Marten Toonder, Heer Bommel en Tom Poes 02

 
 
 
 
 
 
 
 01. Een greep uit de vele Bommelboeken en wat er zoal op de 'flaptekst' vermeld is.
 
 
     Ach mallerd

In deze omnibus zijn de Nederlandse letteren zó gevoelig samengebald, dat de tranen me in de ogen sprongen en ik de pen grijp om mijn hart te uiten, wat niet mijn gewoonte is. Een heer slaat zijn roerselen nu eenmaal niet op de grote trom, zodat hij maar al te vaak over het hoofd wordt gezien en over zich heen laat lopen. Maar als hij dan door een tere vrouwenhand in het veld getrokken wordt waar hij uit geslagen is bloeit de zon weer open en komt hij tot een ontplooiing waar men van opkijkt. Dit fel kloppende werk brengt op overtuigende wijze aan het licht, dat de dolle Mina's niet voor niets gestreden hebben. Het zal dan ook een grote steun zijn voor alle heren, die onbegrepen in hun schulp door het leven gaan. aldus de heer O.B.B. te R.
    Ook dat nog

'Een indringende uitgave,' schrijft ons de heer O.B.B. te R.
'Na een slapeloze nacht wordt iedereen wel eens versuft wakker, zodat de dageraad hem onheilszwanger tussen de gordijnen aanstaart. En als hij zich daarna met gederfde levensvreugde uit de
veren heeft losgemaakt, valt het dopje van de tandpasta meestal in de afvoerbuis, terwijl de knoop hem bij het kleden van de jas springt. Hij weet dan hoe laat het is, en het kan geen wonder genoemd worden dat gewone lieden het gemoed in de schoenen voelen zinken, zodat ze die met het badwater weggooien en na het opstaan weer naar bed gaan. Maar het kan ook anders! Er bestaan onbuigzame, stalen karakters, die zich staande kunnen houden wanneer zij bezig zijn hun eigen onderspit te graven en de donderslagen des levens om de oren voelen gieren. Onwrikbaar gaan zij voort; zelfs als zij met de kous op de kop van een koude kermis thuiskomen. Dit zijn de stille helden waar men zich aan spiegelen kan omdat zij aan het langste einde trekken en het ver brengen. Dát is de les, die deze indringende uitgave ons leert als wij er gauw bij zijn omdat de oplage beperkt is.'
    En daar houd ik mij aan

De heer O.B.B. te R schrijft ons: Dit boek versnippert met een daverende klap de ontbrekende principes waarop onze samenleving steunt. Op aangrijpende wijze worstelt de held zich in deze drie verhalen door brijen van ontaarding, die hij met vaste hand in het oog vat. Ik kon een traan dan ook niet onderdrukken, want ikzelf ben gevuld met taaie beginselen die mij reeds met de paplepel zijn ingegeven - en daar houd ik mij aan. Daarom acht ik dit werk onmisbaar voor iedereen die het verval van deze tijd wil versterken
     Parbleu

'Par exemple!,' aldus markies Q.X. de C. de B.

Zelden is de opmars van het grauw huiveringwekkender aan het licht gebracht dan in voorliggend imprimé, dat door prentjes verduidelijkt is ten behoeve van het ongeletterde janhagel. Op fel-realistische wijze wordt de platte levenstrant van het rapaille in al zijn geledingen bloot gewoeld; zodat de nobele beginselen waarop onze beschaving stoelt door een siddering worden aangetast. Nochtans is de lezing onthullend voor de meer voorname lezer. Men diene het werk echter niet aan jonge lieden in handen te geven zonder toezicht van huisonderwijzer of gouvernante.
     Een ragfijn spel

'De Bovenbazen hebben hun ondernemingen gebundeld tot gigantische kankergezwellen, die ons leven binnensluipen als olifanten in een porseleinkast, zodat we in hun web verstrikt raken, zonder dat we het weten. En onbemerkt wordt ons een oor aangenaaid, zodat we moeten leven van de hand in de tand zoals de vogelen des velds.' Wat een geluk, dat een ontmaskerend meesterwerk als het onderhavige het daglicht ziet voordat het te laat is. Als heer, die op zijn tellen past, zit ik er vol van, zodat ik niet zal nalaten het steeds weer te herhalen, terwijl de geneesheer mij volstrekte rust heeft voorgeschreven. Maar als ik zou sterven zonder dit te hebben gedaan zou ik er mijn hele leven spijt van hebben. De aanschaf van dit boek is dan ook voor iedereen een noodzaak; al zou men er geld op moeten toeleggen
     Dat geeft te denken

'Een boek, dat te denken geeft is een witte raaf in een hooiberg,' deelt de heer O.B.B. te R. ons mede. En hier ligt het thans voor ons in zijn volle diepte, die er geen doekjes om windt, zodat een rijke gedachtewereld zich aan het verraste geestesoog ontvouwt. De inhoud is tweeledig. In het eerste deel wordt een parel van grote waarde aan de vlammen van de woelende zee ontrukt, zodat dit welhaast een dichterlijke weergave van het volle leven genoemd kan worden. De schokkende boodschap, die in deze geschiedenis verborgen ligt wordt echter zo mogelijk nog overtroffen door het tweede deel. Hierin ontziet de held zich niet zijn eigen zielenheil op het spel te zetten. Ten koste van zijn geestesleven brengt hij de hedendaagse vervuiling aan de oppervlakte, zodat menige onderneming door deze onthulling tot schril nadenken zal worden gebracht. Dit werk is een dringende vingerwijzing voor iedereen, die naar schoonheid zoekt, en vooral voor industriemagnaten en hun zetbazen
     Een heer moet alles alleen doen

'Een onthullend en schokkend epos,' liet de heer O.B.B. te R. ons telefonisch weten.
'Nimmer is de vinger zo onverbiddelijk op een lillende plek in onze samenleving gedrukt. Het is dan ook met grote ontroering, dat ik het werk na lezing terzijde bij de port heb gelegd, om het rustig te laten inzinken. Welk een levensles wordt ons hier geboden!
Dwars door het onbeholpen geknoei van allerlei broddelaars gaat een heer zijn stille gang door dit werk. Door iedereen verlaten verricht hij daden die aan het onmogelijke grenzen en die oplettende lezertjes tot diep nadenken zullen noden. Het is duidelijk, dat deze uitgave licht brengt in de duisternis, die het geschrijf van de heer Parkinson veroorzaakte. Ik zou het dan ook in ieders hand willen zien
     Altijd dezelfde

'Een vlammende sociale aanklacht!,' aldus de heer O.B.B. te R

Wij leven in duistere tijden. Lieden van stand worden gedwongen hun levenswandel onder de korenmaat te plaatsen, omdat neerdrukkende wetten voortdurend een domper zetten op hun lichtend voorbeeld. Menig hoogstaand iemand wordt daardoor de kop ingedrukt en door onbesnaarde gezagsdragers in zijn ontplooiing gefnuikt. Deze meedogenloze misstand riep sinds lang om een krachtig woord, dat hier thans op schrijnende wijze voor ons ligt. Op ontroerende toon heeft dit werk mij meegesleept op de martelgang van een onverschrokken heer, die zijn verheven beginselen fier boven een poel van benepen verordeningen weet uit te dragen
   
 Zoals mijn goede vader zei

Diep aangrijpend!meldt ons de heer O.B.B. te R., en hij vervolgt: Ik schaam mij niet, te bekennen dat een stille traan na lezing in mijn pijp gleed, en in een blauwe wolk ontrolde zich de bandeloosheid waarmee men tegenwoordig de woorden van ouderen en wijzeren gebruikt om de kachel aan te maken. De held in dit werk, die op hoogstaande wijze het hoofd biedt aan de schokkende hedendaagse wereld, leert ons hoe een onbedorven knaap vervormd werd tot een heer van stand door de diepe gedachten die zijn goede vader hem meegaf. Een boek, dat ik alle ontspoorde lezertjes op het hart zou willen binden

     Daar kan ik niet tegen

'Ik kan er niet tegen, als ik uit mijn vel spring,' aldus de heer O.B.B. te R.

