Allerlei artikels van Hendrik Klaassens over boeiende onderwerpen

 01. BDE’s: de donkere materie van het bewustzijn - 02. De moeizame relatie tussen astronomie en astrologie - 03. Hekserij in Europa: feiten en achtergronden -
 
 
 
 
 01. BDE’s: de donkere materie van het bewustzijn
 

 
 

Sterrenstelsels zien er vaak prachtig uit. Wie ooit een foto heeft bekeken van de Andromedanevel of de Draaikolknevel in de Jachthonden weet precies wat ik bedoel. Op zulke opnamen zie je een heldere kern waaraan enkele gerafelde spiraalarmen ontspringen. Die armen bestaan vooral uit sterren en waterstofwolken. Ze lopen door tot de randen van het stelsel, waar ze geleidelijk vervagen. Het lijken wel draaikolken van licht. Je krijgt dan ook het idee dat ze heel langzaam om hun as wentelen.


 

Dat klopt. Zo beweegt onze zon, samen met sterren uit onze omgeving, in ongeveer 250 miljoen jaar om het centrum van ons melkwegstelsel. Toch kunnen we met de bestaande theorieën niet verklaren waarom sterrenstelsels zich gedragen zoals ze zich gedragen. In de praktijk zien we nl. dat sterrenstelsels om hun as draaien alsof ze maar liefst tien maal zo zwaar zijn als de materie die we kunnen zien. Dat betekent dat 90% van de materie in het heelal voor ons onzichtbaar is. We hebben geen idee wat we ons daarbij moeten voorstellen. Natuur- en sterrenkundigen rekenen zich een punthoofd om dit raadsel op te lossen. Wie het ei van Columbus gevonden heeft, wordt op slag een tweede Einstein en mag rekenen op een vette Nobelprijs. Jammer genoeg heeft nog niemand het zo ver geschopt. De natuur van de donkere materie is nog duister.

Wat voor de materie geldt, geldt in feite ook voor de menselijke geest. Het onderzoek naar de werking van ons bewustzijn en alle aspecten daarvan heeft een schat aan kennis opgeleverd. Toch blijven veel dingen onverklaarbaar. Ik heb het vermoeden dat BDE’s wel eens de sleutel zouden kunnen zijn om dieper in deze materie door te dringen. Een BDE van een Amerikaanse wetenschapper bracht me daarbij op het spoor.

DE BDE VAN EEN NEUROCHIRURG
 

 
 

Dr. Eben Alexander gaf al 15 jaar les in de neurochirurgie aan de Harvard Medical School toen hij in 2008 een BDE kreeg n.a.v. een zeldzame vorm van hersenvliesontsteking. Zeven dagen lang was hij hersendood. Toen ontwaakte hij uit een diepe coma. Wat hij zich kan herinneren uit die tijd staat voor altijd in zijn geheugen gegrift.

Eerst had hij de ervaring dat alles bruin, rood en vormloos was. Hij voelde zich een aardworm die rondkroop in de modder, zonder spraak, zonder herinnering, zonder besef van wat er om hem heen gebeurde. Opeens hoorde hij een melodietje spelen dat steeds luider werd en steeds vrolijker. Gaandeweg liet het alle lelijkheid en treurigheid van dat aardwormrijk verdwijnen. Terwijl die melodie nog speelde veranderde de omgeving in een hemels gebied waar hij op de vleugel van een vlinder overheen vloog. Samen met miljoenen soortgenoten vlogen ze in wisselende formaties door een prachtig landschap met een weelderige begroeiďng.

Even later schoot hij van de aarde weg, alsof hij in een ruimteschip zat dat zich met een ontzagwekkende snelheid van onze planeet verwijderde. Hij belandde uiteindelijk in een gebied dat zich buiten het universum bevond en dat hij als ‘de kern van alles’ omschreef. Dat was oneindig groot en donker. Daar werd hij zich bewust van de liefdevolle aanwezigheid van God. Tijdens dit verblijf in de ‘kern’, dat hij ook het ‘multiversum’ noemde, werd zijn hele wezen doordrongen van de waarheid dat Liefde het allerbelangrijkste is bij alles wat je doet. De herinnering hieraan was zeer helder en indringend.

