Een mystieke reis door de sprookjeswereld - deel 2

 Sprookjes en hun symboliek 1
 
 Deel 2

 
08. Rapunsel en de Zonnemaagd - 09. Jung - 10. Het Wonderbaarlijke is het Ware - 11. Twee sprookjes van Steiner - 12. Het sprookje van de boze fee - 13. Lectuur
 

 
08. De mythe van de Zonnemaagd & Rapunsel

 

 

A. De mythe van de Zonnemaagd

Als in de ontwikkeling van de ziel van een ras een nieuwe fase aanbreekt, wentelt die ziel zo om, dat de bovenliggende pool naar beneden verdwijnt en de onderliggende pool naar de op≠pervlakte stijgt. Tijdens de zogenaamde Griekse beschaving eindigde een matriarchaat van wijsheid en werd opgevolgd door een patriarchaat van kennis. Plato behoorde nog grotendeels tot de matriarchale wijze van denken, terwijl zijn leerling Aristo≠teles tot het patriarchale denken van kennis behoorde.

Het matriarchale, vrouwelijke denken, is het bewust worden van de waarheid door een ontvankelijke, blanke ziel, die geen zelf-geconstrueerd scherm voor de inspiratie plaatst. Dit op≠nemen van de kosmische patronen die in de mensenziel stol≠len tot denkbeelden (Plato's IdeeŽn), geschiedt voortdurend. Daar die patronen steeds veranderen, verschijnen de ideeŽn ook telkens anders, vers en nieuw. Dat is scheppend denken, verticaal, regelrecht uit de kosmos.

De Zon geeft dus de openbaring van de waarheid in het eeuwige Nu. Dat geeft een beleving, maar nog geen denkvorm. De Maan in de mensenziel moet het beleefde spiegelen en er een denkvorm van maken, die als een samenhang van begrippen kan worden uitgedrukt in de taal. Wanneer deze in woorden gevangen waarheid dan door de kracht van Saturnus in de mens wordt bevroren tot een stelsel van redeneringen in de horizontale lijn van tijd, ontstaat het causale denken, dat werkt met uit≠drukkingsvormen van waarheid van het verleden, ze rang≠schikkend, beschouwend, verklarend, bewijzend etc.

Mensen met een ongeoefende Maan plegen wel over te lopen van het innerlijk geziene en gaan dan profeteren in beelden en gelijkenissen, dus eigenlijk in het droomdenken. Maar hun toehoorders, ofschoon zich koesterend in de gloed hunner be≠zieling, begrijpen niets van het gezegde.

Voor Saturnale intellectuelen klinkt het on≠verstaanbaar 'zweverig', omdat het niet de lijn van tijd, van gevolgtrekking, volgt. De waarheid die in het gezegde ligt, blijft voor hen onherkenbaar.

Nu is het merkwaardig hoe dit menselijk zielsgebeuren vanouds in verhalen, mythen en sproken wordt uitgebeeld. Zolang het matriarchaat duurde, was het vrouwelijk Zon-denken bovendrijvend en beschouw≠de men de Zon als een vrouwelijk wezen. Men zag haar met haar stralenkrans als een vorstelijke maagd met gouden ha≠ren.

Dit beeld treft men ook aan in de Openbaring van Johan≠nes: 'Ik zag een vrouw, met de Zon bekleed, staande op de maan, met een krans van sterren om het hoofd. Zij was de lichtende en verlichtende'. Toen nu het onmiddellijke Zon-denken werd verdrongen en geminacht, en vervangen werd door het beredenerende Maan- en Saturnusdenken, werd de≠ze Zonnemaagd gevangen en naar de onderwereld gesleurd, waar zij voortaan werd bewaakt door de oude man Saturnus, soms in de gedaante van een draak of een slang.

Deze gevan≠genschap duurt net zo lang als het patriarchaat duurt, want het vrouwelijk Zon-denken is zo lang in het onderbewuste deel van de ziel van de Europese mens opgesloten. Uit heimwee en verlangen projecteert de volksziel haar in de Zwarte Madon≠na. (Zwart is, naar men weet, de kleur van het onbewuste, ook in dromen). Langs de Noordelijke kust van de Middel≠landse Zee, bv. in de Camargue in Zuid-Frankrijk, zijn hei≠lige plaatsen van aanbidding aan haar gewijd. Daar treft men een zwart houten Madonnabeeld aan. Zo ook, ten Noorden daarvan, op de rots van Rocamadour. Bij voorkeur in een grot of onderaards.

Daar patriarchaat en matriarchaat, behorend bij de afwisse≠lende gij- en ik-fasen in de zielsontwikkeling van mensen, vol≠ken en rassen, elkaar steeds cyclisch afwisselen, komen de≠zelfde vergelijkingen ook al in zeer lang geleden tijdperken voor. Zo zou men Eva ook kunnen zien als de Zonnemaagd in haar rijk: het paradijs van de gelukkige mensenziel. De satur≠nale slang drijft haar de wildernis (van het dualistisch denken) in.

Ook kennen wij allen de mythen van Persephone, dochter van Demeter, die door de god Pluto werd geroofd en in zijn rijk, de donkere onderwereld, werd ontmaagd en op zijn zwarte troon naast hem gezet. In het sprookje van Doorn≠roosje wordt de Zonnemaagd in slaap getoverd. In het sprookje van Ezelsvel moet de jonkvrouw vluchten uit haar vaders slot, omdat hij, een weduwnaar, haar huwen wil en zij daarin niet wil toestemmen. Vermomd en daar door miskend moet zij het nederigste werk doen.

Dit≠zelfde motief komt voor in het zeer rijke, duidelijke en diep≠zinnige sprookje van De Ganzenhoedster, waar zij zelf, de ko≠ningsdochter, als het Zon-denken, in de overmacht van de ka≠menier, het Maan-Saturnus denken, geraakt. Haar vernede≠ring, het patriarchale tijdperk, dwingt haar tot het ganzen≠hoeden in gezelschap van Koertje, die een hoed draagt, dat het kenmerk is van het niet van boven af geÔnspireerde, afge≠sloten Maan-Saturnus-denken. Als zij in de wei haar gouden haren wil kammen (even zichzelf, de Zon zijn), roept zij de wind (pneuma, Heilige Geest) te hulp om Koertjes hoedje af te waaien, opdat ook het horizontale, causale denken eens even door inspiratie getroffen mag worden. Op het uiterste moment wordt ontdekt, dat zij, het Zon-denken, de ware bruid van de prins (de geest) is en niet de kamenier (het Maan-Saturnus denken) die zich voor de bruid uitgaf.