Toch komt dat maar al te dikwijls voor wanneer ik een euvel ontmoet, dat volstrekt niet door de beugel kan. Ook kan ik er slecht tegen, als er een loopje met mij genomen wordt terwijl ik niet weet waar de schoen wringt, zodat ik uit mijn slof schiet. Het is een kwestie van fijngevoeligheid, die ons, heren, kenmerkt. Toen ik deze meesterlijke pennenvrucht opende, voelde ik mij dan ook direct in mijn knollentuin, want hierin bijt de held door zure appels heen, die het uiterste van hem vergen. Zo slaagt hij erin gestalte te geven aan een karakter waar hij niet tegen kan omdat het vormloos is. Daar blijft het echter niet bij; hij gaat tot het uiterste. Als de wind bijvoorbeeld uit de verkeerde hoek waait, ruikt hij meteen, dat er een luchtje aan is. Dat wordt veroorzaakt door politieke bakens, die aan lager wal geraakt zijn, en omdat hij daar onwel van wordt verzet hij ze. Wie meent, dat deze materie te diep gaat vergist zich echter. De in dit boek vastgenagelde gedachten munten uit door een sublieme samenhang, die zich in enkele woorden laat ontrafelen.
   
 Soms verstout ik mij

Algemeniserend kan ik gelukkig vaststellen, dat hij daarbij meestal uithuizig is. Maar in het onderhavige boekwerk spelen zich ook in Bommelstein deplorabele toestanden af, waarin zelfs ik op grijpende wijze in beslag wordt genomen. Nu vraag ik U, als U mij permitteert. Het is dan ook evidentig, dat ik mijn ontslag moest overwegen, wat ik niet graag doe wegens heer Oliviers gesoigneerde wijnkelder, en het kwalitiverende rookgerei. Maar heer Olivier heeft meestal de goedheid een mooie les uit mijn overweging te trekken, zodat ik mij bij een volgende uithuizigheid verstouten kan geheel te relaxeren. Dit is vooral diverterend wanneer ik daarbij de criminele belevenissen van mijn werkgever ongestoord tot mij kan nemen. Met uw goedvinden moet ik u de lezing van dit boek dan ook van harte aan recommanderen. (Joost)

     Zaken zijn zaken

'Een vlammende vingerwijzing,' aldus de heer O.B.B. te R.

Zelfs als heer met een gepantserd verstand heb ik menigmaal het hoofd gestoten als de zeeën me te hoog gingen - en ook heeft mijn gevoelig gestel zich dikwijls bezeerd aan de harde wereld, die zo ruimschoots over mijn levenspad gestrooid is.  Deze schokkende parel uit de wereldliteratuur is dan ook een vlammende vingerwijzing voor lezertjes, die een zakelijke roeping willen volgen, en zou op geen enkele koopmansbeurs mogen ontbreken.
     Met mijn teer gestel

In dit aangrijpend werk balanceert de held langs de afgrond van zijn wankele gezondheid om de opdringende misstanden op bloedstollende wijze in de kiem te smoren
     Daar zit iets achter

We leven in duistere: tijden, waarin de achteruitgang zich ophoopt tot een dieptepunt, dat ons somber tegemoet komt. Geen wonder, dat menigeen daar ernstig peinzend bij stil staat om te trachten het te ontvluchten.
Gemakkelijk is dat niet. Van alle kanten verrassen de mediums ons met noodkreten, zodat we steeds dieper in omstandigheden raken.
Hier kan slechts een diepgaande stem ons uitkomst bieden.
Welnu, deze stem klinkt helder op uit dit boek dat een vinger is, die ons de weg wijst naar de hoogstaande stenen waarop onze levensbron is gebouwd. Voor eigentijdse beslommeringen is dit werk een steun van huiveringwekkende helderheid. Aldus de heer O.B.B. te R
    Wat enigjes

Ik zie zo dikwijls in mijn  praktijk. Want op doortastende wijze wordt hier bij enkele proefpersonen onder de drempel van het bewustzijn gewoeld, zodat alles wat daar onderdrukt beweegt, aan het daglicht gebracht wordt
     Verzin toch eens een list

De Heer O.B.B. te R. schrijft ons spontaan:

Ook de sterkste lezer voelt de levenssappen wel eens met het waswater weglopen - en zelfs een ervaren heer heeft soms de behoefte om héél stilletjes bij de pakken neer te zitten. Wanneer zijn brede wiekslag door laag gebroed in de knop gebroken wordt, en de stormen des levens hem boven het hoofd groeien, kan het gebeuren dat hij zich onopvallend tot zijn omgeving wendt met een trillende zucht, die de goede verstaander nochtans als een donderslag om hulp in de oren klinkt.

Het treffende van dit boek is dan ook de boodschap, dat er zulke begrijpende luisteraars klaar staan om ons op te vangen als wij ons eenzaam op de top van een bodemloos gevaar bevinden. Een hoogstaand werk, dat ons weer een riem door het hart steekt
     Met uw welnemen

'Dit werk was het grootste van de 34 delen der Nederlandse letterkunde,' aldus de heer O.B.B. te R. Het oog wil ook wat, zei mijn goede vader altijd, en daarom heb ik het zo vaak door deze gigant laten glijden, dat het me duizelde door de denkwijdte, die het aantrof. Het klimaat verandert echter, en vele lezers kiezen eieren voor hun geld, wanneer ze het gelag moeten betalen. De uitgever heeft dit heel fijn aan de tand des tijds gevoeld, en het werk versimpeld tot de eenvoudige pracht die thans voor ons ligt. Ik meen, dat het ogenblik gekomen is om in het voorbijgaan even stil te staan bij de lessen, die er uit getrokken kunnen worden. De eerste is, dat men de geest van een monumentale foliant niet kan terugbrengen door het inkrimpen van zijn drukwerk. Men kan hem niet met de kluiten waaruit hij gewassen is, in het riet sturen, als men begrijpt wat ik bedoel. Hij blijft levensgroot voor ons opstijgen, omdat hij meer talent heeft in zijn lichaam dan in zijn pink. En de tweede les bezint zich nog steeds op de onbetaalbare waarde van het dienend element in zone samenleving, dat 'Met uw welnemen' in de schrijnwerpers van het daglicht staat
 Mijn eigen eenzame weg

Wanneer ik de blikken om mij heen sla stoot ik maar al te vaak het hoofd tegen andermans veren, waarmee de meeste lieden koning kraaien. Want in deze donkere tijden waait iedereen met alle winden mee, terwijl de zure appels op de lange baan geschoven worden. Dit meesterwerk is dan ook een verademing!Een held, die met open vizier op eigen wieken drijft, wordt hier met welversneden pen uit het hart gegrepen. Aldus de heer O.B.B. te R
 
     Dat zag ik nu eens net

'Een boek voor iedereen, die de ogen niet in de zak heeft, ' schrijft ons de heer O.B.B. te R. Een heer heeft ogen in de rug zodat er geen misstand is, die hij niet in het gezicht krijgt.' Dat zag ik nu eens net', zei mijn goede vader dan ook altijd, wanneer ik als knaap, in het verborgene, de verzenen tegen de prikkels geslagen had. En omdat hij dat goed in mijn oren knoopte, ben ik geworden wat ik ben. Het is dan ook te begrijpen, dat dit boek mij onmiddellijk in het oog sprong, waaruit ik niet verloren heb tot de laatste letter. Het is geen lectuur voor angstvallige lezers. Niet alleen worden de gevaren van het jonger worden openhartig te kijk gezet; maar zelfs voert de held een geest ten tonele, die om sterke zenuwen roept als men hem in de gaten krijgt. Een boek voor iedereen, die ogen in de rug heeft
     Een enkel opbeurend woord

