Marten Toonder en het Mystieke - 01. De Grote Onthaler


Heer Bommel en de Grote Onthaler

Ontwikkeling van een mystiek levensgevoel, zonder onderwerping aan een geestelijke autoriteit
DOOR MARY HEIJBOER-BARBAS

Uit: Bres 95 Ė juli/augustus 1982
 
 
 
 
In het omvangrijke oeuvre van MARTEN TOONDER neemt "De Grote Onthaler" (De Bezige Bij, 2e druk 1980) een bijzondere plaats in, omdat de religieuze problematiek van onze tijd in dit beeldverhaal diepgaand wordt behandeld. Is het mogelijk je met het "Waarom? Hoe? Waarheen?" bezig te houden zonder schaapachtig achter messiassen, goeroes of boodschap≠pers (van de z.g. Witte Loge) aan te rennen, of in godsdienst of andere narigheid te vervallen? Voor een "zoeker" valt het vandaag de dag niet mee om tussen de vele half ware en halfgare geestesstromingen door te laveren, zonder in de fuik te lopen van een alleenzaligmakend systeem, waardoor je innerlijke ontwikkeling onherroepelijk tot stilstand komt. Het gaat gelijk een fluitje van een cent om in een levensbeschouwelijke groepering opgenomen te worden, maar het kan je jaren kosten om er weer uit te komen.

Terugziend op het in "De Grote Onthaler" beschreven avontuur noemt heer Bommel het "een sterke geestelijke steun voor degenen, die zich in het lage water des levens dreigen te verliezen"[1]. Toch is het beslist niet zo dat Toonder een heilsboodschap wil verkondigen. Zelf zegt hij hierover: "Er wordt me dikwijls gevraagd of ik in mijn vertelsels een boodschap wil brengen. Een boodschap is een typisch eigentijds begrip, dat zijn oorzaak in de redelijke wereld van het verstand vindt. Boodschappen brengen is opgeblazen eigendunk. Verhalen, die op een boodschap berusten zijn verzonnen en daardoor van slechte kwaliteit. Goede ver≠halen berusten evenals het sprookje op conflicten in het onderbewustzijn, die soms heel on≠verwacht aflopen. Ze hebben lang niet altijd een mooie moraal, en de boodschap die ze bren≠gen, is soms schokkend en antisociaalĒ[2].

De startmotor voor Toonders verhalen is dus een conflict in het onbewuste, dat een psy≠chisch proces in gang zet; in "De Grote Onthaler" vindt dit psychische proces uitdrukking in beelden die verwant zijn aan aloude alchemistische voorstellingen.
 
 
DE ORIňNT-EXPRES

Op een schrale dag in de winter rijden heer Bom≠mel en Tom Poes in de Oude Schicht door het Ugelmoer. "Dat is een vreugdeloos landschap, waar kille grondnevels zich langs verknarde boomstammen kronkelen" (p.7). Heer Bommel had in een tijdschrift een artikel gelezen waarin deze streek als "interessant" werd aangeprezen vanwege zijn bloeiend verleden, daterend uit de tijd dat de micamijnen nog geŽxploiteerd wer≠den. Hij wil dat verlaten plaatsje Ugelterp wel≠ eens bezoeken om er te mijmeren over het verle≠den. Het trouwe voertuig laat het door gebrek aan benzine afweten. Tom Poes gaat benzine ha≠len en heer Bommel begeeft zich naar het bouw≠vallige stationnetje van Ugelterp om beschut≠ting te zoeken tegen de gure wind. Vergeefs, want het stationnetje is niet veel meer dan een ruÔne waar de wind doorheen fluit. Hij betreedt het perron en constateert met verbazing dat de rails er glimmend en gebruikt uitzien, hoewel de spoorlijn allang geleden opgeheven is. De sta≠tionschef Wammes Waggel helpt heer Bommel uit de droom en nodigt hem uit om met de OriŽnt-expres mee te gaan.

Geen trein heeft ooit zo tot de verbeelding gespro≠ken als de OriŽnt-expres. Tot voor enkele jaren verzorgde deze luxueuze trein een rechtstreekse verbinding tussen Parijs en Istanboel, d.w.z. tus≠sen de westelijke metropolen en de geheimzinnige OriŽnt. Vůůr in "De Grote Onthaler" staat het vol≠gende: "Elke gelijkenis met bestaande of vermoe≠de figuren en omstandigheden is toevallig, hoewel de laatste reis van de OriŽnt-expres op 19 mei 1977 plaatsvond". Met andere woorden, dit histo≠rische feit is enkel de aanleiding, niet de oorzaak van de naam "OriŽnt-expres". Deze naam heeft Toonder m.i. gekozen, omdat wij het Oosten van≠ouds associŽren met Wijsheid en Licht: "Ex orien≠te lux", "oosterse wijsheid".

Al in de 12e eeuw reisden vele Noord-Europeanen naar contactpunten met de Griekse en Arabische wereld - naar het Noorden van ItaliŽ, naar Con≠stantinopel en SyriŽ[3]. Die reizen werden niet al≠leen ondernomen door geÔnteresseerden in de we≠tenschappen (Aristotelische wetenschap kwam in de middeleeuwen West-Europa binnen via Arabi≠sche kanalen), maar ook door pelgrims naar het Heilige Land en zoekers naar een esoterische wijs≠heid In de legende van CHRISTIAN ROSEN≠CREUTZ (1378-1484)[4] wordt verhaald, dat deze eerst bij de Wijzen van Damcar (het huidige Dha≠mar in Jemen) wis- en natuurkunde studeerde en later in Fez kabbala en magie. Onder "kabbala" verstond men in de Renaissance niet alleen de joodse geheime leer, maar in het algemeen iedere geheime leer[5].

