Mythes dragen veel kennis in zich, voor wie er ogen en oren voor heeft

ODUSSEIA
 

 
Mijn ziel zeilt op de oceaan
van ons lichamelijk bestaan
en 't is een veelbewogen vaart.

Het stoffelijke ebt en vloedt
voortdurend, kil of koortsig bloed.
Geen storm wordt aan de mens bespaard.

Maar scheurt het zeil, breekt ook de mast,
we varen voort, lichtere last,
op het tempeest der elementen,

naar de windstilte van de lente,
naar 't eigen land van elke ziel,
dank zij de geest, dat stuur, die kiel.

Johan Daisne. 1978
 
 
 
 
 
 
 
 
01. Inleiding


Het Griekse woord mythos, waarvan de Nederlandse term mythe is afgeleid, betekende oorspronkelijk ge≠woon 'woord', 'gezegde' of 'verhaal'. Pas in de 4de eeuw n. Chr., na het werk van de Griekse schrijver He≠rodotos, met name zijn verhaal over de oorlog tussen de Grieken en de Perzen, ontstond in het Griekse den≠ken het begrip van de historische feitelijkheid. Mythos ging toen dus 'fictie' betekenen en zelfs 'vervalsing', in contrast met logos, het 'woord der Waarheid'. Vanaf toen werd ook erkend dat logos altijd een auteur met naam en toenaam had, die in de joodse, christelijke en islamitische tradities God zelf kan zijn; terwijl mythos anoniem is, afkomstig uit een onkenbaar oude en verre bron.

TheorieŽn over mythen

Hoewel Herodotos de mythos neerbuigend afwees, hebben mythische verhalen de verbeelding door de eeu≠wen heen in hun greep gehouden en zijn er door weten≠schappers en filosofen talloze pogingen gedaan om het geheim van hun aanhoudend succes te onthullen. In het begin van de moderne tijd beweerde de Italiaan Giam≠battista Vico in zijn Scienza Nuova (De nieuwe weten≠schap) uit 1725 dat mythen geen verdraaide versies van Bijbelse verhalen waren, zoals toen in Europa algemeen werd aangenomen, maar eerder fantasierijke pogingen om de geheimen van het leven op te lossen. Als zodanig waren ze vergelijkbaar met moderne wetenschappelijke theorieŽn, maar dan in een eerder stadium van de men≠selijke ontwikkeling.

Latere wetenschappers probeerden één enkele verkla≠ring voor het ontstaan van mythen te vinden. Een be≠roemde 19de-eeuwse vertegenwoordiger van die be≠nadering was de Duitse folklorist Friedrich Max MŁller, volgens wie alle mythen van de Indo-europese volken ontsproten uit symbolische verhalen of allegorieŽn over natuurverschijnselen zoals de zon of het ochtendgloren, voorzien van menselijke trekjes. Een voorbeeld was de oude Griekse mythe over Persephone, een meisje dat door Hades, de koning van de onderwereld, ontvoerd werd; twee derde deel van elk jaar mocht ze in de boven≠wereld leven, maar in de winter moest ze naar de Hades. MŁller dacht (wat achteraf gezien voor de hand ligt) dat het verhaal oorspronkelijk de seizoenswisseling op het noordelijk halfrond van winter en zomer symboliseerde.

Ook de Britse antropoloog J.G. Frazer was een in≠vloedrijke onderzoeker. Zijn twaalfdelige werk The Golden Bough (1911-15) was een verzameling mythi≠sche verhalen uit de hele wereld over het thema van het goddelijke koningschap en over de rituele offering van koningen, die door hun opvolgers vermoord werden zodra ze te oud waren om nog te kunnen regeren. Een soortgelijke hypothese is onlangs door Walter Burkert gepresenteerd, een Duitse folklorist die in 1979 'zonde≠bok-mythen' interpreteerde als overblijfselen uit de tijd van de primitieve mens die, naar men aanneemt, vaak genoodzaakt was een zwakker groepslid op te offeren aan vleesetende dieren die hem achtervolgden, zodat de anderen konden vluchten.

Bewustzijn en maatschappij

Anderen hebben ter verklaring van de aanhoudende aantrekkingskracht van bepaalde mythen, of van my≠then in het algemeen, het innerlijk van de mens bestu≠deerd; zij meenden dat mythen in de pas liepen met vaste eigenschappen van de menselijke geest of de psyche. Een voorbeeld is Sigmund Freuds lezing van de Griekse mythe van Oidipous, waarin de held zon≠der het te weten zijn vader vermoordt en met zijn moeder trouwt. Volgens Freud geeft dit oude verhaal de onbewuste gevoelens weer die alle jonge mannen ten opzichte van hun ouders hebben. Freuds mede≠werker en latere tegenstander Carl Gustav Jung heeft een algemene theorie over mythen opgesteld. Volgens deze Zwitserse psychoanalyticus ontlenen de mythen hun geheimzinnige kracht aan het feit dat de belang≠rijkste figuren de belichaming zijn van primitieve ar≠chetypen die een grote invloed hebben uitgeoefend op de menselijke psyche, zoals de Oude Grijsaard of de Moeder.

Gnostisch bekeken

Wanneer we de mythen bekijken met het bewustzijn van de gnosticus zal duidelijk worden dat de mythen ook een manier waren om de esoterische wijsheden van een volk, in verhaalvorm, door te geven van geslacht op geslacht. MysteriŽn die niet openlijk konden verkondigd worden, om verschillende redenen, konden op deze manier toch doordringen in het bewustzijn van de mens. Ik denk hierbij ook aan de gewoonte van Jezus om aan de gewone mensen zijn wijsheden te leren door middel van parabels.