 

B. Rapunsel


Een van de mooiste sproken van de Zonnemaagd is die van Rapunsel (uit de verzameling van Grimm). Een echtpaar had in het achterhuis een raampje dat uitkeek op een moestuin, behorend aan een oude wijze vrouw. Toen de vrouw van het echtpaar een kindje verwachtte en eens door dat raampje keek, zag zij daar malse jonge rapunsel (een soort veldsla) groeien en werd aangegrepen door een groot verlangen om daarvan te eten. Zij overreedde haar man om over de tuin≠muur te klimmen en haar wat rapunsel te halen. Toen hij dit ten tweede male deed, ontmoette hij de eigenares en trachtte zich te verontschuldigen wegens de zwangerschap van zijn vrouw.

De oude zei: nu goed, voor deze keer, maar in ruil geef je mij het kind zodra het geboren is, ik zal er goed voor zor≠gen. Zo geschiedde het. Toen het meisje, dat Rapunsel ge≠noemd werd, groot geworden was, sloot de vrouw haar op in een toren, waarvan de deur verzegeld werd. Elke avond klom de vrouw naar boven langs Rapunsels lange gouden vlechten, die zij neerliet en om een raam haak op de vensterbank van haar torenkamer wond.

Op een avond kwam een jagende prins daar langs en hoorde Rapunsel zingen. Ziende hoe de oude vrouw haar bereikte, ging hij de volgende avond daar≠heen en smeekte het meisje, hem haarvlechten toe te werpen, waarlangs hij naar boven klom. Zij bevielen elkaar en de prins kwam regelmatig terug, tot Rapunsel op een avond zich tegenover haar verzorgster liet ontvallen: waardoor bent u zo zwaar in mijn vlechten en de prins zo licht! - Toen ontstak de oude in woede en bracht Rapunsel in de woestenij, nadat zij de gouden vlechten had afgesneden en aan het raam vastge≠maakt.

Daarna wachtte zij op de prins die zij het torenraam uitwierp. Met zijn gezicht in de doornstruiken vallend, werd hij blind. Bedroefd zocht hij Rapunsel overal, tot hij ergens haar stem hoorde. Zij had intussen een tweeling gebaard. Van vreugde wenend viel zij hem om de hals en toen haar tranen zijn ogen raakten, kreeg hij zijn gezichtsvermogen terug. Overgelukkig brachten zij hun verdere leven tezamen door.


Dit sprookje is waarheid op meer dan één plan, want het is een kosmisch patroon. Men kan in Rapunsel de mensengeest herkennen, die, in de toren van het lichaam opgesloten, niet naar beneden mag, maar rein moet blijven en op de ziel als haar bruidegom wachten. Zo beschikt het de schikgodin, het Lot.

Rapunsel is kennelijk de Zonnemaagd: haar gouden vlechten zijn de zonnestralen, de goddelijke zegen, waarlangs de ziel opklimt naar de geest.

De oude vrouw is de schikgodin, de wet van de spiraalvormige ontwikkeling, die de mens eerst het onbewuste paradijs schenkt en hem daarna de woestenij van de gespletenheid in≠jaagt: ziel en geest raken elkaar kwijt.

De prins: de ziel, is blind: hij zoekt al lange tijd tevergeefs naar zijn geliefde: de geest. De gouden vlechten werden afgesneden: in de winter raakt de Zon haar weldoende stralen kwijt, en in de winter van de ziel meent zij, door de geest, door haar God, verlaten te zijn.

Uit de vereniging in liefde van Rapunsel en de prins, komen in de woestijn twee kinderen voort: een jongen en een meisje. Uit de Eenheid ontspringt de Tweeheid. Dit gebeurt zodra de geest zich met de ziel verbindt, want de ziel is ge≠bouwd als polariteit.

Dit loopt parallel met de mythe van Zeus, die in de gedaante van een zwaan bij Leda een tweeling verwekte: Cast or en Pol≠lux: een onsterfelijk en een sterfelijk kind.

De tuin waar de levenwekkende rapunsel groeit, is het para≠dijs. Maar wie daar onrechtmatig van snoept is zelf de oorzaak van de gespletenheid, waarin bv. de druggebruiker verkeert of de aanhanger van een 'jenseitige' godsdienst, die bij plech≠tigheden op heilige dagen even boven in de toren komt en daarna hulpeloos vol heimwee door het aardse leven doolt zonder daar de geest terug te kunnen vinden.

Zien wij dit sprookje als natuurmythe, dan is de oude vrouw die 's avonds naar boven klimt, de nacht en de winter. De Zonnemaagd straalt haar gouden licht uit van de torentrans des hemels, maar elke avond stijgt de duisternis op. De prins is de Aarde, die snakt naar de Zon en op midwinter haar heilig huwelijk met de Zonnekracht viert. Maar daarna duurt het nog lang, voor hun nakomelingen geboren worden: de plan≠ten die in de lente verschijnen. En dan, bij de voorjaarseve≠ning, of in de meinacht, vinden Zon en Aarde elkaar in een bloeiende wereld terug.  Zo is dit het sprookje van het lijden van de verduisterde ziel en van de beklemming van de winter.

Vrijwel elk sprookje vertelt van twee mensen, die veel be≠proevingen moeten doorstaan, aleer zij zich met elkaar kun≠nen verenigen. Soms is het een arme jongen, die de prinses verovert, andere keren het arme meisje dat een prins krijgt. Het zinnebeeld van het eerste wortelt in het matriarchaat, van het tweede in het patriarchaat. In beide stelsels brengt de een≠zijdigheid de tragiek van de gespletenheid mee.

 Bron: Het zonnejaar - Mellie Uyldert - ISBN 90 6030 259 1

Het Sprookje 
 
 
 
 
 
09. Jung over sprookjes
 

Volgens Jung zijn mythen en sprookjes geen symbolen maar uitingen van een collectief onbewuste dat naast het persoonlijk onbewuste bestaat. Het is een basisstructuur van de ziel, die alle mensen gemeen hebben. In dit collectief onbewuste komen bepaalde archetypen of oerbeelden voor, zoals de goede moeder of de slechte heks. In het sprookje is het bewustzijn, in de vorm van de held of heldin, op zoek naar het onbewuste.
 