In een beroemde 15e-eeuwse grimoire, het "Boek der Heilige Magie van Abramelin de MagiŽr", vertelt de auteur dat hij na vele vergeefse omzwer≠vingen in de woestijngebieden van ArabiŽ op zoek naar de "goddelijke wijsheid", ten slotte in Egypte een leraar (Abramelin) vond in kabbala en magie.

In hoeverre deze oude verhalen op werkelijk on≠dernomen reizen berustten of alleen allegorisch be≠doeld waren - het Oosten is de plaats waar de zon opgaat, symbool van geestelijke verlichting - valt nu niet meer na te gaan. Hoe dit ook zij, voor velen van ons heeft het zoeken naar een geestelijk leven een oosters tintje gekregen. Door de deconfiture van de christelijke kerk als instituut is de spirituele mystieke traditie van het Westen in diskrediet ge≠raakt. De belangstelling voor het Oosten begint verontrustende vormen aan te nemen. "De wester≠se onkunde, nieuwsgierigheid en fascinatie ten aanzien van het Oosten, de hunkering naar midde≠len-voor-alle-kwalen als "goeroes", "initiatie" en ''verlichting'', maken het een groeiende hoeveel≠heid "geestelijke leiders" makkelijk een ware oogst van geld, faam en macht binnen te halen, in naam van de spiritualiteit", zegt SURYA GREEN[6]. Talrijk zijn de waarschuwingen van psychologen, dat een te grote identificatie met het oosterse cul≠tuurgoed tot zelfvervreemding leidt.

In het begin van "De Grote Onthaler" tekent Toonder het gevoel van fysieke en spirituele malaise dat heer Bommel bevangen heeft. Hij voelt zich eenzaam en onbegrepen, verlangt naar heelheid en vrede. Dat hij wil mijmeren over het verleden wijst op een zoeken naar de wortels van zijn bestaan. De omgeving is grijs, koud en uitzichtloos. ''Alles hier is verlaten en nutteloos" (p.9). In deze sfeer van desolatie lijkt de warmte van het gecapitonneerde rij≠tuig van de OriŽnt-expres uitkomst te bieden.

Heer Bommel wordt aangetrokken door het gastvrije licht dat de OriŽnt-expres uitstraalt en stapt in. Door de aangename warmte en het roze licht sukkelt hij in slaap op de zachte fluwelen bank en hij wordt pas wakker als de locomotief fluitend een tunnel ingaat en een conducteur, ge≠maskerd als de dood, voor hem een kaartje uit≠schrijft.

De conducteur verklaart desgevraagd: "De trein gaat nergens naar toe. Hij gaat altijd maar rond op een baan zonder einde. Maar er is wel het tus≠senstation Limbus waar u uit kunt stappen en waar u zich kunt onderscheiden door een reis≠doel te kiezen. Of het u lukt is natuurlijk de vraag. Maar het is leerzaam voor de Grote Ont≠haler" (p.14).

In een brief aan een collega schrijft C.G. JUNG dat de alchemie een wonderbaarlijk hulpmiddel is om de symbolische taal van onbewuste processen te le≠ren begrijpen[7]. Het individuatie proces, de verzelf≠standiging van de individuele psyche ten opzichte van de collectieve psyche, pleegt zich bij de wester≠se mens in alchemistische symbolen uit te druk≠ken[8]. Hoewel onder de alchemisten de opinies over de te transmuteren substantie sterk uiteenliepen (RULAND geeft in zijn ''Lexicon Alchemiae" van 1612 vijftig verschillende benamingen van de ma≠teria prima), was men eenstemmig over de stadia van het transmutatie proces. Eerst een zwart sta≠dium (nigredo), dan een wit (albedo) en ten slotte een rood (rubedo). Heer Bommels toestand ver≠toont veel overeenkomsten met de nigredo, het "zwart worden". Hij bevindt zich op een rondlo≠pende baan zonder einde (circumambulatio) en al≠les lijkt verloren[9]. Om hem heen duiken de symbo≠len op van de dood, de onderwereld, de Hades (Limbus betekent "voorgeborchte der hel"). De toestand van nigredo waar heer Bommel doorheen gaat, vertegenwoordigt een fase in een proces van zelfonderzoek, dat resulteert in zelfkennis[10].

Uit het gesprek met de conducteur blijkt, dat Bommel zichzelf ziet als een eenzame, onbegre≠pen heer, die zonder verplichtingen zijn eigen weg wenst te gaan. Deze visie op zichzelf neemt onmiddellijk vorm aan, als hij na uitgestapt te zijn op het station Limbus, door de conducteur en reisgeleider Grollius (Latinisering van "grol", de kunst van een tovenaar of duivelbanner) door een van de deuren geduwd wordt met de woor≠den: "Hier achter ligt het pad, dat de Grote Ont≠haler voor u heeft klaargelegd; volgens uw wen≠sen" (p.19).



Heer Bommel treedt uit de ringbaan en gaat op zoek naar het centrum - de steen der wijzen. De situatie van heer Bommel, door een tunnel in het hart van de Zwarte Bergen gevoerd, is te karakte≠riseren als een illustratie van de alchemistische spreuk: Visita interiora terrae rectificando inven≠ies occultum lapidem - Onderzoek het binnenste der aarde, vervolmaak het (Bommel wil altijd mis≠standen opruimen) en gij zult de verborgen steen vinden. De beginletters van deze Latijnse spreuk vormen het woord Vitriol, dat een alchemistische term is voor het transmutatie proces.

Als heer Bommel op het perron van Limbus uit≠stapt en klaagt over "een dooie boel", antwoordt de conducteur: "U bent er toch? Een dooie boel is het hier dus niet. Integendeel; hier begint het leven pas, zou je kunnen zeggen" (p.18).
 
 
 HET PAD ZO SCHERP ALS EEN SNEDE

 
Als de deur zich achter heer Bommel gesloten heeft, komt hij eerst in een pikdonkere gang. Met de handen voor zich uit stommelt hij er doorheen en ziet het lichter worden.