HOE KUNNEN BDE’S WORDEN VERKLAARD?

Nu hij terugkijkt op deze ervaring beseft dr. Alexander dat we met onze wetenschappelijke modellen en theorieën helemaal niet in staat zijn om dergelijke ervaringen te verklaren. Er is geen fysiologische verklaring voor deze ervaring, die zijn hele leven ingrijpend veranderde. Deze ervaringen kun je alleen begrijpen als je ervan uitgaat dat ons bewustzijn, onze geest, voor zijn functioneren helemaal niet afhankelijk is van de menselijke hersenen, maar er hooguit gebruik van maakt zo lang de mens nog op aarde leeft. Daarna verlaat de menselijke geest het lichaam en gaat een geestelijk gebied binnen.

Veel mensen denken dat BDE’s ontstaan door zuurstofgebrek, of het gevolg zijn van de extreme spanningen die optreden wanneer een mens in levensgevaar verkeert. Toch zijn er ook verschillende wetenschappers die ervan overtuigd zijn dat dergelijke ervaringen ons wel degelijk een kijkje gunnen in de wereld die ons na de dood te wachten staat. Hoe staat het met het onderzoek naar het ontstaan en het werkelijke karakter van BDE’s?

 
GREYSON: BDE’S ONTSTAAN NIET DOOR ZUURSTOFGEBREK


Bruce Greyson is psychiater aan de School of Medicine van de Universiteit van Virginia. In die functie heeft hij meer dan 1000 BDE’s onderzocht. Over dat onderzoek verklaarde hij tijdens een interview met de Amerikaanse zender TVPG: "De specifieke kenmerken van een BDE zijn een gevoel van diepe vrede en welbevinden, het gevoel dat men het lichaam verlaat en het zien van een helder licht dat warmte en onvoorwaardelijke liefde uitstraalt. Soms rapporteren mensen dat ze een godheid ontmoeten die ze identificeren als God of Christus. Soms hebben ze het alleen over een almachtig wezen.”

Hoewel getuigenissen van mensen die zoiets hebben meegemaakt vaak indrukwekkend zijn, gaan veel wetenschappers ervan uit dat deze verhalen niet een reëel hiernamaals beschrijven, maar alleen de uitdrukking zijn van de psychische mechanismen die optreden als mensen in doodsstrijd verkeren. BDE’s zouden binnen die opvatting niet meer zijn dan hallucinaties die de psyché van de mens produceert om de moed erin te houden als de dood héél dicht bij is. Zuurstofgebrek wordt daarbij vaak als de directe, fysieke aanleiding beschouwd waardoor dergelijke ervaringen worden opgeroepen.

Om deze hypothese te toetsen heeft men in de zeventiger jaren piloten van de Amerikaanse luchtmacht getest. Deze piloten werden in een laboratorium blootgesteld aan heel hoge versnellingen, waardoor het bloed uit hun hoofd wegtrok. Daarbij raakten ze bewusteloos. Toen ze bijkwamen meldden sommigen dat ze dingen hadden ervaren die ook vaak voorkomen in BDE’s. Zo zagen enkele piloten een helder licht. Anderen konden hun eigen lichaam van buitenaf zien. In de medische literatuur noemt men dat de ‘autoscopische ervaring’.

Hoewel de verhalen van enkele piloten dus in een paar opzichten overeen kwamen met echte BDE’s, ontbraken telkens twee essentiële dingen:
1. De verbrokkelde, fragmentarische waarneming die optreedt bij zuurstofgebrek haalt het niet bij de helderheid en de ingewikkelde structuur van echte BDE’s.
2. Ook is er dan geen weerzien met overleden vrienden en familieleden, noch de ervaring van een opperwezen.

DR. MICHAEL B. SABOM: ZUURSTOFGEBREK ROEPT ANDERE EFFECTEN OP

In het boek "Herinneringen aan de dood” van de Amerikaanse cardioloog dr. Michael B. Sabom kwam ik twee andere onderzoeken tegen die zijn verricht naar de gevolgen van zuurstofgebrek in de hersenen. Zo brachten Y. Henderson en H.W. Haggard verschillende proefpersonen in een kamer waarin het zuurstofgehalte langzaam werd verminderd. Ze merkten dat de geestelijke en lichamelijke vermogens van deze mensen geleidelijk afnamen. Op den duur kregen ze last van stuiptrekkingen en problemen met ademhalen. BDE-achtige ervaringen kwamen bij dit experiment niet voor.

