De oorsprong en de diepere betekenis van het kerstverhaal


 

    
Wäre Christus tausendmal in Bethlehem geboren,
und nicht in dir, du bleibst doch ewiglich verloren!
Das Kreuz von Golgotha kann dir nicht von dem Bösen
wo es nicht auch in dir wird aufgericht, erlösen.
Ich sag, es hilft dir nicht, daß Christus auferstanden,
wo du noch liegen bleibst in Sund’ und Todesbanden
Angelus Silesius

Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren,
en niet in u, gij zijt toch eeuwiglijk verloren.
Het kruis van Golgotha, zo ‘t niet ook in uw hart is opgericht
Verlost u niet van boosheid waarvoor u telkens zwicht.
Ik zeg, het helpt u niet dat Christus is opgestaan
Waar u nog liggen blijft daar waar zonde en dood u neerwaarts slaan.
door mij vrij vertaald
 
 
Bovenstaand citaat van Angelus Silesius wil ik dit jaar graag als thema gebruiken voor de Kerstpagina. Dit keer dus geen zoetgevoosde kerstgedichtjes zoals eerdere jaren, die in feite alleen op een sentimentele wijze aanspraak doen op emoties die eigenlijk niets te maken hebben met de ware betekenis van kerstmis. Om het citaat van Silesius enigszins te verduidelijken begin ik met een citaat uit een boekje van Mellie Uyldert.
 
 
 "Geest en Ziel"
uit: Psychologie van het christendom – Mellie Uyldert

Ieder mens heeft een geest en een ziel. Dit zijn heel verschillende bestanddelen van het menselijk wezen, al worden de wóórden geest en ziel ook door elkaar gebruikt. Sommigen gebruiken het woord ziel voor het gevoel, en geest voor verstand, maar dat is onjuist. Want de ziel of psyche, waarmee de psychologie zich bezig houdt, omvat zowel het gevoel, als het verstand, als de wil, en nog veel meer. Wat men van zichzelf kent, is een deel der ziel en van het zielen-leven. Men spreekt wel eens van een plaats "met veel geestelijk leven" - dat is fout, want men bedoelt dan: met veel zielen-leven, veel belangstelling voor onderwerpen, waarmee het denken en het voelen zich bezig houden. Wanneer men spreekt van "iemand, die zich aan het geeste­lijk leven gaat wijden", bedoelt men: iemand, die zich aan het gods­dienstig gebied van het zielen-leven gaat wijden. - Ook het z.g. hoger denken behoort nog tot de ziel en niet tot de geest. -

Er zijn slechts zeer weinigen, die zich van hun eigen geest bewust zijn, hem kennen.
Die mensen hebben het woord geest in de taal gebracht, en de anderen gebruiken het maar raak.

Wat is de geest?
Het woord geest hangt samen met Geist, geiser, springbron. De menselijke geest is het vanzelf scheppende in de mens. Datgene in de mens dat is als God, de Schepper. De mens is immers "naar Gods beeld en gelijkenis geschapen". De geest is het vonkje goddelijkheid in de mens. Jezus zegt, evenals vele andere predikers, tot de mensen: "Weet gij niet, dat gij goden zijt?"[Joh. 10:34 ]  

Dit vonkje, dat iedereen in zich draagt, ook al zijn de meesten zich daarvan niet bewust, noemen wij met een theologische term immanentie of inwonende goddelijke geest. In het symbolische Bijbelverhaal is Maria het beeld der ziel, en de zoon, die uit haar geboren wordt, de geest, die in de ziel bewust wordt. Zolang een kind nog niet geboren is, bestaat het wel, maar wij zien het niet, kennen het niet, en het is dus nog geen werkelijkheid voor ons. Zo woont de onge­boren geest binnen in de ziel, maar wordt pas werkelijkheid voor ons, wanneer hij geboren, dat is: bewust geworden is. De engel zegt tegen Maria, dat zij haar zoon Immanuel moet noemen. El  betekent God. Immanuel is: inwonende God. (Als wij dan op een andere plaats in het Nieuwe Testament lezen, dat Maria's zoon Jezus heet, heeft de symboliek zich vermengd met de historie. Deze vermenging maakt de bijbel zo moeilijk te begrijpen.).    