Het is bekend dat deze passage door een donkere tunnel een normale ervaring is bij uittredingen[11].

"Ik hoop, dat daar de uitgang van dit station is", spreekt heer Bommel tot zichzelf. "Een gastvrije herberg met warmte en rust is alles wat ik vraag. En een eenvoudige maaltijd vůůr het slapen gaan, zodat ik verfrist en versterkt op Tom Poes kan wachten" (p.20). Later zal deze wens in vervulling gaan, maar eerst loopt hij op een weg die langs diepe afgronden leidt. Lichtgevende ne≠vels belemmeren zijn uitzicht. Hij wil terugke≠ren, maar als hij omkijkt ziet hij tot zijn ontzet≠ting, dat een stuk van de weg achter hem in de mist verdwijnt, zodat er plotseling een peilloze afgrond gaapt. Heer Bommel loopt door en na uren lopen merkt hij pas dat de weg onder hem doorloopt, zodat hij eigenlijk stilstaat. Hij be≠gint steeds harder te lopen, omdat stilstaan ach≠teruitgaan betekent (p.25).
 
 
 

Het pad zo scherp als een snede met aan weerszij≠den een diepe afgrond is een bekend beeld voor de weg van een occultist (iemand die zich voor onder≠zoek op "verborgen" gebied begeeft). ELIPHAS LEVI zegt hierover[12]: "Men moet zich niet roekeloos op de weg der hogere wetenschappen begeven, maar eenmaal op weg, moet men aankomen of sterven. Twijfelen is gek worden, stilhouden is val≠len, achteruitgaan is zich in een afgrond storten".

Op het gebied waar heer Bommel zich nu bevindt nemen zijn wensen ogenblikkelijk vorm aan. De zojuist geciteerde Eliphas Levi zegt over het Opus Magnum van de alchemist: 'Het Grote Werk is, vůůr alles, de schepping van de mens door zichzelf, d.w.z. dat hij zich volledig in bezit stelt van zijn ver≠mogens en van zijn toekomst; het is in het bijzon≠der de volkomen ontwikkeling van zijn wil die hem een alzijdige beheersing geeft... over het Universe≠le Magische Agens"[13]. Dit Universele Magische of Magnetische Agens is het astraallicht, waar Levi, kort samengevat, 
het volgende over zegt: Het is een plastisch medium waar gedachten en beel≠den op ingedrukt kunnen worden. Het is vol weer≠kaatsingen en beelden die het reproduceert in over≠eenstemming met de evocaties van de imaginatie, van de herinnering of van verlangens. De mens "formuleert" het astraallicht door middel van zijn imaginatie; hij trekt een voldoende hoeveelheid van dit licht aan om aan zijn gedachten en aan zijn dromen vorm te geven (JAMES JOYCE noemt dro≠men "golven van licht"). Als de mens overspoeld wordt door de beelden die hij oproept, wordt hij waanzinnig. Deze beelden van het astraallicht zijn even reŽel als fotografische beelden. Zowel de beel≠den in dromen, als de beelden die in het waakbe≠wustzijn opkomen, zijn werkelijke beelden die in het astraallicht bestaan. Men kan nu eenmaal niets zien wat niet bestaat (d.w.z. de beelden zijn reŽel op hun eigen gebied).

Veel recenter is een uitspraak van de kunstenaar en occultist A.O. SPARE: de magiŽr kent "de sub≠tiele geometrie van onbekende dimensies waar≠door dromen vlees aannemenĒ[14]
 
Inmiddels is Tom Poes met de ambtenaar eerste klasse Dorknoper, die een onderzoek wil instel≠len naar de illegale spoorweg en de omvang van de overtreding, met een hefboomlorrie de spoor≠baan afgereisd en in de tunnel onder de Zwarte Bergen aangekomen. Omdat er voor hen geen kaartje is uitgeschreven, passen zij niet in het Grote Plan en worden prompt op een zijspoor gerangeerd. Tom Poes springt er bijtijds af en ziet in de verte de lorrie tegen een buffer vastlo≠pen, waarna zich een discussie ontwikkelt tussen de ambtenaar en een conducteur.

Tom Poes gaat op verkenning uit, daalt langs een trap af naar beneden en hoort het doffe ge≠dreun van machines. Hij zet een hefboom in de nulstand, zodat de weg onder Bommels voeten voor een ogenblik stilstaat, maar wordt dan door een figuur uit de onderwereld gegrepen die hem omhoog gooit naar Bommels levenspad en tege≠lijkertijd de hefboom in de hoogste stand zet, zo≠dat heer Bommel voorthollend achteruit vliegt en ten slotte met Tom Poes in een ordeloze hoop terug op het perron belandt. Zoals steeds bij dit soort rampspoed, horen ze "een vreemd hoog lachje, ergens boven in de nevels" (p.28).

Na het geschal van vele klaroenen, het sein tot verpozing van de Grote Onthaler, gaat het twee≠de deel van Bommels wens in vervulling: het vin≠den van een gastvrije herberg om weer op krach≠ten te komen. De conducteur opent een van de vele deuren op het perron en leidt zijn gasten binnen in een ruime zaal "die van vele oosterse gemakken voorzien was, en waar heerlijke geu≠ren de bezoeker verwelkomden" (p.31). Daar≠mee wordt de eerste fase van Bommels beproe≠vingen afgesloten.
 

 
 
Tom Poes ondergaat het onthaal van de Grote Herberger niet passief; hij gaat op onderzoek uit, wil weten wat er achter zit. Nadat heer Bom≠mel na een copieuze maaltijd in een diepe slaap is gevallen, sluipt Tom Poes weg en komt in een ouderwetse stationswachtkamer, waar de ambtenaar Dorknoper de conducteur op strenge toon de les leest.