Wanneer we eenmaal geleerd hebben om op de juiste manier te kijken, wanneer we daarvoor de juiste bewustzijnstoestand hebben bereikt, dan vinden we dezelfde eeuwige wijsheden en waarheden zowel in al de heilige boeken van de  grote religies als in de mythen en legenden van alle volkeren, ja zelfs in sprookjes. Laat ons hier enkele van deze mythen wat nader bekijken, in het licht van de gnosis.
 
 
 
 
   02. Dionysos  
 
 
 Dionysos, een eeuwigheidsimpuls in de tijd.

 

WIE WAS DIONYSOS? Verschillende historici probeerden het geheim van deze god te ont≠sluieren en filosofen en religiewetenschappers lichtten zijn mythe door. De verering van Dionysos verspreidde zich in het gebied van de Middellandse Zee, Klein-AziŽ, Egypte en India. Verschillende bronnen berichten dat de oorsprong ervan in ThraciŽ was, het huidige Bulgarije. ThraciŽ zag men als het heilige land, het 'land van het licht', omdat daar de oude heiligdommen van Zeus, Kronos en Uranos staan. Daar vind je ook oeroude heiligdommen van Dionysos. In een van de oudste overleve≠ringen uit ThraciŽ wordt gezegd: ęIn het begin schiep de tijd het zilveren wereldei. Daar kwam Phanes Dionysos uit. Hij is tweeslachtig en draagt het zaad van alle goden en mensen in zich.Ľ

Inderdaad is het zeer waarschijnlijk dat de Dionysoscultus zich van ThraciŽ via de zijderoute over de wereld verspreidde. In de Oude Wereld genoot Dionysos grote verering. Als men zich evenwel alleen laat leiden door de historische invalshoek zal de diepgang, die heel andere werkelijkheid van de Dionysos-idee, zich aan het bewustzijn onttrekken. Er moet een niveau van innerlijk weten aanwezig zijn om in Dionysos die naam≠loze maar steeds opnieuw naamgegeven eeu≠wigheidsimpuls te ontdekken die sinds het be≠gin van zijn bestaan actief is in de wereld en in de mensheid. Deze impuls komt als boodschap tot de mens en alle mensheidsperioden weer≠spiegelen deze in aangepaste woorden en beel≠den. Vastgelegd in heilige geschriften is hij als een lichtende straling merkbaar in de mythen en sprookjes van de volkeren.

De Grieken na≠men deze impuls op hun manier over in hun mythologie. In een van hun mythen is Dionysos de 'trigonosí de driemaal geboren zoon van Zeus. De god verwekt Dionysos bij de aard≠moeder Demeter. Na deze geboorte bestijgt het kind Dionysos de goddelijke troon. Hij wordt door de titanen gedood terwijl hij zich in de spiegel bekijkt. Zij scheuren hem aan stukken en verslinden hem. Maar zijn hart wordt door hen over het hoofd gezien, en het is Athene, de goddelijke wijsheid, die het redt. Zij geeft het aan Zeus die het in zich opneemt. De titanen verbranden door een bliksemschicht van de godenvader en de as van hun verkoolde licha≠men verandert in de stof waaruit ook de men≠sen ontstaan.

Opnieuw verwekt Zeus een zoon, deze keer bij de sterfelijke vrouw Semele. Zij kan de god niet zien; als sterfelijke vrouw kan zij zijn aanblik niet verdragen en verbrandt. Zeus redt zijn kind uit haar stervende lichaam en dat is de tweede geboorte van Dionysos.
De god voldraagt zijn zoon nu in zijn dij. De geboorte van Dionysos uit het lichaam van de godheid is zijn derde geboorte. Nu draagt hij de bijnaam 'Iacchos' wat onder andere 'lichtbren≠gende ster' betekent.

Hermes, de Griekse bood≠schapper van de goden, geeft het net geboren kind aan de nimfen van Nias, die het in stilte en eenzaamheid opvoeden. Uit deze stilte komt de godenzoon de wereld binnen. Met zijn energie doordringt en verovert hij de wereld; als 'lyaiosí: hij die alle menselijke zorgen wegneemt, en als 'soter: redder uit alle nood.

Hij huwt de eenzame Ariadne, die zich van haar trouweloze geliefde Theseus heeft afgewend. Door de 'hierosgamosí: het heilige huwelijk, bereikt Ariadne onsterfelijk≠heid en stijgt met Dionysos op naar de hemel. In de mythe herkennen wij de voortdurende val van de eens goddelijke schepping. God - bij de Grieken weergegeven als Zeus - wil zich open≠baren en zendt zijn energie in Demeter, de oer≠materie. Daarin ontstaat de oorspronkelijke mi≠crokosmische schepping.

Deze is één met God, en groeit in een voortdurende wisselwerking van krachten met Hem. Maar de krachten van de materie, weergegeven als de titanen, maken zich geheel meester van het godenkind. Alleen diens hart, zijn innerlijke geestelijke essentie, blijft behouden en wordt door de goddelijke energie weer opgenomen.

Plutarchus, de Griekse historicus die leefde van 46 tot 127, spreekt over het hart van Dionysos als de 'anima mundií: de wereldziel, het bezielende element van de macrokosmos. De levensvormen kristalliseren als zij gegrepen worden door eigen≠willigheid en zelfhandhaving. De goddelijke energie wordt door hen niet meer op harmoni≠sche wijze ervaren, maar als donder en bliksem. Op de spanningsboog die zodoende ontstaan is, ontlaadt de goddelijke kracht zich en lost die vormen op die niet overeenstemmen met de goddelijke idee. Eens gebeurde dit als karmische catastrofe, als een donderslag werd toen ons universum 'geborení.

