Rabindranath Tagore

  Rabindranath Tagore
Calcutta, 7 mei 1861 -  7 augustus 1941
 
 
 Nobelprijs 1913

Om zijn zeer gevoelige, heldere en mooie poëzie,
waarin hij met een volmaakt meesterschap
zijn dichterlijke gedachten
met zijn eigen Engelse woorden tot uitdrukking heeft gebracht
en zo­doende tot een deel heeft gemaakt van de
westerse literatuur

De Nobel-Commissie voor Literatuur
 
 
 
 
 
 
 
 
01. Biografie en Bibliografie

Rabindranath Tagore, of Thakur', werd geboren in 1861 tijdens de Britse koloniale overheersing in India. Hij was een Bengaals dichter, wijsgeer, toneelschrijver, romanschrijver en mysticus, die zijn faam vooral te danken heeft aan zijn gedichten.

Tagore schiep een soort letterkunde die dicht bij het gesproken Bengaals lag. Hij schreef voornamelijk in het Bengaals, maar vertaalde zelf veel van zijn werken in het Engels. In zijn werk komt grote kennis van zowel de westerse als de Indiase cultuur tot uitdrukking. Hij predikte ascese noch yoga, maar een vreugde- en liefdevol opgaan in God in het dagelijks leven.

Tagore ontplooide een grote bedrijvigheid als literator, componist, sociaal hervormer, strever naar onafhankelijkheid en pedagoog. In 1901 stichtte hij te Bolpur, 180 km van Calcutta, de Santi-Niketanschool, die later uitgroeide tot universiteit.

Door te schrijven over sociale en politieke onderwerpen streefde Tagore in zijn wereldbeschouwingen bewust naar een harmonische verbinding tussen de Westerse en Oosterse filosofieën, religies en culturen. Hij had een belangrijk aandeel in de bevrijding van India.

Doordat  les te gaf in verschillende landen, bezocht hij vaak Europa en Amerika, vooral nadat hij in 1913 de Nobelprijs voor literatuur had gekregen. Tot zijn werk behoren een treurspel met de Engelse titel The king of the Dark Chamber (1910) en verschillende romans, waarvan Gora (1908) door sommigen als belangrijker wordt beschouwd dan Rudyard Kiplings schildering van het Indiase leven in Kim.

Tagore blijft echter vooral bekend als een dichter wiens eigen vertaling van zijn Gitanali (1909) grote bewondering oogstte. Hij schreef lyrische poëzie, zoals in The Gardner (Nederlandse vertaling De hovenier 1914), waarin hij het sterkst was, enkele drama’s met wijsgerige strekking, Chitra (1914; Nederlandse vertaling 1918), enige romans en talrijke verhalen. In 1950 werd zijn gedicht Jana-gana-mana (Engels: Lord of the Heart of the People) op muziek gezet door H. Murill, het volkslied van India.

Met Dakghar (Het postkantoor, 1912) gaf Tagore de aanstoot tot vernieuwing van het Indiase toneel. Van zijn wijsgerig werk is te noemen Sadhana (1913), evenals diverse andere werken van zijn hand, vertaald in het Nederlands door onder meer Frederik van Eeden. Hij overleed in 1941.

Bibliografie
Lyriek

    The gardener (1913, Nederlandse vertaling door F. van Eeden: De hovenier, 1914)
    Balaka (1916, Engelse vertaling The Flight of Swans)

Drama

    Chitra (1914, Nederlandse vertaling door F. van Eeden , 1918)
 
    The letter from the king  (1914, Nederlandse vertaling door Henry Borel: De brief van de koning)
 
   The king of the dark chamber (1914, Nederlandse vertaling door Henry Borel: De koning van de donkere kamer 1919)

Romans

    Hungry stones (1916, Nederlandse vertaling door F. van Eeden, 1920)
    The home and the world (1919, Nederlandse vertaling door F. van Eeden, 1921)

Wijsgerige en religieuze werken


    Gitanali (1909, eigen vertaling)
    Sadhana (1913, Nederlandse vertaling door F. van Eeden, 1918)
    The Religion of Man (1931)

Overige werken

    My boyhood days (1940)

Bron: Wikepedia
 
Schilderijen en schetsen
 
   
   
   
   
   
 
 
 
 
 02. Fotoalbum
 
 
 
 
 
   
 1880 in Engeland Londen 1912
   
 1913 1921
   
 1936  1940
   
 samen met Einstein samen met Ghandi
   
 Rabindranath en ... ... zijn vrouw: Mrinalini Devi
   
 Borstbeeld  Borstbeeld in Praag
   
 Rabindranath met zijn kinderen Rabindranath met zijn oudste broer
   
 Rabindranath met zijn echtgenote in 1883 Rabindranath met zijn kleindochter
 
 
 
 
 
03. Gedichten.
 
 
Als al je eigen mensen je verlaten
en je hoop dood in het stof ligt, zonder vrucht,
geef  er niet om. . . .
En blijf niet aarzelend staan op 't donkere pad;
probeer je lampje aan te steken, keer op keer.
Maar zelfs al wil de lamp niet branden,
geef er niet om! . . .

