Boeken die ik heb gelezen en die ik graag aanbeveel



 
 

01. Een weg tot zelfontdekking – 02. Handboek voor hoger bewustzijn – 03. Jonathan Livingston Zeemeeuw – 04. Karma-,  Bhakti, Jnana- en Raja-yoga – 05. De Celestijnse belofte – 06. Het Dagelijks Leven als Inwijdingsweg – 07. Loutering – 08. De erfopvolgers van de graal – 09. De oorsprong van de graalkoningen – 10. Eindelijk Thuis - 11. God vergist Zich niet - 12. De schaduw van de liervogel - 13. Tempeliers - Trilogie - 14. Hannah's gave - 15. De dood en de jongen.
 
 
 
 
 01. Een weg tot zelfontdekking - Iqbal Taimni.

 
 
ISBN 90 6175 060 1


Bij de voorplaat

Deze uit Nepal afkomstige man­dala verbeeldt de complexe samenstelling van de mens. De driehoek in het centrum symbo­liseert de goddelijke kern of monade, die een fragment is van het Goddelijke. Deze wordt omgeven door een bloemfi­guur, de geestelijke individualiteit. Het vierkant dat dit geheel omsluit is een symbool voor, de menselijke persoonlijkheid. In het proces van zelfontdekking krijgt men inzicht in de veelzij­digheid van het eigen inner­lijk.

Over de auteur

Dr. I.K. Taimni was vele jaren hoogleraar scheikunde aan de universiteit van Allahabad, In­dia. Naast zijn beroepsmatige werk schreef hij commentaren op diverse klassieke teksten uit de yoga-literatuur. Zijn com­mentaar op de Yoga Soetra's van Patanjali is reeds in het Nederlands verschenen. Daar­naast heeft hij commentaren geschreven op de Bhakti Soe­tra' s en op de Shiva Soetra' s en schreef hij uitvoerig over yoga­psychologie.

Over het boek

Hier is een boek voor degenen die de oude occulte leer over de aard van de mens willen begrijpen en die het pad van zelfontplooiing ook willen ontdekken en bewandelen. Taimni gaat van theorie naar praktische toepassing - van de functies, de beheersing, de zuivering en het gevoelig maken van de fysieke en emotionele lichamen naar het "lagere" denken. Van­daar neemt hij ons stap voor stap mee door de ontwikkeling van het "hogere" denken, het "wijsheidslichaam" en tenslotte licht hij de rol van atma (geest) in ons leven nader toe. In het laatste deel onderzoekt hij de "onwerkelijke" wereld waarin we leven en gaat hij over tot een zeer indrukwekkend commentaar op de techniek van yoga.

Uit de inhoud

"De voornaamste reden waarom zo'n groot aantal mensen die de werkelijkheden van het spirituele leven willen ervaren blijven steken, zonder enige zichtbare vordering tot hun doel te maken, is dat ze geen stappen hebben ondernomen om de noodzake­lijke grondslag voor dat leven te leggen en ze zich ermee tevreden stellen alleen maar over deze dingen te lezen en te denken. Maar daar brengen we het niet zo erg ver mee. We moeten onszelf echt aanpakken en de nodige voorwaarden voor werkelijke vooruit­gang scheppen, omdat we moeten werken in een wereld die door wetten wordt geregeerd."


Uittreksel uit Hoofdstuk 18: De werkelijke wereld die ons wacht.

Als we in de bioscoop schaduwbeelden op het scherm zien en geïnteresseerd raken in het schimmenspel komt dat omdat we ons het feit bewust zijn dat deze schaduwbeelden worden voortgebracht door realiteiten die overeenkomen met echte mannen, vrouwen en kinderen die de film gemaakt hebben. We weten ook dat het drama dat zich daar voor onze ogen afspeelt niet alleen maar een spel van acteurs is, maar dat het overeen­komt met echte situaties zoals we die in het menselijk leven kunnen tegenkomen. Deze feiten in verband met ons werkelijke leven zijn verantwoordelijk voor de buitengewone belangstel­ling die we koesteren voor de film en niet voor het alleen maar heen en weer flitsen van de beelden op het scherm.

Dit geeft ons een sleutel tot het feit dat we zo veel belang stellen in de onwerkelijke, vergankelijke wereld waarin we le­ven en ons bewegen. Onze belangstelling voor deze wereld der verschijnselen is ontleend aan het feit dat deze verschijnselen de afschaduwingen zijn van realiteiten die in ons aanwezig zijn, zij het ongezien. Dit feit maakt dat deze afschaduwingen zo echt lijken dat wij ze voor de werkelijkheid houden, totdat we ont­dekken dat het maar schaduwen zijn. De wereld van de begoo­cheling is de schaduw van een werkelijke wereld en als we ons op de weg naar zelfontdekking begeven proberen we alleen maar de schaduw achter ons te laten om de Werkelijkheid te grijpen die deze schaduwen in ons bewustzijn heeft doen ont­staan. Als we zonder er ons van bewust te zijn achter een scha­duw aanhollen om dan plotseling tot het besef te komen dat het slechts een schaduw is, waar zijn we dan zo van streek over? Dit gevoel van leegte en nietigheid dat ons kan overvallen wanneer onderscheidingsvermogen ontstaat maakt deel uit van de zins­begoocheling en zal in de loop van de tijd overgaan.

We zouden blij moeten zijn als onze behaaglijke rust wordt verstoord en ook dankbaar voor die gelegenheid om onze ogen af te wenden van de schaduwen en de Werkelijkheid te zien waardoor de scha­duw ontstaat. Als een kind de schaduw van een vliegtuig over de grond ziet gaan, kijkt het meteen naar de lucht om het echte vliegtuig waar het de schaduw van is te zien. Dus als we het leven om ons heen bekijken als een reeks verschijnselen die onwerkelijk zijn, dan moeten we proberen in onszelf te zoeken naar de Werkelijkheid die deze verschijnselen teweegbrengt. Want het is vanuit de kern van ons bewustzijn dat die schadu­wen naar buiten worden geprojecteerd.

Diep nadenken over de aard van die Werkelijkheid zoals die wordt beschreven in de heilige boeken en in uitspraken van mystici en occultisten kan voor ons een aansporing zijn om in onszelf te duiken en te beginnen de diepe schuilhoeken van ons denken te doorvorsen, maar in het algemeen geeft dat ons niet voldoende aansporing omdat het grootste deel van dat werk op het terrein van het intellect ligt. Wat wij echt nodig hebben is de ontwikkeling van een sterke aantrekkingskracht tot het godde­lijk Leven in ons dat ons naar zich toe zal trekken en de stuw­kracht zal leveren waar het ons meestal aan ontbreekt.

Dit ver­langen, die aantrekkingskracht is niets anders dan liefde tot God ofwel bhakti. Dus als we een krachtige geestelijke drang in ons willen hebben betekent dat eigenlijk dat we eerst liefde moeten ontwikkelen voor Dat wat we verlangen te ontdekken. Deze liefde, samengaand met diep nadenken, zal ook het intuïtieve vermogen in ons stimuleren en met de ontwikkeling van boeddhi  (= hogere intuïtie) en het doordringen ervan in ons denken beginnen niet alleen onze vraagstukken zich op te lossen, maar zal ons innerlijk leven zich gestadig gaan ontplooien.

Het is nauwelijks nodig te zeggen dat liefde de aantrekkings­kracht is tussen een fragment van het Goddelijke en andere fragmenten, of tot het Geheel waaruit die fragmenten zijn voort­gekomen. Het is een aantrekkingskracht die wordt gevoeld wanneer die fragmenten in afzonderlijke omhulsels van denken en van materie gehuld zijn. Zodoende is dat het tegendeel van de kracht die deze fragmenten gescheiden houdt, zoals ze zich manifesteren. Bijgevolg zal door haar wezenlijke aard de liefde ertoe neigen ons uit de wereld van manifestatie te halen en zo onze volledig gemaakte toestand te doen herwinnen, waarin we ons bewust zijn van onze eenheid met het Geheel en ook met de fragmenten die deel uitmaken van dat Geheel.

Er kan ook op worden gewezen dat zo'n samenkomen of samentrekken van de fragmenten steeds gepaard gaat met genot, geluk of gelukzalig­heid - deze woorden drukken hetzelfde gevoel uit op verschil­lende niveaus. Hoe dieper het niveau waarop die eenheid tot stand wordt gebracht of gevoeld, des te fijner en intenser de daaruit voortvloeiende ervaring.

Nu kan de vraag rijzen: wat gebeurt er met de liefde en met de gelukzaligheid die ermee gepaard gaat wanneer men de volko­men bewustheid van het geïntegreerde bewustzijn heeft bereikt en het fragment één is geworden met het Geheel? Het is duide­lijk dat liefde alleen maar tussen twee afzonderlijke wezens kan bestaan en wanneer er een eenheid is bereikt, kan de betrekking tussen die twee geen liefde meer worden genoemd. Waartoe is de liefde dan overgegaan?

Enerzijds tot het zuivere gewaarzijn van eenheid en anderzijds tot die toestand die zich in de lagere gebieden als gelukzaligheid, geluk of genot heeft weerspiegeld. In het Sanskriet heet deze toestand ananda.
Ananda is de bron en de tegenhanger van gelukzaligheid, geluk en genot op het ge­bied waar geen afgescheidenheid bestaat maar eenheid. Het is een aspect van het goddelijke Bewustzijn in zijn hoogste vorm en komt overeen met genot, geluk of gelukzaligheid die als zijn lagere vormen kunnen worden beschouwd. Er is in het Neder­lands geen woord dat de betekenis van ananda precies weer­geeft. Het woord "vrede" wordt vaak gebruikt om deze hoogste toestand van gelukzaligheid aan te duiden, maar het drukt de betekenis van het woord ananda niet ten volle uit.

We hebben de kwestie van liefde hier naar voren gebracht omdat we de twijfel willen wegnemen die wel door sommigen wordt gekoesterd ten aanzien van de plaats die de liefde in het spirituele leven inneemt. Sommige mensen schijnen te denken dat het mogelijk is het pad tot zelfkennis te betreden zonder dat er liefde aan te pas komt. Ze kunnen voorbeelden aanhalen van wijzen die niet veel sterk emotionele liefde aan de dag hebben gelegd in hun leven, hoewel ze een aanmerkelijke mate van serenitieit en vrede vertoonden.

Maar is dat een bewijs dat de liefde geen rol speelde in hun ontplooiing? Helemaal niet. Mis­schien geen emotionele liefde, maar liefde hoeft niet noodzake­lijkerwijs emotioneel te zijn.
Haar uitdrukking hangt af van het medium waardoor ze tot uitdrukking wordt gebracht.

Komt ze tot uitdrukking via het astrale lichaam, dan neemt ze de vorm aan van een sterk gevoel dat we meestal met liefde in verband brengen.

Vindt ze uitsluitend uitdrukking door het zuivere in­tellect, dan kan ze te kort lijken te schieten in emotionaliteit, maar zal ze de vorm aannemen van een scherpzinnig onderzoek om achter de Waarheid te komen en die te bereiken, louter door de kracht van indringend onderscheidingsvermogen. Dat is het pad van jnana yoga.

Overigens zal ze, wanneer ze uitdrukking vindt via het derde aspect van de menselijke aard - de wil- alle slagbomen neerhalen die de persoon van het doel van zijn zoe­ken scheidt door pure wilskracht en ze verenigen door het den­ken te concentreren en hem via verschillende niveaus te doen opstijgen.

De schrandere leerling zal in alle drie gevallen het­zelfde beginsel van aantrekking en samentrekking bespeuren, maar telkens in een andere vorm, al naar het medium waar het door functioneert. Het is helemaal niet nodig dat die uitdruk­king via een bepaald medium voor eenzelfde persoon steeds dezelfde blijft. Ze kan veranderen en doet dat ook, al naar ge­lang van het stadium van ontplooiing waar die persoon door­heen gaat - soms in één leven, maar gewoonlijk in verschillende levens.

Dezelfde soort verandering kan plaatsvinden wanneer het niveau verandert in plaats van het medium. Zelfs een emotione­le liefde verandert van aard als ze naar een dieper niveau wordt verplaatst, namelijk het boeddhische gebied. Ze wordt dan die­per, meer verfijnd, minder heftig en minder demonstratief. Zo worden de bhakta's of heiligen die in de beginstadia van bhakti nog heftige emotionele uitbarstingen hebben getoond kalm en evenwichtig als hun liefde tot volle wasdom gekomen is. De intensiteit van de liefde is niet afgenomen, maar juist geweldig toegenomen; alleen stroomt ze nu door een diepere bedding en is daardoor meer beheerst en minder demonstratief.

Hetzelfde gebeurt opnieuw als de liefde naar een nog hoger niveau van geïntegreerd bewustzijn wordt verplaatst. Dan neemt ze een vorm aan die wij ons nauwelijks kunnen voorstel­len, alhoewel we er namen aan geven zoals ananda, vrede, enzo­voort.

En aangezien we in dat geïntegreerde bewustzijn of het Werkelijke een mengeling van alle aspecten van onze aard aan­treffen nemen alle vormen van liefde die op de lagere niveaus zo verschillend lijken dezelfde. vorm aan, met misschien een lichte kleuring door de uniekheid van de persoon in kwestie.

Laten we dus niet veronderstellen dat liefde zich alleen maar in de vorm van emotioneel gevoel kan uitdrukken, hoewel ze in de beginstadia van haar ontwikkeling in de regel zo'n vorm aanneemt. Maar in we1ke vorm ze ook voorkomt, ze heeft dat belangrijke vermogen om de zoeker en het Gezochte onweer­staanbaar tot elkaar te brengen en aldus levert ze de benodigde stuwkracht of spirituele drang die in het Sanskriet moemoekshat­va heet. Zo hebben we dus de noodzaak en de plaats van de liefde in dit proces van zelfontdekking gezien.

Noot: ter verduidelijking volgt hier een schema zoals Taimni de voertuigen van het Zelf rangschikt.
Van onder naar boven: drie voertuigen voor de eenmalige persoonlijkheid (of de op aarde levende vergankelijke mens) en drie voertuigen van de onsterfelijke individualiteit, het ware IK,  die reïncarnatie na reïncarnatie een nieuwe persoonlijkheid bewoont en na elk geleefd leven de winst en het verlies van die persoonlijkheid opslaat in het geheel van het onsterfelijke individu.

 
 
 Individualiteit Atmisch lichaam De wezenskern van de geestelijke ziel en bestuurder van zowel de persoonlijkheid als van de individualiteit. Het is het voertuig van het goddelijk Leven.
  Boeddisch lichaam Intuïtief voertuig dat, indien het doorgang krijgt om in te werken op het denkvermogen, ware wijsheid veroorzaakt door kennis te rangschikken op intelligente wijze (is verschillend van intellect)
  Hoger mentaal of causaal lichaam Denkvermogen: orgaan van het abstracte denken dat tot de onvergankelijke individualiteit behoort. Tevens causaal (=oorzakelijk) lichaam dat de volgende persoonlijkheid veroorzaakt om zich daar doorheen uit te drukken.
 Persoonlijkheid Lager mentaal lichaam Denkvermogen: orgaan van het concrete denken dat tot de vergankelijke persoonlijkheid behoort. Wordt sterk beïnvloed door de begeerten en emoties van het astrale voertuig.
  Astraal lichaam Werktuig om de opgevangen trillingen uit het fysieke gebied om te zetten in gewaarwordingen, evoluerend naar begeerten, evoluerend naar emoties door de opgeslagen herinnering aan eerdere ervaringen.
  Fysiek lichaam
Werktuig van de Ziel om via de zintuigen kennis te krijgen omtrent het fysieke gebied en door de organen van handeling in de uiterlijke wereld teweeg te brengen

 
 
 
 
02. Handboek voor hoger bewustzijn - Ken Keyes

 
ISBN 90 6287 944 6

 

Zoals een dier is uitgerust met een aantal instincten, waardoor het au­tomatisch reageert op gevaar of op honger, zo is ook de mens uitgerust met een aantal voorgeprogrammeer­de reactiepatronen. Voor een deel zijn die niet aangeboren, maar aan­geleerd. Zo zoekt de mens vaak au­tomatisch naar bevestiging van zijn ik, naar macht, naar sensatie. Met dit complex van emotioneel bepaal­de verlangens, verwachtingen, ge­hechtheden treedt hij dan de wereld tegemoet. Er is echter geen wereld denkbaar die deze honger zou kun­nen stillen. Daarom zijn veel mensen ongelukkig. 'De meesten van ons gaan door het leven zonder te weten wat we willen, maar we voelen ons er allemachtig zeker van dat wat we hebben, het niet is.'

Dit boek wordt door de auteur een handboek genoemd. Je zou ook kun­nen spreken van een leidraad. Er worden eenvoudige wegen beschre­ven waarlangs je tot betere inzich­ten kunt komen, - kunt ontdekken hoe verslaafd je bent aan bezit en roem, hoe bang je bent, hoe bedreigt je je voelt door hersenschimmen. Het is een soort oefenboek voor de geest, een vademecum voor wie wil weten wat de weg naar onvoor­waardelijke liefde en saamhorigheid is.

Als systeem is de inhoud van dit handboek nieuw. Maar de elementen waaruit het systeem is opgebouwd, zijn duizenden jaren lang uitgepro­beerd en getest. Er is veel oosterse wijsheid in verwerkt, veel inzichten die het oorspronkelijke christendom kenmerkten vindt men erin terug, terwijl ook de invloed van de huma­nistische psychologie onmiskenbaar is. In het dankwoord van de auteur komen we dan ook de namen tegen van Krishnamurti, Pir Vilayat Khan, John Lilly, Chögyam Trungpa en Abraham Maslow, naast een ver­wijzing naar het bekende Esalen Institute.

Uittreksel: De twaalf paden naar de hogere bewustzijnsniveaus van onvoorwaardelijke liefde en eenheid

HET BEVRIJDEN VAN MIJZELF

1. Ik bevrijd mijzelf van de verslaving aan zekerheid, sensa­ties en macht, die maakt dat ik probeer met geweld situaties in mijn leven te beheersen, en die zodoende mijn rust vernietigt en mij afhoudt van het liefhebben van mijzelf en anderen.

2. Ik ontdek hoe de verslavingen die mijn bewustzijn domi­neren mijn bedrieglijke versie scheppen van de veranderende wereld van mensen en situaties om mij heen.

