Het Evangelie van Thomas en een toelichting van Prof. Quispel

 
 
 Thomas

Ik was er niet, toen Jezus bij hen kwam
en hun de tekens toonde in Zijn handen,
en toen Hij hun uitgedoofde vuur deed branden
en ieder uit Zijn handen ít brood aannam.

Ik wilde niet, zo volgzaam als een lam
mij bij de kudde trouwe schapen voegen
die van de herder alles maar verdroegen;
ik wilde zélf bepalen of ik kwam.

Ik wilde zien en voelen of ik niet
met dromen mij in slaap zou laten wiegen,
of mij door schone schijn laten bedriegen;
dat konden zij misschien doen, maar ik niet.

Toen zag ik Hem Ė en ik had geen verweer
Maar kon slechts stamelen: "mijn God, mijn Heer!Ē

Nel Benschop
 
 
 
 
01. Het Evangelie van Thomas - 02. Beschouwingen van Gilles Quispel (vertaler van dit evangelie)
 
 
Thomas is in de christelijke geschiedenis bekend geworden als de 'ongelovige Thomas' die het bewijs van de lichamelijkheid van de opgestane Jezus nodig had om in diens opstanding te geloven. De jonge kerk van Edessa vereerde Thomas als een heilige en zijn gebeente zou aldaar in de vierde eeuw zijn bijgezet. Uit die kringen stammen de Handelingen van Thomas dat in de vroege christenheid zeer populair was. Ook populair was de overlevering over de Jeugd van Jezus verteld door Thomas. Tevens was er nog een Openbaring van Thomas, een apocalyptisch werk over de eindtijd.

Het evangelie van Thomas maakt deel uit van de Nag Hammadi vondst in 1945. Het wordt gezien als een zeer belangrijk werk omdat het een onafhankelijke traditie herbergt van uitspraken van Jezus.
Het evangelie van Thomas is geen evangelie in de vorm waarmee wij vertrouwd zijn. Het is geen doorlopend verhaal maar een verzameling uitspraken van Jezus. Ongeveer de helft van de uitspraken (logia genoemd) komen ook voor, soms in een afwijkende vorm, in de traditionele evangeliŽn. De rest is nieuw.
 
 
 01. Het Evangelie van Thomas

Dit zijn de geheime woorden, welke Jezus de Levende gesproken heeft en welke Didymus Judas Thomas heeft opgeschreven

Verklaring:
Het gaat hier over 'geheime woorden'. Wij weten uit de vier evangelies uit het NT dat Jezus zijn leerlingen soms apart van de menigte onderwees. Het is vrijwel zeker dat Hij dan de 'geheime leer' uit het mysteriewezen aan hen meedeelde. Die leer was immers nog niet voor iedereen te vatten.

Het feit dat bij de naam Jezus 'de levende' is toegevoegd wil ons duidelijk maken dat Jezus in dit geval sprak vanuit de eeuwig levende Christusgeest die in Hem tot ons kwam. Wij zouden dit nu 'ons Hogere Zelf' kunnen noemen. Bij Jezus was die al volledig aan het licht gekomen.

Ook de naam van de leerling: Didymus Judas Thomas draagt een bijzondere betekenis in zich mee. Didymus betekent namelijk 'tweeling' en zo ook de naam Thomas.

Jezus, de eenling (=volledig boven de dualiteit van goed en kwaad verheven ) spreekt hier dus tegen de 'tweeling' (alle mensen in de stoffelijke wereld die nog heen en weer slingeren tussen goed en kwaad, in dualiteit)

1
En Hij sprak: "Wie de verklaring van deze woorden zal vinden, zal de dood niet smaken"

2
Jezus sprak: "Laat hem die zoekt, zonder ophouden zoeken, totdat hij vindt. En als hij vindt, zal hij in verwarring raken, en als hij in verwarring geraakt is, zal hij zich verwonderen, en hij zal heersen over het Al."

3
Jezus sprak: "Als uw leiders zeggen: ziet, het Koninkrijk is in de hemel, dan zullen de vogelen des velds u voorgaan. Als zij zeggen: het is in de zee, dan zullen de vissen u voorgaan. Maar het Koninkrijk is binnen in u en buiten u."
Als gij uzelf zult kennen, dan zult gij gekend worden, en gij zult beseffen dat gij zonen van de levende Vader zijt. Als gij uzelf echter niet zult kennen, dan zijt gij in armoede, en gij zijt zelf die armoede."

4
Jezus sprak: "De grijsaard zal in zijn dagen niet aarzelen, een klein kind van 7 dagen naar de plaats des levens te vragen, en hij zal leven. Want vele eersten zullen de laatsten worden. En zij zullen één worden."

5
Jezus sprak: "Herken wat voor uw aangezicht is, en wat verborgen is voor u zal u duidelijk worden. Want niets is verborgen wat niet geopenbaard zal worden."
 
6
Zijn leerlingen ondervroegen Hem. Zij zeiden tot hem: "Wilt gij dat wij vasten? En hoe zullen wij bidden? Zullen wij aalmoezen geven? En wat zullen wij betreffende het eten in acht nemen?" Jezus sprak: "Vertel geen leugens En doe niet wat ge haat. Want alle dingen zijn duidelijk voor de Hemel. Er is immers niets wat verborgen is dat niet openbaar zal worden, en niets wat bedekt is dat ononthuld zal blijven."
 
7
Jezus sprak: "Zalig de leeuw die mens wordt als hij door de mens opgegeten wordt. En vervloekt is de mens die door de leeuw opgegeten wordt, en de mens zal leeuw worden."

Verklaring
De leeuw staat in gnostische geschriften symbool voor de materie. Wanneer de geestelijk mens  materie transformeert naar het geestelijke dan zal de materie zijn blokkerende invloed verliezen, maar wanneer de geestelijke mens zichzelf laat opslokken door gehechtheid aan de materie, dan wordt hij materie en zal zijn ware mens-zijn verliezen.

8
En Hij sprak: "De mens is gelijk aan een verstandige visser die zijn net in zee wierp. Hij trok het op uit de zee, vol kleine vissen. Daartussen vond de verstandige visser een goede grote vis. Hij wierp al de kleine vissen terug in zee. Zonder aarzelen koos hij de grote vis. Wie oren heeft om te horen hij hore."
 
9
Jezus sprak: "Ziet, de zaaier ging naar buiten. Hij nam een hand vol zaad en strooide het uit. Sommige vielen op de weg. De vogels kwamen en verzamelden ze. Andere vielen op de rots, en zij schoten geen wortels in de aarde en maakten geen aren. En anderen vielen op de doornen. Zij verstikten het zaad, en de wormen vraten ze op. En anderen vielen op de goede aarde en zij leverden goede vrucht op. Zij droegen zestig per maat en honderd twintig per maat."
 
10
En Jezus sprak: "Ik heb het vuur op aarde geworpen. En ziet, ik hoed het tot het opvlamt."
 
11
Jezus sprak: "Deze hemel zal vergaan, en de hemel daarboven zal vergaan. En de doden leven niet, en de levenden zullen niet sterven. In de dagen dat gij at wat dood is, maakte gij het tot iets wat leeft. Als gij tot het licht zult komen, wat zult gij dan doen? Toen gij één waart, werd gij tot twee. Als gij echter twee zijt, wat zult gij dan doen?"

12
De leerlingen zeiden tot Jezus: "Wij weten dat gij van ons weg zult gaan. Wie zal dan onze meester zijn?" Jezus sprak tot hen: "Waar ge ook bent, gij zult naar Jacobus de Rechtvaardige gaan, omwille van wie hemel en aarde zijn ontstaan."
 
13
Jezus sprak tot zijn leerlingen: "Vergelijkt mij met iemand en zeg mij op wie ik lijk." Simon Petrus zij tot hem: "Gij lijkt een rechtvaardige engel". Mattheus zei tot hem: "Gij lijkt een wijze filosoof ". Thomas zei tot hem: "Meester, mijn mond is geheel machteloos om te zeggen op wie gij lijkt". Jezus sprak: "Ik ben niet uw meester. Omdat gij gedronken hebt, hebt gij u aan de opborrelende bron bedwelmd, welke ik gewogen heb."
Toen nam hij hem, trok zich met hem terug en sprak drie woorden tot hem. Toen Thomas echter bij zijn gezellen kwam, vroegen zij hem: "Wat heeft Jezus gezegd?". Thomas zij hun: "Als ik u een van die woorden zeg, die hij mij gezegd heeft, zult gij stenen nemen en naar mij werpen. En vuur zal uit de stenen komen en u verbranden."
 