En als de beesten in de wildernis wèl luisteren,
terwijl de harten in je eigen huis hard zijn als steen,
geef er niet om! .. .
Keer niet wanhopig om, als je de deur gegrendeld vindt.
Als zij niet opengaat, al klop je keer op keer,
geef er niet om! . . .

(uit het Bengaals, Twenty-six songs of Rabindranath Tagore, nr. 19)

 
Waar is mijn zelf?
Ik zoek en zwerf.
Waar is mijn zelf?
Het vreemde dat in 't land van schaduw waart
in wisselende vorm en wisselend kleed,
zal dat zich nog ten volle ooit openbaren
in vreugde en leed? Wie zal het zeggen?
Waar is mijn zelf?
Ik heb zijn stem gehoord, verborgen in mijn lied;
ik heb gezocht, maar vind zijn schuilplaats niet.

Het licht vervaagt tot schemer en vervliedt. . .
Wat wil de verre bamboefluit, daar op de weg,
mij zeggen met zijn lied in multan,
raga van de avondschemering?
Waar is mijn zelf?

(Uit het Bengaals, Twenty-six songs of Rabindranath Tagore, nr. 15)

 
Moge, in enen groet aan U, mijn God, in enen groet,
mijn ganse wezen zich in deze, uwe wereld storten
en mogen al mijne gedachten,
gelijk een zomerwolk die zwaar van regen is,
zich buigen voor de deur van uwe woning,
in enen groet aan U.

En moge de verscheidenheid der vele stromen mijner zangen
tot enen stroom tezamen vloeien
in enen groet aan U
en moge zo mijn lied voltooiing vinden in de zee der stilte.

Gelijk een vlucht van wilde ganzen,
die trekken naar het heilige meer.
Moge zo, dag en nacht, in enen groet aan U
mijn leven vliegen naar de overzijde van de grote dood.

(Uit het Bengaals, Twenty-six songs of Rabindranath Tagore, nr. 6)


 

Jana Gana Mana, het nationale volkslied van India. De tekst is de eerste van vijf, door Tagore in het Bengaals geschreven, stanza’s.   Het werd voor het eerst gezongen op 27 december 1911, in Calcutta, bij the Calcutta Session of the Indian National Congress. Het werd officieel aangenomen als volkslied op 24 januari 1950. De muziek voor de huidige versie werd gecomponeerd door Ram Singh Thakur
 
 
 
Hindi Lyrics

Jana Gana Mana Adhinayaka, Jaya He
Bharata Bhagya Vidhata
Punjab
Gujarata Maratha
Dravida Utkala Banga (places in India)
Vindhya Himachala Yamuna Ganga
Uchchhala Jaladhi Taranga
Tava Shubha Name Jage
Tava Shubha Ashisha Mage
Gahe Tava Jaya Gaatha
Jana Gana Mangaladayaka Jaya He
Bharata Bhaagya Vidhata
Jaya He ! Jaya He ! Jaya He !
Jaya, Jaya, Jaya, Jaya He
  English translation

You rule the minds of all people
and control India's future.
Your name brings joy to Punjab, Sind,
Gujarat and Maratha;
and Dravida and Orissa and Bengal. (regions in India)
It echoes in the Vindhya and Himalayan hills,
and mixes with the music of
the Yamuna and Ganga rivers.
It is also sung by waves of the sea.
We pray for your blessings
and sing your praise.
We look forward to your best wishes.
And we wish Victory, victory, victory for you.

 
 
 
 04. Verhalen en Lezingen
 
 
Geestelijke vrijheid

Er zijn verwondingen die ons leven overvallen; zij be­schadigen de eenheid van de levensfuncties die de harmo­nie tussen ons lichaam en de materiële wereld handhaven; deze letsels noemt men ziektes. Er zijn ook factoren die onze intelligentie onderdrukken. Zij beschadigen de harmonie van verwantschap tussen ons redelijk denkver­mogen en het universum van de rede; deze noemen wij domheid, onwetendheid of krankzinnigheid. Er zijn on­beheerste overdrijvingen van hartstochten die elk even­wicht in onze persoonlijkheid omverwerpen. Zij verduis­teren de eenheid tussen de geest van de individuele mens en de geest van de universele Mens; deze geven wij de naam zonde. In al deze gevallen wordt onze verwerke­lijking van de universele Mens, in zijn lichamelijke, rede­lijke en geestelijke aspecten belemmerd, en onze ware vrijheid in het domein van materie, verstand en geest krimpt of vervormt.

