkende gevolgen.
 
 
 
 
Uittreksel

Hier wordt een levensvonk, door de engel, voorbereid op haar incarnatie en levensopdracht als mens

 – Vonk! Ja, jij! Drijf naar mij toe in langzaam wentelende parallellepipeda door dit witter dan witte Licht, dat hier van alle kanten straalt en klinkt, waar wij door omgeven en van doordrongen zijn, zelf een deel er van, licht in Licht, harmonie in Harmonie. Wie zou weg willen uit dit pneumatische areaal, waar elk deel samenvalt met het geheel, waar het geheel in elk deel is, en waar dan hier, dan daar figuren gestalte aannemen en verdwijnen, driehoeken, cirkels, ellipsen, hyperbolen, bollen, kegels, kubussen, octaëders, dodecaëders, waar buitelende sferoïden opglanzen en vervloeien in de oneindige harmonie van het Oneindige Licht, waarin jij een singulier punt bent, nee, een harmonisch klinkend snaartje Licht.

Kun je hier weg? Kijk, daar, bij die convexe polygoonsector, daar gaat er een: floep, weg, – even trilt er nog iets, een zwak nabeeld, een kleine stilte, dan sluit het Licht zich en het is of er niets is gebeurd. Maar er is iets gebeurd. Kijk om je heen, je ziet het overal gebeuren, onafgebroken. Waar gaan ze heen? Kijk goed – je ziet ook Vonken terugkomen in het Licht: daar, en daar, en daar. Is er dus nog iets anders dan dit eeuwige domein? Kijk nu in jezelf, in dat vast aaneengesloten licht dat je bent, waar geen speld tussen te krijgen is, – zit er niet toch nog juist een speld tussen? En is die speld niet een zeker onbestemd verlangen, dat altijd bij je is en dat je daardoor niet beseft, zo min als de lichtende harmonie die je bent door er een deel van te zijn? Een soort heimwee, ofschoon je nooit ergens anders bent geweest dan hier? Is het niet alsof zelfs de volmaaktheid niet volmaakt is? Het Licht niet helemaal lichtend en de Harmonie niet helemaal harmonisch?

Ja, je moet het nu weten: deze wereld is niet de enige. Er is nog een andere wereld. Ik kan het niet bewijzen, je moet het geloven, je moet de stap wagen en pas dan zul je het waarlijk ervaren. Er is een aarde. De aarde bestaat – als de binnenste kerker van het Rijk der Archonten. Het heeft geen zin je daar veel over te vertellen, of zelfs maar weinig, want je zou het niet begrijpen. Je zou zelfs niet begrijpen wat je niet begrijpt, want je weet nog niet wat ‘niet’ is. Zo is het op aarde niet altijd licht, – maar ook dat gaat je begrip al te boven. Ik kan net zo goed niets zeggen, maar ik zeg het toch: misschien uit afgunst, omdat ik daar nooit zal kunnen wonen.

Op een even verklaarbare als raadselachtige manier is het er soms licht, soms donker; maar zelfs het aardse licht van de zon is Duisternis vergeleken met ons Licht. Het is als het ware de schaduw van het onze, en de schaduw van die schaduw is het gif van de aardse duisternis. Ik besef dat ik het niet aanlokkelijk maak om naar die onzuivere, verwarde wereld te vertrekken, maar ik wil niemand iets voorspiegelen, zelfs al begrijpt hij mij niet. En juist omdat je mij niet begrijpt, zal ik nu het diepste geheim onthullen.

Zoals in ons Licht de kiem van de Duisternis schuilt, zo neigt de Duisternis naar ons Licht en heeft het lief. Door er heen te gaan, breng je het Licht er heen, en de enige manier om het Licht er heen te brengen is door er heen te gaan. Deze kosmische mesalliance behelst uiteindelijk ook de zin van onze wereld. Dat wil zeggen, pas door op te breken naar die regio van zwart licht, leugen, bedrog, geweld, moord, ziekte en dood maak je jezelf zinvol. Verreweg de meeste van het oneindige aantal Vonken – wanneer ik zo mag spreken – zullen die gelegenheid nooit krijgen, want zij zijn gereserveerd voor gelegenheden die zich nooit zullen voordoen. Voor hen zal de eeuwigheid nooit plaatsmaken voor de tijdelijkheid en de eindigheid.

Maar jij behoort tot die kleine, uitgelezen schare, die aan de beurt komt. En er is al heel wat geïnvesteerd in het mogelijk maken van jouw vertrek – meer dan je, voor je eigen gemoedsrust, ooit zult weten. En die investering is gedaan omdat je een opdracht mee zult krijgen, die alleen jij je zult weten te herinneren. Maar je zult hem je niet herinneren als een herinnering, je zult denken dat het je eigen idee is, een fantastische inval. Want zo min als je hier iets weet van de aarde, zul je op aarde nog iets van deze wereld weten. Alles zul je er van vergeten. Als wij ter sprake komen, zul je de schouders ophalen die je dan zult hebben. Want terwijl je op weg naar de aarde in een punt des tijds door de driehonderdvijfenzestig aeonen, werelden en geslachten zakt, zul je steeds zwaarder worden, steeds meer rommel uit die kosmische sferen zal zich aan je vasthechten, omhulsels, kleren, aangroeisels, slakken, dood gewicht, dat je besef van het oorspronkelijke Licht bedekt, net zo lang tot je eindelijk in de duistere gevangenis van de geest en het vlees valt en ten slotte geboren wordt als een mens. Dat wil zeggen als een wezen dat niets meer weet, zelfs niet wat het zelf is, namelijk Licht, – als een slapende. Dat geldt ook voor jou. Maar tegelijk ben jij anders dan de anderen.

Alle anderen zijn slapenden, die ontwaken moeten: door geloof en kennis. Alleen dan is er voor hen een weg terug. Maar de zware aanhechtsels hebben hen meestal verzoend met het leven op aarde, zij zijn vergeten dat zij daar vreemdelingen zijn en zij zijn dan wat zij denken dat zij zijn: dat is de grootste bedreiging voor hun terugkomst. Jij zult het makkelijker krijgen. Uit technische overwegingen, hebben wij tot de Vipprocedure besloten. En nu – nu is jouw ogenblik daar, alles is klaargekomen voor je ontvangst. Vaarwel! Ga! Nu! Bezorg ons het testimonium terug! Adieu!
 
 
Meer over de auteur
 
Meer over het boek
 
 
 
02. Henk Fransen - Bondgenoot

Autobiografie van een immuuncel.



 

De Auteur:

Henk Fransen studeerde in 1985 als arts af aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Direct na zijn studie werkte in het stervenstehuis van Moeder Teresa en in ziekenhuizen in Afrika. Terug in Nederland specialiseerde hij zich in het zelfgenezende vermogen van mensen en schreef twee boeken over dit onderwerp. Eind jaren negentig was hij directeur van een trainingsbureau en ontwikkelde hij programma’s op het gebied van stressmanagement. De laatste jaren werkt hij samen met zijn partner Marjolein Engbers, leidt hij mensen op in zijn werkwijze en geeft geregeld nascholing aan artsen, psychologen en natuurgeneeskundigen.

Henk Fransen is arts, auteur en internationaal spreker op het gebied van gezondheid en de zelfgenezende vermogens van de mens. Hij legt de essentie van zelfgenezing bloot op zowel lichamelijk-, emotioneel-, denk-, sociaal- als ook op zingeving niveau. Hij kan als geen ander het volledige spectrum van lichamelijke ziekten, energetische blokkades tot en met optimale vitaliteit en zingeving in perspectief zetten en met elkaar in verband brengen. De eigenheid van de persoon en zijn of haar specifieke levensopdracht nemen daarbij ook een belangrijke plaats in.”

WEBSITE   

 
Het boek:

Dit boek is in de ik-vorm geschreven. De 'ik´ is een immuuncel, Bondgenoot geheten. Bondgenoot beschermt de mens tegen vijanden en herinnert alle cellen aan hun unieke opdracht. In dit meeslepende, super originele verhaal bindt bondgenoot de strijd aan met leegte, die de mens dreigt te vernietigen. Het lijkt aanvankelijk een hopeloze strijd: leegte is een geducht tegenstander en de behandelingen van Witjas maken het er ook niet veel beter op... Geholpen door het hart en Stem komt Bondgenoot echter tot diepere inzichten, zodat hij uiteindelijk zijn kroon verdient: hij buigt zijn teleurstellingen en pijn om in het voordeel van de mens en draagt zo bij aan de genezing van de mens.

 
Citaat:
Liefste, ik houd van jou, je bent zo mooi!
 
Uittreksel:


Hoofdstuk 1
 
Uiteindelijk heb ik de leegte in mezelf overwonnen en ben ik tot volledige ontplooiing gekomen. Maar nu loop ik wel heel ver op de zaken vooruit. Laat ik bij het begin beginnen.

Ik ben één van de cellen van de mens. Om precies te zijn: ik ben een immuuncel. De andere cellen spre­ken mij aan met 'Bondgenoot'. Mijn thuisbasis is het beenmerg. In tegenstelling tot de meeste andere cel­len, verblijf ik niet in één bepaald orgaan, maar ben ik voortdurend op reis in de mens. Ik doorkruis daar­bij ieder orgaan en verbind me met iedere cel.

Ik heb een dubbele taak, namelijk die van soldaat en die van politieagent. Enerzijds bescherm ik de mens tegen vijanden en indringers, anderzijds bewaak ik de orde en harmonie in het lichaam.

Zo dood ik bacteriën en virussen wanneer ze de mens bedreigen en treed ik op tegen cellen die hun werk niet goed doen. Op die manier probeer ik de mens te helpen gezond te blijven en goed te functioneren.

Toch gaat de vergelijking met een soldaat of een poli­tieagent niet helemaal op, omdat ik ook nog andere taken heb. Zo herinner ik alle cellen bijvoorbeeld aan hun eigen, unieke opdracht en moedig ik ze aan hun werk zo goed mogelijk te doen. Ook versterk ik het teamgevoel onder de cellen, zodat ze samen tot veel meer in staat zijn dan ieder afzonderlijk.

Tot slot heb ik ook nog te maken met de inspiratie en het levensgeluk van de mens. Hoe ik daar precies mee te maken heb, zal ik je straks vertellen.

Grote Wijsheid

Ik word, net als alle andere cellen in de mens, geleid door Grote Wijsheid. Het is niet bekend wat Grote Wijsheid precies is en het is ook niet bekend hoe hij de miljarden cellen van de mens tegelijkertijd kan aansturen. Sommigen denken dat Grote Wijsheid dat kan omdat hij alomtegenwoordig bewustzijn is en op die manier bij alle cellen tegelijk kan zijn. Anderen be­weren dat Grote Wijsheid 'DNA' is. Ze zeggen dat DNA zich in de kern van iedere cel bevindt en dat het, via ingewikkelde scheikundige processen, elke cel ertoe aanzet precies datgene te doen waarvoor hij be­stemd is. Dat laatste klopt wel met mijn eigen ervarin­gen. Ik heb namelijk geregeld het gevoel dat ik van binnenuit geleid word en dat ik aanwijzingen krijg over wat ik het beste met mijn leven kan doen.

Hoewel de meningen over Grote Wijsheid dus uiteen­lopen, is iedereen het er wel over eens dat Grote Wijs­heid heel belangrijk is voor de mens. Wanneer Grote Wijsheid zich namelijk in de mens manifesteert, is de mens gezond, sterk en vitaal, maar als Grote Wijsheid zich om de één of andere reden uit de mens terug­trekt, is de mens ongelukkig en lijkt hij meer dood dan levend. Dat laatste heb ik zelf meegemaakt.

Mijn jeugd

Vroeger had ik een sterk contact met Grote Wijsheid. Ik borrelde altijd van enthousiasme, creativiteit en le­vensgeluk en ik deed niets liever dan mijn beste been­tje voorzetten om de cellen van de mens te helpen. In elke situatie wist ik precies wat ik moest doen. Ik her­inner me bijvoorbeeld nog de eerste keer dat ik een bacterie tegenkwam die de mens bedreigde. Ik had nog nooit een bacterie gezien en toch herkende ik het gevaar direct, en wist ik ook precies hoe ik moest han­delen om de mens tegen dit gevaar te beschermen.

In de loop der jaren leverde ik zware gevechten tegen tal van ziektes. Met gevaar voor eigen leven wierp ik me daarbij in de strijd voor het behoud van de cellen om mij heen.

Daarnaast herinnerde ik elke cel die ik tegenkwam aan zijn opdracht. Wanneer ik in de buurt van een cel kwam, dan voelde die cel zich als vanzelf gestimu­leerd om zijn werk zo goed mogelijk te doen. Het leek wel alsof de cellen van de mens meer zin kregen wan­neer ik in de buurt kwam. Daarom vond iedereen het fijn als ik er was. Ik had een gelukkige jeugd, maar mijn geluk was niet blijvend.

Het leven verliest zijn glans

Geleidelijk aan sloop er ongeluk in de mens. Niemand wist precies hoe het ongeluk in de mens had postge­vat, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat ik er op de een of andere manier schuld aan had. Ik heb namelijk een zware strijd verloren voor de mens. Het gevecht heeft jaren geduurd en de mens is in die tijd bij her­haling heel gemeen behandeld. Ik wil daarover niet in detail treden, maar de mens heeft echt enorm gele­den! Ik heb dat met lede ogen moeten aanzien; ik kon er niets aan doen. Ik ben daar kapot aan gegaan. Het leven waar ik tot dan toe zo enthousiast over was, ver­loor zijn glans. Het hoefde niet meer voor mij. Eigen­lijk ben ik toen een beetje dood gegaan. Ik heb dat echter aan niemand laten merken. Voor de buitenwe­reld ben ik mooi weer blijven spelen, maar diep van binnen voelde ik me niet gelukkig.

In plaats van door de mens te reizen, bleef ik steeds vaker thuis in het beenmerg en keek televisie. Wan­neer ik op televisie alle ellende, ziekten en oorlogen in de mens zag, werd ik niet meer zoals vroeger bevlo­gen door een verlangen om te helpen. Steeds vaker overweldigde mij een gevoel van onmacht, omdat ik in mijn eentje toch niets aan al die ellende kon doen. Het was net alsof ik het contact met Grote Wijsheid had verloren.

Tweestrijd

Het was mijn taak om de mens te helpen en te be­schermen en daar was ik altijd trots op geweest, maar door alles wat er gebeurd was, dacht ik geregeld: 'Waarom zou ik zoveel moeite doen? Waarom zou ik mijn leven op het spel zetten voor een ander? Waarom zorg ik niet gewoon dat ik het zelf goed heb?' Ik worstelde met die vragen en probeerde ze van me af te schudden, want ik wilde zo niet denken. Het was immers mijn opdracht de cellen van de mens te be­schermen!

Toch kwamen de vragen steeds vaker in mij op en be­gonnen ze mij ook steeds logischer in de oren te klin­ken. Ik kan me nog goed de eerste keer herinneren dat ik een bedreigde cel niet te hulp schoot. Ik zei tegen mezelf: 'Waarom zou ik?' Direct daarna voelde ik me enorm schuldig en wist ik dat ik fout zat. Het voelde alsof ik mijn bestemming miste en dat gaf me een heel ongelukkig gevoel. Om mijn schuldgevoel te sussen, zocht ik naar excuses en verweerde ik me met: 'Iedereen is toch voor zichzelf bezig!' en 'Ik kan in mijn eentje de wereld toch niet veranderen?'

In de loop der jaren liet ik de cellen van de mens steeds vaker aan hun lot over. Alleen wanneer ik zelf in gevaar kwam verweerde ik me nog. Achteraf beke­ken zou je kunnen zeggen dat ik de cellen van de mens liet stikken, ook al voelde ik dat toen niet zo. Ik voelde wel dat als de mens te gronde ging, mij dat uit­eindelijk ook op zou breken. Maar zover was het toch nog lang niet? En bovendien: ik kon daar in mijn een­tje toch niet echt iets aan veranderen? Er was nu een­maal honger, ziekte en dood. Dat hoorde bij het leven. Ik zei tegen mezelf: 'Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen leven', en dat klonk mij goed in de oren. Ik bad tot Grote Wijsheid: 'Heer, bescherm mij, zorg dat ik het goed heb', en ik vond dat ik bevoorrecht was dat ik over zo'n diep geloof beschikte


Ieder voor zich


Eens op een avond keek ik in het beenmerg naar een actualiteitenprogramma op de televisie. Cellen waren daarin heftig met elkaar in discussie. De meningen en oordelen vlogen over en weer.

'Tjonge jonge, wat ze daar in de lever uitspoken, dat is toch ongehoord', sprak een darmcel, en hij vervolgde: 'Dat ze daar in de galblaas niks aan doen snap ik niet hoor'.

Een longcel vond dat de problemen in de gal en de lever nog wel meevielen vergeleken met wat er in het bot gebeurde.

'In het bot zijn de echte normen en waarden duidelijk verziekt, logisch dat dit tot problemen leidt', oordeelde hij luid.

Niercel had nog weer een andere mening.

'In de hersenen denkt iedereen dat het alleen om hem­zelf draait', sprak hij deftig, 'er wordt daar zo eindeloos doorgedacht en ontleed, dat de liefde is zoekgeraakt.' Darmcel mengde zich opnieuw in het gesprek.

'Het gerucht gaat dat het hart moet bezuinigen. Er zal voortaan minder bloed rondgepompt worden', zei hij en hij was duidelijk trots op wat hij te vertellen had.

Ik zuchtte diep. Wat een ellende in de mens. Ik was blij dat het in het beenmerg allemaal best wel oké ging. Toch lukte het me niet om de problemen van de mens helemaal van mij af te zetten. Diep van binnen bleven ze knagen. Mijn opdracht leek ver weg en ik voelde me niet gelukkig zoals vroeger. Ik voelde me leeg.

Af en toe ging ik nog wel eens op pad. Ik zocht dan vooral de 'leuke plekjes' op. Vakantie werd dat ge­noemd. Je nam vakantie om bij te komen van alle spanningen in je leven. Tijdens de vakantie kon je ge­nieten van je welverdiende rust. Genieten was een mo­dewoord geworden in de mens. Je had er recht op, werd algemeen beweerd. Genieten deed je voor de televisie en door allerlei dingen voor jezelf te kopen.
 
