Ruiter op de sterren - Een verhaal van Hendrik Klaassens


 
Luttele meters scheidden hem van de bosrand. De lichtbundel van zijn zaklantaarn danste op de cadans van zijn voetstappen door de steeds dunner wordende laag naaldhout. Daarachter, zo wist ie, wachtte de weidsheid van de sterrennacht. De donkere silhouetten van de takken staken als een kronkelend netwerk af tegen de lichtere achtergrond van het uitspansel. Hij knipte zijn zaklantaarn uit; hier eindigde het bos.

Aan de rand van de vlakte, staande in het hoge gras, kwam hij op adem. Nu pas merkte hij dat zijn hart bonsde en dat dunne adertjes zweet langs zijn zij naar beneden dropen. Hij blikte omhoog: breed en wit, als een flinterdun laagje rijp op het nachtelijk zwart, slingerde de Melkweg zich vanaf de horizon omhoog tot aan het zenit. Myriaden sterren, te zwak om afzonderlijk te kunnen worden gezien, vormden een lichtende band die – steeds zwakker wordend – oploste in het noorden. Hij kalmeerde. Langzaam kwam de gedachtejacht in zijn binnenste tot rust, alsof de vaste, onverstoorbare orde van de sterren op hem overging en geleidelijk bezit van hem nam. De muur van vijandigheid die hij steeds om zich heen had gevoeld, week terug, loste op. Met kalme blik overzag hij alles: de krankzinnige samenloop van omstandigheden die hem naar hier had gevoerd, de onafgebroken strijd, het taaie, geduldige wachten op verandering...

Wie was hij eigenlijk, hij, de magiër, de woordkunstenaar, verlate monnik in een wereld die waanzinnig afstevende op haar onverbiddelijke ondergang? Sinds hij – nog maar net een kwartier geleden – de bungalow had verlaten die hij voor het weekend had gehuurd om er ongestoord te kunnen schrijven, had een even onverklaarbare als onweerstaanbare drang hem naar hier gedreven, naar deze open plek in het bos, naar de abstracte verten van de sterrennacht. Zoals zo vaak wanneer hij wilde schrijven, had een steeds sterker wordende onrust bezit van hem genomen. Uiteindelijk had hij zijn schrijfmachine maar weer opgeborgen en was voor de portable tv gekropen die tot het basispakket van deze viersterren-bungalow behoorde. Zappend over de kanalen was hij op veel bloot en voetbalbeelden gestuit, met als gunstige uitzondering een oude sf-klassieker, die hij tot het einde toe had uitgezien. Na de aftiteling was hij wel een half uur lang op het bankstel bij de tv blijven zitten. Zonder dat hij nu precies kon zeggen waarom, had hij de neiging om de hele boel kort en klein te slaan of zich in een café te bezatten. En nu stond hij hier, in het hoge gras aan de rand van het bos.

Nadat hij daar ongeveer een half uur had gestaan – zwijgend, wachtend – vuurde hij de eerste lichtkogel af. De weidse stilte brak open, een vurig projectiel boorde zich de hemel in. Alle sterren overstralend in glans, verlichtte het de eindeloze grasvlakte vóór hem. Steeds zwakker wordend plantten de echo’s zich door het naaldwoud voort, een blindganger van geluid in de heldere nacht.

Hij laadde het pistool opnieuw en haalde andermaal de trekker over. Vanaf een hoogte van driehonderd meter wierp de kogel een rode gloed over het landschap, daarna verdween hij langzaam in een flauwe boog achter de bossen.

Vijf minuten later was zijn voorraadje patronen uitgeput. Zijn nachtelijke actie was echter niet onopgemerkt gebleven: in een bungalow een paar honderd meter verderop werden de lichten aangeknipt; verbaasde middenstanders op leeftijd, die een weekje vrijaf wilden hebben van hun drukke winkelnering en in de zuurstofrijke Gelderse boslucht weer op krachten hoopten te komen, tuurden angstig door een spleet in de gordijnen. Hij maakte een lange neus naar hen. In die bungalowtjes was toch geen telefoon en het servicegebouw van deze shitcamping bevond zich op tien minuten lopen van hier; niets om je zorgen over te maken dus. Balorig gooide hij een steentje in hun richting. Daarna sloop hij op de tast terug naar zijn eigen vakantiehuisje.