Alle hogere religies van India spreken van de opleiding tot mukti, de bevrijding van de ziel. In dit zelf van ons zijn wij bewust van individualiteit, en alle activiteiten daarvan zijn betrokken bij de uitdrukking en de vreugde van onze eindige en individuele aard. In onze ziel zijn wij bewust van de bovenzinnelijke waarheid in ons, de Universele, de Soevereine Mens; en deze ziel, het geeste­lijke zelf, schept haar vreugde in het verzaken van het individuele zelf ter wille van de soevereine ziel. Deze ver­zaking ligt niet in de ontkenning van het zelf, maar in de toegewijdheid daarvan. Het verlangen daarnaar komt voort uit een instinct dat vaak zijn eigen betekenis slechts vaag kent en dat naar een naam tast om zijn doeleinden te bepalen. Dit doel is gelegen in de verwerkelijking van zijn eenheid met het een of andere ideaal van volmaakt­heid, de een of andere harmonieuze verstandhouding tussen individu en oneindige mens. Het is over deze harmonie, en niet van een onvruchtbaar isolement waar­over de Upanishad spreekt, als er geschreven staat dat de waarheid niet langer verborgen blijft in hem die zichzelf in het Alles vindt.

Toen ik eens op bezoek was in een afgelegen Bengaals dorp, voornamelijk bewoond door Mohammedaanse landbouwers, onderhielden de dorpelingen mij met een operavoorstelling waarvan de tekst behoorde tot een in onbruik geraakte religieuze sekte die eeuwen geleden grote invloed had. Hoewel de religie zelf dood is, gaat haar stem voort haar filosofie te prediken aan een volk van verschillende cultuur, dat er nog steeds naar luistert. Naar haar eigen leer besprak zij de verschillende elemen­ten, materiële en bovenzinnelijke, die de menselijke per­soonlijkheid omvatten, lichaam, zelf en ziel inbegrepen. Daarop volgde een dialoog, waarin het relaas werd ge­daan van iemand die een reis wilde ondernemen naar Brindaban, de Tuin van Gelukzaligheid, maar die werd tegengehouden door een bewaker die hem onaangenaam verraste met de beschuldiging van diefstal. De diefstal werd bewezen toen werd aangetoond dat hij verborgen in zijn kleding het zelf, dat in haar overgave haar vervulling vindt, de tuin trachtte binnen te smokkelen. De schuldige werd betrapt met het bezwarende buideltje, dat hem zijn doorgang naar het allerhoogste doel versperde in zijn bezit. Onder een haveloos baldakijn, ondersteund door bamboestokken en verlicht door een paar rokerige petro­leumlampen, woonde de dorpsmenigte, zo nu en dan onderbroken door het gehuil van jakhalzen in de nabijge­legen rijstvelden, met onvermoeide aandacht tot in de vroege ochtenduren de voorstelling van een drama bij, dat de uiteindelijke betekenis aller dingen behandelde tegen een schijnbaar ongerijmde achtergrond van dans, muziek en humoristische dialogen.

Deze illustratie toont aan hoe natuurlijk in India poëzie en filosofie hand in hand zijn gegaan, alleen omdat de laatste haar recht heeft opgeëist mensen te leiden naar het praktische pad van de levensvervulling. Wat is die vervulling? Het is onze vrijheid in de waarheid, die als gebed heeft:

Leid ons uit het onwerkelijke naar het werkelijke.
Wantsatyam is anandam, het Werkelijke is Vreugde.


In de wereld van de kunst, waar ons bewustzijn be­vrijd wordt van de verwikkeling van eigenbelang, ver­werven wij een onbelemmerde visie van eenheid, de incarnatie van het werkelijke, dat een voortdurende vreug­de is.

Zoals in de wereld van de kunst, wacht ook in de geestelijke wereld onze ziel op haar bevrijding van het ego om die belangeloze vreugde te bereiken die de bron en het doel van de schepping is. Zij roept om haar mukti, haar vrijheid in eenheid van waarheid. Het idee van mukti heeft ons leven in India beroerd, de bronnen van pure emoties en smeekbeden aangeraakt; want het verheft zich hemelwaarts op de vleugels van poëzie. Wij horen voortdurend mensen van geringe kennis en eenvoudig geloof in hun gebeden aan Tara, de Verlossende Godin, zingen: 'Door welke zonde word ik gedwongen verblijf te houden in deze kerker van wereldlijke verschijnselen?'