 
 
 
03. Paracelsus - Laat iedereen zijn eigen koning zijn

Essays uit het theologisch-ethische werk



Tweetalig (Oud Duits/Nederlands )

Vertaling en voetnoten: Elke Bussler
ISBN: 978-90-806875-7-8
Eerste druk 2010
Bestellen via uitgeverij de Woudezel   
 



De vertaalster/uitgeefster, Elke Bussler, van dit waardevolle boek schrijft:

Als arts en alchemist is Paracelsus voor velen een begrip. Dat hij ook als theoloog en predikant actief was en een theologisch, ethisch en maatschappijkritisch oeuvre heeft nagelaten dat even omvangrijk is als zijn medisch-natuurfilosofisch werk, is veel minder bekend.

Deels komt dat doordat zijn theologische werken nauwelijks gedrukt werden, noch bij zijn leven noch in de eeuwen daarna. Pas tegen het einde van de 19e eeuw is daar verandering in gekomen, hoewel een groot deel van de teksten, overgeleverd in de vorm van handschriftelijke kopieën, nog steeds op publicatie ligt te wachten. Wie erin begint te lezen, begrijpt meteen waarom de drukkers in de tijd van de brandstapels zich hier niet de vingers – of meer – aan wilden branden. Voor zover er wel vroege drukken verschenen, zijn de teksten dan ook stevig bewerkt.

Daarnaast staat de paracelsische theologie in de schaduw van de paracelsische geneeskunst, die meestal als het eigenlijke, belangrijke deel van zijn werk wordt beschouwd. Dat levert echter algauw een vertekend beeld op; beide aspecten zijn in het leven en het werk van Paracelsus door elkaar heen geweven, vormen elkaars achtergrond en aanvulling en geven samen pas een beeld van de hele Paracelsus.

In dit boek zijn een aantal essays gebundeld, waarvan een deel vermoedelijk bedoeld was als onderdelen van één boek, terwijl andere meer op zichzelf staan.

 XXXX

Ik heb een fragment uit het boek gekozen om met jullie te delen. Dat ik precies dit fragment koos heeft te maken met het feit dat ik daarin heel veel parallellen ontdekte met de inzichten van Frederik van Eeden – nog zo’n mens, een grote van geest - die ik zeer waardeer en bewonder – en die hij tot uiting bracht in zijn redevoering: Waarvan leeft gij? (zie mijn website over Frederik van Eeden voor de tekst van deze toespraak )

Dit boek is nogal prijzig (42 euro), maar ik meen dat dit verantwoord is en dat het een groot voorrecht is om belangrijk werk van Paracelsus in het Nederlands te kunnen lezen en bestuderen.

Uittreksel uit het hoofdstuk: Twee vormen van eerlijk verworven rijkdom.

Als we moeten beschrijven hoe we in een gelukzalig leven op een eerlijke, rechtvaardige manier in ons onderhoud kun­nen voorzien, moeten we het Woord van de eeuwige God als uitgangspunt nemen, aangezien alles uit het Woord is voort­gekomen. Wij zijn niet in staat om door ons eigen denken tot het inzicht te komen wat een eerlijke manier is om in ons onderhoud te voorzien, die goddelijk en God welgevallig is. Want met ons denken, onze wijsheid en al onze kennis kun­nen we dit niet vatten. Dan zou iedereen zijn eigen manier bedenken om in zijn onderhoud te voorzien, die hij zelf als rechtvaardig zou beschouwen, maar die in de ogen van God diefstal zou zijn. Want God wil dat wij onze samenleving zo inrichten dat voor zijn gericht van niemand zal blijken dat hij ten nadele van zijn naaste heeft gehandeld of op een andere manier in zijn onderhoud heeft voorzien dan zoals het past bij een heilig leven.

[…..]

De gelukzalige manier om ons levensonderhoud te ver­dienen, bestaat uitsluitend uit werk, niet uit nietsdoen. Alle manieren om anders in je onderhoud te voorzien dan door arbeid, worden dus afgekeurd en hebben op de weg van de gelukzaligheid geen plaats. Wat is nu het werk van de geluk­zaligheid dat de handen verrichten? Waar het op aankomt is dat uw werk nuttig is voor uw naaste en niet schadelijk, net zoals voor uzelf.

Hoe is dat te verstaan? Als u bijvoorbeeld arts bent, is de geneeskunst uw handwerk; daarmee zult u in uw onderhoud voorzien. U moet dus van de zieken leven, maar op een zoda­nige manier dat zij voor hun levensonderhoud niets tekort­komen. Want er zijn velerlei manieren om van het werk van uw handen te leven, waardoor zowel in uw eigen onderhoud wordt voorzien als in dat van uw naaste, zonder dat een van beiden er rijk van zal worden. Als u de geneeskunst beheerst, dan ontvangt u de kracht van de geneesmiddelen voor niets.

Maar degene die het altaar dient, die moet door het altaar worden onderhouden.[1] Het altaar is in dit geval uw hand.

Die hebt u voor niets ontvangen; u mag er niet meer dan uw levensonderhoud mee verdienen. Het levensonderhoud behelst geen rijkdom, alleen het noodzakelijke. Want onze

gelukzaligheid berust niet op rijkdom, maar op het bevre­digen van onze behoefte. En hierin schuilt een soort liefde, en wel daarom: we zijn hierbij niet op rijkdom uit. Rijkdom is oplichting van de naaste. De naaste afzetten is tegen God, en daarmee zit de worm in het gelukzalige leven.

Bent u arts en voorziet de zieke in uw levensonderhoud zonder u rijk te maken, dan bent u beiden gelukzalig. Geeft u hem gezond­heid - zijn levensbehoefte - zonder dat hij er rijk van wordt, bent u wederom allebei gelukzalig. Bent u pottenbakker, dan wordt u door uw naasten onderhouden die behoefte hebben aan uw werk, in grote of kleine hoeveelheden. Die moeten. in uw behoefte voorzien, maar u niet rijk maken - dat zou de  verdoemenis zijn. Gelukzaligheid bestaat uit armoede. Want ons rijk is niet van deze wereld,[2] maar van de eeuwige.

Ook al beheerst u een kunst waarmee u een ton goud kunt verdienen: bedenk dat u die ton niet op kunt maken; het is te veel voor u. Want de dood kan u morgen halen; dan bent u niets meer, maar uw ton goud is er nog. Wat hebt u eraan als u met de vaardigheden van uw hand - of van uw hoofd of voeten, tong, ogen of verborgen plaatsen - veel verdient, rijk wordt en gelukkig bent in de wereld, maar niet in de hei­lige wereld, dat wil zeggen, voor God? Gebruik uw organen om ermee in uw behoeften te voorzien; dan zal God u niet verlaten. Wat hebt u verder nog nodig, aangezien deze wereld geen blijvende woonplaats is?

Bent u boer, bezit u uitgebreide velden, diverse landerijen die u veel opbrengen - wat hebt u eraan? U kunt het niet allemaal opeten! Voorzie in het onderhoud van de mensen die u helpen, en geef de rest aan de behoeftigen. Verzamel geen schatten die de maden, muggen en motten vreten.[3] Het is genoeg dat iedere dag zijn eigen kwalen, zorgen en noden heeft;[4] dat is zijn kruis. De dag van morgen zal weer een ander kruis met zich brengen. Want we moeten ons geen zorgen maken en ons ontdoen van alles wat verder gaat dan onze behoefte. God zal voor ons zorgen, die ook voor de vogeltjes zorgt, die alleen vliegen voor hun voedsel, maar niet om rijkdommen te vergaren.[5]

Als u koopman bent, wat hebt u eraan als u handig bent in het besteden van uw geld, zodat u de koning der kooplieden wordt? Wat is uw koninkrijk in het licht van de gelukzalig­heid? Niets dan de verdoemenis vanwege uw rijkdom. Zorg, wanneer u koopman bent, dat uw handel bevorderlijk is voor uw naaste en dat deze in zijn basisbehoeften kan blijven voorzien. Voor de rest ga uitrekenen hoeveel u, voordat u iets verkoopt, van de prijs af kunt doen om een rechtvaar­dige handel af te sluiten, zodat de dood, wanneer hij komt, u niet in rijkdom aantreft.[6]

Gelukkig zijn zij die sterven in de Heer.[7] Dat zijn de armen die op aarde niet op geneugten uit zijn geweest. Maar wat helpt het als ik alle handwerken en kunsten optel? Niemand haalt meer uit het zijne dan hooguit dat hij in rijkdom wordt aangetroffen, terwijl er armoede zou moeten zijn en meer niet.

Waar dient het voor als een vorst over een groot gebied heerst waar hij veel rijkdommen kan vergaren, en deze rijk­dom is verdoemd - tenzij zijn rijkdom uit armoede bestaat? Hoe de verhoudingen tussen ons mensen op aarde ook mogen zijn, niemand is door God rijker begiftigd dan een ander. Dat wil zeggen: u vreet, u eet niet meer dan een boer, u brengt niet meer mee in de wereld dan een boer, u brengt niet meer mee in de wereld dan een bedelaar. U meent dat het terecht is wat u van uw vader hebt ontvangen, dat u een recht hebt op de erfenis, dat al wat uw vader bezit, los van de biologische erfenis, ook aan u toebehoort, alsof het om een soort natuurlijke overerving zou gaan. En zo neemt u alles mee. Bedenk dat dit niet terecht is. Want u kunt niets meene­men uit deze wereld, net zo min als u er iets inbrengt.[8]

Waarvoor heeft God u de sleutels van de hemel gegeven en de macht om er mensen binnen te laten?[9] Niet voor uw eigen nut, maar voor het nut van uw naaste! Niet om u erdoor te verrijken. Maar een stukje spek legt Hij u wel op uw tong.

Wilt u zich voordoen als Petrus en aan het hoofd van de stand staan, dan is dat alleen mogelijk als Christus u daar de macht voor verleent. Maar God heeft Lucifer het mooist gemaakt - net als u. En wat gebeurde er toen? Hij werd omlaag gestoten naar de hel.

Ook al schept God een uitstekende arts, een grote koning, een grote Petrus met veel macht die Hij bevestigt - wat denkt u dat Hem eraan gelegen is dat een arts die een dief en een schurk is, veel hulp brengt en veel zieken geneest? Of dat de koning een uitgestrekt rijk verovert dat hem veel inkomsten en grote rijkdom verschaft? Of dat Petrus iedereen zijn zon­den vergeeft, maar zelf de eeuwige verdoemenis in gaat?

Kijk wat de arts, de koning, de Petrus in het gelukzalige leven waard zijn. Vertrouw niet op de grote gave die u van God hebt; Hij zal u allen, arts, koning en Petrus, beschaamd doen staan. Bedenk dat de arts, de koning, de Petrus zelf moeten sterven; pas op dat hun macht dan niet hun eigen hart treft, zoals bij Lucifer, die dood in het diepste viel. Wat is God eraan gelegen, aan die gave? Ook al kunt u genezing brengen, u kunt niet iedereen gezond maken, alleen diegenen bij wie God dat wil. Wat betekent het dat u zonden vergeeft en dat deze vergiffenis kracht heeft? U kunt alleen hun ver­geving schenken bij wie God dat wil. Of er voor de arts zelf genezing is, dat weet hij niet; en ook u weet niet of uw eigen zonden u zullen worden vergeven.

God is zo groot in het gelukzalige leven dat Hij zijn god­delijke macht aan de heidenen heeft gegeven, dat wil zeggen, dat Hij afgoden heeft laten begaan die grote tekenen hebben gedaan, talrijke zieken gezond hebben gemaakt, vele armen rijk hebben gemaakt en dergelijke. Deze macht is van God. Hij heeft ze aan hen gegeven. Daardoor hebben zij de men­sen deze gunsten kunnen bewijzen. Maar wat stelt dat voor?

Toen het tijd werd, wierp Hij hen in de afgrond van de hel. Daar liet Hij ze liggen, want het was hun om rijkdom te doen, niet om de eer van God. Wat kan het God schelen, al geeft Hij een dergelijke macht aan de duivel? Als Hij hem de macht geeft, dan heeft hij ze. Maar wat betekent dat? Hij is daarom niet des te beter, maar des te erger!

Stenen hebben een grote kracht.[10] Maar wat wil dat zeg­gen? Een steen blijft een steen. De kracht gaat weer naar de Heer, van wie ze is uitgegaan. Hetzelfde geldt voor kruiden. Ik zeg dat omdat u stenen en kruiden niet moet gebruiken om rijkdom te vergaren, maar alleen in armoede, zoals door God bedoeld. Een grote graanoogst en goede jaren zijn er niet voor uw eigen nut, maar vanwege de armen. Houd dat in gedachten, dan zult u niet in armoede worden gestort.

Het is het werk van onze handen waar we ons onderhoud mee moeten verdienen, zonder daarbij naar rijkdom te stre­ven. Of het nu om mensen of om heiligen gaat, om geesten of de duivel: we moeten van alles gebruik maken volgens de wil van God, dat wil zeggen, in eerbied voor Hem en op zijn manier. Want Hij heeft gezegd: allen die in mijn naam komen, zullen demonen uitdrijven, gif drinken zonder dat het hen zal deren, doden opwekken, enzovoorts[11]

[…..]

Onze rijkdom en al wat wij op aarde winnen, hebben dus geen betekenis; alleen in zoverre dat we onze behoeften ermee kunnen bevredigen, dus een rijkdom in armoede. Zo kan iedereen geholpen worden, niet om rijk te worden, maar om van het nodige voorzien te zijn: voor de zieke is er hulp, de zondaar wordt gezond, de arme krijgt te eten, de naakte wordt gekleed, de pelgrim vindt onderdak.  Want de arts wijst geen zieke af, maar helpt, en weet ook te helpen. De paus vergeeft de zonden en helpt de zondaars. Wie een huis heeft, geeft onderdak aan de dakloze. De boer geeft graan aan iemand die honger lijdt, enzovoorts. Alle dingen zijn zo gegroeid en geordend dat het Rijk Gods hier op aarde onder ons is. Als Hij onder ons is, dan werkt het zo als hier beschreven. Wat is het Rijk Gods? Dat we elkaar vergeven; dan vergeeft God ons ook. Dat wij elkaar liefhebben; dan heeft God ons ook lief. Als er liefde bij ons is - wat zou er nog zaliger kunnen zijn? Als dat nu de zaligheid op aarde is, dan is ook het Rijk Gods bij ons. Want waar wij bij elkaar zijn in Christus, daar is ook Christus bij ons, die niet buiten zijn Rijk is, maar in zijn Rijk.

[1] 1 Kor. 9:13-14
[2] Joh. 18:36
[3] Matt. 6:19
[4] Matt. 6:34
[5] Matt. 6:25-26
[6] Luc. 12:13-21
[7] Openb. 14:13
[8] 1 Tim 6:7
[9] Matt. 16:19
[10] Verwijzing naar therapeutisch en magisch gebruik van stenen.
[11] Marc. 16:17-18
 
 
 04. Marianne Fredriksson (1927-2007) - De nachtwandelaar
 


Een boek uit 1988 – oorspronkelijke titel: Den som vandrar om natten
Uitgeverij de Geus – ISBN 90-5226-657-3  
 


Op de achterkant staat:

Het lievelingsboek van Marianne Fredriksson.
Roman over het onvermogen om liefde te geven en te ontvangen


In het begin van de jaartelling wordt in Rome een jongen geboren: Marcus. Zijn ouders hebben een verstandshuwelijk en zijn moeder stuurt het kind naar Seleme, een jonge slavin, die de jongen voedt en grootbrengt. Later verkoopt Marcus' moeder Seleme aan een bordeel. Marcus is dan vijf jaar en het verlies van Seleme raakt hem zó dat hij blind van verdriet wordt.

Dan benadert zijn grootvader de mysticus en astronoom Anjalis, om de in zichzelf gekeerde jongen te genezen. Anjalis wil zijn tijd eigenlijk niet aan zo'n kind verdoen, maar als hij Marcus ontmoet, verdwijnen zijn bedenkingen.

Het is het begin van een boeiend gevecht, waarbij Anjalis de jongen laat ervaren hoe de wereld en de mensen in elkaar zitten.

-----

Ik heb dit boek met heel graag gelezen. Marianne Fredriksson is een van mijn lievelingsauteurs daar zij, op haar heel speciale wijze, fictie weet te verweven met esoterische kennis en mystieke, religieuze achtergronden, zonder belerend te zijn.

Zo zijn in dit boek de levens van de hoofdpersonen, Marcus en Anjalis, geplaatst in dezelfde periode als het leven van Jezus en zijn discipelen hier op aarde.

Anjalis is een zoon van Balthasar, één der drie magiërs die geschenken brachten aan het Jezuskind, en zal later, na zijn inwijding in Egypte en zijn studie van de Griekse mythologie/religie, naar Palestina trekken om een discipel van de Meester te worden.
Marcus, na zijn vreselijke jeugd bij liefdeloze ouders, opgeleid tot Romeins generaal en niet tot liefde in staat – iets waarvan hij zich terdege bewust is – wordt ten tonele gevoerd als de Romein die Jezus om genezing voor zijn dienaar smeekt. Hij is in Palestina om Anjalis, zijn vroegere leermeester en enige vriend, te zoeken na het dramatisch verlies van een van zijn kinderen. Het boek eindigt dramatisch op het moment van Jezus’ kruisdood.

Ik heb een lang fragment gekozen uit ‘De nachtwandelaar’ waarin Anjalis de proeven tot inwijding ondergaat in Egypte en ik hoop dat het lezen daarvan jou voldoende nieuwsgierig zal maken om het hele boek te willen lezen.

-----

Pagina 92-101

TOEN ANJALIS BIJNA een jaar had deelgenomen aan het onderwijs in Heliopolis was hij klaar voor de proef die tot de initiatie zou leiden. Iedereen die de proef had afgelegd, deed de heilige belofte om niet te onthullen wat er in de donkere crypten onder de grote tempel gebeurde, dus er was geen voorbereiding mogelijk.

Anjalis had met zijn gebruikelijke nauwkeurigheid de leerlingen bestudeerd die kortere of langere tijd in de crypten hadden door­gebracht. Sommigen waren er lang gebleven en gebroken terug­gekomen, met een lege blik in hun ogen. Anderen waren maar een paar dagen weg gebleven en als overwinnaars teruggekeerd met glanzende ogen en een krachtige uitstraling in woord en daad. Zij hadden de tempel echter weldra verlaten.

Hij had moed verzameld en er een van de jongere priesters naar gevraagd, maar hij had geen antwoord gekregen waar hij wijzer van werd: 'Zij kozen een andere weg.'

Een jonge Griek, die Anjalis van een afstand bewonderd had, kwam uit de crypten met een stralend gezicht en een zeer vastbera­den blik in zijn blauwe ogen. Korte tijd later werd hij verliefd op een jong meisje en het was een liefde zo vol blijdschap, dat de mensen zeiden dat die twee' s nachts de straten van de stad verlichtten.

