Edgar Allan Poe - Ongeevenaarde griezelverhalen & meer

 
 1809 Boston - 1849 Baltimore
 
 
Dit jaar - 2009 - is het 200 jaar geleden dat Edgar Allan Poe geboren werd. Tijd om even aandacht te besteden aan deze veel te weinig bekende auteur.

Een tijdje geleden las ik, in een aflevering van Prana uit 1987, een artikel over Edgar Allan Poe. Ik kende Poe slechts van zijn meest bekende gedichten (The Raven – Annabel Lee) en enkele griezelige verhalen (Het masker van de rode dood – moorden in de Rue Morgue – De put en de slinger, etc.)
In dat artikel echter leerde ik een totaal andere Poe kennen; een filosofisch denker die zijn tijd ver vooruit was. Er was sprake van een boek – Eureka - dat hij schreef, een jaar voor zijn dood, waarin hij zijn filosofie uiteenzet en waarin hij een pleidooi houdt voor een harmonische samenwerking tussen verstand en hart, tussen wetenschap en spiritualiteit.

Ik ben natuurlijk meteen op zoek gegaan naar ‘Eureka’ en ontdekte tot mijn vreugde dat dit boekje in het Nederlands was uitgegeven  (in 2003 pas) en nog te koop.

Ik heb het meteen besteld en gelezen. Van het begin tot het einde was ik verbaasd en verrukt.

Zijn wetenschappelijke inzichten zijn ongelooflijk modern (zelfs voor onze tijd) en zijn spirituele inzichten zijn verbazingwekkend.

Het zal dus niemand verbazen dat deze man, die 200 jaar geleden werd geboren, door de toenmalige goegemeente werd beschouwd als ‘een dronkenman’, een ‘drugsgebruiker’, een ‘krankzinnige’. Wat hij vertelde viel niet in goede aarde bij de wetenschappers (hij had het bv al over elektriciteit en over atoomsplitsing, lang voor daar in de wetenschap sprake van was) en zeker niet bij de kerk.
 
 
 
 EUREKA


ISBN 907179445  uitgeverij boekenplan
 

Op de omslag:

Edgar Allan Poe (1809-1849) is een van de bekendste en invloedrijkste dichters en schrijvers aller tijden. Als romanticus had Poe grote twijfels over de nieuwe wereld die in zijn tijd ontstond als gevolg van de Verlichting. Hij verzette zich met name tegen de mechanistische en gedetermineerde grondslagen van het nieuwe wetenschappelijke wereldbeeld, omdat deze geen menselijke vrijheid en zelfbeschikking leken toe te staan. Enkele beroemde verhalen van Poe zijn metaforen voor deze angst voor een 'gevangeniswereld', zoals 'De put en de slinger', 'Het masker van de Rode Dood' en 'De val van het Huis Usher'.

De essays waarin Poe een antwoord probeerde te vinden op de grote vragen die hem bezighielden, zijn veel minder bekend dan zijn fantastische vertellingen. Van deze filosofische essays is 'Eureka' het meest bijzondere. Poe schreef het in 1848 en hij beschouwde het als zijn meesterwerk en de sluitsteen van zijn oeuvre. Toch raakte het na zijn mysterieuze dood in 1849 in de vergetelheid omdat het nog niet werd begrepen. Poe was zijn tijd té ver vooruit geweest...

Maar ook de moderne lezer zal nog steeds verbaasd zijn over het nieuwe universum in 'Eureka': geniaal, visionair en baanbrekend, maar ook met uitdagingen en vragen voor de 21ste eeuw.
Poe schreef 'Eureka' als een bericht aan de toekomst, en dat is het nog steeds.
 

In het voorwoord van Eureka schrijft Poe:

‘Aan de weinigen die van mij houden en die ik liefheb. Aan hen die voelen, méér dan aan hen die denken. Aan de dromers en aan hen die hun dromen zien als het enige dat telt. Aan hen bied ik dit Boek der Waarheden aan, niet vanwege het waarheidsgehalte, maar omwille van de schoonheid die in de waarheid gevonden wordt.’
 