Zij zijn bang vervreemd te raken van de wereld van waarheid, bang voor eeuwigdurend drijven te midden van het schuim der dingen, door de getijdengolven van pijn en plezier heen en weer geslagen te worden en nooit de uiteindelijke betekenis van het leven te bereiken. Onder deze mannen kan een wagenvoerder zijn die zijn kar naar de markt brengt, een ander een visser die zijn netten boet. Misschien hebben zij niet een onmiddellijk en intelligent antwoord op een eventuele vraag naar de diepere betekenis van het lied dat zij zingen, maar er bestaat in hun geest geen twijfel dat de blijvende oor­zaak van alle ellende niet zozeer ligt in het gebrek aan levensbehoeften als wel in de verduistering van de be­tekenis van het leven. Het is daarbij niet gebruikelijk uiting te geven aan een overmatige nadruk op 'mij' en  'van mij', die het perspectief van de waarheid vertekent. Want hebben zij niet vaak mensen gezien, van hun eigen sociaal niveau en intellectueel aanzien, die alles achter zich lieten, om op zoek te gaan naar de Waarheid?

Zij weten dat de bedoeling van deze avonturen niet ligt in het vermeerderen van wereldse rijkdom en macht ­het is mukti, vrijheid. Misschien kennen zij de een of andere arme dorpsgenoot in hun eigen beroep, die in de wereld blijft om zijn dagelijks werk voort te zetten en toch de reputatie heeft te zijn doorgedrongen tot het hart van de Eeuwige. Zelf ben ik een visser tegengekomen die, terwijl hij de gehele dag in de Ganges viste, met een in­nerlijke geestesvervoering zijn lied zong en die me door mijn veerman met ontzag werd aangewezen als een man wiens geest was bevrijd. Hij is buiten het bereik van de ge­bruikelijke prijzen die door de maatschappij op mensen worden gezet, en die hen onderbrengen als speelgoed, ten­toongesteld in etalages volgens de normen van de markt­waarde.

Terwijl de gestalte van de visser mij voor de geest komt, kan ik niet nalaten te denken dat het geen gering aantal mensen is die met hun levens het epos van de onge­kerkerde ziel zingen, maar die nooit in de geschiedenis bekend zullen worden. Deze ongeletterde Indiase boeren weten dat een Keizer enkel een gedecoreerde slaaf is, blijvend geketend aan zijn Keizerrijk, dat een miljonair door zijn noodlot aan de kaak wordt gesteld in de gouden kooi van zijn rijkdom, terwijl zijn visser vrij is in het rijk van het licht. Als wij, in het duister rondtastend, over voorwerpen struikelen, klampen wij ons eraan vast in het geloof dat zij onze enige hoop zijn. Als het licht aangaat, verslappen wij ons houvast, om uit te vinden dat het slechts gedeelten van het Alles zijn waarmee wij zijn verbonden. De eenvoudige dorpeling weet wat vrijheid is - vrijheid van het isolement van het zelf, vrij van het materiële dat een onstuimige betrokkenheid verleent aan ons bezitsgevoel. Hij weet dat deze vrijheid niet slechts de ontkenning van slavernij binnen de ar­moede van onze bezittingen is, maar dat zij in een positieve verwerkelijking zuivere vreugde aan ons wezen verleent, en hij zingt: 'Voor hem die in de diepte zinkt, blijft niets onbereikt.'  Hij zegt ook:

Laat mijn beide geesten elkaar ontmoeten en zich verenigen,
En leid mij naar het Wonderbaarlijke.

Indien de geest die rondwaart in de uiterlijke gebieden van de veelheid en de geest die het innerlijke beeld van eenheid zoekt niet langer met elkaar in strijd zijn helpen zij ons de ajab, de anirvachanrya, het onuitsprekelijke, te verwezenlijken. De dichter heilige Kabir heeft dezelfde boodschap als hij zingt:

'Door te zeggen dat de Opperste Werkelijkheid uitslui­tend verblijft in het innerlijk domein van de geest, be­schamen wij de stoffelijke wereld; en ook spreken wij de waarheid niet door te zeggen dat zij uitsluitend buiten ons ligt.' Volgens deze zangers ligt de waarheid in eenheid en daarom ligt vrijheid in de verwerkelijking ervan. De teksten van onze dagelijkse gebeden en medita­ties zijn bestemd onze geest te oefenen in het te boven komen van de barrière van afgescheidenheid van het overige bestaan en advaitam, Soevereine Eenheid te ver­werkelijken, die anantam, oneindigheid is. Het is filosofische wijsheid, met haar universele uitstraling in de volksgeest van India, die onze gebeden en onze dagelijkse geestelijke oefeningen inspireert. Als voortdurende aansporing is zij er voor ons om de wereld van verschijnselen voorbij te gaan, waarin feiten als feiten vreemd voor ons zijn, als louter klanken van vreemde muziek; zij spreekt tot ons van een bevrijding in de innerlijke waarheid van al hetgeen is, waarin het oneindige Vele het Ene openbaart.