Het vonkje geest of goddelijkheid is het allereerste deel van het menselijk wezen, dat bestaat. God of de Grote Geest schept een mens door een deeltje, een vonkje, van Zichzelf uit te zenden. Dit vonkje schept zichzelf een ziel als omhulling en uitdrukkingsvorm en op analoge wijze vormt de ziel als haar omhulling en uitdrukkingsvorm het lichaam. - Het vonkje, dat door Johannes de Evangelist het Woord genoemd wordt, was dus eerst een deel van God. Omdat God de Schepper er was vóór er nog iets geschapen was, is God dus het eerste en oudste van alles (als wij het begrip God in de tijd willen plaatsen), en al zijn later uitgezonden deeltjes geest zijn ouder dan de ziel en het lichaam. Jezus was een dergenen, die zich van hun eigen geest bewust zijn en daarom kon hij, van zijn géést uit sprekende, zeggen: "Eer Abraham was, was ik". En zeide Johannes, die ouder was, van hem: "Ná mij komt een man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik".[ Joh. 1:30]

De verhouding van eerder en later tussen God en Zijn Vonk, tussen schepper en schepsel, wordt aangeduid door de termen Vader en Zoon. Ieder mens draagt dus de Zoon in zich. Daarom zegt men, dat de Zoon geboren moet worden in de mensenziel.

God, de Grote Geest of Schepper, de Vader, wordt ook de trans­cendentie genoemd. De mens kan met zijn zielsbewustzijn beide leren kennen, zowel God buiten hem als God binnenin, dus zowel de  transcendentie als de immanentie, de Vader als de Zoon.

Doordat alle individuele geesten, die in mensenzielen wonen, van God afkomstig zijn, dus zijn Zonen genoemd kunnen worden, zijn dus alle mensen kinderen Gods, of zij het wéten, het zich bewust zijn, of niet. Bij de psychische bewustwording van de eigen geest beseft de mens: ik ben Gods kind!”
Tot zover Mellie Uyldert.
 
 
 
 
Jacob Böhme (1575-1624), een eenvoudige schoenmaker te Görlitz, zag in zijn tijd al in dat de religieuze geschriften niet dienen om te getuigen van historische gebeurtenissen, maar wel als  wegwijzers op de weg naar verinnerlijking om op die manier, in het eigen hart, Gods koninkrijk te vinden.
"Er zal een tijd komen waarin de stenen bouwsels der kerken overbodig zijn omdat in de mens zelf de geest zal zijn opgegaan.”(J.B.)

Ook hij heeft in zijn mystieke geschriften veel aanwijzingen gegeven tot het laten geboren worden van het Jezuskind of Christus in het eigen hart. Het ware kerstgebeuren!

Hij zegt bv.
"Er moet geworsteld worden totdat het duistere, harde, gesloten centrum openspringt en de vonk in het centrum slaat, waaruit weldra de edele leliëntwijg (als uit een Goddelijk mosterdzaad, gelijk Christus zegt) uitgroeit. Het ernstige gebed met grote dee­moed en met de eigen rede moet een wijle dwaas zijn, zichzelf daarin dwaas zien, totdat Christus een ge­stalte in deze nieuwe menswording verkrijgt. En dan, wanneer Christus geboren wordt, komt dra Herodes en wil het kindeke doden en zoekt het, uiterlijk met vervolging, innerlijk met verzoeking, of deze leliën­twijg sterk genoeg zal zijn om het rijk van de duivel, dat in het vlees openbaar is, te verbreken. Deze slan­genvertreder wordt voorts in de woestijn geleid, nadat hij te voren met de Heilige Geest gedoopt is. Hij wordt verzocht, of hij in de gelatenheid in Gods wil blijven wil. Hij moet zo vast staan, dat hij op staande voet al het aardse, ja ook het uiterlijke leven terwille van het kindschap verlaat.”