"Ik wens die heer Onthaler te spreken, waar u over praat. Ik eis, dat mij de vergunningen en be≠scheiden getoond worden, die strekken tot het drijven van een spoorwegonderneming". De conducteur antwoordt vermanend: "U kunt be≠ter in vrede genieten van alle voorrechten, die de Grote Herberger u biedt" (p.36).

Daarna verdwijnt de conducteur en sluit de deur af; de lichten gaan uit, zodat iedereen wel moet gaan slapen.


 
EEN NIEUWE DAG EN EEN NIEUW OPTREDEN

De volgende morgen wordt de deur naar het per≠ron plotseling door de conducteur geopend met de woorden: "Een nieuwe dag en een nieuw op≠treden. De Grote Onthaler wacht vol leergierig≠heid".
Dit is een toespeling op het begin van GORTER's "Mei": "Een nieuwe lente en een nieuw geluid".

De ambtenaar eerste klasse zegt koel: "Klets≠praat. Ik stel vast, dat hier sprake is van vrij≠heidsberoving, c.q. ontvoering. En uw masker zal u niet langer baten. Daar kijk ik doorheen". "Iedereen heeft toch een masker?", zegt de con≠ducteur verontschuldigend. "Maar de Hoge Herberger herbergt u juist om er doorheen te kunnen zien" (p.42).,

Mevr. BLAVATSKY begon naar instructies voor leerlingen van haar Esoterische School met een waarschuwing: Er bestaat een onveranderlijke wet op het gebied van het occulte, nl. dat iedere verken≠ner van dit gebied in situaties wordt gebracht, waarin al het verborgene in zijn eigen aard naar buiten treedt. Wie een masker draagt, zal onmoge≠lijk zijn ware aard kunnen verbergen, 'om het even of die laag of edel zij"[15].

Ook de heer Dorknoper vindt "achter de deu≠ren" wat hij zoekt: nl. vrijheid in gebondenheid. Zijn verdenking dat de clandestiene spoorweg iets met smokkel van verdovende c.q. opwek≠kende middelen te maken heeft, ziet hij beves≠tigd in de aanwezigheid van een groot fust dat de weg verspert. Heer Bommel wil erlangs en pro≠beert de ton over de rand van de weg heen te wer≠ken, maar de ambtenaar wenst het vat als be≠wijsmateriaal te behouden. Heftig ruziŽnd trek≠ken zij zo hard aan het fust dat het scheurt, zodat beide heren onder een dikke laag gele lijm bedol≠ven worden. Er zit niets anders op dan zich in het afwashok schoon te laten spuiten.

De purificatie (zuivering) is een onderdeel van de nigredo.


HET ALZIEND OOG
 


Wanneer Tom Poes bij de lorrie probeert te ko≠men om te ontsnappen, wordt hij van boven af met een vangnet geschept (er zijn overal verbor≠gen camera's); maar door het net flink in beweging te brengen weet hij het op een rotspunt vast te zetten, zodat het knapt.
 
Op zoek naar "wat er achter zit", kun je in een net van denkbeelden en lichtgelovigheid gevangen ra≠ken, maar als je jezelf in beweging weet te houden, kun je je daaruit bevrijden.

Tom Poes loopt snel een spelonk in, waar hem een buitengewoon schouwspel wacht. In deze grot is het computercentrum van de merkwaar≠dige onderneming. Blijkbaar worden de bevelen van de Grote Onthaler hier uitgewerkt en aan de machines beneden doorgegeven. De conducteur Grollius, die zojuist door heer Bommel en Tom Poes van zijn masker is beroofd, wordt ernstig toegesproken door een boven hem geplaatste. De vleugels die uit diens pij steken, doen ver≠moeden dat hij, net als de engelen in de christe≠lijke overlevering, de wil van de Grote Onthaler volbrengt.

"Je hebt het Plan in gevaar gebracht", spreekt zijn meerdere streng. "In plaats van te luisteren naar de Richtlijnen van Boven, heb je je eigen nietige gedachten gevolgd... De Grote Onthaler is niet tevreden, Grollius. Je roeping van con≠ducteur wordt overgenomen door Norrius en jij gaat als hoeder werken onder de naam Grol".

De beklagenswaardige Grol wil iets in het mid≠den brengen, maar de ander legt hem het zwijgen op. "Dit is een gebod. Als de conducteur fouten maakt, komt het Plan van de Verheven Vergas≠ter in gevaar".

Voor deze Gorromieten, van wie de Grote Ont≠haler later tegen heer Bommel zegt, dat ze dom, duur, maar gehoorzaam zijn, is hun baas on≠zichtbaar, maar ze horen zijn Woord. Uit de trechter boven hun hoofd klinkt een schallende klaroenstoot, waarop de beide figuren zich spontaan op de grond laten vallen en diep bui≠gen. Dan klinkt uit de trechter een hoog stem≠metje, dat "Achallebap achhe ach plomplom" zegt - of woorden van gelijke strekking.

"Wat zegt hij?" fluistert Grol, de hoeder. "Ik kan hem soms niet begrijpen, en daardoor maak ik die fouten".
"De wegen van de Grote Onthaler zijn soms on≠naspeurlijk", geeft de ander toe (p.58).

Duizenden theologen, priesters en dominees van allerlei christelijke denominaties hebben een klei≠ne tweeduizend jaar lang de bijbel als een directe Godsopenbaring opgevat en voor het gewone volk begrijpelijk willen maken. Deze interpretaties hebben tot verschillende Godsopvattingen geleid, waarvan wij ons nu kunnen afvragen of het geen karikaturen zijn.

De toespelingen op de Grote Onthaler worden steeds met Bijbelse zinswendingen weergegeven: "De Grote Onthaler, die alles ziet en alles weet... " (p.65); "Opstandigheid tegen de Grote Gastheer wordt zwaar gestraft, want hij is streng maar rechtvaardig" (p.69); 'Er kruipt geen zondaar door het oog van een naald zonder dat hij het weet" (p.63); "De Grote Onthaler helpt hen, die zichzelf helpen" (p. 70); ':.. alles moet gaan zoals het gaat.