14
Jezus sprak tot hen: "Als gij vast, zult gij uzelf aanleiding geven tot zonde. En als gij bidt, zult gij veroordeeld worden. En als gij aalmoezen geeft, zult gij uw ziel kwaad doen. En als gij naar een of ander land gaat en in die streken rondtrekt, als men u ontvangt, eet wat men u zal voorzetten en geneest de zieken onder hen. Want wat in uw mond binnengaat, zal u niet verontreinigen. Wat echter uit de mond uitkomt, dat zal u verontreinigen."

15
Jezus sprak: "Als gij iemand ziet die niet uit een vrouw geboren is, werpt u dan op uw aangezicht neer en aanbidt hem. Hij is uw Vader."
 
16
Jezus sprak: "Wellicht denken de mensen dat ik gekomen ben om vrede op de wereld te werpen, en weten zij niet dat ik gekomen ben om tweespalt op aarde te werpen, vuur, zwaard en oorlog. Want er zullen er vijf in één huis zijn; drie zullen tegen twee zijn, de vader tegen de zoon en de zoon tegen de vader. En ze zullen daar alleen staan".
 
17
Jezus sprak: "Ik zal u geven wat geen oog gezien heeft, geen oor gehoord, en geen hand aangeraakt, en wat bij geen mens in de geest is opgekomen."

18
De leerlingen zeiden tot Jezus: "Zeg ons, hoe zal ons einde zijn?" Jezus sprak: "Hebt gij dan de aanvang ontdekt, dat gij naar het einde zoekt?. Waar het begin is, daar zal ook het einde zijn. Zalig degene die zich in het begin plaatst. Hij zal ook het einde kennen, en hij zal de dood niet smaken."
 
19
Jezus sprak: "Zalig wie is voor hij werd. Als gij mijn leerlingen wordt en luistert naar mijn woorden , zullen deze stenen u dienen. Want er zijn vijf bomen voor u in het paradijs die 's zomers en 's winters onverstoord blijven en wier bladeren nooit afvallen. Wie ze zal kennen zal de dood niet smaken."
 
20
De leerlingen zeiden tot Jezus: "Zeg ons, waarop lijkt het Koninkrijk der hemelen?" Hij sprak tot hen: "Het lijkt op een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaadjes. Als het echter op bewerkte aarde valt, wordt het een grote plant en wordt een schuilplaats voor de vogelen des hemels."
 
21
Maria zei tot Jezus: "Waar lijken uw leerlingen op?" Jezus sprak: "Zij lijken op kinderen die zich op een veld ophouden dat hun niet toebehoort. Wanneer de eigenaren van het veld komen, zullen zij zeggen: 'Geef ons veld terug.' Zij kleden zich voor hen uit, opdat zij het hun laten en hun het veld geven. Daarom zeg ik u: als de heer des huizes weet dat de dief komt, zal hij waken voor hij gekomen is, en hem niet in het huis van zijn landgoed laten inbreken om zijn zaken weg te dragen. Gij echter, wees op je hoede tegenover de wereld. Bewapen u met grote kracht, opdat de rovers geen weg vinden om bij u te komen. Want de moeilijkheden die gij verwacht zullen uitkomen. Laat er onder u een verstandig man zijn. Toen het graan rijpte, kwam hij ijlings, met zijn sikkel in de hand, en oogstte het. Wie oren heeft om te horen, hij hore."

22
Jezus zag kinderen gezoogd worden. Hij sprak tot zijn leerlingen: "Deze zuigende kleinen zijn als diegenen die in het Koninkrijk binnengaan." Zij zeiden tot hem: "Zullen wij dan als kinderen het Koninkrijk binnengaan?" Jezus sprak tot hen: "Als gij de twee één maakt en als gij het inwendige gelijk het uitwendige maakt en het uitwendige gelijk het inwendige en het boven gelijk het onderste en als gij het mannelijke en het vrouwelijke één maakt, zodat het mannelijke niet mannelijke en het vrouwelijke niet vrouwelijk zij, en als gij ogen vormt in plaats van een oog, een hand in plaats van een hand, een voet in plaats van een voet, een gelijkenis in plaats van een gelijkenis, dan zult gij ingaan."
 
23
Jezus sprak: "Ik zal u uitkiezen, één uit duizend en twee uit tienduizend. En zij zullen daar staan als een eenling."
 
24
Zijn leerlingen zeiden: "Toon ons de plaats waar gij zijt. Want wij moeten daarnaar zoeken." Hij sprak tot hen: "Wie oren heeft om te horen, hore. Er is licht in een licht-mens en hij verlicht de hele wereld. Verlicht hij niet dan is er duisternis."

25
Jezus sprak: "Hebt uw broeder lief als je ziel. Waak over hem als de appel van uw oog."
 
26
Jezus sprak: "De splinter in het oog van uw broeder ziet gij, de balk echter in uw eigen oog ziet gij niet. Als gij de balk uit uw oog haalt, dan zult gij helder kunnen zien, om de splinter uit het oog van uw broeder te halen."
 
27
"Als gij niet vast ten opzichte van de wereld, zult gij het Koninkrijk niet vinden. Als gij de sabbat niet als sabbat houdt, zult gij de Vader niet zien."
 
28
Jezus sprak: "Ik nam plaats midden in de wereld en verscheen aan hen vleselijk. Ik vond ze allen dronken. Geen enkele onder hen vond ik dorstig, en mijn ziel leed smart over de zonen der mensen. Want blind zijn ze in hun hart en zij zien niet. Want leeg zijn zij in de wereld gekomen, en ook leeg zoeken zij de wereld te verlaten. Maar nu zijn zij dronken, als zij hun wijn opgeven, zullen zij zich bekeren."

29
Jezus sprak: "Als het lichaam omwille van de geest ontstaan is, is het een wonder. Als echter de geest omwille van het lichaam ontstaan is is het een wonder der wonderen. Ik verbaas mij er inderdaad over hoe deze grote rijkdom in deze armoe is komen wonen."
 
30
Jezus sprak: "Waar drie goden zijn, zijn zij goden. Waar er twee of een zijn, ben ik met hem."
 
31
Jezus sprak: "Geen profeet wordt aanvaard in zijn dorp. Geen arts geneest diegenen die hem kennen."
 
32
Jezus sprak: "Een stad die op een hoge berg gebouwd wordt en sterk is, kan niet vallen, noch zal hij verborgen kunnen zijn."
 
33
Jezus sprak: "Verkondig van de daken wat gij met uw oor zult horen. Want niemand ontsteekt een lamp en plaatst haar onder de korenmaat, noch zet hij haar op een verborgen plaats; veeleer zet hij haar op een kandelaar, opdat allen die binnenkomen en uitgaan, haar licht zullen zien."

34
Jezus sprak: "Als een blinde een blinde leidt, vallen zij beiden in een kuil."
 
35
Jezus sprak: "Niemand kan het huis van een sterke binnendringen en het met geweld innemen, tenzij hij zijn handen bindt. Dan zal hij zijn huis leegruimen."
 
36
Jezus sprak: "Weest niet van 's morgens tot 's avonds en van 's avonds tot 's morgens bezorgd over wat gij zult aantrekken."
 
37
Zijn leerlingen zeiden: "Op welke dag zult gij ons verschijnen? En op welke dag zullen wij u zien?" Jezus sprak: "Als gij u ontkleedt zonder u te schamen en als gij uw klederen neemt en ze als kleine kinderen onder uw voeten legt en er op zult treden, dan zult gij de Zoon van de Levende zien. En gij zult niet bevreesd zijn."
 
Verklaring:

In de esoterische traditie wordt het stoffelijk lichaam gezien als een kledingstuk voor ons ware Zelf. Wanneer wij ons zozeer van dat jasje onthechten dat we het evengoed kunnen afleggen, wanneer we er klaar voor zijn om ons Zelf te vertonen zoals we werkelijk zijn, dan zien we niet meer met stoffelijke ogen maar met de ogen van de ziel. Dan pas zijn we in staat om 'de Zoon' (=de christus) waar te nemen zonder angst want dan zijn we zelf 'een Zoon'.

38
Jezus sprak: "Vele malen hebt gij ernaar verlangd deze woorden te horen die ik tot u spreek. En gij hebt niemand anders om ze van te horen. Er zullen dagen komen dat gij naar mij zult zoeken en mij niet vinden."

39
Jezus sprak: "De FarizeeŽn en de schriftgeleerden hebben de sleutelen van de Kennis genomen en ze verborgen. Zelf zijn zij niet binnengegaan, noch hebben zij hen die binnen willen gaan, toegelaten. Gij echter, weest slim als de slangen en argeloos als de duiven."
 
40
Jezus sprak: "Een wijnstok werd buiten de Vader geplant, en krachteloos zal hij met wortel en al uitgerukt worden en te gronde gaan."
 
41
Jezus sprak: "Wie iets in zijn hand heeft, hem zal meer gegeven worden. En wie niets heeft, hem zal ook het beetje ontnomen worden wat hij heeft."