Me Rete zag hen op een avond toen ze van een familiebezoek thuiskwam en bevestigde het: 'Het is waar wat de mensen zeggen, Anjalis. Die twee zijn lichtgevend.'

En ze vertelde aan Anjalis dat toen zij jong was, in de stad het gerucht de ronde deed dat Cleopatra Antonius had meegenomen naar de crypte en hem daarmee met onoverwinnelijke liefde aan zich had gebonden.

Maar ook de Griek verliet de tempel, niet als ingewijde en priester, maar als een gelukkige koopman; hij had een aanstelling gekregen in de handelsonderneming van de vader van het meisje, die gevestigd was in Pelusium.

De duur van het verblijf in de crypten van de Chaldeeuwse jongelingen die Anjalis' vrienden waren wisselde, en wanneer ze terugkwamen waren ze moe, maar hun voetstappen hadden nieuwe veerkracht gekregen. Ze werden allemaal ingewijd en dienden als priester in de tempel totdat ze voltallig waren en de thuisreis konden aanvaarden.

Toen het eindelijk Anjalis' beurt was, trok hij het nieuwe witte pak aan dat Me Rete voor hem had genaaid, en legde de korte weg naar de tempel al voor zonsopgang af.

Hij werd door slechts één van de oude priesters ontvangen en deze was weinig spraakzaam en opvallend gewoon in zijn manier van doen.

'Om te beginnen moet je je wassen in de tempelput', zei hij.

Anjalis trok zijn nieuwe pak uit en kroop in de put op de binnenplaats van de tempel. Het was nog donker en het water was ijskoud. Hij kreeg een oud, vies, stinkend gewaad en volgde de oude man door de zware poort naar de kronkelende gangen onder de tempel.

De tocht duurde zo lang dat Anjalis zich afvroeg of de priester hem niet voor de gek hield en in een kringetje liet rondlopen. Precies op het moment waarop hij dat dacht, bleef de oude man voor een deur staan die op slot zat. Hij maakte hem met een zware sleutel open en bracht Anjalis naar een kamertje waar alleen een armzalige olielamp aan een kale muur hing te branden.

'Rechts staat water en brood', zei de priester. 'En hier in de gang links is de latrine. Nu laat ik je alleen.'

En de priester ging weg en deed de deur op slot. Anjalis bleef alleen achter in het halfduister.

Hier was niets te zien, niets om waar te nemen en te bestuderen, en hij vreesde voor het moment waarop de olie in de lamp op zou zijn en de duisternis ondoordringbaar zou worden.

In het begin probeerde hij een inschatting te maken van de tijd die verstreek en die je kon afmeten aan de hand van de druppels uit de bron in de rechterhoek van de kamer. Het gedruppel klonk hem vriendelijk in de oren zolang hij de ambitie had een soort tijd­rekening bij te houden, maar dat moest hij staken; hij wist niet meer of het dag of nacht was en toen dreef het gedruppel hem bijna tot waanzin.

Hij at wat van het brood. Dat was zwart als de aarde van de Nijldelta en smaakte niet lekker. Het vulde echter wel en na een poosje was hij zo tot rust gekomen dat hij zijn gewaad om zich heen sloeg en op de harde vloer in slaap viel.

Hij had gehoopt op vriendelijke dromen die hem raad zouden geven, maar zijn slaap was even donker en leeg als de kamer. Toen hij wakker werd, voelde hij zich zo verlaten dat hij begon te huilen; hij huilde als een kind en riep om Me Rete. Na een poosje vermande hij zich echter. Hij waste zich grondig met het water uit de bron, dronk tot hij verzadigd was en at nog een stuk van het zware brood.

Toen ging hij midden in de kamer zitten om na te denken.

Opeens schoot een vlammende woede door hem heen en reali­seerde hij zich duidelijk dat hij het slachtoffer van een spel was, een huichelachtig toneelstuk dat door die verdoemde Egyptische pries­ters in scène was gezet. Dit was geen manier om wijsheid te vinden; die vond je bij helder daglicht, in de ontmoeting tussen mensen en de uitwisseling van gedachten.

Dit idee had nog maar nauwelijks bij hem postgevat of het nam de gedaante aan van een vriendelijke man die naast hem stond. Anjalis keek in een gezicht dat erg leek op dat van zijn vader en opnieuw moest hij bijna huilen, ditmaal van opluchting.

De man zei: 'Je hebt zeker gelijk dat je wantrouwend bent; je hebt vast wel gehoord dat de duistere priesters van Heliopolis erom bekendstaan dat ze mensen in de luren leggen en bedriegen. Ik heb de sleutel om hier uit te komen, volg mij, dan zal ik je bevrijden.'

Op dat moment had Anjalis het door, en hij schreeuwde zo hard 'nee' dat de echo weerkaatste tegen de stenen muren van de kamer. De vriendelijke man verdween en Anjalis sloeg opnieuw zijn mantel om zich heen om te slapen.

Ditmaal werd hij wakker gemaakt door de oude priester, de man die hem had opgesloten. Die schudde hem zachtjes door elkaar en zei: 'Je bent nu gereed om deze kamer te verlaten.'

Buiten was het nacht en nooit waren de sterren Anjalis zo vriendelijk voorgekomen als nu bij de put, waar hij weer moest baden, schone kleren kreeg en een maaltijd die bestond uit vis en fruit. Zelfs een beker wijn kreeg hij; die joeg door zijn bloed en troostte zijn gemoed.

Voor het licht werd, nam de oude man hem weer mee de crypten in en Anjalis realiseerde zich dat hij de priester er nu niet meer van verdacht dat hij hem in het labyrint voor de gek hield.

De tweede proef werd Anjalis bijna noodlottig, hoewel hij met­een begreep waar het op neerkwam. Ditmaal werd hij rechtstreeks binnen gevoerd in de Egyptische schatkamer die hij in zijn dromen had gezien. Deze was rijker dan hij zich herinnerde, en groter. Het goud blonk hem uit iedere hoek tegemoet, het rode goud dat zijn eigen licht leek af te geven, want de kamer was zonnig alsof hij een raam op het zuiden had.

Hij mocht pakken wat hij wilde, zei de man die de schatten bewaakte en die nieuwsgierig en vriendelijk was, met tot spleetjes samengeknepen ogen en een grappige rimpel bij zijn ene mond­hoek.

Koos hij een sieraad van goud, dan zou hij de wereld in trekken en rijk worden, alles wat hij aanraakte zou in goud veranderen.

Die verleiding was niet moeilijk te weerstaan; zoals alle Chal­deeërs had Anjalis geen belangstelling voor rijkdom en was hij ervan overtuigd dat hij altijd over de middelen voor een goed leven zou beschikken.

Hij pakte een diamant op en zag die fonkelen in zijn hand. Hij liet hem echter meteen weer los toen de man zei dat grote wereld­lijke macht hem ten deel zou vallen als hij die koos. Anjalis wilde macht, macht over de geest van mensen. Maar hij was bang voor de verantwoordelijkheid van een heerser, de verantwoordelijkheid die de diamant hem bood.

Vervolgens reikte het mannetje hem een robijn aan, geslepen in de vorm van een rozenknop en net zo groot, maar stralender dan welke bloem ook.

'Kies deze en je zult beroemd worden', zei hij.

En Anjalis ervoer voor het eerst hoe enorm zijn eerzucht was, hoe sterk die was. Dagen en nachten vocht hij tegen deze verleiding; hij zag zijn naam over de wereld gaan: 'Een groot filosoof, een be­roemd man.'

Anjalis wist niet meer of het zijn eigen stem was of die van het mannetje. Maar de beelden die hem voor de geest kwamen schiep hij zelf, beelden hoe hij op alle academiën van de wereld met eerbied werd begroet.

Anjalis, de beroemde Chaldeeër.

Het was verrukkelijk, hij kreeg er koude rillingen van; nooit, nooit had Anjalis iets zo begeerd als dit. En hij wist dat ze hem niet bedrogen, de Egyptische priesters.

Hij kon, net als anderen, de robijn kiezen en eer zou hem toe­komen.

Wat voor kwaad zou hij daarmee doen, vroeg de man. Was de wijsheid van de Chaldeeërs het niet waard over de wereld verspreid te worden, zou de grote kunst om de taal der sterren te duiden geen zegening worden, nieuwe en verbijsterende gedachten bevruchten, de onrustigen kalmeren en mensen helpen de grote gevaren, pest, oorlogen, te vermijden?

En was niet juist hij uitverkoren om die kennis te exporteren, hij met zijn talenkennis, zijn fantasie en zijn open geest? Was het niet daarvoor dat hij geboren was en zijn ongebruikelijke talenten had gekregen?

Anjalis kwam er nooit achter of hij het zelf was die sprak of dat de kleine priester dat deed. Hij ging liggen om te slapen. Ook de schatkamer was kil; hij had het koud in zijn slaap en werd gekweld door het rode licht van de robijn die hij stevig in zijn hand hield.

Ook ditmaal kreeg hij geen dromen die hem de weg konden wijzen. Toen hij wakker werd, rilde hij van de kou en hij had een brandwond in de hand waarmee hij de robijn had vastgehouden. En opnieuw verschenen de beelden van de grote Anjalis, door de wereld gehuldigd als een gelijke van Plato.

Het lokte en trok.

Zo was hij bezig, etmaal na etmaal. Na wat hem voorkwam als een jaar begonnen de beelden toch aan aantrekkingskracht in te boeten; ze verbleekten en werden langzamerhand zo grijs als as. En eindelijk was hij in staat tegen de kleine priester te zeggen dat hij afzag van alle goede gaven.

Nadat hij de robijn had teruggegeven, zag hij tot zijn verwonde­ring dat de wond in zijn hand was genezen.

Maar toen Anjalis na de test uit de crypte omhoog werd gebracht, was hij ziek; hij rilde van de koorts en hij begreep dat hij er nu net zo uitzag als de meest ellendigen van de ingewijden, gebroken en met een lege blik in de ogen.

Anjalis doorstond ook de proef die inhield dat hij zijn angst moest overwinnen.

Bij de vierde proef moest hij voor een ziek kind zorgen. Nachtenlang liep hij rond met het kind in zijn armen - zonder te slapen. Met grote tederheid zorgde hij ervoor dat het overleefde, en dit vond hij de gemakkelijkste van alle proeven.

Vreselijk veel zwaarder was de vijfde en laatste, ondanks het feit dat de kamer waar hij nu naartoe werd gebracht licht en aangenaam was. Er stond een tafel, gedekt met allerlei soorten fruit, er waren fraaie stoelen, zachte kleden.

Op een bank tegen een van de wanden, met uitzicht op een bloeiende tuin, zat een meisje, en toen ze zich naar hem toe keerde en hem aankeek, kreeg hij hartkloppingen van geluk. Ze was lief­tallig en jong, haast nog een kind, haar haren waren Grieks blond en haar grote ogen donkerblauw als de hemel in de schemering.

Ze konden overal over praten en ze had fantastische wimpers. Heel zijn hart ging naar haar uit en hij besefte dat hij wild en gek van verliefdheid was. Nog nooit was hij zo gelukkig geweest.

Ze viel in zijn armen en kuste hem, en hij gaf toe aan de verruk­king van hun ontmoeting en wist niet meer wie hij was. Maar toen hij haar borsten wilde strelen begon ze verlegen te blozen en zei: 'Later, Anjalis, wanneer we een huis hebben en het kind kunnen ontvangen dat we zullen krijgen.'

Op dat moment werd zijn hart met een zwaard doorkliefd; hij voelde hoe een verscheurd gevoel zich van hem meester maakte. De verleiding was enorm; het meisje was alles waarvan hij kon dro­men: onschuldig, trouw, wijs en mooi.

Maar dat was zijn moeder ook.

En hij had zijn weg gekozen, de weg van de woestijn. Stamelend probeerde hij haar uit te leggen dat hij uitverkoren was om een godenkind te dienen en dat zij zich niet aan hem mocht binden.

Ze huilde, grote oprechte tranen.

Anjalis dacht dat hij dit niet zou overleven, maar hij nam afscheid en draaide zich om naar de deur. Op hetzelfde moment zag hij dat zijn moeder ook in de kamer was en dat haar ogen donker waren van eenzaamheid.

Toen kwam eindelijk de oude priester om de deur van het slot te doen en Anjalis vluchtte langs hem heen, naar het huis van plezier, waar hij zijn vertwijfeling uitschreeuwde in de armen van een prostituee met een zachte oogopslag, die hem al eerder veel troost had geschonken.

Hij kreeg echter geen erectie en ten slotte zette de vrouw met de zachte oogopslag hem buiten de deur.

De nacht was groot en koud als zijn eenzaamheid. Voor het eerst zag hij dat zijn onafhankelijk­heid hem bijna alles zou kosten wat het leven de moeite waard maakte om geleefd te worden. En dat dit anderen pijn zou doen, zoals het zijn moeder altijd pijn had gedaan.

Hij ging naar huis en werd opgevangen door Me Rete, die vreselijk schrok toen ze zag hoe bleek hij was en hem wijn gaf en een warm bed voor hem klaarmaakte. Toen hij laat in de ochtend wakker werd, bedacht hij dat hij het huwelijk van Balthazar en Me Rete nu beter begreep. Hij had er een idee van gekregen hoe verknoopt en fijnvertakt hij is, de band tussen man en vrouw.
 
Voorafgaand aan de initiatie had Anjalis een gesprek met de oudste van de Egyptische hiërofanten, een man over wie in de tempelstad het gerucht ging dat hij honderdtwintig jaar oud was. Hij was net een witte vlam, doorschijnend en flakkerend, en Anjalis bewoog zich behoedzaam en ademde licht, alsof hij bang was dat hij de oude man zou uitblazen.

'Je bent niet bang voor de dood', zei de priester.

'Waarschijnlijk denk ik er nog niet aan.'

De glimlach van de oude man begon in zijn lichtbruine ogen en verspreidde zich van daaruit via duizend rimpeltjes over zijn gezicht.

'Je hebt nog een buitengewoon lange tijd vóór je', bevestigde hij. 'Maar kennis over de dood is belangrijk voor een goed leven. En noodzakelijk voor de reinheid.'

'De reinheid?'

'Ja. De dood betekent voor de beeldmaker het einde. Als je dat tijdens je leven niet hebt begrepen, blijf je je in het grensland voorstellingen maken. Die worden geladen met de kracht van de dood en zoeken hun weg naar de mensen op aarde, naar de pasge­borenen die hun reinheid verliezen.'

Anjalis deed zijn best om dit te begrijpen.

'Van wat er na de dood is, kun je je geen beeld vormen?' 'Nee, precies', zei de oude man en hij glimlachte weer. 'Wat daar is, is voortdurend nieuw, fris, de tijd en voorstellingen voorbij - een besef dat door de geest nooit te bevatten is.'

'Ik geloof dat ik daarvan al iets heb gevoeld', zei Anjalis, en de oude man vervolgde: 'Op de dag dat je er volledig besef van hebt, houden je dromen op. Maar jij hebt misschien nu al begrepen dat de dood nooit gekend kan worden, nooit een herinnering kan worden die je rijper maakt, verandert en veroudert.'

Anjalis knikte; dit begreep hij, hier zat een kennis in die hij herkende. Maar zijn gedachten gingen terug naar de dood, naar wat de dood was.

'Het is moeilijk te begrijpen dat er iets kan zijn waar het ik niet bestaat', zei hij.

'Ja. Om dat te begrijpen moet je jezelf durven overgeven aan verdriet. '

'Aan verdriet?!'

Anjalis' stem klonk verontwaardigd, vol bezwaren.

'Ja', zei de oude man. 'In het grensland tussen leven en dood bevindt zich het grote verdriet, de som van al het menselijke ver­driet. En meer nog; een verdriet van duizenden jaren over de onkunde van de mens, over zijn wreedheid en chaos. Dat is de optelsom van de vertwijfeling van hele geslachten over hun onver­mogen om zich te bevrijden.'

Anjalis dacht aan Me Rete en die gedachte vervulde hem met woede.

'Verdriet leidt tot niets. Alleen tot verlamming.'

'Het verdriet waar jij het over hebt, is zelfmedelijden', zei de oude man. 'Het grote verdriet is iets anders. Pas wanneer je daarvan geproefd hebt, kan compassie ontstaan. Begrijp je dat?'

'Die woorden kan ik wel begrijpen:

'Probeer ze in je oren te knopen. Op een dag gaan ze misschien over in kennis en ben je in staat de gevangenispoort te openen.

Het bleef lang stil in de tempel en een jonge opstandige blik kruiste de blik van de oude man. Ten slotte hernam de hiërofant: 'Dat is de betekenis van met jezelf samenvallen in de dood. Zolang je die dood uit de weg gaat, blijf je je voorstellingen maken: en die beelden bouwen de gevangenis.’

'Ook wanneer het mooie beelden zijn?'

'Vooral mooie beelden, want daarmee zorgen we dat de gevange­nis te verdragen is in plaats van dat we de poort kapotslaan:

'Ik heb nog een lange weg te gaan', zei Anjalis.

De uiteindelijke initiatie beangstigde Anjalis niet; hij was nu alle gevoelens zo voorbij dat hij zich rustig liet opsluiten in de sarcofaag in de heilige ruimte van de tempel. En bijna meteen verliet hij zijn lichaam en vloog over de woestijnen, de tijd voorbij. Op de berg Sion zag hij hoe Abraham zich voorbereidde om zijn zoon te offeren, en hij bedacht dat de waanzin van de mensen groter was dan de kosmos.

Tijdens de plechtige ceremonie waarbij Anjalis en de anderen de zware gouden kettingen in ontvangst mochten nemen, reciteerde hij de vele duizenden jaren oude woorden uit het dodenboek, de woorden waarmee Osiris door de dode wordt begroet:

"Heer der Waarheid, voor u breng ik de waarheid naar vo­ren. .. Ik heb niemand gedood. Ik heb nooit iemand aan het huilen gemaakt. Ik heb niemand laten verhongeren... Ik heb niemand bang gemaakt. Ik heb nooit hoogmoedig gesproken. Ik heb mij nooit doof gehouden voor rechtvaardigheid en ware woorden. Ik heb mijn naam nooit verheven om eerbewijzen te ontvangen. Ik heb God in zijn openba­ringen nooit afgewezen..”[1]

Enkele dagen later aanvaardden de Chaldeeërs de thuisreis. Geen van de jongelui sprak over zijn ervaringen in de tempel.

Maar op een avond bij zonsondergang, in de Sinaï, zei een van Anjalis' vrienden: 'De wereld ziet er zo anders uit wanneer je je doodsangst hebt overwonnen.'

Toen begreep Anjalis dat hun proeven verschillend waren ge­weest, dat ze met zorg waren uitgekozen.