 
 
 
Waar gaat het eigenlijk om, met kerst?

Mag ik je even meenemen, via enkele voorbeelden uit het kerstverhaal, hoe je datgene wat de mystieke mensen die ik hiervoor aanhaalde kan verstaan en zelf tot leven kan laten komen in je eigen leven? Hoe je personen die een rol spelen in de evangelieverhalen in je eigen wezen aan het licht kan zien komen, een na een?

Wellicht kom je, aan de hand van deze voorbeelden en wanneer je daarop verder door gaat borduren, zelf nog tot meer inzichten en dan wordt het ook voor jou, dit keer, een heel bijzonder kerstfeest.

Hierbij wil ik wel één ding vragen: maak a.u.b geen 'dogma' van de innerlijke belevingen die ik hier beschrijf want dit is hoe ik het aanvoel, in mezelf. Wellicht gaan er voor jou, aan de hand van deze voorbeelden, nog andere beelden oplichten in je diepste wezen, en dat is alleen maar goed.

Ik maak hiervoor gebruik van het evangelie volgens Lukas omdat hij, in het eerste hoofdstuk, het meest uitgebreide kerstverhaal vertelt. Heb je trouwens ooit opgemerkt dat de andere evangelisten daar vrijwel helemaal aan voorbijgaan?
 
Ik maak gebruik van het Nieuwe Testament volgens Johannes Greber.
 
 
Hoofdstuk 1.

5 Ten tijde van de joodse koning Herodes leefde er een priester genaamd Zacharias. Hij behoorde tot de priesterafdeling van Abia. Zijn vrouw stamde af van Aäron en heette Elisabeth. 6 Beiden leidden een leven dat God welgevallig was, want ze volgden trouw alle geboden en voorschriften van de Heer op. 7 Kinderen hadden ze niet, omdat tot dan toe de vreugde van het moederschap aan Elisabeth onthouden was. Beiden waren al op hoge leeftijd. 8 Op een dag was de priesterafdeling waartoe Zacharias behoorde, aan de beurt om de priesterdienst voor God te verrichten 
   Innerlijke beleving.

De zoekende mens (zie mens zowel als mannelijk of als vrouwelijk), die naar de wereld gezien goed geleefd heeft, voelt op een bepaald moment dat er toch iets ontbreekt. Zijn leven voelt als ‘niet vruchtbaar’ te zijn (cfr. Zacharias heeft geen kind) en een onbestemd verlangen naar ‘iets meer’, naar een ‘blijvende vrucht’ die hem zal overleven maakt zich van hem meester.
Het is de eerste zachte aanraking van de ‘godsvonk’ die komt aandringen. De mens herkent nog niet echt wat het is, maar voelt het wel, en bidt om vervulling. Zacharias is ‘in hem’ geboren.
11 Er verscheen hem een engel van de Heer die aan de rechterkant van het reukoffer altaar stond. 12 Zacharias schrok toen hij hem zag en een huivering ging door hem heen. 13 Maar de engel sprak hem aan en zei: "Wees niet bang, Zacharias, want je gebed is verhoord. Je vrouw Elisabeth zal je een zoon schenken die je de naam Johannes moet geven. 14 Je zult er grote vreugde en genoegen aan beleven en ook vele anderen zullen zich over zijn geboorte verheugen   Dan krijgt hij – heel zachtjes – vanuit de ziel, de belofte dat die vrucht er inderdaad is en dat die over enige tijd geboren zal worden.  Het zaadje voor die vrucht bevindt zich al in de ziel (Elisabeth – het vrouwelijke).