42
Jezus sprak: "Wordt voorbijgaanden".
 
43
Zijn leerlingen zeiden tot hem: "Wie zijt gij dat gij deze dingen tot ons zegt?" Jezus sprak: "Begrijpt gij niet wie ik ben door datgene wat ik tot u zeg? Maar gij zijt als de joden geworden, want zij houden van de boom en haten zijn vrucht of houden van de vrucht en haten de boom".

44
Jezus sprak: "Wie de Vader zal lasteren, hem zal vergeven worden. En wie de Zoon zal lasteren, hem zal vergeven worden. Wie echter de Heilige Geest zal lasteren, hem zal noch op aarde noch in de hemel vergeven worden".
 
45
Jezus sprak: "Men plukt geen druiven van doornen en verzamelt geen vijgen van distels. Zij brengen geen vrucht voort. Een goede man brengt goede waren voort uit zijn voorraadschuur, een slechte man haalt slechte zaken tevoorschijn uit zijn voorraadschuur, zijn hart, en hij spreekt kwaad. Want uit de overvloed van zijn hart haalt hij slechtheid tevoorschijn".
 
46
Jezus sprak: "Van Adam tot Johannes de Doper staat onder de uit vrouwen geborenen niemand hoger dan Johannes de Doper, opdat zijn ogen niet breken. Ik heb echter gezegd: wie onder u een kind zal worden, zal het Koninkrijk erkennen en zal groter dan Johannes worden".
 
47
Jezus sprak: "Een mens kan niet op twee paarden rijden of twee bogen spannen. En een knecht kan geen twee heren dienen; of hij zal de een eren en de andere smaden. Men drinkt nooit oude wijn en verlangt onmiddellijk nieuwe te drinken. Ook giet men geen nieuwe wijn in oude zakken, opdat zij niet barsten. En men giet geen oude wijn in een nieuwe zak, opdat hij hem niet bederve. Men naait geen oude lappen op een nieuw kleed, want er zal een scheur ontstaan".

48
Jezus sprak: "Als er twee in hetzelfde huis in vrede met elkander leven, dan zullen zij tot de berg zeggen: verplaats u, en hij zal zich verplaatsen".
 
49
Jezus sprak: "Zalig de eenlingen en de uitverkorenen, want zij zullen het Koninkrijk vinden. Daar gij daaruit zijt, en daarheen zult gij weerkeren".
 
50
Jezus sprak: "Als de mensen u zeggen: waar komt gij vandaan? zegt hun dan: wij zijn uit het licht gekomen, daar waar het licht uit zichzelf ontstaan is. Het stond en openbaarde zich in hun beeld. Als men tot u zegt: zijt gij het? zegt dan: wij zijn de kinderen van het licht en zijn de uitverkorenen van de Levende Vader. Als de mensen u vragen: wat is het teken van uw Vader in u? zegt hun dan: het is beweging en rust".
 
51
Zijn leerlingen zeiden tot hem: "Op welke dag zal de rust der doden intreden? En op welke dag komt de nieuwe wereld? Hij sprak tot hen:" Waar gij naar uitkijkt is reeds gekomen, maar gij herkent het niet".
 
52
Zijn leerlingen zeiden tot hem: "Vierentwintig profeten hebben in IsraŽl gesproken en zij hebben allen in u gesproken." Hij sprak tot hen: "Gij hebt de levende onder u veronachtzaamd, en over de doden gesproken."
 
53
Zijn leerlingen zeiden tot hem: "Is de besnijdenis nuttig of niet?" Hij sprak tot hen:" Als de besnijdenis nuttig was, dan zouden hun vaderen hen besneden uit hun moeder verwekken. Maar de ware besnijdenis in de geest is volledig heilzaam geworden."

54
Jezus sprak: "Zalig de armen, want voor jullie is het Koninkrijk van de hemel."
 
55
Jezus sprak: "Wie zijn vader niet haat en zijn moeder, kan bij mij geen leerling zijn. En wie zijn broeders niet zal haten en zijn zusters en zijn kruis niet zal dragen op mijn wijze, zal mij niet waardig zijn."
 
56
Jezus sprak: "Wie de wereld heeft begrepen, heeft een lijk gevonden. En wie een lijk gevonden heeft, de wereld is hem niet waardig."

57
Jezus sprak: "Het Koninkrijk van de Vader is gelijk aan een man die (goed) zaad heeft. Zijn vijand kwam 's nachts en zaaide onkruid onder het goede zaad. De man liet hen het onkruid niet uitrukken. Hij zei tot hen: ik ben bang dat als jullie willen gaan om het onkruid uit te rukken en het graan samen daarmee zult uitrukken. Op de dag van de oogst zal het onkruid duidelijk zichtbaar zijn. En het zal uitgerukt en verbrand worden."

58
Jezus sprak: "Zalig de mens die geleden heeft en het leven gevonden heeft."
 
59
Jezus sprak: "Ziet naar de Levende, zolang gij leeft, opdat gij niet sterft en hem zoekt te zien, maar hem niet zult kunnen zien."
 
60
(Zij zagen ) een Samaritaan onderweg naar Judea een lam dragen. Hij sprak tot zijn leerlingen: "Waarom draagt hij het lam met zich mee?" Zij zeiden tot hem: "Om het te doden en op te eten." Hij sprak tot hen: "Zolang het leeft, zal hij het niet eten, maar alleen als hij het doodt en het een kadaver wordt." Zij zeiden: "Anders kan hij het niet doen." Hij sprak tot hen: "Zoekt ook gij u een plaats om te rusten, opdat gij geen kadaver wordt en opgegeten wordt."
 
61
Jezus sprak: "Twee zullen op één bed rusten, de een zal leven, de ander sterven."
Salome sprak: "Wie zijt gij, mens? Als uit een. Gij hebt mijn bed bestegen en van mijn tafel gegeten" Jezus sprak: "Ik ben Hij die bestaat uit de Onverdeelde. Mij werd gegeven wat van mijn Vader is." Salome sprak: "Ik ben uw leerlinge." Jezus sprak: "Daarom zeg ik: als hij onverdeeld is, zal hij vervuld worden van licht; als hij echter verdeeld is zal hij vervuld worden met duisternis."

62
Jezus sprak: "Ik zeg mijn geheimenissen aan diegenen die mijn geheimenissen waardig zijn. Laat uw rechterhand niet weten wat uw linkerhand doet."
 
63
Jezus sprak: "Een rijk man had vele goederen. Hij zei: ik zal mijn goederen benutten om te zaaien, te oogsten, te planten en mijn schuren met vrucht te vullen, opdat ik aan niets gebrek lijde. Dat was wat hij in zijn hart dacht. En die nacht stierf hij. Wie oren heeft om te horen, hij hore."

64
Jezus sprak: "Een man had gasten. En toen hij het maal bereid had, zond hij zijn knecht uit om de gasten uit te nodigen. Hij kwam bij de eerste en zei hem: mijn heer nodigt u uit. Hij zei: kooplieden zijn mij geld schuldig. Vanavond komen zij bij mij en ik zal ernaar toegaan en hen richtlijnen geven. Ik verzoek u, mij voor het maal te verontschuldigen. Hij kwam bij een andere en zei hem: mijn heer heeft u uitgenodigd. Hij zei hem: ik heb een huis gekocht en men vraagt mij om een dag. Ik zal geen tijd hebben. Hij kwam bij een andere en zei hem: mijn heer nodigt u uit. Hij zei hem: mijn vriend gaat trouwen en ik moet het maal inrichten. Ik zal niet kunnen komen. Ik verzoek u, mij voor het maal te verontschuldigen. Hij ging naar een andere en zei hem: mijn heer nodigt u uit. Hij zei hem: ik heb een dorp gekocht. Ik ga om pacht te innen. Ik zal niet kunnen komen. Ik verzoek u mij te verontschuldigen. De knecht kwam en zei tot zijn heer: zij die gij tot het maal hebt uitgenodigd, hebben verzocht hen te verontschuldigen. De heer zei tot zijn knecht: ga uit op de wegen en breng naar hier wie gij zult vinden, opdat zij het feestmaal houden. De zakenlieden en kooplieden zullen niet binnengaan in de Plaatsen van mijn Vader."
 
65
Hij sprak "Een goed man had een wijngaard. Hij gaf hem aan pachters opdat zij hem zouden bewerken en hij van hen zijn vrucht zou krijgen. Hij zond zijn knecht opdat de boeren hem de vrucht van zijn wijngaard zouden geven. Zij grepen de knecht, sloegen hem en het scheelde niet veel of zij hadden hem gedood. De knecht ging heen en zei het aan zijn heer. Zijn heer zei, wellicht herkenden zij hem niet, en hij zond een andere knecht. De pachters sloegen ook de andere. Toen zond de heer zijn zoon. Hij zei: wellicht hebben zij schroom voor mijn zoon. De pachters, die wisten dat hij de erfgenaam van de wijngaard was, grepen hem en doodden hem. Wie oren heeft om te horen, hij hore."
 