[1] Woorden uit het Egyptisch dodenboek.
 
 
 
 
05. Ik geloof het wel – Annemiek Schrijvers en Hein Stufkens

            
   


Het was me een heel groot genoegen om dit boek te mogen lezen (1) en dit om meerdere redenen.

Op de eerste plaats om de manier waarop het is samengesteld, als een briefwisseling, een gesprek, tussen twee goede vrienden met weliswaar een totaal verschillende religieuze achtergrond, maar met heel veel respect voor elkaar. Deze manier van schrijven spreekt me bijzonder aan en ik kreeg dan ook voortdurend de neiging om mezelf, als derde persoon, aan dit gesprek te laten deelnemen. Na elke brief wilde ik ook graag mijn antwoord schrijven, een antwoord dat trouwens niet ver zou afwijken van wat Annemiek en Hein schrijven. Tijdens het lezen voerde ik een innerlijk gesprek met beide auteurs.

Dat brengt me op een tweede reden waarom ik meteen van dit boek ging houden: Ik had voortdurend momenten van herkenning.
    Als geboren Vlaming heb ik, vanzelfsprekend, een katholieke opvoeding genoten en dus kon ik heel veel herkennen van wat Hein zich daarover herinnert – al vallen die herinneringen niet helemaal samen; blijkbaar is katholiek zijn in Vlaanderen nog net iets anders dan katholiek zijn in Nederland.
    Als inwoner van Nederland/Friesland sinds 2003, en met vele mensen met een protestantse achtergrond in mijn nieuwe vriendenkring, herkende ik ook voortdurend zaken die Annemiek ten berde brengt wanneer zij het heeft over haar protestantse opvoeding.

Ik heb in het verleden heel vaak gesprekken gehad met mensen die om verschillende redenen de kerk waarin zij opgevoed zijn verlaten hebben en die op een totaal andere spirituele toer zijn gegaan – vaak op een zeer zweverige new age toer – en die, samen met de kerk, ook het gehele christelijke geloof in de prullenmand hebben gegooid. Dat heet: Het kind met het badwater weggooien.

Het mooie in dit boek van Annemiek en Hein is dat zij zeer zorgvuldig kijken - vooraleer het badwater te laten wegstromen - waar het kind is, om dat te redden en te koesteren. Dat is precies wat ikzelf ook altijd probeer en ik denk dat ik kan beamen dat zij zich daar op een schitterende manier van hebben gekweten.

Nog een reden om van dit boek te houden is het feit dat zowel Annemiek als Hein ook in andere religies, zoals boeddhisme en Zen, parallellen hebben ontdekt met de normen en waarden die de grondslag zijn van het christendom; dat zij zichzelf in die vormen van religie hebben verdiept en tot de conclusie zijn gekomen dat de bron van elke waarlijke religie in wezen altijd dezelfde is. Dat inzicht heeft dan weer tot gevolg dat waardeoordelen over ‘het bezit van de enige ware religie’ niet meer aan de orde zijn en tot een grote tolerantie voor ‘andersdenkenden’ leidt.

En op de laatste, maar niet minst belangrijke, plaats heb ik genoten van de humor die beide auteurs tentoonspreiden in hun brieven aan elkaar.

Ik zou dit boek dus graag willen aanbevelen aan iedereen die zijn of haar weg niet meer vindt in wat kerken te bieden hebben, maar toch nood heeft aan waarachtige religie (=her-verbinding) waarvan de bronnen geloof, hoop en liefde zijn.


Tot besluit een citaat van Hein en een citaat van Annemiek uit de laatste brieven: over liefde

Hein

Liefde als (schijn)heilig christelijk ideaal is verleidelijk, maar voor je het weet sta je daarmee op lemen voeten omdat je je eigen diepste verlangens en behoeften hebt overgeslagen. Ik heb lang geprobeerd dat ideaal te verwezenlijken, maar ik werp het meer en meer als ziekmakend van mij af.

Maar dan is er nog die andere liefde, de liefde die vraagt om je pijn tot op de bodem te doorleven, die van je vraagt om alles los te laten, zelfs wat je het meest dierbaar is, de liefde die van je vraagt om je leven te geven voor je vrienden, de liefde die tot op het bot gaat, de liefde die zoals Paulus in zijn loflied op de liefde zegt' alles verdraagt' (1 Kor. 13,7). Ik geloof dat Jezus die liefde bedoelde toen hij zei: 'Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief:

Wat doen we daarmee? Erin blijven geloven, zou ik zeggen, in de voetsporen van mensen als Jezus en Boeddha, die heb­ben laten zien dat het kan. Blijven oefenen, tot het ego buigt of de dood erop volgt.

Al was het maar omdat we als we de liefde opgeven de wan­hoop de overwinning gunnen en de poorten van de hel ope­nen, voor onszelf en voor de anderen. Want zonder die liefde ben ik niets. En zonder die liefde zal het met de mensheid en de wereld ook nooit iets worden. Gelukkig verzekert Paulus ons dat die liefde nooit zal vergaan...

Annemiek

Het is misschien met de liefde net als met verdriet: we voe­len liefde of pijn op basis van voor- en afkeur. We kunnen pijnlijk verdriet voelen omdat we iets verloren hebben. Of liefde voe­len voor die ene speciale mens. Daar is niets mis mee.

Maar er is ook verdriet zonder ego, op het niveau van het mededogen. Zonder onderscheid des persoons of gebeurtenis. Misschien is dat echte betrokkenheid. Zo vermoed ik steeds vaker dat het mogelijk is mijn grote liefde alle geluk van de we­reld te wensen, ook al is het niet met mij. En dat mijn hart dan juist warm is en niet koud of lauw. Zou dat kunnen?

'I love you yeahyeahyeah.' Wie kent dat oude liedje niet? Maar misschien is liefhebben niet genoeg. Misschien gaat het erom hoe we van iemand houden.

 (1) Ik mocht dit boek lezen en recenseren voor de website en het blog van Inspirerend Leven

 
 
 06. Het Jezus MYSTERIE – Bernd Kollmann (1)

Ondertitel: Op zoek naar de waarheid.
 

ISBN nummer: 9789043518192

 

Inleiding

In een tijdperk waarin alle mogelijke – zowel nuttige als onnutte – informatie ter onzer beschikking staat, is het vaak moeilijk om tussen de bomen het bos nog te zien.

Nieuwsgierigheid is de mens eigen en door het feit dat – door de snelle opkomst van media en internet - vrijwel niets meer verborgen blijft kan die nieuwsgierigheid ook grotendeels bevredigd worden.

Christenen van deze tijd nemen geen genoegen meer met alleen datgene wat in de kerken gepredikt wordt of met wat in Oud en Nieuw Testament te lezen is. Zij willen historische bewijzen over al het voorgaande. Vooral over Jezus, die toch het fundament vormt van het huidige christendom, wil men alles weten, het liefst tot in het kleinste detail.

En vermits over de mens Jezus nauwelijks historische gegevens te vinden zijn in het Nieuwe Testament, gaat men dan ook elders zoeken naar historisch bewijs.

Het zal dan ook niemand verbazen dat die weetgierigheid van de zoekende mens voor velen een nieuwe bron van inkomsten lijkt te gaan worden en dat auteurs en media daar gretig op inspelen door steeds weer met indrukwekkender en spectaculairder ‘nieuws’ over nieuwe ontdekkingen in verband met Jezus, zijn achtergronden en zijn familie op de proppen te komen.


Drie soorten verhalen

In dit boekje, het Jezus Mysterie, neemt de auteur, Bernd Kollmann (1959 – hoogleraar te Siegen), een groot aantal van deze – vaak zogenaamde - ontdekkingen en beweringen onder de loep en onderzoekt of deze ergens op gefundeerd zijn, ofwel uit de lucht gegrepen.

We kunnen deze feiten opsplitsen in meerdere groepen van zogenaamd historisch bewijs (of juist ontkenning ervan) van wat in het Nieuwe Testament over Jezus verteld wordt.

Ten eerste: deze die al sinds eeuwen hiervoor gebruikt worden, voornamelijk door de kerk,  zoals daar zijn: relikwieën bestaande uit stukjes van het kruis waaraan Jezus stierf, een doek dat afkomstig zou zijn van Veronika die het gelaat van Jezus ermee afdroogde tijdens zijn tocht naar Golgotha en dat de afdruk van zijn gelaat tot op heden zou bewaard hebben, de lijkwade van Turijn en meer soortgelijke attributen.

In deze categorie horen ook verhalen die, in de eerste eeuwen van het christendom reeds, door Joden de wereld werden ingestuurd om het christendom onderuit te halen en omgekeerd, door christenen om het jodendom aan te vallen.

Ten tweede
: een hele serie van allerlei verschillende jeugdevangelies, door veel verschillende auteurs geschreven (en die elkaar grotendeels ook flagrant tegenspreken) en die, volgens henzelf, voornamelijk mediamiek ontvangen zouden zijn. Bij de één wordt Jezus door Essenen voorbereid op zijn latere taak, volgens anderen zwerft hij eerst door Egypte/India/Tibet, volgens weer anderen werkt hij gewoon, samen met Jozef, als timmerman…. voor hij zich door Johannes laat dopen…. etc., etc.…

Ten derde: de reeks nieuwerwetse verhalen en vermoedens die ontstaan zijn door de ontdekking van o.m. de Dode Zeerollen en de Nag-Hammadi geschriften, het evangelie van Maria Magdalena, het evangelie van Judas, graven die van Jezus of van een van zijn familieleden zouden zijn geweest, etc. en die aanleiding gaven tot allerlei complottheorieën die de kerk zou bedacht hebben om de mensheid onkundig te laten over wat er werkelijk met Jezus gebeurde na Golgotha.


Bewijs voor bedrog

Een voor een beschrijft de auteur in dit boekje een twintigtal van dergelijke beweringen/verhalen, laat ons zien waar deze vandaan komen om daarna aan te tonen wat er niet klopt en waarom deze beweringen dus niet waarheidsgetrouw kunnen zijn. Hij doet dit op een zeer degelijke – met bewijzen onderbouwde – manier, maar blijft daarbij ook voortdurend goed te begrijpen, zelfs voor een lezer die niet echt bekend is met dit soort lectuur.

Aanbeveling

Daar we leven in tijden waarbij het vaak moeilijk is om te weten wat we nu eigenlijk nog moeten geloven over Jezus en zijn aardse leven is dit boekje, naar mijn bescheiden mening, een goede gids. Ik heb het met veel genoegen gelezen en heb zelfs nog enkele mythen rond de Jezus-figuur gelezen die mij totaal onbekend waren. Ik beveel het graag aan voor mensen die liever de waarheid onder ogen zien dan zich te laten meeslepen in allerlei theorieën die nergens op gebaseerd zijn en er alleen maar op uit zijn om aan de zucht naar sensatie te voldoen en de boekenverkoop te stimuleren.

Trouwens, wat mij betreft hoeven we ons niet te richten op onderzoek naar de historische gegevens over Jezus, maar wel op zijn boodschap, zijn ‘Nieuwe Testament’. De inhoud van die boodschap is, voor wie zich christen noemt, toch zeker belangrijker dan de verpakking?


Citaat

Ik eindig deze recensie met de laatste paragraaf uit Het Jezus Mysterie en laat de auteur dus even zelf aan het woord:

‘Er zijn goede redenen om de vertekende beelden van Jezus die de boekenmarkt overspoelen hard aan te pakken. Naast alle terechte kritiek en verontwaardiging dreigt het positieve daarbij echter uit het zicht te raken. De fascinatie die voor veel mensen uitgaat van de onthulling van schijnbaar achtergehouden waar­heden en een kijk op een heel andere Jezus getuigt wel van een ongebroken belangstelling voor de persoon van Jezus en voor de grondslagen van het christendom. Dat deze belangstelling langs andere wegen gaat dan vanuit Bijbelwetenschappelijk standpunt of kerkelijk perspectief wenselijk zou zijn, is een ander verhaal. In ieder geval kunnen we gespannen uitkijken naar de sensaties uit het leven van Jezus die nu weer onthuld zullen worden en popu­lairwetenschappelijk op de markt gebracht zullen worden’.

(1) Dit is opnieuw een boek dat ik mocht lezen voor het blog: Inspirerend Leven

Het boek kan ook daar besteld worden, via de webwinkel van Inspirerend Leven.
 
 
 
 
 07. Veronika's drievoudig licht - Manfred Kyber
 
 
 


De auteur

De schrijver Manfred Kyber geeft ons in dit boek een wonderlijk teer en mystiek beeld van het leven van enige mensen hier op aarde en wijst daarmee op het goddelijk verband der dingen. Veronika, de hoofd­persoon, is een teer en gevoelig meisje dat nog contact heeft met de sub­tiele wereld om haar heen, die voor de meeste mensen niet of niet meer waarneembaar is. Zo gaat zij haar lichtend levenspad, beschermd en bewaakt op deze aarde door haar oom Johannes, die met een band, die zich door vele levens heen uitstrekt, met haar verbonden is. Veronika is zich deze band niet duidelijk bewust, maar voelt wel steeds een sterke aantrekkingskracht naar haar beschermer en van tijd tot tijd tovert deze kracht haar beelden van fragmenten uit vorige levens voor ogen. Pas na haar overgang naar het andere leven, die op voorspraak van haar beschermer Johannes de Zwerver vroegtijdig plaats vindt om haar te sparen voor moeilijk te dragen leed in dit aardse leven, wordt zij zich van dit alles duidelijk bewust. Wonderlijk mooi is het te lezen hoe zij dan in staat is hulp en invloed te geven aan de omgeving hier op aarde, waarmee zij door banden van liefde en toewijding is verbonden.

 
 
Dit verhaal, dat buitengewoon veel licht en wijsheid uitstraalt, heft ons op en maakt de beste gevoelens in ons wakker. Het ontroert bijna ieder die het leest, maar dat is wellicht een teken, dat de mystiek die er in besloten ligt, begrepen en aangevoeld wordt. Nog lange tijd na het lezen zal de lezer aan dit boek terugdenken en de behoefte voelen om het boek nog­maals ter hand te nemen en te herlezen. En zijn de boeken die deze behoefte in ons opwekken niet de beste boeken die er zijn?

ISBN 906441002X  - Uitgeverij Sirius en Siderius

 

Uittreksel:    Hoofdstuk 2  - HET HUIS DER SCHIMMEN


De volgende morgen had kleine Veronika het gevoel dat zij heel diep geslapen had en dat er niet één nacht, maar een veel langere tijd lag tussen deze morgen en de vorige dag. Het leek haar dat ze herboren was in een nieuw leven en dat ze een nieuwe wereld betrad. Dat kwam omdat ze voor het eerst werkelijk wakker was geworden in het huis der schimmen. Zij had weliswaar vroeger ook in het huis der schimmen gewoond, maar haar ziel was er niet werkelijk aanwezig geweest. Geleefd had zij in de tuin der geesten en in het huis der schimmen had zij maar half bewust rondgelopen - ze had het ervaren als iets dat er toevallig was, waaraan ze zich niet gebonden voelde. Nu was echter de schemering gevallen en de tuin der geesten was in een nevel verdwenen. Het huis der schimmen drong thans in haar volle bewustzijn door.

Dit is een van de drempels in het mensenleven, waar wij allen overheen moeten. De mensen vergeten het echter. Ze vergeten dat zij eens in de tuin der geesten zijn geweest en lachen ongelovig als iemand hen daarvan vertelt. Ja, velen vergeten ook wat zij later in het huis der schimmen hebben beleefd. Zij denken dan, dat er in dit leven alleen dat aanwezig is dat tastbaar genoemd kan worden en dat slechts tot deze wereld behoort. Het eigenlijke leven echter speelt zijn afwisselende spel met vele kleuren achter de dingen die tastbaar zijn en het noodlot weeft zijn onzichtbare draden tussen de tuin der geesten en het huis der schimmen met zijn vele vreemde gestalten. Wij moeten altijd iets van de tuin der geesten en van het huis der schimmen in onze gedachten houden, anders voelen we ons later in het ingewikkelde leven niet thuis. Ieder moet aan de drie lichten denken die op het altaar van het leven branden, want anders valt hij op de vele drempels en treden, die hij door de duisternis niet ziet.

Ieder huis is immers een huis der schimmen en niet alleen Veronika heeft in een huis der schimmen ge­woond. Wij allen wonen er, waar op aarde we ook leven en wij komen allen over treden en drempels die wij niet kunnen zien. Alleen een innerlijk licht kan ze ons tonen. Het is moeilijk over de treden en drempels te klimmen. Het is triest in een huis der schimmen te leven en misschien is dat juist het ergste voor hen die het helemaal niet opmerken. Zo is het echter niet altijd geweest. Er was eens een tijd dat de mensen in tempels en lichte gebouwen verbleven. In oude sagen en sprookjes klinkt die toestand nog door. Dat was de jeugd van de mensheid. Toen zijn de stervelingen afgedaald naar de diepte en uit hun daden weefde zich het wisselende lot. Ook de huizen der schimmen zijn uit de daden der mensen gebouwd. U allen, die nu leeft, woont in zulke huizen en dat is vaak drukkend en zwaar.

Toch moet u daarom nooit treuren. Denk aan de kleine vlammen die voor u allen branden, zoals de drie lichten die voor kleine Veronika branden. Denk daaraan, allen die nu leven en verlicht met die lichten de huizen der schimmen. Eenmaal zullen het dan weer tempels en lichte bouwwerken zijn, die u als uw woning kunt betrekken. Het zijn lange wegen die u allen zo moet afleggen. Maar u moet niet denken dat het tevergeefs gebeurt. De tempels en de lichte bouwwerken waar u in gewoond hebt toen de mensheid nog jong was, had u niet zelf gebouwd. U hebt erin gewoond zoals kinderen leven in de tuin der geesten.

De nieuwe tempels en de nieuwe lichte woningen, die uit de huizen der schimmen zullen verrijzen, zult u wél zelf gebouwd hebben. Met uw eigen gedachten zult u ze bouwen en u zult een bewuste jeugd erin beleven. Bewust kind zijn betekent gelukzalig zijn. Het is de moeite waard daarvoor over veel treden en drempels te stappen, ook al is de weg lang en het doel heel ver!

Er is een verte die vroeger bestaan heeft: vandaar komen wij. Er is ook de verte van de toekomst: daar moeten wij heen. Bouwt uw tempels en lichte bouwwerken, u die in het heden leeft.
 