Dat is de leer van de Grote Onthaler" (p. 75). Het is duidelijk, dat hier een bepaald, tot voor kort in sommige kringen niet ongebruikelijk Godsbeeld op de hak wordt genomen. Sinds NESCIO noemen We dit de God van Nederland en van je tante.

GERARD REVE zegt over de "aanbidders van de God van Nederland", dat zij zich gedragen als kin≠deren, die zich koest houden omdat straks, aan het eind van de dag, "vader thuis komt", de toornige, onberekenbare, maar allerminst om de tuin te lei≠den oude huistiran[16].

Drs. L.C.J. REEDIJK-BOERSMA, hervormd predi≠kant te Zeist, schreef in Hervormd Nederland van 27 augustus 1977 naar aanleiding van ''De Grote Onthaler" het volgende: ''Dit verhaal heeft mij buitengewoon geboeid Het hield mij een spiegel voor en daar ben ik van geschrokken. Velen heb≠ben het idee, dat God als de Grote Onthaler, naar eigen goeddunken (''voor de aardigheid") een Plan bedenkt, waarin mensen als marionetten gemani≠puleerd worden... We hebben zo'n behoefte aan veiligheid, zijn zo op zoek naar warmte en een gastvrije herberg, net als heer Bommel, dat we ge≠neigd zijn ons lot uit handen te geven... Wellicht moeten we meer vragen stellen en geen genoegen nemen met de zoete koekjes, de geijkte antwoor≠den, die ons worden toegeworpen".


DE DOOLHOF
 
Inmiddels is de verdwijning van de ambtenaar eerste klasse Dorknoper en van heer Bommel niet onopgemerkt gebleven. Commissaris Bulle Bas rukt uit met de gehele politiemacht van Rommeldam en neemt de OriŽnt-expres in be≠slag; op het station Limbus aangekomen, gaan de wakkere agenten het hele terrein doorzoeken, vooral achter de deuren, om de hier heersende misstanden op heterdaad te betrappen. Bezig het terrein met een fijn kammetje te doorzoeken, belanden ze in een doolhof, waar commissaris Bas met zijn manschappen onherroepelijk in verdwaalt.

Middelerwijl is heer Bommel op de uitdaging in≠gegaan om de strijd tegen de acht monsters te beginnen. Grol, de hoeder, zegt ervan: "Het zijn de monsters uit het binnenste en vroeger of later moet iedereen ze bestrijden" (p.69). Heer Bom≠mel wordt naar een woestijnachtig landschap gevoerd, waar hij een kring van acht ronde gaten in de bodem voor zich ziet opdoemen. In een on≠dergronds bassin huist een bovenmaatse octo≠pus, die zo goed gedresseerd is dat hij zijn tenta≠kels beurtelings een masker opzet en door de ga≠ten in de zoldering steekt. Boven de grond wordt heer Bommel van hot naar haar geworpen, en het is Tom Poes die ontdekt, dat het in feite om één monster gaat en het onschadelijk maakt met de van Grol verkregen bittere pil.
 
 
 

De octopus met acht tentakels is een beeld van het egocentrisme van de mens, waaruit alle ondeugden voortvloeien. In een van de visioenen die ALEISTER CROWLEY verkreeg door zijn experimenten met de Henoch-invocaties, voegt een "Engel" hem toe: "Gij vroeg om roem, macht en genoegens, ge≠zondheid, rijkdom en liefde, en kracht en een lang leven. Gij hield aan het leven vast met acht tenta≠kels, als een octopus... ,,17[17].

De octopus, evenals de draak en de beer, symboli≠seert het gevaarlijke aspect van de nigredo-toe≠stand van de prima materia[18]. Het is een dier dat in de diepte huist en je naar beneden kan trekken en verslinden, zoals de octopus Tom Poes dreigt te doen.

Door een laatste stuiptrekking van een van de tentakels wordt heer Bommel omhoog geslin≠gerd, zodat hij ook in de doolhof terechtkomt. Hij verdwaalt echter niet, omdat hij het labyrint als doolhof herkent en zich van zijn jeugd weet te herinneren, dat het geheim van de doolhof in het centrum schuilt.

Het sanctuarium van de Lapis (de Steen der Wij≠zen) is tegelijkertijd een labyrint, zegt C. G. Jung[19]. De functie van het labyrint in het megalithische tijd≠perk was om graven voor grafschennis te behoe≠den[20]. Deze functie, het beschermen van iets kost≠baars tegen indringers, oningewijden, is ook in de latere toepassing van doolhoven te onderkennen. De doolhof is het symbool van de inwijdingsweg, van de vele beproevingen die men moet doorstaan, alvorens het verborgen centrum te kunnen berei≠ken. De doolhoven die men soms op de vloer van kathedralen aantreft, symboliseren de tocht naar het Heilige Land, naar de Tempel van Jeruzalem. De structuur van de doolhof vertoont veelovereen≠komst met een mandala.
 