Maar het herhaalt zich voortdurend in de thans ontwikkelde 'kleinere wezensí: de sterfelijke mensen. In hen is een ver≠menging van krachten actief; namelijk de titan≠ische, dialectische krachten en een restje van de oorspronkelijke goddelijke energie. En het is een groot wonder dat dit lichtelement in de gestalte van de duisternis, het materiŽle lichaam, nog werd achtergelaten. Goethe laat Mefisto in zijn Faust hierover zeggen:

"Ik ben deel van het deel, dat vroeger alles was,
deel van het duister dat het licht heeft voortgebracht,
dat trotse licht dat sinds die tijd
de heerschappij van moeder nacht bestrijdt.
Maar 't is een tweegevecht dat het nooit wint
omdat het zich aan ieder lichaam bindt.Ē

 
≠Het vermengen van de verschillende soorten energie is de verklaring voor het feit dat Dionysos steeds weer gerelateerd wordt aan waanzin, extase en gruwelda≠den. De verbinding van materie en geest, de gevangenschap van het licht in de stof, veroorzaakt onrust en gisting in de mens. De mens wordt door Dionysos, de inner≠lijke goddelijke essentie, steeds weer gesti≠muleerd zijn leven een andere richting te geven. Er komen in hem vreemde idealen, voorstellingen en ideeŽn op.

Door de tegenstelling van idealen met het gewone leven ontstaat een innerlijk conflict. Het leven van de geest kan niet op een lijn gesteld worden met het leven in de geval≠len natuur. Maar het lijkt wel of de mens niet anders kan dan toch de geestelijke idealen proberen te verwerkelijken in de materiŽle wereld. De hoop daardoor een beter leven te krijgen leidt tot talrijke ex≠perimenten. De mens tracht het onmoge≠lijke te bereiken, raakt daardoor steeds meer verstrikt in de materie en creŽert veel leed voor zichzelf en zijn medemens.

Richt je op het hart van Dionysos

Elk mens ervaart meer of minder sterk deze in≠nerlijke onrust, verscheurdheid die ontstaat uit de vermenging van deze krachten. Hoe vaak worden wij door gedachten, gevoelens en verlangens gedreven die ons op het horizontale vlak houden, hoewel wij toch hooggestemde idealen willen volgen. Wij doen het Licht onophoudelijk geweld aan, niet door boze opzet maar vanwege het feit dat wij uit de materie van de titanische energie zijn gevormd. Het is een steeds weerkerend dilemma.

Het oorspronkelijk goddelijke wil zich losmaken uit de materie maar wordt door het lichaam, de stof, afgeremd. De materiŽle krachten van deze wereld willen vasthouden wat zij eenmaal hebben ingepalmd. De mens wordt voortdurend dieper in de greep van de materie gedreven; in de geschiedenis van de mensheid tekent deze situatie zich duidelijk af. Deze onrust, de steeds terugkerende ervaring van waan en dood kan echter leiden tot inzicht in de eigenlijke opgave. Door deze opgave te overpeinzen, door gericht te zijn op het hart van Dionysos, wordt een weg ontsloten die uit de diepste stoffelijke gebieden terugvoert in het goddelijke levensveld. God heeft zijn energie in de mensen laten indalen, in Semele, de sterfe≠lijke ziel met haar aardse bewustzijn. In haar kan het goddelijke kind zich ontwikkelen. Zij kan echter alleen zijn innerlijke geboorte be≠werkstelligen. Zij mag het niet beschouwen als gelijk aan haar.

Als de ik-persoon naar het goddelijke reikt, ontstaat een spanning die deze niet kan verdragen. De geboorte uit God voltrekt zich in een zielenlichaam dat zich vormt uit de geestkern. De mens is geroepen dit mogelijk te maken. In Dionysos-Iacchos komt dit proces tot stand. De myste of kandidaat, die de mysteriŽn binnengaat, kan door zijn ontwikkeling en inzicht de verlossing van de lichtmens bewerk≠stelligen! De wordende godenzoon overwint stap voor stap de krachten van de titanen. Dionysos en Ariadne, nu als opnieuw geboren zielen, trekken verenigd het goddelijke levensveld binnen. Geest en ziel vieren het heilige huwelijk. In Griekenland vereerde het volk Dionysos ook als God van de groei. Hier treffen we het uiter≠lijke aspect aan van het beschreven proces. De Grieken vierden door dit grotendeels onbewuste diepe weten de aankomst van Dionysos als de aankomst van het licht, van le≠vensvreugde en van het vreugdevolle groeien.

De mysteriŽn

Elke religie relateert in essentie aan deze ver≠binding. Elke religie is gekleed in het gewaad van haar tijd. Het uiterlijke gewaad toont de kleuren en patronen die gevormd worden door de verschillende inzichten en het be≠wustzijn van haar aanhangers. Daaruit resul≠teren bijvoorbeeld de vele stromingen in het christendom; maar ook de meningsverschillen onder elkaar. De algemene visie van de volks≠religie is echter nooit de innerlijke weg. De aanhangers van de Dionysosstroming kenden naast de zinnenstrelende feesten, de uiterlijke mysteriŽn,  ten slotte ook de geheime, innerlijke mysteriŽn.

In de uiterlijke mysteriŽn maakte men de algemene kosmische verbanden duidelijk. In de deelhebber wekten de priesters de kennis van zijn goddelijke afkomst. In de innerlijke myste≠riŽn verbonden zij hem met een energie die hem in staat stelde de weg naar zijn bestem≠ming te volgen. Er is ons maar weinig overge≠leverd over de innerlijke mysteriŽn van Dio≠nysos, want de essentie van de mysteriŽn werd overwegend mondeling aan de inwijdelingen overgedragen. Door alle tijden heen werden de geheimen in de mysteriescholen be≠schermd voor vervlakking en daardoor voor het verlies van hun kracht.