66
Jezus sprak: "Toon mij de steen, welke de bouwlieden verworpen hebben. Het is de hoeksteen."

Verklaring:
Elk van ons is een bouwvakker, schavend en bouwend aan onszelf, om tot éénheid te komen. Daarvoor moeten stenen (minne karaktertrekjes) verworpen worden als niet waardig. Wanneer die steen dan bijgeschaafd is, dat karaktertrekje weggeworpen, dan zal het een hoeksteen worden, een fundament, voor het ware Zelf.

67
Jezus sprak: "Wie gelooft dat het Al onvolkomen is, is zelf helemaal onvolkomen."
 
68
Jezus sprak: "Zalig zijt gij als men u haat en vervolgt. Waar gij ook vervolgd wordt, daar zullen zij geen plaats hebben."
 
69
Jezus sprak: "Zalig zijn zij die vervolgd worden in hun hart. Zij zijn het die de Vader waarlijk zullen kennen. Zalig zijn de hongerenden, want de buik van hen die verlangen zal gevuld worden."
 
70
Jezus sprak: "Dat wat gij in u hebt zal u redden als gij het uit uzelf voortbrengt. Wanneer gij dat wat gij in u hebt niet zult voortbrengen dan zal het u doden."

71
Jezus sprak: "Ik zal dit huis vernietigen en niemand zal in staat zijn het te herbouwen."
 
72
Iemand zei tot hem: "Zeg mijn broeders dat zij de bezittingen van mijn vader met mij delen." Hij sprak tot hem: "O mens, wie heeft Mij een verdeler gemaakt?" Hij wendde zich tot zijn leerlingen en sprak tot hen: "Ik ben toch geen verdeler?"

73
Jezus sprak: "De oogst is groot maar de arbeiders zijn weinig. Smeek de Heer daarom, dat hij arbeiders uitzendt naar de oogst."
 
74
Hij sprak: "O Heer, velen staan rond de drinkbak, maar er is niets in de put."
 
75
Jezus sprak: "Velen staan voor de deur. Maar het is de eenling die het bruidsvertrek zal ingaan."
 
76
Jezus sprak: "Het Koninkrijk is gelijk aan een koopman die een zending koopwaar heeft en die een parel ontdekte. De koopman was schrander. Hij verkocht de koopwaar en kocht de parel alleen voor hemzelf. Ook gij, zoekt zijn onvergankelijke, blijvende schat, waar geen mot bij komt om te vreten en geen worm vernietigt."
 
77
Jezus sprak: "Ik ben het die het Licht boven allen is. Ik ben het die het Al is. Uit mij is het Al voortgekomen, en tot Mij spreidt het Al zich uit. Splijt een stuk hout, en ik ben daar. Hef de steen op, en je zult mij daar vinden."
 
78
Jezus sprak: "Waarom zijt gij naar buiten de woestijn in gegaan? Om het riet te zien dat door de wind bewogen wordt? Om een mens te zien die fijne kleren draagt, zoals uw koningen en grote mannen? Zij dragen fijne kleren en zij zijn onmachtig de waarheid te onderscheiden."

79
Een vrouw uit de menigte zei tot hem: "Zalig de schoot die u gedragen heeft. En de borsten die u gezoogd hebben." Hij sprak tot haar: "Zalig diegenen die het woord van de Vader gehoord hebben en het in waarheid bewaard hebben. Want er zullen dagen komen dat gij zegt: zalig de schoot die niet ontvangen heeft en de borsten die geen melk gegeven hebben."

80
Jezus sprak: "Wie de wereld herkend heeft, heeft het lichaam gevonden. Wie echter het lichaam heeft gevonden is groter dan de wereld."

81
Jezus sprak: "Laat hem die rijk geworden is koning zijn, en laat hem die macht heeft deze verzaken."
 
82
Jezus sprak: "Wie dicht bij mij is, is dicht bij het vuur. En wie ver van mij is, is ver van het Koninkrijk."

83
Jezus sprak: "De beelden openbaren zich aan de mensen, maar het licht in hen blijft verborgen in het beeld van het licht van de Vader. Hij zal geopenbaard worden, maar zijn beeld zal verborgen blijven door zijn licht."
 
84
Jezus sprak: "Als gij uw evenbeeld ziet, verheug u. Als gij echter uw beelden ziet die ontstaan zijn voor u, die noch sterven, noch openbaar worden, hoeveel zult gij kunnen verdragen?"

85
Jezus sprak: "Adam is ontstaan uit grote macht en grote rijkdom, maar hij werd u niet waardig. Immers was hij waardig geweest, hij zou de dood niet gesmaakt hebben."
 
86
Jezus sprak: "De vossen hebben hun holen, de vogels hebben hun nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen en te rusten."
 
87
"Ellendig is het lichaam dat zich verlaat op het lichaam en ellendig is de ziel die zich verlaat op deze beiden."

88
Jezus sprak: "De engelen en profeten zullen tot u komen en u geven wat gij al hebt. En ook gij, geeft hen wat in uw handen is en zeg tot uzelf: op welke dag zullen zij komen en nemen wat het hunne is?"
 
89
Jezus sprak: "Waarom wast gij de buitenzijde van de beker? Begrijpt gij niet dat hij die de binnenkant maakte dezelfde is die de buitenkant maakte?"

90
Jezus sprak: "Komt tot mij, want mijn juk is licht en mijn Heerschappij is mild. En gij zult rust vinden voor uzelf."

91
Zij zeiden tot hem: "Zeg ons wie gij zijt opdat wij in u geloven." Hij sprak tot hen: "Gij leest het gelaat van hemel en aarde. Er gij hebt niet degene die voor u is herkend. en gij weet niet dit moment te lezen."
 
92
Jezus sprak: "Zoekt en gij zult vinden. Maar waarover gij mij vroeg in eerder dagen en wat ik u toen niet verteld heb, daarover wil ik nu graag vertellen, maar u vraagt er niet naar."

93
"Geeft het Heilige niet aan de honden, opdat zij het niet op de mesthoop werpen. Werpt de paarlen niet voor de zwijnen opdat zij ze niet tot stukken vermalen."
 
94
Jezus sprak: "Wie zoekt zal vinden en wie klopt hij zal binnengelaten worden."
 
95
Jezus sprak: "Als je geld hebt, leen het niet uit tegen rente, maar geef het aan hem van wie je het niet terugkrijgt."
 
96
Jezus sprak: "Het Koninkrijk van de Vader is gelijk een zekere vrouw. Zij nam een weinig zuurdeeg, verborg het in het deeg en maakte er grote broden van. Wie oren heeft om te horen, hij hore."

97
Jezus sprak: "Het Koninkrijk van de Vader is gelijk een vrouw die een kruik vol meel draagt. Lopend op een weg, nog een eind van huis, brak het oor van de kruik en het meel stroomde achter haar op de weg. Zij merkte niets; zij had niet gemerkt dat er wat gebeurde. Toen ze thuis kwam zette ze de kruik neer en merkte dat hij leeg was."
 
98
Jezus sprak: "Het Koninkrijk van de Vader is als een man die een sterke man wil doden. Thuis trok hij het zwaard en stiet het in de muur, om zich ervan te vergewissen of zijn hand sterk zou zijn. Toen doodde hij de machtige."
 
99
Zijn leerlingen zeiden tot hem: "Uw broeders en uw moeder staan buiten". Hij sprak tot hen: "Deze hier die de wil van mijn Vader doen, dat zijn mijn broeders en mijn moeder. Zij zijn het die het Koninkrijk van mijn Vader zullen ingaan."
 
100
Zij toonden Jezus een goudstuk en zeiden tot hem: "De mannen van de keizer vragen belastingen van ons." Hij sprak tot hen: "Geef de keizer wat de keizer toebehoort, geef God wat God toebehoort en geef Mij wat Mijn is."
 
101
"Wie zijn vader niet zal haten en zijn moeder, zoals Ik doe, kan geen leerling van mij worden. En wie niet zijn vader en moeder liefheeft, zoals ik doe, kan geen leerling van Mij worden. Want mijn moeder gaf mij leugens, maar mijn echte moeder gaf mij het leven."

102
Jezus sprak: "Wee de FarizeeŽn. Zij zijn gelijk een hond die op de ossenkrib ligt. Zelf eet hij niet, noch laat hij de ossen eten."
 
103
Jezus sprak: "Zalig de man die weet langs welke weg de rovers binnenkomen, opdat hij kan opstaan, zijn landgoed inspecteren en zich bewapenen voor zij binnendringen."
 
104
Zij zeiden tot hem: "Kom, laat ons vandaag bidden en vasten." Jezus sprak: "Welke zonde heb ik dan begaan of waarin ben ik bezweken? Maar als de bruidegom het bruidsvertrek verlaat, dan moeten zij vasten en bidden."
 