Vrijheid heeft in de wereld van materie dezelfde be­tekenis uitgedrukt in haar eigen taal. Toen de natuurver­schijnselen ons als niet ter zake doende voorkwamen, als ongelijksoortige openbaringen van een duistere en dwaze grilligheid, leefden wij in een vreemde wereld en droomden niet van onze swaraj binnen dit gebied. Door de ontdekking van de eenheid van haar werkingen met die van onze rede, verwerkelijken wij onze harmonie en daarmee onze vrijheid.

Zij die grootgebracht zijn in een misvatting van het gebeuren in deze wereld, niet wetende dat zij er één mee zijn door de verwantschap van kennis en intelligen­tie, worden als lafaards geschoold door een hopeloos geloof in de verordening van een noodlot dat in het duister zijn slagen uitdeelt. Zonder strijd onderwerpen zij zich als hun mensenrechten hun ontzegd worden, gewend als zij zijn zichzelf voor te stellen als buiten de wet gestelden in een wereld die hen voortdurend bestookt met onbegrijpelijke verbijsterende ongelukken.

Ook op het sociale of politieke terrein is het gebrek aan vrijheid gebaseerd op de geest van vervreemding, op de onvolmaakte verwerkelijking van het Ene. Daar bestaat onze slavernij uit de verwrongen schakel van de eenheid. Men kan zich voorstellen dat een individu dat er in slaagt zichzelf los te maken van zijn medemensen ware vrijheid bereikt, dus vrij van alle banden van verwantschap en verplichtingen aan anderen. Maar wij weten, hoewel dit paradoxaal moge schijnen, dat de waarheid in de mensen­wereld ligt in een volmaakte samenhang van onderlinge af­hankelijkheid die leven geeft aan vrijheid. De meest individualistische menselijke wezens, die geen verant­woordelijkheid dragen, zijn de wilden die er niet in zijn geslaagd zich volledig te openbaren. Zij leven omringd door duisternis, als een niet goed aangelegd vuur dat zichzelf niet kan bevrijden uit zijn omhulsel van rook. Alleen zij bereiken de vrijheid uit de afzondering van een verduisterd leven, die de kracht hebben om weder­kerig begrip en samenwerking te ontwikkelen. De ge­schiedenis van de groei van vrijheid is de geschiedenis van de vervolmaking van menselijke betrekkingen.

Het is mensen mogelijk geworden te zeggen dat het bestaan kwaadaardig is uitsluitend omdat wij in onze blindheid datgene gemist hebben waarin ons bestaan zijn waarheid heeft. Als een vogel zich met één vleugel tracht te verheffen, wordt zij door de wind gestraft en weer in het stof geworpen. Alle gebroken waarheden zijn kwaadaardig. Zij richten schade aan omdat zij iets voor­stellen dat zij niet aanbieden. De dood schaadt ons niet, maar ziekte doet dat wel door ons voortdurend aan de gezondheid te herinneren en deze toch van ons weg te houden. Het leven in een half-wereld is kwaadaardig omdat het een einde huichelt dat duidelijk onvolledig is, door ons de kroes aan te bieden maar niet het levenssap. Alle tragedies komen voort uit een waarheid die slechts fragmentarisch blijft en de kringloop ervan niet voltooit. Die kringloop komt ten einde als het individu het uni­versele verwezenlijkt en zodoende de vrijheid bereikt.

Maar omdat deze vrijheid in de waarheid ligt en niet in een verschijnsel ervan, kan geen vliegensvlug pad naar succes, krachtdadig gebaand door begeerte naar resul­taten, een waarachtig pad zijn. Een obscure dorpsdichter, onbekend in de wereld van erkende achtenswaardigheid, zingt: '0 wrede mens met dringende behoeften, moet je met vuur het gemoed schroeien dat nog ontluiken moet? Je zult het in stukken doen barsten, en de geur vernietigen in je ongeduld. Zie je niet dat mijn Heer, de Meest Ver­heven Leraar, eeuwen neemt om de bloem te vervolmaken en nooit in woedende haast is? Maar wegens je verschrik­kelijke hebzucht vertrouw je alleen op kracht, en welke hoop is daar voor jou, 0 mens met dringende behoeften?

"Prithee", zegt de dichter Madan, "pijnig de geest van mijn Leraar niet. Weet dat slechts hij die de stroom in eenvoud volgt en zichzelf verliest, de stem kan horen, o mens met dringende behoeften."

Deze dichter weet dat er geen uiterlijk middel is om de vrijheid bij de keel te grijpen. Het is het innerlijke proces van zelf verlies dat er heen voert. Slavernij heeft in al haar vormen haar bolwerk in het innerlijk zelf en niet in de buitenwereld; deze ligt in het verduisteren van ons bewustzijn, in de vernauwing van ons perspectief, in de verkeerde waar­dering der dingen.