3. Ik grijp graag elke gelegenheid aan (zelfs de pijnlijke) die mijn ervaringen mij van minuut tot minuut bieden om bewust te worden van de verslavingen die ik moet herprogrammeren om bevrijd te worden van mijn robotachtige emotionele ge­dragspatronen.

HET HIER-EN-NU-ZIJN

4. Ik houd steeds in gedachten dat ik alles heb wat nodig is om te genieten van mijn hier en nu - tenzij ik mij door mijn be­wustzijn laat domineren met eisen en verwachtingen gebaseerd op het dode verleden of de verbeelde toekomst.

5. Ik aanvaard de volledige verantwoordelijkheid hier en nu voor alles wat ik ervaar, want het is mijn eigen programme­ring die mijn handelingen schept en die ook de reacties van de mensen om mij heen beïnvloedt.

6. Ik aanvaard mijzelf volledig hier en nu, en ervaar bewust alles wat ik voel, denk, zeg en doe (mijn op emoties gebaseer­de verslavingen inbegrepen) als een noodzakelijk deel van mijn groei naar hoger bewustzijn.

OMGANG MET ANDEREN

7. Ik stel mij oprecht voor iedereen open door bereid te zijn mijn diepste gevoelens volledig te uiten, aangezien het verbor­gen houden, in welke mate dan ook, mij vasthoudt in mijn il­lusie van afgescheidenheid van anderen.

8. Ik voel met liefderijk medeleven de problemen van ande­ren aan zonder emotioneel gevangen te raken in de toestanden die hun kond doen van wat zij nodig hebben voor hun groei.

9. Ik handel vrijuit wanneer ik harmonisch evenwichtig en vol liefde ben, maar indien mogelijk vermijd ik te handelen wanneer ik emotioneel verward ben en mijzelf de wijsheid ont­houd die voortvloeit uit liefde en verruimd bewustzijn.

HET ONTDEKKEN VAN MIJN BEWUSTZIJNSBESEF

10. Ik breng voortdurend de koortsachtige onderzoekingstoch­ten van mijn rationele geest tot rust teneinde de verfijnde ener­gieën waar te nemen die mij in staat stellen op te gaan in alles om mij heen.

11. Ik ben mij voortdurend bewust welke van de zeven be­wustzijnscentra* ik gebruik, en ik voel mijn energie, ontvanke­lijkheid , liefde en innerlijke vrede groeien als ik alle bewust­zijnscentra openleg.

12. Ik beschouw iedereen, mijzelf inbegrepen, als een ontwa­kend wezen dat hier is om aanspraak te maken op zijn of haar geboorterecht op de hogere bewustzijnsniveaus van onvoor­waardelijke liefde en eenheid.

*De zeven bewustzijnscentra:

1. Het veiligheidscentrum
2. Het sensatiecentrum
3. Het machtscentrum
4. Het liefdescentrum
5. Het centrum van de hoorn des overvloeds
6. Het bewustzijnsbesefcentrum
7. Het centrum van kosmisch bewust­ zijn

Het doel van onze levens is de bevrij­ding van alle verslavende valstrikken, en zodoende één te worden met de oce­aan van levende liefde.
 
 
 
 
 

03. Jonathan Livingston Zeemeeuw - Richard Bach vertelt -  Russell Munson fotografeert
 
 


ISBN 90 6010 272


Een vertelling

Als vlieger en als schrijver heeft de Ame­rikaan Richard Bach zich beter dan wie ook gerealiseerd dat de oudste droom van de mens, namelijk vliegen, nog steeds niet is verwezenlijkt. De mens kan slechts vliegen met behulp van een machine en al zal de vlieger Bach zich dan wel vol­komen één voelen met zijn vliegtuig, de schrijver Bach verplaatste zich in deze no­velle in de beste vlieger aller tijden: de meeuw. Hij laat zijn held, de jonge zee­meeuw Jonathan, tegen de traditie van de grote massa in, langzamerhand zelf alle fabelachtige vliegtechnieken ontdekken, zelfs ten koste van zijn plaats in de meeu­wenmaatschappij, die in veel op de onze lijkt. Na een lange worsteling weet de meeuw Jonathan het vliegen te verheffen tot een aparte kunst, los van de noodzaak om voedsel te bemachtigen. Dat doet hem andere werelden ontdekken en tenslotte maakt hij zich zelfs de mystieke macht eigen om te vliegen met de snelheid van een gedachte. Maar zoals verteld wordt van Boeddha dat hij, reeds met één voet in het Nirwana, naar de aarde terugkeerde ter­wille van een huilend kind, zo keert ook Jonathan tenslotte terug naar zijn oude maatschappij, om de achtergeblevenen te laten delen in zijn geluk. Want uiteinde­lijk ontdekt hij het meest waardevolle van alles, iets dat meer betekent dan vliegen, maar ook het moeilijkste: de kunst om de anderen lief te hebben als jezelf.

 
 
 

 


Uittreksel.

Vrienden!" schreeuwde hij. "Wie draagt er meer verant­woording dan een meeuw, die een nieuw levensdoel ontdekt en volgt, een hoger ideaal in het leven? Duizenden jaren lang hebben we achter vissen aangejakkerd, maar nu hebben we eindelijk iets anders om voor te leven - om te leren, te ontdekken, om vrij te zijn! Geef me een kans, ik wil jullie laten zien wat ik ontdekt heb..."

Het leek of de Groep van steen was.

"De Broederschap is verbroken," murmelden de meeuwen eenstemmig, en als op een onzichtbaar teken lieten ze hem voor wat hij was en draaiden hem allemaal tegelijk plechtig de rug toe.

Jonathan Zeemeeuw bracht de rest van zijn dagen in een­zaamheid door, maar hij vloog nog veel verder weg dan het Grijze Klif. De enige zorg die hem kwelde was niet dat hij alleen was, maar dat de andere meeuwen niet wilden geloven in de heerlijkheid van het vliegen, die voor hen lag; ze weigerden hun ogen open te doen en te zien.

Iedere dag leerde hij meer. Hij ontdekte dat een gestroom­lijnde duikvlucht met hoge snelheid hem in staat stelde de zeld­zame en smakelijke vissen te vangen, die enige meters onder het wateroppervlak leven: hij hoefde niet langer in het kielzog van vissersboten te blijven hangen en brood te stelen om in leven te kunnen blijven. Hij leerde te slapen in de lucht, na 's nachts een koers te hebben uitgezet op de landwind, en zo een paar honderd mijl af te leggen van zonsondergang tot zonsopgang. Met dezelfde innerlijke controle vloog hij dwars door zware mist en steeg daar  zelfs boven uit, tot hoog in de duizeligmakende blauwe lucht... terwijl iedere andere meeuw ondertussen op de grond zat en niets anders om zich heen zag dan mist en regen. Hij leerde om op de hogere luchtstromen diep landinwaarts te vliegen en daar te genieten van een heerlijk insectenmaal.

Wat hij eens had gehoopt voor de Vlucht, viel hem nu zelf ten deel, hem alleen. Hij had geleerd te vliegen, en hij had geen spijt van de prijs die hij had moeten betalen. Jonathan Zeemeeuw kwam erachter dat verveling en angst en haat de redenen zijn waarom een meeuwenleven zo kort is, en omdat hij dat alles niet kende, leidde hij inderdaad een lang en gelukkig leven.

Ze kwamen in de avond, en troffen Jonathan alleen, vredig voortglijdend langs zijn geliefde hemel. De twee meeuwen die naast zijn vleugels verschenen waren zuiver wit als sterrenlicht, en het schijnsel dat ze uitstraalden was zacht en vriendelijk in de hoge donkere nachtlucht. Maar het mooiste van alles was de perfectie waarmee ze vlogen, hun vleugeltips bewegend op precies een centimeter afstand van de zijne.

Zonder een woord te zeggen onderwierp Jonathan hen aan zijn proef, een proef die nog nooit een meeuw doorstaan had. Hij draaide zijn vleugels en liet zijn snelheid teruglopen tot een enkele mijl boven zijn overtreksnelheid. De twee stralende vogels ver­traagden hun vlucht tegelijk met hem, soepel, hun formatie gesloten houdend. Ze kenden het geheim van langzaam vliegen.

Hij vouwde zijn vleugels samen, maakte een rolbeweging en stortte zich in een duikvlucht, tot hij een snelheid bereikt had van driehonderd tachtig kilometer per uur. Zij doken naast hem, naar omlaag flitsend nog steeds in formatie, zonder een enkele hapering.

Tenslotte voerde hij met die snelheid een langzame, verti­cale rol uit. Zij rolden naast hem, in formatie, glimlachend.

Hij won weer hoogte en zweeg een tijdje, voor hij iets zei.

"Goed dan," zei hij, "wie zijn jullie?"

"Wij zijn van jouw Vlucht, Jonathan. Wij zijn je broeders." De woorden klonken kalm en beslist. "We zijn gekomen om je hogerop te brengen, naar huis."

"Ik heb geen huis. Ik heb geen Vlucht. Ik ben een banne­ling. En we vliegen nu in de hoogste zone van de Grote Bergwind. Hoger dan een kleine honderd meter kan ik dit oude lijf niet meer krijgen."

"Dat kun je wel, Jonathan. Want je hebt het geleerd. Je hebt de ene leerschool voltooid, en het is tijd om aan een andere te beginnen. "

Het licht, dat hij zijn hele leven in zich had voelen branden, scheen helderder dan ooit. Ze hadden gelijk. Hij, Jonathan Zee­meeuw, kon wel hoger vliegen, en het was tijd om naar huis te gaan.

Hij wierp nog één keer een lange blik op de hemel, op dat prachtige zilveren land waar hij zoveel had geleerd.

"Ik ben bereid," zei hij tenslotte.

En Jonathan Livingston Zeemeeuw steeg naar boven, samen met de twee witte sterrevogels, om te verdwijnen in de strakke donkere lucht.
 
 
 
04. Karma-, Bhakti-, Jnana- en Raja-yoga - Swami Vivekananda.
 

Voor wie zich wil verdiepen in de Yoga-methodes van India  
Het boek is zeer 'leesbaar' en gebruiksvriendelijk.   



Op veler verzoek brengen wij de drie grote klassiekers van Swami Vivekananda (1862-1902) ongewijzigd in één gebonden uitgave uit

Vivekananda werd in Calcutta geboren en overleed in 1902 in het door hem en zijn medebroeders gestichte klooster te Belur Math, vlakbij Calcutta. Hij was leerling van Sri Ramakrishna en bracht de leer van Vedanta - eenheid in Waarheid, het goddelijke in de mens, en de har­monie tussen de verschillende religies - naar het westen.


In deel I komen de yoga van handelen (karma-yoga) en de yoga van toe­wijding (bhakti-yoga) aan bod. Karma-yoga wordt gekenmerkt door het egoloze handelen, het verrichten van arbeid zonder dat het "ik' of eigen belang centraal staat. Bhakti-yoga spoort aan tot de liefde voor het allerhoogste en het zoeken naar God: dit is een beginnen en vol­eindigen van de liefde. De ideeën van de bhakti-yogi vertonen veel overeenkomsten met de christelijke lering van de naastenliefde.

Deel II (jnana-yoga) neemt het bewustzijn als middel van verlossing, Deze kennis is de weg der omkering van de beschouwing der buitenwereld naar die in ons innerlijk, waarvan we ons als 'ik' bewust worden.

Tenslotte wordt in deel III over raja-yoga de leer van de concentratie, meditatie en contemplatie aangereikt, die ons boven de binding aan ruimte, tijd en causaliteit moet verheffen, om ons door innerlijke aan­schouwing waarheden over te brengen die boven het kenvermogen van de huidige mens staan en de hoogste kennis zijn.

Daarna volgen in dit deel de klassieke Yoga-aforismen van Pantanjali, vertaald en van com­mentaar voorzien door Vivekananda, Alle yoga-systemen zijn geba­seerd op deze Yoga-aforismen, die voor het begrijpen en beoefenen van yoga van het grootste belang zijn


Uittreksel: de inleiding tot het laatste deel over de Yoga-aforismen van Pantanjali.

Voor wij tot de yoga-aforismen overgaan zal ik trachten de éne kwestie te behandelen, waarop de gehele theorie van religie voor de yogi's berust. Alle grote denkers der wereld zijn het er over eens en door onderzoekingen op natuurkundig gebied is het bijna bewezen, dat wij het ge­volg en de manifestatie van een absolute toestand zijn, welke de achtergrond van onze huidige betrekkelijke toe­stand vormt en dat wij op weg zijn om tot die absolute toestand terug te keren. Wanneer wij dit aannemen, rijst de vraag, wat beter is, het absolute of deze toestand? Er zijn niet weinig mensen, die denken, dat deze gemanifes­teerde toestand de hoogste staat van de mens is. Den­kers van groot formaat zijn van mening, dat wij manifes­taties van het ongedifferentieerde wezen zijn en dat de gedifferentieerde toestand hoger is dan het absolute.

Zij verbeelden zich, dat er in het absolute geen enkele eigen­schap aanwezig kan zijn, dat het ongevoelig, leeg en le­venloos moet zijn, dat dit leven alleen genoten kan wor­den en dat wij ons daarom er aan vast moeten klemmen. In de allereerste plaats zullen wij een onderzoek instel­len naar andere levensoplossingen. Er was een oude op­vatting, dat de mens na de dood hetzelfde bleef, dat al zijn goede eigenschappen, ontdaan van zijn kwade eigen­schappen, voor altijd bleven bestaan. Logisch geformu­leerd betekent dit, dat het doel van de mens de wereld is; deze wereld is een hoger stadium en ontdaan van zijn kwaad is de toestand die zij hemel noemen. Deze theorie is op zichzelf dwaas en kinderachtig, omdat het niet mo­gelijk is. Er kan geen goed zonder kwaad of kwaad zonder goed zijn. Te leven in een wereld, waar alles goed is en geen kwaad, noemen de Sanskrit logici 'een lucht­kasteel'. Een andere theorie is door verschillende scho­len in moderne tijden naar voren gebracht, namelijk, dat het het lot van de mens is altijd beter te worden, immer voorwaarts strevend, maar dat hij nooit het doel zal be­reiken.

Deze bewering, hoewel schijnbaar zeer mooi, is ook dwaas, omdat er zoiets als beweging in een rechte lijn niet bestaat. Elke beweging gaat in een cirkel. In­dien gij een steen neemt en hem in de ruimte slingert en dan lang genoeg leeft, zal die steen, indien hij geen te­genstand vindt, precies naar uw hand terugkeren. Een rechte lijn, oneindig verlengd, moet in een cirkel eindi­gen. Daarom is deze opvatting, dat het de bestemming van de mens is om altijd maar vooruit te gaan en nooit op  houden, dwaas. Hoewel hier niet ter zake doend, merk ik op, dat dit idee (de rechte lijn, oneindig ver­lengd, eindigend in een cirkel) de ethische theorie ver­klaart, dat u niet moet haten maar liefhebben.

Omdat, net zoals in het geval van elektriciteit, waarbij de mo­derne theorie aanneemt, dat de kracht de dynamo ver­laat en bij de terugkeer naar de dynamo de cirkel sluit, dit evengoed geldt voor liefde en haat; zij moeten naar de bron terugkeren. Haat daarom niemand, omdat die haat, die van u uitgaat, op de lange duur tot u terug­keert. Indien u liefhebt, zal die liefde tot u terugkeren, de cirkel sluitend. Het is even zeker, dat elke haat die het hart van een mens verlaat, met volle kracht tot hem te­rugkeert, niets kan hem tegenhouden; eveneens komt el­ke liefdesimpuls tot hem terug.

Op andere en praktische gronden zien wij dat de theorie van eeuwige vooruitgang onhoudbaar is, want vernietiging is het einde van al het aardse. Waartoe leiden al onze strevingen en hope en vreze en vreugde? Wij allen eindigen met de dood. Niets is zo zeker als dit. Waar is dan deze beweging in een rechte lijn - deze oneindige vooruitgang? Zij legt alleen een bepaalde afstand af en keert dan terug naar het mid­delpunt waarvan zij vertrok. Ziet hoe uit nevelstof zon, maan en sterren voortgebracht worden; dan vallen zij uiteen en keren tot de nevelstof terug.

Overal geschiedt hetzelfde. De plant neemt de stoffen van de aarde, ont­bindt en geeft ze terug.

Elke vorm in deze wereld wordt vervaardigd uit de omringende atomen en keert terug tot deze atomen. Het is onmogelijk, dat dezelfde wet op ver­schillende plaatsen anders werkt. Wet is uniform. Niets is zekerder dan dat. Indien dit de wet der natuur is, geldt het ook voor het denken. Gedachten zullen uiteenvallen en tot hun oorsprong terugkeren. Of wij het willen of niet.

Wij moeten tot onze oorsprong terugkeren, die God of het absolute genoemd wordt. Wij kwamen allen van God en moeten allen tot God terugkeren; noem dat met elke naam welke u wilt, God, het absolute of de natuur, het feit blijft hetzelfde. 'Van Wie dit ganse heelal komt, in Wie alles wat geboden wordt, leeft en tot Wie alles terugkeert.'

Dit is een feit dat zeker is. De natuur werkt volgens hetzelfde plan; wat in één sfeer uitgewerkt wordt, wordt in miljoenen sferen herhaald. Wat u bij de planeten ziet, is hetzelfde als bijdeze aarde, bij de mensen en bij alles. De reusachtige golf is een machtige samenstelling van kleine golven, het mogen er miljoenen zijn; het leven van de gehele wereld is een samenstelling van miljoenen kleine levens, en de dood van de gehele wereld bestaat in het sterven van miljoenen kleine we­zens.

Nu rijst de vraag, is de terugkeer naar God de hogere toestand of niet? De filosofen der yoga-school antwoor­den nadrukkelijk bevestigend. Zij zeggen, dat 's mensen tegenwoordige toestand een ontaarding is; er is geen en­kele religie op aarde die zegt dat de mens een verbete­ring is. De opvatting heerst, dat zijn begin rein en vol­maakt is, dat hij ontaardt, totdat hij niet verder kan en dat er een tijd moet komen, dat hij weer omhoog gaat om de cirkel te sluiten; de cirkel moet beschreven worden. Hoe diep hij ook mag vallen, uiteindelijk moet hij de op­waartse bocht volgen en naar de oorspronkelijke bron te­rugkeren, welke God is. Eerst komt de mens van God, halverwege wordt hij mens en tenslotte keert hij tot God terug.