'Een enkel opbeurend woord; dat is waar de wereld behoefte aan heeft,' aldus de heer O..B.B. te R. Hoge bomen vangen veel wind, zodat de nederige er met lede ogen naar kijken om spijkers te gaan zoeken op het lage water, waarin ze de zon niet kunnen zien schijnen. Menigmaal heb ik nullen van de koude grond de pen in hun gal zien dopen, om een heer bont te maken, waar een vlekje op zat. Meestal was het veel geschreeuw om oud ijzer, maar toch! Hoe gemakkelijk is het niet om een meer verhevene achter zijn rug bij de neus te nemen! Laat men het in zijn gezicht doen, in plaats van iemand aan te vallen die hoger staat, zodat hij zich niet verdedigen kan. Een heer is fijnbesnaard en wanneer hij soms bij het verzetten van bergen in een parket geraakt, is een enkel opbeurend woord genoeg om hem weer te laten voortgaan op de ingeslagen weg. Dat is de diepe boodschap, die dit werk ons te bieden heeft. Het is als zeldzame oude port, van het zuiverste water, zodat ik er van gesmuld heb

   
 Een bommelding

'EEN SCHOKKENDE ERVARING,' aldus de spontane reactie op 'Een Bommelding' van de heer O.B.B. te R. Net als iedereen ga ik gebukt onder de grote boodschap, die een doel aan ons leven geeft. Men kan daar zwaar of licht over denken, maar één ding staat hierbij voor mij vast! Ik heb vergeten wat het is, zodat ik met een schok een Bommelding in mij heb opgenomen. Daardoor werd ik met de neus op spijkers met koppen gedrukt - en het werd mij duidelijk, dat men zelfs moet ontberen wat men bezit als men de zin van het bestaan onder ogen wil zien. Voor iedereen, die met beide benen in het volle leven zijn taak bij de keel wil grijpen


     Het beste van Bommel.

Van het boze oog tot het kukel, van de windhandel tot de bovenbazen en het booroog tot de pasmunt. De bommelverhalen van Marten Toonder zijn als een donderslag door de Nederlandse letteren gegaan
    Daar zit iets in

Dit buitengewone, inmiddels vijfde deel van Het beste van Bommel omvat de volgende vijf juweeltjes: Het Lemland, De waarde-ring, Het verschiet, De tijwisselaar en De blijdschapper. Heus: vijf ontroerende prachtverhalen, die ook na zo veel jaren vol gespierde inhoud blijven, en op onverbiddelijke wijze de oerkrachten losmaken die in ons aller binnenste sluimeren.
    Het gouden bommelboek

In HET GOUDEN BOMMELBOEK zijn opnieuw vijf Bommelverhalen samengebracht. In deze bundeling worden met een scherpe pen enkele harde noten gekraakt, zodat een rijke gedachtewereld zich aan het verraste geestesoog ontvouwt. Voor iedereen die met beide benen in het volle leven zijn taak bij de keel wil grijpen.
    Geld speelt geen rol

Aanvankelijk stond ik enigszins antiseptisch tegenover deze uitgave. Jonge en onervaren lezertjes denken immers maar al te dikwijls, dat geld gelukkig maakt. Na een uitputtende lezing van deze trilogie ben ik echter geheel omgeslagen, want de kristalhelder visie van de hoofdfiguur legt het aardse slijk in al zijn voze geledingen bloot.
 
 
 
 
 02. Uitspraken van Marten Toonder.
 
 - Wat is geluk? Als je een balans hebt gevonden tussen het goede en het kwade. Elke geest heeft aanleg voor het zoeken naar evenwicht. Maar het evenwicht kan zo erg verstoord worden, dat je het geluk niet meer terug kunt vinden.

- Wat is de zin van het leven? Je bent geboren om je ontwikkelen. Je moet je vormen tot een persoonlijkheid die zich goed verhoudt tot andere individuen. Je moet van anderen leren, zodat de kwaliteit van leven groeit.

- Bijzonder moeilijk: Als mens heb je één ziel en één geest. Eén ego. En dat moet je leren kennen. Dat is bijzonder moeilijk, want mensen interesseren zich meer voor materie, voor wat mooi is en wat lelijk. Maar materie is zonder geest. Ik heb gemerkt dat alle godsdiensten hetzelfde zijn. Ze streven allemaal hetzelfde doel na: broederschap.

- Weer verder: Je gaat, als je incarneert, weer verder waar je geëindigd bent. Ik zal terugkomen op de plaats die ik verdiend heb. Misschien heb ik wel niets verdiend, maar ik heb mijn best gedaan.

- In een proces: God is dus niet persoonlijk. Hij is een allesomvattende Geest. Iedereen heeft een stukje van hem in zich. Mensen hebben een sterk gevoel van wat goed is en wat fout. Soms kan je geest ziek zijn. Ik denk dat je mag stellen dat gedeelten van God soms ziek zijn. God zit ook in een proces, misschien zelfs een evolutieproces.

- Welvaart brengt niet altijd geluk en hoe hoger men komt, hoe zwaarder de last van de welvaart zich doet gevoelen Het ergst zijn degenen getroffen, die ervoor verantwoordelijk zijn: de grootondernemers."

- De jeugd is er om te leren. Hoewel: men kan geen oud hoofd op jonge schouders zetten. En dat is maar goed ook; het zou geen gezicht zijn.

- Zelfs een held heeft wel eens een misverstand in zijn denkraam, dat men hem in de schoenen kan schuiven.
 
- Het was een soort geloof dat Phiny en ik allebei hadden. Niet aan een God - want het was duidelijk dat die al lang de handen van ons had afgetrokken, of gewoon maar een weddenschap met Satan verloren had. Het was de overtuiging dat iedere daad zijn eigen gevolgen heeft. Wanneer je de tak waar je op zit, doorzaagt, val je naar beneden zonder dat God daar de hand in heeft.
(Marten Toonder  Het geluid van bloemen, Autobiografie 1939-1940, blz. 260)
 
 
 
 
 De beer is een soort tussenvorm tussen geest en materie.
Hij is een beetje onhandig,
omdat de overbrugging tussen die twee zo ontzettend moeilijk is.
Net zoals de mens probeert de beer het Hoge te bereiken,
maar dat wordt bemoeilijkt door zijn eigen plompheid.
Dat wist ik niet,
maar dat heb ik vanzelf ontdekt door de theorieën van Bommel.
(Marten Toonder, geciteerd in Hervormd Nederland, 28-03-1992)
 
 
 
03. Marten Toonder over Reïncarnatie – een interview
 
 
 
 
Marten Toonder over Reïncarnatie – een interview
Uit 'Levensfilosofie', interview 'Trouw' 6 september 2003 door Marieke van Willigen

 
Als je in een bepaalde stemming bent, vooral een beetje een droefgeestige, en je gaat lopen, je ruikt de bomen, kun je er niet omheen. Nu in dit jaargetijde is het helemaal sterk, met al die kleuren. Phiny had daar een speciaal gevoel voor en dat heeft ze haar hele leven gehouden. Maar het Baarnse bos was wel het begin. Je had daar van die oude bomen, zeker honderden jaren oud, die zo vreemd en kronkelig waren, met gaten, waar je met open ogen en open mond naar stond te kijken. Je vermoedt dat daar iets in zit, dat daar iets in leeft. En dat geheimzinnige heb je hier in Ierland aan de lopende band, hier heet dat volkje de Shee.'