De nacht was nog lang, het liep pas tegen tweeën. Hij stopte een bandje van Enya in zijn meegebrachte gettoblaster en draaide de volumeknop op maximaal. IJle, ritmische melodieën swingden de huiskamer in. Hij plofte neer in de leren fauteuil naast de tv en stak een sigaret op. "Groots en meeslepend wil ik leven”, prevelde hij en spuwde ondertussen een plukje shag weg dat aan zijn lippen was blijven plakken. "Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan/terwijl ranke populieren als ijle pluimen aan den einder staan!”

Die verveling ook altijd. Verveling en angst: ze hingen samen, vormden een onafscheidelijk duo. Bij alles wat hij deed was het alsof een zwerm geniepige duiveltjes toekeek en hem in het oor fluisterde dat alles wat hij ondernam tóch wel weer zou mislukken; alle pogingen om iets van het leven te maken leken tot mislukken gedoemd, alle moeite was tevergeefs, zijn leven één struikeltocht op weg naar het onvermijdelijke einde, de slotsomberingen van de dood… Nee, er móest méér zijn, hij voelde het dichtersbloed in zich ruisen, bruisen, opgulpen uit onvermoede diepten. Altijd was er een kracht in hem, een taaie onverzettelijkheid, een ijzeren wil om iets tot stand te brengen dat stond als een huis en sterker was dan de dood. Déze fermheid was er in ieder geval, dít gevoel: incidenteel manifesteerde het zich in gedichten van superieur niveau, geschreven met een ijl raffinement. Maar gesteld dat het hem zou lukken om een geniale bundel te laten verschijnen – wat zou hem dat méér opleveren dan een tijdelijke roes waarin hij zich kon koesteren in nieuwe, nóg weidser dromen van eigen voortreffelijkheid? Wat wilde hij dan eigenlijk: een hele schare vriendinnen die hem om de hals hingen, geld, roem, onsterfelijkheid? Zou de leegheid, de ijdelheid van zijn leven daardoor verdwijnen, oplossen in het niets?

Wat deed hij allemaal niet om een sympathieke indruk op anderen te maken, wat liet hij allemaal niet na om te voorkomen dat ze een hekel aan hem kregen? Het was oneindig veel beter om een leven te leiden waar hij zélf tevreden over was en anderen minachtend op neerzagen, dan om willoos, als een gekooide adelaar, mee te hobbelen met de stompzinnige burgerlijkheid rondom! Zo’n leven van illusies, angst en slaafse kruiperigheid verachtte hij – alles beter dan dat! Dan maar de vrijheid, het wilde leven in ongetemperde kracht!

Woest smeet hij de asbak door de kamer. Het glas versplinterde tegen het aanrecht in duizend stukjes, een halo van glinsterend gruis onder het neonlicht. Hij trapte zijn peuk uit op de parketvloer en liep naar de slaapkamer, waar hij zich op het bed liet neerploffen. Met zijn kleren nog aan viel hij in slaap.

Hij werd wakker door een melodietje dat steeds maar door zijn hoofd heen speelde. Slaapdronken richtte hij zich op en liep naar de wastafel om een glas water te drinken. Hij keek op zijn horloge: half zes. Eigenlijk was het nog te vroeg om nu al op te staan. Toch wist hij zeker dat hij de slaap niet meer kon vatten. Lusteloos sjouwde hij naar de woonkamer. Door de gele overgordijnen drong het eerste morgenlicht al binnen. Zijn gezicht klaarde plotseling op: was het misschien niet een goed idee om naar de open vlakte terug te keren en daar naar de zonsopkomst te kijken? Die gedachte stond hem wel aan. Twee minuten later was hij al op weg.

Aan de rand van de open plek in het bos klom hij in een stevige beuk. Hiervandaan, zo’n meter of vijf boven de grond, had hij een prachtig uitzicht op het oosten. Over het hoge gras lag een dun laagje dauw, dat zilverwit glinsterde in het eerste morgenlicht.

Hij haalde zijn camera met zoomlens tevoorschijn en tuurde door de zoeker. Nergens waren herten te zien. Maar wat bewoog daar, pal in het zuidoosten? Met zijn rechterarm leunde hij tegen een tak om het toestel heel stil te kunnen houden. In de verte ontdekte hij een mannelijke gestalte. Kalmpjes liep deze over de vlakte in zijn richting. Het was alsof zijn voeten nauwelijks de bodem raakten, zó lichtvoetig en gemakkelijk bewoog hij zich voort. Hij verstarde van schrik en wilde al teruggaan naar het vakantiehuisje, maar iets dwong hem om te blijven kijken.