 

Uittreksel:

XXI (Over de mens)

En nu -dit Goddelijke Hart- wat is het? Het is van onszelf.

Laat door de schijnbare oneerbiedigheid van dit idee onze ziel niet terugschrikken van het rustige onderzoek van het bewust­zijn, van de diepe rust van de introspectie, waarlangs wij alleen kunnen hopen om in de buurt te komen van de meest sublieme van alle waarheden, en deze recht in het gezicht te zien.

De verschijnselen waarvan onze conclusies nu nog afhankelijk zijn, bestaan slechts uit spirituele schimmen, hoewel ze door en door tastbaar zijn.

Wij wandelen tussen de lotsbeschikkingen van ons aardse be­staan, omgeven door vage maar voortdurende Herinneringen aan een veel meeromvattende levensbestemming -ver weg in de tijd en oneindig indrukwekkend.

Wij leven een jeugd, voortdurend geplaagd door zulke beelden die geen dromen zijn. We weten dat het herinneringen zijn. In onze jeugd is het verschil tussen die twee te duidelijk om ons ook maar een moment te misleiden.

Gedurende onze jeugd is het gevoel dat we bestaan het meest natuurlijk van alle gevoelens. We bevatten het volledig. Dat er een periode was waarin we niet bestonden, of dat we toevalli­gerwijs wel eens helemaal niet bestaan konden hebben; het zijn allemaal gedachten die we gedurende onze jeugd maar moeilijk kunnen bevatten. Waarom we niet zouden bestaan, is tot het moment van onze volwassenheid de minst te beantwoorden vraag van allemaal. Bestaan, zelfbewust bestaan, bestaan van alle Tijden tot in alle Eeuwigheid, schijnt tot onze volwassenheid een normale en onbetwistbare zaak; schijnt, omdat het ook zo is.

Maar dan komt de periode waarin een vormelijke, Wereldse Rede ons wekt uit de waarheid van onze droom. Twijfel, ver­rassing en onbegrip komen op hetzelfde moment. En ze zeg­gen: "Je leeft en er was een tijd dat je niet leefde. Je bent geschapen. Er bestaat ergens een Intelligentie die superieur is aan de jouwe; en het is eigenlijk alleen maar door die Intelli­gentie dat je bestaat". Deze dingen trachten we te begrijpen en dat lukt niet, echt niet, want omdat het onjuiste ideeën zijn, zijn ze noodzakelijkerwijs onbegrijpelijk.

Er bestaat geen enkel denkend wezen, dat zich gedurende een helder ogenblik niet verloren heeft gevoeld bij zijn vruchteloze pogingen om te begrijpen of te geloven dat er iets bestaat dat groter is dan zijn eigen ziel. De volstrekte onmogelijkheid dat iemand zijn eigen ziel ervaart als inferieur aan een andere; de hevige, overstelpende teleurstelling en opstandigheid bij de gedachte alleen al; dit, samen met het overheersende verlangen naar volmaaktheid, is niets anders dan de met het materiële samenvallende, spirituele worsteling naar de oorspronkelijke Unificatie. Dit is, volgens mij tenminste, een meer dan vol­doende bewijs dat geen enkele ziel minderwaardig is aan welke andere dan ook. Dat er niets bestaat dat superieur kan zijn aan welke ziel dan ook. Dat elke ziel ten dele zijn eigen god is; zijn eigen schepper is. Samengevat, dat God, de materiële en spiri­tuele God op dit moment uitsluitend bestaat in de verspreide Materie en Geest in het Universum, en dat het bijeenkomen van deze verspreide Materie en Geest niets anders zal zijn dan het herstel van de zuiver Spirituele en Individuele God.