105
Jezus sprak: "Hij die de vader en de moeder kent, die zal men hoerenzoon noemen."

106
Jezus sprak: "Wanneer gij de twee een maakt zult gij mensenzonen worden, en wanneer gij zegt: berg verplaats u, zal hij zich verplaatsen."
 
107
Jezus sprak: "Het Koninkrijk is gelijk aan een herder die honderd schapen heeft. Een onder hen liep verloren - het was de grootste. Hij liet de negenennegentig achter en zocht die ene tot hij het vond. Toen hij zich zo had uitgesloofd zei hij tot het schaap: ik houd meer van jou dan die negenennegentig."
 
108
Jezus sprak: "Wie van mijn mond zal drinken zal worden als ik. Ik zal zelf worden als hij en de dingen die verborgen waren zullen hem geopenbaard worden."

109
Jezus sprak: "Het Koninkrijk is als een man die op zijn akker een verborgen schat had, wat hij niet wist. En hij stierf en liet hem achter aan zijn zoon. De zoon wist niets van de schat.

Hij erfde de akker en verkocht hem. En hij die hem kocht ging ploegen en vond de schat. Hij begon geld uit te geven tegen rente aan wie hij wilde."
 
110
Jezus sprak: "Wie de wereld gevonden heeft en rijk geworden is, laat hem de wereld verzaken."
 
111
Jezus sprak: "De hemelen en de aarde zullen in uw aanwezigheid opgerold worden. En degene die leeft van de Levende zal de dood niet zien." Zegt Jezus niet: "Wie zichzelf vindt is groter dan de wereld?"

112
Jezus sprak: "Wee het vlees dat aan de ziel hangt, wee de ziel die aan het vlees hangt."

113
Zijn leerlingen zeiden tot hem: "Wanneer zal het Koninkrijk komen?" Jezus sprak: "Het komt niet als je er op gaat wachten. Het is geen kwestie van zeggen 'Hier is het' of 'Daar is het'. Integendeel, het Koninkrijk van de Vader is uitgespreid op de aarde en de mensen zien het niet."
 
114
Simon Petrus zei tot hem: "Laat Maria van ons weggaan, want de vrouwen zijn het Leven niet waardig." Jezus sprak: "Ziet, ik zal haar leiden en haar tot man maken, opdat zij ook een levende geest worde, gelijk u mannen. Want iedere vrouw die zichzelf mannelijk zal maken zal het Koninkrijk der Hemelen ingaan."
 
 
 
 
02. Prof. Dr. Quispel over het Thomas-Evangelie en de Consequenties ervan
 


De rechtszaak tegen Jezus
- nieuw bewijsmateriaal uit het Evangelie van Thomas -
Prof. Gilles Quispel

 

Dit verhaal begint als PROF. QUISPEL de tot dan toe onbekende tekst van het Evangelie van Thomas vertaalt. Langzaam dringt het tot hem door dat dit document een geheel nieuw licht werpt op de persoon van JEZUS en op de historische gebeurtenissen die tot zijn veroordeling en kruisiging hebben geleid.
Een geheel onafhankelijke stroming, het Judese christendom, blijkt Woorden van Jezus te bewaren die in menig opzicht Zijn bedoelingen en betekenis zuiverder weergegeven. Wie was de echte Jezus?

Het is warm vandaag. Overdag was het al heet, maar 's avonds is het nog erger. Mijn collegae hebben mij in de steek gelaten en zijn de stad in gegaan om de genoegens van de Arabische keuken te smaken. Ik zit alleen in mijn hotelkamer met een foto van de Koptische tekst voor mij. Langzamerhand verbinden de letters zich tot woorden en krijgen zin. Keer op keer komen de begin woorden: 'Jezus zeide' voor. Dit is een verzameling van woorden des Heren, daaraan kan geen twijfel bestaan. En terwijl ik lees en tracht de spreuken in tijd en ruimte te plaatsen, vraag ik mij af of dit een onbekend en toch echt woord van Jezus kan zijn. Voor de eerste maal in de geschiedenis is een volledig geschrift aan het licht gekomen dat mogelijk onze kennis van deze raadselachtige persoonlijkheid kan vermeerderen. En ik ervaar het als een voorrecht, dat ik na zoveel eeuwen als eerste dit nieuwe bewijsmateriaal mag lezen en een voorlopige vertaling van het Evangelie van Thomas kan maken.

Spoedig daarna, in de herfst van 1956, brak de oorlog van de Engelsen en de Fransen tegen Egypte uit. Wij moesten het land ontvluchten, het goede Amerikaanse oorlogsschip Thuban bracht ons naar Napels en wij keerden naar huis terug.

Op een zondagmiddag zat ik in mijn studeerkamer. Mijn vrouw vindt het niet prettig als ik op zondag werk. Zonder eigenlijk te werken haalde ik verveeld een boek uit de kast en bladerde het door. Het was een roman die in de vierde eeuw na Christus speelt, de pseudo-Clementijnse Homiliae, die overleveringen van de Judese christenen in Palestina bevat. Toevallig viel mijn oog op een passage, waarin Jezus zei dat de FarizeeŽn en de schriftgeleerden de sleutel van het Koninkrijk van God, namelijk de Gnosis, hadden ontvangen, maar die niet gaven aan hen, die dat Koninkrijk wilden binnengaan (III, 18, 3). In een flits schoot het door mij heen, dat vrijwel dezelfde bewoordingen in het Evangelie van Thomas werden gebruikt:

ĎJezus zeide: De FarizeeŽn en de schriftgeleerden hebben de sleutelen der Gnosis ontvangen, zij hebben die verborgen. Noch zijn zij ingegaan en hen die wilden ingaan, lieten zij niet toe.í

Ik werd enigszins opgewonden. Mijn aandacht werd vooral geboeid door de opmerking, dat de FarizeeŽn wel degelijk de sleutelen van de Gnosis hadden ontvangen. MATTHE‹S (23,13) en LUKAS (11,52) leveren hetzelfde woord van Jezus over, dat zij ontlenen aan een gemeenschappelijke bron, Q. genaamd, maar zij zeggen niet dat de FarizeeŽn de Gnosis, die de deur van het Koninkrijk Gods opent, is toevertrouwd. Zoveel waardering voor de FarizeeŽn hadden alleen de Judese christenen van Palestina, niet de heiden-christenen, die door PAULUS en zijn geestverwanten voor de nieuwe religie gewonnen werden.

Het Evangelie van Thomas bevatte dus Woorden van Jezus, die waren overgeleverd door Judese christenen, nazaten van de oergemeente van Jeruzalem. Het Evangelie van Thomas kon, zo ging het door mij heen, met geen mogelijkheid afhankelijk zijn van de kerkelijke EvangeliŽn van MattheŁs en Lukas, die heiden-christelijk zijn. En zo begon de oorlog van Thomas, die dertig jaar duurde.

Joods christendom

Deze strijd is nu gewonnen. Algemeen wordt nu erkend, dat het Evangelie van Thomas in ongeveer 140 na Christus geschreven is in een stad in MesopotamiŽ, die Edessa heette, waar de voertaal Aramees was, een Semitische taal die ook Jezus sprak, en dat het een onafhankelijke overlevering van de Woorden van Jezus bevat, die door Judese christenen uit Palestina naar Edessa is gebracht.

Zo heeft het Evangelie van Thomas het beeld van de geschiedenis van het christendom ingrijpend veranderd: het was een driestromenland. Daar was het Latijnse christendom, dat worstelde met zonde en genade en met het pausdom streefde naar heerschappij over staat en maatschappij. Hieruit zijn de Reformata en wat later de Catholica voortgekomen. Voorts was er het Griekse christendom, dat de Christus zag als Godmens, de synthese van Zijn en tijd. Daaruit zijn de Slavische Kerken en de monofysitische Kerken van Egypte, AbessiniŽ en ArmeniŽ voortgekomen.

Maar daarnaast hebben wij nu het Aramese christendom ontdekt, dat zijn centrum had in Edessa en later in Bagdad, het christendom van de armen en de zwervers, dat zich over heel AziŽ uitbreidde, tot in China toe. Dit is nooit katholiek geweest en heeft altijd joods-christelijke trekken bewaard, omdat het naar Edessa gebracht was door Judese christenen uit Palestina. Uit dit Aramese christendom is in de derde eeuw het manicheÔsme voortgekomen, een gnostische Kerk, en het nestorianisme, dat nog altijd de nadruk legde op de menselijkheid van Jezus. De Thomas-christenen in IndiŽ vormen een laatste overblijfsel van dit Aramese christendom.