18 Zacharias vroeg de engel: "Welk bewijs heb ik voor de waarheid van je boodschap? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is reeds hoogbejaard." 19 De engel gaf hem ten antwoord: "Ik ben Gabriël, die voor het aangezicht van God staat en ik werd naar jou gezonden om met je te spreken en je dit goede nieuws te brengen. 20 Maar als straf dat je mijn woorden niet hebt geloofd, die desondanks op de daarvoor bestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn. Je zult geen woord kunnen spreken tot die dag waarop mijn belofte in vervulling is gegaan."
   Maar de mens (de persoonlijkheid) is nog niet zover dat hij durft te vertrouwen op dat stemmetje en vraagt om bewijs.
Daarvoor, om dat gebrek aan vertrouwen, wordt hem het zwijgen opgelegd. De persoonlijkheid, de natuurmens, moet stil worden opdat het zaad van de ziel zou kunnen rijpen en vrucht zou kunnen worden.
21 Het volk wachtte ondertussen op Zacharias en verwonderde zich erover dat hij zo lang in het heiligdom bleef. 22 Toen hij eindelijk naar buiten kwam, kon hij niet spreken en het was hun duidelijk dat hij in de tempel een geestverschijning gehad moest hebben. Hij probeerde hen door middel van gebaren op de hoogte te brengen en bleef verder stom. 23 Toen de dagen van zijn priesterdienst voorbij waren, ging hij naar huis terug. 24 Niet lang daarna raakte zijn vrouw Elisabeth zwanger en leefde vijf maanden zeer teruggetrokken. Zij placht  te zeggen: 25 "Deze genade heeft de Heer op dat moment aan mij geschonken, waarop hij de schande van mij weg wilde nemen die in de ogen van de mensen op mij rustte."    Over wat hier innerlijk zal gaan gebeuren, iets wat nog zo ‘teer’ is, kan/mag de mens niet spreken met ‘het volk’.
Hij blijft stom en zijn ziel – Elisabeth – wordt zwanger. De ziel begrijpt al wel de grote genade die haar te beurt valt, dat zij vrucht mag dragen. Zij is gevoeliger dan de natuurmens, dan de persoonlijkheid. Elisabeth komt tot leven in de mens, zwanger en in ‘blijde verwachting.’ Intussen richt zij zich helemaal op dit innerlijk gebeuren.
26 In de zesde maand na dit voorval werd de engel Gabriël door God naar een stad in Galilea gezonden, 27 naar een maagd die verloofd was met een man uit het nageslacht van David. De man heette Jozef en de naam van de maagd was Maria. 28 De engel trad binnen en begroette haar met de woorden: "Wees gegroet, jij begenadigde. De Heer is met je. Je bent gezegend onder de vrouwen." 29 Ze voelde zich door deze begroeting helemaal van haar stuk gebracht en begon erover na te denken wat die groet wel zou kunnen betekenen. 30 Maar de engel ging verder: "Wees niet bevreesd, Maria, want jij hebt genade gevonden bij God. 31 Zie, je zult zwanger worden en een zoon baren. Hem moet je de naam Jezus geven.  < - >    De maagdelijke ziel, die geen man bekent [die niet gedirigeerd wordt door de begeertes, angsten, emoties van de persoonlijkheid] wordt zich bewust van de godsvonk die als zaadje in haar aanwezig is. De zoekende mens voelt dit intuïtief aan [Maria en de engel Gabriël komen innerlijk tot leven] maar schrikt wel van dit nieuwe inzicht. 
34 Maria vroeg de engel: "Hoe kan dat mogelijk zijn? Ik heb immers geen omgang met een man?" 35 De engel antwoordde: "Een heilige geest zal over je komen en de kracht van een zeer hoge zal je overschaduwen. Daarom zal het aan God gewijde kind een 'Zoon van God' worden genoemd. < - >  38 Toen zei Maria: "Ik beschouw mijzelf als een dienstmaagd van de Heer. Mij geschiede zoals je gezegd hebt." Daarop ging de engel bij haar weg.  
De menselijke persoonlijkheid begrijpt dit vooreerst nog niet, kan ook niet vatten hoe dit zou kunnen gebeuren, hoe zij ooit in staat zou zijn om dat zaadje te laten ontkiemen en dat tot leven te laten komen. Het gaat immers het menselijke kunnen ver te boven. Dit zal pas tot stand kunnen komen als zij bereid is om haar ziel ‘te laten bevruchten’ door de geest.
***
Die menselijke persoonlijkheid, die dualistisch is (goed <-> kwaad) zie ik terug in de twee mannelijke personages die verder nog optreden in het kerstverhaal: Jozef en Herodes. Jozef die, als symbool voor het goede, bereid is om ‘de maagd’ onderdak en beschutting te verlenen opdat het ‘zaad’ veilig kan groeien en Herodes, als symbool voor het kwade, die het koningskind wil vermoorden omdat hij bang is dat zijn eigen koningschap anders ten einde zal zijn. Zowel de ene als de andere, Jozef én Herodes,  kunnen wij ontdekken in onze eigen innerlijke beleving.
39 Enige dagen later al ging Maria op weg en spoedde zich naar het bergland, naar een stad in Juda. 40 Zij ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabeth. 41 Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot en de volle kracht van een heilige geest doorstroomde haar 42 en luidkeels riep ze uit: "Gezegend ben jij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot! 43 Waaraan heb ik toch het geluk verdiend dat de moeder van mijn Heer bij mij komt? 44 Want toen de woorden van jouw groet mijn oor bereikten, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. < - >    De zoeker, de pelgrim, die de roep in zijn ziel al zodanig herkend heeft dat hij Johannes in zichzelf tot leven ziet komen, die herkent met grote vreugde de trilling van de ‘godsvonk’ wanneer hij deze gewaar wordt.  Wanneer dus ‘de moeder van zijn Heer’ tot hem komt.