 
 
 10. Het Wonderbaarlijke is het Ware.

Gebroeders Grimm

 

Sprookjes om bij stil te staan? De Gebroeders Grimm zagen de door hen verzamelde sprookjes niet als verhalen die voor kinderen waren verzonnen.
Met de woorden' Er was eens' worden wij een land binnengevoerd, waarin wij op wonderlijke wijze onze geheimste dromen tegen kunnen komen.
Dit boekje bevat minder bekende sprookjes, liefderijk geÔllustreerd met oude silhouetten.

Citaat uit de inleiding door Monika Christians.

Als niet getallen en figuren
De sleutel zijn tot alle creaturen,
Als zij die zingen of liefkozen
Meer weten dan bevroed door bollebozen,
Als zich de wereld zal terug begeven,
Als dan de schaduwen het licht
Tot echte klaarheid paren zich,
En men uit sprookjes en gedichten
De eeuw 'ge wereldgeschiedenis kan lichten,
Dan vliedt voor één geheim woord alleen
Het ganse valse wezen heen.


De dichter van deze versregels, Friedrich von Har≠denberg, die onder zijn schrijversnaam NOVALIS be≠hoorde tot de grote schrijvers van de romantiek, was een tijdgenoot van de gebroeders Grimm. Wat bedoelt Novalis, wanneer hij in 'sprookjes en gedichten' de 'eeuw'ge wereldgeschiedenis' zegt te herkennen, wanneer hij droomt van een wereld die moet terugkeren naar vroeger tijden, een we≠reld, waarin de geliefden meer weten dan de 'bolle≠bozen', aan wie kennelijk slechts een veel nederiger positie wordt toegekend dan men doorgaans aan hooggeleerden doet toekomen? Is deze dichter slechts een zweverige romanticus, die 'getallen en figuren', mathematica en rationele methoden ter ontraadseling van wereldgeheimen wantrouwt, omdat hij er niet mee vertrouwd was?

Novalis stu≠deerde filosofie en rechtsgeleerdheid, sloot zijn rechtenstudie met uitstekende resultaten af, be≠kleedde tijdelijk een administratiefrechtelijke posi≠tie, studeerde vervolgens mijnbouwkunde (natuur≠kunde, scheikunde, mineralogie, geologie) en vond emplooi als mijnbouwkundig ingenieur, waarbij een directe overdracht plaatsvond tussen zijn exac≠te natuurwetenschappelijke kennis en zijn geestelij≠ke inzichten. Desondanks bezit hij de volgende overtuiging: 'Wij dromen van reizen door het heel≠al, maar is het heelal niet in ons? De diepten van onze geest kennen wij niet. - Naar binnen voert de geheimzinnige weg. De eeuwigheid met haar ver≠ten, het verleden en de toekomst, is in ons of ner≠gens!'

De blauwe bloem in zijn roman 'Heinrich von Ofterdingen', die bij ons geworden is tot de spreekwoordelijke blauwe bloem van romantiek en sentimentele dromerij, was voor hem het symbool van het eindeloze verlangen naar het in elkaar doordringen van het innerlijke en het uiterlijke, van tijd en eeuwigheid, van het aardse en het on≠eindige, het symbool van de geheime oorsprong van alle dingen, waarin werkelijkheid en waarheid zich als 'de schaduwen het licht tot echte klaarheid paren'.

De tegenstellingen die elkaar raken, die el≠kaar in een hoger element weer opheffen en weder≠zijds doordringen, ziet hij ook in het sprookje: 'In een echt sprookje moet alles wonderbaarlijk geheimzinnig en samenhangend zijn - alles leeft... De hele natuur moet op wonderlijke wijze met het hele geestenrijk verbonden zijn.'

'Mystagogen' werden vroeger in Griekenland de gidsen en leraren genoemd die de niet-ingewijden in de mysteriŽn, de geheime culten, binnenvoerden. Als Novalis hier voor ons enigszins die rol op zich genomen heeft, dan is dat omdat achter de poort met het opschrift: 'Er was eens...' weliswaar een heel andere, geheimzinnige wereld begint, maar in geen geval een wonderland ŗ la Walt Disney; het gaat om een wereld waarin zonder veel ophef een koperen tegen een gouden munt wordt ingewisseld, een wereld waarin het alledaagse wonderbaarlijk en het wonderbaarlijke alledaags is, zonder dat men zich daarover zou moeten verbazen.

Wie door de poort 'Er was eens...' het land van de sprookjeswonderen betreedt, bevindt zich midden in een wereld die haar eigen wetten heeft. Wat men het eerst ontdekt, als men vluchtig om zich heen kijkt, is dat deze wereld een geheel en al ar≠chaÔsche is.

Steeds weer gaat het er over koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen, die veelal met de antieke benamingen 'koningszoon' en 'ko≠ningsdochter' aangeduid worden. Er zijn boeren, herders, jagers en vissers, al in voorwereldlijke tij≠den de 'oer-beroepen'. Maar er zijn eveneens koop≠lieden, alle mogelijke handwerkslieden, soldaten, die in het leger dienen en die, als de oorlog voorbij is, ontslagen worden, houthakkers, kolenbranders en allerlei neringdoenden die thuishoren in de we≠reld van de middeleeuwen. De gezinssituaties zijn behoorlijk patriarchaal en het sterftecijfer onder kraamvrouwen is zeer hoog, zodat het wemelt van de stiefmoeders, die vrijwel zonder uitzondering boosaardig en hardvochtig zijn en hun stiefdoch≠ters bepaald uitbuiten bij de huishoudelijke arbeid, hen op alle mogelijke manieren het leven zuur ma≠ken, of die zelfs als ware tovenaressen en heksen achterbakse moordaanslagen op hen plegen.

Opvallend is hoe vaak er in sprookjes sprake is van gebrek en armoede, van honger en hongers≠nood, die zelfs ouders ertoe brengen om hun kinde≠ren, die zij geen eten meer kunnen geven, het huis uit te zetten, zoals in 'Hans en Grietje'. Zonder enige twijfel weerspiegelen deze levensomstandigheden de bestaansvormen van een vroegere wereld.