In een later uitgevoerd onderzoek van R.A. MacFarland naar de gevolgen van zuurstofgebrek constateerde deze arts dat bergklimmers op hoge bergtoppen lijden aan concentratiestoornissen, een slecht geheugen en prikkelbaarheid. Kortom: ze zijn dan verward en overgevoelig.

Deze twee onderzoeken die Michael Sabom aanhaalt wijzen dus in dezelfde richting: de manier waarop mensen hun omgeving waarnemen is bij zuurstofgebrek veel chaotischer en meer verbrokkeld dan tijdens bijna-doodervaringen. Het karakteristieke verloop van een BDE en de enorme helderheid en het totaaloverzicht die daar bij horen, zijn bij zuurstofgebrek volledig afwezig. Sabom concludeert dan ook dat zuurstofgebrek niet de oorzaak kan zijn van BDE’s: het gaat hier om een wezenlijk ander type ervaringen.

DR. ALEXANDER: BDE’S LATEN GEESTELIJKE WERKELIJKHEID ZIEN


Eben Alexander, die zelf een BDE heeft gehad, gaat nog een stap verder. Hij is er rotsvast van overtuigd dat het bewustzijn niet ontstaat door de werking van onze hersenen: volgens hem functioneert het onafhankelijk daarvan. De interactie met de wezens die hij tijdens zijn eigen ervaring zag was zó enorm indringend, complex en onverklaarbaar, dat geen enkele traditionele theorie, die BDE’s moet verklaren, naar zijn mening hiervoor toereikend is. De hersenvliesontsteking, die hem op de rand van de dood bracht, zorgde ervoor dat zijn hersenschors niet meer functioneerde. Maar misschien - zo redeneerde hij - was zijn BDE wel veroorzaakt door gebieden van de hersenen die wat dieper liggen. Vervolgens heeft hij onderzocht of daar misschien de oplossing lag van dit raadsel. Jammer genoeg liep dat onderzoek volledig dood. De meer naar binnen gelegen hersendelen zijn nl. niet in staat om dergelijke ervaringen voort te brengen.

De enige plausibele verklaring die dr. Alexander kon bedenken voor zijn ervaringen is de aanname dat de mens een geest is die tijdelijk een lichaam bewoont en na de fysieke dood terugkeert naar zijn eigenlijke, geestelijke domein. BDE’ers komen voor enkele minuten in dat geestelijke gebied terecht en kunnen ons vertellen hoe dat er uitziet en welke wetten en principes daar gelden.

WELKE CONSEQUENTIES HEEFT HET ALS WE BDE’S SERIEUS NEMEN?

Laten we er nu van uitgaan dat Alexander en Sabom – naast veel andere onderzoekers – gelijk hebben en BDE’s inderdaad bewijzen vormen van een hiernamaals; wat zijn dan de consequenties ervan voor onze gezondheidszorg, ons strafrecht en voor de religies en de parapsychologie? Zijn deze ervaringen nu echt de ‘donkere materie van het bewustzijn’?

ZELFMOORD EN DOODSTRAF


Als er alleen een lichamelijke dood bestaat, maar de geest verder leeft in een andere bestaanssfeer met eigen wetten en regels, heeft zelfmoord geen zin. Meestal hoopt iemand, die zichzelf van kant maakt, dat zijn problemen samen met zijn lichamelijk bestaan eindigen. Maar als we als geest verder leven, zullen we merken dat de problemen nog even erg zijn als daarvoor: vroeg of laat zullen ze toch echt moeten worden opgelost, is het niet tijdens het leven op aarde, dan wel in de geestelijke wereld na dit leven.