Johannes is de innerlijke mens die ontwaakt is om de weg van degene die groter is dan hij voor te bereiden, om schoon schip te maken met alles wat niet thuis hoort in de innerlijke tempel waar een Koningskind verwacht wordt
Toen Johannes geboren was en Zacharias weer kon spreken raakte hij vervuld van de geest en sprak:
76 En jij, kindje, zult een profeet van een 'zeer hoge' worden genoemd. Want je zult voor de Heer uitgaan en voor hem de wegen bereiden. 77 Jij moet zijn volk het inzicht in de verlossing verschaffen, die uit de bevrijding van de zonde van hun afvalligheid bestaat 78 en aan de innige barmhartigheid van onze God te danken is. Door zijn ontfermende liefde ging de zon uit de hoogte voor ons weer op 79 en een licht scheen op ons neer, dat hen moet beschijnen die in de duisternis en in de schaduw van het dodenrijk zitten, opdat zij hun schreden weer kunnen richten naar het pad van de vrede." 80 Het kind groeide op tot jonge man. Steeds sterkere krachten uit de geestenwereld van God werden bij hem merkbaar.
   Johannes is geboren in de ziel, in het hart dat bewust geworden is. Maar dat alleen is nog lang niet voldoende.
De persoonlijkheid, indien zij dit ten volle beseft, geeft aan Johannes dan ook de ruimte om er zichzelf helemaal van te laten doordringen dat er heel veel moet hersteld worden in de microkosmos: mens.
Veel uit het nabije en verre verleden is daar als vastgekoekte ongerechtigheden vergroeid en vormt dikke sluiers waardoor geen licht meer kan schijnen. Dat alles zal, indien Johannes ongehinderd kan opgroeien, door hem mogen worden weggewassen (zo zie ik het dopen in de Jordaan door Johannes) opdat de duisternis plaats zal kunnen maken voor het Licht der Lichten: de geboorte van Jezus zélf in de ziel.
Hoofdstuk 2
De tijd kwam, waarin door keizer Augustus een verordening uitgevaardigd werd, dat er in het hele Romeinse rijk een volkstelling moest plaatsvinden < - > 4 Ook Jozef reisde van zijn woonplaats Nazareth in Galilea naar het land van de stam Juda, naar de stad van David, met de naam Bethlehem. Want hij behoorde tot de stam en het geslacht van David. 5 Ook hij wilde zich met Maria, zijn vrouw die in verwachting was, in de tellijst laten inschrijven. 6 Toen ze daar waren aangekomen, naderde het uur van haar bevalling. 7 Ze beviel van haar eerste zoon, wikkelde hem in doeken en legde hem in een kribbe. In de herberg hadden ze namelijk geen onderdak meer kunnen vinden.
  Wanneer Jozef en Maria, stoffelijke persoonlijkheid en ziel, aankomen in Bethlehem (=letterlijk: broodhuis) is er voor hen geen plaats in de herberg. Ze worden verwezen naar een stal/grot om er hun Jezus-kind ter wereld te brengen.
Ik zie dit als weer een poging van het stoffelijke ik (de herbergier) om de geboorte van zo iets groots, iets geestelijks, af te wijzen… omdat het ik daar geen plaats, geen tijd voor heeft. Het heeft zoveel andere beslommeringen en bezigheden die eerst nog moeten gebeuren. Maar Maria, de ziel, is hoogzwanger en het kind zal er toch komen, dus dan maar in een ‘stal’ tussen de dieren. In een microkosmos waarin nog veel emoties, begeertes, ongerechtigheden leven, maar waar het Licht nu toch van binnenin zijn intrede doet.
 