Van maatschappijhervorming is nergens sprake. Toch is deze maatschappij niet statisch. Steeds weer trouwt er een prins met zijn 'Assepoester' of 'Rapunzel', of een koningsdochter met haar 'trom≠melslager', zonder dat de omgeving daar aanstoot aan neemt. Verandering en ommekeer vinden steeds hun oorsprong in het hart van de mens zelf, om nog maar te zwijgen van de machtige kracht van de verlossing, die ook in het reine en goede hart van de mens ontspringt om vervolgens door de bovenmenselijke krachten van het wonderbaarlijke ondersteund te worden. Daarover, evenals over de macht van de schoonheid, die de harten verovert en alle standsverschillen doet vervagen, later meer. Hoogmoed en trots komen eigenlijk alleen als per≠soonlijke ondeugden voor, waarbij kennelijk al≠leen prinsessen geplaagd worden door verwaand≠heid op grond van standsbewustzijn, terwijl op de achtergrond veelal een oude, levenswijze koningsvader staat, wiens reactie varieert van hoofdschud≠den tot dreigen met een stevige straf, zoals in 'Ko≠ning Lijsterbaard' .

Hoewel in sprookjes alle conflicten beslecht wor≠den in het hart van de mens en het directe bereik daarvan, hebben we toch niet met echte individuen te maken. Een duidelijke aanwijzing hiervoor vin≠den we al in de namen, die een beroeps- dan wel standsaanduiding geven, ofwel de sprookjesfiguur sociologisch of naar leeftijd classificeren. De na≠men die gebruikt worden zijn veel voorkomende al≠ledaagse namen - zoals 'Hans' en 'Grietje' - of sprookjesachtige sprekende namen, zoals 'Rapun≠zel', 'Bontepels' of 'Assepoester', die betrekking hebben op menselijke eigenschappen van hun dra≠gers, of op onderwerpen of situaties van de hande≠ling van het sprookje.

Te proberen om met psychologische middelen de zielen van de sprookjeshelden te ontraadselen, zou vergeefse moeite zijn. Het zijn geen individuen uit een reŽle wereld, geen karakters met een dusdanige mengeling van goede en slechte eigenschappen, ge≠woonten en houdingen dat het ons moeite kost om het geheim van hun persoonlijkheid te doorgron≠den. Mensen in sprookjes zijn of goed, of slecht, en dat is even duidelijk uit elkaar te houden als rijk en arm, als jong en oud. Men zou kunnen zeggen dat het ééndimensionale figuren zijn, aan wie, van≠uit hun mens-zijn, niets geheimzinnigs eigen is. Des te beter zijn ze daardoor in staat transparant, doorschijnend te worden tegen de veelbetekenende ach≠tergrond van al hun daden, des te zuiverder zijn ze in staat machten en krachten te belichamen die sinds mensenheugenis de drijfveren van het mense≠lijk handelen zijn geweest: liefde en haat, trouwen ontrouw, goed en kwaad, nederigheid en trots, wijsheid en domheid. Kenmerkend is dat de zoge≠naamde slimmeriken zich dikwijls ontpoppen als de eigenlijke domoren en de vermeende domoren als zij die rein van hart zijn en dat aan de laatsten alles geschonken wordt - en nog veel meer - dan menselijke list en boosaardigheid begeren en na≠streven, of zich in hun stoutste dromen kunnen voorstellen.

De sprookjeswereld is doortrokken van twee grondbeginselen: enerzijds zijn er de, om het zo maar eens te zeggen, tot zwart-wit afbeeldingen vereenvoudigde sprookjesfiguren: de goeden en de slechten. Heel anders dan in het dagelijks leven of in de gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis ein≠digt de strijd tussen de goeden en de slechten met de ondubbelzinnige overwinning van de goeden en dus van het goede. Dat dit zo is, bevredigt ons rechtvaardigheidsgevoel in hoge mate; heel in het bijzonder het rechtvaardigheidsgevoel van kinde≠ren, die - als niet andere, slechte ervaringen hun oervertrouwen reeds geschokt hebben - er nog van uitgaan dat de wereld gaaf is. Wat de godsdiensten tot het hiernamaals uitstellen, de bestraffing van het kwade en de beloning van het goede, wordt in het sprookje tegenwoordige tijd. De gedroomde toekomst van politieke en maatschappelijke uto≠pieŽn is in het sprookje reeds verwezenlijkt: de on≠dergang van het onrecht en de komst van de gerechtigheid Eén beperking dient echter gemaakt te worden: alle sprookjes beginnen naar de letter of naar de geest met het beroemde: 'Er was eens...' Herbezinning op het gouden tijdperk van de mensheid, of een vorm van ouderwetse nostalgie, die dat wat zou moeten zijn in het kleed van het verleden hult?

Het rechtlijnige vormgevingsprincipe van de sprookjes bepaalt evenzeer de silhouetachtige, bij≠na verwisselbare sprookjesfiguren, als het een stempel drukt op de grondstructuur van hun han≠delingen, ondanks de grote verscheidenheid van sprookjes en ook voor zover het de overeenkom≠sten tussen bepaalde typen sprookjes betreft; het komt er zonder uitzondering op neer dat het goede overwint, doordat de goeden gelukkig worden, en het kwaad overwonnen wordt doordat de slechten hun straf ondergaan. Dit eenvormige, in de goede zin van het woord zelfs eenvoudige vormgevingsprincipe, wordt door een ander doordrongen, omsloten, getransfor≠meerd, dat in zijn innerlijke structuur weliswaar net zo eenvoudig mag zijn, maar in zijn uitings≠vormen als een regenboog zijn kleuren om zich heen strooit: dat is het wonderbaarlijke in het sprookje.

Het wonderbaarlijke is geen bijzonder gebied, geen hoger bestaansniveau of een verheffing van de realiteit van het sprookje, die van tijd tot tijd be≠reikt zou worden, maar het is alomtegenwoordig, even vanzelfsprekend als de lucht die we inademen. Het wonderbaarlijke is de alledaagse werkelijkheid van het sprookje, het element waarin de sprookjes≠helden zich bewegen, kortom, de wereld van het sprookje: dat is het wonderbaarlijke.

In het sprookje praten de bloemen, de bomen en de dieren en geen mens die er zich over verbaast. Mensen worden in dieren omgetoverd, dieren krij≠gen hun menselijke gedaante terug. Er zijn tove≠naars, heksen, kabouters en waternimfen; dieren helpen mensen en zelfs doden kunnen in het leven terugkeren. Dat alles hoort bij het gewone leven in het sprookje, maar niet op de manier van gefantaseer, van ongeloofwaardige, overspannen drome≠rijen, of van fantasmagorieŽn in de zin van kunst≠matige voorstellingen van toverachtige drogbeel≠den. De werkelijkheid van het sprookje, de sprook≠jesrealiteit, is het wonder, het wonderbaarlijke.