Dit is de methode om het in dualistische vorm te kleden. De monistische vorm is, dat de mens God is en tot Hem terugkeert. Indien onze tegenwoordige toestand de hogere is, waarom is er dan zoveel afschuw en ellen­de, en waarom moet er dan een einde aan komen? Indien dit de hogere toestand is, waarom eindigt hij dan? Dat wat bederft en ontaardt, kan niet de hoogste toestand zijn. Waarom zou het zo duivels, zo onbevredigend zijn? Het is alleen in zoverre te verontschuldigen, wanneer wij hierdoor een hogere lijn volgen; wij moeten er door heen om hernieuwd te worden. Doe een zaadje in de grond en het ontbindt, valt na een tijdje uiteen en uit die ontbin­ding komt de mooie boom voort. Iedere ziel moet ontbon­den worden om God te worden. Daaruit volgt, dat hoe eerder wij uit deze toestand 'mens' geraken, des te beter voor ons. Moeten wij door zelfmoord uit deze toestand komen? Helemaal niet. Dat maakt het maar erger. Ons­zelf te martelen of de wereld te verdoemen, is niet de manier om er aan te ontkomen. Wij moeten door het dal der moedeloosheid heen, hoe eerder wij er door zijn, des te beter is het. Wij moeten er altijd aan denken, dat het mensstadium niet het hoogste is.

Het werkelijke moeilijke punt om te begrijpen is, dat de­ze toestand, het absolute, wat het hoogste genoemd wordt, niet, zoals sommigen vrezen, die van het plant­dier (zoophyt) of de steen is. Volgens hen zijn er slechts twee toestanden van bestaan, een van de steen en de an­der van het denken. Welk recht hebben zij om het be­staan tot deze twee te beperken? Is er niet iets wat on­eindig boven het denken staat? De lichttrillingen, wan­neer zij zeer gering in aantal zijn, zien wij niet; wanneer zij een weinig intenser worden, worden zij tot licht voor ons; wanneer zij nog intenser worden, zien wij ze niet; het is duisternis voor ons. Is de duisternis aan het einde dezelfde als in het begin? Zeker niet; zij zijn verschillend als de twee polen.

Is de gedachteloosheid van de steen dezelfde als de gedachteloosheid van God? Zeker niet. God denkt niet; Hij redeneert niet. Waarom zou Hij? Is Hem iets onbekend, zodat hij moet redeneren?

De steen kan niet denken; God hoeft niet te denken. Dat is het verschil. Deze filosofen vinden het afschuwelijk om bo­ven het denken uit te gaan; zij vinden niets buiten het denken.

Er zijn veel hogere bestaanstoestanden buiten het den­ken. De eerste staat van religieus leven wordt werkelijk buiten het intellect gevonden. Wanneer gij boven de ge­dachte en het intellect en alle overdenking stijgt, dan hebt gij de eerste stap naar God gedaan; en dat is het be­gin van het leven. Wat men gewoonlijk leven noemt, is slechts een embryonale toestand.

De volgende vraag is, welk bewijs is er, dat de toestand boven de gedachte en het beredeneren de hoogste staat is? In de eerste plaats hebben alle grote wereldfiguren, veel verhevener dan diegenen die maar praten, mensen die de wereld veranderden, mensen, die nooit aan welke zelfzuchtige doeleinden ook dachten, verklaard dat dit leven slechts een beginfase is op de weg naar de onein­digheid, die boven alles verheven is. In de tweede plaats zéggen zij dit niet alléén, maar wijzen iedereen de weg, leggen hun methoden uit, opdat allen in hun voetstappen kunnen volgen. In de derde plaats. is er geen andere weg. Er is geen andere verklaring.

Aangenomen, dat er geen hogere toestand bestaat, waarom moeten wij deze kringloop dan afleggen; welke reden kan de wereld ver­klaren? De wereld der zinnen vormt de grens onzer ken­nis, indien wij niet mogen vragen. of er nog iets anders is. Dit is wat agnosticisme genoemd wordt.

Maar welke reden is er om in de getuigenis van de zinnen te geloven? Ik zou die mens een echte agnosticus noemen die in de straat blijft stilstaan en sterft. Indien de rede alles is, kunnen wij deze kant van het nihilisme niet handhaven. Indien een mens agnostisch is behalve wat betreft geld, naam en faam, is hij slechts een bedrieger. Kant heeft boven alle twijfel bewezen dat wij niet voorbij de gewel­dige dode muur, de rede genaamd, kunnen komen. Maar daarop berust juist het gehele Indische denken en het durft te zoeken, en slaagt er in iets hogers dan de rede te vinden, waaruit alleen de huidige staat is te verklaren.

Dit is de waarde van de studie van iets, dat ons boven de wereld verheft. 'Gij zijt onze vader en brengt ons naar de andere oever van deze oceaan van onwetendheid.' Dat is de wetenschap der religie, en niets anders.

 
 
 05. De Celestijnse belofte - James Redfield.
 
 
 

 
De Celestijnse belofte beschrijft de zoektocht naar een manuscript dat diep in het regenwoud van Peru ligt te wachten op ontdekking. Onmiskenbaar bevat het manuscript een schat aan wijsheid, maar er zijn mensen die verspreiding van deze kennis willen tegenhouden. De hoofdpersoon wordt in zijn zoektocht dan ook tegengewerkt door vertegenwoordigers van het gezag, die afbrokkeling van hun macht vrezen wanneer de inzichten uit het geschrift zouden worden ontsluierd. Ondanks het steeds weer dreigende gevaar wordt de tocht voortgezet en geeft het Manuscript zijn uitzonderlijke geheimen één voor een prijs - aan de hoofdpersoon, maar ook aan de lezer.

De Celestijnse belofte geeft inzicht in de onschatbare waarde van het toeval en in de cruciale veranderingen die de mensheid te wachten staan. Auteur James Redfield geeft blijk van groot psychologisch inzicht en verbindt dat op unieke wijze met de eeuwenoude mystieke traditie.

Zo ontsluiert de roman De Celestijnse belofte de ideeën die op dit moment de wereld in verandering brengen. Het is een betoverende avonturenroman waarin de lezer met eeuwenoude wijsheid en spirituele ervaringen op een herkenbare en persoonlijke manier in contact wordt gebracht.

XXX

Hier volgt een samenvatting van de negen inzichten, voor allen die er klaar voor zijn om ze te begrijpen en te gebruiken als wegwijzers op hun spirituele reis.

1. Het eerste inzicht is het inzicht van het ontwaken. We kijken naar ons leven en beseffen dat er meer gaande is dan we dachten. Achter de uit­dagingen en routine van het dagelijks leven voelen we de geheimzinnige invloed van het goddelijke: 'betekenisvolle toevalligheden' lijken ons met boodschappen een bepaalde kant op te sturen. Aanvankelijk letten we er in onze haast nauwelijks op. Later nemen we wat meer rust en gaan wat aandachtiger naar die gebeurtenissen kijken. Als we open en alert zijn, nemen we de volgende synchroniciteit makkelijker waar. Toevallig­heden lijken toe te stromen en weg te ebben. Soms drijven ze ons snel vooruit, andere keren laten ze ons gekalmeerd achter. De andere inzich­ten maken duidelijk hoe we de frequentie van het geheimzinnige toeval kunnen vergroten en kunnen ontdekken waarheen we op weg zijn.

2. Het tweede inzicht is het besef dat onze waarneming van geheimzinnige toevalligheden historisch gezien iets belangrijks is. Met de ondergang van de middeleeuwse wereldopvatting raakten we een belangrijke zeker­heid kwijt: de kerkelijke uitleg van het universum. Daarom besloten we ons vijfhonderd jaar geleden te gaan wijden aan de verovering van de natuur en het gebruik van wetenschap en technologie om een veilig plek­je op de wereld te vinden. We gingen een wereldlijke veiligheid scheppen ter vervanging van de spirituele die we niet meer bezaten. Om ons veili­ger te voelen verdrongen en negeerden we systematisch de geheimzinni­ge aspecten van het leven op deze planeet. We schiepen de illusie van een universum dat volledig verklaarbaar en voorspelbaar was en waar toeval­lige gebeurtenissen betekenisloos waren. Om die illusie te handhaven, ontkenden we graag elk bewijs van het tegendeel, beperkten we het on­derzoek naar paranormale gebeurtenissen en namen we een houding van absolute scepsis aan. Het onderzoek naar de mystieke dimensies van het leven werd bijna taboe.
Maar langzamerhand zijn mensen gaan ontwaken, en dat betekent niets minder dan een bevrijding uit de wereldlijke obsessie van onze moderne tijd; men stelt zich open voor een nieuwe, betrouwbaardere wereldop­vatting.

3. Het derde inzicht beschrijft een nieuwe kijk op het universum, dat een energiedynamiek blijkt te zijn. We weten nu dat de wereld om ons heen niet uit materiële substantie bestaat.
Dankzij de vele ontdekkingen van de moderne natuurkunde en de groeiende synthese met de oosterse wijs­heid beseffen we dat het universum een enorm energieveld is, een kwantumwereld waarin alle verschijnselen samenhangen en op elkaar reage­ren. Dank zij de wijsheid van het oosterse denken weten we dat wij die universele energie kunnen aanboren. Met onze gedachten en intenties projecteren we die naar buiten en beïnvloeden we onze werkelijkheid en die van anderen.

4. Het vierde inzicht is het besef dat de mensen die innerlijke band met de mystieke energie vaak hebben verbroken. Daarom voelen we ons vaak zwak en onzeker en willen we ons versterken door van andere mensen energie af te tappen. Daartoe proberen we andermans aandacht te mani­puleren of te beheersen. Als we iemand anders tot aandacht kunnen dwingen, voelen we hoe die aandacht ons oppept en sterker maakt. Die ander blijft echter verzwakt achter en verzet zich vaak tegen dit aftappen van zijn kracht. Dan ontstaat een machtsstrijd. Elk conflict in de wereld komt voort uit deze strijd om menselijke energie.

5. Het vijfde inzicht is de ervaring van een innerlijke band met goddelijke energie. Door het goddelijke in onszelf te onderzoeken en als richtsnoer te nemen, leggen wij als individuen contact met het soort ervaringen dat mystiek wordt genoemd. Bij onze speurtocht naar deze andere bewust­zijnstoestand onderscheiden we de intellectuele beschrijving van dat be­sef enerzijds en het besef zelf anderzijds. We hanteren maatstaven die aangeven of we contact hebben met de universele energie. Voelen we bijvoorbeeld een heel licht lichaam? Voelen we ons lichtvoetig, voelen we ons zweven? Ervaren we een heel levendige waarneming, helderder kleuren, geuren, smaken, geluiden, een gevoel van schoonheid? Hebben we een gevoel van eenheid en volmaakte veiligheid? En vooral: ervaren we het besef dat liefde wordt genoemd? Niet jegens iemand of iets, maar als constant gevoel op de achtergrond in ons leven? We willen niet langer alleen maar over mystieke ervaringen praten. We hebben de moed om die maatstaven aan te leggen en werkelijk de band met het goddelijke te zoeken. Deze binding met de totale energie lost elk conflict op. We heb­ben geen energie van anderen meer nodig.

6. Het zesde inzicht is het besef van het moment waarop we onze innerlijke band met de goddelijke energie verliezen. Op die momenten zoeken we ons heil in onze persoonlijke (en onbewuste) manier om energie van an­deren los te peuteren. Die manipulaties zijn meestal hetzij passief, hetzij agressief. De passiefste noemen we de slachtoffer- of 'arme ik' -benade­ring: alles wordt altijd negatief voorgesteld, anderen moeten komen hel­pen, gebeurtenissen worden op zo'n manier beschreven dat anderen zich schuldig voelen (en dus noodgedwongen aandacht en energie geven).
Iets minder passief is de afstandelijkheid strategie: vragen vaag beant­woorden, je nooit op iets vastleggen, anderen aan het werk zetten om je te begrijpen. Als anderen ons proberen te begrijpen, trekken we hun aan­dacht en krijgen we dus energie.
Agressiever dan deze twee is de methode van de criticus of ondervrager; deze heeft altijd iets aan te merken op wat anderen doen, wil altijd con­troleren. Als ze ons betrappen op iets dat ze verkeerd vinden, worden we verlegen, overvoorzichtig en bezorgd over wat ze misschien denken. We slaan hen vanuit onze ooghoek gade en geven hun dus aandacht en ener­gie.
Het agressiefst is de bullebak stijl: schijnbaar onbeheerst, explosief, ge­vaarlijk en strijdlustig. Anderen slaan bullebakken aandachtig gade en zo ontvangen ze hun energie.

Omdat we geneigd zijn die manipulaties te herhalen bij iedereen die we tegenkomen en ons leven daaromheen op te bouwen, kunnen we ze 'be­heersingsdrama's' noemen: steeds terugkerende patronen waarbij steeds dezelfde levenssituaties ontstaan. Als we ons echter van die beheersings­drama's bewust zijn, kunnen we onszelf, steeds als we ons erop betrap­pen, tot de orde roepen en op die manier beter in contact blijven met onze innerlijke energie. Bij analyse van onze vroegste jeugd zien we hoe die drama's ontstaan zijn, maar als die eenmaal vergeven zijn, zien we de diepere redenen waarom we juist in dat gezin zijn geplaatst. Uit de sterke punten van onze ouders en uit de groeiproblemen die zij niet hebben opgelost, kunnen we onze levensvraag en onze taak of 'missie' in de we­reld afleiden

7. Het zevende inzicht is het besef dat toevalligheden je altijd naar de ver­vulling van je taak en de oplossing van je levensvragen leiden. In het da­gelijks leven groeien we door het begrijpen en oplossen van kleinere kwesties die van onze grote doelen zijn afgeleid. Als we de juiste vragen stellen, zorgen geheimzinnige kansen voor antwoorden. Elke synchroni­citeit, hoe groeizaam ook, zadelt ons op met een nieuwe belangrijke vraag. Ons leven is dus een proces van vragen, antwoorden en nieuwe vragen, en daarmee evolueren we langs ons spirituele pad.
Synchronisti­sche antwoorden kunnen uit vele bronnen afkomstig zijn: (dag)dromen,. intuïtieve gedachten en heel vaak ook andere mensen die de inspiratie voelen om ons een boodschap te brengen.

8. Het achtste inzicht is het besef dat de meeste synchroniciteit te vinden is in de boodschappen die andere mensen ons brengen en dat een nieuwe spirituele ethiek die synchroniciteit versterkt. Als we niet met anderen om energie strijden en het contact met ons eigen mystieke innerlijk be­waren, kunnen we anderen met onze energie op een hoger plan brengen door ons op de schoonheid van elk gezicht te concentreren en het hogere zelf van de ander te zien. De energie die we geven als we ons op dat hogere zelf richten, brengt de anderen tot een vollediger besef van wie ze zijn en wat ze aan het doen zijn, en vergroot dus de kans dat we een syn­chronistische boodschap krijgen. Dat proces is vooral van belang bij groepsinteracties, waar de energie van een hele groep kan doordringen tot degene die het gevoel heeft iets te moeten zeggen. Die ethiek is even­eens van belang als we voor kinderen zorgen en met hen omgaan. Om kinderen op een hoger plan te brengen, moeten we ons op de wijsheid van hun hogere zelf richten en hen integer behandelen. In romantische relaties moeten we zorgen dat de euforische liefdesband niet de plaats inneemt van de band met onze innerlijke, mystieke energie. Euforische liefde glijdt altijd af tot een machtsstrijd als beide personen verslaafd ra­ken aan de energie van de ander.

9. Het negende inzicht vertelt ons hoe de evolutie zal verlopen als we de andere acht inzichten verwezenlijken. Naarmate de synchroniciteit toe­neemt, raken we op steeds hogere energieniveaus. Naarmate we de weg naar onze echte opdracht verder bewandelen, veranderen we vaker van beroep of roeping of stichten we ons eigen bedrijf om op het terrein te kunnen werken dat ons het sterkst inspireert. Voor velen betekent dat werk de automatisering van de eerste levensbehoeften: voedsel (afgezien van wat de mensen zelf verbouwen), onderdak, kleding, vervoer, toegang tot de media, ontspanning. Automatisering is onvermijdelijk omdat de industrie voor de meesten van ons geen levenswerk meer zal zijn. De toegang tot die goederen zal niet misbruikt worden, omdat iedereen op synchronistische wijze zijn groeipad volgt en alleen consumeert als dat nodig is.
De praktijk van de tienden - geven aan mensen die ons spirituele in­zichten brengen - vult inkomens aan en bevrijdt ons van een starre werk­omgeving. Uiteindelijk verdwijnt de behoefte aan een betaalmiddel, om­dat een volledige automatisering de energiebronnen en duurzame goe­deren gratis ter beschikking stelt. Wanneer de evolutie voortschrijdt, ver­hoogt de synchronistische groei ons trillingsgetal tot het punt waarop we de dimensie van het leven na de dood bereiken. Daarmee versmelt die dimensie met onze huidige, en eindigt de cyclus van leven en dood.

 

Bron: Het Celestijnse werkboek
James Redfield en Carol Adrienne
ISBN 90 225 1950 3
 
 
 
 
 06. Het Dagelijks Leven als Inwijdingsweg - Hans ten Dam
 


Voor mensen die zichzelf spiritueel willen ontwikkelen en toch niet wensen te verdwalen in een oerwoud van bovenaards gezweef,  spirituele cursussen, gechannelde berichten, 'would be' mediums en -therapeuten en wat al niet meer.
 
Voorwoord van de auteur.

Als je wat van je leven probeert te maken, kom je op een eindeloze markt van levensbeschouwingen, wereld­beschouwingen, godsdiensten, sektes, goeroes, praktische psychologie, positief denken, N.L.P., geestelijke gezond­heid. Er zijn idealisten en realisten, traditionelen en revo­lutionairen, romantici en cynici, kunstzinnigen en weten­schappelijken.

Zelf kom ik uit een nest met occulte belangstelling. Ik las over etherische lichamen en astrale werelden voordat ik weet had van meer praktische zaken. Die belangstelling hield je voor je.

Kerkelijken bekeken je met achterdocht, onkerkelijken bekeken je met minachting. Bijgeloof, daar kwam het op neer.