Ik zal verder niets meer toevoegen aan de rechterkolom van dit bijzondere kerst-evangelie. Dan loop ik namelijk kans om jouw eigen inzichten, beste bezoeker van deze pagina, dood te slaan voor ze tot leven zijn gekomen. Ik zal me dan ook beperken tot het plaatsen van de rest van het verhaal uit het Lukas-evangelie en het 'drie-wijzen' verhaal dat te vinden is bij Mattheus 2.
 
 
 8 Nu waren er in deze streek herders in het vrije veld en hielden 's nachts de wacht bij hun kudden. 9 Toen verscheen een engel van de Heer boven hen en een wonderbaarlijke glans omstraalde hen. Ze waren verstijfd van schrik. 10 De engel zei tegen hen: "Wees niet bevreesd! Ik heb jullie een buitengewoon grote vreugdevolle boodschap te brengen, die bestemd is voor heel het volk. 11 Vandaag werd namelijk in de stad van David de verlosser geboren. Hij is de door God voorbestemde Messias. 12 Het volgende zal jullie als bewijs dienen: jullie zullen in een kribbe een kindje vinden dat in doeken is gewikkeld." < --- >   De herders zeiden tegen elkaar: "We zullen nu snel naar Bethlehem gaan en zien of deze boodschap die de Heer ons liet verkondigen, werkelijk in vervulling is gegaan,” 16 Snel liepen ze erheen en vonden Maria en Jozef en het pasgeboren kind, dat in de kribbe lag, 17 Toen ze zich zo van de waarheid hadden overtuigd, vertelden ze de boodschap die ze over de betekenis van dit kind hadden gekregen. 18 Allen die het hoorden, waren buitengewoon verbaasd over wat de herders hun vertelden. 19 Ook op Maria maakten deze mededelingen een zeer diepe indruk en ze dacht er veel over na. 20 De herders keerden weer nar hun kudden terug en loofden en prezen God voor alles wat ze hadden gehoord en voor de bevestiging daarvan, die ze met eigen ogen hadden gezien, 21 Acht dagen later werd de knaap besneden. Men gaf hem de naam Jezus, die al door de engel voor hem was bepaald, voordat zijn moeder zwanger werd.22 Na veertig dagen was de door de wet van Mozes bepaalde tijd van reiniging voorbij, Toen brachten ze het kind naar  Jeruzalem om het aan de Heer te wijden. < --- > 25 In Jeruzalem leefde in die tijd een man genaamd Simeon; een man geheel naar Gods hart. Deze man wachtte met groot verlangen op een troost voor Israël. Hij stond onder leiding van een heilige geest. 26 Door deze heilige geest was hem ook geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de gezalfde van de Heer zou hebben gezien. 27 Door deze geest gedreven, kwam hij in de tempel op het moment dat de ouders het kind Jezus binnenbrachten om de voorschriften van de wet aan hem te vervullen. 28 Toen nam hij het in zijn armen en prees God met de woorden: 29 "Nu roept u, o Heer, uw knecht overeenkomstig uw woord in vrede terug. 30 Mijn ogen hebben immers uw heil gezien