Wat in de realiteit van het leven hoogstens in de vorm van wens of droom voorkomt, en dan ook nog vergezeld van de bittere wetenschap dat al deze wensdromen nimmer in vervulling zullen gaan - in het sprookje wordt de droom werkelijkheid door het wonderbaarlijke.

≠ Het wonderbaarlijke is waar omdat het een ho≠gere, of, al naargelang het standpunt, diepere waarheid omtrent de wereld onthult: niet de chaos heeft het laatste woord, maar de orde, niet het kwade, maar het goede, niet het heilloze, maar het heilzame, niet de leugen, maar de waarheid, niet het lelijke, maar het mooie, niet de haat, maar de liefde, niet de schijn, maar het wezen, niet de zin≠loosheid van de wereld, maar haar zinvolheid.

'Het wonder is het liefste kind van het geloof', zegt Goethe in zijn 'Faust'. En als zo vaak heeft hij weer groot gelijk. Om in wonderen te geloven, moet men gelovig zijn. In deze zin in sprookjes te 'geloven' is wellicht alleen voor kinderen wegge≠legd, als onverstandige ouders en opvoeders hun het gebruik van dit zevende zintuig - het getal 'ze≠ven' is in sprookjes een magisch getal - tenminste niet afgeleerd hebben, en voor die volwassenen in wie iets van het kind bewaard gebleven is. Welis≠waar zijn de wonderen van het sprookje niet te ver≠gelijken met de Bijbelse wonderen, maar vooral in de waardebegrippen vertonen sprookjes en christelijk geloof duidelijke parallellen, of zelfs overeen≠komsten. Het goede, de waarheid, liefde, trouw, barmhartigheid en deemoed spelen een grote rol, en vooral de betekenis van de verlossing - zij het dat die in sprookjes niet in speciaal christelijke zin voorkomt - nemen een centrale plaats in.

 

 
 
11. Twee sprookjes van Steiner

Voorwoord

De volgende sprookjesbeelden zijn ontstaan toen ik de drang voelde om in mijn drama's personen dingen te laten zeggen die als belevingen van de ziel terstond hun essentie verliezen wanneer men ze anders dan in beelden wil uitdrukken. Het komt mij voor dat zij ook buiten het verband van de mysteriedrama's als beeld opgenomen kunnen worden. Immers, wat deze beelden uitdrukken kan zich in de ziel van ieder mens als innerlijke beleving afspelen. Ik heb mensen ontmoet die de sprookjes moeilijk te begrijpen vonden. Ik ben van mening dat alleen zij dit zo zullen ervaren die de kinderlijke onbevangenheid zijn kwijtgeraakt, die de ziel door alle leeftijds≠fasen heen zou moeten bewaren om in be≠paalde ogenblikken te kunnen beleven wat door het verstand, hoe knap ook, niet in zijn ware gedaante kan worden beleefd.

Maar volgens mij is het ook zo dat zij die er met hun verstand een uitleg aan willen geven, nooit de betekenis van deze beelden kunnen doorgronden. Toen deze sprookjes in mij opwelden heb ik zelf ook niets anders in mijn ziel beleefd dan wat hun pure beeld mij te zeggen had. Het was verre van mij om gestalte te geven aan een 'diepere zin', die opgevat zou moeten worden als iets anders dan wat de beelden zelf tot uitdrukking brengen. Maar ik ben er vast van overtuigd dat bepaalde ge≠heimen die het leven van natuur en mens bevatten zich pas dan aan de ziel open≠baren, wanneer zij er oog voor heeft om hen in dergelijke beelden te aanschouwen. Deze geheimen onttrekken zich aan de menselijke geest wanneer hij hen onder woorden wil brengen. Maar zij openbaren zich wel aan het gevoel, dat in de beelden een belevenis van de levende werkelijkheid ervaart.

Rudolf Steiner


Het sprookje van de Ďfantasieí.

Er was er eens een lichtend godenkind.
Het was de wezens na verwant,
die wijsheid in 't geest'lijk rijk zo zinvol weven mogen.
Het wezen, grootgebracht door vader waar≠heid,
groeid' in zijn wereld op: werd oergeweld.
En toen het voelde hoe gerijpte wil in
zijn lichtlichaam zich scheppend ging bewegen,
toen blikte het vaak vol meelij naar de aarde,
waar mensenzielen hunkerden naar waarheid.

Het wezen sprak daarop tot vader waarheid:
'De mensen dorsten naar de drank,
waarmee gij hen uit uwe bronnen laven kunt.'
Met waard'ge ernst sprak toen de waarheids≠vader:
'De bronnen, die ik hier behoeden moet,
zij laten licht uit geesteszonnen stromen;
en drinken van het licht mogen slechts wezens,
die om te ademen geen lucht behoeven.
Daarom heb ik uit licht een kind doen groeien,
dat meelij voelen kan met aardse zielen,
en licht in ademwezens wekken kan.

Daal dus nu maar naar mensen af
en draag dan het licht uit hunne zielen
 naar mijn licht vertrouwend
en van geest doorvoeld naar boven .'
Toen wendde zich het hel en lichtend wezen naar zielen toe,
die ademend zich beleven.

Het vond op aarde vele goede mensen,
die hem vol vreugd een zielehuis verleenden.
Met trouwe liefde richtte het hun blikken
naar vader waarheid aan de bron van 't licht.
En als het wezen uit de mensenmond
en 't blij gemoed van mensen 'fantasie'
als toverwoord vernam, dan wist het zich
in goede mensenharten blij beleefd.

Maar op een dag trad naar het lichtend wezen een man,
die vreemde blikken op hem sloeg.
'Ik richt op aarde mensenzielen naar
mijn vader waarheid aan de bron van 't licht',
sprak tot de vreemde man het lichtend wezen.

Toen zei de man:
 'Je weeft in mensengeesten
slechts wilde dromen en bedriegt de zielen'.
En sinds de dag die dit gebeuren zag,
belasteren veel mensen nu dit wezen,
dat licht in ademzielen brengen kan.

 
Het sprookje van goed en kwaad of Waar komt het kwaad vandaan?


Er leefde eens een man,
die dacht veel over wereldraadsels na.
Hij pijnigde zijn hoofd het meeste,
als hij de bron van 't kwade wilde kennen.
Daarop kon hij maar nooit een antwoord vinden.

'De wereld is van God', - zo zei hij dan,
'En God kan louter 't goede in zich dragen.
Hoe komen slechte mensen uit het goede?'
Vergeefs brak hij zijn hoofd steeds over 't raadsel;
het antwoord kon maar niet gevonden worden.