Bij de inwijding in de hermetische leer zei Hermes Trismegistos bijvoorbeeld tegen de ingewijde leerling: ę... de verborgen waarheden kunnen slechts een beperkt aantal deelgenoten hebben, of zelfs helemaal geen. Want het is er zo mee gesteld: zij zetten kwaadwillende mensen aan tot kwade daden. Daarom moet men zich hoeden voor de mensen, voor wie de innerlijke kracht van deze gedachten nog niet te begrijpen is.Ľ

Een groot deel van de berichten over de god Dionysos die elkaar zo tegenspreken kan verklaard worden door de volkse interpretatie, de uiterlijke en de innerlijke mysteriŽn. Alle overleveringen en mythen, alle heilige ge≠schriften en woorden over een waarheid blijven leeg en krachteloos en vormen kennis zonder wijsheid, zolang deze niet op vitale wijze innerlijk beleefd worden. Alleen voor hem die de uiterlijke gewaden doordringt, valt alle tegenspraak weg en alle goddelijke namen worden één naam, één trilling waardoor de gehele schepping vibreert.

"Men kan de hoogste God met alle namen noemen: Men kan Hem echter geen enkele toekennen.Ē (Angelus Silesius)

Bron: Pentagram nummer 2 - maart/april 2007

 
 
   03. Oedipus en de Sfinx    
 

Het Raadsel van de Sfinx.

De sfinx is de draak die wij kennen uit het sprookje, de draak die verslagen moet worden. Maar bij deze onderneming verliezen, zoals wij we≠ten, honderden jonge mannen hun leven. Zo ook in ons verhaal. Het geheim van de sfinx is een raadsel dat over leven en dood beslist. Het is het geheim van de natuur, van de mate≠rie, van de moeder (mater - materia), van de aarde (humus) en van de mens (homo). Wie aan moeder aarde niet haar geheim ontrukt en haar daardoor van haar macht berooft, wordt door haar teruggenomen, want' gij zijt stof en tot stof zult gij weder≠keren'. Dit geheim is inhoud van alle geheime leren. Dit geheim maakt de mens tot drakendoder.

Het raadsel van de sfinx luidt:

'Een tweevoetig wezen is er op aarde
en een viervoetig ≠
geroepen met hetzelfde woord,
en ook drievoetig.

De gestalte alleen onderscheidt zich
van alle levende wezens,
die zich op aarde, in de lucht
en in de zee bewegen.

Schrijdt het voort, steunend
op de meeste voeten,
dan is de snelheid zijner ledematen
het geringste. '

 

De sfinx, als hoedster van de drempel, geeft dus een initiatie≠raadsel op en Oedipus lost het op door te antwoorden:

'De mens heb je bedoeld, die, net geboren,
nog op aarde rond kruipt,
eerst viervoetig is.

Als hij echter oud wordt
en met gebogen rug
onder de last van de ouderdom

als derde voet de stok gebruikt,
dan is hij ook drievoetig.'

(volgens Karl Kerényi)

 

Het raadsel ontpopt zich dus als het raadsel van het mens-zijn. Oedipus kan het juiste antwoord geven, maar hij begrijpt het niet. Hij begrijpt de diepte van het probleem niet, hij herkent slechts de oppervlakte van de vraag. Vanuit deze oppervlak≠kigheid gelooft hij ook de sfinx te hebben verslagen, gelooft hij dat hij het gevaar overwonnen heeft en waant hij zich veilig in de bedrieglijke veiligheid van zijn intellectuele hybris. En zo beseft hij niet dat de sfinx in werkelijkheid niet verdwijnt, maar slechts van gestalte verandert en al heel gauw als konin≠gin Iokaste weer op zijn weg komt. De werkelijke oplossing van het raadsel zal de rest van zijn leven in beslag nemen.


Laten wij wat nauwkeuriger kijken naar het raadsel van de sfinx. Er bestaat dus een wezen dat zich van alle andere levende wezens onderscheidt door het feit dat het een wisse≠lend aantal benen heeft, dat wil zeggen, dat het metamorfosen doormaakt, die wij ontwikkelingsfasen noemen. Het verschil≠lend aantal benen typeert verschillende standpunten waar≠mee wij in het leven staan, typeert verschillende bewustzijns≠houdingen waarmee wij in het leven te maken krijgen. Nu hebben van oudsher de onderscheiden getallen behalve hun numerieke waarde ook een kwalitatieve betekenis, die men moet kennen om de inhoud van het raadsel te begrijpen.

Het getal 4 heeft betrekking op ontplooide polariteit (2 x 2) en staat voor onze materiŽle wereld, de wereld van de vier elementen. Tegelijkertijd vertegenwoordigt de 4 ook volledig≠heid.
Zo heeft de Tibetaanse mandala vier poorten, het jaar vier jaargetijden, de aarde vier windstreken. In de pythagorische geheime leer werd de 4 onder de naam Tetraktys als oor≠sprong en grondslag van de wereld vereerd. Deze paar verwij≠zingen moeten voldoende zijn om te begrijpen dat de fase van het kind-zijn van de mens, waarin hij zich op handen en voeten voortbeweegt, een bewustzijnstoestand betekent, waarin de mens geheel omringd is door materiŽle wereld en zich met haar en daarmee ook met zijn eigen materiŽle lichaam identi≠ficeert.

Dit wereldbeeld is inderdaad naÔef en kinderlijk, maar daarom ook zo heel. Net zoals het kind in een ongebroken schijnwereld leeft, leeft ook de mens die volledig in de identificatie met de materiŽle wereld staat, in een fraaie zinsbegoocheling. Hij ge≠looft dat alles te realiseren is en op grond van zijn onbewust≠heid voelt hij zich geborgen. De signatuur van het op handen en voeten kruipende kind geeft deze situatie duidelijk aan: de blik is naar beneden, naar de grond, naar de aarde, naar de materie gericht - de blik is eenzijdig, de lichaamshouding vei≠lig en niet bedreigd. Zolang een mens in deze bewustzijnshou≠ding verstrikt is, is de snelheid van zijn ontwikkeling inder≠daad het geringst. Oedipus doorloopt deze fase van het kind≠zijn tot het tijdstip waarop hij Korinthe, de ongebroken schijn≠wereld van zijn kindertijd, verlaat.