Mij in die wereld verdiepend, kwam ik erachter dat bijna iedereen van elkaar overschreef en dat bijna ieder de wijsheid in pacht had. Ik probeerde op mijn manier daar ordening en schifting in aan te brengen. Ik had daarvoor een goed middel gevonden in de semantiek, vooral in de general semantics van Alfred Korzybski. Ervan uitgaande dat de schrijver het over feiten had, hoe beschreef hij die feiten dan?

Verhalen zijn waar voor zover ze met feitelijke erva­ring in overeenstemming zijn. Veel valt niet meteen te toetsen, maar voor het overgrote deel van de zogenaamde occulte literatuur geldt dat het betoog zo wazig is dat er über­haupt niets te toetsen valt. Wat onduidelijk is, krom en vaag gepraat zonder kop of staart, kunnen we sowieso opzij leggen. Van de rest kunnen we tenminste nagaan wat innerlijk consistent is, wat niet aan innerlijke tegen­spraak bezwijkt. Het bleek dat de meeste occulte litera­tuur in de prullenbak kon.

Ik concentreerde me op de literatuur die oorspronke­lijk was, die tenminste voorgaf op waarnemingen en erva­ringen gebaseerd te zijn. Er bleek meer onderzoek gedaan dan ik in het begin verwachtte. Juist de esoterische schrij­vers die hun eigen openbaring belangrijk vinden, negeren of kleineren die onderzoeken en ervaringen.

Terwijl ik voorzichtig zin van onzin probeerde te onder­scheiden, bleek dat links en rechts mensen zich onbekom­merd de esoterie instortten en alles voor zoete koek slik­ten. We hebben tegenwoordig cursussen over chakra's voor managers waar derderangs kennis zonder enige rela­tivering, zonder enig onderscheidingsvermogen uitgego­ten wordt. Zo wordt er met eeuwenoude kennis geschermd die in de 19de eeuw door onbetrouwbare fan­tasten onder pseudoniem gepubliceerd is. Zelfs schrijvers die zelf aangeven dat ze hun verbeelding gebruikt heb­ben, worden als bronnen van oude kennis gepresenteerd.

Er wordt op los gechanneld met kinderziekten die al om 1860 geanalyseerd zijn door nota bene de gechannelde geesten zelf. Nieuwbakken paragnosten kakelen er onbekommerd op los, en maken fouten die al een eeuw geleden geïnventariseerd en geanalyseerd zijn. Als weer eens iemand met het echte, direct uit de geestelijke wereld afkomstige Evangelie komt, dan weet ik dat het misschien al het 35ste is sinds "Het Evangelie volgens de Geesten." "Het eerste ooggetuigenverslag uit het hiernamaals" is ook al meer dan honderd keren gepubliceerd.

Mijn eigen ontwikkelingslijn is duidelijk: ik begon met esoterie en ik kwam uit bij gezond verstand. Ik heb heel wat badwater weg gegooid in de jaren. Wat zeg ik: zwem­badwater. Maar het kind leeft en maakt het goed.

In dit boek probeer ik een paar aspecten van het geestelij­ke gewoon te maken en ik probeer een aantal gewone aspecten in een geestelijker perspectief te plaatsen. Ik begin met het meest gewone: levenskunst. Ik pak er een aantal - vermoedelijk vrij willekeurige - aspecten uit om de smaak te pakken te krijgen. In het tweede hoofdstuk fulmineer ik tegen een paar pseudo-geestelijke eenzijdig­heden zoals' onthechting' die momenteel opgeld doen.

In de volgende twee hoofdstukken switch ik naar de geestelijke kant. Occulte interesse en mystieke neigingen vergelijk ik met elkaar. Ik analyseer de functie - en de beperkingen - van orakels, en ik belicht het begrip inwij­ding.

In het laatste hoofdstuk komt het geestelijke en het gewone samen. Het dagelijks leven als inwijdingsweg: zon­der poespas, zonder hocus-pocus, zonder goeroes. Spiritua­liteit niet als iets dat we zoeken of vinden, maar als iets dat ons vindt: als een slechts moeilijk afwendbaar lot.

Nog korter, nog losser, volgen een aantal gedachten over dezelfde onderwerpen. Voor de liefhebbers van gno­men.

Levenskunst, wijdingen en inwijding zijn de drie wegen tot veredeling. Over wijding gaat dit boek nauwelijks, over levenskunst en inwijding des te meer.

Te bestellen via  Uitgeverij Tasso
 

 
 
 07. Loutering - Johan M. Pameijer

Over de transformatie van het kwaad
 
 

ISBN 90 6556 220 6

In onze turbulente tijd zijn velen op zoek naar de zin van goed en kwaad in de wereld. Volgens de christelijke overlevering ging het al mis met de mens toen Eva van de appel at en Kaïn zijn broer Abel doodde. Destructieve krachten kregen de mens in hun greep en dirigeerden hem van het ene conflict naar het andere. Waar is de therapeut die daar een einde aan kan maken?
Volgens de schrijver zou de mens op de eerste plaats meer oog dienen te krijgen voor de behoeften van de ziel. De mythische gestalten van vrijwel alle religies zijn symbolen van ziele-activiteiten. Aan de hand van talloze voorbeelden uit christelijke en niet-christelijke religies toont hij aan dat de weg uit de huidige spirituele crisis een weg is naar binnen, een weg van zelfkennis en innerlijke transformatie. Daarbij volgt hij het spoor van de dualiteit in de schepping, op zoek naar de wezenlijke eenheid die diep in de ziel verborgen ligt.

Uittreksel uit het hoofdstuk: Chakra's


Over God als Licht (volmaakt wit licht) dat zich splitst in de schepping in 7 kleuren.


In mijn jeugd las ik te veel verslagen van parapsychologi­sche verschijnselen om de invloed van de bovenzinnelijke wereld in ons leven te leren inschatten. Volgens mij beschik­ten de wijzen van het oosten over veel meer kennis dan wij bereid zijn te geloven. De geest in ons accepteert zonder scepsis of kritiek een denkmodel over mensvorming, waarbij de goddelijke energie langs de chakra’s is afgedaald om in twee­de instantie vanuit het kundalini van de basischakra de nieu­we geestelijke mens op te bouwen. Dit schema fascineert mij in hoge mate. Ik heb het zelfs tot een bijna dagelijks meditatie-onderwerp gemaakt.

Ik stel mij voor hoe de 'kracht Gods', nog in de ongediffe­rentieerde staat, de kruinchakra modelleerde als het ont­vangststation voor het pure goddelijke bewustzijn. Haar doorschijnende violette kleur maakte zich los uit de achter­grond van zuiver wit licht en meldt zich als het orgaan voor de uiteindelijke eenheidsbeleving met God en de van hem afgeleide gestalte die wij kennen als de Zoon of de Christusfiguur.

Van het standpunt van de goddelijkheid gezien stralen alle chakra’s in gradaties van een iriserend zilverwit, terwijl vanuit het menselijke gezichtspunt het licht in de zeven primaire kleuren gebroken is.

De beste vergelijking die ik kan vinden is het wolkendek. Er boven vliegend kijk je neer op een zon­bestraald witgoud dat vanaf de aarde verborgen is achter een grauwe wolkenmassa.

Achter mijn gesloten oogleden meen ik getuige te zijn van oerlicht dat langzamerhand kristalliseert tot substantie. De tweede laag die ik tegenkom, hult zich in een paarsachtig blauw, een voorhoofdschakra van een tintelend indigo licht. De gestalten van engelen drijven af en aan. Opstijgend en afdalend vertonen ze een geluidloze en rustgevende bedrijvig­heid in een wereld die vooralsnog voor de mens ontoeganke­lijk blijft.

Nu neem ik waar hoe het oerlicht verstuift in een goddelijk lichtblauw met groene tinten. Dit milieu van de keelchakra doet mij denken aan een pauwenvleugel. Elk oog neemt de gestalte aan van een heilige en ik realiseer me dat de derde chakra van bovenaf de verblijfplaats van meesters als Jezus, de drager van het Christusbewustzijn, Boeddha, Mohammed en heiligen als Franciscus van Assisi, Ramakrishna en Hildegard von Bingen is. Zou dit het bron­gebied van bijbel, Oepanisjaden en Koran zijn?

In mijn overpeinzing krijg ik sterk de indruk een drempel te overschrijden. Het wonderbaarlijke licht kristalliseert tot een diepgroene kleur met gouden lichtscheuten. Ik besef een kruispunt van wegen te zijn genaderd. De schitterende hartchakra biedt alle mogelijkheden om relaties aan te gaan, zowel met medemensen als met God. Hier krijgt het begrip liefde een betekenis die mensen boven zichzelf kan doen uit­stijgen. Op dit niveau is het goed toeven.

Ik realiseer me dat de mensheid bezig is met het exploreren van het hartcentrum, maar vooralsnog gevangen zit in een lager chakra­gebied waar het milde licht is opgegaan in het flakkerende geel van een vlammend vuur. De miltchakra vonkt en gloeit met de levendige kleuren die we in elke vlam kunnen zien en de kracht van het ego met zijn strijd om zelfbehoud begint mij te omknellen. Het oerlicht is afgedaald tot het werkveld van de barende, ploeterende en bloedende mensheid.

Krimpend van geel naar oranje met rode vonken vormt het een bruisende stroom van vitaliteit. Het werkveld van de buikchakra is bereikt. De zachte ruis van het begin raakt ver­loren in het geschetter van emoties. Vonken vuur in alle kleu­ren van de regenboog flitsen als trompetstoten door een bui­tengewoon levendige ruimte.

 
 
 08. De erfopvolgers van de graal - Sir Laurence Gardner

 
 
De Schot Sir Laurence Gardner is historicus en genealoog en heeft diverse boeken over godsdienst- en bijbelgeschiedenis gepubliceerd. Daarnaast schrijft hij libretto's en produceert hij muziek-, theater- en filmprojecten.
 
Was Jezus getrouwd en vader van een gezin? Wat is er dan van zijn kinderen geworden? Zijn er nog nazaten van hem in leven? De Schotse genealoog Laurence Gardner begint waar anderen ophouden en geeft een onthullend antwoord op deze controversiële vragen. In De erfopvolgers van de graal geeft hij een gedetailleerd genealogisch overzicht van de nazaten van Jezus en zijn broer Jakobus en werpt hij een heel nieuw licht op het verhaal van de bijbel. Vooral de raadselachtige figuren van Maria Magdalena en Jozef van Arimathea passeren de revue, maar ook de legenden van koning Arthur, de heilige graal en de tempelridders komen in een heel ander daglicht te staan. Een uiterst knap genealogisch onderzoek, dat iedereen zal aanspreken die geïnteresseerd is in de vroege geschiedenis van de christelijke kerk en de tijd van de kruistochten.

 
Uittreksel.
Hoofdstuk: Jezus de Messias - Broden en vissen.

 
Hoewel de evangeliën niet als traditionele geschiedschrijving kunnen wor­den beschouwd, vertellen ze toch over het leven van Jezus middels een doorgaande verhaallijn. Soms zijn ze wel met elkaar in overeenstemming, soms ook niet. Sommige gebeurtenissen worden wel in het ene evangelie, maar niet in het andere genoemd. Daarbij moeten we echter bedenken dat het doel van de evangeliën was een dwingende sociale boodschap over te brengen, met Jezus als katalysator in de hoofdrol.

Die boodschap werd overigens niet altijd openlijk verkondigd. Men zegt dat Jezus vaak sprak in de vorm van parabels of gelijkenissen, om zijn bood­schap met allegorische anekdotes te vereenvoudigen. Soms lijken deze mo­ralistische vertellingen wat oppervlakkig, maar vaak hebben ze een poli­tieke onderstroming, gebaseerd op bestaande mensen en situaties.

De evangeliën waren op soortgelijke leest geschoeid en veel verhalen over Jezus zelf waren eigenlijk ook parabels of gelijkenissen. De meeste hande­lingen van Jezus werden zodanig gemaskeerd binnen de context van een anekdote dat 'zij met oren die horen wilden' het zouden begrijpen en an­deren niet.

Aangezien de evangeliën zo verhullend waren geschreven om de Romei­nen niet te provoceren, bevatten ze talloze symbolische elementen die tot op de dag van vandaag heel moeilijk te doorgronden zijn. Met deze verhul­lende verwijzingen bedoelen we ook het allegorische jargon van het voegsektarische ritueel - wat ertoe leidde dat men volstrekt normale gebeurte­nissen totaal verkeerd heeft opgevat. Sommige ervan zijn zelfs bij dogma tot bovennatuurlijke verschijnselen verklaard.

We zijn al een voorbeeld tegengekomen dat geheel verkeerd is geïnterpre­teerd, namelijk de aard en het doel van de 'vissers' die de niet-joden doop­ten nadat zij door de 'vissermannen' in grote netten uit het water waren gehaald.

Een goed voorbeeld van een gebeurtenis die als iets bovennatuurlijks werd opgevat vinden we in Johannes 2:1-10: het verhaal van Jezus die het water in wijn doet veranderen op een bruiloftsfeest.

Deze bekende gebeurtenis was de eerste van vele uitdagende handelingen waarmee Jezus zijn intentie aankondigde om de tradities te doorbreken.

Hoewel hij was opgevoed binnen een streng sociaal regime dat werd beïn­vloed en beheerst door tradities en oude wetten zag Jezus in dat Rome nooit kon worden verslagen zolang er zoveel verschillende, elkaar becon­currerende doctrines binnen de joodse gemeenschap zelf leefden. In die tijd bestond er niet zoiets als het christendom - Jezus' religie was het jo­dendom. De joden aanbaden allen één God, maar ook zij (die een speciale relatie met God meenden te hebben als het uitverkoren volk) waren ver­deeld in verschillende kampen, elk met verschillende religieuze gemeen­schapsregels. In hun ogen behoorde jehova aan de joden, maar Jezus wilde jehova juist delen met de niet-joden, en wel op zo'n manier dat de niet-jo­den niet alle uiterlijkheden van het orthodoxe jodendom hoefden over te nemen. Zo trachtte hij het volk van Palestina te verenigen onder één God tegen de heerschappij van het Romeinse rijk.

Jezus was absoluut een westers georiënteerde jood, een hellenist, in tegen­stelling tot rigide en onwrikbare Hebreeërs als Johannes de Doper. Weinig geduld toonde hij met de onbuigzame geloofsovertuiging van bepaalde joodse groeperingen zoals de Farizeeën. Zijn houding was ongewoon libe­raal en zijn missie was er een van bevrijding. Maar hij besefte dat de men­sen niet van onderdrukking bevrijd konden worden voordat ze zichzelf hadden bevrijd van hun eigen compromisloze sektarisme. Hij was zich er ook van bewust dat een Verlosser-Messias allang verwacht was en volgens een recente profetie nu elk moment kon komen. Deze Messias zou naar verwachting een geheel nieuw tijdperk van verlossing inluiden: hij zou re­volutionaire ideeën moeten hebben en zich moeten afzetten tegen be­staande gewoonten en gebruiken. Als erfgenaam van de Davidische Koninklijke troon wist Jezus dat hij aanspraak kon maken op die positie van Verlosser-Messias - en dat het niemand zou verbazen wanneer hij zich als zodanig manifesteerde.

Jezus beschikte echter niet over enig officieel sociaal gezag - hij was geen koning en ook geen hogepriester. Volgens sommigen was hij niet eens for­meel gewijd en kon hij ook geen messiaanse status opeisen, al beschikte hij over alle noodzakelijke eigenschappen. Hij liet zich echter niet door zulke technische problemen weerhouden en ondanks zijn formele tekortkomin­gen voerde hij allerlei rituele veranderingen door, zowel op religieus als op sociaal terrein.

Bij de eerste gelegenheid hiervoor, in Kana, aarzelde hij nog door te zeg­gen: 'Mijn ure is nog niet gekomen' (hiermee refererend aan het feit dat hij nog niet was gezalfd). Maar zijn moeder wuifde zijn gebrek aan status weg door de bedienden als volgt te manen: 'Wat Hij u ook zegt, doet dat.'

Hiervan wordt alleen verslag gedaan in het evangelie van Johannes, waar de verandering van water in wijn wordt beschreven als het eerste van Jezus' wonderen (of opmerkelijke gebeurtenissen). Er staat echter niet dat ze geen wijn meer hadden tijdens de bruiloft, zoals vaak verkeerd geciteerd wordt. De tekst luidt eigenlijk als volgt: 'En toen er gebrek aan wijn kwam, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.' Volgens het ritueel zo­als dat in de Dode-Zeerollen wordt beschreven, is de betekenis hiervan heel duidelijk. Bij (het equivalent van) de communie was het alleen de volledig gewijde celibatairen (onder toezicht van een priester) toegestaan om wijn te drinken.! Alle andere aanwezigen werden als niet-gewijd beschouwd en mochten alleen deelnemen aan een ritueel met water. Dit gold voor ge­trouwde mannen, novicen, niet-joden en alle joodse leken. De evangelie­tekst vervolgt: 'Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der joden.' Het grote belang van wat Jezus toen deed is dat hij met de traditie brak: hij liet het water voor wat het was en liet de 'onreine' gasten 'de geheiligde wijn drinken'. De 'leider van het feest' (in het Grieks de architriclinos) die de wijn proefde, 'wist niet waar die vandaan kwam (maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het)'. Hij sprak niet van een wonderbaarlijke transformatie, maar merkte slechts op dat hij verbaasd was dat de goede wijn (in tegenstelling tot water - de slechte wijn) op dat moment was opgedoken.

Toen Maria de bedienden maande om Jezus te gehoorzamen, verklaarde ze dat dit voorval 'zijn heerlijkheid openbaarde; en zijn discipelen geloofden in Hem'.

De heilige communie met brood en wijn was een eeuwenoude Esseense traditie en geen product van het latere christendom. De christelijke kerk ei­gende zich dit oorspronkelijke gebruik toe ten behoeve van de eucharistie­viering waarmee het lichaam en het bloed van Jezus wordt gesymboli­seerd, in overeenstemming met de dubbelzinnige verwijzing in het evangelie naar de instelling ervan bij het Laatste Avondmaal (zoals bijvoor­beeld in Matteüs 26:26-28).