'Ja...' Hij kijkt ineens wat somber, recht voor zich uit, en dan: 'Ik geloof echt in reïncarnatie. En als reïncarnatie bestaat, dan moet er een evolutie, een verbetering plaatsvinden. Als je iets hebt fout gedaan, dan moet dat goed worden gemaakt en als je iets goeds hebt gedaan, moet je worden beloond. Het is me wel duidelijk dat je dat nooit in één leven voor elkaar krijgt, dat ene leven is veel te kort. Er bestaan dingen die je pas heel langzaam ontwikkelt, ontwikkelen kúnt. Dat is karma. Volgens mij is dat niet zozeer geloof, maar gewoon logisch.'

Ik vraag wat hij denkt van karma als legitimatie van het lot van de slachtoffers van de holocaust. 'Dat is een moeilijke vraag, maar er is wel een antwoord op. Bij dit soort dingen kun je niet over groepen praten, over "joden". Je kunt wat karma betreft het alleen per individu nagaan. Uiteindelijk gaat het om het individu. En zelfs dan... Iemand kent alleen zichzelf. En karma zit in kleine dingen verstopt, in goed of kwaad wat ik soms helemaal niet ken. Er zijn dingen die iemand in het geheim heeft gedaan, of dingen waarvan hij zelf niet eens weet dat hij ze heeft aangericht. Het is al heel wat als je ontdekt: hé, daar zit het... Misschien kun je het zelfs verdedigen, en dat kan best redelijk klinken, maar het is niet afgewerkt en de gevolgen kunnen pas heel veel later zichtbaar worden. Daar is één leven te kort voor.

Hoe ik me reïncarnatie voor moet stellen, weet ik niet precies, en hoe je er uitziet als je dood bent, dat weet ik ook niet. Maar die voorstellingen kunnen alleen maar buitenstoffelijk zijn. Zo'n beeld van de hemel ergens daarboven, met harpspelende engeltjes, is natuurlijk onzin. Ik heb als steuntje het "collectieve onbewuste" van Jung, en dat is meer een toestand. Het onbewuste is niet een materieel terrein, zoals de hemel, nee, alles is doordrongen van het collectieve onbewuste. Daarom kun je, als iemand dood is, het gevoel hebben dat die persoon dichtbij je is. Ik kan me dat best voorstellen, niet als een engel of een geest of zo, maar wel als iets - ja, hoe moet je dat noemen? Het klinkt zo gauw new-agerig: als een vibratie, als iets fijntrillerigs. Het leven dat er in je eigen ego zit, is toch iets als een elektrische toestand, het is niet zichtbaar maar wel aanwezig.

De vraag is eigenlijk of het een entiteit is. Of is het een opgaan in de massa? Het "collectief" klinkt ook weer zo als een groep, als een massa. En dat geloof ik niet. Ik geloof dat het heel goed mogelijk is om een eigen individu te zijn, want anders zou je ook geen reïncarnatie hebben en geen karma, want dat is aan één individu gebonden. Ik kan me heel goed voorstellen dat dat een bepaalde trilling is.
Dat hele collectief, dat is de achterkant van de mensheid. En dat collectief zie ik eigenlijk als God zelf. Het is uiteraard oneindig, zoals het heelal dat is. En er zijn bepaalde, heel bepaalde plekken, heel bepaalde trillingen die bij elkaar willen, die elkaar aantrekken, gebieden die dan wat verdicht zijn, niet in elkaar opgaan maar elkaar aantrekken. Ik denk dat zoiets mogelijk is.'

Gelooft u in een leven na de dood of reïncarnatie?

'Ik geloof niet dat het na de dood allemaal afgelopen is. Want wat is leven? Een van de weinige dingen die de wetenschap nooit zal kunnen aantonen, is hoe het leven eigenlijk ontstaat. Als je dat gewoon biologisch bekijkt, twee cellen die samenkomen en dus de mens maken - de vrouwelijke cel en de mannelijke cel, twee cellen die één worden. Maar hoe kan dat? Want je hele lichaam verzet zich tegen alles wat vreemd is. Dus waarom verzet het vrouwelijke lichaam zich niet tegen de mannelijke cel?
Als we het over God hebben, denken we altijd meteen aan die man met een baard van Michelangelo, dat walgelijk patriarchale beeld. Jung vroeg zich al af: waar is nou de moeder? Je hebt de Vader, de Zoon, de Heilige Geest - wie is de Heilige Geest? Dat is een duif, die bevrucht die vrouw, dat is een hele onsmakelijke geschiedenis. Amoreel. Bestiaal. En waar blijft het vrouwelijke element dan in het goddelijke?

En dan heb je ook nog Hawking, die bewijst dat er helemaal geen materie bestaat. Dat alles fijn trilt. Op het ogenblik hebben ze het atoom al zo ver ontleed dat er helemaal niets meer overblijft. En dat, dat wat er niet is, dàt is het leven. Dat is de oorsprong van het leven. Dat is dus, ja wat, energie? En als die energie er is zal die onsterfelijk zijn. Energie die wolkt door het heelal, op dezelfde manier als alle andere dingen. Het is geloof ik Spinoza die een beeld heeft gemaakt van de ideeënleer van Plato. De aarde is omgeven door een soort sfeer, die maakt dat alles in beweging blijft. Geen passieve, maar een creatieve sfeer.

Om een gewone beeldspraak te gebruiken: het ziet eruit als een vuur, met uitlekkende vlammen. En dat kunnen fijne vlammetjes zijn, dat kan een vonkje zijn dat zich afsplitst - en dat ben jij, en je valt terug in het vuur. En dat is de eeuwigheid eigenlijk. Dat beeld spreekt mij erg aan. Of ik als individu terug zal komen weet ik niet. Dat is het punt natuurlijk.'
 
 
 
 
 
04. Marten Toonder: ‘Ik wacht op mijn tijd
 
 
 
 
Marten Toonder: ‘Ik wacht op mijn tijd’.
02-10-2004  een interview door Jeroen Vullings


Marten Toonder woont niet meer in Ierland, maar in het Rosa Spier Huis te Laren. De schrijver en tekenaar is eenzamer dan hij zou willen – ‘ik ben nu eenmaal een verhalenverteller’. Want het verleden is niet altijd prettig gezelschap. ‘Soms denk je, de doden zijn vage schaduwen geworden. Maar op een dag staan ze springlevend voor je. Onverwacht.’

‘Tweeënnegentig ben ik nu. Dat is te oud. Het karkas deugt niet meer. Een zwaar lot, hoor. Ik vind er niks aan. Ik zie ook het nut niet. Ik haat het.

De dood is voor iedereen. Ik zit erop te wachten. Dat vind ik helemaal niet onrustbarend, maar juist normaal. Ik heb tot mijn spijt nogal veel sterfgevallen meegemaakt. Mijn kinderen, er zijn er drie gestorven. En dan Phiny, dat was een hele erge. Na Phiny ben ik opnieuw getrouwd, met Tera – ook zij stierf. Ik nam die stap zonder na te denken. Achteraf kun je zeggen: een man van in de tachtig moet niet voor de tweede keer trouwen. Maar ik heb nog steeds de hersens van een twintigjarige. Die hersens maken dat ik mij híér, in Nederland, niet thuis voel. De vloek is: mijn hand wil niet meer. Niet meer tekenen, niet meer tikken. Ik heb van alles geprobeerd, zelfs een dictafoon – allemaal onbruikbaar. Na een uur ben ik doodmoe van een paar zinnen.

Ik draai heel veel muziek. Maar nu u vraagt van wie is dat, zie ik dat ik het slordig doe. Ik ben heel slecht in namen onthouden. Dat zijn van die vergeetachtigheden die het eerste optreden. En dat is afschuwelijk hoor. Afschuwelijk. Want soms weet ik niet eens de naam van mijn kleinkind meer. Dat kun je niet voor mogelijk houden.