Maar toen gebeurde het, dat onze peinzer
een keer op weg naar huis een boom ontdekte,
die in gesprek was met een bijl.
Aan deze boom verkondigde de bijl:
'Wat jou te doen niet moog'lijk is, ik kan het doen,
ik kan jou vellen; jij mij echter niet.'

Toen zeide tot de ijd'le bijl de boom:
'Een jaar geleden nam een man het hout,
waaruit hij, bijl, jouw steel vervaardigd heeft,
met hulp van 'n and're bijl uit mijn lief lijf.'

En toen de man dit weerwoord had gehoord,
ontstond er in zijn ziel nu een gedachte,
die hij niet onder woorden brengen kon,
maar die het juiste antwoord gaf op 't vraagstuk:
hoe 't kwade uit het goede stammen kan.
 
 
 
 
12. DOORNROOSJE - Vanuit het standpunt van de boze fee.

Het sprookje van de boze fee
Jacqueline E. van der Waals


Hand in hand stonden ze bij de wieg van hun eerstgeborene.

De koningin had de kanten wiegegordijntjes ter zijde geslagen en volgde met tedere belangstelling het hulpeloos bewegen der kleine magere knuistjes, het smakkend zoeken van het open, nog ongevormde zuigmondje naar de lauwe, zoete stroom van wellust, die soms bij het openen der lipjes het keeltje was komen binnenstromen.

`Kindje? Lieveling?' vroeg de koningin.

Lang had God haar op een kindje laten wachten, jaren lang, en haar hart en het hart van het volk waren moe geworden van het wensen, gekrenkt door uitgestelde hoop...

Maar daar was het nu toch eindelijk gekomen, het lieve, kleine prinsesje, en daar lag het in haar wiegje en de koning en de koningin keken er naar, en ze waren er toch zo innig gelukkig mee, dat ze zelfs voor God niet zouden hebben willen erkennen, dat ze - nu ja, dat ze toch nog misschien iets liever een zoon zouden hebben gehad.

De koningin stak haar blank vingertje naar het kinderhandje uit - en het kleine gemarmerde vuistje omknelde het vast.

`Kindje?' vroeg de koningin verrukt.

De koning keek neer op de even gebogen gestalte, op het nog bleke, fijne, blonde hoofdje van zijn vrouw.

`God is goed,' antwoordde hij dankbaar.

Van het voorplein klom het verwarde gerucht van een grote volksmenigte naar boven, gonzend drong het door tot in de zalen van het koninklijk paleis.

De koningin hief het hoofd omhoog, ze luisterde, ze glimlachte.

`Hoor...' zei ze. `Ze zouden het ook zo graag eens eventjes willen zien... Zal ik even?...'

Ze had het prinsesje al uit haar gouden wiegje genomen en trad er mee naar het raam.

Buiten stond het volk. Een groot veld van mensenaangezichten, geduldig opgeheven naar het koninklijk paleis, de ogen verlangend gericht op het venster, waar de koningin verschijnen ging.

Plotseling openden zich alle monden tot een luid, lang aangehouden, golvend gejuich. Het effen veld werd tot een onrustig bewogen massa. Armen, hoeden, petten, zakdoeken zwaaiden en wuifden in heftige, wilde warreling boven de hoofden heen en weer.

De vrouw aan het venster hief haar kindje hoger. Daar glimlachten alle monden in juichende ontroering.

`Mijn lieveling, mijn vreugde, mijn trots!' jubelde een jonge vrouw in het zwart en de tranen traden haar in de ogen. `God zegene haar,' bad innig een oud moedertje. `God zegene haar en het kind.'

Het moet heerlijk zijn geweest, daar te staan juichen te midden dier menigte, daar te staan juichen en lachen en bidden en schreien... Stil, het is misschien maar beter, dat wij daar niet te veel aan denken... we zouden afgunstig kunnen worden op de mensen van dat land.

Maar, o God, wat waren ze toch gelukkig, wat waren ze gelukkig! Ze verhieven hun stem met zů grote blijdschap, ze juichten met zů groot gejuich, dat de klank van hun vreugde tot van verre gehoord werd...

De boze fee hoorde die kreten, waar ze in eenzaamheid rondliep door het grote bos, en haar kleine witte tandjes drukten zich vaster in de volle, rode onderlip, en uit de raadselachtige diepten van haar grote donkerblauwe ogen schoot een blik van haat en smart en medelijden en oneindig verlangen.

`De dwazen,' sprak ze, `alsof de geboorte van een mens reden was tot verheuging.'

De boze fee was mooi. Ik wenste wel, dat ze een lelijke oude toverheks was, rimpelig en gebogen, met kleine, stekende, roodgerande ogen en een venijnige, tandeloze mond. O, hoe ik haar haten zou! Hoe ik het heerlijk zou vinden, haar zů te beschrijven, haar zů het kwaad te vergelden, dat ze over de mensen van dit ongelukkige land heeft gebracht...

De boze fee was mooi... Als iemand haar was tegen gekomen, zoals ze daar liep te lichten door het bos, in de gouden glans van het fraaie, golvende haar, en de smetteloze reinheid van haar slepende feeŽn gewaad, en - niet gemeenzaam met feeŽn, noch gewend de verschillende uitdrukking in feeŽntrekken te bespieden - zijn ogen had opgeheven tot dat mooie, lieve gezicht en geblikt had in die droeve ogen, vol smachtend verlangen tot hem opgeheven... hij zou geen ogenblik gedacht hebben aan iets kwaads, maar blijde en beschroomd zou hij zijn hand hebben gelegd in de hare, in smekende liefde tot hem uitgestrekt, zou hij een kus hebben gedrukt op dat kleine rode mondje, dat zich hief tot zijn lippen, als het mondje van een bedroefd, onschuldig kind.

De boze fee is mooi. Wees voorzichtig, gij, die de eenzaamheid lief hebt als ik, voor wie het een genot is te dwalen door de stilte van het grote woud. Wees voorzichtig, wacht u voor de boze fee, vertrouw haar niet... Veel kwaad heeft ze gedaan, velen verlokte ze, niemand nog maakte ze gelukkig...

Het was stil in het bos.