De episode die bekend staat als de 'spijziging van de vijfduizend' wordt in de evangeliën met een soortgelijke allegorie weergegeven. De joodse wet was streng maar Jezus' missie was veel liberaler. Normaal gesproken moch­ten niet-joden alleen deelnemen aan een ritueel als ze zich geheel bekeerd hadden en zich volledig aan de joodse gebruiken hielden (waaronder de besnijdenis, als het om mannen ging). Jezus' gedachten gingen echter uit naar de onbesneden niet-joden: waarom zouden ook zij geen toegang mo­gen hebben tot jehova? Per slot van rekening had hij hun ook toestemming gegeven om de gewijde wijn te drinken in Kana.

Het idee van één God voor joden en niet-joden werd feitelijk de grote le­venskracht van Jezus' missie. Dit ideaal was meer dan revolutionair; voor strikt orthodoxe joden was het een schandelijk principe, aangezien Jezus zich een persoonlijke macht toe-eigende boven hun eigen historische privi­leges. Hij maakte jehova, de God van het Uitverkoren Volk, toegankelijk voor iedereen - dus ook, met slechts weinig voorwaarden, voor onreine mensen.

Zoals gezegd, ondergingen niet-joden die als jood gedoopt wilden worden, een ritueel waarbij ze als 'vissen' in boten werden binnengehaald door 'vis­sermannen'. Volgens een soortgelijke beeldspraak werden Levitische tem­peldienaren 'broden' genoemd. Bij de priesterwijding - de ceremonie waarbij men tot het priesterambt werd toegelaten - moesten de Levitische priesters zeven broden opdienen voor de priesters en vijf broden en twee vissen voor de celibataire kandidaten. Deze ceremonie bevatte een belang­rijke, wettelijke symboliek, aangezien niet-joden de doop mochten ont­vangen als 'vissen' maar alleen echte joden 'broden' konden worden.

Ook in dit geval negeerde Jezus de conventie en liet 'onreine' niet-joden deelnemen aan iets wat normaal alleen bestemd was voor joden - en niet eens voor álle joden, maar uitsluitend voor hen die priester wilden wor­den. In dit opzicht deed Jezus een concessie aan de vertegenwoordigers van de onbesneden niet-joden van de Hambroederschap (die figuurlijk bekend stond als de 'vijfduizend'). Hij bood hun 'schare' (hun regerend lichaam) toegang tot het ambt door hun de 'vijf broden en twee vissen' van de jood­se priesterkandidaten te geven (Marcus 6:34-44).

In een andere episode, bekend als de 'spijziging van de vierduizend' , wer­den de zeven broden voor de oudere priesters aangeboden aan de onbesne­den 'schare' van Shem (Marcus 8:1-10).

Tijdens de dooprituelen voeren de 'vissermannen' die de niet-joodse 'vis­sen' vingen, eerst hun boten een eindje uit de kust. De doopkandidaten moesten dan door het water naar de boten waden. Als dit gebeurd was, ver­lieten de priesterlijke 'vissers' de kust en liepen naar de voor anker liggen­de boten over een pier - dit verklaart hoe ze 'over het water liepen'. Aan­gezien hij uit de stam van Juda en niet uit die van Levi kwam, had Jezus geen gezag als dooppriester. Hij trok zich echter niets aan van de gevestig­de orde en mat zich het priesterambt aan door 'over de zee te lopen' naar de boot van de discipelen (Matteüs 14:25-26). Hij bracht zelfs Petrus in de verleiding zich hetzelfde recht toe te eigenen... maar Petrus deed dit niet uit angst voor wettelijke repercussies (Matteüs 14:28-31).

Onze nieuwe inzichten, zowel in de verborgen betekenis van de evangelie­tekst als in de politieke motivatie van Jezus zelf, doen overigens geen af­breuk aan zijn vermoedelijke kwaliteiten als genezer. Aangezien hij ver­bonden was aan de Therapeuten van Qumran, zal hij in dit opzicht niet uniek zijn geweest. Maar een charismatisch genezer kwam niet overeen met het beeld dat men had van een verlossende Messias die het volk zou be­vrijden van de Romeinse onderdrukking. Wel opvallend aan deze radicale leider was dat hij zijn medische kennis toepaste op 'onwaardige' niet-joden en zijn hulp niet beperkte tot de joodse gemeenschap, zoals de Farizeeën en anderen dat wilden. Deze sociale missie - deze vorstelijke dienstbaarheid, zoals die door de opkomende Wet van de Graal werd verkondigd - was ken­merkend voor Jezus' messiaanse ideaal van een verenigd volk.
 
 
 
09. Oorsprong van de Graalkoningen - Sir Laurence Gardner.

 
 

Uittreksel.
Hoofdstuk: De woorden der wijzen

 
Niet alleen werden de tien geboden ontleend aan toverspreuken in het Egyptische Dodenboek, terwijl de Psalmen van David op overeenkomstige wijze werden gehaald uit hymnen van Egyptische herkomst, maar ook haalde men de meerderheid van de leringen in het Oude Testament uit de wijsheid van het oude Egypte. Precies zo was de vroege aartsvaderlijke ge­schiedenis ontleend aan de documenten van het oude Mesopotamië. De Egyptische relaties zijn in het bijzonder op te merken in de Bijbelse boeken van de profeten, en goede voorbeelden zijn ook te vinden in het boek Spreuken, van Salomo, - de 'woorden van de wijze', die men gewoonlijk toeschrijft aan koning Salomo zelf (zie Tabel: Amenemope en het boek Spreuken, p. 261).

Deze welbekende Spreuken zijn in feite bijna woordelijk vertaald in het He­breeuws uit de geschriften van een Egyptische wijze genaamd Amene­mope, die nu worden bewaard in het British Museum. Vers na vers van het boek Spreuken kan worden toegeschreven aan het Egyptische origi­neel, en men heeft nu ontdekt dat de geschriften van Amenemope zelf werden ontleend aan een veel ouder werk genaamd De wijsheid van Ptah-ho­tep, dat dateert van 2000 jaar voor de tijd van Salomo.

Naast het Dodenboek en het oude Wijsheid van Ptah-hotep werden verscheide­ne andere Egyptische teksten gebruikt bij het samenstellen van het Oude Testament. Deze omvatten de Piramideteksten en de Grafkistteksten, waaruit men de verwijzingen naar de zonnegod Ra eenvoudigweg heeft veranderd zodat ze verband kregen met de Hebreeuwse god Jehova. Zelfs het traditio­nele christelijke Onze Vader, zoals dat wordt vastgesteld in het nieuwtesta­mentische Evangelie van Matteüs (6:9-13) werd vertaald van een Egyptisch gebed aan de staatsgod dat begon met de woorden: 'Amon, Amon. die in de hemel is ....

Het ongelukkige scenario dat tot tamelijk kort geleden een rol speelde was dat oudere geschriften van de Mesopotamiërs en de Egyptenaren verloren waren gegaan, terwijl de bijbel aan het front van ons culturele bewustzijn was geplaatst. Was dit niet het geval geweest, dan zouden de wijsheid en de historische documenten van deze pre-Israëlitische beschavingen de over­hand hebben gehad en zou het bij niemand zijn opgekomen om het Oude Testament als iets anders te beschouwen dan het zoveelste hoofdstuk in een voortschrijdende ontwikkeling van moraal en religie. In plaats daar­van, aangezien er geen contemporaine annalen zijn ontdekt, genoten de Hebreeuwse geschriften een volstrekt ongerechtvaardigde status als een betrouwbaar historisch werk.

Pas tijdens de laatste 150 jaar, en meer specifiek sinds 1920, zijn de grote magazijnen met Egyptische, Mesopotamische, Syrische en Kanaänitische documenten opgegraven van onder het woestijnzand. Bewijs via docu­menten uit de eerste hand, uit voor-bijbelse tijden, is nu te voorschijn ge­komen op steen, klei, perkament en papyrus, en deze tienduizenden do­cumenten getuigen van een veel opwindender geschiedenis dan men ons ooit heeft verteld.

Als deze documenten beschikbaar waren geweest in de loop der generaties, dan zou het concept van een speciaal ras dat profiteerde van een unieke goddelijke openbaring nooit de kop hebben opgestoken, en de exclusiviteit van Jehova, die ons al te lang heeft verblind (en ons op voet van oorlog heeft gebracht met degenen van andere religies die hun eigen overleverin­gen hebben), zou nooit zo'n arrogante voet tussen de deur hebben gekre­gen.

Nu deze oorspronkelijke documenten geborgen en vertaald zijn, wordt het duidelijk dat we, hoewel onze beschavingen ver gevorderd zijn in natuur­wetenschappen en technologie, in veel opzichten nog beginners zijn vergeleken met die van de oeroude meesters. Het is ook duidelijk dat we nauwelijks te voorschijn zijn gekomen uit het duister van onze eigen voor­ingenomen maar ongegronde ideeën; onze eeuwen van indoctrinatie door de Kerk maken het erg moeilijk om het beperkende dogma van inteelt-tra­dities uit de derde hand te verruilen voor een grote verlichting uit de hand van degenen die er in die tijd bij aanwezig waren.

Het echt inspirerende vooruitzicht is dat de leergang nog steeds niet geëin­digd is, want in ieder jaar dat verstrijkt, worden er weer nieuwe ontdek­kingen gedaan. Net zoals een enkele gletsjer slechts voortzetting is van een activiteit van eeuwen, zo worden nu ook de oude wijsheden ons een voor een deelachtig, met ieder nieuw facet van kennis klaar om aan te sluiten bij voorafgaande kennis.

De daaruit voortkomende verbreding van de ho­rizon kan men niet negeren, ongeacht hoe moeilijk het zou kunnen zijn om de middeleeuwse banden door te snijden die ons vasthouden - want in de niet al te verre toekomst zullen we helder zicht hebben over die horizon heen. De dageraad van het bewustzijn ligt al achter ons, en hoewel velen er­voor zullen kiezen om achteruit te kijken, achter de sluier ervan, zullen de­genen die ogen hebben om te zien, met geestdrift in het nieuwe millenni­um stappen om getuige te zijn van een heldere nieuwe zonsopgang - een openbaring van onbegrensde mogelijkheden en een herstel van onze waar­lijk universele erfenis.
 
 
AMENEMOPE EN HET BOEK SPREUKEN

Voorbeelden van Egyptische wijsheidsliteratuur gebruikt in de bijbel
UIT DE WIJSHEID VAN AMENEMOPE

Spits uw oren om mijn uitspraken te ho­ren,
En richt uw hart om ze te begrijpen, Want het is een profijtelijke zaak om ze in uw hart op te nemen.
(Amenemope 1:6)
 UIT DE SPREUKEN VAN SALOMO

Leg uw oor te luisteren, en hoor de woor­den van de wijze,
En richt uw hart naar mijn kennis. Want het is een aangename zaak als u ze in u opneemt.
(Spreuken 22:17-18)
Verwijder de grenspaal op de grens van de akkers niet ...
En wees geen indringer op het domein van de weduwe.
(Amenemope 7:12-15)
Verwijder de oude grenspaal niet.
En betreed de akkers van de wezen niet.
(Spreuken 23:10)
Ze hebben voor zichzelf vleugels ge­maakt als ganzen,
En ze zijn naar de hemel gevlogen. (Amenemope 10:5)
De rijken hebben zeker vleugels voor zichzelf gemaakt.
Ze vliegen weg als een adelaar naar de hemel.
(Spreuken 23:4-5)
Beter is de armoede in de hand van God,
Dan de rijkdom in het magazijn.
Beter zijn broden als het hart vol vreug­de is.
(Amenemope 9:5-8)
Beter is het weinige met de vreze des He­ren,
dan grote schatten met moeilijkheden daarbij.
Beter is een maaltijd van kruiden waar liefde is.
(Spreuken 15:16-17)
Verbroeder u niet met een heetgebakerd man.
En dring hem geen gesprek op.
(Amenemope 11:13-14)
 
 
 
 
 
 
 
 
10. Eindelijk thuis - Henri J. M. Nouwen
 
 
 


Over de auteur

De auteur beschrijft hoe een schilderij van Rembrandt zijn geestelijke groei heeft gestimuleerd. In de uitbeelding van het bekende Bijbelverhaal van de verloren zoon herkende hij zich eerst als de zoon die zoekt naar warmte en erkenning. Maar later ziet hij dat het zijn opdracht is te worden als de vader, die heeft geleerd te ontvangen en te geven. Aan de hand van Bijbelverhalen, het leven van Rembrandt en zijn eigen ervaringen maakt hij de diepere betekenis van het schilderij en van deze geestelijke weg duidelijk; en hij nodigt de lezer uit deze weg met hem te gaan. Nouwen (1932-1996) is een pastor en psycholoog die bekend is geworden door zijn persoonlijke interpretatie van christelijke thema's. Ook dit boek munt uit door heldere, persoonlijke en begrijpelijke taal en verder door een duidelijke letter en reproducties van (details) van Rembrandts schilderijen. Wie het boek (nog) niet heeft, heeft hieraan een pareltje in de geestelijke literatuur, een verantwoord boek voor mensen die op zoek zijn naar hun eigen levensdoel.
(Biblion recensie, Redactie)

 


Een uittreksel uit het hoofdstuk dat mij raakte


Verdriet, vergeving en edelmoedigheid.

Als ik naar Rembrandts schilderij van de Vader kijk, dan ontwaar ik drie wegen naar waarachtig vaderschap: de weg van het ver­driet, de weg van de vergeving en de weg van de edelmoedigheid.

Het mag vreemd klinken als ik zeg: verdriet is een weg naar de barmhartigheid. Toch is dat zo. Verdriet hebben, wil zeggen dat ik de zonden van de wereld en van mijzelf mijn hart laat doorboren. Dat ik er tranen om laat. Dat ik erom ween. Er is geen erbarmen zonder tranen; als het al geen letterlijke tranen uit mijn ogen zijn, dan toch minstens tranen die opwellen uit mijn hart. Als ik vanuit de hartsgesteldheid van God probeer te kijken naar de ontzaglijke eigengereidheid van zijn kinderen, naar onze wellust, onze heb­zucht, onze gewelddadigheid, onze woede, onze wrok, dan kan ik alleen maar huilen, tranen plengen, verdrietig zijn. Kijk, mijn ziel, naar de manier waarop de ene mens de andere pijn doet en laat lijden. Kijk naar de mensen die samenzweren om hun medemen­sen kwaad te berokkenen. Kijk naar de ouders die hun kinderen mishandelen. Kijk naar de landeigenaars die hun arbeiders uitbui­ten. Kijk naar de verkrachte vrouwen, de misbruikte mannen, de in de steek gelaten kinderen. Kijk naar de concentratiekampen, de gevangenissen, de instellingen en de ziekenhuizen en hoor de schreeuw van de armen en de geringen. Dit treuren is bidden. Er zijn in deze wereld zo weinig treurenden overgebleven.

Maar ver­driet is de discipline van een mens die zijn hart niet toesluit voor de zonden van de wereld, die beseft dat verdriet de droeve prijs van de vrijheid is, die weet dat zonder die prijs de liefde niet kan bloeien. Ik begin in te zien dat bidden in grote mate treuren is. Dit verdriet is zeer diep, niet alleen omdat de zonde van de mensen zo groot is, maar ook en nog meer omdat de goddelijke liefde zo gren­zeloos is. Om te worden als de Vader, wiens enige gezag barmhar­tigheid is, moet ik talloze tranen schreien. Door dat verdriet bereid ik mijn hart voor op het verwelkomen van iedereen, welke levens­weg ze ook achter de rug hebben. Vanuit deze hartsgesteldheid kan ik ieder vergeving schenken.

De tweede weg die naar het geestelijk vaderschap leidt, is de weg van de vergeving. Door voortdurend te vergeven, worden wij als de Vader. Van harte vergeven is heel moeilijk, bijna onmogelijk. Je­zus zei tot zijn leerlingen: 'Als uw broeder zevenmaal per dag te­gen u zondigt en zevenmaal tot u terugkomt en zegt: Ik heb be­rouw, zult gij het hem vergeven.'

Vaak heb ik gezegd: 'Ik vergeef je', maar bleef ik inwendig boos en haatdragend. Ik zei wel dat ik de ander vergaf, maar in mijn hart wilde ik nog altijd horen dat ik achteraf gezien toch gelijk had. Nog altijd wilde ik verontschuldigingen en excuses horen. Nog altijd wilde ik in ruil voor mijn vergevingsgezindheid de genoegdoening hebben dat me lof werd toegezwaaid, al was het maar de lof dat ik zo vergevingsgezind ben!

Gods vergeving is echter onvoorwaardelijk. Zij komt voort uit een hart dat niets voor zichzelf vraagt; een hart dat totaal ontledigd is van zelfzucht. Deze goddelijke vergeving moet ik nu in mijn da­gelijks leven in praktijk brengen. Zij roept mij op voortdurend heen te stappen over al mijn bezwaren die erop neerkomen dat vergeven dwaas, ongezond en onpraktisch is. Zij daagt mij uit om af te zien van blijken van dankbaarheid, af te zien van complimentjes. Uitein­delijk vraagt zij van mij dat ik over het gewonde deel van mijn hart heen stap; het deel dat zich gekrenkt en verongelijkt voelt, dat meester van de situatie wil blijven en altijd wel enkele voorwaar­den wil verbinden aan de vergeving die ik de ander schenk.

Dit 'eroverheen stappen' is de authentieke discipline van het ver­geven. Misschien is het meer een eroverheen 'klimmen' dan 'stappen'. Vaak moet ik letterlijk klimmen over een muur van argumen­ten en gevoelens van boosheid; een muur die ik heb opgetrokken tussen mijzelf en al degenen van wie ik houd maar die zo vaak die liefde niet beantwoorden. Het is een muur van angst om me te be­schermen, omdat ik niet opnieuw wil worden misbruikt of ge­kwetst. Het is een muur van trots en van verlangen die me helpt om meester van de situatie te blijven. Toch, telkens wanneer ik erin slaag over die muur heen te stappen of te klimmen, treed ik binnen in het huis van de Vader en daar bereik ik mijn naaste met een ech­te, barmhartige liefde.

Verdriet laat mij over mijn muur heen kijken en maakt mij be­wust van het onmetelijke lijden waarmee de verlorenheid van de mensen gepaard gaat. Verdriet opent mijn hart voor echte solidari­teit met de ander. Vergeving is de weg om over de muur heen te stappen en de ander welkom te heten in mijn hart, zonder daarvoor enige tegenprestatie te verlangen. Alleen wanneer ik mij bewust ben van het feit dat ik in de geliefde Zoon ben, kan ik hen die bij mij aankloppen, welkom heten met het erbarmen waarmee de Vader mij welkom heet.