Ik praatte zoveel. Ik was een enorme kletsjanus. Ik was altijd bezig met het vertellen van verhalen aan mijn broer. Toen Jan Gerhard zelf begon te schrijven en niks meer van mijn praatjes wilde hebben, ontstond een kleine verwijdering. Hij was mijn beste vriend hoor en als zodanig is hij ook gestorven. Hij zei: hoe kan ik jaloers zijn op een man die mij heeft leren lezen en die ik later heb leren schrijven? Als je mensen ontmoet en je slaagt erin met hen contact te krijgen, zodat je praten kan, is dat zeldzaam. Hier is dat een beetje armoede. Het gesprek is belangrijk. Je moet tegenwind krijgen en dat valt mij hier wel eens tegen. Meestal gaat het over het eten dat vandaag weer opgeschept is, over het weer dat niet zo best lijkt. En dat is na drie jaar in zo’n huis, op je eentje wonend, niet erg prettig.
Ik heb gelukkig nog wel een paar mensen in mijn omgeving met wie ik dat contact kan hebben. Als je in je eentje zit, word je daar helemaal knots van. Wrevelig.

Soms denk je: de doden zijn vage schaduwen geworden. Maar op een dag staan ze springlevend voor je. Onverwacht. Dan denk je dat je jezelf kent, maar dat is absoluut niet waar. De hersens doen rare dingen. Ze vertellen verhalen, ik ben nu eenmaal een verhalenverteller. En halverwege zetten die hersens een andere deur open en zie je een ander tafereel. Hetzelfde gebeurt met je herinneringen. Plompverloren staan opeens vervaagde figuren voor je neus.

Ik woonde in Ierland, alleen, en daar kreeg ik een dubbele longontsteking. Ik werd opgenomen en op een gegeven ogenblik schee ik ermee uit. Later werd ik wakker in een Amsterdams ziekenhuis. Ik had absoluut geen aanknopingspunt.

Ierland was hét punt. Altijd Ierland. Zo’n typisch land. Ik heb daar zevenenendertigeneenhalf jaar gewoond, en ik was eigenlijk een Ier. In Nederland kwam ik terecht in een land dat ik helemaal niet kende. Dit land is veranderd, als ik het zeggen mag. Het meest in de organisatie, in de ambtenarij, in de voorschriften. Al die dingen waren nieuw voor mij en daaraan gewend raken duurt lang.

Voor ik wegging, was Nederland een leuker land, ja, beslist. Dat ligt niet alleen aan de bureaucratie die is toegenomen, maar ook aan de instelling van de mensen. De mensen waren anders, losser, vriendelijker, aardiger. Het is allemaal strák geworden. Dat is een gevoel, hoor.

In Ierland kon de natuur sterker zijn dan de mens. Dat mis ik. In woorden is dat moeilijk te vatten. Je krijgt daar de overtuiging, de zekerheid, dat je bij de natuur hoort. Dat heb je hier niet. Niet meer.

Een tijdlang, vooral toen ik er net was, door die geweldige dalen en bomen, voelde ik mij een buitenstaander. Dan ben je een beetje op je hoede. Griezelig wil ik niet zeggen, maar je weet nooit wat er schuilt in die schaduwen.

Ik herinner mij het moment dat ik voelde dat ik erbij hoorde nog goed. Het stormde. Ik had in Nederland al veel stormen meegemaakt en ik vond het altijd wel mooi, romantisch. Ook door de zeemansverhalen van mijn vader over storm. Daar ging het over: vechten tegen de storm, op leven en dood.
Ik liep langs de kant van een diep dal, langs grote bomen. Er stak een wind op en die werd langzamerhand sterker. Uit de diepte van dat dal. Eerst herkende ik die wind niet als storm. Totdat hij onheilspellend werd en ik mij aan een boomtak moest vasthouden, om niet van de weg gewaaid te worden. Dan ben je plotseling één geheel met de rest. Je doet mee met de boom. Je voelt dat je eigenlijk maar heel klein bent.

Zo’n natuurkracht is niet tegen jou alleen gekant, maar tegen de hele wereld: alles wat je ziet, de wolken, de bomen, de bloemen, alles wat er groeit en gaat. Je voelt dat je erbij hoort en dat is ergens treffend. Het is een beetje griezelig, omdat je echt met al je kracht je probeert vast te houden. Maar het is vooral groots. Omdat het zo groot is wat er om je heen is. Dat is de natuur.

Het geheimzinnige was iets dat destijds grotendeels buiten mij stond, als een andere wereld, eigenlijk. In Ierland, toen ik erover kon praten, werd het helder voor mij. We hadden een huishoudster die daar alles van wist, maar er nooit over praatte. Ze was gewend dat mensen het maar raar vonden – die gekke Ieren met hun kabouters. Ik vroeg haar nadat ik iets had zien flitsen vanuit mijn rechter ooghoek: heb je ook wel eens zoiets gezien? A little big man, zei ze, een shee. Meer uitleg heb ik niet gehad. Het hoorde erbij.

In Nederland is dat zintuig verdwenen. De mens is hier erg veranderd. Alles wat een beetje romantisch is, is weg. Ook bij de jeugd zie ik geen romantiek, ook niet bij mijn eigen kleinkinderen. De techniek is erg belangrijk voor ze. En al die verhaaltjes, dat vinden ze maar tijdverlies. Het is allemaal business geworden, koud en koel.

Een deel van mij ligt nog daar, in mijn herinneringen aan Ierland. Maar ik geloof niet dat het gezond is om te kijken naar wat er achter je ligt. Toch denk ik aan vroeger terug. Aan de hoogtepunten bijvoorbeeld, die zoals bij ieder mens eigenlijk, tussen je veertigste en zestigste liggen. Dan moet je het bereikt hebben.

Ik vind het léúk dat ik die Bommel-verhalen gemaakt heb. Maar trots is onnodig. Hoogstens het gevoel: hé, dat heb je aardig gezegd. Of: dat is snert, dat kan je beter.

Toen de Bommel-verhalen beëindigd waren, ging ik mijn eigen leven boekstaven.

Ik móést werken. Dat is een feit. En daar ben je gauw klaar mee, als je je eigen geschiedenis schrijft. Het zijn de meeste jaren, altijd maar door. En dat schenkt toch niet altijd voldoening, want ik heb veel overgeslagen. Het is misschien normaal om als je man bent niet teveel aan je gevoel toe te geven. Om alleen maar te laten zien hoe flink je was.

Mijn werk ging altijd heel planmatig. Je begint om half tien, je werkt door, hebt een uurtje lunch, werkt daarna tot een uur of zes, dan ga je weer verder van acht tot elf. Maar ik was een getrouwd man en ik had kinderen en die heb ik wel enige aandacht gegeven. Ik was dus gelukkig niet helemaal verkokerd.

Bij dat werk was ik niet in mijn eentje. Mijn voornaamste censor was mijn vrouw, ze las wat ik geschreven had. Alles wat ik deed, liet ik haar zien. Ze was mijn beste gids en dat niet door te zeggen: hier staat een komma verkeerd. Ik keek naar haar gezicht. Als het gezicht onbevangen bleef, dacht ik: dat is een saai stukje. Maar als een klein glimlachje verscheen, dacht ik: hé, ik heb iets leuks gezegd. Ze hoefde het dan niet meer te vertellen. Dat was ideaal. Al vanaf het begin.

