Sprookjes, Mythen, Sagen en Legenden




 

 01. Vasalisa
Een inwijdingssprookje voor vrouwen.

 
 
 
 

Er was eens, en er was eens niet, een jonge moeder die op sterven lag, haar gezicht bleek als de witte was rozen in de sacristie van de nabijgelegen kerk. Haar jonge dochter en haar man zaten aan het voeteneind van haar oude houten bed en baden dat God haar veilig het hiernamaals zou binnenleiden.

De stervende moeder riep Vasalisa, en het kleine kind met haar rode laars­jes en haar witte schort knielde naast haar moeder neer. 'Hier is een popje voor je, lieveling’, fluisterde de moeder, en vanonder de pluizige deken haalde ze een heel klein popje dat net als Vasalisa rode laarsjes, een wit schortje, een zwart rokje en een vestje helemaal geborduurd met gekleurd garen droeg.

'Hier zijn mijn laatste woorden, liefste’, zei de moeder. 'Mocht je ooit ver­dwalen of hulp nodig hebben, vraag dit popje dan wat je moet doen. Dan zul je geholpen worden. Houd het popje altijd bij je. Vertel niemand over haar. Geef haar te eten als ze honger heeft. Dit is mijn belofte als moeder aan jou, mijn zegen over jou, lieve dochter: Toen de moeder deze woorden gesproken had, daalde haar adem naar het diepst van haar lichaam. Hij nam daar haar ziel op en vloog door haar lippen naar buiten, en de moeder was dood.[1]

Het kind en de vader treurden heel lang. Maar net als het veld dat door de oorlog wreed wordt ondergeploegd, kwam het leven van de vader weer groen uit de voren op, en hij huwde een weduwe met twee dochters. Hoewel de nieu­we stiefmoeder en haar dochters op beleefde toon spraken en altijd glimlach­ten als dames, hadden ze achter hun glimlach iets ratachtigs dat Vasalisa's vader niet bemerkte.

En jawel, toen de drie vrouwen met Vasalisa alleen waren, kwelden ze haar, lieten ze zich door haar bedienen en stuurden ze haar naar buiten om hout te hakken opdat haar mooie huid geschonden zou worden. Ze haatten haar omdat ze een bovennatuurlijke liefelijkheid bezat. Ze was ook heel mooi. Haar bor­sten zwollen terwijl die van hen slonken van nijd. Ze was hulpvaardig en klaag­de niet, terwijl de stiefmoeder en stiefzusters onder elkaar ruzieden als ratten 's nachts op de vuilnishoop.[2]

Op een dag konden de stiefmoeder en stiefzusters Vasalisa gewoon niet meer verdragen. 'Laten... we... zorgen dat het vuur uitgaat, en laten we Vasalisa dan het bos in sturen naar Baba Jaga, de heks, om vuur te vragen voor onze haard. En als ze bij Baba Jaga komt, nou, dan zal oude Baba Jaga haar doden en opvre­ten’. O, ze klapten en piepten allemaal als dingen die in het donker leven.

Dus die avond, toen Vasalisa thuiskwam na hout gesprokkeld te hebben, was het hele huis donker. Ze was heel bezorgd en wendde zich tot haar stiefmoeder. 'Wat is er gebeurd? Waar moeten we nu op koken? Hoe moeten we nu licht in het donker maken?'

De stiefmoeder zei berispend: 'Dom kind. Je ziet toch wel dat we geen vuur hebben. En ik kan het bos niet ingaan want ik ben oud. Mijn dochters kunnen niet gaan want die zijn bang. Dus jij bent de enige die het bos kan ingaan om Baba Jaga te zoeken en een gloeiend stuk kool te halen om ons vuur weer aan te steken.’

Vasalisa antwoordde onschuldig: 'Nou goed dan, ja, dat zal ik doen’,  en dus vertrok ze. Het bos werd steeds donkerder en takken kraakten onder haar voe­ten en verschrikten haar. Ze stak haar hand in de grote diepe zak van haar schort en daar was het popje dat haar stervende moeder haar had gegeven. En Vasali­sa aaide het popje in haar zak en zei: 'Door dit popje alleen maar aan te raken voel ik me al beter, ja.’[3]

En bij iedere tweesprong stak Vasalisa haar hand in haar zak en raadpleegde het popje: 'Nou, moet ik linksaf of rechtsaf gaan?' Het popje gaf te kennen 'Ja' of 'Nee' of 'Deze kant' of 'Die kant’. En Vasalisa gaf het popje onder het lopen een stukje van haar brood en liet zich leiden door wat het popje naar haar idee aangaf.

Plotseling galoppeerde er een man in het wit op een wit paard voorbij, en het werd dag. Even later stapte er een man in het rood op een rood paard voor­bij, en de zon kwam op. Vasalisa liep almaar door en juist toen ze het huisje van Baba Jaga bereikte, kwam er een ruiter in het zwart op een zwart paard aan­draven die regelrecht Baba Jaga's hut binnenreed. Snel werd het avond. De omheining van schedels en beenderen die om de hut stond begon te gloeien van een innerlijk vuur waardoor de open plek in het bos door een spookachtig schijnsel verlicht werd.