Alleen en uitsluitend vanuit dit gezichtspunt begrijpen we het raadsel van de Goddelijke Onrechtvaardigheid, van het Onver­biddelijke Noodlot. Alleen vanuit dit gezichtspunt wordt het begrijpelijk waarom het Kwaad bestaat; en meer dan dat - het wordt zelfs verdraaglijk. Onze zielen komen niet langer in opstand tegen het Lijden dat we onszelf aandoen, terwijl we onze plannen nastreven met de bedoeling, vruchteloos wel­licht, om onze Vreugde te vermeerderen.

Ik heb het gehad over Herinneringen die ons plagen in onze jeugd. Die ons soms achtervolgen in onze volwassenheid, die steeds minder vage vormen krijgen, die soms tot ons fluisteren: "Er was een periode in de duisternis der tijden, toen er een nog steeds bestaand Wezen bestond, één uit een absoluut ein­deloos aantal gelijksoortige Wezens die de eindeloze gebieden van de eindeloze ruimte bevolkten. Het was niet en is niet in de macht van dit Wezen om de vreugde van Zijn eigen Bestaan te vergroten door deze te doen toenemen, net zomin als je dat zelf kunt. Maar net zoals jij je plezier kunt uitspreiden of con­centreren (waarbij de absolute hoeveelheid geluk altijd gelijk blijft), zo had en heeft het Goddelijke Wezen dezelfde moge­lijkheid, zodat het Zijn Eeuwigheid doorbrengt in voortduren­de afwisseling van geconcentreerd Zelf en bijna eindeloze Zelfverspreiding.
 
Wat jij het Heelal noemt, is slechts Zijn hui­dige uitgebreide bestaan. Hij ervaart nu Zijn leven via een eindeloos aantal onvolmaakte vreugden; de onvolledige en met leed vermengde vreugden van dat onbegrijpelijk grote aantal dingen die jij Zijn schepselen noemt, maar die in werkelijkheid een oneindig aantal individualisaties van Hemzelf zijn. Al deze schepselen -allemaal- ook degene die jij dierlijk noemt, net zo goed als degene waarin je het leven ontkent omdat je daarin geen leven aanwezig acht; al deze schepselen hebben in minde­re of meerdere mate het vermogen tot vreugde en verdriet; maar het totaal van hun gevoelens is precies de hoeveelheid geluk die het Goddelijke wezen toebehoort als Het in Zichzelf rust. Deze schep­selen zijn ook allemaal min of meer, en min of meer vanzelf­sprekend, bewuste Intelligenties; bewust, ten eerste, van een eigen identiteit, bewust, ten tweede en door vluchtige ver­moedens, van een identiteit met het Goddelijke Wezen waar­over ik spreek; bewust van een eenheid met God.
 
Stel nu eens dat van deze twee soorten bewustzijn de eerste steeds zwakker wordt en de tweede steeds sterker, gedurende de opeenvolging van tijden die nodig zijn om deze talloze Intelligenties tot el­kaar te brengen -als de heldere sterren bij elkaar komen -in Unificatie. Bedenk dat het gevoel van een eigen identiteit ge­leidelijk zal opgaan in het algemene bewustzijn -dat de Mens, terwijl hij bijna onmerkbaar ophoudt zich Mens te voelen, tenslotte dat ontzaglijk triomfantelijke moment zal bereiken waar hij zijn bestaan zal herkennen als dat van Jahwe. Besef intussen dat alles Leven is -Leven -Leven in Leven -het kleinere binnen het grotere en alles en allen binnen de Goddelijke Geest.

EINDE

De pijn die we voelen bij de overweging dat we onze individu­ele identiteit zullen verliezen, houdt direct op als we verder bedenken dat het hierboven beschreven proces, niets meer of minder is dan het absorberen van alle andere intelligenties (dat wil zeggen van het Universum) door iedere individuele intelli­gentie in die van zichzelf. Opdat God alles kan zijn in allen, moet ieder God worden[1].

[1] Laatste, handgeschreven toevoeging in Poe's exemplaar van 'Eureka' (Noot van de vertaler).
 