Nieuw beeld van Jezus

Maar ook het beeld van Jezus, dat uit deze Woorden opdoemt is nogal verschillend van de eschatologische[1]  gestalte die MattheŁs, MARKUS en Lukas schilderen. Jezus maakt hier geen aanspraak op de titel Messias (nationale bevrijder), hij voorspelt niet zijn wederkomst in Jeruzalem om een duizendjarig rijk te stichten. Over de ondergang van de wereld wordt alleen maar veronderstellenderwijs gesproken. Als de hemelen en de aarde opgerold worden, zal hij die in mystieke verbondenheid met de levende Jezus leeft en daardoor eeuwig leven in zich heeft, de lichamelijke dood niet meer smaken: De hemelen zullen opgerold worden en de aarde in uw tegenwoordigheid, en hij die leeft van de Levende zal zien dood noch vrees (111).

Dat verschilt niet zoveel van wat de Latijnse dichter HORATIUS ongeveer terzelfder tijd zegt: Als het heelal barst en instort, zullen de vallende stukken de rechtvaardige treffen zonder dat hij vrees heeft.

Volgens het Evangelie van Thomas is het Koninkrijk van God geen toekomstmuziek buiten ons, maar een mystieke werkelijkheid al hier en nu in ons:

Zijn leerlingen zeiden tot hem: Wanneer zal het Koninkrijk komen? Jezus zeide: Het zal niet komen in een verwachting (het is niet in de toekomst te verwachten), zij zullen niet zeggen: Ziet het is hier of ziet het is daar. Maar het Koninkrijk van God is al hier en nu uitgebreid op de aarde, maar de mensen zien het niet (113). Jezus spreekt hier diepzinnige mantras van universele geldigheid: Jezus zeide: Welzalig is de mens, die lijdt, hij heeft het Leven gevonden (58).

Jezus zeide: Wordt zwervers (42)

Jezus zeide: Wie mijn woorden zal indrinken, zal worden als ik ben en ik zal worden wat hij is en de verborgenheden zullen hem geopenbaard worden (108).

Jezus zeide: Als jullie dat baart, wat jullie in je hebt, zal dat wat jullie in je hebt, jullie behouden; als jullie dat niet in je hebt, zal dat wat jullie niet in je hebt, je doden (70).

Jezus zeide: Het Koninkrijk van God is als een man, die een machthebber wil doden. Hij trok zijn zwaard in zijn huis, hij stiet het in de lemen wand om te zien of zijn hand sterk genoeg was: vervolgens doodde hij de machthebber (98).

Een gelijkenis is een beeld uit het dagelijkse leven, gezien met de scherpe blik van een onschuldig oog. Dat oog ziet de werkelijkheid: moord op een tiran kwam in de oudheid veel voor en

werd soms verheerlijkt. De verteller keurt niet goed wat hij ziet, hij gebruikt alleen een beeld om de pointe over te brengen op zijn hoorders.

Wat is hier de pointe? Misschien: bezint eer gij begint, ga na of je flink genoeg bent om Jezus te volgen op zijn zwerftocht. Dat is in feite heel onschuldig. Maar ik kan mij voorstellen,

dat Markus, toen hij zijn evangelie omstreeks 60 na Christus in Rome onder de rook van het paleis schreef, bij zich zelf dacht: 'deze gelijkenis beter niet, om misverstand te vermijden'.

Jezus zeide: Ik ging staan midden in de wereld en ik openbaarde mij aan hen in het vlees. Ik vond hen allen dronken, ik vond geen onder hen dorstig. En mijn ziel is bekommerd om de mensenkinderen, omdat zij blind zijn in hun hart en niet inzien, dat zij leeg in de wereld gekomen zijn en bezig zijn even leeg de wereld uit te gaan. Nu zijn ze nog dronken: maar als ze de wijn, die ze gedronken hebben, weer afgescheiden hebben, dan zullen ze tot bezinning komen (28).

Hier spreekt Jezus als de belichaming van de goddelijke Wijsheid. Zo sprak eens SOPHIA in het Eerste Testament: 'Daarna openbaarde ik mij op aarde en verkeerde ik onder de mensen' (Baruch 3, 38). Wie is nu de echte Jezus, de wijsheidsleraar of de eschatologische profeet van het einde, dat niet kwam?

Betere traditie


Wij kunnen nu bewijzen, dat de schrijvers van de kerkelijke evangeliŽn in sommige gevallen een eschatologische draai hebben gegeven aan een eenvoudig woord van wijsheid.

In het Evangelie van Thomas staat de gelijkenis van de visserman in deze bewoordingen: En hij zeide: de mens lijkt op een wijze visser, die zijn net werpt in de zee, hij trekt het op uit de zee vol kleine vissen; onder hen vindt hij een grote, goede vis, die wijze visser, hij gooit al de kleine vissen weg in zee, hij kiest de grote vis zonder hartzeer (8).

Deze spreuk komt uit de traditie van de Judese christenen. Zo vist men aan het Meer van Genesareth tot op de huidige dag. Een enkele visser staat in het water dicht bij de oever en gooit een werpnet uit. En iedere visser gooit de katvisjes weg, als hij ook een grote snoekbaars vangt. De bedoeling is duidelijk: de mens moet beslissen. De parel van grote waarde is meer waard van de koopwaar in de mars van de kramer. Het Koninkrijk van God, zaligheid hier en nu, is belangrijker dan de beuzelingen van elke dag.

MattheŁs heeft van deze gelijkenis een allegorische voorstelling van het laatste oordeel en het hellevuur gemaakt (MattheŁs 13, 47-50). Het minste dat men zeggen kan is, dat blijkbaar de kerkelijke evangeliŽn eenzijdig zijn. En helemaal eenzijdig zijn zij, die Jezus uitsluitend als een eschatologische profeet zien en iedere andere mogelijkheid verwerpen.

Intussen is het beeld van de visserman en de grote vis ook bij een Griekse fabeldichter te vinden (Babrios 4). Het was blijkbaar een universeel symbool, dat door Jezus werd gebruikt om zijn zeer speciale bedoelingen uit te drukken. In hoeverre was hij bekend met de beeldspraak van het Nabije Oosten, ook buiten Palestina, en was hij vertrouwd met esoterische tradities van het nabije AlexandriŽ? Het Evangelie van Thomas dwingt ons die vraag te stellen.

'De hond op de voerbak' was en is een spreekwoordelijke uitdrukking. De Engelsen zeggen nog: 'the dog in het manger'. Bij de Grieken was dit spreekwoord bekend. Volgens Thomas heeft Jezus gezegd:

Wee hen, de FarizeeŽn, want zij lijken op een hond die slaapt op de voerbak van de ossen: zelf eet hij niet en hij duldt niet dat de Ossen eten (102).

Dit woord is zeer aanschouwelijk. Daar is de waakhond op de boerderij, de magere wolfshond van het Nabije Oosten. Daar zijn mijn trouwhartige ossen, die terugkomen van hun werk en niet bij de voerbak durven komen omdat zij de hond kennen. Kijk zo is nu een FarizeeŽr. Zelf aanvaardt hij Jezus niet en hij verhindert het volk dat wel te doen.

Heeft een volgeling op die manier de eerdergenoemde Hebreeuwse beeldspraak (van logion 39) over de sleutelen van het Koninkrijk, in het Grieks overgezet? Of kon Jezus zich ook algemeen menselijk uitdrukken?

Kennis voor ingewijden

Nog belangrijker zijn de overeenstemmingen tussen Thomas en de driewerf grote Hermes, HERMES TRISMEGISTOS. Er bestond in AlexandriŽ een soort van loge, die Hermes vereerde. De ingewijden van deze gemeente hadden sacramenten als een bad der wedergeboorte, een heilige maaltijd en een vredeskus. Hun geschriften die bewaard zijn, het zogenaamde Corpus Hermeticum, zijn een mengsel van Grieks denken, joods geloof en Egyptische religie, zonder enige christelijke invloed.

Onlangs is in ArmeniŽ een verzameling spreuken van Hermes Trismegistos gevonden, welke in AlexandriŽ in voorchristelijke tijden is ontstaan. Eén van die Woorden luidt: Wie zich zelf kent, kent het Al. Volgens het Evangelie van Thomas heeft Jezus gezegd: Wie alles weet, maar zichzelf niet kent, weet niets (67).

Was Jezus bekend met de geheime leer der Hermetici in het nabije AlexandriŽ? Of is die spreuk later ingeslopen?

Die vraag wordt bepaald dringend bij Spreuk 62; Jezus zeide: Ik vertel mijn geheimenissen aan hen die mijn geheimenissen waardig zijn. Dit is een variant van een woord van Jezus buiten de bijbel, dat ontelbare malen wordt overgeleverd. In de Pseudo-Clementinen (19, 20), die uit een Judees christelijke bron putten, luidt het: 'Bewaart de mysteriŽn voor mij en de zonen van mijn huis'. Zonen heeft hier geen lichamelijke betekenis, zoals zo vaak in het Hebreeuws. 'Zonen van mijn huis' betekent: 'mijn volgelingen, ingewijden'. De bedoeling  van de spreuk is, dat de geheimenissen, die Jezus openbaart, alleen voor ingewijden bestemd zijn.