 
 
 
 
08. Heiliging. Een dorpsgeschiedenis - J. Anker Larsen
 


Vertaling van: Sognet som vokser ind i himmelen. - 1928
Uit het Deensch vertaald door G.J. Risselada-Garrer
Uitgave: Amsterdam : Elsevier - Jaar: 1928

 
 
 

Uittreksel

Een besluit nemen. 

Ik zal je een geschiedenis vertellen van iemand die een besluit nam - ofschoon hij heelemaal niet wist, waartoe hij besloot. Ik vertel het als een sprookje, maar het meeste van wat ik vertel, is werkelijk gebeurd en een van de twee mannen leeft nog.

Er waren eens - voor jullie is het lang geleden, maar voor mij is het alsof het een paar dagen geleden gebeurde - er waren eens twee jonge mannen, die van twee jonge vrouwen hielden, twee zusters. De twee jonge mannen waren goede vrienden. Ze zouden spoedig trouwen en ze waren blij dat hun vrouwen zusters waren.

Toen kwam er een hevige ziekte en greep de eene zuster aan, en zij besmette de andere.

De twee jonge mannen hoopten natuurlijk, dat de twee zusters weer beter zouden worden, maar tenslotte werden ze bang. En op een dag kwam de dokter en zeide tot hen:

"Gij moet op het ergste voorbereid zijn.”

Toen konden ze nergens vrede vinden, maar liepen rusteloos rond. Eindelijk kwamen ze in een groot bosch.

"Ik ben als iemand die bang in 't donker is,” zei de een, "en er is iets dat mij vervolgt. Het is de gedachte, dat zij die zoo jong en zoo mooi is, werkelijk zou kunnen sterven. Ik kan me niet verzoenen met die gedachte. Ik ben bang voor het leven.”

"Ja,” zei de ander, "en dat is nog maar alleen de ge­dachte, - wat dan, als het werkelijk gebeurt!”

Ze keken elkaar lang aan, toen zei de een: "Zullen we er niet voor bidden, dat ze in 't leven mogen blijven - misschien als we allebei bidden _”

"Ja," zei de ander, "laten we allebei bidden!'

Ze dachten beiden, dat het gebed van den ander misschien meer zou vermogen dan het eigen, want ieder van hen meende, dat de ander beter was dan hij­ zelf. Maar ze waren, zoover menschen kunnen oor­deelen, even goed.

Toen knielden ze neer en baden voor het behoud van haar die ze beminden. Ze waren niet gewend te bidden, maar er stond zooveel op 't spel en hun gebed was zeer innig.

Toen ze gebeden hadden, keken ze op en er stond een man voor hen. Ze hadden later geen van beiden kunnen zeggen hoe hij er uit zag, of hoe hij gekleed was, want op dat oogenblik merkten ze alleen op, dat hij bij ’t bosch paste alsof hij daar thuis hoorde. En ze geloofden hetgeen hij zeide, zooals men een zeeman gelooft op zijn schip, den landman buiten op 't veld en den houtvester in het bosch.

Wat hij zeide was: "God heeft uw gebed verhoord.”

In hun dankbaarheid wilden ze hem omarmen; maar er was iets in zijn blik, dat hen tegenhield en hen onzeker maakte.

"Maar gij hebt te laat gebeden,” zeide hij, "de dood heeft reeds verlof gekregen om haar te halen."

Toen bogen ze in vertwijfeling het hoofd.

"God heeft uw gebed verhoord," zei de man.

Ze keken op, maar begrepen hem niet.

"God is machtig,” zeide hij, "en wil uw gebed ver­vullen. Den dood kan niet ontnomen worden wat hij gekregen heeft, maar gij kunt haar, die ge bemint, behouden.

God geeft u nu een keus. De dood moet het zijne hebben ­maar gij kunt het uwe behouden.

Indien gij kiest, dat de dood het lichaam der jonge vrouw neemt, zal het in 't vervolg in uwe ziel zoodanig zijn, dat er geen afstand is tusschen u en haar. Zij zal in elk van uwe gedachten wezen, zoodat gij niet weet, of zij of gij het zijt die denkt; en gij zult hier in de wereld levend, zoo nauw vereenigd met haar zijn, dat gii niet weten zult, of zij het is die nog leeft, of gij die reeds gestorven zijt.

Ge kunt ook de genezing van haar lichaam kiezen. Dan zal de dood haar loslaten, en zij zal weer worden zooals ze was, toen gij voor 't eerst haar lief kreegt, en zij u haar jawoord gaf. Maar dan kunt gij haar ook niet nader komen. Er kan geen groei zijn in de liefde. Die mogelijkheid neemt de dood in plaats van haar lichaam. - Nu kunt ge kiezen.”

Ik heb gezegd, dat de twee jonge mannen even goed waren. De een had zich nooit voor den ander behoeven te schamen. Maar er was verschil tusschen hen. In den een lag het eeuwige leven half in slaap; in den ander was het daar, waar men wel niet geheel wakker is, maar toch weet, dat het dag is.

En de keus wekte hem geheel.  Hij zeide: "Ik kies het eerste.”

Toen zei de man:"Dan zijt gij één in alle eeuwigheid; de groei van den een is die van den ander en hij is dubbel, want de groei van den een wordt bij dien van den ander gevoegd. Maar als ge thuiskomt, is haar lichaam koud en stijf onder de hand des doods.”

Toen verborg de andere jonge man zijn gezicht in de handen en riep:

"Dat kan ik niet! Ik moet haar behouden, zooals ze was op den eersten dag toen ik wist, dat ik haar liefhad en op den dag, dat zij mij haar jawoord gaf. Ik verlang niet meer dan dat.”

"Zij leeft" zei de man, "en over eenige dagen is ze zoo  gezond en frisch als toen ge voor ‘t eerst zaagt hoe be­minnelijk ze was."

De twee jonge mannen keken elkaar aan, en de een beklaagde oprecht den ander, want ze waren beiden goed en ze waren vrienden.

Toen ze zich weer tot den man wilden keeren, was hij verdwenen. Ze vroegen zich af, of ze alleen maar gedroomd hadden en haastten zich naar huis.

De eene der twee zusters was dood. Bij het bed der andere stond de dokter en zeide: "Zij wordt beter."

Dat gebeurde ook; ze trouwden en leefden eenige jaren in blijde jonge liefde, zooals pas getrouwde menschen hier op aarde leven
 
Jullie weet, hoe het met menschen gaat. Zoo nu en dan laten ze een knorrigen toon hooren, een boos of onbezonnen woord. Het is heel weinig, maar het is als het zaad van een paardenbloem dat in een grasveld valt. Het verbreidt zich als gewoonten zich verbreiden in 's menschen gemoed. Tenslotte is het een veld niet met gras maar met paardenbloemen. Er komt een ontevreden trek om den mond van man en vrouw, geteekend door alle kleine prikkels en booze woorden. Jullie kunt het rondom je heen in de huizen zien. Man en vrouw hebben te dicht bij elkander geleefd. Ze hebben elkaar te dikwijls in den weg gestaan; dat ze elkaar noodig hebben, maakt het niet beter. Ze zijn niet jong meer; de verliefdheid is verwelkt, al lang geleden. Alleen de gewoonte bindt, bovendien een slechte gewoonte. Ten laatste sterft de een en de ander leeft bevrijd op. Voor een jaar voorbij is, kan men zien, dat het een verlichting was van den echt­genoot af te zijn.

Zoo ging het met deze twee. Zij stierf - een beetje laat, maar toch tijdig genoeg, dat hij nog eenige goede jaren in vrede kon leven. Er was zooveel dagelijksch ge­kibbel tusschen hem en zijn vrouw geweest, dat het onaangenaam was alleen maar aan haar te denken. Eindelijk werd hij dan zijn herinnering de baas en vergat haar geheel.

Toen was hij een oude gerimpelde man.

De ander bleef jong. Zijn jaren werden talrijk, zijn haar werd grijs, maar zijn oogen glansden als een pas ont­waakte dag. Hem te ontmoeten was als een voorjaar te ontmoeten.

Eens, vele jaren na den dood van zijn vrouw, ontmoette de vriend hem.

"Het geluk straalt van je uit,” zei hij, "het ligt als een glorie om je heen.”

De ander antwoordde: "Dat moet het wel, het is grooter dan ik er plaats voor heb binnen in mij."

"Wat beschouw je als je grootste geluk?” vroeg de vriend.

De ander antwoordde zonder zich te bedenken: "Dat ik door liefde bevrijd werd voor mijzelf."

Toen kwam deze gedachte bij den vriend op: "Geen grooter bevrijding heb ik gekend dan den dood van mijn vrouw. Hoe arm is mijn geluk en mijn leven tegenover het zijne."

En hij kon het zien van het geluk van den ander niet verdragen, maar ging eenzaam heen.

In het leven van deze twee, die ieder op zichzelf even goed waren, zien jullie het verschil tusschen de eeuwig­heid, die slaapt, en die, die weet dat het dag is en besluit om wakker te worden en op te staan."

Rasmus stond op en ging heen.

De kinderen keken hem langen tijd na en ze dachten, dat hij zeker zelf de een van de twee was, maar ze wisten niet goed welke; want zijn oogen glansden wel, maar in zijn gezicht waren vele rimpels.
 
 
 
 
 
 09. Roes - J. Anker Larsen
 
 
 

Uit het Deens vertaald door G.J. Risselada-Garrer
Uitgave: Amsterdam : Elsevier - Jaar: 1931


 

Uittreksel

Gudum was den nacht, de eenzaamheid ingeloopen, niet na rijp overleg, maar als een man die een gebod volgde; hij moest doodeenvoudig alleen zijn, en toen liep hij den landweg op - weg van alles wat het zijne geweest was.

Als 's menschen kleine wereld in elkaar stort en zijn levende ik aan alle kanten omhuld wordt door het leege doode niets, tuimelt hij soms in die leegheid neer en kan zich het leven benemen om er één mee te worden; hij kan verharden en versteenen; maar het kan hem ook gaan als Gudum: onzichtbare muren achter welke hij zich veilig had opgesteld, stortten om en hij wandelde er over heen een nieuwe wereld binnen. Die kwam te voorschijn uit zijn eigen gemoed z00 snel en schijnbaar wonderbaarlijk, zooals de mangaboom van den fakir uit den grond opgroeit. Henzelf was het duidelijk, dat hij een wonder beleefde, hij had het gevoel of hij op een anderen aardbol liep. Natuurlijk wist hij, dat hij op de arme, oude aarde was, maar die was oud noch arm. "Het oude was voorbijgegaan, alles was nieuw geworden.”

Er is geen "religieuze voorbeschiktheid" noodig om dezen gemoedstoestand te beleven en deze leidt den belever niet vanzelfsprekend tot enige religie; eerder bevrijdt hij hem van alle religie; maar woorden uit de "heilige boeken" der geheele wereld komen uit zichzelf bij hem op in dat oogenblik, dat hij wil trachten het ken­merkende van zijn beleving in het licht te stellen; woorden die onnut in zijn geheugen hebben gelegen, als munten zonder gangbare waarde, worden levende werkelijkheid voor hem: dit is het immers wat nu gebeurt!

Gudum was zich nuchter bewust, dat hij liep in zijn oude bekende lichaam op de oude bekende aarde; maar toch was hij nieuw, hij had geen grenzen, zijn wezen was overal aanwezig, het drong in alles door en werd zelf door alles doordrongen; een diepe vrede zeeg in hem neer als een tastbare stof, in hem zelf en in de heele wereld; een innerlijke atmosfeer, als men het zoo zeggen kan. Het wezen van den vrede was vrijgevigheid, deze zou zich over de heele wereld willen verspreiden: "Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u"; Gudum voelde, dat een mensch zich almachtig kan voelen tot het geven van zulk een gave. In dezen toestand weet men dat "het hemel­rijk nabij is gekomen", en het geloof, dat het einde van allen strijd onmiddellijk nabij is, kan men moeilijk ont­gaan - de tijd wordt zoo kort tegenover dit eeuwigheids­gevoel - een zegenend contact van zielen, ongeacht lichamelijke afstand, maakt zijn werkelijkheid geldig, en het stadium waarin de kracht wordt geschonken om "zonden te vergeven" en de "zonden" van anderen te dragen, komt in 't verschiet.

Zulk een beleving kan een enkelen keer in een men­schenleven voorkomen; zij kan zich ook herhalen en duurzamer worden, dan geeft zij voor altijd een bestem­ming aan het leven; maar ze kan ook in de herinnering verbleeken, de golfslag van vluchtige oogenblikken kan haar uitwisschen, de neiging tot expansie scheidt zich af van de verinnerlijking en richt zich op het gewemel van uiterlijke doeleinden, de strijd begint, de vrede is een schim, een verlangen dat niet gestild kan worden en daarom gaat de oude strijd tusschen wereldverovering en wereldoverwinning verder in het menschelijk ge­moed - kleinzielig of geweldig al naar het formaat van het gemoed.

P 145 – 147
 
 

 10. Hansen - J. Anker Larsen




 
Op de achterflap:
Hansen, de laatste roman van Anker Larsen die met deze uitgave voor het eerst in het Nederlands verschijnt, mag beschouwd worden als zijn geestelijk testament. Het is één van die boeken, die iets te geven heeft aan veel - en aan veel verschillende - lezers.

Hansen is een man van 64 en leraar Engels en Frans. Het verhaal over zijn ervaringen wijst er op een wonderlijk levendige manier op, hoe men het bestaan van alledag kan verenigen met het vermogen om momenten mee te maken, die de tijd opheffen en de eeuwigheid en het huidige nu laten versmelten. Het is die vereniging van het alledaagse met dat, wat buiten het tastbare ligt, wat het boek zijn bijzondere diepte geeft.

Veel mensen bezitten, zonder dat ze het zelf weten, dezelfde eigenschap als Hansen en dit boek ondersteunt het proces van bewustwording van die vermogens, zodat een eeuwigheidsondervinden van het bestaan in alledaagse ontmoetingen geopend kan worden.

Zijn boodschap die vanuit een grote overtuigende ernst, met humor en een voelbare warme, diepe menselijkheid is geschreven, heeft niets aan actualiteit ingeboet.

 
Uittreksel:


Het is eigenlijk wel lachwekkend - zou hij misschien niet eens met een psychiater moeten praten over zijn vele abnormaliteiten? Nee, die zullen verdorie alleen maar met medicijnen of een operatie proberen hem er van af te helpen. Maar het is wel grappig dat hij een overledene niet als echt dood kan beschouwen. Neem Jens nu eens, die stierf enkele dagen geleden: het staat voor hem vast dat die nog steeds existeert. Hij kan zich weliswaar gemakkelijk diens lijk voor de geest halen, maar Jens zelf blijft net zo levend als daarvoor! Daar helpt geen enkele redenering tegen, ze kunnen hem niet de overtuiging afpakken, dat Jens er nog is. Dat is toch dwaas! Maar zo ervaart hij dat bij al zijn gestorven vrienden en bekenden. Zou dat nog een restant van zijn christengeloof zijn? Nee, dat kan niet, want alle lijken die hij zag in de tijd dat hij zijn kindergeloof nog had, zoals dat van "oude Godtfred", oma, en alle andere lijken waarvoor hij, naar boerengebruik uit die tijd, uitgenodigd was om te bekijken, waren zo onverbiddelijk dood, dat hij zich niet voor kon stellen dat ze "in het hemelrijk" waren. Maar nu hij allang niet meer "gelovig" is kan hij zich niet voorstellen, dat iemand dood is, uitgeleefd. Het is absoluut zeker dat ze eeuwig leven. - Hetzelfde zou dus ook wel voor hem gelden. Nou ja, daar kon je het verder wel mee eens zijn, als je het er met jezelf over eens was geworden om dit leven te leiden, maar verder kan hij er niets betreurenswaardigs in zien als het leven volledig uit zou doven. Dan kan er absoluut niets onprettigs meer gebeuren. En er zou geen tijdsprobleem meer zijn!

Maar waarom is het voor hem onmogelijk om de gestorvenen als niet levend te beschouwen? Aderverkalking? In dat geval is hij al heel lang, voordat hijzelf of anderen het in de gaten kregen, bezig te verkalken, want hij mist al verscheidene jaren het vermogen overleden mensen als niet-bestaand te beschouwen.

Nu is hij bij het hek en moet oversteken, dus nu moet hij Oppassen, zoals zo vaak tijdens het peinzen, in elk geval tot hij Svineryggen bereikt heeft, waar noch auto's, trams of fietsers zijn. Maar op Svineryggen is Jens weer zo levend, alsof ze hier samen liepen, niet hier natuurlijk, maar daar, waar Jens zich nu moet bevinden, hij is in elk geval levend, zo gek als het lijkt.

Natuurlijk kan niemand bewijzen dat de mens leeft na de dood; en als men eens aanwezig is geweest bij een varkens- of kalverslacht, is het al erg genoeg dat geëist wordt in een leven na de dood te geloven; maar erger is het, dat men die zekerheid niet kwijt kan raken. Men kan dat niet eens verkopen aan een moedeloze christen, wiens "geloof' er heel vaak uitziet als een hoop, vervuld van angst.

Het christendom - ja, dat verwierp hij als een oud kledingstuk in de studentengemeenschap waar het evangelie van het vrij denken en van de vrije liefde werd verkondigd, wat er dus toe leidde dat er voor hem geen god bestaat. En dit moet hij wel bekennen, dat hij vandaag de dag zichzelf zeker niet beschouwd als meer dan gewoon begaafd, het is voor hem heel helder, dat die god, die de gelovigen aanbidden, op geen andere plek bestaat dan alleen in hun eigen verbeelding en als ze er over praten hoeveel ze van hem houden, dan toont dat een bedenkelijke overeenkomst met henzelf.

Maar - als hij naar zichzelf kijkt, hij, die niet bidt en zich geen enkele god voorstelt - een zodanige voorstelling kan hoogstens je reinste godslastering worden - ja, dan vindt hij "bij god", dat hij zelf in de loop van de jaren een onafgebroken gebed is geworden!

Hij was daar als kind al naar op weg, dagelijks bad hij zijn Onzevader en vaak woordloze gebeden tot die god, die in de hemel boven de sterren woonde - en die onvermijdelijk dakloos moest worden, toen er geen verschil bleek te zijn tussen onder en boven de sterren.

Maar de gewoonte om in stille overpeinzingen te vervallen of zo maar wat voor zich uit te staren bleef in hem zitten – zelfs in die zeer immorele periode, waar hij zijn deel van heeft gehad, omdat hij absoluut "mee moest doen" met alles wat mogelijk was, ontdekte hij allerlei soorten leven in zichzelf. Wat voor nut heeft hij er van gehad, wanneer hij toch later het meeste weer verworpen heeft? Ja, waarschijnlijk heeft hij zich in elk geval eigen gemaakt om niet te snel te oordelen. Om redenen die zeer dicht aan zijn eigen ervaringen raken.