 
 
 
Een paar gedichten.
 
ANNABEL LEE
 
 
 
 
It was many and many a year ago,
In a kingdom by the sea,
That a maiden there lived whom you may know
By the name of ANNABEL LEE;
And this maiden she lived with no other thought
Than to love and be loved by me.

I was a child and she was a child,
In this kingdom by the sea;
But we loved with a love that was more than love-
I and my Annabel Lee;
With a love that the winged seraphs of heaven
Coveted her and me.

And this was the reason that, long ago,
In this kingdom by the sea,
A wind blew out of a cloud, chilling
My beautiful Annabel Lee;
So that her highborn kinsman came
And bore her away from me,
To shut her up in a sepulchre
In this kingdom by the sea.

The angels, not half so happy in heaven,
Went envying her and me-
Yes!- that was the reason (as all men know),
In this kingdom by the sea

That the wind came out of the cloud by night,
Chilling and killing my Annabel Lee.

But our love it was stronger by far than the love
Of those who were older than we-
Of many far wiser than we-
And neither the angels in heaven above,
Nor the demons down under the sea,
Can ever dissever my soul from the soul
Of the beautiful Annabel Lee.

For the moon never beams without bringing me dreams
Of the beautiful Annabel Lee;
And the stars never rise but I feel the bright eyes
Of the beautiful Annabel Lee;
And so, all the night-tide, I lie down by the side
Of my darling- my darling- my life and my bride,
In the sepulchre there by the sea,
In her tomb by the sounding sea.
 Het was voor wel honderdmaal honderd jaar,
in een koninkrijk bij de zee;
daar woonde een meisje, ook gij toch kent haar,
want haar naam was Annabel-Lee;
zij zwoer slechts bij mij en ik zwoer bij haar
en geen liefd’ ooit was groten, weleer.

Ik was een kind en zij was ook een kind,
in dat koninkrijk bij de zee;
en de wereld was heen en bleef er nog alleen,
ik en mijn Annabel-Lee, -
en wij minden zozeer dat het hemelse heir
afgunstig keek op ons neer.

En dat was de reden, dat, ach, lang geleden,
in dat koninkrijk bij de zee,
een spel werd bedreven, dat nam het leven
van de lieflijke Annabel-Lee,
toen zwoeren tezamen de eedlen van name,
en mijn liefste, ze namen haar mee,
en borgen haar op in een van de graven,
in dat koninkrijk bij de zee.

Nooit was het geluk der goden in Lethe
zo groot, en zij haatten ons zeer.
En dat was de reden (zoals men zal weten)
in dat koninkrijk bij de zee,
dat in stormachtig jagen hun ijskoude vlagen
haar doodden, mijn Annabel-Lee.

 
Maar ons beider beminnen, met hart en zinnen
kon geen dezer verderven,
die heerst over leven en sterven;
noch zij, de stralende, hoog boven de wolken,
noch zij, die de donkerste diepten bevolken,
nooit zullen zij scheiden de harten dier twee;
van mij en van Annabel-Lee.

En geen macht kan nog komen of hij brengt mij dromen
van mijn lieflijke Annabel-Lee;
en geen ster kan nog dalen of ze zal mij verhalen
van mijn lieflijke Annabel-Lee.
Zo zijn al mijn nachten een steeds durend wachten
bij mijn lieve, mijn lieve en tederlijk zachte,
in haar graftombe daar bij de zee,
in haar graf deinende zee.

In het Nederlands gezongen door de Elegasten

 
 

 
 
 
 
 
The Raven 
 
 
 
 

 
 Edgar Allan Poe - The Raven

Once upon a midnight dreary, while I pondered, weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
"'t is some visitor," I muttered, "tapping at my chamber door -
Only this, and nothing more."

Ah, distinctly I remember it was in the bleak December,
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor.
Eagerly I wished the morrow; - vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow - sorrow for the lost Lenore -
For the rare and radiant maiden whom the angels name Lenore -
Nameless here for evermore.