Over het bezoek van de wijzen, de moordplannen van Herodes en de vlucht naar Egypte schrijft Lukas niets.
Dit verhaal treffen we enkel aan in het evangelie van Mattheus. Hoofdstuk 2

1 De geboorte van Jezus vond plaats in Bethlehem, in het land Judea, tijdens de regering van koning Herodes. Er kwamen magiërs uit het oosten naar Jeruzalem en vroegen: 2 "Waar is hij geboren die voorbestemd is koning van de joden te worden? Wij hebben namelijk zijn ster voor ons zien. opkomen en zijn die tot hier gevolgd om hem onze hulde te brengen." 3 Bij het horen van dit bericht schrok koning Herodes en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij liet alle opperpriesters en schriftgeleerden van het volk bijeenkomen en probeerde van hen te vernemen waar de koning geboren zou worden die door de Heer tot verlosser was gezalfd. 5 Zij antwoordden hem: "In Bethlehem, in het land Judea. Want zo staat het bij de profeet geschreven: 6 "Jij Bethlehem, in het land Judea, bent niet de minste van Judea's vorstensteden, want uit jou zal een koning voortkomen die mijn volk Israël als herder leiden zal.” 7 Hierop riep Herodes de magiërs in het geheim bij zich en vroeg hun hem exact het tijdstip aan te geven waarop de ster aan hen verschenen was. 8 Toen stuurde hij hen naar Bethlehem met de : "Ga heen en zoek zorgvuldig naar het kind. Laat het mij meteen weten als jullie het gevonden hebben, zodat ook ik het hulde kan brengen." 9 Daarop namen zij afscheid van de koning en gingen op weg. En zie, de ster die zij eerder hadden zien opkomen, ging opnieuw als gids voor hen uit, tot aan de plaats waar het kind was en bleef daar staan. 10 Toen zij de ster zagen stilstaan, voelden ze een onuitsprekelijke vreugde. 11 Ze gingen het onderkomen binnen en troffen daar het kind aan met zijn moeder Maria. Zij vielen voor hem neer en huldigden hem. Toen haalden zij hun schatten tevoorschijn en gaven hem als geschenken: goud, wierook en mirre. 12 Door een boodschap van een geest kregen ze de aanwijzing niet meer naar Herodes terug te gaan.
Daarom keerden ze via een andere weg naar hun land terug. 13 Toen ze weg waren, zag Jozef in helderziende toestand een geestenbode van de Heer. Die zei tegen hem: "Kom, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte. Blijf daar totdat ik je verdere informatie geef. Herodes wil namelijk het kind laten zoeken om het te doden."
14 Nadat de verschijning verdwenen was, vluchtte Jozef nog in diezelfde nacht met moeder en kind naar Egypte. 15 Daar bleef hij tot de dood van Herodes. Zo ging ook hier het woord in vervulling, dat de Heer door de profeet had laten verkondigen: 'Uit Egypte heb ik mijn Zoon geroepen.'
 