De derde weg om te worden als de Vader is de weg van de edel­moedigheid. In de gelijkenis. geeft de vader de jongste zoon bij diens vertrek alles wat hij vraagt. Sterker nog, als hij terugkeert, dan overlaadt hij hem met geschenken. En tot zijn oudste zoon zegt hij: 'Al het mijne is van jou.' De vader houdt niets voor zichzelf. Hij geeft alles uit handen ten behoeve van zijn zoons.

Deze vader geeft veel meer dan men in rede kan verwachten van iemand die zo gekrenkt is als hij. Sterker nog, hij geeft zichzelf hele­maal weg, zonder voorbehoud. Beide zonen zijn 'alles' voor hem. In hen wil hij zijn eigen leven uitgieten. Dat wordt duidelijk door de manier waarop hij de jongste zoon welkom heet en hem de mooiste kleren, een ring en schoenen geeft om vervolgens een grandioos feest te laten aanrichten. Ook de manier waarop hij zijn oudste zoon aanmoedigt zijn unieke plaats in het hart van zijn va­der te aanvaarden en zich bij zijn jongste broer aan tafel te voegen, maakt zonneklaar dat hier alle grenzen van de traditionele vader­rol doorbroken zijn. De gelijkenis gaat niet over een schrandere va­der, maar over een vader wiens goedheid, liefde, vergeving, zorg, vreugde en mededogen geen einde kennen. Jezus toont Gods edel­moedigheid in een beeld dat is ontleend aan de voorstellingswe­reld van zijn dagen, een beeld dat hij tegelijkertijd omvormt tot iets nieuws.

Om de vader te worden moet ik edelmoedig zijn als de Vader. Evenals de Vader zichzelf aan zijn kinderen geeft, moet ik mijzelf aan mijn broers en zussen geven. Jezus maakt heel duidelijk dat juist deze zelfovergave het kenmerk van de ware leerling is. 'Niemand heeft grotere liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden.'

Deze zelfovergave is een discipline, want zoiets doe je niet zo­maar, doe je niet vanzelf. Wij leven in een wereld vol duisternis en die duisternis baseert haar macht en overheersing op onze gevoe­lens van angst, eigenbelang, hebzucht en geldingsdrang. Dat zijn onze belangrijkste drijfveren tot overleving en zelfbehoud. Maar als kinderen van het licht weten wij dat de volmaakte liefde alle vrees uitbant. Het is dus mogelijk om alles wat wij hebben, weg te schenken aan de ander.

Als kinderen van het licht zijn wij zelfs bereid om in zekere zin martelaren te worden: mensen die met hun hele leven getuigen van de grenzeloze liefde van God. Alles geven wordt alles winnen. Je­zus brengt deze gedachte duidelijk onder woorden: 'Wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het behouden.'

Telkens wanneer ik een stap in de richting van deze edelmoedig­heid zet, weet ik dat ik op weg ben van de angst naar de liefde. Maar deze stappen zijn, zeker in het begin, zeer moeilijk, omdat er zoveel emoties en gevoelens zijn die mij ervan weerhouden om mij volledig te geven. Waarom zou ik tijd, energie, geld en zelfs aan­dacht besteden aan iemand die mij beledigd heeft?

Waarom zou ik mijn leven delen met iemand die heeft laten zien dat hij geen enkel respect voor mij heeft? Misschien zou ik wel bereid zijn om deze persoon te vergeven, maar is het niet te veel gevraagd dat ik mij bovendien nog aan hem of haar geef?

Toch, degene die mij beledigd heeft, is in geestelijke zin eigenlijk mijn verwante. Hij deelt mijn 'genen'. Het woord 'gen' vinden we terug in generositeit, genialiteit, generatie en generatief. Deze term verwijst naar het feit dat wij allen tot dezelfde soort behoren. Generositeit is een geven dat voortvloeit uit het besef dat er een diepe band bestaat tussen mij en de ander. Echte vrijgevigheid is hande­len volgens de waarheid, en niet volgens het gevoel, dat de per­soon die ik moet vergeven een 'verwante' is; tot mijn familie be­hoort. Telkens wanneer ik zo handel, zal die waarheid steeds zichtbaarder voor mij worden. Edelmoedigheid schept de familie waarin zij gelooft.

Verdriet, vergeving en edelmoedigheid zijn dus de drie wegen waarlangs het beeld van de vader in mij kan groeien. Het zijn drie aspecten van de oproep van de Vader om bij Hem thuis te zijn.

Als vader word ik niet langer geroepen om thuis te komen, zoals de jongste of de oudste zoon, maar om daar te blijven. Om iemand te zijn naar wie andere eigenzinnige kinderen terug kunnen keren; ie­mand die hen met vreugde welkom zal heten. Het is heel moeilijk om thuis te zitten wachten. Dat is een verdrietige zaak: wachten op hen die het huis verlaten hebben, hopende dat ze eenmaal zullen terugkeren om de vergeving en het nieuwe leven, die voor hen klaarliggen, in ontvangst te nemen.

Als de vader moet ik geloven dat in het vaderhuis alle hartenwensen van de mens vervuld kunnen worden. Als de vader moet ik niet langer de behoefte hebben nieuwsgierig rond te zwerven in het verre land, niet langer de gemiste kansen van mijn jeugd willen inhalen. Als de vader moet ik weten dat mijn jeugd definitief voor­bij is en dat het spelen van kinderspelletjes alleen maar een bela­chelijke poging is om de waarheid te verdoezelen, dat ik oud ben en dicht bij de dood sta. Als de vader moet ik de verantwoordelijk­heid van een geestelijk volwassen mens durven dragen. Als de va­der moet ik erop durven vertrouwen dat de ware vreugde en de ware vervulling gelegen zijn in het welkom heten en het liefhebben van hen die op hun levens reis gekwetst en gewond werden, zonder daarvoor iets in ruil terug te verwachten.

Er heerst een verschrikkelijke leegte in dit vaderschap. Geen kracht, geen succes, geen populariteit, geen geestelijke voldoening. Maar diezelfde verschrikkelijke leegte is ook de plek waar een mens 'niets meer te verliezen heeft', waar onvoorwaardelijke lief­de en echte geestelijke kracht gevonden kunnen worden.
Telkens wanneer ik aan die verschrikkelijke en toch zo vruchtba­re leegte in mijzelf raak, weet ik dat ik daar iedereen kan welkom heten zonder te veroordelen. Daar kan ik hoop bieden. Daar ben ik vrij om de last van anderen te aanvaarden zonder enige behoefte om daar een waardeoordeel aan te verbinden, zonder de ander erop vast te pinnen en een bepaald etiket op te plakken.

Daar ben ik vrij van ieder oordeel en kan ik een bevrijdend vertrouwen opbren­gen.

Ik bezocht eens een vriend toen deze op sterven lag. Die dag er­voer ik heel direct deze heilige leegte. In de aanwezigheid van mijn vriend voelde ik geen verlangen om vragen over het verleden te stellen of om te speculeren over de toekomst. We waren alleen maar samen, zonder angst, zonder schuldgevoel of schaamte, zon­der zorgen. In die leegte konden wij Gods onvoorwaardelijke liefde voelen en konden wij zeggen wat de oude Simeon zei toen hij het Christuskind in zijn armen nam: 'Nu laat Gij, Heer, uw dienst­knecht gaan in vrede.' Te midden van die verschrikkelijke leegte was er een volledig vertrouwen, een volmaakte vrede en een volko­men vreugde. De dood was niet langer de vijand. De liefde zege­vierde.

Zodra wij aan die heilige leegte van de niets-vragende liefde ra­ken, beven hemel en aarde en is er 'grote blijdschap bij de engelen van God' . Dit is de vreugde om de zonen en dochters die terugke­ren. Dit is de vreugde van het geestelijk vaderschap.

Het geestelijk vaderschap in praktijk brengen vergt de radicale discipline van het thuisblijven. Ik ben voortdurend geneigd gering van mijzelf te denken, te zoeken naar tekenen van bevestiging en genegenheid. Daardoor is het onmogelijk om consequent lief te hebben zonder er iets voor terug te verlangen. Maar de discipline houdt nu juist in, dat ik er vanaf zie deze zware opdracht zelf te vervullen, als een soort heldendaad. Om aanspraak te kunnen ma­ken op het geestelijk vaderschap en op het daarbij behorende gezag van het mededogen, moet ik de opstandige jongste zoon en de ge­belgde oudste zoon naar voren laten komen om te buigen voor de onvoorwaardelijke, vergevende liefde van de Vader. Ik moet thuis­komen en vervolgens ook thuisblijven bij mijn Vader.

Dan kunnen beide zoons in mij geleidelijk worden omgevormd tot de barmhartige vader. Deze transformatie brengt mij naar de vervulling van het diepste verlangen van mijn rusteloze hart. Wat kan mij meer vreugde schenken dan dat ik mijn vermoeide armen uitstrek en in een zegenend gebaar mijn handen laat rusten op de schouders van mijn kinderen die naar huis komen?
 
 
 
 
 
11. God vergist Zich niet - Roelof Tichelaar.
 
 
 

We komen op aarde uiteenlopende vormen van lijden en chaos tegen, maar dat is wat wij zien. Hierachter schuilt een meesterlijk verlossingsplan: een goddelijk plan dat tot een geestelijke wedergeboorte leidt.  
Roelof Tichelaar ontving langs bovennatuurlijke weg inzicht in dit plan en legt in dit boek de spirituele wortels van het christendom bloot. Hij beschrijft het goddelijk verlossingsplan, dat is doordrenkt met Gods onvoorwaardelijke liefde en ons boven onszelf uittilt. We komen bij een innerlijke schat die al bijna 2000 jaar toegankelijk voor ons is: de verlossing door Jezus Christus, waardoor de geboorte van de heilige Geest in ons mogelijk wordt.  
Wat is de eigenlijke betekenis van de verlossing door Jezus Christus? Hoe kunnen we ons persoonlijk laten leiden door God, zoals dat ook in de Bijbel wordt beschreven? Wat zijn de valkuilen die we op deze weg tegenkomen? Hoe kunnen we omgaan met onze dromen en daar een grote geestelijke rijkdom uit putten? Wat kunnen we van bijna-doodervaringen leren en wat wacht ons na de aardse dood? Deze en vele andere vragen komen aan de orde en worden helder beantwoord.  
‘In Christus heeft God alles vergeven. De verbinding met Hem is genoeg.’  

Roelof Tichelaar is geestelijk hulpverlener, docent weerbaarheid en cognitief/aandacht gericht therapeut. Hij heeft diverse boeken op spiritueel christelijk gebied geschreven en geeft regelmatig lezingen.  

ISBN 978 94 6015 079 1
Uitgeverij: Akasha, Eeserveen
 
 
 
 
 12. De schaduw van de liervogel - Andrés Ibáñez



 

Adenar is een jonge prins, afkomstig van de planeet Glabris, die op een onfortuinlijke dag zijn ziel verliest. Met behulp van tovenaars en feeën construeert hij een ruimtecapsule, waarmee hij naar de planeet Demonia reist. Aldaar blijkt zijn levensverhaal tot in de details bekend te zijn in de vorm van een populaire reeks kinderboeken. Wie is Adenar? Een dromerige gek? Een geniale charlatan? Op zoek naar zijn ziel en zijn identiteit wordt Adenar het boegbeeld van subversieve politieke stromingen, goeroe van geheime genootschappen en uiteindelijk gezagvoerder van het Paleis Turpestis, een ruimte-ark van Noach, gefinancierd door zijn vriend, de kindermiljonair Victor Braunsfeld, waarmee ze samen met een select gezelschap geestverwanten de planeet Ardis hopen te bereiken.

De schaduw van de liervogel is een fascinerende, toverachtige ontdekkingsreis in het rijk der herinnering, lichtvoetig verteld en tegelijk diepzinnig, een wijze roman over het wezen van de macht en de mens.

Filosofie, fantasie en poëzie worden op meesterlijke wijze verweven in deze sprookjesachtige vertelling van de Spaanse schrijver Andrés Ibáñez (1961).  Een intrigerende, toverachtige roman over wat de mens tot mens maakt, geschreven in een gedreven stijl, voor de liefhebbers van Tolkien-achtige romans.  

ISBN 9789074622561
Menken Kasander & Wigman

 

Uittreksels:

uittreksel – p. 22-23

‘Insecten in de lucht?' zei de kat verwonderd. 'Ik zou geen acht slaan op die onzinnige geruchten. Het gaan om verveling, geliefde prins. Verveling is een heel gevaarlijke degeneratieve ziekte. Ik ben er niet bang voor want het is een ziekte die wij katten niet kunnen krijgen, maar geen mensenkind zal bij je in de buurt willen komen.'
'Een degeneratieve ziekte?' vroeg Adenar geschrokken.
'Verveling is een oogziekte,' zei Marrasquino. 'Je denkt wat je ziet al eerder te hebben gezien, dat dat landschap niets nieuws in zich bergt, dat een bloem gelijk is aan alle andere bloemen, dat alle regenachtige dagen identiek zijn. Dat is wat je verveling noemt. Dat is wat je zich vervelen noemt, eerst vervelen je de dingen die je doet, de dingen die je ziet, de dingen die je hoort, de dingen die je zegt. En op de lange duur .. .'
‘Op de lange duur? '
'Op de lange duur begin je jezelf te vervelen.'
'Dat kan niet,' zei Adenar verschrikt.
'Het komt zelden voor in Glabris,' gaf de kat toe, 'maar het is niet onmogelijk. Dat iemand zichzelf verveelt betekent dat wat hij doet, wat hij zegt, wat hij denkt, er niet meer toe doet.'

'Maar dat zijn dingen die je op school leert,' zei Adenar. 'Ik heb altijd de hoogste cijfers behaald voor "Constructie van het Zelf" en "Vervaardiging van de Ziel". Mijn ziel is meer dan eens te zien geweest.'

'Misschien ben je te snel gegaan,' zei de kat. 'Dat iemand zichzelf verveelt betekent dat hij de realiteit begint kwijt te raken.'
'En dan?'
'Dan raak je uit het Eeuwige Ogenblik,' legde Marrasquino uit, 'en ga je de Tijd binnen. Stukje bij beetje verdwijnen de vaardigheden van de verbeelding en de wereld begint te stollen tot een onveranderlijk geheel. In de ernstigste stadia van de ziekte geloven de ellendige lamzaligen dat alleen de dingen die je aan kunt raken bestaan, dat alleen de dingen die je kunt meten bestaan.'
'Maar de tijd kun je niet meten.'
'Zij meten die!' zei de kat. 'Zij meten alles!'

------------------------
citaat - p. 28

'Ik zal je vertellen wat er met mij aan de hand is', zei Adenar. 'Ik heb het gevoel dat ik niet mezelf ben, dat ik ik-weet-niet-wie ben. Het is net alsof ik altijd met een vriend in mijn binnenste heb geleefd, een vriend met wie ik sprak en door wiens ogen ik de dingen zag, en die vriend gestorven is.'

'Het is net alsof ik altijd iets mis. Alsof mijn leven niet echt is. Het is net alsof de echte prins Adenar ergens anders is.'
-------------------------

uittreksel – p. 73-75

Na de rituele begroetingen wees de koning met een uitnodigend gebaar op het tapijt en ze gingen zitten op drie dikke kussens

‘De prins lijdt zonder te weten waarom,' zei de magiër. ‘Maar het probleem is niet zijn geheugen. De prins kan zijn geheugen niet in, dat klopt, maar dat is slechts een symptoom.'

‘Wat is er dan met hem aan de hand?' vroeg de koning.

‘Adenar,' zei de magiër Zondernaam en hij richtte zich tot de prins. 'Ik zal het je zo eenvoudig mogelijk uitleggen, zodat je me begrijpt. Alle menselijke wezens, alle mannen en alle vrouwen van alle werelden, zijn eigenlijk niet één maar twee. We worden met z'n tweeën geboren, maar in de loop van ons leven raakt een van de twee zoek, verlaat ons of, om  het anders te zeggen, we kijken er niet meer naar om ...

Om deze erbarmelijke toestand te verhelpen, werd eeuwen geleden de Geheugenkust uitgevonden. De wijzen uit de oudheid dachten dat een jongetje of een meisje dat de Geheugenkunst beoefent, op zou kunnen groeien zonder te vergeten, en dat de ander ons zodoende niet zou verlaten of, om het anders te zeggen, wij hem niet uit het oog zouden verliezen.'

'Is dit de eenvoudige versie voor kinderen?' klaagde koning Leopold.

'Laat ik het met de woorden van de mythe zeggen,' zei de magiër. 'Als we geboren worden, hebben we een ziel, maar die ziel kan ons verlaten. Op sommige planeten gebeurt dit al op het moment van de geboorte zelf! De ziel maakt zich los van de persoon en gaat heel ver weg, zo ver dat we het gevoel hebben dat de helft van ons ontbreekt. En dat is wat er met jou aan de hand is, Adenar van Yöl, Je bent zonder ziel komen te zitten. Je ziel is ontsnapt uit je geheugen.'

'Absurd!' zei koning Leopold, die zat te lijden en deed wat velen die lijden doen, namelijk met hun lippen loochenen wat hun niet aanstaat om zo te maken dat het niet waar is. 'Onmogelijk! De ziel en het geheugen zijn één en hetzelfde ding.'

'Nee, geliefde koning, dat zijn ze niet. Het geheugen is een constructie. Maar de ziel is iets anders. De ziel leeft, is een levend wezen, en niets wat leeft kan gevangen gehouden worden. De ziel wordt geboren, groeit op en sterft, net als het lichaam. De ziel heeft ook een lichaam, maar dat is veel fijner en het leven in onze lucht en in onze dichtheid valt hem zwaar. Elke nacht maakt de ziel zich los van je lichaam en vliegt terwijl jij slaapt naar de grote planeet Ardis, de planeet van de ziel, en daar voedt hij zich en ontvangt het licht en de muziek van de zijnen. Jij leeft dus overdag en je ziel leeft 's nachts. Overdag voed jij je met beelden en 's nachts voedt je ziel zich met beelden. Zo gaat het in alle werelden, Adenar. Maar als je ziel je verlaat, kun je niet meer in je dromen naar Ardis vliegen.'