De gestalte droeg een lang, wit habijt; zijn sneeuwwitte haren golfden onder het gaan en in zijn rechterhand hield hij een voorwerp. Op deze afstand was niet te onderscheiden om wat voor een voorwerp het ging. Losjes, alsof hij alle tijd van de wereld had, stak hij de vlakte over. Hij was nu zeker tot op minder 200 meter genaderd.

Vanuit de beuk probeerde hij er een foto van te nemen, maar zijn vingers trilden té erg. Had hij nu maar een statief meegenomen!

Een paar minuten later was de man tot onder de beukenboom genaderd. Hij knikte hem vriendelijk toe. ‘Had u misschien iets verloren?’ vroeg de man, terwijl hij zijn rechterhand opende. Daar lag het alarmpistool waarmee hij gisteravond lichtkogels had afgevuurd.  In de euforie van het knalfestijn van gisteravond was het vast en zeker uit zijn zak gegleden.

"Ja”, antwoordde hij met een bibberend stemmetje, "maar hoe komt u daaraan?”

De man glimlachte. "Dat doet er nou niet toe. Steek het maar weer bij je. Waarom heeft een knaap als jij trouwens zulk speelgoed nodig? Heb je niks beters te doen, hm?”

Snel klom hij uit de boom en nam het schiettuig in ontvangst. Er had wat ergernis doorgeklonken in de stem van de grijsaard, maar meer zoals een vader zijn zoon toespreekt nadat deze een schelmenstreek heeft uitgehaald.

"Verveel je je soms…. Freek?”

Verrast keek de aangesprokene op. Hoe kon de man in vredesnaam weten hoe hij heette? Hij had hem nog nooit eerder gezien.

"Wie bent u eigenlijk en wat wilt u van me?”, vroeg de jongeman.

"Alles op zijn tijd. Kom, laten we naar jouw bungalowtje toe gaan, daar kunnen we wat gemakkelijker praten.” De man had iets gebiedends over zich, waardoor je hem meteen zou willen gehoorzamen, maar het viel moeilijk te definiëren waardoor dat kwam. In zijn ogen lag een zachte, diepe glans, maar toch zou je zijn hele voorkomen niet direct weekhartig kunnen noemen; daarvoor was hij te resoluut en zelfverzekerd. Het was meer alsof hij de situatie elk moment volledig onder controle had en exact wist wat hij moest doen; hij had een bepaald doel – zoveel was zeker. Hij wílde iets van hem – geen twijfel mogelijk – maar wát?

Gedwee liep hij naast de man voort. Even later gingen ze het huisje binnen. De voordeur had hij nota bene niet eens op slot gedaan, want zijn metgezel stapte zomaar het halletje in.

De jongeman wees de grijsaard in zijn wit habijt een plaats aan, waarop deze in een gemakkelijke houding op het bankstel ging zitten.

"Je zult wel nieuwsgierig zijn naar mijn naam” sprak hij en monsterde zijn gesprekspartner kort met zijn grijsblauwe ogen. "Naftaniël noemen ze mij; ik kom overal waar men mijn hulp nodig heeft. Dat wil zeggen: waar het verlangen leeft naar hulp vanuit de geestelijke wereld. Dat is ook het enige wat voor mij telt: voor de rest maakt het mij niet uit met wie ik te maken heb of onder wat voor omstandigheden degene verkeert, die wil worden geholpen.”

De man pauzeerde even als om de aangesprokene gelegenheid te geven het gezegde te verwerken.

"Kijk, in wezen ben jij een prachtkerel, een vent van goede wil. Toch maak jij – zacht gezegd – een rotzooi van je leven. Heb je je wel eens afgevraagd hoe dat komt? Wat denk je?”

Freek zocht naar woorden. Zo’n ad rem iemand was hij zelden tegengekomen.

"Nou?”, drong de oude man aan, "Waarom heb je deze bungalow gehuurd? Ik denk, mijn beste jongen, dat iets jou geweldig dwars zit. Maar,” – en hij maakte een wegwerpgebaar met zijn arm – "laat ik niet aandringen. Ik zeg je alleen dit: je kunt me vertrouwen, en wel volledig. Alles wat hier gesproken wordt, blijft tussen ons. Zeg me eens, voel je je eigenlijk niet ontzettend triest, hm?”