Markus (13, 11) kende dit woord ook. Volgens hem zei Jezus tot zijn leerlingen: Aan jullie is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk van God te kennen, maar voor buitenstaanders spreek ik volledig in raadselen (4, 11).

Dat is helemaal Helleens en in de trant der mysteriŽn gedacht. Er zijn ingewijden, die esoterisch onderwijs krijgen en gnosis van de geheimenissen hebben, en er zijn buitenstaanders die exoterisch onderwijs krijgen.

Dat zegt ook Hermes Trismegistos: 'Het is niet mogelijk aan oningewijden zulke mysteriŽn te openbaren' (Cyrillus Alexandrinus, Contra Julianum 1,556 A). Was de esoterische wijsheid van de Hermetische loge tot in Galilea uitgestraald? Wordt hier een volkomen onbekende kant van Jezus onthuld?

Eén ding staat vast. CLEMENS VAN ALEXANDRIň zegt met zoveel woorden dat het Woord van Jezus: 'mijn mysterie voor mij en de zonen van mijn huis' in een (verloren gegaan) evangelie stonden, dat wij nu apocrief zouden noemen. De auteur van 'Thomas' schijnt dus geput te hebben uit een judees-christelijk evangelie, dat dit woord bevatte. Want in de vier kerkelijke evangeliŽn staat het niet. En dat kan van belang zijn voor de uitleg van het laatste Woord, dat wij bespreken:Jezus zeide: Ik zal dit huis verwoesten en niemand zal het weer kunnen opbouwen (71).

Je hoort bij wijze van spreken het Aramese accent van dit woord. 'Dit huis' betekent: 'deze tempel', de tempel in Jeruzalem. De uitdrukking wordt dikwijls in het Eerste Testament gebruikt: habaiith hazzaeh. Dit Woord voorspelt de vernietiging van de tempel, die inderdaad bij de val van Jeruzalem heeft plaatsgevonden. Er is geen steen op de andere gebleven, tot op de huidige dag. En daaraan wordt iets toegevoegd, dat volstrekt uniek is: niemand zal die tempel ooit weer opbouwen.

Tot op de huidige dag geloven aanhangers van het judaÔsme dat de Messias aan het einde der tijden de tempel weer zal opbouwen. Op het ogenblik trachten uiterst rechtse Amerikanen en fanatieke IsraŽli's zo nu en dan de islamitische heiligdommen op het terrein van de voormalige tempel op te blazen om het werk van de komende Messias voor te bereiden. Al in de Oudheid leerde men dat de Messias de tempel weer opbouwt. Maar hier zegt Jezus dat dat nooit zal gebeuren. Dat is zo uitzonderlijk, dat het Woord wel echt zal zijn.

Mogelijk is het ontleend aan een beschrijving van de lijdensgeschiedenis in een verloren judees-christelijk evangelie, want op zichzelf is het welhaast onbegrijpelijk. Maar nu kunnen wij dit Woord plaatsen in een historisch verband.

Laatste dagen van Jezus

In de lente van het jaar dertig verliet Jezus met enige van zijn volgelingen Galilea en trok naar het zuiden om Pesach, het feest van de bevrijding, in Jeruzalem te vieren. Hij trok waarschijnlijk de Jordaan over op de doorwaadbare plaats bij Scythopolis, het tegenwoordige Beisan, ging zuidwaarts door het verstikkend hete dal van de rivier driehonderd meter onder de zeespiegel, kwam langs de mooie hellenistische steden Pella, Gerasa en Philadelphia, het tegenwoordige Amman, en waadde weer door de rivier bij Jericho.

Hij liet Qumran links liggen en kwam in BethaniŽ, ten oosten van Jeruzalem.
Toen hij afdaalde van de Olijfberg, zittend op een ezel, omgaf hem een menigte aanhangers. Onverantwoordelijke kreten werden gehoord: 'Hosanna' dat wil zeggen: 'Here, red ons (van de Romeinen)', 'Gezegend is hij, die nu komt in de naam des Heren, (de nationale bevrijder of Messias)'.

Dit alleen al moet de autoriteiten zorgen hebben gebaard, omdat Jeruzalem, een kleine stad van ongeveer 35.000 inwoners, overvol was met circa honderdduizend pelgrims. Bovendien konden wanordelijkheden worden gevreesd, omdat men verwachtte dat de nationale bevrijder met Pesach op de berg Sion in Jeruzalem zou verschijnen.

Jezus moet diep ontroerd zijn geweest toen hij de stad zag. Hij weende toen hij zei, dat Jeruzalem niet wist wat er moest gebeuren om de vrede te bewaren (Lukas 19, 41-42). Hij voorzag de ramp die, door het drijven van de fanatieke Zeloten, onverbeterlijke nationalisten, in 70 na Christus over Jeruzalem gekomen is.

Diegenen, die in de oude stad van Jeruzalem geweest zijn, kunnen zich goed voor ogen stellen, wat er gebeurd is.

Toen hij een van de poorten binnenreed, ging hij niet naar de verblijfplaats van de Romeinse stadhouder aan de andere kant van het stadje, bij de tegenwoordige Jaffapoort. Hij bond de strijd niet aan met de Romeinen. Hij ging niet rechtuit, maar sloeg linksaf, naar de nabijgelegen tempel.

Die was kortgeleden gebouwd door een namaakjood, koning HERODES, om het vrome volk zoet te houden, toen hij de grote stad Caesarea aan de Middellandse Zee hoofdstad van zijn koninkrijk maakte en daar een andere tempel bouwde die gewijd was aan zijn ware god, de Romeinse keizer AUGUSTUS. Iedere jood in de hele wereld - er waren er destijds naar schatting tien miljoen - werd geacht ieder jaar een tempelbelasting te betalen voor het heiligdom in Jeruzalem. Het bestuur van de tempel beschikte over aanzienlijke kapitalen om te beleggen

Het huis des Heren was een bank geworden met onmetelijke financiŽle en economische macht.     

Bovendien had het priesterdom de alleenverkoop van de nodige offerdieren. Geldoffers moesten gebracht worden in de voorgeschreven munt. Dit was het Tyrische didrachmegeldstuk, ook al droeg dat de beeltenis van de  heidense god Melkart. Een hele troep van handelaars en geldwisselaars verdiende in de tempel zijn brood aan de openbare godsdienst.

Jezus deed een laatste poging om het huis van God te behoeden voor de verwoesting, die hij voorzag. Hij wilde dat de tempel het heiligdom zou worden voor alle volken van de wereld, de verenigde naties van het Koninkrijk Gods, dat Jeruzalem als middelpunt zou hebben. Wat hij zag was een rovershol. En dat zei hij ook: 'Mijn tempel zal een heiligdom van meditatie en aanbidding zijn voor alle volken, maar jullie  hebt van dit godshuis een rovershol gemaakt' (Markus 11, 17).

Hij was niet de eerste die dit oordeel uitsprak. Lang voor hem, in 609 v.C., had de profeet JEREMIA dezelfde uitdrukkingen gebruikt: 'Is dit huis (deze tempel) dat naar mijn naam genoemd is, een rovershol in jullie ogen?' (7, 11). Jezus begon de kopers en verkopers van het tempelplein af te jagen, hij gooide de tafels met geld van de wisselaars en de zitbanken van de duivenverkopers omver. Onderwijl hielden zijn volgelingen voor enige tijd een deel van de tempel bezet en lieten niet toe, dat nog iemand een voorwerp over het tempelplein droeg. Dit was het heilige protest van een religieuze hervormer tegen de snuisterijen der vroomheid. Hij wilde een commercieel geloof verheffen tot een echte, ware religie.

Zijn gedrag verontrustte de leiders van het godsdienstige bestel. Zij traden op hem toe en vroegen hem, wie hem de bevoegdheid had verleend om te handelen zoals hij deed. Daarop moet Jezus geantwoord hebben, terwijl hij op de tempel wees: ĎIk zal dit huis verwoesten en niemand zal het weer kunnen opbouwen.'

De verwoesting van de tempel

De latere volgelingen waren kennelijk in verlegenheid gebracht door deze merkwaardige uitspraak. De schrijver van het vierde evangelie, het Evangelie van Johannes, levert ditzelfde Woord over in een enigszins gewijzigde vorm: Als jullie deze tempel afbreekt, zal ik hem in drie dagen doen herrijzen (2, 19). En dan legt hij uit, dat Jezus dat overdrachtelijk bedoelde en liet slaan op zijn lichaam dat na drie dagen zou opstaan. Maar Jezus moet het letterlijk bedoeld hebben.