De wereld van de tweeheid is de wereld van de polariteit en daarmee van het conflict. Als de mens rechtop gaat lopen ver≠liest zijn houding stabiliteit en veiligheid. Hij beseft dat er aarde en hemel, onder en boven, materie en geest bestaat. De mens ervaart wat het betekent dat hij beslissingen moet ne≠men, wat het betekent tussen goed en kwaad, tussen juist en fout te kunnen kiezen. De opgerichte mens beleeft de ont≠goocheling, dat de wereld helemaal niet heel is, maar onder≠worpen aan de wet van de polariteit en daarmee van het con≠flict. Het is de fase van de ik-gerichtheid, waaruit de splitsing van ik en niet-ik wordt gevoed. Het lopen op twee benen is ge≠vaarlijk, want men kan vallen. Het leven met een ik is gevaar≠lijk, want het daagt de tegen-stander uit. De activiteit van het handelen is gevaarlijk, want zij maakt schuldig. In de fase van de tweeheid beleeft de mens groei en val. In deze fase wordt de mens door de schijnbare tegenstellingen in de diepste vertwij≠feling gedreven, waar hij leert begrijpen dat hij geroepen is de tegenstellingen te ver-enen en niet dienstbaar te zijn aan de polariteit.

Oedipus betreedt bij de wegkruising de fase van het conflict en doorloopt deze tot het moment waarop hij zich de ogen uitsteekt. Thebe is daarmee het geografische symbool van de 'tweebenige' ontwikkelingsfase.

Het getal 3: geometrisch door de driehoek gesymboliseerd, is het getal van het evenwicht, van de balans. Het derde punt ver≠enigt in zich de spanning van de polariteit en overwint daar≠mee het conflict (vergelijk these, antithese, synthese). Het getal 3 is uitdrukking van de volkomenheid (alle goede dingen bestaan in drieŽn; driemaal is scheepsrecht, enz.) en vertegen≠woordigt daarmee ook het geestelijk principe (vergelijk het goddelijk oog in de driehoek, de DrieŽenheid enz.)

Op het beeldniveau van het raadsel neemt de mens een staf als steun om stevig te staan. Dit derde been, deze steun, is de spi≠ritualiteit, waarin men de tegenstellingen van de polaire wereld kan verenen. Voor de conflicten van de wereld is er binnen deze wereld geen oplossing, want 'de strijd is de vader van alle dingen' (Heraclitus). Er is een derde punt nodig van waaruit het wisselspel der tegenstellingen kan worden begre≠pen. Pas het vinden van dit derde punt maakt het mogelijk 'de wereld uit haar voegen te tillen' - maar dit punt moet wel bui≠ten de wereld liggen (Archimedes). Dit derde punt is dus de ontdekking van een geestelijke wereld, respectievelijk een in≠nerlijke wereld.

Zo begint deze fase van de drieheid voor Oedipus met de ver≠blinding van zijn ogen. Door op die manier zijn blik van de ui≠terlijke wereld weg te trekken, leert hij zijn innerlijke wereld te ontdekken en in die wereld zijn weg te vinden. Zijn dochter Antigone wordt zijn uiterlijke steun, zijn derde been. Dat laat echter ook zien dat daarmee de ik-gerichtheid van de tweede fase, waarin men alles volgens eigen wil doet, 'zoals ik het wil', is overwonnen. De hybris van de ik-gerichtheid wordt in de derde fase in evenwicht gebracht door deemoedigheid, door de bekentenis van de eigen zwakte en onmacht. In deze tijd moet de mens zijn innerlijk evenwicht vinden. Oedipus vindt dit evenwicht en daarmee zijn verlossing in Kolonos.

Dat is het raadsel, dat is het geheim van de menselijke weg. Wie deze fasen niet begrijpt en niet doorloopt, kan niet wezenlijk een mens worden. Hij is letterlijk 'des doods'. De mens die niet in staat is deze drie ontwikkelingsfasen te realiseren, is niets anders dan een dier, door moeder natuur in het bestaan geworpen en vervolgens weer door haar verslonden. De sfinx, de vrouwelijke oerchaos, waaruit al wat leeft voortkomt, haalt iedere impuls die het niet gelukt is zich als spiritueel-manne≠lijk bewustzijn te individualiseren, terug in de afgrond. Alleen wie de draak overwint, kan leven.

Oedipus lost dus het raadsel van de sfinx op, maar zuiver intel≠lectueel, puur oppervlakkig, zonder het verplichtende en de diepte van de problematiek te begrijpen. Dat hij echter enigs≠zins de oplossing kan vinden, bewijst dat hij geroepen is tot het ware mens-zijn, tot het ware koningschap. Maar dat bespaart hem niet de noodzaak de hele weg zelf te gaan, te doorlijden en daarmee te verwerkelijken. De weg van de mens wordt nu eenmaal met de 'benen' afgelegd, niet met gedachten en spe≠culaties, en dus staat de hele bitterheid van de weg nog voor hem, terwijl hij als stralende held en redder van Thebe gevierd en tot koning gekroond wordt. Thebe is voor Oedipus de uiterlijke en daarmee bedrieglijke wereld van het ik. Hij voelt zich heerser, koning, wijze oplosser van het raadsel en geeft zich geheel over aan de roes van het succes. Hij streeft op het hoogtepunt (middag) van zijn leven af, zonder zich bewust te worden dat het hoogtepunt ook altijd tegelijkertijd het begin van de neergang is. Het ik speelt koning zonder te denken aan zijn sterfelijkheid. Oedipus trouwt nu met Iokaste, de vrouw, het vrouwelijke, dat - zoals wij reeds gezien hebben - een sym≠bool van de wereld is.