 

Door een paar keer intuÔtief het juiste gangetje te kiezen, ziet heer Bommel plotseling een hoge to≠ren voor zich opdoemen. Tegelijkertijd wordt er vanuit de toren een regen van koekjes over de gangen van de doolhof gesproeid. "Nee maar", zegt heer Bommel. "Het is sprits! Zonder thee is dat eigenlijk geen eten voor een heer. En boven≠dien kan ik me nu niet laten afleiden, want ik weet zeker, dat ik op de goede weg ben". Hij be≠treedt de toren, een eigenaardig gebouw met vele verdiepingen, die alle een groot rond gat in de vloer hebben. Hij begint de trap te beklimmen en kijkt, om niet duizelig te worden, recht voor zich uit. Daardoor ziet hij Tom Poes niet, die on≠der de opstijgende, met kostelijke spijzen bela≠den tafel hangt en er op de eerste verdieping af≠springt, waar hij door een open raam een over≠zicht heeft over de doolhof. Hij ziet dat de agen≠ten en de beambte Dorknoper het zich gemakke≠lijk hebben gemaakt in een van de gangetjes van de doolhof en bezig zijn de rondgestrooide koek≠jes te nuttigen. Tom Poes probeert aanwijzingen naar de agenten te schreeuwen, maar vůůrdat ze uit de doolhof geraakt zijn, is iedereen door de dommellucht in slaap gevallen, ook Tom Poes. Heer Bommel is al boven de nevels uitgestegen, zodat hij geen last heeft van de dommellucht; hij heeft de tafel met geurige spijzen zien passeren, hetgeen hem reuzenkrachten geeft om nog even vol te houden, alhoewel zijn ademhaling akelig door de lege toren giert. Als hij zijn hoofd door de dakopening steekt, wordt hij geconfronteerd met een merkwaardig schouwspel.
 
 
HET PLAN VAN DE GROTE ONTHALER

Onder een soort baldakijn zit een gevulde heer met veel smaak een roomsoes te eten, terwijl hij door straalkacheltjes verwarmd een lange rij te≠levisieschermen bekijkt, waarop slapende agen≠ten in een doolhof zichtbaar zijn. Heer Bommel wordt vriendelijk uitgenodigd te gaan zitten en een hapje te eten, maar hij is aan grote verwar≠ring ten prooi. De Grote Onthaler draait een knop om, waardoor alle televisieschermen don≠ker worden.

"Nu is het nacht", verklaart hij tevreden. "En als ik zin heb, draai ik een andere knop om. En dan is het weer dag. Ik verlicht de wolken, begrijpt u wel? Van beneden af kan men er niet doorheen kijken, maar van boven af wel".

Heer Bommel kan niets anders stamelen dan: "Ik begrijp niet, eh...Ē.

"In raadsels loopt men op aarde rond", spreekt de ander, met zorg een hapje kiezend. "Waar≠om? vraagt men zich af. Wat is het doel? En men krijgt geen antwoord. Ik ben de enige, die het weet, want ik heb zelf het Plan gemaakt".

"O", zegt heer Ollie zonder begrip. "Maar die trein... Wilt u beweren, dat u alles aan hebt laten leggen voor de aardigheid?"

"Waarom niet?" vraagt zijn gastheer. "Men moet toch wat doen? Ik ben sjeik Ali en Abel ben Ali Jas, de Onthaler. Ik verdrijf mijn verveling op een leerzame en onderhoudende manier. Want niets is zo vervelend als almacht, en daar≠over beschik ik toevallig omdat ik zoveel olie be≠zit. Daar blijkt het leven hier beneden afhanke≠lijk van te zijn. Heel vervelend, tenzij men van die almacht iets aardigs weet te maken..." (p.88). En hij vervolgt: "... Om niet moe te worden heb ik een Plan ontworpen. Nu kan ik anderen de er≠varing laten opdoen, en er zelf wijs van worden... En Šlles kan, wanneer men olie heeft. Men laat knappe koppen machines ontwerpen, die men door dure, domme Gorromieten laat bedienen. En zelf draait men alleen maar knoppen om. Men maakt wolken en licht. Men voedert de ver≠dwaalden en straft de ondeugd. En iedereen, die in de trein terecht komt, gaat er van profiteren... En nu kunt u er bij zijn als de échte ervaring be≠gint. Ik verwacht morgen een volle trein, want er is nu genoeg reclame gemaakt. En in de plaats van de acht monsters en de doolhof komt er dan een zomp. De éénling kan kiezen wat hij hebben wil, maar een menigte raakt in het moeras en wordt naar beneden gezogen. Zo staat het in het Plan" (p.89).

De burgemeester van Rommeldam, Dickerdack, had op de televisie gesproken over het stoomtrein≠tje dat van Ugelterp vertrok en het als een onschul≠dig vermaak aangeprezen. Een menigte die de ex≠ploratie van "het verborgene" als een vermakelijk≠heid beschouwt en in het wilde weg door de deuren stormt, kan niet anders dan in een moeras tenon≠der gaan.

In "Koning Hollewijn en de steen der wijzen", een verhaal met een vergelijkbaar motief dat ook door Marten Toonder is geschreven, zegt Hollewijn: '... Men moet alleen zijn wanneer men de steen der wijzen wil zoeken, want de wijsheid is niet in groepsverband te vinden" (HV 5,260).

Nadat de Grote Onthaler op enkele televisie≠schermpjes de aankomst en het vollopen van de extra-trein op het station Ugelterp heeft ge≠volgd, trekt hij zich terug voor de nacht.

Heer Bommel blijft verzenuwd achter. "Hier is een gevaarlijke dolleman aan het werk", prevelt hij. "Oppassende lieden over teruglopende we≠gen naar monsters en door doolhoven laten zwoegen om zich niet te vervelen. En morgen door een moeras! Het lijkt de televisie wel. Ik moet hem onschadelijk maken, dat spreekt. Maar hoe? Als ik nu maar even met Tom Poes kon overleggen, zou ik een list kunnen verzin≠nen, als iemand begrijpt wat ik bedoel..." (p.93).

Hij daalt de trap af naar beneden, ziet Tom Poes in de dommellucht liggen slapen, haalt hem met een zakdoek voor zijn mond uit de dampen en dan overleggen ze samen. Tom Poes ontdoet een opstijgende conducteur van zijn masker, trekt hem in de dommellucht zodat hij in slaap valt en gaat zelf met het masker op naar beneden.