Maar die overpeinzingen - daar is de vakantie goed voor, men krijgt de tijd om zichzelf eens goed onder de loep te nemen ­net als een leerling die je irriteert, maar van wie je het toch, merkwaardig genoeg, niet laten kunt om hem te mogen, ­ die overpeinzingen - over wat? Ja, over iets "hogers", iets onbestemds, maar uiterst reëel, want je kunt het voelen, het geeft antwoord en vertroosting. Aan wat? Ja, dat zal dan wel ten opzichte van het bestaan zijn. - Jawel, maar dan niet ten opzichte van het deel dat men kan horen, zien, voelen en proeven, het "reële" dus, zoals men dat gewoonlijk noemt. Nee, maar vertrouwen ten opzichte van iets dat niet zichtbaar is, maar uiterst reëel is, dat men kan waarnemen, voelen, en dat voortdurend grotere levensvolheid geeft en een verlangen wekt naar nog meer van dat wonderbaarlijke, dat zo gewillig komt wanneer men het aanneemt als - als, ja, eerlijk gezegd, zo onschuldig en trouwhartig als een klein kind.

Als een klein kind! Dat heeft die merkwaardige Jezus, wiens woorden zo vaak in hem opgedoken zijn na de één of andere bijzonder rijke innerlijke ervaring, dus geweten. ­Waarschijnlijk heeft hij iets geweten wat de schriftgeleerden uit die tijd niet konden weten, omdat ze het via een weg zochten waarop ze het niet vonden - net zoals de geleerden in onze tijd doen. Er is veel te vinden via die weg. Maar niets van eeuwigheid. Van eeuwigheid! Ja, dat is het verlossende woord voor dat, wat steeds zijn aandacht vraagt. Maar geen eeuwigheid in de betekenis van eindeloze tijd. Het is een eeuwigheid die zich openbaart, zich meedeelt aan iemand op dit moment zelf! Men voelt, kent zijn eigen eeuwigheid. Dat hij daar vroeger nooit aan gedacht heeft! Maar dat is ook weer niet zo onbegrijpelijk, want het is niet iets wat je kunt denken, het is slechts iets wat je kunt beleven - en het daarna weten, omdat men het geworden is. In dat beleven is een voortdurend worden; en na ieder nieuw worden weet men meer - nadat het tot beleven is geworden. Het beleven, het weten, dat te weten en diegene zijn die het weet, zijn één en dezelfde eenheid.

Maar er is dus ook een weten van een heel andere soort dan het meer of mindere weten dat men heeft. Dat andere is een weten dat men is - en met onwrikbare zekerheid.

Zekerheid. En dat is ook wat hem belemmert de dood als eindpunt te zien! Omdat de mens een eeuwig wezen is - of hij het nu weet door" er in te geloven" of niet. Wat alleen maar tijdelijk is vergaat, en wat eeuwig is bestaat, omdat het is. Maar de tijd komt en gaat. ­

Hij ontdekt dat hij zelf is blijven staan en zet zijn wandeling naar Vesterbro voort.


ISBN 978 90 78500 05 6
Bestellen: arjanbos @ ankerlarsen.nl  (spaties rond @ weghalen)


 
 
 
 
 
 11. De Steen der Wijzen - J. Anker Larsen

 
 
Uit het Deens vertaald door A. en E. Huber.
Bekroond ingevolge de door den ‘Gyldendalske Boghandel’ uitgeschreven prijsvraag naar den besten Deenschen of Noorschen roman, uit te geven in 1923.



Recensie van Henri Borel (1869-1933)  in "Het Vaderland":

"De Steen der Wijzen is niet vatbaar voor 'n kort résumé of zelfs maar om' naverteld te worden. Het proces in de zielen dezer menschen is zoo subtiel en mystiek, dat er geen fragmenten kunnen worden gegeven, zóó ijl en toch sterk hangt alles aan elkaar. Het is echter in één korte definitie samen te vatten: het zoeken van den modernen mensch naar God, en de ontzettende gevaren daarvan, omdat hij er als brandpunt in staat van een gruwelijken strijd tusschen de lichte en duistere machten. Denk niet dat De Steen der Wijzen een zoogenaamd vroom, stichtend boek is. De diepste vernederingen volgen erin op de hoogste verheffingen. Zoodra de duistere machten, staat er terecht in, zien,dat een ziel streeft naar het hoogste geestelijke, vallen zij hem aan met een genadelooze wreedheid en listigheid, die des duivels is"            "Ik ben gewoon, in boeken passages of gezegden, die mij bijzonder treffen, aan te strepen, maar in De Steen der Wijzen was ik voortdurend aan het aanstrepen, ik kon wel aan den gang blijven. Het staat vol van de gewichtigste, schoonste waarheden".      "… Toch blijft er een schat van wereldwijsheid en dichterlijkheid over die werkelijk De Steen der Wijzen waard maakt een boek voor alle landen en volken te worden. De Nederlandsche vertaling lijkt mij voortreffelijk..."

Uittreksel:

De zwarte.

                Er klonk een zacht gelach vlak bij zijn oor. Hij keerde zich om en staarde de kamer in. Een koude rilling ging door zijn lichaam, want nu zag hij dengene, die altijd op hem zat te wachten.

                Hij zag hem en herkende hem. Het was immers de zwarte gedaante, die "de scheeve" in haar hysterische helderziend­heid gezien had. De zelfde verlammende, giftige atmosfeer als toenmaals, ging van hem uit.

                Hij zag hem duidelijk, want het was licht in de kamer, geen daglicht en geen lamplicht, maar een heel ander soort licht, dat heel natuurlijk scheen, hoewel het niet de kamer, maar slechts de lucht daarbinnen, verlichtte.

                De gedaante was zwart, gehuld in een giftige stof, die aan roet deed denken en dicht om de gedaante sloot, als de vacht om een zwarte kat. Het gezicht drukte wilskracht uit, spottende kwaadaardigheid en sluwheid; de trekken zelf waren bijna mooi, veredeld, als men het zoo noemen kan, door een intelligente wreedheid.

                De gedaante scheen zijn gedachten te lezen; hij beant­woordde ze, zoodra zij in hem opkwamen.

                "Ja, ik ben het," zei hij. De stem scheen de lucht niet als medium te gebruiken; ze klonk duidelijk, maar zonder gedruisch, als het ware zonder geluid, in Dahls oor.

                "Ik ben het heusch. De laatste keer hield ik mij een weinig achteraf, u was toen wat erg dicht bij een ondervinding, die u een niet geringe kracht gegeven had.

                Dien keer verschalkte u ons. Zij stierf inderdaad als "zichzelf". Enfin - het was trouwens een tamelijk magere buit, dien de "hoogere machten", zooals u ze noemt, kregen. Wij hadden haar van te voren toch al danig geplukt.

                Of ik die machten ook als "hooger" erken? Dat zou ik niet al te best kunnen, aangezien wij ze met niet gering succes bestrijden.

                Ja, kijk eens, nu probeert u een echt moderne truc: zulke wezens als ik bestaan in het geheel niet. Ik zou natuurlijk kunnen antwoorden, dat u me ziet en ook hoort, maar u kunt zich heel juist dekken achter het postulaat, dat ik een hallucinatie ben. Ik geloof intusschen, dat het mij spoedig gelukken zal u te doen begrijpen, dat ik werkelijk besta. U gelooft immers - in ieder geval zoo'n beetje - aan het bestaan van de "hoogere machten". Ik kan hun "hoogheid" niet erkennen, maar gemakshalve zal ik de onder de men­schen gangbare benaming gebruiken. Velen van u gelooven immers aan beschermengelen. Ik zal er wel voor oppassen om dat geloof te versterken; daarentegen kan ik u verzekeren dat u hebt, wat men een "beschermduivel" zou kunnen noemen, die u vele goede ingevingen bezorgt.

                Of ik de uwe ben? Neen, ik heb niet de eer. Ik hoor in eenigszins hoogere rangen thuis, maar ben intusschen aan u geattacheerd van wege een zekere gebeurtenis, die onze opmerkzaamheid op u gevestigd heeft.

                Ik zal het u ronduit zeggen: wij kunnen niet hebben, dat de zoogenaamde "goddelijke liefde", zich onder de menschen manifesteert.

                Of ik haar bestaan ook erken? Beware me, helaas wel. Maar ik vind haar alleen maar niet "goddelijk". Juist net het tegenovergestelde. - Waarom ?- Ja, kijk eens, wanneer zij goddelijk was, dan moest zij toch in den strijd overwinnen, maar dat doet zij niet.

                Je moet namelijk weten - permitteer me, dat ik nu al jij zeg: ik hoop tenslotte op een vertrouwelijke vriendschap.

                Neen, laat die inspanningen maar! Je kunt mij toch niet weg dwingen. Ik heb helpers achter mij.

                Er staat hier een heel heirleger, dat mij kracht toevoert­ - ook voor het geval, dat de vijand zou trachten je te hulp te komen, als toenmaals, toen je "de andere" uit "de scheeve" verjoeg. Je herinnert je nog wel de versterking, die tot je kwam, juist toen het er het meest opaan kwam? Laat dat maar! Het zal hier toch gaan zooals altijd: wij zijn het, die overwinnen.

                Kijk maar om je heen in het leven. Strijden niet alle menschen voor het goede? (Ik gebruik jullie terminologie, hoewel die mij tegenstaat). Wie zorgt er dan voor, dat de resultaten "slecht" worden? Dat doen wij! Zoowel in het kleine, als in het groote. Denk je eens twee vrienden, die alles voor elkaar over hebben. Op zekeren dag zegt de eene toevallig een kleinigheid, die den andere juist op een teere plek raakt. De kwestie had in een oogenblik bijgelegd kunnen wezen en de vriendschap was in alle eeuwigheid blijven bestaan. Maar de beleedigde antwoordt "tegen zijn wil" beleedigend terug, en zoo voort. Beiden voelen, dat zij eigenlijk heelemaal niet meenen wat zij nu zeggen, maar een onweerstaanbare drift dwingt hen de kwetsende woorden uit den mond, hoewel zij er inwendig onder lijden.

                Ten slotte scheiden zij als vijanden. Vanwaar komt die onweerstaanbare drift, die ik noemde? Die komt van ons.

                Of twee echtgenooten, die voor elkaar geschapen zijn. Moet de kachel aangemaakt worden of niet? Meer is er niet noodig. De kleinste oorzaken zijn bovendien ook de beste. Zij brengen die lichte irritatie teweeg, die noodig is voor de kwetsende uitlatingen.

Moet de staart van den hond gecoupeerd worden of niet? Van zoo'n klein begin komt menige goede vijandschap, menige schoone echtscheiding. Wie inspireert tot die giftige uitdrukkingen? Dat doen wij.

                Vanwaar komen al die kleine, prikkelbare nuances, die aangewende, kleine ontstemmingen, die het dagelijksche leven tot een plaag maken?

                Zij komen van ons. Kleinigheden, maar krachtig werkend. Wie denk je, dat die handige wisselwerking tot stand brengt, die vaderlandsliefde in nationale haat verandert, en klassengevoel in klassenhaat? Het begint zoo mooi in liefde, maar wanneer het eindigt in haat, dan zijn wij het toch, die overwonnen hebben.

                Wij hebben het altijd gedaan en zullen er altijd mee doorgaan tot het einde toe, totdat het rijk van ons is. Dan begint het werkelijke geluk voor de menschen.

                Tot zoolang zullen wij blijven doen, zooals wij tot nu toe gedaan hebben; iedere beschaving te gronde richten, die jullie op andere principes dan de onze opbouwen.

Wij vernietigen haar van binnen uit, zooals de worm knaagt in het hout.

                Kijk maar naar het Christendom. Is het nooit in je op­gekomen, dat de beste predikanten de onze zijn? Ik zeg niet alle, maar de beste.

                Geloof je mij niet? Dat doen de predikanten ook niet, maar wat doet het er toe, zoolang zij ons maar dienen. Laat ons een voorbeeld nemen, anoniem, nomina sunt odiosa, wij nemen een type:

                Ik neem den welsprekenden predikant met de ten hemel geslagen oogen en de mooie illustreerende gebaren, de man, die alles zoo gemakkelijk maakt. God is immers een lief­hebbend Vader, die niet meer verlangt, dan wat wij pres­teeren kunnen; en het weinigje, dat er van ons verlangd wordt, strijkt de fluweelzachte stem liefderijk uit tot bijna niets. Want iederen keer, dat hij in zijn preek God een maal noemt, noemt hij zichzelf negen maal, en hij had zichzelf ook nog best de tiende maal er bij kunnen noemen, want God heeft een wonderlijke gelijkenis met hem daar op den preekstoel. Hij is ingenomen met zijn gemeente en de gemeente is ingenomen met hem; en dat gevoel gaat ge­makkelijk over in ingenomenheid met zichzelf. Daar het in de kerk voorvalt, wordt het opgevat als stichting. Maar jijzelf hebt vroeger al gezien, dat zelfgenoegzaam­heid de mogelijkheid tot werkelijke vroomheid uitsluit.

                Wanneer onze dominee zijn lieve gemeente verlaat voor een rijkere standplaats, wordt er, uit dankbaarheid, voor hem gecollecteerd; zij begrijpen immers zoo goed, dat zijn Heer (dat zijn wij) hem een beter beroep gegund heeft en dat hij dit aanneemt. Zij zouden zelf net zoo gedaan hebben en zijn blij met het goede voorbeeld. Deze predikant is een van onze beste. Hij doodt Christus, zacht en kalm, met veronal.

                Er is een ander type, dat ons meer direct dient. Die prediken bepaald ons. Je kunt ze er aan herkennen, dat zij voor iederen keer, dat zij God één maal noemen, den duivel negen maal noemen. Zij hadden hem er best ook de tiende maal bij kunnen noemen, want als zij "God" zeggen, is het aan hun haatdragende stem te hooren, dat er sprake is van een boosaardigen satan. Zij leveren Christus levend in onze handen over; want zij leveren ons "alle deze mijne minste broeders", in wier hart zij de vrees opwekken. Er staat geschreven, dat de volmaakte liefde de vrees verdrijft. Maar waar de vrees is, heeft de liefde het verloren en de duivel zijn spel gewonnen.

                Je verwondert je er over, dat ik de woorden uit de Schrift citeer? De bijbel is een voortreffelijk boek. Wel is waar zijn enkelen van ons er tegen en trachten zij den "verlichten" onder de menschen de gedachte in te geven om een nieuwen bijbel van menschelijken oorsprong te maken. Het idee is niet kwaad, maar zij zien over het hoofd, dat zoo'n bijbel nooit vroomheid zou kunnen opwekken en daarom ook geen vrees voor het bovennatuurlijke.

                Ik persoonlijk ben voor den bijbel. Het is een waar boek. Maar het moet met verstand gelezen worden. Het schildert den strijd tusschen de machten, schildert dien naar waarheid en in ons voordeel. Want wij hebben gewonnen vanaf den tijd van den zondeval.

                Toen de macht, die jullie "God" noemen, zijn "Zoon" Christus naar de aarde zond om de menschen te "verlossen", doodden wij Hem, en de menschen werden niet "verlost".

                De machten "des Lichts" erkennen zelf, dat het slechts een kleine schare is, die verlost werd. Maar die gebeurtenis, de moord op Christus, is een sacrament, dat zich dagelijks herhaalt. Ik noemde de predikanten, die Hem voorzichtig met veronal afmaken en hen, die Hem levend in onze handen overleveren. Maar zie, hoe er, de geheele wereld over, gehandeld wordt met "deze Zijn minste broeders" - en wat jullie tegen hen doen, doen jullie tegen Hem. Dat is waarheid. Kun je er nog aan twijfelen, dat Christus dagelijks gedood wordt? Kun je er nog aan twijfelen, dat wij het zijn, die de macht hebben, wij, die in werkelijkheid de "goeden" zijn.

                Hoe beloont Christus zijn dienaren? Met lijden en dood.

                Hoe beloonen wij de onze? Met eer en vooruitgang. Met onbegrensde zelfverzadiging. En wij zijn niet kleinzielig.


 
 
 
 
 
 
12. Martha en Maria - J. Anker Larsen.
 
 


Uittreksel:    


Het klavertje
 
 
Op zekeren dag kwam er een groot geluk tot haar.

Het was tegen den tijd, dat de koeien gingen liggen om te herkauwen en zij zelf dus rustig kon gaan liggen om zich door de zon te laten bakken en te denken aan wat haar te binnen viel.

Zij stond juist uit te kijken naar een goed plekje om te liggen, toen zij plotseling heel zeker meende, dat er iemand was, die zei: "hier!"

Toen zij er heen keek, kreeg zij een klaverbloemetje in het oog, dat er uitzag, alsof het naar haar op stond te kijken.

Zij moest lachen, en er begon iets heel gelukkigs in haar op te wellen; het ging door, totdat haar oogen er nat van werden.

Toen ging zij liggen en keek het klavertje eens aan. Zij waren zoo merkwaardig goede vrienden. Het stond daar, alsof het zoo uit de groep gewandeld was om bij haar te zijn. Zij lag er langen tijd naar te kijken. Het was net alsof er zoo heel veel zon in zijn kleinen, rooden top was. Het zag er uit alsof het glimlachte. Ze hadden het zoo heerlijk samen. Het was precies als wanneer twee meisjes arm in arm loopen, zonder een woord te zeggen, omdat het niet noodig is.

Zij kon zich niet herinneren ooit zoo gelukkig geweest te zijn over de vriendelijkheid van een mensch. Want wanneer een volwassene, of een jongen, of een meisje aardig voor haar geweest was, was er toch altijd iets treurigs, dat er de oorzaak van was, of er was een beetje berekening bij. Dat was er hier niet. Want zij waren alleen maar vrienden, om­dat - omdat - - nu bedacht zij het zich: omdat zij zich herinnerden, dat God hen beiden geschapen had. Zij lachte vlak in den top van het klavertje.