Juist op zo'n punt in ons verhaal zou het duidelijk moeten zijn dat men niet hoeft na te denken over mogelijkheid en onmo≠gelijkheid van een werkelijke incest. Wij leven in de mythe. De incest van Oedipus moet men net zo behandelen als de figuur van de sfinx. Ook hier hoeft men geen zoŲlogische onderzoe≠kingen te beginnen. De incest is een motief dat in mythologie en alchemie algemeen bekend is en daar 'filosofische incest' wordt genoemd. Op het hoogste niveau van de zingeving bete≠kent het beeld van de incest dat Oedipus een verbinding, een 'verhouding', aangaat met vrouw wereld; het Oosten zou zeg≠gen: purusha danst met prakriti. Het ik raakt verstrikt en ver≠wekt kinderen, vruchten van deze verstrikkingen, karma≠vruchten.
Ons leven in de wereld en met de wereld blijft niet zonder consequenties.

Op een ander betekenisniveau laat ons de incest met de moe≠der ook een ontwikkelingsstap van het mannelijk bewustzijn zien met betrekking tot de grote moeder. Ook deze relatie tus≠sen bewustzijn en materie (wereld) kan in drie fasen worden ontleed, analoog aan de drie fasen van ons raadsel.

In de eerste fase is het vrouwelijke principe (vrouw, materie, wereld, onbewuste) dominant als moederlijke oergrond en moederschoot van het zijn (Oedipus in Korinthe). Jakob BŲhme noemt in de 'MorgenrŲte' 'het vlees de moeder van de geest' (Jakob BŲhme, Aurora, hoofdst. 21,69).

In de tweede fase wordt de vrouwelijkheid tot tegenover-stel≠ling, tot partner en daarmee gelijkwaardig; de moeder wordt tot echtgenote. Dit betekent echter een versterking van het mannelijk bewustzijn en een verminderde dominantie van het onbewuste, van het vrouwelijke. In deze tweede fase vindt een echte confrontatie plaats, die zolang het vrouwelijke als moe≠der wordt beleefd, niet mogelijk is. In de 'bestijging en de bespringing van de vrouw' ligt altijd al het beginpunt van de 'overmeestering': 'als ik mij in de armen van mijn moeder be≠vind en met haar substantie verbonden ben, beheers ik haar, roep ik haar een halt toe en maak ik haar onbeweeglijk' (Die sie≠ben Kapitel des Hermes, hoofdst. IV).

Tot de derde fase van dit thema behoort de doding van de draak (dood van Iokaste) en daarmee de bevrijding van het verslindende aspect van de grote godin. Daardoor wordt de weg vrij, zodat het bewustzijn van de held zich zo kan concen≠treren en uitkristalliseren dat het zich zonder gevaar en daarom zonder angst aan het vrouwelijke kan overgeven. Dat beleven wij aan het einde van Oedipus' leven, als hij in Kolonos het heilige woud van de Eumeniden betreedt.

De incest hoort dus bij de tweede levensfase en daarmee is hij onontkoombaar met schuld verbonden. Schuld is echter altijd een onderpand van de kennis, en zo 'be-kent' Oedipus in Iokaste zijn vrouw - later zijn moeder en daarbij zijn schuld. Opdat de incest vruchtbaar kan worden is kennis nodig, met andere woorden: ons leven in de wereld is onvruchtbaar zolang wij de ware samenhangen niet doorzien. Zolang wij op grond van onze ik-afzondering onze eigen schaduw naar bui≠ten projecteren, zijn wij in grote verwarring en beleven wij in plaats van een vruchtbare ontwikkeling alleen maar een vrees≠wekkende wereld. Dit is de situatie van Oedipus als Thebe (zijn naar buiten geprojecteerde innerlijke wereld) door de pest wordt geteisterd en de onvruchtbaarheid zich over het gehele land verspreidt.

Op dit punt begint de tragedie Koning Oedipus van Sophocles. Het lijkt mij belangrijk dat wij ons realiseren dat de tragedie precies op dit punt van de ommekeer, op het punt van de ken≠tering begint. Als wij ons het volledige leven als een cirkel voor≠stellen, is precies de eerste helft van de cirkel gerealiseerd op het moment dat de tragedie van Sophocles begint. De tweede helft van de cirkel dient immers alleen maar om de eerste helft door een tegenbeweging in evenwicht te brengen en daardoor 'af te ronden'. De eerste helft van het menselijk leven staat al≠tijd in dienst van de verwikkeling, de tweede van de ontwikke≠ling. De tragedie als cultisch-religieus gebeuren en als medium van de geheime leer, is natuurlijk slechts in de tweede helft geÔnteresseerd, heeft slechts belangstelling voor de terugweg, voor inzicht en ontwikkeling.

Bron: Oedipus Ė de mens tussen schuld en bevrijding
Thorwald Dethlefsen. ISBN 9020249851

 
 
 
 
 
 04. Zon-mysteriŽn
 
 
 
 
 
Het eerste zien van de Zon.

Vůůr de Zondvloed verkeerde de mens op aarde in een ande≠re toestand dan nu. Een toestand, die nog altijd in het kort herhaald wordt door een mensenkind voor de geboorte. Dat schommelt in het vruchtwater van de schemerige baarmoe≠der, neemt de gedempte geluiden en schokken uit de omge≠ving waar en wiegt mee op zijn moeders gemoedsstemmin≠gen. Het kind droomt: kosmische krachten trekken als lich≠tende kleuren door zijn bewustzijn. Het weet dat het leeft en voelt dat het groeit, als een plant. Het hoofd is ook naar de aarde gericht als de wortel van planten. Het licht wordt waar≠genomen van binnen, maar weinig van buiten.

Zo had ook de Atlantische mens van voor de zondvloed nog maar een vaag bewustzijn van zijn stoffelijke omgeving. Men gaf zich wel vaag over aan haar wetten en gebruikte die instinctief, maar liet zich voeden door de atmosfeer als een gro≠te baarmoeder, ademend in een dikke, mistige lucht, waar geen zonlicht doorheen drong. Als een eischaal het wordende vogeltje, zo omgaf de lucht toen de mens. Men zag meer licht van binnen dan van buiten.