And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me - filled me with fantastic terrors never felt before;
So that now, to still the beating of my heart, I stood repeating,
"'t is some visitor entreating entrance at my chamber door -
Some late visitor entreating entrance at my chamber door; -
This it is, and nothing more."

Presently my soul grew stronger; hesitating then no longer,
"Sir," said I, "or Madam, truly your forgiveness I implore;
But the fact is I was napping, and so gently you came rapping,
And so faintly you came tapping, tapping at my chamber door,
That I scarce was sure I heard you"- here I opened wide the door; -
Darkness there, and nothing more.

Deep into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing,
Doubting, dreaming dreams no mortals ever dared to dream before;
But the silence was unbroken, and the stillness gave no token,
And the only word there spoken was the whispered word, "Lenore?"
This I whispered, and an echo murmured back the word, "Lenore!" -
Merely this, and nothing more.

Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
"Surely," said I, "surely that is something at my window lattice:
Let me see, then, what thereat is, and this mystery explore -
Let my heart be still a moment and this mystery explore; -
't is the wind and nothing more."

Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately raven of the saintly days of yore;
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door -
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door -
Perched, and sat, and nothing more.

Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling,
By the grave and stern decorum of the countenance it wore.
"Though thy crest be shorn and shaven, thou," I said, "art sure no craven,
Ghastly grim and ancient raven wandering from the Nightly shore -
Tell me what thy lordly name is on the Night's Plutonian shore!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning- little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blest with seeing bird above his chamber door -
Bird or beast upon the sculptured bust above his chamber door,
With such name as "Nevermore."

But the raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered- not a feather then he fluttered -
Till I scarcely more than muttered, "other friends have flown before -
On the morrow he will leave me, as my hopes have flown before."
Then the bird said, "Nevermore."

Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
"Doubtless," said I, "what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful Disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore -
Till the dirges of his Hope that melancholy burden bore
Of 'Never - nevermore'."

But the Raven still beguiling all my fancy into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird, and bust and door;
Then upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore -
What this grim, ungainly, ghastly, gaunt and ominous bird of yore
Meant in croaking "Nevermore."

This I sat engaged in guessing, but no syllable expressing
To the fowl whose fiery eyes now burned into my bosom's core;
This and more I sat divining, with my head at ease reclining
On the cushion's velvet lining that the lamplight gloated o'er,
But whose velvet violet lining with the lamplight gloating o'er,
She shall press, ah, nevermore!

Then me thought the air grew denser, perfumed from an unseen censer
Swung by Seraphim whose footfalls tinkled on the tufted floor.
"Wretch," I cried, "thy God hath lent thee - by these angels he hath sent thee
Respite - respite and nepenthe, from thy memories of Lenore:
Quaff, oh quaff this kind nepenthe and forget this lost Lenore!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

"Prophet!" said I, "thing of evil! - prophet still, if bird or devil! -
Whether Tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore,
Desolate yet all undaunted, on this desert land enchanted -
On this home by horror haunted- tell me truly, I implore -
Is there - is there balm in Gilead? - tell me - tell me, I implore!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

"Prophet!" said I, "thing of evil - prophet still, if bird or devil!
By that Heaven that bends above us - by that God we both adore -
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn ,
It shall clasp a sainted maiden whom the angels name Lenore -
Clasp a rare and radiant maiden whom the angels name Lenore."
Quoth the Raven, "Nevermore."

"Be that word our sign in parting, bird or fiend," I shrieked, upstarting -
"Get thee back into the tempest and the Night's Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken!- quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

And the Raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of Pallas just above my chamber door;
And his eyes have all the seeming of a demon's that is dreaming,
And the lamplight o'er him streaming throws his shadow on the floor;
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Shall be lifted - nevermore!
Edgar Allan Poe - De Raaf

In een nacht toen 't buiten woedde, en ik peinzend, mat en moede,
Nadacht over 't schoone en goede van een lang vergeten leer;
En mijn hoofd begon te knikken, hoorde ik plotseling iets tikken,
Dat mij uit mijn slaap deed schrikken. "Wie zou 't wezen in dat weer?
Een bezoeker klopt daar," dacht ik, "aan mijn kamer in dat weer;
Dat slechts is het, en niets meer."