Volgens de Handelingen van de Apostelen beschuldigen een paar valse getuigen voor het Sanhedrin in Jeruzalem een christelijk leider, STEPHANUS, ervan dat hij blasfemie tegen de tempel pleegt: 'Want wij hebben hem horen zeggen dat deze Jezus de NazoraeŽr deze plaats (semitisme voor: deze tempel) zal afbreken' (6, 14). Een eenvoudige profeet uit Galilea denkt dat hij persoonlijk de hele tempel van Jeruzalem zal verwoesten? Dat zou hoogmoedswaanzin zijn. Maar Jezus was gezond van geest.

Markus (14, 58) en MattheŁs (26, 61) vermelden dat dit Woord werd aangehaald tijdens het proces van Jezus. Zij voegen daaraan toe dat dit gedaan werd door valse leugenachtige getuigen. Het is mogelijk dat zij zijn Woord verdraaid hebben, maar Jezus moet wel zoiets gezegd hebben.

Het Evangelie van Johannes (2, 19) legt hem de woorden in de mond: Als jullie deze tempel afbreekt, zal ik hem in drie dagen doen herrijzen. Het vermeldt dat Jezus dit gezegd heeft tijdens zijn actie in de tempel. En dat klinkt zeer aannemelijk. Alles wordt duidelijk, wanneer wij ervan uitgaan, dat Jezus een profeet was en dat profeten het woord van God spreken. Niet zij spreken, maar God spreekt door hen.

Jeremia kreeg in 609 v.C. het bevel van zijn Here om in de poort van de tempel in Jeruzalem te gaan staan en het woord van de Here te verkondigen: ĎIk zal met dit huis dat mijn naam draagt... hetzelfde doen als ik met Silo gedaan heb' (7, 14). Dat betekent, dat God de tempel van Jeruzalem zal verwoesten. En dat is ook inderdaad gebeurd, in 587 v.C., door de hand van de BabyloniŽrs.

Daarop wilden de priesters en alle aanwezigen Jeremia doden. Maar deze profeet verdedigt zich en zegt, dat het in opdracht van zijn Here was dat hij alle bedreigingen tegen deze tempel heeft uitgesproken (26, 12).

Zo voorspelt Jezus, dat God de tempel zal verwoesten. En dat is ook inderdaad gebeurd, in 70 na Christus, door de hand van de Romeinen. Jezus bewijst door de keuze van zijn woorden, dat hij geÔnspireerd is door Jeremia. De woorden: dit huis, habbayith hazae, zijn een gangbare uitdrukking om de tempel aan te duiden en worden vaak door Jeremia gebruikt, ook in de aangehaalde hoofdstukken. De toespeling was duidelijk, vooral voor tijdgenoten van Jezus. Maar volgens hen was het Woord van Jezus blasfemie van de tempel. Daar stond de doodstraf op.

Tegen bet bestel

Voor of na dit voorval vertelde Jezus een gelijkenis, waarin hij heimelijk waarschuwde voor het doldrieste drijven der Zeloten, die later met hun opstand zoveel rampspoed over het joodse volk hebben gebracht. Hij beschreef met de gebruikelijke aanschouwelijkheid een revolutionaire situatie in Galilea: pachters weigeren om de pacht te betalen aan de grootgrondbezitters in de verre stad, een eeuwenoude droom gaat in vervulling, nu wordt de grond eindelijk het bezit van hen die hem bebouwen, een edele en gerechtvaardigde opstand, die onherroepelijk tot moord en doodslag leidt.

Een gegoed man bezat een wijngaard. Hij verhuurde die aan boeren, opdat zij hem zouden bewerken en hij de pacht ervan zou ontvangen van hen. Hij stuurde een van zijn knechten opdat de boeren dien de pacht van de wijngaard zouden betalen. Zij grepen zijn knecht, zij sloegen hem, het scheelde weinig of zij hadden hem vermoord. De knecht ging terug, hij vertelde het zijn eigenaar. De eigenaar zei: Misschien hebben zij hem niet herkend. Hij stuurde een andere knecht. De pachters sloegen ook die ander.

Toen stuurde de eigenaar zijn zoon. Hij dacht bij zich zelf, misschien zullen zij ontzag hebben voor mijn zoon. Omdat de pachters wisten, dat dit de erfgenaam van de wijngaard was, grepen en vermoordden zij hem.

Aldus de oorspronkelijke vorm, bewaard door het Evangelie van Thomas (65). Deze gelijkenis maakte Jezus zeker niet geliefder bij de Zeloten en de leiders van het bestel.

Paaslam

Misschien op de dag dat hij de tempel bezette, misschien iets later, twee dagen voor Pesach, trok Jezus zich terug naar de bovenverdieping in het huis van een volgeling. Daar werd, samen met zijn vrienden, de avondmaaltijd genuttigd, in een gespannen en sombere stemming. Het was de gewone maaltijd van een broederschap, met brood en wijn, niet de viering van Pesach, met een geslacht lam, bittere kruiden en ongezuurd brood, die door de inwoners van Jeruzalem pas twee dagen later op de vooravond van de 15de Nisan zou worden gehouden. Zoals altijd, sprak hij een zegen bij het begin van de maaltijd. Zich volledig ervan bewust dat zijn einde naderde, zei hij dat het brood dat hij brak (niet: sneed), zijn vlees was en de wijn, die hij in de bekers schonk, zijn bloed. Vlees en bloed waren een gebruikelijke omschrijving voor het leven, dat hij bereid was te offeren om althans zijn vrienden te redden. Het maal eindigde met een dankgebed, dat in het Grieks Eucharistia wordt genoemd. De hele groep op één na wandelde door de vallei naar een olijfgaarde, Gethsemane geheten, op de berg ten oosten van Jeruzalem. De stad was vol toeristen: op het eind van zijn leven was er, als bij het begin, geen plaats voor hem in de herberg.

JEHUDA, beter bekend als Judas Iskariot, was zijns weegs gegaan. Als hij werkelijk een sicarius, het Latijnse woord voor Zeloot, was, zoals zijn bijnaam schijnt aan te duiden, moet hij ontgoocheld zijn geweest. Jezus had niet de Romeinen weggejaagd, zoals van de Messias verwacht mocht worden, maar zich tegen de tempel gericht. De opmerking dat niemand, zelfs niet de Messias, ooit de tempel zou opbouwen, was in de oren van een Zeloot onvaderlandslievende taal. Daarom lichtte de teleurgestelde volgeling de autoriteiten in en leidde een troep gewapende mannen naar de verblijfplaats van de groep. Jezus gaf zich zonder enig verzet over en redde zo het leven van zijn vrienden, die toen niet aangehouden en later niet opgespoord werden.

In een stilzwijgende afspraak tussen hen die het meest belang hadden bij wet en goede orde, de Sadducese priesters en de Romeinse landvoogd PONTIUS PILATUS, werd Jezus ter dood veroordeeld.

Zijn misdaad was zuiver religieus, een tragische botsing van plichten als geen ander: hij had zich schuldig gemaakt aan blasfemie tegen de tempel omdat God hem daartoe noopte. Volgens de  evangeliŽn slaagden de SadduceeŽn van het Sanhedrin erin, iedere bepaling van de Wet in één enkele zitting te overtreden. Dat bewijst nog niet dat de evangeliŽn het mis hebben. De ervaringen voor, tijdens en na de bezetting hebben ons geleerd, dat geen enkel bestel zich aan de wet houdt, als zijn belangen in gevaar komen. Bij zenuwachtige toestanden zijn altijd onschuldige mensen gedood na schertsprocessen.

'De werkelijke misdaad van Christus was alleen maar dat hij de waarheid sprak, die onverdraaglijk is voor alle vormen van gezag, vooral kerkelijk gezag', zegt MALCOLM MUGGERIDGE.

Daarom werd Jezus aan een kruis genageld alsof hij een opstandeling was. 'En met hem kruisigden zij twee opstandelingen, de één aan de rechterkant, de ander aan de linkerkant van hem' (Markus 15, 27).

Na enige tijd doorboorde een van de Romeinse soldaten zijn zijde met een lans en bloed en water spoten uit de wond. Johannes (19, 34) zegt dat Jezus toen al dood was. Maar volgens een betrouwbare overlevering buiten de bijbel, in het Diatessaron van Tatianus, gebeurde dat toen Jezus nog in leven was. Hij kreeg de doodsteek.

En zo gebeurde het in de namiddag van vrijdag de 14de Nisan, 8 april van het jaar onzes Heren 30, de dag voor Pesach, op het ogenblik dat het bloed van duizenden paaslammeren in de tempel stroomde, dat niet ver daarvandaan op een heuvel, Golgotha genaamd, dit volstrekt enige Lam Gods doodgebloed is.
 
Bron Ė Bres 135 - 1989

[1] Eschatologie is het geloof dat het laatste oordeel zeer nabij is