Als een kind voldragen is, wordt het uitgedreven. Het vrucht≠water spoelt weg en alleen beschermd door zijn huidvet wordt het kind in een droge en lichtende omgeving gestort. Plotseling afgesnoerd en met lucht gevuld, moet het zich leren meten met krachten van buiten, een overmacht die hem met een nare tweede huid: de kleding, omsluit. Schel licht dringt door zijn oogleden. Geboren worden is een heel grote gebeurtenis, een verhuizing van binnen naar bui≠ten.

Zo ging het ook toen de Zondvloed begon met het uitregenen van nevel en wolken, eindeloos, eindeloos, tot het lichter en lichter werd. Daar plotseling bleek dat gewelf, die eischaal, verdwenen en daarachter opende zich een onafzienbare ruim≠te, blauwen licht.

De overlevende AtlantiŽrs op hun schepen, knipperden met hun ogen, zij zagen de Zon. Hun ogen neerslaand voor zoveel kracht, aanbaden zij. Een brug van kleuren zagen zij gespan≠nen tussen de hemel en de vochtige aarde. De regenboog. Het teken dat God niet alleen maar binnen aanwezig was, maar ook daarbuiten. Van toen af gingen hun twee ogen steeds beter zien wat daar≠buiten verlicht werd. Maar het derde oog ging verwelken en het licht van binnen werd steeds onduidelijker.

Zo wordt het herhaald door de zuigeling, als de voorhoofds≠fontanel zich sluit. Overgeleverd aan de buitenwereld. Deze gebeurtenis is dus, in het groot en in het klein, een om≠wenteling.

Het begin van de laatste etappe der incarnatie, der verstoffelijking. De hemel uit geworpen om op aarde te le≠ven, zowel mens als dier. Bij dag is het een avontuur. De zon≠nekracht doorstroomt het stoflichaam dat blij in die Zon het lichaam van de Geest herkent. Die zon en elk levend lichaam liggen op één lijn, op dezelfde golflengte. Als de zonnewarm≠te om het naakte lichaam vloeit, begroet het een het ander, men voelt zich veilig, alles is goed. De mens zet de zonne≠kracht om en geeft die in zijn lofzang aan de Zon terug. De Zon laat zijn schepsel daden doen, daar aan het verre uit≠einde, in de grootste verdichting.


Maar de aarde wentelt om, de Zon wordt verloren en de nacht keert terug. De mens sluit zijn ogen en zijn bewustzijn vloeit weer over in de grote binnenwereld, nog veel, nog veel groter dan die van overdag. De innerlijke Zon verwarmt en verlicht de mens terwijl hij slaapt. Tot zijn woonplek op aarde, door het nachtelijk bad verfrist, de Zon weer vangt en haar licht de mens oproept met haar over de twee bruggen van denk- naar droombewustzijn en omgekeerd te gaan. Zo lang tot men bei≠de toestanden in één heeft opgelost. De dag-Zon hoort bij het lichaam, de nacht-Zon bij de ziel.

Zon-mysteriŽn.

Het eerste beleven van de Zon was een zo heilig gebeuren, dat men er de Zon dagelijks voor dankte, haar op bijzondere tijdsgewrichten toezong en voor haar danste op een, voor haar heilig gehouden, heuvel. Die mensen, die er aan toe wa≠ren, werden haar toegewijd in een heilige handeling: een mysterium.

Hoog in het Noorden, in het Ultima Thule, geschiedde dat. Daarvoor ervoer men het op de Aarde komen van de Zonne≠god zelf en daar werd hij door zijn dienaren en dienaressen in het heiligdom verwelkomd. Wij weten door de Griekse kro≠niekschrijvers, dat de afgezanten van dat heiligdom jaarlijks met vele geschenken over de zee Zuidwaarts voeren naar een ander Zonneheiligdom, op het eiland Delos (waar, naar men zegt, hun graven nog te zien zijn). Men zegt dat de Zonnegod zelf, door de Grieken Apollo of Helios genoemd, danste, zong en op de lier speelde.

Ook op vele andere plaatsen ontstonden zulke heiligdom≠men, met parken eromheen, als onderricht- en inwijdings≠plaatsen.

Op die delen van Atlantis, die na de Zondvloed waren overge≠bleven boven de golven der zee, zoals de Canarische eilan≠den, Ierland en Helgoland, die al reeds in het Atlantische rijk heilige plaatsen waren, bleven nog lang die ontmoetingspun≠ten bestaan, waar Zon en mens hun eenheid vierden. Zonbe≠schenen heuvels waren het of open plekken in het woud, waar de Zon in de stilte een hazelaarsbosje bescheen. Daar woon≠de dan een Veleda: een wijze vrouw, zoals de grootmoeder van Roodkapje. Of een wijze man, die sliep in een grot achter overhangende planten, waar een bronnetje murmelde. De plek werd beschermd door bomen, wier geesten: de enten, de vrienden van de mensen waren (en nog altijd zijn). Want het was nog vůůr de tijd dat de mensen bomen van steen gingen oprichten als zuilengalerijen van tempels. De wijzen, die wa≠ren ingewijd in het hoge Noorden, in Hyperborea, hadden zich over Europa verspreid om de innerlijke rust van de pool van de Aarde over Europa te brengen, dat nog geheel met woud, waarin wilde dieren en kabbelende beken, bedekt was.
 