De bijl van de houthakker rustte en de vuren der kolenbranders waren verlaten. Ook de kleine bosbessenkindertjes, die dagelijks hun mandjes kwamen volplukken van de bosbessenstruiken en met hun stemmetjes de lege stilte kwamen vullen, hadden de vuile blauwe mondjes en handjes laten wassen en waren met moeder meegegaan naar de stad, waar de koning een feest gaf aan armen en rijken, aan kleinen en groten, - waar ook de feeŽn waren genodigd - opdat ieder zich in de geboorte van het prinsesje verblijden zou.

Het was stil in het rond, nu zelfs geen geruis van feeŽnkleedjes bewoog langs de paden, geen geluid van feeŽnlachjes klonk door het struikgewas.

De boze fee voelde die stilte om zich heen - en de klank van vreugde hoorde ze heel van verre.

`De dwaas,' sprak ze, en haar wenkbrauwen trokken zich samen in angstige dreiging, `de dwaas - hij weet niet wat hij gedaan heeft.'

De koning was een beste man, braaf en eerlijk en fatsoenlijk, maar hij was voorzichtig, zů voorzichtig, alsof hij de Voorzienigheid zelf had moeten zijn.

En de koning hield niet van de boze fee.

En daar had hij dan ook gelijk in. Want hij wist immers, hoeveel kwaad ze reeds over zijn land en volk gebracht had. Hoe zŪj het is, die de hagelslag brengt en de storm, die juicht als de donderslagen dreunen door het woud, als de neder knetterende bliksem de takken doet kraken en scheuren, de stammen doet splijten, die de rivieren buiten hun oevers doet treden, en zich verheugt in het woeste geweld van het water, als het stormloopt op dijken en muren en mensenwoningen.

De boze fee - ach, ze heeft de mensen wel lief, maar ze haat de mensenwereld en het mensengedoe, en hun wijnbergen en aardappelvelden. Ze zou wel willen, geloof ik, dat de mensen de aarde maar lieten, zoals ze was, vol ongerepte bossen en onontgonnen heiden. Want de mensen heeft ze lief, maar ze haat wat de mensen liefhebben en ze heeft lief, wat de mensen haten en vrezen.

De dood heeft ze lief boven het leven en de duisternis boven het licht.

De koning was bang voor de boze fee.

`We bezitten in ons koninkrijk maar twaalf gouden bordjes,' had hij tot zijn eerste minister gezegd. `We zullen dus ook maar twaalf van de dertien feeŽn kunnen uitnodigen op ons feest.'

De minister daarop had een hoogst bedenkelijk gezicht getrokken. `Ja, maar... Uwe Majesteit...' begon hij.

Maar de koning viel hem in de rede met een rustige glimlacht: `We kunnen er toch niet één laten eten van een gewoon zilveren bord? Het zou als een belediging kunnen worden opgevat.'

Nee, dat ging natuurlijk niet aan, moet de minister toestemmen, die veel voelde voor etiquettevragen.

`Nu dan?' vroeg de koning aanmoedigend, toen de minister bleef aarzelen. `U wou iets zeggen?'

`De boze fee moet in ieder geval gevraagd worden,' meende de minister. `De boze moet men te vriend houden.'

De goede koning hield niet van cynisme. Ook irriteerde het hem, dat zijn dienaar hem juist die raad gaf, die hij niet van plan was op te volgen.

`Zo?' vroeg hij misnoegd. `En verder? Wat was dan verder uw voorstel?'

De minister zweeg.

`Als u verder niets te zeggen hebt, als uw oordeel over de zaak nog zů weinig gevormd is,' meende de koning, `deed u beter eerst te luisteren, en dan pas te spreken.'

De minister boog het hoofd, en begon zwijgend te luisteren om daarna zijn oordeel te kunnen vormen.

`De goede feeŽn moeten in ieder geval gevraagd worden,' betoogde de koning, toen de minister zwijgen bleef. `Sinds mensenheugenis is de verhouding uitstekend geweest tussen het Hof en het Bos... dat moet zo blijven... we hebben nooit iets anders dan bewijzen van liefde en vriendelijkheid van de goede feeŽn ontvangen. Ik zou niet gaarne ééne van haar verdriet willen doen... Bovendien het zou niet alleen slecht, het zou erger, het zou dom zijn, één der goede feeŽn te beledigen. Wat één aangaat, weten ze dadelijk alle twaalf...'

`DŠt geef ik toe...' begon de minister haastig.

`Dat behoeft u me niet toe te geven,' zei de koning hoog, geŽrgerd door zulk een ontijdige interruptie. `Dat is een uitgemaakte zaak. Ze hangen als klissen aan elkaar, ze nemen altijd elkaars partij, we zouden gevaar lopen dat ze allen wegbleven van ons feest. Er zou een breuk ontstaan... De boze fee daarentegen staat alleen...'

`Maar ze is machtig,' begon de minister weer, `en lichtgeraakt en wraakzuchtig...'

`Maar ze behoeft immers van de gehele zaak niets te horen,' sprak de koning met kalme minachting, `wie zou het haar vertellen? Met niemand is ze intiem...'

Het gelaat van de minister klaarde op.

`O...' zei hij, `neen... als ze er niets van te weten komt, kan het natuurlijk ook geen kwaad.'

`Juist zo,' zei de koning tevreden. `Nu, dan draag ik de zaak dus aan u op. Zorg dat alles in het diepste geheim geschiedt. U kunt het zů voorstellen bijvoorbeeld, alsof de komst der feeŽn een verrassing moest zijn, een aardigheidje voor de gasten...'

De minister boog het hoofd en verliet het vertrek.

`Denk er aan,' zei hij tot de bode, die hij de twaalf uitnodigingsbrieven ter hand stelde. `Denk er aan, dat het van het hoogste belang is, dat je iedere brief aan de geadresseerde zelf in handen geeft. De koning is er opgesteld, dat alles een diep geheim blijft. Je begrijpt,' voegde hij er met een knipoogje bij, `op een feest... een aardigheid... een verrassing voor de gasten... en wacht... Denk er aan, dat de boze fee niet is genodigd, laat zij vooral niets merken.'

`Ja wel, Excellentie,' zei de bode, `laat u dat maar aan mij over, ik zal dat zaakje wel eens vlug en handig voor u opknappen.'

Welgemoed begaf hij zich naar 't bos.