Middernacht had juist geslagen, toen mij oogen scheemrend zagen,
Hoe in 't vlammend vuur met vlagen, schimmen dwarlden heen en weer.
'k Haakte vurig naar den morgen; 'k vond geen boek dat mijne zorgen
Wegdreef. Voor mijn oog verborgen, opgevoerd naar hooger sfeer
was Lenore, schoon en stralend, opgevoerd naar hooger sfeer;
Hier, helaas! voor mij niet meer!

Ritslend werd als voor mijn oogen zachtjes het gordijn bewogen;
'k voelde nu mijn vrees verhoogen, nooit zoo sterk gevoeld weleer,
Dat ik sprak, om aan het beven van mijn hart wat rust te geven;
"Een bezoeker klopt daar even, die wat laat komt dezen keer,
Een of andere bezoeker, die wat laat komt dezen keer;
Dat slechts is het, en niets meer."

'k Voelde nu mijn moed herleven; en ik sprak van vrees ontheven:
"Zeker zult gij mij vergeven 't lange wachten in dat weer;
'k zat als sluimerend te knikken en zoo zachtjes kwaamt gij tikken,
Dat gij mij deedt wakker schrikken door uw kloppen dezen keer;
Kom dus binnen, Heer of Dame! na uw kloppen dezen keer."
Duisternis! en ook niets meer.

Lang bleef ik in 't duister staren; doch ik kon 't mij niet verklaren.
't was mij of het droomen waren, die geen sterveling had weleer.
Niets kwam nu de stilte breken; en de stilte gaf geen teeken.
En ik kon slechts 'n woord spreken; 'k riep dan naam der dierbre weer,
'k Riep: "Lenore!" vlug gaf de echo mij het woord "Lenore!" weer,
Dat alleen, en ook niets meer.

'k Vloog ontsteld daarop naar binnen, als beroofd van al mijn zinnen;
Daar ging 't kloppen weer beginnen, nu wat luider dan weleer.
'k Hoorde 't vreemd getik daar buiten, duidlijk aan mijn vensterruiten.
"'k Wil," zoo dacht ik, "'t raam ontsluiten en mijn hart wordt rustig weer;
Ja! ik zal 't geheim doorgronden en mijn hart wordt rustig weer.
't Was de wind, en ook niets meer."

"Nu een stout besluit genomen!" 't Venster oopnend zonder schromen,
Zie 'k een Raaf naar binnen komen, deftig schuddend wiek en veer;
Niet in 't minst scheen 't beest te dralen; en als kwam het mij verhalen
Van dat oord waar geesten dwalen, liet het zich toen statig neer
Boven op een beeld van Pallas, aan mijn deur zich statig neer;
Zat daar stil, en deed niets meer.

Hoe door smart ook neergebogen, 't vreemde van des vogels oogen
Had mij tot een lach bewogen en ik sprak toen tot hem weer:
"Vogel! met uw vreemde trekken en uw kruin met kale plekken,
Wil mij, zoo gij kunt, ontdekken of gij komt van 't schimmenheer?
En mij zeggen hoe de naam is, dien gij draagt in 't schimmenheer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer."

Vreemd klonk mij die stem in de ooren, want ik had nog nooit te voren
En zoo duidlijk kunnen hooren als die Raaf sprak dezen keer;
Ook had ik nog nooit gelezen dat 'n enkel menschlijk wezen
Soms een vogel zag als dezen, strijken op een buste neer,
Zulk een zonderlingen vogel, strijken op een buste neer,
Met den naam van: "Nimmermeer."