De balans van mijn leven is een hoofdstuk apart. Ik vind dat wel heel belangrijk. Toen ik nog jong was, ging ik mij afvragen: waarom leven we eigenlijk en wat is de bedoeling van de schepping? Zodoende kwam ik in contact met de godsdienst. Er bestaat een kracht. Voor het gemak noem ik die: geest. Dat gaat vrij ver, zo ver dat als je een vreemd huis binnengaat je getroffen wordt door een bepaalde sfeer: leuk of juist onleuk. De geest van de mens is nu eenmaal altijd bij hem en dat is meer dan geloof.

Een voorbeeld van iets dat gebeurd is. De dood van mijn vrouw. Phiny was toen ze negentien was verpleegster in Rotterdam in het Coolsingel-ziekenhuis en ze werd daar ziek. Een verzwering van de hartspier. Dat was heel gevaarlijk.

We kenden elkaar al heel lang; vanaf ons zestiende jaar zijn we samen opgegroeid. Ik vond het dus heel verschrikkelijk. En toen het heel slecht ging met haar, zo tegen het laatste aan, zat ik naast haar. Ik zat totaal verweesd op dat stoeltje. Me voor te bereiden op haar dood. Dan ben je alleen. Ze lag bewusteloos in dat bed. Tot ze onverwacht overeind schoot en kreunde: wat jammer, wat jammer.

Daar was ik natuurlijk zeer ontsteld over, want ik verwachtte dat ze zou zeggen: wat heerlijk dat ik nog leef. Wat leuk dat jij er bent.

Maar ze vond het heel jammer dat ze was teruggetrokken uit de dood. En dan hoor je dat bekende verhaal: dat je opstijgt en dat je in een prachtige omgeving bent, met prachtige muziek en alles is mooi, geen zorgen. Niets meer, niets meer. En dan met geweld teruggetrokken worden. De artsen hebben haar toch weten terug te halen. Dat maakte veel indruk op mij, maar natuurlijk was ik nogal verontwaardigd. Ik zei: heb je dan helemaal niet aan mij gedacht? Daarop lachte zij luid en zei dat het een rare vergissing was, dat ze helemaal niet meer aan mij gedacht had. Aan niemand. Dat heb ik nooit vergeten.

Verder heeft ze nooit ergens last van gehad. De dokter zei alleen: je moet oppassen met je hart, ga niet zwemmen, ga niet dit, ga niet dat. Rustig aan. En ze was rustig van aard. Zo moeilijk was dat niet voor haar. Maar ze heeft heel normaal geleefd. Ze heeft geleefd tot… nou weet ik even niet precies hoe oud ze is geworden. Maar een behoorlijke leeftijd, ongeveer zeventig. En toen kreeg ze opnieuw dezelfde ziekte, en stierf daaraan.

Toen ze gestorven was kwam mijn broer langs, met een eigenaardige mededeling. Hij zei dat ik een ontzettende sukkel was. Want ik had niet geloofd. Op de datum dat ze op haar negentiende bijna overleed, stond Saturnus precies op een bepaald punt. Ik had moeten weten dat die constellatie terug zou keren, op de omloopsnelheid van Saturnus. Dat klopte tot op de seconde. Toen stierf ze werkelijk.

De eerste keer dat ze stierf, was het goed afgelopen, want ze was genezen. En ik werd weer happy. Daarna heb ik er nooit meer over nagedacht. Maar de laatste keer dat ze stierf was eigenlijk een doodklap voor mij. Ik heb daar ontzettend last van gehad, ja. De bedoeling van het leven, daar bleef ik maar over nadenken.

Dit wordt wel een erg godsdienstig gesprek. Het doel van het leven is het leven zelf. En het leven zelf zo goed te leven als mogelijk is.

Heimwee naar vroeger is een gevaarlijk iets, want het verleden is er niet meer, behalve in je geest. Dit karkas is stof, het vergaat. Stof.

Ik was kort geleden nog mens, ik kon nog dingen doen, ik was nog helemaal levend. Hier zit ik nu, in een omgeving met brave, lieve mensen, die mijn papje brengen en mijn kachel aanmaken. Wat doe ik hier? Dat vind ik een tegenwerkende kracht.

Ik heb natuurlijk, en ik wil eerlijk zijn, de aanvechting gehad er een eind aan te maken. Om verder te kunnen. Maar ik heb het niet gedaan. Dat heeft een lange strijd gekost met mezelf. Misschien maak je een fout, misschien doe je het goed.

Ik zit hier maar als een parasiet. Ik zit er voor niks. Voor gék. Ze hebben mij vergeten, in zeker opzicht. Maar ik wacht op mijn tijd omdat het de bedoeling is dat ik dat doe.

In dit huis, het Rosa Spier-huis, wonen allemaal bejaarde kunstenaars. Voor ons vak bestaat er geen pensioengerechtigde leeftijd. Je gaat door tot je je verstand verliest of tot je doodgaat. En nu kan ik alleen nog maar mijn handtekening zetten.

Ik was een verwende man, alles liep altijd mee, ik ben lang niet dankbaar genoeg geweest. Ik dacht dat zoiets normaal was, maar er kwam een tijd dat alles tegen ging zitten. Na Ierland moest ik voor het eerst alles uit handen geven.

Phiny en ik dachten samen over de dood en over het zijn na. Juist als je met zulke vragen bezig bent, is het afhakken van je wederhelft verschrikkelijk. Op den duur geloofden we eigenlijk meer in het leven met de geest dan in dat met het lichaam. We waren vervuld van het idee dat je iets in je leven verrichten moet. Dat de kwaliteit van wat je doet beter moet worden. Iets dat niet goed is, moet over – zonder einde eigenlijk.

Ons idee was: je leeft om te evolueren, om er beter van te worden. Elke gebeurtenis is een les en die moet je als zodanig gebruiken. Als je zelf een fout maakt, dan moet je die niet wegpoetsen, maar dan moet je daar rekening mee houden, erkennen dat je dat rot gedaan hebt. Verbeter die fout als dat kan, want als je slecht doet, laat je een zwarte plek achter. En dat is lelijk. Ik heb meer fouten gemaakt dan zij.

Alle godsdiensten lijken zo ontzettend veel op elkaar. Het treffendst zijn de oosterse dingen. boeddhisme. De islam is zo’n merkwaardig iets. Aan de ene kant valt het mee, want de koran is zo’n kinderlijk boek, waar ik niet veel wijzer van word. Angst krijg ik er zeker niet van, want het is niet het boek van de wraak waar het voor gehouden wordt. De koran is een heel onschuldig boek. Dan is de bijbel een stuk bloeddorstiger.

Boeddhisme is juist zo aantrekkelijk omdat het het slechte, het zwarte, gelijkstelt aan het witte. Nergens wordt gezegd: nou moet je in de hel, want je hebt iets kwaads gedaan. Het hoort erbij. Het licht kan niet zonder de schaduw.

Het doel van het leven is de evolutie van de hele aarde. Ik ben erin geslaagd om mij te verzoenen met het uitroeien van de sauriërs. Op de een of andere manier is hij uitgeroeid. Misschien heeft hij dat zelf gedaan. Zo goed als de mens bezig is zichzelf uit te roeien. Hij weet dat er niks van terecht komt als hij zo doorgaat. Maar de materie heeft hem in zijn greep. Pas door te sterven overwint hij de materie.

We denken dat de mens na de sauriërs kwam. Maar hij bestond al een tijd náást hen, als een klein ratje. Daaruit is de mens ontstaan. We voelen ons nu een hele piet dat we zoveel weten, maar alles loopt anders en niets ligt vast. Het enige dat zeker is, is de geest. En die geest zorgt ervoor dat wat je doet een doel heeft. Blijvend zijn je eigen slechte en goede dingen. Daarom geloof ik ook in reïncarnatie. Je gaat niet weg, maar je gaat door.

Ik ben een oude man en ze moeten mij met rust laten. Maar ik heb niet het recht om met rust gelaten te worden. Dat is akelig hoor.’
 