Laat mij dit hoofdstuk besluiten met een lied van de Baül-sekte in Bengalen, meer dan een eeuw oud, waarin de dichter zingt van de eeuwige band van eenheid tussen de oneindige en de eindige ziel, van waaruit er geen mukti kan zijn, omdat liefde uiteindelijk doel is, omdat het een onderlinge betrekking is die de waarheid volledig maakt, omdat volkomen onafhankelijkheid de nietszeg­gendheid van uiterste onderworpenheid is. Het lied luidt aldus:

'Zij gaat eeuwen voort te ontluiken, de zielelotus,
waar­mee ik.. evenals gij, onverbrekelijk verbonden ben.
Er komt geen einde aan het openen van de bloembladeren,
en de honing daarin is zo zoet dat gij, als een bekoorde bij,
deze nooit kunt verlaten, en daarom zijt gij,
en ben ik, gebonden, en mukti is er niet.'


Bron: Tagore – De religie van de mens
 
 
Wij zijn het leven gaan zien als een strijd met de dood - ­niet het natuurlijke einde maar de binnendringende vijand - in een machteloze twist waarmee wij iedere levensfase opnieuw kampen.

Als de tijd gekomen is dat de jeugd voorbij is, zouden wij die met alle kracht willen vasthouden. Als de drift van het verlangen vermindert, zouden wij die met iedere willekeurige verse brandstof willen laten herleven. Als onze zintuiglijke organen ver­zwakken, sporen we ze aan hun pogingen voort te zetten. Zelfs als onze greep verminderd is geven wij schoorvoe­tend onze bezittingen op. Wij zijn er niet in opgevoed het onvermijdelijke als natuurlijk te erkennen, en kunnen zo­doende niet met gratie datgene opgeven wat gaan moet, maar moeten noodzakelijkerwijs wachten tot het van ons wordt weggerukt. De waarheid komt als overweldiger omdat wij de kunst haar als gast te ontvangen verloren hebben.

De steel van de rijpende vrucht laat los, het vruchtvlees wordt zacht, maar het zaadje verhardt met voorzieningen voor het volgende leven. Onze uiterlijke verliezen, aan het ouder worden te danken, hebben overeenkomstige in­nerlijke verdiensten. Maar in het innerlijk leven van de mens speelt zijn wil een dominerende rol, zodat deze verdiensten van zijn eigen gedisciplineerde streven af­hangen; daarom ziet men zo vaak in het geval van een niet-gedisciplineerd mens, die nagelaten heeft zulke voor­zieningen voor het volgend stadium te treffen, dat zijn haar grijs is, zijn mond tandeloos, zijn spieren krachteloos en nog weigert zijn levensinstinct zijn greep op te geven, zelfs zozeer dat hij verlangt op wereldlijke details zijn wil uit te oefenen, zelfs tot na de dood.

Maar afstand doen moeten wij, en door afstand te doen verwerven wij - dat is de waarheid van de innerlijke wereld. De bloem moet haar bloembladeren ter wille van het rijpen laten vallen, de vruchten moeten afvallen voor de wedergeboorte van de boom. Het kind verlaat de schuilplaats van de baarmoeder teneinde de verdere groei van lichaam en geest te bereiken waaruit het gehele kinderleven bestaat; vervolgens moet de ziel in het voller leven naar buiten treden, dat verschillende verstandhou­dingen met verwanten en buren heeft, samen met wie het een groter lichaam vormt; tenslotte komt het verval van het lichaam, het verzwakken van de begeerte. Verrijkt met haar ervaringen, verlaat de ziel nu het nauwer leven voor het universele leven, waaraan zij haar verzamelde wijsheid opdraagt om in relatie tot het Eeuwige Leven te treden, zodat als eindelijk het in verval geraakte lichaam niet verder kan, de ziel het wegbreken ervan heel een­voudig en zonder treuren aanschouwt, in verwachting van haar eigen binnentreden in het Oneindige.

Van individueel lichaam tot de gemeenschap, van de gemeenschap tot het universum, van het universum tot de Oneindigheid - dat is de normale voortgang van de ziel.
(Bron: Tagore - Religie van de mens)
 
05. Citaten
 

 
 
- Het onware kan nooit tot waarheid worden door in macht toe te nemen.
 
- Het onderdanige penseel beknot de waarheid, zich voegend naar het doek, dat te klein is.
 
- Door wetenschap bereikt men veel, doch slechts de liefde voert tot volmaaktheid.

- De vlinder telt geen maanden doch momenten…  en heeft tijd genoeg.

- Ik sliep, en droomde dat het leven vreugde was; ik ontwaakte en zag: het leven is plicht; ik werkte en zie: de plicht is vreugde!

- Waarheid is de naam die wij onze wisselende vergissingen geven.

- Sluit gij uw deur voor alle dwalingen, dan sluit ge de waarheid buiten.