Een directe consequentie van dit andere mensbeeld, waarbij we als geest in een lichaam worden beschouwd, is verder dat de doodstraf zinloos is. De misdadiger die als straf voor zijn daden wordt geëxecuteerd, houdt niet op te bestaan, maar gaat alleen over naar een ander bestaansniveau. Ook daar kan hij een heel negatieve invloed uitoefenen op zijn omgeving, maar dan meer in geestelijke zin. Een dergelijke straf verandert de mens niet. De enige oplossing voor criminaliteit is dan ook dat er wordt gekeken naar de oorzaken en achtergronden van de misdaad en degene die hem pleegt. Dat betekent niet dat hij of zij met fluwelen handschoenen moet worden aangepakt, maar wel dat er veel doelgerichter wordt gewerkt om iemand ook mentaal te beďnvloeden en te verbeteren d.m.v. zelfinzicht.

GEZONDHEIDSZORG Ik denk verder dat dit andere mensbeeld ook verstrekkende consequenties heeft voor de gezondheidszorg. Als de mens allereerst een geest is, die tijdelijk van een lichaam gebruik maakt, wordt de zorg voor het geestelijke welbevinden naar verhouding belangrijker dan de zorg voor het lichaam. In plaats van ons blind te staren op allerlei methoden om het fysieke leven van chronisch zieken eindeloos te rekken zullen we dan misschien eerder de moed hebben om de stekker eruit te trekken – dat alles in het besef dat we iemand misschien wel extra leed toebrengen door hem of haar tijden lang kunstmatig in leven te houden. Het bestaan houdt immers met de lichamelijke dood niet op.

Ook belangrijk is voor mijn gevoel dat bij de genezing van allerlei ziekten en aandoeningen veel meer de nadruk komt te liggen op de aanpak van de werkelijke, diepere oorzaken ervan dan op symptoombestrijding. Het onderdrukken van symptomen lost immers niets op; het wegnemen van de oorzaken, die vaak met een verkeerde manier van leven – en dus ook met de psyché - samenhangen, is véél effectiever.

RELIGIE EN PARAPSYCHOLOGIE

BDE’s passen niet in één bepaalde religie. Ze propageren ook niet één bepaalde geloofsovertuiging met uitsluiting van alle andere. Wél hebben ze een paar belangrijke kenmerken gemeen met de grote wereldreligies zoals het christendom, de Islam en het Jodendom. Het idee dat er één God is, dat er engelen zijn, dat het leven een bedoeling heeft - nl. het ontwikkelen en beoefenen van de liefde voor God en de naaste - en de opvatting dat de mens allereerst een geest is, die tijdelijk in een lichaam leeft en na de fysieke dood naar dat onlichamelijke bestaan teruggaat, komt in al die religies voor. In die zin bevestigen ze de kern ervan, zonder zich voor één bepaalde richting uit te spreken.

In wetenschappelijke zin is er voldoende bewijs voor vijf paranormale verschijnselen, nl. telepathie, helderziendheid, de ‘voorschouw’ (voorkennis van dingen die staan te gebeuren), psychokinese en genezing d.m.v. geestkracht (magnetiseren e.d.). Door ervan uit te gaan dat de mens allereerst een geest is in een lichaam vallen deze verschijnselen gemakkelijker te verklaren. Op geestelijk niveau staan mensen met elkaar in verbinding en kunnen ze elkaar zowel negatief als positief beďnvloeden.

TOT SLOT

Ik weet het: deze opsomming was heel onvolledig. Wat me al schrijvend te binnen schoot, heb ik geprobeerd zo goed mogelijk uit te werken. Misschien zijn er mensen die dit korte overzichtje kunnen aanvullen en meer of betere consequenties van een ander mensbeeld kunnen opnoemen. Dan hoor ik dat graag. Of BDE’s inderdaad ‘de donkere materie van het bewustzijn’ vormen kan ik dan ook niet met stelligheid beantwoorden. Wel kan ik proberen een paar aanzetten en ideeën te leveren. Want ik vermoed dat de acceptatie van BDE’s als beschrijvingen van de geestelijke wereld een cultuuromslag zullen veroorzaken die vergelijkbaar is met de Copernicaanse revolutie. Laat ik het hopen, want elke poging om de wereld vriendelijker, liefdevoller en menselijker te maken – hoe bescheiden ook - lijkt me de moeite waard. Daar wou ik dit artikel graag mee besluiten.