"Waar zijn de anderen?" zei zij en keek om zich heen. De anderen stonden in een groep en gaven zeker niet om haar. Zij gaf in ieder geval niet bijzonder om hen. Die van haar was de mooiste. Maar toen zij weer van haar naar de anderen keek, ontdekte zij verwonderd, dat zij dat feitelijk heelemaal niet was. Er waren verscheidene, die grooter waren en veel voller aan den top. Die van haar was vrij klein en eigenlijk tamelijk dun behaard; een klein beetje scheef aan de eene wang was die ook. Zij streek haar over den top:

"Het geeft niets," zei zij, "jou mag ik het liefst. Wij geven niet om de anderen”

Maar het klavertje was toch maar een klavertje, het kon de anderen niet heelemaal in den steek laten en vond toch wel, dat zij heel aardig waren, wanneer men maar erkennen wilde, dat het toch maar klaverbloemetjes waren, en niet meer van hen verlangde, dan wat zij waren. En nu Marie ze eens goed aankeek, kon zij best inzien, dat zij feitelijk net als het hare waren. Alleen was dat uit zichzelf naar haar toe gekomen. En nu zij merkten, dat zij wist wat een klavertje is, stonden zij niet meer opeengedrongen bij elkaar, maar maakten als het ware plaats: zij mocht er best bij komen. Zij keek naar het hare: ,,Dat is aan jou te danken," zei zij. "anders had ik niet mee mogen doen. - Waarom staan jullie hier eigenlijk?"

Zij hoorde een hoogen lach. Nu, het zou haar eigen lach wel zijn, dien zij hoorde, maar het was vast en zeker begonnen tusschen al die klavertjes. Want dat was hun te machtig geweest: waarom zij hier stonden! Dat iemand zoo dom kon vragen!

Zij bleef doorlachen. Na het lachen kwam de juiste ver­standhouding. Zij werd een van de hunnen en lag den heelen herkauw-tijd tusschen hen in. Ongeveer twee uren was zij bij hen in de graswereld.

Wat hield zij vanaf dien dag veel van het gras!

Jaren later…….

In een of ander vreemdsoortig "nergens" stond zij en zag die twee zich hoe langer hoe meer van elkaar ver­wijderen.

Toen zij "tot zichzelf kwam" stond zij, waar de hemel het verst van de aarde verwijderd is, midden tusschen die twee in, en voelde, gesplitst, dat zij noch de eene, noch de andere was.

Dien nacht droomde zij, dat zij de koeien liep te hoeden op het weiland. Zij ging liggen en keek in het oerwoud van den meidoorn, en liet haar fantasie daarin zien, wat die wilde.

Toen zij verward opstond, waren de koeien verdwenen; zij zocht en zocht, want het was erger dan de ondergang van de wereld, als de koeien niet terugkwamen. Eindelijk riep zij uit het diepst van haar hart tot God, "Help!"

Er was iets dat zei: "Hier!"

Daar stond het kleine klavertje met het dunne haar en de scheeve wang, en keek haar aan met zijn lieven glimlach. "Maar – ", zei Marie en wist niets meer te zeggen.

"Je was mij zeker vergeten," zei het klavertje.

Maar Marie verzekerde: "Neen, neen – integendeel! Ik had je juist zoo vergeten, als ik gewoonlijk vergeet, wat ik mij het best herinneren kan. - Maar ik dacht, dat je dood was."

"Dat ben ik ook:' zei het klavertje. "Ik stierf het zelfde jaar en werd begraven in de najaarsomploeging. Maar toen zag ik jou op het oogenblik, dat je in "nergens" was, en toen -"

"Vertel mij even," vroeg Marie, "waar is eigenlijk "nergens" ?"

"Overal," zei het klavertje, "het is immers daar, waar Onze-Lieve-Heer is, en toen Hij zag, dat ik jou nog kende, gaf Hij mij toestemming om hier tusschen de gezichts­einders te komen om je aan iets te herinneren."

"Aan wat dan?" vroeg Marie.

"Aan iets, dat meer waard is dan de heele wereld," zei het klavertje.
 
 

 13. Dierenverhalen vol wijsheid en symboliek - Manfred Kyber
 
 
 


Dierenverhalen of fabels kennen wij al sinds de fabels van Aesopus uit de Griekse oudheid. Toch blijft dit soort ver­halen altijd weer boeien en zeker als een schrijver als Manfred Kyber dit genre beoefent. Overigens schreef hij déze verhalen al aan het begin van onze eeuw, maar wonderlijk genoeg zijn ze nog even fris en leesbaar in onze tijd als toen ze geschreven werden. In een wereld die ons regelmatig doet denken aan die van meester-verteller Kipling, laat Kyber zijn dieren diepzinnigheden uiten, die meestal op het mensdom en haar eigenaardigheden betrekking hebben. Zo verpakt in deze fabels biedt Manfred Kyber ons dezelfde wijsheid aan die wij ook in zijn prachtige en fijngevoelige boek VERONIKA'8 DRIEVOUDIG LICHT aantreffen. Het zijn juweeltjes van schrijfkunst, waarin vaak zeer actuele onderwerpen als bijvoorbeeld antivivisectie en dierenliefde op indrin­gende wijze worden behandeld.

Een bundel meesterlijke verhalen van een groot en wijs schrijver, die al veel te lang niet meer in een Nederlandse uitgave beschikbaar waren.

ISBN 9064410402


Een van de verhalen uit het boek

HET HOOFD DER APEN

De Indische ochtendhemel spande blauw over de Indische vlakten en hulde alle wonderen des levens in het licht van de jonge dag onder Brahma' s Zonnezegen.

"Zeer wijs en vol licht is deze wereld," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid, kwam overeind uit de slaap en ging op zijn zuilbenen staan om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd, want hij had veel ervaring en zijn ziel was rustig.

Rondom hem was het echter niet rustig. Tussen de takken der bomen krioelde het van koppen, benen, handen en staarten.

Een apenvergadering koos haar Hoofd. Waar apen ver­gaderen, kiezen zij altijd een Hoofd, anders was het geen echt apentheater en dat willen de apen overal hebben, in Indië en over de hele wereld, waar er maar echte apen zijn ­en er zijn er een heleboel. Tot Hoofd wordt steeds die aap gekozen, die de grootste mond en de sterkste tanden heeft, en een dergelijke keuze is, als alle verkiezingen over de hele wereld waar apen wonen, een gebeurtenis met zeer levendige bijkomende verschijnselen. Eerst ontstaat een ont­zettend gesnater, zodat niemand meer verstaan kan wat de ander zegt, want dat is bij een verkiezing ook absoluut niet nodig. Daarna beginnen zij elkaar te bijten, en ontstaan er verwarde kluwens van vechtende apen, tot zich kluwen na kluwen los wikkelt en uit het laatste, dat zich uit alle kluwens heeft los gebeten, het aldus gekozen Hoofd verrijst.

Zo was het ook ditmaal geschied en het Hoofd van deze schone dag heette Krakelius Krekkekkek. Hij ging op de allerhoogste boomtop zitten en liet zijn tanden zien, waardoor hij vele rimpels op zijn neus kreeg, wat een buitengewoon onaangename indruk maakte. Daar was hij Hoofd voor.

"Zeer lawaaiig zijn vele der aardse schepselen," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid, sloot pijnlijk en berustend de grote oren en verwisselde de positie van zijn zuilbenen om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd.

"Ik aanvaard thans de Regering," zei Krakelius Krekkekkek en liet nogmaals zijn tanden zien. "Een Regering bestaat hier­uit, dat zij anderen beperkingen oplegt, vóór alles dus. . ."

"Wij willen geen beperkingen, wij willen vrijheid!" brul­den de apen.

"Bek houden!" zei Krakelius Krekkekkek, "er bestaat geen vrijheid voor apen en evenmin voor een werkelijke apen­regering. Alles moet beperkt worden. Jullie moeten beperkt worden en ik ben al beperkt, omdat ik ambtshalve beperkt ben. Daarvoor ben ik het Hoofd!"

Groot gekakel.

" Vóór alles behoeven de jonge apen niet altijd in de armen van hun moeders te liggen en geflikflooid te worden. Dat verwent het komende geslacht, wij hebben standvastige en dappere apen nodig, zoals ik."

"Wat weet jij eigenlijk van kinderopvoeding?" grijnsden de apenmoeders, "wij laten ons onze lieve kleintjes niet afnemen. "

"Ik weet heel veel van kinderopvoeding, omdat ik een Regering ben," zei Krakelius Krekkekkek, "ik weet overal wat van, want ik weet het ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!"

"Je weet overal wat van en je weet absoluut niets," zei een jonge apenmoeder en toonde haar tanden.

"Verder," zei Krakelius Krekkekkek, "moeten de jongeren mekaar niet zoveel krabben. Dat hoort niet. Laten zij liever beenoefeningen maken, daar komt de soort jeugd van, die wij nodig hebben. Onze toekomst ligt in onze benen."

Groot gesnater.

"Wij krabben ons, als we jeuk hebben," riepen de jonge meisjes en jonge mannen, "jij krabt je ook."

"Dat is iets anders," zei Krakelius Krekkekkek, "als ik jeuk heb, heb ik ambtelijk jeuk, en als ik mij krab, krab ik ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!"

Daarbij had hij juist jeuk en krabde zich ambtelijk.

" Voorts mogen de apen niet rondlummelen, maar zij moeten ijverig vruchten verzamelen. Dat is onze voorraad in tijden van nood en dat is een regeringsmaatrege1."

"Wij willen eten en niet verzamelen!" riepen de apen.

"Dat zou een kolfje naar jullie hand zijn," zei Krakelius Krekkekkek, "zo maar altijd van de poot in de snuit te leven, maar dat kan een Regering niet dulden. Jullie moeten ver­zamelen, en wat je verzamelt, breng je mij. Een ware apen­regering steekt alle vruchten die anderen verzamelen in de zak. "

"Om ze zelf op te eten!" brulden de apen.

"Ja zeker," riep Krakelius Krekkekkek, "en al eet ik alles zelf op, dan nog doe ik het ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!"

Heftig toenemend gesnater van alle apen en apinnen.

Men kon geen woord meer verstaan.

Plotseling verstomde het gesnater.

Uit het struikgewas kwam in een elegant gestreept leren jasje en met een woedende uitdrukking op haar gezicht, de tijgerin, vrouw Miesemissa Pofpoot. Alles kroop weg, hogerop in de bomen, want een tijger heeft voor lieden, die geen tijger zijn, heel gauw iets onbehaaglijks.

"Wat is dat voor een afgrijselijk lawaai?" siste vrouw Miesemissa Pofpoot, "mijn lieve kindertjes, de kleine Pof­pootjes, kunnen niet slapen door jullie dom gesnater!"

"Wij moeten zoveel snateren, omdat wij een Regering en een Hoofd hebben," zei een klein aapje, een heel onschuldig ding.

"Waar is jullie Hoofd?" zei vrouw Pofpoot en sloeg met haar klauw bedenkelijk op een boomstam.

"Het Hoofd, het Hoofd," riepen de apen angstig en liepen zoekend door elkaar, "het Hoofd moet ons verdedigen, hij moet met vrouw Pofpoot spreken. Waar is het Hoofd?"

Maar het Hoofd was niet meer te zien.

Eindelijk ontdekte men in een holte van de boom een achterpoot, die verlaten en angstig naar buiten stak.

Aan die ambtelijke achterpoot trok men Krakelius Krek­kekkek uit het gat te voorschijn en zette hem op zijn bibbe­rende ledematen overeind. Hij probeerde in het gat terug te kruipen en zwaaide heftig met armen en benen, maar de andere apen hielden hem tegen.

"Ben jij het Hoofd?" vroeg vrouw Miesemissa Pofpoot en likte op zeer onaangename wijze haar snuit.

Krakelius Krekkekkek strekte één hand en één been in de hoogte, om te zweren.

"Nooit ben ik Hoofd geweest," betuigde hij, "nooit. Hoe zou ik Hoofd kunnen zijn? Ik ben veel te zwak en te ziekelijk. Mijn vlees is ook niet gezond en ik ben veel te mager. Ja, en zelfs mijn vel is niets waard, de mot is er in gekomen. Nee, het is werkelijk niet de moeite waard, dat u zich om mij bekommert. Ik ben de minste en erbarmelijkste van alle apen. U ziet zelf, hoe men mij uit de boomholte te voorschijn heeft moeten trekken, ik was uit louter zwakte erin gevallen, alleen uit zwakte."

"Heb je het dan zo-even niet over kinderopvoeding gehad? Heb je niet pas gezegd, dat je standvastig en moedig bent?" vroeg Miesemissa Pofpoot.

"Hoe zou ik? Ik heb niets geen verstand van kinderop­voeding. Ik heb er nooit iets van geweten," z~i Krakelius Krekkekkek met trillende armen en benen. "En ik en moedig? Ach lieve help, lieve help. .." Krakelius Krekkekkek jam­merde luidruchtig.

"Heb je niet zo-even gesproken over het jeuken en krabben van de jeugd?" vroeg Miesemissa Pofpoot en gromde be­angstigend.

Krakelius Krekkekkek zette koortsachtig zijn bezwerende hand en zijn bezwerend been in beweging.

"Nooit, nooit," verzekerde hij, "ik ben al dankbaar, wan­neer ik zelf geen jeuk heb."

"Je wou toch vruchten binnenhalen, die anderen verzameld hebben," meende Miesemissa Pofpoot, "dan ben je dus toch een Hoofd."

De bezwerende hand en het bezwerend been kregen be­paald zenuwtrekkingen.

"Bij de tempel van Benares, bij de huid mijner Vaderen, ik zweer het met armen en benen, nooit heb ik zulke dingen gezegd. Hoe zou ik het in mijn hoofd halen? Och, ik arm, zwak schepsel. Geloof dat toch niet van mij, lieve vrouw Pofpoot!"

"Ik ben je lieve vrouw Pofpoot niet, jij domme aap," zei Miesemissa, "ik zal je de vlooien uit je vel kloppen."

Vrouw Miesemissa Pofpoot was een dame. Het is pijnlijk het te moeten zeggen, maar zij gebruikte inderdaad die uit­drukking.

Uit de diepte van het oerwoud klonk zacht klagend een miauwend, veelstemmig gehuil.

,,0 Hemel," zei Miesemissa Pofpoot, "mijn lieve kinderen, de kleine Pofpootjes, die jullie gestoord hebt, huilen om mij. Zij hebben honger. Ik moet naar huis. Maar ik stuur mijn man naar jullie toe, als hij van de jacht thuis komt. Hij moet deze zaak onderzoeken. Hij zal jullie wel krijgen, jullie apen­gebroed!"

Miesemissa Pofpoot verdween in het struikgewas en spoe­dig daarop lagen de kleine Pofpootjes tussen de moederlijke klauwen, dronken met gelukzalig dichtgeknepen ogen en sponnen luid en overgelukkig.

Begrijpelijkerwijze besloten de apen de komst van de aan­gekondigde heer Pofpoot liever niet af te wachten. Nauwelijks was Vrouw Miesemissa Pofpoot verdwenen, of een ongeor­dende vlucht begon, een verward gekrioel van koppen, armen, benen en staarten - als eerste en ver vooruit vluchtte Kra­kelius Krekkekkek, want hij vluchtte ambtelijk. Daarvoor was hij het Hoofd.

Tussen de takken der bomen werd het stil. De Indische ochtendhemel spande blauw over de Indische vlakten en hulde alle wonderen des levens in het licht van de jonge dag onder Brahma' s Zonnezegen.

"Zeer wijs en vol licht is deze wereld," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid en verwisselde de houding van zijn zuil­benen, om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd, "maar zeer onwijs en zeer lawaaiig zijn vele schep­selen. Zeer onwijs en zeer lawaaiig is vooral het apentheater op deze aarde en het meest onwijs en het allerlawaaiigst zijn de apen-Hoofden."
 
 
 
 
 14. De geschiedenis van ‘De Steen en de Fluit’ - Hans Bemmann  
 
 
 

De geschiedenis van ‘De Steen en de Fluit’ en dat is nog niet alles…  

Een sprookjesroman.



Flaptekst

Dit is het verhaal van Spitsoor, zoon van de Grote Bruller, die meer naar zijn grootvader, de Zachte Fluiter, aardt. Het lot is Spitsoor gunstig gezind: op zijn omzwervingen ontvangt hij een geheimzinnige stralende steen die angst wegneemt, en een zilveren toverfluit waarmee hij macht over mensen krijgt. Maar dat is nog niet alles: ten slotte geeft een oude stenenzoeker hem een stok met eigenaardige eigenschappen. De geschenken van het lot stellen te hoge eisen aan Spitsoor. Steen, fluit en stok zouden hem moeten helpen zijn eigen weg te zoeken en zijn ware bestemming te vinden. Maar Spitsoor begrijpt dat niet en is van mening dat de drie giften er zijn om de wereld aan zijn wensen aan te passen. Zo komt het dat hij steeds weer in nieuwe avonturen verstrikt raakt. Als in een ontwikkelingsroman wordt het leven van Spitsoor verteld. Maar dat is nog niet alles.

De geschiedenis van de steen en de fluit is ook het symbool van een andere werkelijkheid, die zich onder het oppervlak van de dingen verscholen houdt, en waarover men alleen in beelden spreken kan. Met zijn rijke fantasie en een door zijn menselijkheid overtuigende verteltrant is het Hans Bemmann gelukt een boeiende complexe roman in drie delen te scheppen. Een vertelling die een overvloed aan kleinere verhalen in zich bergt. Maar bovenal is het, het geloofwaardige verhaal van een atypische held: Spitsoor is een mens, die zich voortdurend vergist, steeds de verkeerde weg inslaat en toch bij zijn doel uitkomt.


1989, Amsterdam: Bert Bakker, 708p., 24cm, ISBN 90-351-0421-8


Uittreksel:

Hij bleef nog een poosje bij de beek naar het water zitten luisteren dat met klokkende gelui­den tussen de bemoste stenen spoelde en naar de geluiden die uit het bos kwa­men. Maar hij hoorde niets bijzonders, geen onverwachts kraken van takken, geen opgewonden kijvende vogels. Toen Jalf ging liggen om te slapen wist Spitsoor zeker dat hier geen gevaar dreigde. Naast zijn ezel rolde hij zich in zijn deken en sliep weldra in.

Op een gegeven moment in de nacht werd Spitsoor wakker omdat Jalf zijn kop ophief. De ezel leek niet onrustig te zijn, maar hij keek alleen over Spits­oor heen naar de beek, die achter diens rug over de gladde stenen kabbelde. Spitsoor draaide zijn hoofd om en zag op de oever een dikke pad zitten, die hem met haar mooie gouden ogen aandachtig aankeek. Terwijl hij zich nog afvroeg of het dezelfde pad was als vroeger, giechelde ze op haar vochtige, borrelende manier en zei:

'Ben je daar weer, Spitsoor. Er wordt verteld datje inmiddels heel wat van de wereld hebt gezien. '

'Dat kan wel zo zijn, Goudoogje’, zei Spitsoor. 'Maar het komt mij voor dat ik daarbij geen stap verder ben gekomen. '

'Zo, denk je dat?' zei de pad en ze zwol een beetje op, zodat Spitsoor de indruk kreeg dat ze boos was.