Heer Bommel keert terug naar het dak en heeft er aardigheid in om nu zelf voor de Grote Ontha≠ler te spelen. Na enkele aanwijzingen door de microfoon gegeven te hebben om de trein als≠maar in de rondte te laten rijden, installeert hij zich op de zachte kussens, terwijl hij, onder het consumeren van roomdromels, obolen, sukralij≠nen en zoettoeters, zich hardop aan zijn over≠peinzingen overgeeft. "Het zou mij, als heer zijn≠de, ook wel lijken om hier boven te zitten en op die schermpjes te kijken hoe iedereen beneden rond tobt... Ik wil bijvoorbeeld in stilte veel goed doen. Het moet mooi zijn om heel ongemerkt naar blije gezichtjes te kunnen kijken als er onverwachts roomdromels uit de lucht komen val≠len. Of andere mooie en nuttige dingen, waar ik zo gauw niet op kan komen..." (p.101).

Inmiddels heeft de conducteur Belius heer Bom≠mel onopgemerkt een gaswolkje in het gelaat ge≠spoten, zodat deze in een diepe slaap verzinkt.

HET MOERAS

Wanneer heer Bommel de volgende dag wakker wordt, zit de Grote Onthaler tegenover hem en zegt: "Ö Uw alleenspraak van vannacht is op een bandje opgenomen. Begrijpelijke gedach≠ten, maar streng verboden. Waar zou het heen moeten? U zult inzien, dat u neergestort zult worden in de onderwereld. Maar eerst moet daar de tafel worden afgeruimd, anders ontstaat er zo'n rommel. Eet toch iets, dat zal u goed doen". "N-nee... ik wacht even", stamelt heer Bommel, terwijl hij met afgrijzen naar het gat kijkt waarin de tafel is verdwenen.

Inmiddels is de trein op het station Limbus aan≠gekomen en alle reizigers spoeden zich door de deuren naar de vlakte, waar de muurtjes van de doolhof gezakt zijn en nu een moeras opkomt.

Er zijn kosten noch moeiten gespaard om heu≠veltjes aan te brengen. Maar desondanks belanden velen in het moeras, terwijl de politie moeite doet de menigte ordelijk naar het perron te voe≠ren.

De Grote Onthaler laat zich, ondersteund door twee Gorromieten, naar de brug brengen. "Van de brug af gezien is het aardiger", verklaart hij hijgend. "Lieden die vluchtheuveltjes zoeken zijn erg leerzaam, want morgen mogen ze hun ei≠gen deur kiezen".

Heer Bommel, alleen gebleven, houdt zich aan de met Tom Poes gemaakte afspraak en nadat hij deze door de microfoon heeft gewaarschuwd, drukt hij op alle knoppen tegelijk. Tom Poes doet beneden in de kelder hetzelfde. De gevol≠gen zijn direct merkbaar; het moeras begint te zakken, de wind steekt op en blaast de nevels weg, waardoor de voortploeterende menigte plotseling de Grote Onthaler op de brug ziet staan, "bleek als de volle maan". Zij staren zwij≠gend naar elkaar. Voor de Grote Onthaler is de lol er af. Hij laat het plan Z in werking treden, dat wil zeggen hij verdwijnt in een luchtschip in Middenoostelijke richting. Maar eerst heeft hij nog een verhelderende conversatie met heer Bommel, die denkt dat hij gaat vluchten.

"Vluchten?" vraagt de Grote Onthaler ver≠baasd. "Nee, de diepere zin is er af, dat is het. Wanneer men de achtergronden van de Hoge Herberger kent, is hij niet langer almachtig. En dan is deze hele schepping niet langer leerzaam en onderhoudend... U mag trouwens blij zijn, want nu zult u niet in de onderwereld gestort worden. Ik geloof dat ik zelfs daarom niet meer zou kunnen lachen... Vrede zij met u".

Het luchtschip stijgt op, maar komt na enige tijd in een hevig noodweer terecht, waardoor het naar de Zwarte Bergen wordt teruggeblazen. Terwijl Ben Ali Jas een roomhoorn nuttigt, ziet hij de bliksem in de toren slaan, zijn voormalige domicilie. Een felle donderslag doet de gondel trillen.

"Allemachtig", prevelt hij achter het kajuitven≠ster. "Een inslag. Het is leerzaam dat een toren zů kan branden; dat had ik in mijn Plan niet voorzien. En het is maar goed, dat ik nét ben weggegaan met medeneming van al mijn waar≠depapieren. Want wat daar gebeurt is over≠macht, waar zelfs de olie niets aan kan verhel≠pen" (p.121).

Na nog enkele wederwaardigheden van heer Bommel en Tom Poes eindigt het verhaal zoals gewoonlijk op slot Bommelstein met een een≠voudige doch voedzame maaltijd, die dit keer heer Ollie niet smaakt, omdat hij helemaal ver≠roomd is van binnen. In een nabeschouwing zegt hij: "... Als ik niet zo'n wakker verstand had, zou ik kunnen geloven, dat het allemaal een droom geweest is" (p.114).

MYSTIEKE FILOSOFIE

Het laatste gedeelte van het verhaal heb ik vrijwel zonder commentaar weergegeven, omdat ik het zo≠veel mogelijk voor zichzelf wilde laten spreken.

Vergeleken met de dagstrip zoals die in NCR/Handelsblad verscheen, is er aan de boek≠ uitgave van "De Grote Onthaler" één strip toege≠voegd (8840A), waarin de toren door de bliksem wordt verwoest. Hoewel ik zeker niet tot degenen behoor die ach en wee roepen over iedere verande≠ring die Toonder in de LRP-uitgave van zijn dag≠strips aanbrengt - het zijn merendeels echte verbe≠teringen -, moet ik eerlijk bekennen dat ik in eerste instantie schrok van deze extra-strip. Ik had een onbedwingbare associatie met "Idee 887" van MULTATULI, waarin deze een debat weergeeft over "het bestaan van God" tussen de koekebak≠ker-dichter en dominee in spe Bellamy en diens op≠ponent Ockerse "die naderhand in 't geloof ge pro≠fessord heeft". Bellamy vat de geloverij ernstig op, maar als hem alle pro-argumenten door zijn tegen≠stander uit handen worden geslagen, wordt hij woedend. En zowaar, God komt hem te hulp. Waarachtig, het begint te donderen! Bellamy springt op en opent op dramatische wijze het ven≠ster - voor zover een oud echt-Nederlands schuif≠raam zich aldus laat openen -, de bliksem schittert en nog vůůr de donderslag losbarst, geeft Ockerse het bestaan van God toe. "Een tegenstander die met onweer weet om te gaan, is niet te verachten. Voor zo iemand kan men de vlag strijken behou≠dens dispuut-eerĒ21[21].

