Ervaring bij een kloosterru´ne - Een verhaal van Hendrik Klaassens

 
 In de zomer van 2004 gingen we op vakantie naar een bungalowpark dicht bij het Duitse plaatsje Frankenau. Het park grensde aan een natuurgebied, bestaande uit bossen en heuvels, dat vooral bekend stond vanwege de vele uilen die daar nestelden. Volgens een plattegrond van de omgeving moest zich in dat natuurgebied echter ook een kloosterru´ne bevinden. Dat intrigeerde mij en twee dagen nadat we waren aangekomen kon ik 's avonds tegen een uur of negen, toen het nog licht was, mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en besloot ik er met een fototoestel op uit te trekken om te kijken wat er nog van dat klooster over was.

Na een half uur lopen over een slingerend bospad, dat geleidelijk begon te stijgen, viel de schemering in. De kaarsrechte stammen van de dennen en sparren staken inktzwart af tegen de halfbewolkte lucht. Er waren bijna geen voorbijgangers en op wat vogelgeluiden na heerste er in het woud een diepe stilte. Ook het ĹRotwildĺ, dat zich volgens educatieve bordjes in deze omgeving moest ophouden,  liet zich niet zien.

Pas na een klein uur lopen bereikte ik een open plek met een lage heuvel; op de westelijke flank daarvan stond een uitkijktoren. Een bordje, dat vlak daarbij was aangebracht, beschreef de geschiedenis van het klooster. Het was in de 8e eeuw gesticht door de Ierse monnik Bonifatius, dezelfde Bonifatius die in 754 tijdens één van zijn missiereizen op gruwelijke wijze door de Friese koning Radboud is vermoord. Jammer genoeg waren alleen de fundamenten van het klooster bewaard gebleven: in het hoge gras zag je hier en daar nog een gitzwarte stenen plaat. Dat was alles wat er van het middeleeuwse complex restte. Het meest werd ik echter getroffen door een zin op het bordje: "Man sagt, dass hier viele Greuel von Menschen und Geistern geschehen sind."

Dat gaf me een nogal 'unheimisch' gevoel.

Ik liep de heuvel op. Was hier misschien ooit de bliksem ingeslagen? De top van de heuvel was bezaaid met zwartgeblakerde bomen, waarvan alleen de stam was overgebleven.  En ik probeerde me voor te stellen hoe het hier ooit was geweest. Voor mijn geestesoog zag ik monniken in bruine pijen die als in trance door kaarsrechte gangen de rozenkrans liepen te bidden, terwijl de zon van opzij bundels stuifmeellicht door de gangen wierp. Ook zag ik in gedachten de bedrijvigheid op de akkers rondom het klooster en ving ik beelden op van de middeleeuwse markten die hier werden gehouden. En ik realiseerde me, dat er op zulke marktdagen vaak recht werd gesproken. Werden hier vroeger misschien mensen opgehangen?

Terwijl ik dit alles overdacht, voelde ik een naargeestige aanwezigheid. De sfeer begon drukkend te worden, alsof hier entiteiten rondspookten. Ik hoorde een vreemd gekraak, als van iemand die droge takjes plat trapte. Ook klonk er een geruis in het hoge gras, dat zich tot een stemgeluid leek te willen verdichten. Eerst dacht ik dat dit geluid veroorzaakt werd door krekels, maar die maakten een veel schriller, doordringender geluid: dit klonk veel ijler, fluisterend bijna. En bijna zonder erover na te denken sloeg ik - wat ik anders zelden doe - een paar keer een kruis. Ik zegende die plek en dacht met liefde aan alle mensen die hier vroeger ooit geweest waren, alsof ik de trillingen van al hun daden wilde omgeven met licht. Als hier al ooit mensen waren opgehangen, wier gedachten ronddoolden op deze eenzame heuvel, dan wenste ik hen de eeuwige vrede toe en de opgang naar liefdevolle sferen, waar zij door hemelse geesten verder konden worden geleid. Ook bad ik in stilte tot Christus om te vragen of hij die plek wilde zegenen.