 
 
 05. En dan nog even over de Markies.
 
 
 
 
PROTESTZANG

Voor ied're bêtise trekt 't Janhagel uit,
in menigtes of platte scharen,
met baldadig brallend stemgeluid,
dat ied're courtoisie heeft laten varen.

Zo stuwt het trekkebekkend door de lanen
en destrueert het beemdgras en de aster.
't Ontziet zich niet een weg door het gazon te banen,
zelfs al remitteert 't een sierpilaster.

Het woeden van het grauw kent geen limiet,
zonder zin is thans mijn rozenperk gemaltraiteerd.
Hier helpt geen klacht of stil verdriet!
Hier dient een harde les geleerd!

Niet langer nu gewacht.
De zweep erover als het moet!
Zo sprak het fiere voorgeslacht,
zo zingt nog steeds het blauwe bloed!


door Markies Querulijn Xaverius de Canteclaer van Barneveldt
Uit: Hanezang. Poëmen van Querulijn Xaverius, Markies de Canteclaer van Barneveldt,
bijeengelezen door Marten Toonder. Uitgeverij De Bezige Bij
 
 
 
 
 
 Miskend talent? Een vergeten Poëet.

Er knirpt een knerp door 't kreupelhout,
De regen vezelt, de wind knoert koud.
En over de heuv'len door 't nat struweel
Sluipt sloom de Zwarte Zwadderneel.
 
 
Dichter. Sinds eind jaren '40 van de twintigste eeuw woonachtig in de omgeving van slot Bommelstein, nabij Rommeldam. Wellicht verkoos de niet onijdele markies zijn woonstee om in de nabijheid van Olivier B. Bommel, een heer van stand, verzekerd te zijn van de regelmatige mogelijkheid tot poëtische voordracht: Bommel figureerde, samen met zijn vriend Tom Poes, in diverse feuilletons en verstripte reallifesoaps. Toch zou het nog zo'n veertig jaar duren voor zijn debuut-bundel Hanezang (1987) verscheen.

Volgens bezorger en Xaverius-kenner M. Toonder werd De Canteclaer geïnspireerd door dichters als Kloos, maar ook door contemporaine popliederen. Aan 't eind van de twintigste eeuw werd zijn dichtwerk door Ab Sandbrink op muziek gezet, en onder meer door het Bommelorkest onder de naam 'Parbleu! Een leven in poëmen' ten gehore gebracht.

Sinds het verschijnen van De verzamelde poëmen in 1997 is het stil rond Querulijn Xaverius.

(Bron NPE)
 
 
 
Een recensie over Hanezang

 
 
 
Hanezang. Poëmen van Querulijn Xaverius, Markies de Canteclaer van Barneveldt, bijeengelezen door Marten Toonder. Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen in de Volkskrant van 4 december 1987, door Frits van der Waa
 
 
Het is al geruime tijd geleden dat wij voor het laatst iets van een belangwekkende bijfiguur uit de Tom Poes-strip hebben vernomen. Ik heb het over de markies de Canteclaer van Barneveldt.
Meer dan dertig jaar hebben oplettende lezertjes zich gelaafd aan het avondblad waarin hij van tijd tot tijd zijn ochtendwandelingen placht te maken. Helaas, op 20 januari van het vorig jaar maakte het huwelijk van heer Olivier B. Bommel daar een eind aan. Weliswaar verschijnen er in het bewuste blad nog steeds afleveringen uit het Bommel-epos, maar dat zijn opnieuw gepubliceerde afleveringen van een generatie her.

"Reeds zijn de dagen aan 't lengen/ Een knop berstte gister in mijn gaard/ Laat ons thans een dronk uitbrengen/ Op hem die 't erf der vaad'ren trouw bewaart", waren de laatste woorden die Bommelbiograaf Marten Toonder uit de mond van de markies optekende.

Alleen al uit dit bescheiden poëem blijkt een grote begaafdheid als gelegenheidsdichter, alsmede een hoofs en edel karakter. Geen spoor van rancune ten aanzien van de heer van stand, wiens meedogenloos oprukkende lotgevallen telkenmale zijn inspiratie in de knop hebben gebroken, zodat het publiek zelden meer dan een aanzet van zijn fijnzinnige woordkunst heeft mogen proeven.
Ondanks de gelukkige afloop van het laatste avontuur hebben de aangrijpende gebeurtenissen de markies zozeer geknakt dat hij zich heeft teruggetrokken op zijn stamslot Troebeloo. Zo meldt het voorwoord van de poëziebundel Hanezang, waarin Marten Toonder een keus uit de nagelaten gedichten van de edelman heeft bijeengebracht.

Deze Hanezang is, voorwaar, een meesterwerk. De aantijgingen van ene H. Kwakkels, geuit in de Nieuwe Rommeldamse Coerier, dat het hier zou gaan om een "oudmodisch Tachtigers-aftreksel" waaruit de "door eeuwenlange inteelt verzwakte geestvermogens van een decadent geslacht" zouden blijken, en voor de suggestie dat de heer Toonder als ghost-writer zou zijn opgetreden, wijs ik dan ook met kracht van de hand.

De diepzinnige natuursymboliek, de met een hermelijnen penseel geschilderde gemoedsaandoeningen, en bovenal de dikwijls schokkende beelden van de confrontatie met het grauw, dat kan alleen uit de ganzeveder van een De Canteclaer gevloeid zijn. De laatste strofe van het gedicht "Protestzang" biedt een treffend voorbeeld: "Niet langer nu gewacht. De zweep erover als het moet! Zo sprak het fiere voorgeslacht, zo zingt nog steeds het blauwe bloed!"

Uit de zestien in de bundel opgenomen gedichten doemt geleidelijk het beeld op van een zoeker naar waarheid, die, slechts geschraagd door het geloof in oude waarden en zijn eigen innerlijke beschaving, met vaste hand zijn observaties in het keurslijf der versvoeten giet.

Een stille hartstocht klinkt op uit verscheidene minnezangen, gewijd aan dames als Eléonore, Brégina, Eveline en Heloïse. Een kwatrijn als: "De valleien lokken, met een diep ravijn/ huiv'rend van verborgen leven. Daar beneden kan een lusthof zijn - Maar ik bestrijd het kwaad, al zou ik sneven", lijkt te duiden op een geheime passie die de dichter voor zijn nicht Heloïse koesterde.
Het pièce de résistance in de bundel is het klassieke "De klop van Zwadderneel", één van de weinige gedichten die de markies in de Bommelstrip, op het nippertje weliswaar, tot het einde toe heeft kunnen voordragen. Dat was reeds in 1951, en het gedicht heeft inmiddels een ingrijpende bewerking ondergaan, maar de onsterfelijke openingsregels zijn gelukkig nagenoeg onverlet gebleven: "Er knirpt een knerp door 't kreupelhout. De regen fezelt, de wind knoert kou/ en over de heuv'len, door het nat struweel/ naart sloom, de Zwarte Zwadderneel." De verbintenis van natuurschildering en existentiële twijfel komt nog prangender naar voren in de ingetogen cyclus "Drie laatste liederen", waarmee de bundel besluit. Hier proeft men ook de rijpe, volgroeide stijl van de dichter, zijn superbe beheersing van ritme en rijmschema: "Het lover wervelt naar de dood. De twijg is naakt; haar tooi vergaan. Parbleu! Hoewel ik snel de ogen sloot/ kwam toch de hoest en moest ik gaan."