- De lamp van het samenzijn brandt lang; zij gaat in een oogwenk uit bij het afscheid.

- Ik kwam tot uw kust als vreemdeling, ik woonde in uw huis als gast, ik ga van uw deur heen als vriend, mijn aarde.

- Mijn laatste groet is voor hen, die mij in mijn onvolmaaktheid kenden en mij liefhadden.

- Met bedelen en scharrelen vinden we erg weinig, maar met eerlijk te zijn tegen onszelf vinden we veel meer dan we verlangen.

- God respecteert me als ik werk, maar heeft me lief als ik zing.

- Een geest, geheel en al logica, is als een mes, geheel en al lemmet. Het doet de hand die het gebruikt bloeden.

- Je kunt de zee niet oversteken door alleen maar naar het water te staren  

- Wij interpreteren de wereld verkeerd en zeggen vervolgens dat ze ons niet begrijpt.

 
 
 
 06. Tagore en Frederik van Eeden
 
 
 Uit de briefwisseling tussen Frederik van Eeden en Tagore
 
 
Naar aanleiding van de vertaling van de Gitanjali ontspon zich een briefwisseling tussen Frederik van Eeden en Rabindranath Tagore. Wijzangen verscheen in 1913, door Van Eeden vertaald naar Tagores Engelse versie.
Bij Tagores bezoek aan Nederland in 1921 ontmoetten de beide dichters elkaar. De ontmoeting beantwoordde niet geheel aan de verwachtingen van Van Eeden, die zich minderwaardig voelde naast zijn illustere collega. In De Amsterdammer (later De Groene) gaf hij niettemin een hooggestemd verslag van de gebeurtenissen.
 
 
 
 
 
 
 
     
     
     
 
 
 
 Vertalen uit het Engels

Uitgever W. Versluys bracht in de jaren tussen 1913 en 1923 elf titels in 22 drukken uit, groene Jugendstilbandjes van en over Tagore. Bekend zijn de vertalingen onder de naam van Frederik van Eeden. Noodgedwongen waren dit vertalingen uit het Engels, omdat de kennis van het Bengaals in Nederland eenvoudig niet aanwezig was. Bovendien was er niemand die de kwaliteit daarvan in twijfel trok, omdat de gedichten immers door de dichter zelf in het Engels waren vertaald. Tagore had echter niet zoveel vertrouwen in zijn eigen Engels. In een brief liet hij zich ontvallen: `That I cannot write English is such a patent fact that I never had even the vanity to feel ashamed of it.'

Met de authenticiteit van Van Eedens vertalingen was ook wat aan de hand. Toen in 1961 bij het eeuwfeest van zijn geboorte de aandacht voor Tagore opleefde, is voor het vertaalwerk van Frederik van Eeden aandacht gevraagd door W.H. van Tricht. Er zijn sterke aanwijzingen dat veel vertaalwerk voor Van Eeden in feite is verricht door Van Eedens vrouw en door een werkstudent. Later werd ook dit opnieuw weerlegd omdat hierover pas na 40 jaar gewag van werd gemaakt en niet onmiddelijk na de uitgave van de boekjes.
 
 
 UIT: WIJ-ZANGEN.

Ik was gaan beedelen van deur tot deur op den dorpsweg, toen Uw gouden wagen als een prach­tige droom in de verte verscheen en ik verwonderd dacht wie wel die Kooning der Kooningen zou zijn.
Hoog steeg mijn verwachting en ik dacht dat mijn kwade dagen nu ten einde waren, en ik zag uit naar giften die ongevraagd zouden ge­geeven worden en naar rijkdommen ooveral rondgestrooid in het stof.
De wagen hield stil bij mij, Uw blik trof mij en Gij daaldet af met een glimlach. Nu was het geluk van mijn leeven eindelijk gekoomen.
Toen hield Gij op eenmaal Uw rechterhand op en zeidet: «Wat hebt gij mij te geeven?"
Ach, dat was een kooninklijke grap, uwe hand­palm beedelend oopen te houden voor een beede­laar. Bedremmeld en besluiteloos stond ik en nam toen langsaam uit mijn beedelzak een klein, klein korreltje graan en gaf het U.
Maar hoe groot was mijn verrassing toen ik aan het einde van den dag mijn zak leegschudde op den vloer, en een klein, klein korreltje goud vond in de armzalige hoop! Ik weende bitterlijk en wenschte dat ik het hart gehad had U mijn alles te geeven.

De nacht werd dieper. Ons dagwerk was ge­daan. Wij dachten dat de laatste gast voor den nacht al was aangekoomen en de deuren in het dorp waren alle digt. Enkelen zeiden: de Kooning zou koomen.  Wij lachten en zeiden: Welneen! dat kan niet.
Het scheen dat er aan de deur geklopt werd en wij zeiden: «Het is niets dan de wind.» We doofden de lampen en legden ons ter ruste. Enkelen zeiden: «Het is de heraut.» Wij lachten en zeiden: «Welneen! het is zeeker de wind!