Nu was Baba Jaga een heel afschrikwekkend wezen. Ze reisde niet in een wagen, niet in een rijtuig, maar in een ketel in de vorm van een vijzel die hele­maal op eigen kracht vloog. Ze roeide dit voertuig met een roeispaan in de vorm van een stamper en ondertussen wiste ze haar sporen uit met een bezem gemaakt van de haren van mensen die allang dood waren.

Die ketel vloog door de lucht terwijl Baba Jaga's eigen vette haar er wapperend achteraan vloog. Haar lange kin krulde omhoog en haar lange neus krulde omlaag en ze raakten elkaar in het midden. Ze had een klein wit geitensikje en wratten op haar huid omdat ze met padden omging. Haar bruingekleurde vingernagels waren dik en geribbeld als daken, en zo gekruld dat ze geen vuist kon maken.

Nog vreemder was het huis van de Baba Jaga. Het stond boven op twee enor­me, geschubde gele kippenpoten en liep helemaal op eigen kracht en draaide soms om en om als een uitbundige danser. De grendels op de deuren en luiken waren van mensenvingers en mensentenen gemaakt en het slot op de voordeur was een snuit met rijen puntige tanden.

Vasalisa raadpleegde haar popje en vroeg: 'Is dit het huis dat we zoeken?' en het popje antwoordde op haar eigen manier: 'Ja, dit is wat je zoekt.' En voor ze nog een stap kon doen, daalde Baba Jaga in haar ketel tot vlak boven Vasalisa en riep naar haar: 'En wat wil jij?'

Het meisje beefde. 'Grootmoeder, ik kom vuur halen. Het is koud in mijn huis... mijn familie zal sterven... ik heb vuur nodig.'

Baba Jaga snauwde: '0 jaaa, ik ken jou en je familie. Nou, waardeloos kind... je hebt het vuur laten uitgaan. Dat is erg onverstandig. En waarom denk je trou­wens dat ik je de vlam zal geven?'

Vasalisa raadpleegde haar popje en antwoordde vlug: 'Omdat ik het vraag.' Baba Jaga bromde tevreden: 'Je hebt geluk. Dat is het juiste antwoord.'

En Vasalisa voelde zich heel gelukkig dat ze het juiste antwoord had gegeven.[4]

Baba Jaga dreigde: 'Ik kan je onmogelijk vuur geven voordat je werk voor me hebt gedaan. Als je deze taken verricht, zul je het vuur krijgen. En anders...' En toen zag Vasalisa hoe Baba Jaga's ogen opeens in rode sintels veranderden. 'En anders, mijn kind, zul je sterven.'

Zo liep Baba Jaga mopperend het huisje binnen en ging op haar bed liggen. Ze beval Vasalisa haar te brengen wat er in de oven stond te sudderen. In de oven stond genoeg eten voor tien mensen en de Jaga at het allemaal op. Voor Vasalisa liet ze alleen maar een heel klein korstje en een vingerhoedje soep over.

'Was mijn kleren, veeg het erf en het huis, maak mijn eten klaar en scheid de beschimmelde maïs van de goede maïs en zorg dat alles in orde is. Ik kom later terug om je werk te controleren. Als het niet klaar is, zal ik je lekker op­eten.' En daarop vloog Baba Jaga in haar ketel weg, met haar neus als de wind­zak en haar haar als het zeil. En het werd weer avond.

Vasalisa wendde zich tot haar popje zodra de Jaga weg was. 'Wat moet ik doen? Kan ik deze taken op tijd afmaken?' Het popje verzekerde haar dat ze het kon, en zei dat ze maar wat moest eten en daarna gaan slapen. Vasalisa gaf het popje ook wat te eten en toen viel ze in slaap.[5]

's Morgens had het popje al het werk gedaan. Het enige dat nog gebeuren moest was eten koken. 's Avonds kwam de Jaga terug en zag dat niets ongedaan was gelaten. In zekere zin verheugd, maar ook niet verheugd omdat ze niets verkeerds kon ontdekken, zei Baba Jaga grijnzend: 'Je hebt geluk gehad’. Toen riep ze haar trouwe bedienden om de maïs te malen en er verschenen drie paar handen in de lucht die de maïs begonnen te raspen en te vermalen. Het kaf vloog door het huis als gouden sneeuw. Eindelijk was het klaar en Baba Jaga ging zitten om te eten. Ze at urenlang en beval Vasalisa de volgende dag het huis weer schoon te maken, het erf te vegen en haar kleren te wassen.

De Jaga wees naar een grote berg aarde op het erf. 'In die hoop aarde zitten vele maanzaadjes, miljoenen maanzaadjes. Ik wil 's morgens één stapel maan­zaadjes en één stapel aarde hebben, allemaal van elkaar gescheiden. Heb je dat begrepen?'