En daar had me nu die man in zijn koninklijke livrei dagen lang door het bos rond geloerd en rondgeslopen als een jager die een zeldzaam wild betrappen wil, en, dachten die mensen nu heus, dat de boze fee niets van dat alles gemerkt zou hebben, dat ze niet begreep, wat er gaande was? Dachten ze, dat ze niet wist, wat er in de brief stond, waarvan de witte punt uit de zak van de gegalonneerde jas was komen steken, noch, waarom de bode soms zo verschrikt en schuldig en dan weer zo sluw geheimzinnig gekeken had bij het wegmoffelen van die brief, zo vaak hij haar onverwacht ontmoet had? Waarom de feeŽngesprekken bij haar nadering zo plotseling waren verstomd? En dachten ze, dat ze niet gezien had, hoe daareven de feeŽn, zij, die immers altijd tezamen waren, nu één voor één, om geen argwaan te wekken, het bos verlaten hadden, en hoe ze elkaar nu opwachtten op de weg naar de stad, om haar wensen te gaan spreken over het koningskind, haar wensen van deugd en macht, van geluk en schoonheid?...

Trots hief de fee het mooie, blonde hoofdje omhoog.

`Menselijke schoonheid?' vroeg ze met een spottend lachje. `Mensenmacht? Mensengeluk? Mensendeugd?'

Ze glimlachte bitter. `Ik zou een mens willen zijn,' sprak ze droef. `Alleen om het mens, dat ik zijn zou, te kunnen vernietigen.'

`Alles wat is, is kwaad,' sprak de boze fee.

Al het licht was uit haar grote, blauwe ogen geweken. Diep en donker waren ze van medelijden en verlangen en liefde en smart.

`Niets is goed, niets is gelukkig, niets is volkomen dan het niet-zijn.'

Plotseling gleed een vreemde uitdrukking van triomf over haar trekken, een zachte, tedere vreugde begon in haar ogen te lichten.

`Het arme kind,' zei ze meelijdend, `het arme, lieve, kleine prinsesje... Ik moet gaan, om haar mijn gave te brengen. Ik moet gaan...'

En ze ging.

Lieve mensen, de fee moet krankzinnig zijn geweest, toen ze met zulk een gave zich op de weg begaf naar de feestelijke stad.

De avond begon te vallen en de stralen der ondergaande zon verguldden de gevels en schitterden in de vensters. Alle huizen stonden daar geÔllumineerd, van onderen tot boven. Zelfs de dakvenstertjes schenen verlicht en het haantje van de toren stond hoog in de lucht als een vreugdevlam te branden...

Het vreugdevuur weerkaatste in de ogen der boze fee en het kleine mondje lachte triomferend...

Ze moet heus krankzinnig zijn geweest. Welk verstandig wezen zou op zulk een dag van licht en algemene vreugde het doodvonnis durven spreken over de hoop en de vreugde van geheel een volk - en dan nog denken goed te doen, en dan nog zich verbeelden de enige wijze te zijn in een wereld van dwazen?...

Ze liep door de straten der stad en sommige mensen, die haar daar zagen gaan, in de glorieschijn der ondergaande zon hielden haar voor Eén, hoger dan de feeŽn, voor een Engel des lichts, gezonden door God. Men juichte haar toe, waar ze ging.

Ze glimlachte droevig. `Als je wist, wat ik je brengen kom...' dacht ze. `Je zult me haten straks, straks zul je mij vloeken.'

Maar ze boog het hoofd niet in schuldbesef, noch wankelde in haar voornemen - ze verhaastte slechts even haar tred. Ze kwam aan de poort van het paleis, en de poortwachter liet haar binnen; ze ging door de gangen, en wijd wierpen de lakeien de deuren open, waar ze naderde; ze trad de feestzaal binnen - eerbiedig traden de gasten ter zijde en openden haar een weg.

De koning, die haar van verre zag komen, werd bleek als de dood. Maar de feeŽn stonden om het wiegje geschaard en spraken haar wensen. Deugd gaven ze aan het kindje, en schoonheid en liefde en verstand en gezondheid en blijdschap en lieftalligheid en macht en rijkdom en verbeeldingskracht en gevoel.

De boze fee stond in haar midden.

`De dood geef ik haar,' sprak ze rustig. `Ik ben te laat om haar mijn beste gave te geven. Ze zal eerst van alle andere gaven moeten genieten eer ze de mijne smaken mag. Maar dan, dan op haar zeventiende verjaardag zal ze zich wonden aan een spinnewiel en... sterven.'

Niets bewoog in de zaal - de koningin had zich met een kreet over het wiegje geworpen, de koning stond onbeweeglijk, de ogen vol ontzetting. De gasten keken de koning vragend aan, niet begrijpend. Was het een vertoning? Was het werkelijkheid?

`En sterven...' Ze herhaalde het woord zachtjes in zichzelf - toen begonnen ze het langzaam aan te verstaan. De achtersten begonnen op te dringen naar voren als wilden ze haar te lijf, een stroom van haat en angst en afschuw golfde uit aller ogen op haar aan.

`Doodt haar, grijpt haar!' begonnen ze te roepen.

De voorsten weken angstig terug.

`Vervloekt haar!' eisten ze van de feeŽn.

Maar dezen stonden machteloos, niets vermochten ze tegen een eenmaal uitgesproken feeŽnwens.

Toen trad de dertiende naar voren, zij, die haar wens nog niet gesproken had.

`Niet vernietigen, slechts verzachten kan ik het vonnis,' sprak ze droef. `Honderd jaar moet de slaap duren, die ik tegenover de dood stellen kan...'

De boze fee intussen had de zaal verlaten, veilig door de angst en de afschuw, die ze verspreidde.

`De dwazen,' sprak ze en haar lippen trilden van verlangen. `Alles vinden ze beter dan de dood, zelfs een honderdjarige slaap en het ontwaken daaruit... hier op aarde...'

En nu, zal ik nog vertellen, hoe alles, wat de feeŽn wensten, in vervulling ging? Hoe de koning, in zijn voorzichtigheid - de dwaas - alle spinnewielen in zijn koninkrijk verbranden deed, zodat het prinsesje, niet kennende, waarvoor ze zich te wachten had, zich wondde aan het éne, dat bij toeval bewaard bleef? En hoe ze insliep en met haar het gehele paleis en hoe de prins haar wekken kwam met zijn kus...?

Ach, dood en leven en liefde en huwelijk van mensenkinderen, het zijn alles wel zeer belangwekkende zaken maar op dit ogenblik voel ik daar slechts matige belangstelling voor. Mijn gedachten immers zijn bij de boze feeŽn, en bij haar daad, en bij hetgeen haar tot die daad heeft gedreven...

Dit was het sprookje van de boze fee - over de Schone Slaapster in het Bos mogen anderen vertellen.