'Maar kan dat wel?' vroeg Adenar. 'Kun je zonder ziel leven?

‘Ja natuurlijk kan dat wel,' zei de magiër. 'Het kan. Maar als je geen ziel hebt, leef je maar voor de helft, alles vervaalt en verveling en wrok komen in de plaats van geestdrift en liefde…

Als je zonder ziel leeft, hebben naar jouw idee de dingen geen zin en hangt alles van het toeval af. Als je zonder ziel leeft, vind je het leven zwaar en vervelend en zit je constant te wachten op iets goeds wat nog moet gebeuren, op iets wat nog moet gebeuren, wat dan ook ... ! Jawel, geliefde prins, het is mogelijk om zonder ziel te leven maar het is absoluut geen benijdenswaardig bestaan.'

‘Dus..?' vroeg Adenar.
‘Dus moet je op zoek naar je ziel,' zei de magiër. 'Dat is wat je moet doen.'

 
 
 
 
 

13. Tempeliers - Trilogie - Robyn Young
 
 
 


Over de Trilogie

Van het middeleeuwse Londen en Parijs tot de brandende hitte in de Arabische woestijn beslaat de Trilogie van de Tempeliers de decennia van de laatste kruistochten, de eindjaren van de Orde van de Tempeliers en de ongelofelijke machtsovername van de Mamelukken. De drie boeken behandelen het einde van het christelijke rijk in het Heilige Land, de oorlog tussen Engeland en Schotland onder Edward I en de ondergang van de tempeliers door de hand van de koning van Frankrijk, Philips IV.
 

Deel I – Ridder

Will Campbell is de zoon van een ridder van de Orde van de Tempeliers. Voordat hij zelf toe mag treden tot de Tempel wacht hem een lange en zware beproeving als leerling van de strenge Sir Everard. Terwijl hij probeert te overleven in de harde leerschool van de Tempel wordt Will geconfronteerd met een gevaarlijk mysterie rond Everard, en zijn verboden gevoelens voor Erwen, de onafhankelijke jonge vrouw die hij maar niet uit zijn hoofd kan zetten.

Ondertussen groeit in het Oosten de macht van de voormalige slaaf Baibars. Deze meedogenloze krijger en briljant strateeg is de grootste generaal en leider van zijn tijd en heeft maar één doel. Baibars zal niet rusten tot zijn volk bevrijd is van de Europese bezetters van zijn thuisland.

Deel 2 - Kruistocht

Tegen de achtergrond van de laatste kruistochten leven we mee met de jonge Will Campbell, een ridder van de Orde van de Tempeliers. Daarnaast is hij toegetreden tot een besloten genootschap: de Brethren, die zich hardmaken voor een wapenstilstand tussen de Christenen en de Moslims.

Als koning Edward van Engeland plannen maakt voor een nieuwe kruistocht door het heilige land, kan het toch al kwetsbare bestand in gevaar komen...

Deel 3 – Requiem

Parijs 1295: Will Campbell heeft het Midden-Oosten de rug toegekeerd en zich weer bij de Orde der Tempeliers gevoegd. Maar dan ontdekt hij dat de Orde heeft toegezegd aan de zijde van zijn gezworen vijand, koning Edward van Engeland, ten strijde te zullen trekken tegen zijn geboorteland Schotland. Will begint te twijfelen aan zijn loyaliteit en verplichtingen aan de Orde.

Ondertussen raakt zijn dochter Rose van hem vervreemd naarmate ze zich meer en meer verliest in een gevaarlijke affaire. Will komt voor een moeilijke keuze te staan: bij de Orde blijven en vechten voor een doel waar hij niet in gelooft, of zijn geloften verbreken en zijn eigen weg gaan.

Maar voor Will kans krijgt om te kiezen, zal hij zich moeten voorbereiden op een gevecht tegen een machtigere vijand dan hij ooit tegenover zich heeft gehad - een koning die zich door niets of niemand laat weerhouden om zijn ambities te vervullen...

 
Uittreksel - pagina 507

‘Het oorspronkelijke doel ( van de Anima Templi) was de tempelorde te beschermen tegen degenen die hun macht zouden aanwenden om haar voor het verwezenlijken van hun eigen doelen te gebruiken, en naar vrede te streven om de handel en kennisuitwisseling tussen de volkeren te bevorderen. Het tweede doel, ons ultieme doel, ligt in het verlengde van het eerste. Weet je wat de graal is, William?’

    ‘De graal?’ Will haalde zijn schouders op. ‘De kom waarin het bloed van Christus is opgevangen bij de kruisiging, of de bokaal die gebruikt is bij het Laatste Avondmaal. De verhalen verschillen, afhankelijk van de bronnen.’

    ‘Een kom of bokaal dus?’

    ‘Zo wordt hij beschreven. Maar wat heeft dat te maken met…?’

    ‘In eerdere versies van het verhaal, ja, maar in latere werken is de graal een zwaard, een boek, een steen, een kind zelfs. In mijn boek komt hij in drie verschillende vormen voor: als een gouden kruis, een zilveren kandelaar en een uit lood gegoten halve maan. Welke van die drie vormen is de ware, denk je?’

    Will schudde zijn hoofd. ‘Ik geloof niet in het bestaan van de graal. Ik denk dat het een zinnebeeld is, en geen tastbaar voorwerp.’

    ‘En als in het verhaal nu sprake is van Parsifal die op zoek gaat naar de graal, wat zoekt hij dan precies, als de graal geen voorwerp is?’

    Will haalde zijn schouders op.

    ‘Verlossing! Parsifal zoekt verlossing. De graal, het doel van zijn zoektocht, is geen tastbaar ding. Hij kan niet worden gekocht of verkocht en je kunt hem niet vinden door ernaar op zoek te gaan, maar alleen door je hart open te stellen voor de essentie ervan. De graal bestaat hier.’ Everard raakte zijn borstbeen aan. ‘In het hart. Zij die de graal als een zwaard zien, geloven dat ze verlossing kunnen vinden in de oorlog. Zij die hem als een boek beschouwen, geloven dat hun zoektocht hun wijsheid zal brengen.’

    Will had de priester nog nooit zo gepassioneerd gezien; Everard had verwijde pupillen en een blos op zijn bleke wangen.

    ‘Aan het eind van het inwijdingsritueel wordt de postulant die de rol van Parsifal speelt door een van de Broeders naar een ketel vol brandende olie geleid, die in het verhaal wordt verzinnebeeld door een brandend meer. Hier worden hem drie kostbaarheden overhandigd: de drie gralen. Het kruis bevat de ziel van het christendom, wordt hem gezegd, de halve maan de geest van de islam, en de kandelaar, de menora, de essentie van het joodse geloof. Vervolgens wordt hem gezegd dat die kostbaarheden in de ketel worden gegooid, waar ze zullen smelten en één zullen worden. Als Parsifal dus verlossing wil bereiken, of als de postulant wil worden ingewijd, dan moet hij de drie geloven op rituele wijze met elkaar verzoenen. En als orde moeten wij dat in de werkelijke wereld doen.’

    ‘Lieve hemel!’ Wills mond viel open. ‘Hoe kan dat nu ooit uw doelstelling zijn? U bent een priester! Hoe kunt u, of welke christen dan ook, dit goedkeuren? Dit gaat de ketterijen in het boek verre te boven. Dít is heiligschennis!’

    ‘Je stelt me teleur,’ zei Everard verwijtend. ‘Ik dacht dat jij, eerder dan de meeste anderen, zou begrijpen dat we niet verschillen van de joden of de moslims. Je hebt tenslotte genoeg teksten van hen gelezen.’

    ‘Ik wist wel dat er overeenkomsten bestaan tussen onze volkeren, Everard, maar wat u voorstelt, is een schending van alle grondvesten van onze samenleving! En niet alleen die van ons maar ook van die van hen. Denkt u echt dat moslims of joden geïnteresseerd zullen zijn in verzoening? Dat druist toch in tegen alle wetten van deze religies? Dat kan toch niet? Joden en moslims beschouwen Christus toch als niet meer dan een profeet en ontkennen Zijn goddelijkheid toch? Ik kan me voorstellen hoe hard Baibars zou lachen als hij wist waarnaar u streeft. Hij is een fanaticus.’

    ‘Ja, dat is hij zeker,’ beaamde Everard, ‘maar dat is koning Lodewijk ook.’

    Will was bijna in lachen uitgebarsten. ‘Lodewijk? De vroomste koning die ooit geleefd heeft?’

    Everard sprong op. ‘Vroom voor ons, ja. Voor de moslims is Baibars ongetwijfeld even vroom als Lodewijk voor hen een woeste fanaticus is. Die kringloop van haat zal alleen worden onderbroken als één partij eruit stapt, het geheel overziet en de rest van de wereld weet te overtuigen. Onze drie religies zijn onlosmakelijk verbonden wat geloof, tradities en bakermat betreft. We zijn als broeders, ieder met onze eigen identiteit en persoonlijkheid, maar alle drie afkomstig uit dezelfde baarmoeder en groot geworden in dezelfde wieg.’ Everard spreidde zijn handen. ‘We zijn als broers die ruziemaken om de genegenheid van hun vader.’ Zijn stem klonk zachter nu. ‘Het is zo'n vreemd idee niet, William. Je hoeft alleen de straten van Akko maar door te lopen om te zien dat we heel goed kunnen samenleven als we de kans krijgen. De Anima Templi wil niet dat we ons geloof veranderen om elkaar een genoegen te doen. Waar we wel voorstander van zijn, is een wederzijdse wapenstilstand, waardoor alle kinderen Gods kunnen profiteren van elkaars kennis en ervaring. En hier,’ zei hij, gebarend naar het venster en de slapende stad erachter, ‘zullen we beginnen. Ons Camelot.’

    ‘Ik heb nooit geweten dat u zo'n idealist was.’

    Everard kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Je vader geloofde in die doelstelling. En als we onze droom hadden verwezenlijkt, zou hij misschien nog in leven zijn geweest. Moeten we de ideale oplossing soms negeren, omdat die te goed is om na te streven? Of zijn we bang om ons in te spannen om dat doel te bereiken?’

Bron:    Robyn Young - Tempelierstrilogie - Ridder
 
 
 
 
 
 
 14. Phillippa Gregory - Hannah's gave
 
 
 
 

Als Hannah in Engeland belandt met haar vader, waar ze zich als christenen gedragen om geen aandacht te trekken, zijn de verwikkelingen rondom de troonsopvolging in volle gang. Omdat Hannah’s vader een gerenommeerde religieuze bibliotheek heeft opgezet, krijgen ze bezoek van hooggeplaatste heren aan het hof, onder wie John Dee en de jonge Lord Robert Dudley op wie Hannah prompt verliefd wordt. De twee merken de bovennatuurlijke gave van Hannah op, waarna ze haar als nar aanstellen aan het hof van de ziekelijke Edward VI.

Winter 1553. Achtervolgd door de Inquisitie vlucht Hannah Green, een veertienjarig joods meisje, met haar vader naar Londen. Maar Hannah is geen gewone vluchteling. Ze heeft de gave om de toekomst te voorspellen. Robert Dudley huurt Hannah in en stuurt haar als helderziende naar het hof van de Tudors om prinses Mary te bespioneren. Gevangen tussen de levenslange vijandschap van de rivaliserende dochters van Henry VIII, verscheurd door haar liefde voor Dudley en haar verplichtingen tegenover haar familie, moet Hannah kiezen tussen het veilige leven als burger en de gevaarlijke intriges van de koninklijke familie, die onlosmakelijk zijn verbonden met haar eigen verlangens en wensen.

In een tijd dat een onschuldige vrouw zonder pardon op de brandstapel kan belanden, is het bespioneren van de koningin om de liefde van een verrader te winnen een gevaarlijke onderneming…


Waarom dit boek mij boeide?

1. Een meisje met een 'gave', zoals Hannah blijkt te hebben, vind ik fascinerend.
2. De periode in de geschiedenis - 16de eeuw -  waarin dit boek zich afspeelt: de perikelen die na de dood van Hendrik VIII ontstonden rond de opvolging en de religie in Engeland, is zeer interessant.
3. Het feit dat John Dee een belangrijke rol speelt in dit boek geeft voor mij de doorslag. John Dee intrigeert me mateloos sinds ik 'De engel van het westelijk venster' van Gustav Meyrink heb gelezen.
 

Uittreksel: een ontmoeting tussen John Dee en Hannah

Ik kreeg een nieuwe taak. De leermeester van lord Robert, heer Dee, vroeg me of ik hem wilde voorlezen. Zijn ogen waren moe, zei hij, en mijn vader had hem een paar manuscripten gestuurd die gemakkelijker door jonge ogen ontcijferd konden worden.

  'Ik kan niet zo goed lezen,' zei ik behoedzaam.

  Hij beende voor me uit door een van de zonnige galerijen met uitzicht over de rivier, maar toen ik dat zei, draaide hij zich om en glimlachte.

  'Je bent een heel voorzichtige jongedame,' zei hij. 'En dat is heel verstandig in deze veranderende tijden. Maar bij mij en bij lord Robert ben je veilig. Ik neem aan datje vloeiend Engels en Latijn kunt lezen?'

  Ik knikte.

  'En Spaans natuurlijk. En Frans misschien ook?'

  Ik deed er het zwijgen toe. Het was wel duidelijk dat ik net zo goed Spaans sprak en las als mijn moedertaal, en hij begreep ook wel dat ik tijdens ons verblijf in Parijs wat Frans had opgepikt. Heer Dee kwam wat dichter naar me toe en boog zijn hoofd om me iets in het oor te kunnen fluisteren. 'Lees je ook Grieks? Ik heb iemand nodig die Grieks voor me kan lezen.'

  Als ik ouder en verstandiger was geweest had ik ontkend dat ik Grieks kende. Maar ik was pas veertien en trots op mijn kennis. Mijn moeder had me zelf Grieks en Hebreeuws leren lezen en mijn vader noemde me zijn kleine geleerde, die niet voor een jongen onderdeed.

  'Ja,' zei ik. 'Ik lees Grieks en Hebreeuws.'

  'Hebreeuws?' riep hij uit, en hij was meteen een en al belangstelling.

  'Lieve hemel, kind, wat heb je dan in het Hebreeuws onder ogen gehad?

  Heb je de Thora gezien?'

  Ik wist meteen dat ik beter niets had kunnen zeggen. Als ik 'ja' zei, dat ik inderdaad de wetten en de gebeden van de Joden had gezien, dan zou ik mijn vader en mijzelf zonder enige twijfel kenbaar maken als Joden, en nog wel als praktiserende Joden ook. Ik dacht aan mijn moeder, die me had gezegd dat ik nog eens door mijn ijdelheid in de problemen zou komen. Ik had altijd gedacht dat ze het over mijn voorliefde voor mooie kleren en voor linten in mijn haar had. Nu ik gekleed was als een jongen, in de livrei van een nar, had ik de zonde van de ijdelheid begaan, had ik opgeschept over mijn kennis, en de straf zou onmetelijk zijn.

  'Heer Dee...' fluisterde ik dodelijk geschrokken.

Hij glimlachte naar me. 'Zodra ik je zag dacht ik al dat jullie Spanje waren ontvlucht,' zei hij vriendelijk. 'Ik dacht al dat jullie "conversos" waren. Maar het was niet aan mij om dat te zeggen. En het ligt niet in de aard van lord Robert om iemand te vervolgen vanwege het geloof van zijn vader, en al helemaal niet als het om een geloof gaat dat diegene heeft opgegeven. Je gaat toch naar de kerk, hè? En je houdt je aan de vasten? Je gelooft toch in Jezus Christus en zijn genade?'

  'Jazeker, heer. Onomstotelijk.' Het had geen zin hem te vertellen dat er geen christen zo vroom was als een Jood die onzichtbaar probeerde te zijn.

  Heer Dee zweeg even. 'Persoonlijk hoop ik dat er een tijd komt waarin dergelijke scheidslijnen niet meer bestaan, waarin alleen de waarheid zelf telt. Sommige mensen denken dat God, Allah noch Elohim bestaat..." Toen hij de heilige naam van de enige God uitsprak, slaakte ik een kreetje van verbazing. 'Heer Dee? Behoort u tot het Uitverkoren Volk?'

  Hij schudde zijn hoofd. 'Ik geloof dat er een Schepper is, een grote schepper van de wereld, maar ik weet niet hoe Hij heet. Ik weet hoe Hij door de mens genoemd wordt. Waarom zou je de ene naam boven de andere verkiezen? Ik wil graag Zijn heilige aard kennen, ik wil de hulp van Zijn engelen krijgen, ik wil Zijn werken voortzetten, ik wil goud maken van wat laag is, ik wil het alledaagse heilig maken.' Hij zweeg. 'Zeggen die dingen je iets?'

  Ik trok een neutraal gezicht. In de bibliotheek van mijn vader in Spanje hadden boeken gestaan die gingen over de geheimen van het ontstaan van de wereld, en er was een geleerde gekomen om die te lezen, en een jezuïet die andere geheimen wilde kennen dan alleen die van zijn orde.

  'Alchemie?'vroeg ik heel zacht.

  Hij knikte. 'De Schepper heeft ons een wereld vol mysteriën gegeven,'  zei hij. 'Maar ik denk dat die ons ooit geopenbaard zullen worden. Nu begrijpen we nog maar weinig, en de Kerk van de paus, de Kerk van de koning en de wetten van het land zeggen allemaal dat we er geen vraagtekens bij mogen zetten. Maar ik geloof niet dat de wet van God ons voorschrijft dat we geen vragen mogen stellen. Ik denk dat Hij deze wereld als een grote en prachtige mechanische tuin heeft gemaakt, een tuin die Zijn eigen wetten kent en die volgens Zijn eigen wetten groeit en die we ooit zullen gaan begrijpen. Alchemie - de kunst van verandering - zal ons helpen die te begrijpen, en als we weten hoe dingen tot stand zijn gekomen, kunnen we ze zelf ook maken. We zullen beschikken over de kennis van God, we zullen zelf getranssubstantieerd worden, we zullen engelen worden.,.'

  Hij zweeg abrupt. 'Heeft je vader veel boeken over alchemie? Hij heeft me alleen boeken over religie laten zien. Heeft hij ook publicaties over alchemie in het Hebreeuws? Wil jij me die voorlezen?'