In het holst van den nacht kwam een gerucht. Slaperig dachten wij aan verren donder. De aarde schudde, de muuren waggelden, en wij werden ver­ontrust in onzen slaap. Enkelen zeiden: «Het is het gerucht van wielen.» We preevelden dommelig: «Welneen ! Het zal het gerommel der wolken zijn.»

Nog was de nacht niet lichter toen de trom­mel klonk. De stem kwam: « Waakt op! Haast u!  Wij drukten onze handen op ons hart en beefden van vrees. Enkelen zeiden: «Zie! Daar is des Koonings banier!» Wij stonden op en riepen: «Er is geen tijd te verliezen!»

De Kooning is gekoomen - maar waar zijn de lichten? Waar zijn de kransen? Op welken troon zullen we Hem zetten? 0, schande! allerergste schande! Waar is de ontvangzaal"? Waar zijn de versieringen? Iemand, zeide: «IJdel is dit geroep! Groet Hem met leege handen, leidt hem in uw kale vertrekken!

Oopent de deuren, laat de kinkhoorns geblazen worden! In het holle van den nacht is de Kooning van ons donker, droevig huis gekoomen. De donder gromt in den heemel. De duisternis rilt van bliksem, brengt uw versleeten stuk mat naar buiten en spreidt het in den voorhof. Plotse­ling is met den storm gekoomen onze Kooning van den vreesselijken Nacht.

Ik meende van U te vragen -- maar ik durfde niet - de krans van roozen om Uwen hals. Dus wachtte ik op den morgen, als Gij zoudt ver­trokken zijn, of ik er enkele gedeelten van vinden zou op het bed. En als een beedelaar zocht ik in den morgenscheemer naar een paar verlooren bloemblaadjes.

Maar ach! wat vind ik? Welk achtergelaten liefde-teeken? Geen bloem, geen spécerij, geen vaas met reukwater. Maar Uw geweldig zwaard, fonkelend als een vlam, zwaar als een donderkeil. Het jonge morgenlicht komt door het venster en spreidt zich oover Uw bed. De morgenvoogel kweelt en vraagt: Vrouw, wat hebt ge gekreegen ? Geen bloem, geen spécerij, geen vaas met reuk­water, maar Uw vreesselijk zwaard.

Verwonderd zit ik en peins oover Uw geschenk. Ik kan geen plaats vinden om het te verbergen. Ik durf het niet dragen, tenger als ik ben, en het kwetst mij als ik het aan mijn boezem druk.
Toch zal ik in mijn hart de eere dragen van deezen pijnlijken last, deeze gift van U.

Uit: Rabindranath Tagore – WIJ Zangen – vertaald door F. van Eeden


UIT: DE WASSENDE MAAN

DICHTERSCHAP.

Je zegt dat vader een meenigte boeken schrijft, maar wat hij schrijft dat begrijp ik niet.
Hij heeft je vóórgeleezen, den heelen avond, maar kon je nu heusch verstaan wat hij zeggen wou?
Jij kan ons zulke mooye sprookjes ver­tellen, moeder'
Waarom kan vader ook niet zóó schrijven, dat wou 'k weeten.
Hoorde hij van zijn eigen moeder geen sprookjes oover reuzen en feeën en prin­cessen?
Heeft hij die allen vergeeten?

Dikwijls als het laat wordt, voor zijn bad, dan moet je hem gaan roepen, wel honderd keer.
Je zit te wachten en houdt zijn eeten warm voor hem, en bij gaat maar door met schrij­ven en vergeet al het andere.
Vader speelt al maar door van boekjes­ maken.
Altijd als ik in vader's kamer ga speelen, dan kom jij en roept: "wat een ondeugend kind'"
Als ik het minste leeven maak dan zeg je: "Zie je niet dat vader aan zijn werk is'"
Wat is toch de aardigheid er van, om altijd maar te schrijven en te schrijven?

Als ik vaders pen of potlood neem en op zijn boek ga schrijven net als hij - a. b. c. d. e. f. g. h. i. - waarom word je dan boos op me, moeder?
Je zegt er nooit wat van als vader schrijft.
Als mijn vader hoopen papier vermorst, dan schijn je daar niets om te geeven.
Maar als ik maar één vel neem, om een schuitje van te maken, dan zeg je: "Kind, wat ben je lastig'"
Hoe vind je het dan, als vader vellen en vellen papier bederft, met zwarte teekens er heelemaal ooverheen, aan twee kanten ?

Uit: Rabindranath Tagore – DE WASSENDE MAAN.– vertaald door F. van Eeden
 
 
 
 

 
 07. Meer op internet:

Tagore bij project Gutenberg