Op dat moment brak er iets in hem. Of het nu kwam doordat de man hem zo vertrouwelijk had toegesproken, haast als een vader, of dat het zonderlinge van de hele situatie hem te machtig werd – hij wist het niet, maar hij slaagde er niet langer in zijn emoties in bedwang te houden. Schokkend, bevend over zijn hele lichaam, dook hij ineen, niet langer slag leverend tegen een tot cynisme verstard verdriet, maar als een kind, een pasgeborene, die snakt naar lucht, naar de eerste ademtocht die zijn longen vult.

Terwijl Naftaniël hem met zijn ondoorgrondelijke blik bleef aankijken, vervaagde de omgeving: de bungalow, het bankstel, de contouren van de kamer – alles loste op in een grijze mist die geleidelijk overging in het inktzwart van de ruimte. Gewichtloos voelde hij zich drijven door eindeloze verten. Zo ver het oog reikte waren er sterren te zien. Sommige waren samen geclusterd tot gigantische bolvormige hopen sterlicht, andere straalden solitair of in kleine groepjes. Hij had het gevoel dat hij adembenemend ver de ruimte in kon kijken, alsof er een sluier voor zijn ogen was weggetrokken.

Nadat hij zo een tijdje had voort gezweefd, maakte er zich uit de achtergrond iets los: pijlsnel schoot er een lichtstraal op hem af. Duizelingwekkend snel doorkliefde het de verten. In een oogwenk had het de afstand naar hem overbrugd: vlak vóór hem verdichtte het zich tot een groot scherm, en hij hoorde een stem: : Dit is jouw leven. Kijk eerst maar rustig toe; straks mag je vragen stellen. We laten je nu jouw leven zien vanuit het perspectief van de eeuwigheid. Kijk goed!”

Voor zijn ogen ontvouwde zich een breed panoramascherm waarop hij zichzelf zag, glashelder en driedimensionaal. Hij liep door een smalle straat en duwde een buggy met een tweejarig kind voor zich uit. Het was een opgewekt kereltje dat naar een groepje eenden wees die rond dreven in een vijvertje. "Anja, Anja!” kraaide het opgewekt. Hij volgde de blikken van het kind. "Ja, een paar eendjes”, zei hij afwezig. Hij voelde zich onbehaaglijk en wierp af en toe een blik om zich heen, alsof hij zich bedreigd voelde. In de verte zag hij een vrouw lopen met lang, zwart haar. Ze had twee kleine kinderen bij zich en liep in zijn richting. Toen ze hem in het oog gekregen had begon ze tegen haar kinderen te giechelen en naar hem te wijzen. Hij verstarde – een golf van woede en angst kolkte in hem omhoog, alsof er een oeroude wond was aangeraakt. Hij keek niet op of om, maar liep snel door.

Een ander fragment. Hij zag zichzelf zitten op zijn zolderkamer. De gordijnen waren gesloten, er brandde een bureaulamp op de tafel voor hem. Kalm concentreerde hij zijn gedachten op een man, die hem zojuist had opgebeld met het verzoek hem van de pijn in zijn rechterknie af te helpen. Naast hem ontstond – heel dun en ijl, maar toch nog zichtbaar – de gestalte van de oudere man. Met steeds grotere intensiteit bouwde hij deze etherische gestalte op met pure gedachtekracht. Toen dit beeld zich voldoende had verdicht, legde hij zijn rechterhand op de denkbeeldige plaats waar zich de knie van de oudere man moest bevinden. Een stroom weldadige warmte vloeide uit zijn handpalm en werd zichtbaar als een rode gloed, die een zwarte plek in de etherische gestalte van de oudere man langzaam oploste.

De man in kwestie, die in werkelijkheid thuis in een ontspannen houding op de bank zat, ervoer dat de pijn uit zijn knie wegtrok. Met een gevoel van dankbaarheid onderging hij de warmtegloed die zich daar verspreide. De magnetische behandeling-op-afstand had goed geholpen!

Daarna begonnen de beelden snel door elkaar te wervelen, alsof allerlei scenes uit zijn leven om de voorrang streden. Het leek wel alsof er een film in een krankzinnig hoog tempo voor zijn ogen werd afgedraaid. Sneller en sneller ging het. Tot slot groepeerden ze zich in twee reusachtige kegels: de bovenste wees met de punt naar beneden en de onderste stond recht overeind, zodat de scherpe punten van de beide kegels elkaar precies in het midden raakten. Majestueus wentelden ze voor hem in de ruimte rond. Precies in het midden, waar de kegels elkaar met hun scherpe punten aanraakten, steeg een geraas op dat steeds sterker aanzwol.