  'Ik ken alleen de boeken die zijn toegestaan,' zei ik behoedzaam. 'Mijn vader heeft geen verboden boeken in zijn bezit.' Zelfs deze vriendelijke man die me zijn eigen geheimen toevertrouwde, kreeg me niet zover dat ik de waarheid sprak. Ik was met de grootst mogelijke geheimhouding grootgebracht en ik zou nooit mijn angstige dubbelhartigheid kwijtraken. 'Ik lees Hebreeuws, maar de Joodse gebeden ken ik niet. Mijn vader en ik zijn goede christenen. En hij heeft me geen boeken over alchemie laten zien, en heeft die ook niet in huis. Ik ben te jong om dat soort boeken te begrijpen. Ik denk niet dat hij zou willen dat ik u Hebreeuws voorlees, heer.'

  'Dan vraag ik het hem wel, en ik weet zeker dat hij zijn toestemming geeft,' zei hij nonchalant. 'Hebreeuws lezen is een geschenk van God, en talenkennis is het teken van een rein hart. Hebreeuws is de taal der engelen, en het is voor ons stervelingen de beste manier om dicht tot God te komen. Wist je dat dan niet?'

  Ik schudde van nee.

  'Maar God heeft natuurlijk vóór de zondeval in de Hof van Eden tot Adam en Eva gesproken, en zij zijn de eerste mensen op aarde geworden,'  ging hij verder, glimmend van enthousiasme. 'Zij moeten Hebreeuws gesproken hebben, zij moeten God in die taal begrepen hebben. Er bestaat een taal die nog hoger staat dan het Hebreeuws, en in die taal spreekt God met hemelse wezens. Die taal hoop ik te ontdekken. De weg daar naartoe moet via het Hebreeuws lopen, via het Grieks en via het Perzisch.' Hij zweeg even. 'Jij spreekt of leest geen Perzisch, hè? Of een andere Arabische taal misschien?'

  'Nee,' zei ik.

  'Dat is niet erg,' antwoordde hij. 'Je komt elke ochtend naar me toe en dan lees je me een uur lang voor. Je zult zien dat we dan enorme vooruitgang boeken.'

  'Als het mag van lord Robert,' zei ik om een slag om de arm te houden. Heer Dee keek me glimlachend aan. 'Jongedame, jij gaat mij helpen om niet minder dan de betekenis van alle dingen te begrijpen. Er bestaat een sleutel tot de kosmos en we staan nog maar aan het begin om daar iets van te begrijpen. Er zijn regels, onveranderbare regels, die de baan van de planeten bepalen, de getijdenstromen van de zee, en de bezigheden van de mensen, en ik weet heel zeker dat al die dingen onderling met elkaar verbonden zijn: de zee, de planeten en de geschiedenis van de mens. Met de zegen van God en met alle kennis die wij aan den dag weten te leggen zullen wij deze wetten ontdekken, en als we ze kennen...' Hij zweeg. 'Dan weten we alles.
 
 

 15. Tsjitske Waanders - De dood en de jongen


 

Dit boek vertelt mijn verlangen en vastberadenheid om weer heel te worden, het zoeken naar een andere, betekenisvolle relatie met mijn overleden zoon en mijn zoektocht naar een zinvolle toekomst.

Bij een ernstig ongeval tijdens zijn werk verliest de zoon van Tsjitske Waanders, een politieman van 27 jaar oud, het leven. Zij beschrijft in dit boek vooral de vier seizoenen daarna, waarin zij zoekt naar woorden voor haar onuitsprekelijk verdriet. Hoe zij ontdekte dat de dood en het leven onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, als twee zijden van eenzelfde medaille. En dat elk leven een zinvol leven is, dat niet door de dood teniet kan worden gedaan. De rauwe confrontatie met de dood bracht haar dichter bij het leven en de zin ervan.

Op een bijzondere wijze weet zij een zinnige relatie te leggen met de cyclus van leven en dood in de natuur, de troostende schoonheid van muziek en de kracht van taal. Zo geeft zij nieuwe betekenis aan de relatie met haar overleden zoon.

'Nee, ik kon hem niet zintuiglijk waarnemen, niet met eigen ogen zien, met eigen oren horen, maar zag in de spiegel van mijn ziel hoe hij, vanuit zijn werkelijkheid meekeek...Ik hoorde zijn innerlijke stem en wist dat onze zielsverwantschap geen lichaam nodig had om nabijheid te kunnen ervaren.'
 
In De dood en de jongen weet de schrijfster een relatie te leggen tussen haar verdriet, de cyclus van leven en dood in de natuur, de troostende schoonheid van muziek en de kracht van taal. Op de bijgevoegde cd staat muziek van onder anderen Bach, Vivaldi, Chopin en Bruch. Woorden en muziek waar kracht en troost van uitgaan.

Tsjitske Waanders is orthopedagoog en publiceerde eerder over ontwikkeling en opvoeding.


Uitgeverij ten Have
ISBN 9789025957438

 
Het voorwoord bij dit bijzondere boek is geschreven door Pim van Lommel

VOORWOORD door Dr. Pim van Lommel


Meestal zijn wij niet dagelijks intensief bezig met de dood. Want een van de laatste grote taboes in de westerse wereld is het denken en spreken over de dood. En waarom zouden wij ons ook willen verdiepen in de dood, in wat dood zou kunnen zijn? Is de angst voor de dood niet de belangrijkste oorzaak hiervan, en ontstaat deze angst niet door onze onwetendheid over wat de dood zou kunnen zijn? Bijna iedereen ‘gelooft’ met een bijna verbazingwekkende zekerheid, dat met de dood alles ophoudt, dat de dood van ons lichaam het einde betekent van onze identiteit, van onze gedachten en van onze herinneringen en dat de dood het einde is van ons bewustzijn. De meeste van ons zullen zich dus niet vaak afvragen of hun ideeën over de dood wel kloppen. Totdat er iets vreselijks gebeurt in je familie of in je naaste vriendenkring.

Het leven van Tsjitske Waanders en haar gezin veranderde compleet door de plotseling dood van haar zoon. Kan men zich eigenlijk wel goed voorstellen hoe ingrijpend zo’n gebeurtenis is voor een moeder? Het is zo voorstelbaar dat de dood van een kind veel indringende vragen oproept. Want al was zij ervan doordrongen dat ‘dit lichaam van haar zoon alle uiterlijke kenmerken van hem had, het leek niet méér dan het omhulsel van iets dat veel essentiëler was’. Centraal kwam voor haar de vraag te staan wat dood eigenlijk is. Is het wel het definitieve einde van alles, of is er sprake van een continuüm, waarin dood, evenals leven, een plaats heeft? Wat betekent deze dood voor mij? En voor diegene die is overleden? Wat is leven? Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe? Zij schrijft in dit indrukwekkende en emotionele boek dat zij na de plotselinge en traumatische dood van haar oudste zoon heeft ontdekt dat de dood en het leven onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, weliswaar te onderscheiden, maar niet te scheiden.

Was zijn dood stom toeval of kon het worden begrepen vanuit een grotere samenhang? Terugkijkend bleek dat haar zoon zich kort voor zijn dodelijke verkeersongeval uitvoerig had bezig gehouden met de dood. Hij had gesproken over het verschil tussen cremeren en begraven. Tot in detail had hij zijn voorkeur uitgesproken voor cremeren. Met zijn beste vriend had hij teruggekeken op zijn leven en gesproken over de zin van zijn leven tot op dit moment, en hij had nergens spijt van gehad. Met zijn broers had hij enkele dagen voor zijn dood gesproken over de mogelijkheid van een leven ná de dood en zij hadden er grapjes over gemaakt. Hij had een paar uur voor zijn overlijden zijn vader gebeld om afscheid te nemen met de woorden: ‘Ik houd van jou, dat weet je.’ En de ochtend voor het ongeluk lag er een kaart in de bus voor zijn moeder, waarin hij terugblikte op zijn jeugd en de innige relatie die hij had met zijn ‘aller, aller, allerliefste moeder’. Zoals Tsjitske zichzelf afvraagt: Zijn dit allemaal toevallige gebeurtenissen geweest? Of is er misschien sprake van een samenhang en betekenis? Hing zijn dood al in de lucht? Was hij, onbewust, bezig geweest zijn leven af te ronden?

De onvermijdelijke vraag ontstaat of een plotselinge dood eigenlijk wel onverwacht komt? En: zou er sprake kunnen zijn van een continuüm tussen leven en dood? Hoe staat het met ons bewustzijn na de dood van ons lichaam? Zouden wij onze ideeën over de dood niet moeten veranderen. Niet alleen op basis van wat er in alle tijden, in alle culturen en in alle religies over is gedacht en geschreven, maar ook op basis van nieuwe medische inzichten, die zijn verkregen door recent wetenschappelijk onderzoek naar bijna-doodervaringen (BDE)? Uit een Nederlandse prospectieve studie bij patiënten die klinisch dood zijn geweest (dat wil zeggen een hartstilstand hebben overleefd door adequate en tijdige reanimatie), blijkt dat er sterke aanwijzingen zijn dat ‘bewustzijn’ onafhankelijk van de uitgevallen hersenfunctie kan worden ervaren. Deze studie werd in 2001 gepubliceerd in de Lancet. Tijdens de periode van bewusteloosheid ten gevolge van de uitval van de bloedsomloop en de ademhaling, en met de tijdelijke uitval van alle functies van hersenschors en hersenstam, kan iemand een verhoogd en verruimd bewustzijn ervaren. Een bewustzijn met behoud van ‘zelf-identiteit’, met helder nadenken, met emoties, met herinneringen vanaf de vroegste jeugd en soms met verifieerbare waarnemingen vanuit een positie buiten of boven het eigen lichaam, zoals het waarnemen van de eigen reanimatie of verdrinking. Indien wetenschappelijk lijkt aangetoond dat bewustzijn onafhankelijk van het lichaam kan worden ervaren, dan is het een logische stap te veronderstellen dat er na de lichamelijke dood nog steeds een bewustzijn aanwezig is, zij het in een andere dimensie, waar tijd en afstand geen rol spelen. Dood zou dan niets anders zijn dan een andere staat van een verhoogd en verruimd bewustzijn dat overal tegelijk aanwezig is, doordat het niet meer aan een lichaam gebonden is. Bewustzijn is blijkbaar niet meer op een bepaalde tijd en plaats te lokaliseren, dat wil zeggen het is ‘non-lokaal’. En na een BDE hebben mensen totaal geen angst meer voor de dood, want zij hebben nu het inzicht dat met de dood niet alles ophoudt. Zij weten uit eigen ervaring dat er sprake is van een persoonlijk voortbestaan: ‘Het ligt buiten mijn domein te discussiëren over iets dat alleen door de dood bewezen kan worden. Voor mijzelf was de ervaring echter doorslaggevend om mij ervan te overtuigen dat bewustzijn ook na het graf blijft bestaan. Dood bleek niet dood te zijn, maar een andere vorm van leven.’

Enkele jaren geleden werd in Duitsland een representatieve en uitgebreide enquête gehouden onder ruim duizend personen door middel van gestandaardiseerde mondelinge interviews.Uit deze steekproef bleek dat 4.3% van de bevolking in de westerse wereld een BDE heeft gehad. Dit zou betekenen dat in Nederland ruim 600.000 mensen een BDE hebben meegemaakt. Toch vertellen niet veel mensen over hun BDE, zelfs niet aan hun arts, omdat bij een poging de BDE met anderen te delen er vaak een negatieve of afwijzende reactie komt (‘dat kan toch nooit’, ‘dat was gewoon een droom’, ‘dat moet een hallucinatie geweest zijn’, ‘dat verzin je maar om interessant te doen’, ‘het zal een bijwerking van de medicijnen zijn geweest’, ‘dat verhaal geloof ik gewoon niet’). Deze eerste reacties uit de naaste omgeving (artsen, verpleging, familie, partner, kinderen, vrienden) en het feit dat iemand zijn BDE zelf ook niet kan verklaren of geloven, hebben tot gevolg dat iemand niet meer durft te praten over zijn BDE uit angst om te worden afgewezen. Dit geldt nog veel sterker voor mensen die een ervaring hebben gehad rondom het sterven (een premortale ervaring) of na het overlijden van een dierbare (een postmortale ervaring). Er is dan ook nauwelijks onderzoek geweest naar deze ervaringen, omdat het zo’n taboe is om zelfs met goede vrienden of familie over deze ervaringen te praten. Hierdoor zijn er dus weinig goede gegevens voorhanden. In de hiervoor genoemde enquête in Duitsland zijn wel systematisch vragen gesteld over premortale ervaringen en hieruit bleek dat 12,6% van de ondervraagden een duidelijk voorgevoel had over het sterfmoment van een dierbare en 3,9% van de ondervraagden maakte een sterfbedvisioen mee tijdens de terminale fase van een dierbare. Door het taboe rondom dit onderwerp wordt er blijkbaar vaak gezwegen over deze ervaringen.

Maar een mogelijk nog groter taboe is het ervaren van contact met een overleden dierbare in de weken, maanden of jaren na het overlijden, soms in de vorm van het voelen van een aanwezigheid, het aangeraakt weten, het ‘zien’ van de overledene, of het ervaren van onverwachte ‘toevallige’ gebeurtenissen waarbij een innerlijke overtuiging bestaat dat dit te maken heeft met de overledene, zij het in een andere dimensie. Deze zogenaamde postmortale ervaring is vaak zo sterk emotioneel gekleurd en gaat zo vaak gepaard met de innerlijke zekerheid dat de ervaring of boodschap afkomstig is van (het bewustzijn van) de overleden dierbare persoon, dat iemand in eerste instantie zelf niet goed kan of durft te accepteren dat deze ervaring werkelijk heeft plaatsgevonden. Het is dan ook tot nu toe niet mogelijk gebleken over postmortale ervaringen een systematisch wetenschappelijk onderzoek te verrichten en er zijn dus geen percentages bekend waarin deze contacten plaatsvinden. Er zijn echter wel veel anekdotische verhalen over bekend, er zijn boeken over geschreven, en er zijn mij persoonlijk in vertrouwelijke gesprekken tientallen van deze ervaringen met een grote terughoudendheid meegedeeld. Tsjitske schrijft in haar boek: ‘Ik wist, zonder te zien, te horen of te tasten, dat mijn kind regelmatig bij me, naast me, was.’ ‘In dit "weten” speelde mijn verstand geen enkele rol. Het was een intuïtief weten.’ Ook wordt vaak de overleden dierbare tijdens de slaap in een ‘droom’ ontmoet, soms zelfs met de mogelijkheid tot communicatie. Maar deze ervaringen zijn volstrekt anders dan een gewone droom, veel helderder, en deze zogenaamde ‘dromen’ worden ook nooit vergeten omdat zij zoveel indruk maken en veel betekenis hebben voor de achtergeblevenen. Iemand zal deze ervaringen alleen met anderen willen delen als hij een groot vertrouwen voelt, als hij weet dat een ander niet direct met (voor)oordelen of met negatief commentaar reageert (‘Het is maar een wensgedachte’, ‘Het is alleen maar je verdriet dat dit veroorzaakt’); en dan nog heel terughoudend, uit angst voor gek te worden verklaard, of niet te worden begrepen.

Het is bijzonder dat Tsjitske door haar openheid niet alleen bereid is haar verdriet en wanhoop met ons te willen delen, alsmede de vele liefdevolle en levendige herinneringen aan haar zoon, maar zij levert ook een grote bijdrage in het doorbreken van het taboe rond de dood. Haar vragen en de antwoorden die zij formuleert stimuleren de lezer zelf na te denken over de dood en over de eventuele continuïteit van het bewustzijn, zoals dat blijkbaar door Tsjitske soms duidelijk kon worden ervaren. Misschien zijn voor de lezer de beschreven ervaringen niet allemaal even overtuigend, maar voor iemand die zo’n ervaring wél heeft meegemaakt, zoals Tsjitske en vele anderen, is er een zekerheid ontstaan dat er een bewustzijn is na de lichamelijke dood. Als iemand zo’n duidelijk contact ervaart met de overleden dierbare, dan krijgt men de zekerheid dat met de dood niet alles ophoudt. Dat de essentie van de mens, zijn bewustzijn, blijft bestaan en dat er na het overlijden van een dierbare zelfs mogelijkheden zijn tot contact. Maar, zoals Tsjitske schrijft: ‘Het gevoel van blijvende verbondenheid en nabijheid betekende niet dat de wanhoop, het verdriet, gemis, heimwee en verlangen er minder om waren.’

Ik heb van zeer nabij mogen meemaken hoe Tsjitske en haar gezin hebben geprobeerd hun verdriet vorm te geven in de intensieve maanden na de crematie. Het was een voorrecht en indrukwekkend om te zien, hoe oprecht en open zij naar elkaar en naar anderen waren in het delen van hun verdriet, maar vooral in hun oprechte poging om tot een vorm van acceptatie te komen met de dramatische dood van hun zoon en broer. Tsjitske vond en vindt inspiratie en rust in de natuur en in muziek en dat heeft haar geholpen om haar verdriet een plaats te geven. Het gaf haar de mogelijkheid om haar verdriet beter te integreren in haar dagelijkse leven, dat uiterlijk zo ‘onverbiddelijk’ leek door te gaan.

Met haar boek heeft zij het mogelijk gemaakt om ook als lezer deelgenoot te worden van haar rouwproces, maar nog meer van haar diepe groei en van de vele inzichten die voortkwamen uit de plotselinge dood van haar zoon. Zij beschrijft het leven en het overlijden van haar zoon vanuit een grote innerlijke liefde. Zij heeft dit intensieve proces van rouw, verdriet en geestelijke groei doorgemaakt en via dit boek deelt zij met ons haar diepste gevoelens. Daarmee heeft het boek niet alleen een grote betekenis voor mensen die een dierbare hebben verloren, het toont ons ook de onbegrensde liefde van een moeder voor haar zoon. Onbegrensd, want over de grenzen van leven en dood Ik ben Tsjitske heel erg dankbaar, dat zij haar gevoelens, ideeën en verkregen inzichten in het eerste jaar na het overlijden van haar zoon met ons heeft willen delen. Ik hoop dat de lezer dit bijzondere boek met een invoelend vermogen, een open geest en zonder vooroordelen tegemoet zal treden.

Pim van Lommel, cardioloog