Vasalisa bezwijmde bijna. '0 lieve help, hoe moet ik dat nu doen?' Ze stak haar hand in haar zak en het popje fluisterde: 'Maak je niet ongerust, ik zal er wel voor zorgen: Die nacht viel Baba Jaga snurkend in slaap en Vasalisa pro­beerde... de... maanzaadjes... uit... de... aarde... te peuteren. Na een poosje zei het popje tegen haar: 'Ga nu slapen. Alles zal goed komen.’ [6]

Opnieuw voltooide het popje de taken, en toen de oude vrouw thuiskwam was alles klaar. Baba Jaga sprak sarcastisch door haar neus: 'Zó! Je boft dat je die dingen hebt kunnen doen: Ze riep haar trouwe bedienden om de olie uit de maanzaadjes te persen en weer verschenen er drie paar handen die deden wat ze vroeg.

Terwijl de Jaga haar lippen vol smeerde met het vet uit haar soep, stond Vasa­lisa niet ver van haar. 'Nou, waar sta jij naar te kijken?' zei Baba Jaga snibbig.

'Mag ik u een paar vragen stellen, grootmoeder?' vroeg Vasalisa.[7]

'Vraag,' beval de Jaga, 'maar bedenk wel dat te veel kennis een mens te vroeg oud kan maken.’

Vasalisa vroeg naar de witte man op een wit paard.

'Aha,' zei de Jaga teder, 'die eerste is mijn Dag’.

'En de rode man op het rode paard?'

'Ah, dat is mijn Opgaande Zon:

'En de zwarte man op het zwarte paard?'

'Ah ja, dat is de derde en hij is mijn Nacht:

'Ik begrijp het,' zei Vasalisa.

'Kom, kom kind. Zou je niet nog een paar vragen willen stellen?' vroeg de Jaga vleiend.

Vasalisa stond op het punt iets te vragen over de handen die verschenen en weer verdwenen, maar het popje begon in haar zak op en neer te springen, en dus zei Vasalisa: 'Nee, grootmoeder. Zoals u zelf zegt, door te veel te weten kun je te vroeg oud worden.'
 
'Ah’,  zei de Jaga, terwijl ze haar hoofd schuin hield als een vogel, 'je bent wij­zer dan je jaren, meisje. En hoe ben je zo geworden?'

'Door de zegen van mijn moeder: glimlachte Vasalisa.

'Zegen?!' krijste Baba Jaga. 'Zegen?! We hebben in dit huis geen zegen nodig.

Je kunt maar beter vertrekken, dochter.' Ze duwde Vasalisa naar buiten.

'Weet je wat, kind. Hier!' Baba Jaga pakte een schedel met gloeiende ogen van haar omheining en stak hem op een stok. 'Hier! Neem deze schedel op een stok mee naar huis. Alsjeblieft! Daar heb je je vuur. Zeg niets meer. Ga nu maar.'[8]

Vasalisa begon de Jaga te bedanken, maar het popje in haar zak begon op en neer te springen, en Vasalisa besefte dat ze het vuur gewoon moest aannemen en weggaan. Ze rende naar huis door het donkere bos en volgde de bochten en wendingen in de weg, terwijl het popje haar vertelde welke kant ze op moest. Vasalisa liep door het bos met de schedel op een stok; het vuur scheen fel uit de holten van de oren, ogen, neus en mond van de schedel. Opeens werd ze bang voor het spookachtige licht en ze dacht erover hem weg te gooien, maar de sche­del sprak tegen haar en maande haar kalm te blijven en haar weg te vervolgen naar het huis van haar stiefmoeder en stiefzusters. En dat deed ze.

Terwijl Vasalisa dichter en dichter bij haar huis kwam, keken haar stief­moeder en stiefzusters uit het raam en zagen een vreemd schijnsel door het bos dansen. Het kwam steeds dichterbij. Ze hadden geen idee wat het kon zijn. Ze waren tot de conclusie gekomen dat Vasalisa's lange afwezigheid betekende dat ze dood was en dat haar beenderen door de beesten waren weggesleept, en opgeruimd stond netjes.

Vasalisa kwam al dichter bij het huis. En toen de stiefmoeder en stiefzusters zagen dat zij het was, renden ze naar haar toe en zeiden dat ze zonder vuur had­den gezeten sinds ze vertrokken was. Het was steeds uitgegaan, hoe ze ook hun best hadden gedaan het vuur aan te maken.

Vasalisa ging met een triomfantelijk gevoel het huis binnen, want ze had haar gevaarlijke reis overleefd en vuur meegebracht voor haar huis. Maar de schedel op de stok hield de stiefmoeder en de stiefzusters nauwlettend in het oog en verbrandde hen, en 's morgens was er van het boze drietal alleen maar een hoopje as over.[9]

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Alsjeblieft, een abrupt einde om de mensen het sprookje uit en weer de werke­lijkheid in te schoppen! Er zijn veel van dit soort einden in sprookjes. Ze zijn het equivalent van "Boe!" roepen om de toehoorders terug te laten keren tot de werkelijkheid van alledag.