 
 Midwinter.
 
                 

Midwinter valt op de kortste dag, wanneer de nacht op zijn langst is. Na midwinter zullen de nachten weer korter gaan worden, en de dagen worden langer.

De winter is bij uitstek het seizoen dat volkeren gebruikten en gebruiken om de relatie met hun goden te verfrissen in de vorm van herdenkingen en vieringen. Veel feesten uit de christelijke tradities hebben dan ook wortels met   vieringen van het heidendom.

De namen Joel en Midwinter zijn door de eeuwen heen de gebruikelijke aanduidingen geweest voor het feest van de kortste dag. De naam midwinter doet vermoeden dat midwinter in het midden van de winter valt. Dit is echter niet zo, want midwinter is het begin van de winter. De naam midwinter drukt dan ook meer het gevoel uit dat de winter op de helft is. Dit gevoel ontstaat doordat de dagen na midwinter weer gaan lengen.  Midwinter wordt ook wel het wintersolstitium genoemd. Solstitium is het Latijnse woord voor zonnestilstand. De naam wintersolstitium wordt echter zelden tot nooit gebruikt om het hele feest mee aan te duiden. Het gehele feest wordt meestal Midwinter, maar ook wel Joel of Yule (in Engeland), genoemd.

Rond het wintersolstitium vierden veel volkeren een groot feest dat meestal meerdere dagen duurde. Het Germaanse feest (Joel) duurt twaalf dagen, en wordt in de dagen na het solstitium gevierd. Ook de Romeinen kenden een 12- of 13-daags Midwinterfeest, dat voor en na het wintersolstitium werd gevierd.

Vaak wordt er tijdens het vieren van de jaarfeesten gebruik gemaakt van de strijd tussen de zomer en de winter. De eikkoning en de hulstkoning worden veel met elkaar geconfronteerd. De eikkoning heerst van midwinter tot midzomer, en de hulstkoning van midzomer tot midwinter. Daar waar de eikkoning de groeikracht van de natuur is, symboliseert de hulstkoning de afbrekende kracht van de natuur. In rituelen kunnen deze symbolen ook worden gebruikt. Bijvoorbeeld door het licht dat de hulstkoning draagt tot op de dag van midwinter op midwinter door te geven aan de eikkoning, waarna het licht van de hulstkoning wordt gedoofd.  Er wordt gezegd dat de lichtjes, die nu nog centraal staan in het kerstfeest, werden gebrand om de zon weer ‘aan te moedigen’ na diens stilstand.
Een ander traditioneel gebruik is het verbranden van een joelblok. Een, vaak met wijn, olie en/of wijwater besprenkelt, houtblok werd verbrand. De as en resten werden als erg krachtig gezien.

De dagen rond midwinter staan bekend als dagen waarop men samen is met familie en vrienden en waarop cadeaus worden gegeven. Nog een kenmerk is de kerstboom, ook bekend als de joelboom.

Een aantal Goden en personen waar het midwinterfeest mee wordt geassocieerd:

- Sol Invictus: zonnegod die in de Syrische stad Emese werd vereerd. De in het jaar 218 gekozen Romeinse keizer riep Sol Invictus uit als enige toegestane God in het Romeinse rijk.

- Mithras: zonnegod die vooral in Iran, en later in het Romeinse rijk, werd vereerd. Op 25 december (de datum waarop destijds het wintersolstitium werd gevierd) werd zijn geboorte gevierd.
(cfr. De Mythe van Mithras)

- Lucia: Lucia was een vrouw uit Sicilië die in het jaar 304 werd terechtgesteld door een heidense keizer vanwege haar Christelijke geloof. In de late middeleeuwen werd zij verbonden met de
terugkeer van het licht na het wintersolstitium vanwege haar naam. (lucia = licht)