Maar toen ik "De Grote Onthaler" nog eens in zijn geheel in boekvorm had gelezen, zag ik in dat de toegevoegde strip al het voorgaande in het juiste perspectief zet. De Grote Onthaler neemt de plaats van God in. Met zijn "Plan", ook al bevat het au≠thentieke elementen, heeft hij een schijnwereld op≠geroepen door middel van machines, computers en kunstmatige effecten. Je kunt er alleen door heen leren zien door evenals Tom Poes op onderzoek uit te gaan en "ongehoorzaam" te zijn, of evenals heer Bommel op je intuÔtie te vertrouwen.

Op de Tarotkaart "De Toren" (La Maison Dieu; Groot Arcanum XVI) staat een toren afgebeeld, die door de bliksem verwoest wordt. Een van de be≠tekenissen van deze kaart is, dat het najagen van valse concepties en megalomanie tot destructie leiden[22].

Wie op queeste gaat naar het Onbekende, of je dit nu het ontdekken van een innerlijk domein noemt of van een diepte-dimensie van het bestaan, zal evenals heer Bommel een loutering ondergaan, zijn eigen creatieve vermogens leren peilen en strijd moeten voeren tegen zijn egocentrische ten≠densen. Een voortdurende waakzaamheid is gebo≠den ten opzichte van religieuze symbolen en con≠cepties. Bepaalde geestelijke realiteiten zijn enkel door symbolen aan te duiden, waarbij het symbool vaak een numineuze lading van de geestelijke rea≠liteit meekrijgt. Het gevaar is groot datje het sym≠bool los van de geestelijke realiteit, als heilig op zichzelf gaat zien. Dit leidt tot "sacramentalisme" en ritualisme, waarbij je verstrikt kunt raken in ui≠terlijke vormen waaruit alle vitaliteit geweken is. Daarom noemde A. O. Spare alle religieuze orga≠nisaties "obelisken van 's mensen onbeduidend≠heidĒ[23] .

Waar in onze tijd bovenal behoefte aan is, zegt C.G. Jung, is niet aan geestelijke leiders wier du≠bieus gezelschap je beter kunt mijden, maar aan liefhebbers van wijsheid. Ieder van ons moet zelf experimenteren, fouten maken, zijn eigen visie op het leven verwerkelijken. "Wees menselijk, pro≠beer te begrijpen, zoek inzicht en formuleer je hy≠pothese, je levensfilosofie. Dan zul je de levende Geest onderkennen die werkt in het Onbewuste van ieder individuĒ[24].
 
------------------------------------
 
[1] Op de achterflap van De Grote Onthaler; voor een algeme≠ne inleiding op Toonders beeldverhalen, zie BRES 90: Heer Bommel en zijn verborgen zijde

[2] Lezing voor Het Studium Generale te Utrecht in oktober 1976; in Bommelbibliografie 1978, p.20

[3] Brian Stock, Myth and Science, Princeton University Press 1972; p.24

[4] Zie A. Santing, De Manifesten der Rozenkruisers, Uitg. Schors, Amsterdam z.j.

[5] A. Santing, De Historische Rozenkruisers, Uitg. Schors, Amsterdam 1977; p.16

[6] Prana 10 (winter 1977); p.67

[7] C.G. Jung, Briefe J, Olten en Freiburg im Breisgau 1972; p.483; voor een inleidend artikel over alchemie kan ik ver≠wijzen naar BRES 50: J.P. Klautz, De koninklijke kunst: Alchemie

[8] C.G. Jung, Psychologie und Alchemie, ZŁrich 1952; p.58

[9] Rudolf Bernoulli, Spiritual Development as Ref1ected in Alchemy and Related Disciplines in Spiritual Disciplines, Princeton University Press, 2e dr. 1970; p.306

[10] John Trinick, The Fire-tried Stone, Londen 1967; p.58

[11] Robert Crookall, Out-ofthe-Body-Experiences, Universi≠ty Books Inc., New York 1970; p.49

[12] Eliphas Levi, Leer en Ritueel der Hogere Magie, herdr. Amsterdam 1979; deel I. p.80/81

[13] Eliphas Levi, Transcendental Magie, 4e dr. 1972; p.113; de Nederlandse vertaling bleek hier onbruikbaar

[14] Kenneth Grant, Images and Orae/es of Austin Osman Spa≠re, Londen 1975; p.23

[15] H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, deel III, p.481 (vert. Terwiel)

[16] De God van je tante, documentaire samengesteld door Jan Fekkes, Amsterdam 1968; p.134

[17] Aleister Crowley, The Vision and the Voice, Dallas Texas 1972; p.136

[18] Psychologie und Alchemie (zie noot 8); p.260

[19] Idem, p.158

[20] Joseph Campbell, The Mythic Image, Princeton Universi≠ty Press 1974; p.463

[21] Multatuli, Barbertje moet hangen, Den Haag/Antwerpen 1955; p.185

[22] Oswald Wirth, Le Tarot des Imagiers du Moyen Age, Tchou, éditeur 1966; p.210 e.v.

[23] Nevill Drury and Stephen Skinner, The Search for Abraxas, Londen 1972; p.55

[24] C. G. Jung Speaking, Edited by William McGuire and R.F.C. Huil, Londen 1978; p.98