Vasalisa is een verhaal over het doorgeven van de zegen over het vrouwelij­ke intuïtievermogen, van moeder op dochter, van de ene generatie op de ande­re. Dit grote vermogen, intuïtie, bestaat uit het bliksemsnel innerlijk zien, innerlijk horen, innerlijk voelen en innerlijk weten.

Deze intuïtieve vermogens zijn in de loop van vele generaties in vrouwen bedolven geraakt, als onderaardse rivieren, doordat ze ten onrechte een slech­te naam hadden en niet meer gebruikt werden. Jung heeft echter eens gezegd dat niets in de psyche ooit verloren gaat. Ik denk dat we erop kunnen vertrou­wen dat dingen die in de psyche verloren zijn, daar nog allemaal aanwezig zijn. Dus ook deze bron van vrouwelijke instinctieve intuïtie is nooit verloren gegaan, en wat bedolven is kan weer uitgegraven worden.

Om een dergelijk sprookje echt te kunnen begrijpen, gaan we ervan uit dat alle componenten karakteriseringen van de psyche van een enkele vrouw sym­boliseren. Dus alle aspecten van het verhaal behoren en verhelderen een indi­viduele psyche die een inwijdingsproces ondergaat. De inwijding wordt uitge­voerd door het volbrengen van bepaalde taken. In dit sprookje zijn er negen taken die de psyche moet volbrengen. Ze concentreren zich op het iets leren van de gebruiken van de oude wilde moeder.

Door het volbrengen van deze taken wordt de vrouwelijke intuïtie - dat wij­ze wezen dat gaat waar vrouwen gaan, dat alle dingen in hun leven beschouwt en prompt en nauwkeurig op de waarheid van dat alles commentaar levert ­opnieuw in de vrouwelijke psyche in werking gesteld. Het doel is een liefdevol­le relatie te ontwikkelen gebaseerd op vertrouwen met dit wezen dat we 'de wij­ze vrouw', de essentie van het archetype van de Ontembare Vrouw, zijn gaan noemen.

In de rite van de oude wilde vrouwelijke godin, Baba Jaga, zijn er negen inwijdingstaken (zie noten)

Bron: De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen - Clarissa Pinkola Estés 

 Noten

[1]De eerste taak - De te goede moeder laten sterven

                In het begin van het sprookje ligt de moeder op sterven en laat ze aan haar dochter een belangrijke erfenis na. De psychische taken van dit stadium in het leven van een vrouw zijn de vol­gende: Accepteren dat de altijd waakzame, zorgzame, beschermende psychische moeder niet geschikt is als de belangrijkste leidsvrouwe voor je toekomstige instinc­tieve leven (de te goede moeder sterft). De taak aanvaarden van het alleen zijn, het ontwikkelen van je eigen bewustzijn betreffende gevaar, intriges, gekonkel. Zelf, en omwille van jezelf, oplettend worden. Laten sterven wat moet sterven. Terwijl de te goede moeder sterft, wordt de nieuwe vrouw geboren.

[2]De tweede taak - De primitieve schaduw aan het licht brengen

                In dit deel van het sprookje stapt de boze, verdorven stieffamilie Vasalisa's wereld binnen en begint deze haar het leven te vergallen. De taken van deze periode zijn: Nog bewuster leren om de al te positieve moeder los te laten. Ont­dekken dat goed zijn, lief zijn, aardig zijn het leven niet heerlijk maakt. (Vasalisa wordt een slavin, maar het baat haar niet.) Je eigen schaduwnatuur rechtstreeks ervaren, met name de afwijzende, jaloerse en uitbuitende aspecten van jezelf (de stiefmoeder en stiefzusters). Deze ondubbelzinnig erkennen. Een zo goed mogelij­ke relatie tot stand brengen met de slechtste delen van je Zelf. De spanning laten toenemen tussen wie men je geleerd heeft te zijn en wie je eigenlijk bent. Er uit­eindelijk naar toewerken om het oude Zelf te laten sterven en het nieuwe intuïtieve Zelf geboren te laten worden.

[3]De derde taak - Navigeren in het donker

                In dit deel van het sprookje leidt de erfenis van de moeder - het popje - Vasa­lisa door de duisternis naar het huis van Baba Jaga. Dit zijn de psychische taken van deze periode: Bereid zijn je in het oord van de diepe inwijding te wagen (het bos ingaan) en de nieuwe, als bedreigend ervaren kracht te voelen van het kunnen beschikken over je intuïtieve vermogen. Gevoelig leren worden voor de richting die naar het geheimzinnige onderbewuste leidt en je helemaal verlaten op je innerlij­ke gevoelens. De weg terug leren vinden naar de wilde moeder (de aanwijzingen van het popje volgen). Je intuïtie leren voeden (het popje voeren). Het kwetsbare, onwetende meisje nog meer laten afsterven. De macht naar het popje, dat wil zeggen naar de intuïtie verleggen.