Daarop beklom ik een uitkijktoren die even verderop stond. Boven aangekomen brak het licht van de zon door de wolken en voelde ik me weer helemaal opgeklaard. In de verte zag ik heuvels, die zich verloren in de blauwgrijze lijnen aan de horizon. Sommige dorpjes op grote afstand baadden in de oranjerode gloed van de ondergaande zon ľ een feeŰriek gezicht, dat heel weldadig aandeed. Op dat moment voelde ik me heel sterk door liefde omgeven, als een warme deken die om me heen geslagen werd. Ik herademde; de schaduwen waren geweken. De warmte en vrede, die door me heen stroomden, waren zˇ intens, dat ik me opgetild voelde boven de lagere trillingen die hier ongetwijfeld nog eeuwen lang waren blijven hangen. Toch was het al aardig donker aan het worden en ik besloot maar weer terug te keren naar het huisje dat we hadden gehuurd.

De rest van de avond gebeurde er niet veel bijzonders en tegen een uur of elf gingen de anderen allemaal naar bed. Ik bleef nog wat in de kamer zitten om te lezen in een boek over "Genezingen door Christusö. Ongeveer een half uur later moest ik onwillekeurig terugdenken aan de kloosterru´ne. Ook werd mijn aandacht getrokken door vage schaduwen die ik in de keuken meende te zien. Het drukkende, 'unheimische' sfeertje van bij de kloosterru´ne kwam opnieuw tot leven. Ik probeerde die gedachten weg te drukken, maar zoals dat meestal gaat werd het daardoor alleen maar erger. Ik voelde lagere entiteiten bij me in de buurt, die zelfs aan mijn aura zaten. Daarom begon ik te bidden om hen te verjagen.

In eerste instantie lukte dat niet, waarschijnlijk omdat ik het te veel op eigen kracht probeerde: als je er alleen maar op uit bent om iets wat pijnlijk voor je is te verdrijven, handel je puur uit eigenbelang. Maar de tweede keer dacht ik vol liefde aan Christus en bad ik ˇˇk voor de geest, die me belaagde. Ik merkte, dat het tweede gebed wél werd gezegend ľ en in een mum van tijd was alles weer normaal. De rust in en om me heen keerde terug, waardoor ik korte tijd later zonder verdere belemmeringen de slaap kon vatten.

In het daarop volgende jaar bezocht ik de ru´ne opnieuw, maar nu niet in de avondschemering, maar aan het eind van de middag en in gezelschap van mijn vrouw en dochter. Het was een broeierige, klamme julidag, bijna te warm om lange afstanden te voet af te leggen. Van een beklemmende sfeer was nu niets meer te merken. Toen we daar aankwamen werd mijn aandacht echter getrokken door twee arbeiders, die op de heuvel aan het graven waren. Naderbij gekomen zag ik, dat ze de fundamenten hadden blootgelegd van een soort kloosterkerk. Ik liep ernaar toe en zag tot mijn verbazing een paar ondiepe openingen in de vloer, die precies groot genoeg waren om er iemand in te begraven. Hadden de arbeiders die graven misschien geruimd?

Ik nam enkele fotoĺs van de vloer van de kloosterkerk en omdat de arbeiders kort daarna vertrokken, stapte ik over het lint dat om de opgraving heen gespannen was. Terwijl ik op de fundamenten van de middeleeuwse kerk stond, probeerde ik diep en intens te peilen hoe de monniken hier vroeger moesten hebben geleefd en welke sfeer er van hen moest zijn uitgegaan. Was er nog iets te bespeuren van de onrust en dreiging, waarvan de atmosfeer hier een jaar eerder bezwangerd was? Maar al wat ik kon voelen was slechts een diepe stilte en een vrede, die me gelukkig stemde: misschien waren de schaduwen nu voor altijd verdwenen, opgelost in de tijd, opgetild naar het licht, verzoend, verstild, eindelijk tot rust gekomen.

Ik nam een paar shots van de vloer van de kerk, waarvan sommige tegels nog bewaard waren gebleven. Daarna borg ik mijn fototoestel kalmpjes op en liep samen met de anderen door het woud terug, terwijl het geleidelijk aan begon te regenen. De zolen van mijn schoenen lieten scherpe afdrukken na in de vochtige bodem: weldra zouden ze zijn opgelost in de regen, die steeds sterker begon te vallen.

Peinzend keek ik nog eenmaal om voordat de ru´ne door een bocht in de weg uit het zicht verdween. Daarna restte alleen nog een diepe stilte, die slechts werd gevuld met het zachte ruisen van de bomen en het gezang van vogels, dat door een verre heuvelflank werd weerkaatst.

©Hendrik Klaassens.