Lang bleef ik gespannen wachten en naar een verklaring trachten;
Doch het dier gaf zijn gedachten met dat 'ne woord slechts weer;
Het gaf verder taal noch teeken, had geen veer zelfs gladgestreken.
'k Ging toen tot mij zelven spreken: "Alles vlood van mij weleer;
Als het daagt vertrekt die vogel, als mijn hoop vervloog weleer."
En de Raaf zei: "Nimmermeer."

Schoon verrast dat woord te hooren, dat de stilte kwam verstoren,
Dacht ik: "Zoo sprak 't dier te voren, zeker bij zijn vroegren Heer,
Die, door ramp op ramp geslagen, tot hij grafwaarts werd gedragen
Altijd maar zijn leed bleef klagen met dezelfde woorden weer
En wanhopig dan herhaalde steeds diezelfde woorden weer,
Altijd klagend: 'Nimmermeer!'"

't Dier, op 't beeld nog steeds gezeten, deed mij haast mijn leed vergeten;
En nu trachtend meer te weten, viel ik in mijn leunstoel neer,
Liet mijn zinnen zich verdiepen, dat zij visioenen schiepen,
Die mij luid in de ooren riepen wat dat beest van 't schimmenheer,
Wat die zwarte, nare vogel uit het het donkre schimmenheer
Meende met zijn "Nimmermeer."

'k Liet zoo mijn gedachten zweven zonder 't beest 'n woord te geven,
Voor wiens oogen ik moest beven als ik ze aanzag telkens weer;
En in diep gepeins verloren, dacht ik weer aan mijn Lenoren,
Die op d'eigen stoel te voren 's avonds zat zoo meenge keer,
Op dien stoel met zijden zitting, waar zij zat zo meengen keer,
Rusten zal, ach! nimmermeer.

't Werd toen scheemrend voor mijn oogen, alsof serafs uit den Hoogen,
Op hun knieën diep gebogen, wierook brandden God ter eer.
'k Sprak toen: "Zij zijn mij gezonden, balsem brengend voor mijn wonden;
'k Heb verlichting nu gevonden, eens zie ik Lenore weer;
'k Zie, na al mijn leed en droefheid, eenmaal nog Lenore weer."
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Sprak toen: "Raadselachtig wezen, dat de toekomst mij komt lezen,
Moet 'k hier Satans listen vreezen, of wierp u een stormvlaag neer?
Vogel! zelf door schrik verbijsterd, in dit huis door ramp geteisterd;
Wordt mijn hartewond bepleisterd, vindt zij nog genezing weer?
Is er balsem voor die wonde; vindt zijn nog genezing weer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Vroeg weer: " Onbegrijplijk wezen, dat de toekomst mij komt lezen,
Bij den Hemel onvolprezen! Bij den hoogen Hemelheer!
Vind ik, mag ik 't nog gelooven, in het Paradijs daarboven,
Waar geen dood haar komt ontrooven, eenmaal nog Lenore weer?
Vind ik eenmaal daar die zaalge, dierbre maagd Lenore weer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Riep toen: "'k Wil geen woord meer hooren! Vogel, die mijn rust komt storen,
Keer door 't stormweer als te voren naar het donkre schimmenheer!
Laat geen veer hier als een teeken van uw schandlijk leugenspreken,
Dat mijn eenzaamheid kwam breken; en verlaat mij kamer weer!
Houdt nu op mijn ziel te kwellen en verlaat mijn kamer weer!"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"
 
En de vogel, nimmer wijkend en geen enkle veer verstrijkend,
Zit nog altijd, ernstig kijkend, op het borstbeeld als weleer.
Somtijds schijnt hij ook te droomen; en als de avond is gekomen,
En zijn schim wordt waargenomen bij het lamplicht telkens weer,
Voelt mijn ziel van 't zware schijnsel, dat haar schrik geeft telkens weer,
Zich ontslagen nimmermeer!

Dutch translation by John F. Malta.

 
 
 
 
Het graf van Poe 
 
 
 
 

 
 Meer lezen