[4]De vierde taak - De wilde feeks onder ogen zien

                In dit deel van het sprookje ontmoet Vasalisa de wilde feeks. De taken van deze ontmoeting zijn: Zonder beven het gezicht van de afschrikwekkende wilde godin kunnen verdragen; dat wil zeggen het imago van de Wrede Moeder (een ontmoe­ting hebben met de Baba Jaga). Je vertrouwd maken met het geheimzinnige, het vreemde, het 'anders zijn' van het wilde (een poosje in het huis van Baba Jaga ver­blijven). Enkele van haar waarden overnemen in ons eigen leven, en aldus zelf op een goede manier een beetje vreemd worden (haar voedsel eten). De grote macht onder ogen leren zien - die van anderen, en vervolgens onze eigen macht. Het kwetsbare en te lieve kind nog verder laten afsterven.

[5]De vijfde taak - Het niet-rationele dienen

                In dit deel van het sprookje heeft Vasalisa Baba Jaga om vuur gevraagd, en de Jaga is bereid het haar te geven, maar alleen als Vasalisa in ruil daarvoor enke­le huishoudelijke karweitjes verricht. De psychische taken van deze leerperio­de zijn: Bij de feeks blijven; je wennen aan de grote wilde vermogens van de vrou­welijke psyche. Haar (jouw) kracht en de krachten van innerlijke louteringen beginnen te herkennen; reinigen, sorteren, voeden, energie en ideeën ontwikkelen (de kleren van de Jaga wassen, voor haar koken, haar huis schoonmaken en de bestanddelen scheiden).

[6]De zesde taak - Het een van het ander scheiden

                In dit deel van het sprookje draagt Baba Jaga Vasalisa twee bijzonder moeilijke taken op. De psychische taken van een vrouw zijn de volgende: Een scherp onderscheid leren maken, de ene zaak van de andere met het scherpste inzicht leren scheiden; scherp leren oordelen (de beschimmelde maïs van de goede maïs schei­den, en de maanzaadjes verwijderen uit een berg aarde); de macht en de werk­wijze van het onderbewuste gadeslaan, zelfs wanneer het ego zich niet bewust is van wat er gebeurt (de paren handen die in de lucht verschijnen); meer leren over het leven (maïs) en de dood (maanzaadjes). Vasalisa krijgt het verzoek vier substanties te scheiden, beschimmelde maïs van gave maïs en maanzaadjes van aarde.

[7]De zevende taak - Naar de mysteries vragen

                Na de succesvolle voltooiing van haar taken, stelt Vasalisa de Jaga enkele goede vragen. De taken van deze periode zijn: Vragen stellen en meer te weten probe­ren te komen over het principe van Leven/Dood/Leven en hoe dit werkt (Vasalisa vraagt naar de ruiters). De waarheid leren over het in staat zijn alle elementen van de wilde natuur te begrijpen ('door te veel te weten kun je te vroeg oud worden'). 

[8]De achtste taak - Stevig op je benen staan

Baba Jaga wordt met afschuw vervuld door Vasalisa's zegen van haar dode moe­der, en ze geeft Vasalisa licht - een gloeiende schedel op een stok - en zegt dat ze weg moet gaan. De taken van dit deel van het verhaal zijn de volgende: Een reusachtig vermogen krijgen om anderen te zien en te beïnvloeden (het ontvangen van de schedel). Je levensomstandigheden in dit nieuwe licht beschouwen (de weg terugvinden naar de oude stieffamilie).

[9]De negende taak - De schaduw veranderen

                Vasalisa loopt naar huis met de gloeiende schedel op de stok. Ze gooit hem bij­na weg, maar de schedel stelt haar gerust. Eenmaal thuis slaat de schedel de stiefmoeder en stiefzusters gade en verbrandt hen tot er niets dan as van hen over is. Vasalisa leeft nog lang en gelukkig.

Dit zijn de psychische taken van deze periode: Scherp zien (de gloeiende ogen) om de negatieve schaduw van je eigen psyche en/of de negatieve aspecten van personen en gebeurtenissen in de buitenwereld te herkennen en daarop te reageren. De negatieve schaduwen in je psyche veranderen met feeksenvuur (de boze stieffamilie die Vasalisa kwelde wordt tot een hoopje sintels verbrand).
 
 
 
 
 02. Het lelijke jonge eendje.


Het  belangrijkste aspect van het verhaal is, dat wanneer het bijzonde­re zielenleven van een individu, dat zowel een instinctieve als geestelijke identi­teit vormt, omgeven wordt door psychische erkenning en acceptatie, deze per­soon als nooit tevoren kracht en levenslust ervaart. Het vinden van de eigen psychische familie geeft een mens levenskracht en het gevoel ergens bij te horen.