 

Op de bomen slingerde kamperfoelie en bosrank en aan hun voet in het zachte, verende mos, verscholen zich kabouters en kleine dieren. In de takken kwinkeleerden de vogels, een hin≠de met haar hertekalfje kwam langs haar pad naar de beek om te drinken. Misschien stond wel een witte eenhoorn in de mor≠genzon, door het lover gezeefd, te wachten op de jonkvrouw die onderweg was door het woud op haar witte paard. De bloemen geurden, de beek praatte en zo kon een mens dagen en weken lang door het woud rijden, eerst door de essenbos≠sen, dan tussen de eiken, waar de heilige maretak in kluwens in de takken hing. Alleen wie op weg was naar het woudhei≠ligdom, zag het pad dat andere reizigers ontging en volgde een wit vogeltje, dat voor hem uitvloog tot een plek, die zo sterk met kracht was geladen, dat men vanzelf stilhield, het paard aan de boom vastbond en zich in diepe concentratie ter aarde boog. Dan zag men de druÔde voor zich staan.

In een lang wit gewaad, met een gouden band om het hoofd. Men kreeg een dronk van het genezend bronwater, ontving raad en werd met een machtige spreuk gezegend. Een spreuk wier etherische krachtlijnen een vlammenkroon om het hoofd teweeg bren≠gen, die wordt gezien door alle boomgeesten, boselfen, ka≠bouters, de nixen der bronnen, wolven en beren. Zo kon men beschermd verder reizen om de opdracht te vervullen, die in de rode gloed van het hart was gebrand.



De meer beschouwelijken stol≠den tot steen waar het licht voorbij kwam. Gekluisterd tot rots kan men nog heden ten dage die wezens aanschouwen in oude druÔdenbossen, in Luxemburg en bij Fontainebleau. De etherische haag van kracht beschermde het heiligdom. Reizigers die er niet gewenst waren, raakten de weg kwijt als zij te dicht genaderd waren of zagen vreemde gestalten op≠doemen tussen de bomen en vluchtten verschrikt in een ande≠re richting.



In het woud van Brocéliande bij Rennes in Bretagne, nu ver≠armd en verdroogd, kan men nog iets voelen van die sfeer, waar de fee Viviane nog de tovenaar Merlijn in toverslaap houdt gevangen onder een meidoorn.

De Romeinse legers hebben de bomen geveld en de winderige vlakten van de Provence doen ontstaan, waar mens en steen verdorsten in de blikkerende zomergloed, zonder één beschut plekje, zonder één malse spriet. De mens is veranderd, heeft de jonkvrouw van de Aarde geschonden en staat nu bij de flarden van zijn geluk, alleen, in een zelfs vergiftigde regen. De Zon-mysteriŽn zijn er nog, maar nu teruggetrokken, diep in de mensenziel, nauwelijks nog meegevierd door elfen, vogels en bijen, die verdreven en gevlucht zijn. Heel diep en ver in het donkere bos van de mensenziel schittert nog een klein lichtje. Het durft zelfs de deur van de ogen niet uit, maar het is er nog en het wacht.

Nu staat te gebeuren wat gelijkt op de tijd van vlak na de Zondvloed en toch ook omgekeerd is. Toen was de mens als een pasgeborene, die het zonlicht voor het eerst ziet, zulk een intense ervaring, dat wij nog altijd zeggen: ik zag het licht, daar en toen...

Nu is de mens klaar, niet ieder persoonlijk, maar zij die er al≠les voor over hadden en zich ervoor reinigden, om niet als toen, van hemel naar aards, van innerlijk naar uiterlijk licht te geraken, maar van uiterlijk naar een hoger innerlijk, op de volgende ronde van de spiraal van zijn wording. Er is weer iets aan het gebeuren, een nieuwe Verlichting.

De mens gaat sterven om geboren te worden in weer een an≠dere sfeer van het onmetelijk kristallen paleis van de eeuwige Zon.


Als wij nu vertellen van vroeger, dan is dat niet om onder te duiken in verlangen naar het verleden, maar om door het aanvoelen van de parallel, van die analogie, iets te voor≠voelen van wat mogelijk is.

Die nieuwe geboorte, van die nieuwe wereld die komen gaat en gelijkt op die vroegere, die wij nu hebben verbasterd, maar die toch weer anders zal zijn, doordat wij zelf zijn veranderd. Het is en het is eeuwig. Maar de mens verandert van waarne≠ming, van denken en doen en ervaart het dus telkens anders.

Het Zon-mysterie grijpt aan in de mensenziel, ook onder de meest onzinnige omstandigheden. Daarna, als de innerlijke Zon groot en krachtig straalt, verandert die mens zijn wereld. De Zonnegod is niet alleen maar daar buiten, maar blijkt ook weer van binnen, als voor de Zondvloed, toen de mens nog in de Grote Baarmoeder was. Voortaan zal hij zowel binnen als buiten zijn

 uit: Het zonnejaar Ė Mellie Uyldert
 
 
 Het Zonnelied van de H. Franciscus van Assisi
 

 
 
Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegening.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
en geen mens is waardig U te noemen.
 
 
Geloofd zijt Gij, mijn Heer, met al uw schepselen,
vooral heer broeder zon,
die de dag is, en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en stralend met grote luister.
Van U, Allerhoogste, draagt hij het zinnebeeld.
 
Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gemaakt, schitterend, kostbaar en mooi.
 
Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht en de wolken, het helder weer en ieder   
jaargetijde, waardoor Gij uw schepselen in leven houdt.

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is, nederig, kostbaar en kuis.

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door broeder vuur,
door wie Gij voor ons de nacht verlicht.
En hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door zuster aarde,
onze moeder die ons in leven houdt en leidt
en allerlei gewassen met kleurige bloemen en kruiden voortbrengt.
 
Geloofd zijt Gij, mijn Heer,
door hen die vergiffenis schenken door uw liefde,
en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig zij die dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, zullen zij worden gekroond.
 
Geloofd zijt Gij, mijn Heer,
door onze zuster de lichamelijke dood,
waaraan geen levend mens ontsnappen kan.
Wee hen die sterven in doodzonde.
Gelukkig wie zij aantreft in uw allerheiligste wil,
want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.
 
 
Loof en zegen mijn Heer
en dank en dien Hem met grote nederigheid.