Hij had het gevoel dat hij dit niet langer kon verdragen, maar desondanks nam het geraas alsmaar in intensiteit toe. Op het moment dat hij dacht zijn bezinning te verliezen, hield het lawaai plotseling op: al wat restte was een diepe, vredige stilte.

Hij sloeg zijn ogen op. Naftaniël zat nog steeds op de bank tegenover hem. Een brede bundel zonlicht viel door een zijraam naar binnen; de hemel was opgeklaard en de zon stond al hoog aan de hemel. Dat betekende dat hij een hele tijd buiten westen was geweest. Maar waar dan precies? Flarden van een droom – of wat het ook maar was geweest – schoten hem te binnen.

"We hebben je verbonden met de wereld van de geest”, verklaarde Naftaniël. Hij glimlachte en pauzeerde even. "Ben je ervan geschrokken?”

Freek antwoordde niet. Moeizaam richtte hij zich op en zocht zijn shag. Met bevende vingers begon hij een sigaret te draaien. Terloops keek hij Naftaniël aan. Het voelde alsof er een last van hem afgevallen was, alsof een hoop ballast daar in de ruimte was achtergebleven. Toch was hij ook verward; hij had tijd nodig om alles te laten bezinken.

Toen hij wat kalmer was geworden, vroeg hij: "Waarom heb je mij dit alles laten zien? En wat waren die twee kegels? Wat hebben die eigenlijk met mijn leven te maken?”

Naftaniël pakte zijn hand en legde die vaderlijk in de zijne. "Ik heb je je grootste kracht en je grootste zwakheid laten zien: het zwakst ben je in je angst voor het oordeel van anderen, het sterkst in de liefde die je in je hart voor anderen kunt voelen. Feitelijk is dat al genoeg om de basislijnen van een mensenleven weer te geven, omdat ze de uiterste grenzen bepalen waarbinnen een leven zich afspeelt: de diepste liefde en de grootste angst, die zich als volstrekte tegenpolen tot elkaar verhouden.

Daarna zag je allerlei afzonderlijke beelden uit je leven in hoog tempo aan je geestesoog voorbijtrekken totdat het geheel in twee gigantische delen voor je begon rond te wentelen: de bovenste kegel stelde alle liefdevolle, opbouwende elementen voor, de onderste alle destructieve, liefdeloze ervaringen en gedachten. Maar wees gerust: ook het negatieve, alles wat zo op het oog negatief en pijnlijk is, hoort erbij: het zijn de donkere ondertonen in de symfonie van jouw leven. Vanuit een hoger perspectief bekeken vullen ze elkaar aan.”

Hij keek Freek onderzoekend aan en vervolgde toen: "De kegels stonden met de uiteinden naar elkaar toe gekeerd, d.w.z. dat goed en kwaad, licht en donker, liefde en haat weliswaar elkaars tegengestelden zijn, maar toch ook een zeker raakvlak met elkaar hebben. Het gaat in het leven in de diepste kern steeds om de keus tussen die twee: dáár vallen de beslissingen, dáár wordt geestelijke groei bevorderd of belemmerd, dáár bouwt de mens zich een hemel of een hel. Daarom kwam het lawaai, het aanhoudende geraas dat je bijna overweldigde, ook daar vandaan: dat is de voortdurende strijd die je voert om door allerlei negatieve ervaringen die je in het leven hebt opgedaan níet verbitterd te raken, maar open en ontvankelijk te blijven – liefdevol en vertrouwend op je goede wil en de stille verwachting dat je geleid wordt en beschermd. Die strijd in je is hevig en onophoudelijk, maar je hield vol en wankelde niet. Dat betekent dat je bereid bent alles te ondergaan en je kop niet te laten hangen, wat je in je leven ook op je bordje geserveerd krijgt. Juist daardoor – door die taaie, onverzettelijke kracht in je hart - wijkt op den duur het gekrakeel van die strijd in je binnenste; op slag was alles opeens weer stil en vredig als voorheen. En je zweefde weer in de ruimte, net als vóórdat je al die beelden zag – wat de tijdloze periode vóór je geboorte voorstelde.