Het was bijna oogsttijd. De oude vrouwen maakten groene popjes van maïs­bladen. De oude mannen verstelden de dekens. De meisjes borduurden op hun witte jurken bloedrode bloemen. De jongens zongen terwijl ze het gouden hooi opstaken. De vrouwen breiden kriebelige hemden voor de komende winter. De mannen hielpen de gewassen die de velden hadden voortgebracht plukken en oogsten en maaien en schoffelen. De wind begon net de bladeren wat losser en iedere dag nog wat losser te maken. En bij de rivier zat een moedereend op haar nest met eieren te broeden.

Alles verliep naar behoren voor deze moedereend en ten slotte begonnen haar eieren een voor een te trillen en schudden totdat de schalen braken en al haar nieuwe eendjes naar buiten kwamen gewankeld. Maar er was één ei over, een heel groot ei. Het lag daar maar als een steen.

Er kwam een oude eend voorbij en de eendenmoeder toonde vol trots haar nieuwe kinderen. 'Zijn ze niet mooi?' pochte ze. Maar het ei dat niet uitgeko­men was trok de aandacht van de oude eend en ze probeerde de eendenmoeder ervan af te brengen nog langer op dat ei te zitten.

'Het is een kalkoenen ei: riep de oude eend, 'helemaal het verkeerde soort ei. Een kalkoen kun je niet in het water krijgen, weet je.' Dat wist ze, want ze had het geprobeerd.

Maar de eendenmoeder vond dat ze al zo lang op het ei had gezeten dat het geen kwaad kon om er nog een poosje op te zitten. 'Daar maak ik me geen zor­gen over: zei ze, 'maar wist je dat die ellendige vader van deze eendjes me niet één keer is komen opzoeken?'

Maar ten langen leste begon het grote ei te trillen en te rollen. Het brak ein­delijk open en daar kwam een groot, lomp schepsel naar buiten getuimeld. Zijn vel was doorgroefd met kronkelige rood-met-blauwe aders. Zijn poten waren paarsblauw. Zijn ogen doorschijnend roze.

De eendenmoeder hield haar kop schuin, rekte haar hals uit en tuurde naar hem. Ze kon er niets aan doen: ze vond hem lelijk. Misschien is het toch een kalkoen, dacht ze bezorgd. Maar toen het lelijke jonge eendje met het andere kroost in het water sprong, zag de eendenmoeder dat het recht en goed zwom. 'Ja, het is er een van mij, ook al ziet hij er eigenaardig uit. Maar in het juiste licht is hij eigenlijk... haast knap.'

Dus toonde ze hem aan de andere dieren op het boerenerf, maar voor ze het wist schoot er een andere eend over het erf die het lelijke jonge eendje pardoes in zijn nek beet. De eendenmoeder riep: 'Stop!' maar de bullenbijter sputterde tegen: 'Nou ja, hij ziet er zo lelijk uit, hij moet op zijn kop gezeten worden.
 

En de eendenkoningin met de rode lap om haar poot zei: '0, weer een nest vol! Alsof we al niet genoeg monden te vullen hebben. En die daar, die grote lelijkerd, die was vast een vergissing.'

'Hij is geen vergissing: zei de eendenmoeder. 'Hij wordt heel sterk. Hij heeft gewoon te lang in het ei gezeten en is nog een beetje misvormd. Maar dat trekt heus wel bij, let maar op.' Ze streek de veren van het lelijke jonge eendje glad en likte zijn kuif.

Maar de andere deden hun uiterste best om het lelijke jonge eendje te kwel­len. Ze vlogen hem aan, beten hem, pikten hem, sisten en krijsten tegen hem. En hun geplaag werd erger naarmate de tijd verstreek. Hij verstopte zich, sprong opzij, zigzagde naar links en rechts, maar ontsnappen kon hij niet. Het eendje voelde zich zo ellendig als een dier zich maar kon voelen.

Eerst kwam zijn moeder nog voor hem op, maar toen werd zelfs zij het hele gedoe beu, en van ergernis riep ze uit: 'Ik wou maar dat je wegging!' En dus liep het lelijke jonge eendje weg. Met haast al zijn veren uitgetrokken en helemaal verfomfaaid, liep en liep hij tot hij bij een moeras kwam. Daar ging hij met uit­gestrekte hals aan de waterkant liggen en nam zo nu en dan een slokje water.

Twee ganzen sloegen hem vanuit de biezen gade. Ze waren jong en erg met zichzelf ingenomen. 'Zeg eens, lelijk beest’, zeiden ze grinnikend, 'wil je met ons mee naar het gebied hierachter? Daar zit een troep ongetrouwde ganzen waar je zó uit kunt kiezen.'

Opeens klonken er schoten en de ganzen vielen met een plof neer en het moeraswater kleurde rood van hun bloed. Het lelijke jonge eendje zocht vlug dekking. Overal om hem heen waren er schoten en rook en blaffende honden.

Eindelijk werd het weer stil in het moeras en het eendje rende en vloog zo ver weg als hij kon. Tegen de avond bereikte hij een armoedige hut; de deur hing bijna helemaal los en er waren meer scheuren dan muren. Hier woonde een in lompen gehulde oude vrouw met haar ongekamde kat en haar schele kip. De kat verdiende bij de oude vrouw zijn kostje met muizen vangen. De kip verdiende haar kostje met eieren leggen.