'Is het soms niet zo?' zei hij. 'Ik zit hier nu weer aan dezelfde beek en ik ben weer op weg naar mijn grootvader, nadat ik drie jaar lang als dienaar door de wereld moest rijden, zonder dat iemand mij heeft gevraagd waar ik eigenlijk naartoe wil.'

'Weet je dan wel waar je naartoe wilt?' zei de pad en keek hem spottend aan. 'Je hebt kennelijk nog niet veel geleerd, want je bent nog altijd ongeduldig, alsof het zo belangrijk is om ergens aan te komen. '

'Is dat dan niet zo?' vroeg Spitsoor en hij begon zich te ergeren aan de ge­ringschattende toon waarop de pad hem toesprak.

Nu begon dit opgeblazen, met wratten bezaaide kwabbeldier ook nog te lachen, en wie ooit een pad heeft zien lachen moet toegeven dat dit je behoorlijk van je stuk kan brengen: de toch al aanzienlijk brede bek gaapt zover open dat je bang bent dat de platte kop in twee stukken uiteen scheurt en middenin die gapende opening wappert de lange, beweeglijke tong als bij een balladezanger die zijn lied te hoog heeft ingezet. Spitsoor keek er vol verwondering naar en voelde zich onzeker omdat de pad zijn vraag zo bespottelijk vond. Tenslotte bedaarde ze en zei:

'Je doet me denken aan een oom van mij die net zo was als jij. Altijd onderweg, steeds verder willen komen, om zijn doel te bereiken, zoals hij placht te zeggen. Van al dat lopen was hij al behoorlijk mager geworden, de dunste mannetjespad die ik ooit heb gezien. Hij ving immers maar zelden een vlieg, want hij dacht alleen maar aan de fantastische vliegen die hij de volgende dag wilde vangen.

"Je zult nog eens zien," zei hij op een dag tegen mij, "wat voor een hoge vlucht ik zal nemen."

En hij had deze woorden nauwelijks uitgesproken of een ooie­vaar pakte hem, slingerde hem met zijn lange snavel hoog in de lucht en slikte hem door.'

'Wat zielig voor je oom,' zei Spitsoor uit welgemeend medelijden met deze eerzuchtige oom, en hij beschouwde de pad als een harteloos dier omdat ze het zo grappig vond dat ze weer op haar verschrikkelijke manier begon te lachen.

Maar de pad trok zich niets aan van Spitsoors afkeurende blik en zei:

‘Je hoeft niet te treuren. Het volgende ogenblik spuugde de ooievaar mijn oom weer uit in het gras. Waarschijnlijk was deze knokige pad hem in zijn keel blijven ste­ken. Hoe dan ook, mijn oom zat weer op dezelfde plek, snakte eerst naar adem en zei toen: "Zo'n hoge vlucht hoeft van mij nu ook weer niet."

En vanaf dat moment nam hij de dingen zoals ze waren en niet zoals ze morgen misschien zouden zijn. Zijn doel zou hij nog vroeg genoeg bereiken, zei hij sinds het ongeluk altijd en hij voegde er meestal nog aan toe dat het nog maar de vraag was of je werkelijk wel daar wilde zijn waar je met zoveel moeite had willen komen. Dat waren de woorden van mijn oom en hij heeft op die manier nog een lang en gelukkig leven geleid. Hij werd snel weer dik en rond zoals dat een behoorlijke paddeman betaamt.'

Spitsoor vond het een irritant verhaal.

'Wil je dat ik als een pad leef?' zei hij. 'Als ik jou zo aanhoor, krijg ik bijna de indruk dat jij het het beste vindt dat ik hier blijf zitten wachten op wat er verder gebeurt.'

‘Jij bent echt traag van begrip,’ zei de pad en ze schudde afkeurend haar kop, wat er weer uitermate gek uitzag, aangezien padden geen nek hebben. 'Van blijven zitten wachten heb ik met geen woord gesproken, wel over ontevre­den zijn met wat je hebt. '

'Komt dat niet op hetzelfde neer?' zei Spitsoor. 'Misschien denken padden zo, maar ik ben geen pad, ik ben een mens. Anderen hebben allang genoeg voor mij bepaald wat ik moest doen en ik heb ze laten uitmaken waar ik heen zou gaan. Nu wil ik eindelijk daar naartoe waar ik zelf heen wil.'

Deze laatste uitspraak ontlokte aan de pad weer een giechelbui die haar kwabberige huid deed trillen.

'Ik kreeg meer de indruk dat je nog helemaal niet wist waar je naartoe wilde,' zei ze.

'Daar kom ik nog wel achter,' zei Spitsoor en hij ergerde zich nog meer toen hij de pad gelijk moest geven.

'Vraag het toch aan je steen,' zei de pad. Je wilde immers naar zijn geheim zoeken. '

'Dat heb ik al vaak genoeg gedaan,' zei Spitsoor, 'die steen heeft me alleen maar dromen voorgetoverd. Nu wil ik een doel zoeken dat tastbaar is.'

‘Je bent nog geen steek veranderd sinds de laatste keer dat we elkaar hebben ontmoet,' zei de pad. 'Is je steen je dan niets meer waard?'

'Ik ben bang dat hij me alleen maar op een dwaalspoor heeft gebracht,' zei Spitsoor. 'Arni is hem zo lang gevolgd tot hij met een pijl in zijn borst moest sterven. Misschien heeft hij zijn leven lang alleen maar gedroomd. Maar ik wil nu proberen op eigen kracht iets te ondernemen.'

'Manhaftige taal,' zei de pad spottend. 'Pas dan maar goed op dat het je niet. zo vergaat als mijn oom.' Na deze woorden schudde ze nog een keer haar kop en kroop weg tussen de struiken. Spitsoor hoorde haar nog een poosje in het dorre loof ritselen en sliep daarna in.

Maar rust vond hij nog steeds niet want hij raakte onverhoeds verzeild in ….

De droom van de pad.

Hij reed, gehuld in een fleurig, zijden gewaad, op een kostbaar getuigd paard door het bos en speelde op een gouden fluit en iedere keer als hij de fluit van zijn mond nam, hoorde hij de vogels dezelfde melodie zingen die hij zojuist had gespeeld. Het klonk als een veelvuldige echo die tegelijkertijd van alle kanten werd weerkaatst, vanuit de struiken rondom hem, van boven uit de boomtoppen en vanuit de lucht, die hij tussen de takken en bladeren door kon zien. Boven in de lucht vlogen vogels rond die zijn lied herhaalden. Het was net alsof alle vogels hun eigen lied waren vergeten en alleen nog naar zijn fluit luisterden.

Zo reed hij fluitend voort tot hij bij een beek kwam waar hij op de oever de pad zag zitten.

'Zie je,' zei hij tegen haar, 'wat een hoge vlucht ik heb geno­men? Zelfs de vogels aan de hemel zingen mijn lied na. Nu moet ook jij zin­gen.'

Maar de pad zei alleen: 'Wat een onzin, kwak!' en ze zwol aanzienlijk op.

'Wacht maar,' zei hij, 'ik zal je leren mijn fluitspel na te zingen.'

Hij zette zijn fluit weer aan zijn lippen en blies de meest verleidelijke melodieën waarover hij beschikte. Maar hoe langer hij floot, des te meer groeide de pad, tot haar gouden ogen als twee reusachtige karbonkels op dezelfde hoogte stonden als zijn gezicht. Hij blies en blies, alsof het er alleen nog op aankwam de pad in de macht van zijn tonen te krijgen, maar daarop opende de pad haar brede bek en begon te lachen met haar verschrikkelijke, breed gapende paddegelach. De donkere holte van haar keel opende zich steeds verder tot hij het hele bos omvatte en de hemelboog leek te raken.

Toen zei de pad nog eenmaal: 'Wat een onzin, kwak!' en hetzelfde moment had ze ook hem al verslonden.

Rond­om hem was niets anders dan zwarte leegte, geen paard meer, geen fluit, geen kostbaar gewaad. Naakt en blind zweefde hij in het ongrijpbare dat nergens houvast bood en hij werd onherroepelijk opgezogen in de razende ontzetting van het niets. Hij probeerde te schreeuwen, maar terwijl hij schreeuwde voel­de hij meteen dat zijn schreeuw in zijn borst bleef steken en geen weg vond in de oneindige lege huivering die hem omgaf.

'Laat me los uit je keel, pad!' schreeuwde hij geluidloos vanuit zijn hart en hij had deze woorden nog amper gedacht of hij werd al uitgespuwd uit het duister van deze afschuwelijke bek en lag, zo naakt en behaard als hij was, in het dorre loof op de grond van het bos. 'Nu weet je eindelijk wat voor een hoge vlucht je op eigen kracht zult nemen,' hoorde hij de pad zeggen. Ze giechelde nog een keer, maar ditmaal joeg haar gegiechel hem de koude rillingen over zijn rug.
 

Hans Bemmann
27 april 1922 - 1 april 2003
 
 
Hans Bemmann studeerde Duitse taal-en-letterkunde en musicologie in Innsbruck.  Hij werkte sinds 1954 als redacteur bij de Oostenrijkse Borromäuswerk, een vereniging van katholieke bibliotheken en bleef daar werken in deze functie in Bonn van 1956 tot 1987.  Van 1971 tot 1983 was hij docent Duits aan de Pädagogische Hochschule in Bonn.  Hij was ook werkzaam als docent aan het Bonner Bibliothekar-Lehrinstitut tot 1993.  In de jaren 1960 gebruikte hij het pseudoniem Hans Martinson voor zijn publicaties.

Bibliografie


Hans Bemmann’s literaire doorbraak kwam met de sprookjesachtige roman De steen en de fluit in 1983. Het boek vertelt de avonturen van een jonge man, genaamd Spitsoor (of de luisteraar) in een idyllische sprookjesachtige wereld.  Een magische steen en een magische fluit zijn bedoeld om hem de weg naar geluk te wijzen, maar vanwege zijn gebrekkige kennis van de menselijke natuur en zijn naïviteit maakt hij misbruik van zijn macht en maakt noodlottige keuzes.  Fantastische ontmoetingen en lange ontberingen schenken hem nieuwe perspectieven en diep menselijk inzicht.  Het verhaal van Spitsoors leven is verweven met zijn liefdesverhaal.

Zijn volgende roman:  Erwins Badkamer, is geschreven in de vorm van een reeks brieven en brengt de lezer in aanraking met een dictatuur die de bevolking controleert door haar taal stelselmatig te vereenvoudigen.     Het idee van manipulatie door systematisch gebruik van taal is ook aanwezig in George Orwell 's Dystopia 1984.

Ster van de broers speelt ook in een moderne wereld en toont het levenspad van twee broers in een samenleving die afstevent op een dictatuur.  Het zijn een muzikant en een geoloog, zij beiden kiezen tegengestelde richtingen van het politieke spectrum, om elkaar bij het eind weer te nader te komen.

De gebroken Godin voert een sprookjesonderzoeker op een reis van de werkelijkheid naar een sprookjesachtige wereld.  Een bijzondere ontmoeting met een betoverende vrouw zet hem aan haar daar te zoeken, en haar daar ook te vinden.  De roman vermengt realiteit en sprookje en laat de held de wereld minder koud en mechanisch te zien.

De tuinen van de leeuwin kan worden gelezen als een aparte roman, maar is toch ook een vervolg op De gebroken Godin, waarin de heldin haar verhaal vertelt.  

Het derde deel in deze trilogie is Massimo Battisti, van iemand die wilde leren toveren.  Hierin worden veel onduidelijkheden tot klaarheid gebracht in de persoon van de magiër Massimo Battisti.
 
 
 
 15. Simon - Marianne Fredriksson
 


 

Beschrijving

Ondanks de dreiging van de Tweede Wereldoorlog heeft Simon in het niet-bezette Zweden een geborgen jeugd bij zijn adoptiefouders. De ontdekking dat hij, net als zijn beste vriend Isak, van joodse afkomst is, is bepalend voor zijn groei naar volwassenheid. Met de onthulling van de waarheid begint voor hem een zoektocht naar zijn identiteit.

Recensie
De bijzonder succesvolle Zweedse schrijfster (1927) laat deze sterk autobiografisch getinte roman rond de Tweede Wereldoorlog spelen in Goteborg, haar geboortestad. Het joodse jongetje Simon wordt uit een geheime relatie geboren en geadopteerd door de kinderloze Ingrid en Erik. Ondanks de liefdevolle en rechtvaardige opvoeding blijft hij een buitenstaander, met een eigen wereld van dromen, mystiek en muziek. Door de vriendschap met de eveneens joodse Isak ontstaat een indringende zoektocht naar volwassenheid, waarheid en identiteit. Gemeenschappelijke ervaringen en verlangens scheppen hechte banden tussen de jongens en hun families. Een innerlijk verzet tegen schuldgevoelens en chaos leidt uiteindelijk tot bevrijding en harmonie. Voor de herkenbare, vanzelfsprekende maar moeilijk grijpbare gevoelens tussen de generaties en tussen mannen en vrouwen vindt Fredriksson de juiste woorden. Haar kracht ligt minder in literaire aspecten dan in het indringend verwoorden van universeel herkenbare ervaringen. Om die reden ontving haar roman 'Anna, Hanna en Johanna' ook de Publieksprijs 1998.
 
Pocket; kleine druk. (Biblion recensie, Redactie) ISBN: 9044506684

 

Uittreksels

I

'Gewoon een stomme eik', zei de jongen tegen de boom. 'Nauwe­lijks vijftien meter hoog, daar hoef je niet zo verwaand om te doen.'

'En je bent ook geen honderdduizend jaar.'

'Niet eens honderd', zei hij en hij moest denken aan zijn groot­moeder, die al bijna negentig was en gewoon een knorrig oud wijf.

Benoemd, gemeten en vergeleken verwijderde de boom zich van hem.

Maar de jongen kon nog horen hoe de grote kroon zong, weemoedig en verwijtend. Toen nam hij zijn toevlucht tot geweld; hij slingerde de ronde steen, die hij al zo lang in zijn broekzak had bewaard, recht tegen de stam.

'Nu zul je je mond wel houden', zei hij.

Op dat ogenblik verstomde de grote boom en de jongen, die begreep dat er iets essentieels was gebeurd, slikte de brok in zijn keel weg en wilde het verdriet niet voelen.

Die dag nam hij afscheid van zijn kindertijd. Omdat hij dat op een bepaald moment en op een bepaalde plaats deed, zou hij het zich altijd blijven herinneren. Nog jarenlang zou hij piekeren over wat hij op die dag, lang geleden in zijn kindertijd, achter zich had gelaten. Tegen zijn twintigste zou hij er een vermoeden van be­ginnen te krijgen, waarna hij zijn hele leven bezig zou blijven om te proberen het opnieuw te veroveren


XXXVII

Begin december kwam Ruben voor een boekenbeurs naar Londen. Hij bleef het weekeinde en ze reden met de rode Kever naar het platteland. Ze vonden een herberg met een geschiedenis die ver terugging en die knus was ingericht. 's Zondags gingen ze wandelen in de omgeving; over velden en door inmiddels kaal geworden bosjes. Het was mistig.

'Ik wilde het graag eens met je over Karin hebben', zei Ruben.

'Over hoe ze die laatste periode was.'

Het kostte Ruben moeite, maar Simon wilde zo veel mogelijk weten van wat ze had gedacht en gevoeld.

Ruben vertelde over het gesprek over de pan. Dat was de eerste keer geweest dat hij het gevoel had gehad dat er in Karins geest iets nieuws bezig was zijn beslag te krijgen.

'Ik citeerde toen een oude rabbijn die altijd predikte dat je iedere dag zo moet leven alsof je van alles afscheid neemt, van mensen en voorwerpen. Dat maakte een enorme indruk op haar.'

Simon keek Ruben verwonderd aan.

'Daarna zei Mona dat Karins wandelingen steeds langer wer­den', vervolgde Ruben. 'Ik werd een beetje ongerust en op een dag vroeg ik haar waar ze aan dacht tijdens het wandelen. Toen zei ze dat ze opgehouden was met denken en dat ze nu helemaal vrij was van zowel gevoelens als gedachten.'

Simon bleef midden op het pad staan om wat Ruben vertelde goed tot zich door te laten dringen.

'Er was iets vreemds aan haar, iets nieuws', zei Ruben. 'Toen ik 's avonds thuiskwam heb ik geprobeerd om het te begrijpen, om de uitdrukking in haar ogen te duiden.'

'En?'

'Ik kwam tot de conclusie dat Karin gelukkig was', zei Ruben. 'Het nieuwe maakte haar gelukkig; voor het eerst sinds ik haar kende had ze geen verdriet. Je weet toch dat er verdriet bij haar bestond ?'

'Daar ben ik meer van overtuigd dan van wat dan ook in mijn leven', zei Simon.

'Dat dacht ik al.'

'Denk je dat ze wist dat ze zou sterven? Dat het daarom was?'

'Ik weet het niet. Ze wist het misschien wel, maar niet met haar hersenen. Ik geloof niet dat ze daaraan dacht.'

Simon huilde, maar in de mist maakte dat niets uit en Ruben ging verder: 'Ik heb veel nagedacht over het feit dat er een diepere betekenis in de dood moet liggen dan dat het lichaam vernietigd wordt. Dat het erom gaat om psychisch een einde te bereiken. Alles wat ik heb beleefd, al mijn kennis, mijn geluk en mijn lijden, mijn herinneringen en doelstellingen moeten naar een einde toe. Het bekende, je gezin, je kinderen, je huis, ideeën, idealen, alles waar je je mee hebt geïdentificeerd, moet je achter je laten.'

Simon dacht aan de golf die op de rotsen van Bohuslän haar dood vond en al haar ervaringen aan de grote zee moest geven voordat ze opnieuw geboren kon worden.

'Dat moet het zijn, wat de dood betekent', zei Ruben. 'Dat afstand doen. En waarschijnlijk is dat het ook waar alle doodsangst om draait, niet waar?'

'Dat zal wel.'

'Ik wilde dat je dit zou weten,' zei Ruben weer, 'dat Karin vrij gestorven is. Ze liet alles achter zich en was gelukkig voordat ze stierf.'

Toen Ruben vertrokken was kwam het Verdriet bij Simon. Een groot en melancholiek verdriet. Maar waar het Verdriet was kon geen Schuldgevoel zijn; ze sloten elkaar uit.

Ten slotte dacht hij dat hij Karins verdriet had geërfd.

Dit is haar land, dacht hij, dit is waar zij leefde en werkte. Het is een groot en eenzaam land, maar het is niet onverdraaglijk. Je kunt hier wonen en leven en de dagelijkse bezigheden met zorg ver­richten.