Kortom, beste jongen, blijf vertrouwen op je vermogen om lief te hebben en raak niet verbitterd: dan zal uiteindelijk al dat uiterlijk vertoon en gekrakeel ophouden. Ik zou je nog veel meer kunnen vertellen, maar dit lijkt me voorlopig voldoende. Heb je nog vragen? Stel ze dan nu, want straks moet ik weer gaan, omdat er nog veel zielen wachten die geholpen moeten worden.”

"Ja, er is nog één vraag die me alsmaar bezig houdt”. Hij verzamelde moed, slikte even, maar herwon zijn kalmte. "Houden de herinneringen aan de verschrikkingen die ik tijdens mijn jeugd hebt meegemaakt, dan niet tijdens mijn leven op, maar verdwijnen ze pas als ik overleden ben? Is het dan alléén maar een kwestie van volhouden en doorbijten? Komt er dan nooit een eind aan? Zeg het me dan, vertel me wanneer deze hele klerezooi over is, want houd ik die onrust in m’n binnenste haast niet meer uit.”

Naftaniël glimlachte. "Mijn zoon”, zei hij, "als je dieper in je binnenste had gekeken en daarnaar had geluisterd, had je het antwoord al geweten, zo helder als het volste licht van de zon. Wat denk je? Ik zeg je alleen maar dit: wat je geeft is wat je ontvangt. Zo lang je door blijft gaan met verbitterd en boos te zijn, zo lang je anderen verafschuwt en mijdt om hun daden, zolang zullen deze pijnlijke ervaringen doorgaan. Vanaf het moment waarop je oprecht in liefde probeert te leven – ook vanuit liefde voor jezelf, want daar mankeert nog wel het een en ander aan – zal al dat geraas en getier om je heen ophouden. Het is de stalen klem waarin de geestelijke wereld je gevangen houdt om je ertoe over te halen om milder en liefdevoller te worden tegenover anderen én tegenover jezelf.”

Er viel een diepe stilte. De zon klom hoger en hoger aan de hemel, stofbundels zonlicht stonden als glinsterende banen in het vertrek en verlichtten grote vlakken van de vloer, de bank en de leunstoelen. Binnen noch buiten bewoog er iets, de tijd leek verstard, bevroren in deze serene stilte, alsof ook de natuur de adem inhield.

"Ik begrijp het”, antwoordde Freek zwakjes. Daarop voelde hij zo'n intens verdriet uit zijn binnenste opwellen dat hij dacht eraan te bezwijken. Alles draaide en tolde om hem heen. En hij begon te snikken met lange, diepe uithalen.

Naftaniël boog zich over hem heen en legde zijn handen op Freeks schouders.

"Mijn zoon”, sprak hij, "ieder van ons gaat ooit eens door de nacht van de ziel, maar er zullen altijd sterren zijn en een maan om ons de weg te wijzen. Ook ik heb ooit eens met mezelf overhoop gelegen zoals jij nu, maar uiteindelijk komen wij allemaal verder, niemand uitgezonderd. Wie eens op weg is gegaan, zal vroeg of laat zijn doel bereiken.

Kom, ik moet verder, er zijn nog velen die mijn hulp nodig hebben. Lange tijd zul je mij niet meer zien. Maar aan het eind van je leven, tijdens het stervensuur, zul je mij weerzien. Dag, mijn jongen. "

Freek keek op: voor zijn ogen zag hij de rijzige gestalte van Naftaniël, gehuld in een goudkleurig licht. De gloed verdiepte zich, alsof de grijsaard door een hemels licht werd omspeeld. Zijn ogen twinkelden en hij gaf Freek een knipoog. "Tot ziens, mijn jongen, en denk aan mijn woorden. We zullen elkaar weerzien.”

Langzaam loste de gestalte van de grijsaard voor zijn ogen op. Nog een hele tijd bleef er een zwakke gloed hangen op de plaats waar hij verdwenen was. Toen verdween ook die laatste herinnering aan de bezoeker uit een andere wereld.

Verwonderd, maar met nog een heel leven voor zich in plaats van een somber verleden dat hem als een schim achtervolgde, dacht Freek na over wat hem nu te doen stond. Kalm en tevreden draaide hij een sigaret. Wat hem betrof kon de toekomst nu wel beginnen – voor hem, de ruiter op de sterren!

 

© Hendrik Klaassens, 1994/2005.