De oude vrouw was verheugd dat ze een eendje had gevonden. Misschien legt het wel eieren, dacht ze, en anders kan ik het slachten en opeten. Dus bleef de eend er wonen, maar hij werd gekweld door de kat en de kip, die hem vroe­gen: 'Waar deug je voor als je geen eieren kunt leggen of muizen vangen?'

'Het liefst: verzuchtte het eendje, 'ben ik maar "onder", of het nu onder de grote blauwe hemel of onder het koele blauwe water is.' De kat begreep niet wat het voor zin had om onder water te zijn en hekelde het eendje om zijn dwaze dromen. De kip begreep niet wat het voor zin had om je veren nat te maken, en zij lachte het eendje ook uit. Het was ten slotte duidelijk dat het eendje ook hier geen rust zou vinden, dus vertrok hij om te zien of de dingen verderop beter zouden zijn.

Hij kwam bij een vijver en terwijl hij daar rond zwom werd het al kouder. Een vlucht vogels vloog hoog in de lucht, de mooiste die hij ooit had gezien. Ze riepen naar hem en bij het horen van die geluiden sprong zijn hart op van vreugde en brak het tegelijkertijd van verdriet. Hij antwoordde met een geluid dat hij nog nooit gemaakt had. Hij had nooit mooiere dieren gezien en hij had zich nooit eenzamer gevoeld.

Hij keerde zich om en om in het water om ze gade te slaan tot ze uit het zicht verdwenen waren, daarna dook hij naar de bodem van het meer en kroop daar trillend in elkaar. Hij was helemaal van streek, want hij voelde een wanhopige liefde voor die grote witte vogels, een liefde die hij niet kon begrijpen.

Een koudere wind begon te waaien. Hij woei iedere dag harder, en sneeuw volgde na de vorst. De oude mannen braken het ijs in de melkemmers, en de oude vrouwen sponnen tot diep in de nacht. De moeders gaven bij kaarslicht drie monden tegelijk te eten en de mannen zochten bij middernacht onder een witte hemel naar de schapen. De jonge mannen waadden tot aan hun middel door de sneeuw om te gaan melken en de meisjes verbeeldden zich dat ze onder het koken de gezichten van knappe jonge mannen in de vlammen van het vuur zagen~ En in de vijver niet ver weg moest het eendje steeds sneller in kringetjes zwemmen om een wak voor zichzelf in het ijs open te houden.

Op een morgen ontdekte het eendje dat hij vastgevroren zat in het ijs en hij besefte toen dat hij zou sterven. Twee wilde eenden vlogen omlaag en streken glijdend op het ijs neer. Ze bekeken de eend. 'Je bent lelijk: snauwden ze. 'Pech gehad, droevig is dat. Een beest als jij kan niemand helpen.' En weg vlogen ze.

Gelukkig kwam er een boer voorbij die het eendje bevrijdde door het ijs met zijn stok te breken. Hij tilde het eendje op en stopte hem onder zijn jas en stap­te naar huis. In het huis van de boer probeerden de kinderen het eendje te pak­ken, maar hij was bang. Hij vloog naar de zoldering, waardoor al het stof in de boter viel. Vandaar dook hij recht in de melkkan, en toen hij helemaal nat en draaierig uit de kan krabbelde, duikelde hij in de meelton. De boerin zat hem achterna met haar bezem, en de kinderen gilden het uit van het lachen.

Het eendje fladderde door het kattenluikje en lag, eindelijk buiten, halfdood in de sneeuw. Vandaar ging hij strompelend verder tot hij bij een andere vijver, toen een ander huis, een andere vijver en weer een ander huis kwam, en de hele winter bracht hij zo door, zwevend tussen leven en dood.

Maar ondanks alles kwam de zachte adem van de lente weer, en de oude vrouwen schudden hun veren bedden uit, en de oude mannen borgen hun lan­ge ondergoed op. Nieuwe baby's werden 's nachts geboren, terwijl vaders onder een met sterren bezaaide hemel over het erf heen en weer liepen. Overdag sta­ken de jonge meisjes paardenbloemen in hun haar en gluurden jonge mannen naar meisjesenkels. En in een vijver niet ver weg werd het water warmer en het lelijke jonge eendje dat daar dreef sloeg zijn vleugels uit.

Wat waren zijn vleugels sterk en groot! Ze tilden hem tot hoog boven het land. Vanuit de lucht zag hij de boomgaarden in hun witte kleed, de boeren die aan het ploegen waren, de jongen uit de hele natuur die uit het ei kropen, tui­melden, zoemden en zwommen. In de vijver zwommen ook kalm drie zwanen, dezelfde prachtige dieren die hij de vorige herfst had gezien en die hem zo'n innig verdriet hadden bezorgd. Hij voelde een sterk verlangen om zich bij hen te voegen.