Hanezang is een werk voor fijnproevers, gerijpt en belegen als een fust oude port. Lof dan ook voor bezorger Toonder die nauwgezet heeft gewaakt over kleur, bouquet en afdronk van de bloemlezing. Zijn bibliografisch speurwerk verdient echter kritiek. De Verantwoording aan het slot van het boekje is verre van volledig. Zo is de samensteller er niet in geslaagd de oorsprong van gedichten als "De duif" en "De verten lonken" te traceren, doch wie zijn klassieken kent trekt zonder aarzeling "De Trullenhoedster" (opgenomen in het standaardwerk Een heer moet alles alleen doen) uit de kast. Het is natuurlijk ook mogelijk dat Toonder de markies de herinnering aan een uiterst pijnlijke episode uit zijn loopbaan heeft willen besparen, en in dat geval is hier slechts sprake van grote, zij het misplaatste discretie.

Toch resteert bij het terzijde leggen van de bundel enige spijt. Want waarschijnlijk zullen we nu nooit het vervolg kennen van zo vele andere Canteclaer-fragmenten. Wat is er geworden van een ingeving als deze: "Plat is het leven, dat tiert en raast/ Dat haast en jakkert naar een vormloos doel/ Dat boldert over 's dichters fijnbesnaard gevoel. Een ieder is zichzelf het naast..." Het is onvoorstelbaar dat dit thema, al in 1964 opgevat naar aanleiding van Heer Bommels ontmoeting met de Liefdadiger, niet verder door de dichter uitgewerkt zou zijn.
 

 
  Weedom, kwijn, smartgedachten: Dichtbundel 
door Guus Middag

Een dichter voor het grote publiek was hij niet, maar erkenning als literator mag niet uitblijven. Markies De Canteclaer, 'vol van leegte'.
 
 
Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt: De verzamelde poëmen, waarin opgenomen Vleugeljaren en Hanezang, vermeerderd met herontdekt ongepubliceerd werk. Bezorgd door Marten Toonder. Met een nawoord van Martin van Amerongen. De Bezige Bij, 64 blz., 39,50 gulden.

IN GERRIT KOMRIJ'S bloemlezing uit de Nederlandse poëzie is hij niet opgenomen, in die van Warren en Brems evenmin: Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt, de eigenzinnige poëet uit Rommeldam. Men zou hem tot de vergetenen kunnen rekenen - een lot dat wel meer dichters treft die het liefst in stille afzondering werken aan hun oeuvre. En als hij al niet als vergetene de geschiedenis ingaat, dan vermoedelijk wel als typisch voorbeeld van een gefnuikt dichter, een zanger van onvoltooide verzen - gevolg van zijn rol in de Bommelsaga, waarin hem, door het optreden van met name Heer Bommel zelf, zelden de gelegenheid was gegund zijn invallen en inspiraties ten einde uit te zeggen.

Hoe onterecht dat beeld is, bewijzen zijn recent verschenen Verzamelde poëmen, waarin al zijn voldragen poëzie is gebundeld: vierendertig verzen in totaal, voor een deel eerder verschenen in Vleugeljaren en Hanezang, aangevuld met maar liefst zeven nog niet eerder gepubliceerde gedichten. Ze worden voorafgegaan en gevolgd door twee goed gelijkende, en trouwens ook bijna identieke portretten van de markies, die wel mogen worden opgevat als een korte samenvatting vooraf en een treffende kenschets achteraf van dit oeuvre. Op het ene portret heft hij met zijn linkerhand de ganzenveer, op het andere doet hij hetzelfde met zijn rechter: teken van zijn veelzijdigheid. Op beide portretten houdt de vrije hand met opgeheven pink het nog blanke vel in positie en valt reeds een forse inktdrup bladwaarts: beeld voor de vrije verbeelding die nog alle kanten op kan. Op het ene staart hij weemoedig peinzend in de verte, op het andere houdt hij ons vanuit een ooghoek scherp in het oog.

Het zijn symboliseringen van de twee tendenties die in zijn werk voortdurend manifest blijven: het eeuwig zoekende ('zoekend naar het Grenzeloze, maar vaak, helaas, eraan voorbijdwalend', zegt Marten Toonder in zijn voorwoord) en het altijd alerte, zoals dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in zijn waakzame verhouding tot het crapuul. 'Het woeden van het grauw kent geen limiet;/ zonder zin is thans mijn rozenperk gemaltraiteerd', noteerde de markies in zijn 'Protestzang'.

De Canteclaers oeuvre valt in twee delen uiteen. In Vleugeljaren is de lichte, hier en daar zelfs licht onzinnige kant van de dichter ruim vertegenwoordigd. Het is de tijd van 'Barlemanje' met zijn onnavolgbare inzet (‘t Was grol en gloei/ en slomig broei/ in lure, slore stirren') en van het klassiek-experimentele 'Sommelvars': 'Sommelaar heeft kloene krachten/ opgesokkeld uit de aard!'

Op grond van dergelijk klank- en betekenisspel is De Canteclaer wel gerekend tot de Beweging van Veertig, algemeen gezien als de voorloper van de Beweging van Vijftig. Er zijn inderdaad enkele treffende overeenkomsten met bijvoorbeeld het werk van Lucebert. Diens 'heer horror' herinnert aan De Canteclaers 'Horror de Ademloze', en 'Overal zanikt bagger' (1982) lijkt wel een reprise van het inzicht dat de markies eind jaren veertig al noteerde: 'Er is veel smurrie op deze kluit'.

Men kan De Canteclaer ook beschouwen als een exponent van de zogeheten Rommeldamse School, maar dan toch wel bij uitstek als 'een atypische exponent' daarvan, zoals Martin van Amerongen voorstelt in zijn verhelderende nawoord bij deze editie. Als een eenling dus. 'Ik ga mijn eigen wegen,/ zo volg ik mijn gemoed' is in dit verband een voorspellende regel gebleken.

In Vleugeljaren valt mooi de curieuze ontwikkeling na te lezen die de dichter vervolgens doormaakte: van pre-Vijftiger tot post-Tachtiger, om het simpel te zeggen. Het gedicht 'Voor Lidewijde' kan wel worden opgevat als het scharniervers waarin de wending naar het rijpere werk zich voltrekt: 'Losgezongen door de schone Lidewijde/ ga 'k mij onder dichtervleugels scharen.' Vanaf dat moment treft een toegenomen impressionisme, dat soms tot uiting komt in al te gekunstelde nieuwvormingen ('trillerillend zwaait gebladert'), maar soms ook de fijne sensitiviteit van de jonge Gorter in herinnering roept: 'Breed en stillekil en blak/ en zwart als kolegit: die laan.'

Naarmate het oeuvre vordert, maakt de zangerigheid steeds meer plaats voor een bezonken mijmeren: 'Mijn zang walmt in de nevel/ als een vertreurde luit/ die grijs bedrukt geprevel/ in de stille dampen uit.' Weedom, kwijn, smartgedachten: dat zijn de woorden die in deze periode op de voorgrond treden, even zovele opmaten voor de slotcyclus 'Vier laatste liederen', waarin de markies met indrukwekkend ingehouden wee zijn oeuvre van een waardige afsluiting voorziet. 'De nacht gaat dicht', dicht hij in 'De nacht gaat dicht'. 'Ik zie het aan en voel mij hol/ en vol van leegte -'.

Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt is nooit een dichter voor het grote publiek geweest, maar met dit verzameld werk maakt hij aanspraak op zijn eigen, bescheiden plek in het pantheon der letteren. Zo'n uitgave heeft altijd iets van een grafzerk op het oeuvre, maar in dit geval roept zij haast vanzelf een vervolg op: na de bundeling van al deze voldragen gedichten mag een uitgave van De Canteclaers onvoltooid gebleven verzen niet lang meer op zich laten wachten.
 
 
 
 
 Bron van heel wat teksten op deze pagina's: Retro NRC
 
 Copyright © 2008, Stichting Het Toonder Auteursrecht (met toestemming geplaatst)