Wat als ze net doen alsof ze me aardig vinden en dan juist als ik bij hen kom lachend wegvliegen? dacht het eendje. Maar hij zweefde naar beneden en streek, met bonzend hart, op de vijver neer.

Zodra ze hem zagen begonnen de zwanen naar hem toe te zwemmen. Mijn einde is ongetwijfeld nabij, dacht het eendje, maar als ik dan toch gedood moet worden, dan liever door deze prachtige dieren dan door jagers, boerinnen of lange winters. En hij boog zijn kop om de slagen af te wachten.

Nee maar! In de weerspiegeling in het water zag hij een zwaan in vol ornaat: met sneeuwwit verenkleed, donkere ogen en alles. Het lelijke jonge eendje her­kende zichzelf eerst niet, want hij zag er precies als de prachtige vreemdelingen uit, precies als de dieren die hij van ver had bewonderd. En het bleek dat hij toch een van hen was. Zijn ei was per ongeluk bij een eendenfamilie terechtge­komen. Hij was een zwaan, een schitterende zwaan. En voor het eerst kwam zijn eigen soort dicht bij hem en raakte zij hem zachtjes en liefdevol met het puntje van hun vleugels aan. Ze streken met hun snavel zijn veren glad en zwommen almaar rondjes om hem heen om hem te begroeten.

En de kinderen die de zwanen stukjes brood kwamen voeren, riepen: 'Er is een nieuwe!' En zoals kinderen overal doen, renden ze weg om het aan ieder­een te vertellen. En de oude vrouwen kwamen naar het water en maakten hun lange zilveren haren los. En de jonge mannen schepten het donkergroene water met hun handen op en spatten de jonge meisjes ermee nat die bloosden als rozenblaadjes. De mannen lieten het melken rusten om gewoon maar de lucht op te snuiven. De vrouwen lieten hun verstelwerk rusten om gewoon maar met hun man te lachen. En de oude mannen vertelden verhalen over de oorlog die te lang is en het leven dat te kort is
 
En een voor een dansten ze allemaal weg, weggeroepen door het leven en de hartstocht en de voorbijgaande tijd; de jonge mannen en de jonge meisjes dans­ten allemaal weg. En de ouden, de mannen, de vrouwen, ze dansten allemaal weg. De kinderen en de zwanen dansten allemaal weg... alleen ons achterla­tend... en de lente... en bij de vijver... weer een moedereend, nestelend op haar eieren.

 
 
 
03. Het kostuum  

 

Een man kwam bij een kleermaker, en paste een kostuum. Toen hij voor de spiegel stond zag hij dat het vest onderaan een beetje ongelijk was.

                'O’, zei de kleermaker, 'maak je daar maar geen zorgen over. Je trekt dat kor­tere stuk gewoon omlaag met je linkerhand en geen mens die er wat van ziet.'

                Terwijl de klant dit deed, merkte hij dat een van de revers van het jasje omkrulde in plaats van plat te liggen.

                'O dat?' zei de kleermaker. 'Dat is niets. Je draait je hoofd gewoon een beet­ je en houdt hem omlaag met je kin.'

                De klant gehoorzaamde en terwijl hij dat deed zag hij dat het bovenstuk van de broek wat te kort was en voelde hij dat deze een beetje strak in het kruis zat.

                'O, maak je daar maar geen zorgen over’, zei de kleermaker. 'Je trekt het kruis gewoon omlaag met je rechterhand en alles is in orde.'  De klant ging ermee akkoord en kocht het kostuum.

                De volgende dag droeg hij zijn nieuwe kostuum met alle ermee gepaard gaande 'veranderingen' van handen en kin. Terwijl hij door het park hinkte met zijn kin op zijn revers om deze omlaag te houden, een hand trekkend aan het vest en de andere in zijn kruis, staakten twee mannen hun damspel en keken toe hoe hij strompelend voorbij liep.

                ‘O, mijn God’, zei de eerste man. 'Kijk eens naar die stakker!'

                De tweede man dacht even na, toen mompelde hij: 'Ja, het is beroerd dat hij zo kreupel is, maar wat ik me afvraag is... waar heeft hij dat mooie kos­tuum vandaan?'


De reactie van de tweede man vormt een gebruikelijke reactie van de cultuur op een vrouw die een onberispelijke persona heeft ontwikkeld maar helemaal kreupel is geworden omdat ze deze probeert te handhaven. Nou ja, ze is dan wel kreupel, maar kijk eens hoe mooi ze eruitziet, kijk eens hoe fatsoenlijk ze is, kijk eens hoe goed het met haar gaat. Wanneer we verschrompelen, probe­ren we helemaal krom te lopen om de schijn te wekken dat we alles aankunnen, dat alles prima in orde is. Of het nu komt doordat onze zielenhuid weg is, of doordat de huid die de cultuur gemaakt heeft niet past, we groeien krom door te doen alsof het anders is. Maar ons leven wordt daardoor armer en de tol die we moeten betalen is heel hoog.

Bron: De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen - Clarissa Pinkola Estés