Hendrik Klaassens, december 2011
 

 
 02. De moeizame relatie tussen astronomie en astrologie

 

Van oorsprong was de astronomie een wetenschap die door priesters werd beoefend. De reden daarvoor was simpel:  men beschouwde hemellichamen als manifestaties van de goden. Maar ook voor heel aardse zaken als landbouw en navigatie had men kennis van de sterrenhemel nodig. Aan de hand daarvan konden de Oude Egyptenaren bv. vaststellen in welke perioden van het jaar er gezaaid en geoogst moest worden.  Verder zocht men de oorsprong van de mens en zijn uiteindelijke bestemming, evenals het leven na de dood, in de kosmos. Zo dachten de Egyptenaren in de tijd van het Oude Rijk dat de zielen van de overleden farao's als 'Achoe' opstegen naar de circumpolaire sterren, d.w.z. de sterren die nooit ondergaan. Je kunt dat ook zien aan de positie van de schachten die vanuit de koningskamer van de grote piramide van Gizeh in de richting wijzen van de hemelpool. De belangrijkste schacht staat gericht op de ster Thuban, die ca. 2500 v. Chr. de poolster was.

 

Egypte, 4e dynastie, 2500 v. Chr. Vanuit de koningskamer van de grote piramide van Gizeh liep een schacht naar de ster Thuban, de helderste ster van het sterrenbeeld Draak. Dat was in die tijd de Poolster.



De Oude Egyptenaren hebben later hun intuďtieve verbondenheid met het heelal grotendeels verloren. Dat zie je vooral in de latere fases van het Nieuwe Rijk. De dodenboeken uit die tijd zijn vnl. verzamelingen magische spreuken en formules. Men geloofde toen dat je het eeuwige leven zou bereiken als je allerlei toverspreuken foutloos kon opdreunen wanneer je voor het dodengericht zou worden geleid. In 1500 jaar is er een hoop kennis en kosmisch besef verloren gegaan.

Ook andere culturen maakten vanuit een godsdienstig besef studie van de kosmos, zoals bv. de Chaldeeën en de Babylonieërs. Omdat sterren, planeten en sterrenbeelden als verschijningsvormen van goddelijke machten werden gezien, legde men een relatie tussen de standen aan de sterrenhemel en de gebeurtenissen op aarde. In feite vormde dat de basis voor de astrologie.


Van dat 'heilige' besef is heden ten dage zowel bij astronomen als bij astrologen weinig meer overgebleven. De meeste sterrenkundigen verrichten tegenwoordig geen veldwerk meer en zijn zelden achter een telescoop te vinden. Je treft ze steevast aan achter hun pc. Hooguit bestuderen ze de sterrenhemel met peperdure CCD-camera's, die aangesloten zijn op telescopen met een digitale volginrichting, waardoor ze perfect in de pas lopen met de draaiing van de sterrenhemel. Sommige telescopen zoals bv. de Hubble en de Spitzer Space Telescope zweven zelfs in de ruimte. Dergelijke ruimtetelescopen komen er steeds meer. De band tussen de astronoom en de sterrenwereld is dan wel héél dun geworden - nauwelijks dikker dan een pc-kabel.

Astrologen beschikken meestal niet over noemenswaardige kennis van het heelal of van sterrenkundige principes, zoals me al verschillende keren is gebleken. Eigenlijk zijn ze daarin ook helemaal niet geďnteresseerd. Ze hebben een beetje verstand van hemelmechanica, en dan vooral van de beweging van de aarde om de zon, inclusief alle huppelpasjes die de aarde in de loop van 26.000 jaar kan maken. Verder komen ze meestal niet. Ook zij zitten vaak achter de computer. Het maken van een horoscoop is door al die techniek trouwens verbluffend eenvoudig geworden. Vroeger had men nog een beetje verstand van wiskunde en astronomie nodig om een goede horoscoop op te stellen. Tegenwoordig is het bezit van een pc al voldoende. De betekenissen van al die conjuncties, opposities, sextielen en driehoeken rollen er bij het opstellen van een horoscoop automatisch uit. Het komt er alleen nog maar op aan dat je hoofd- en bijzaken van elkaar kunt scheiden. Voor de rest kan een kind de was doen.


Ook in de astronomie gaan de ontwikkelingen tegenwoordig razendsnel. Er is geen enkele wetenschap te bedenken waarin fantasie en verbeeldingskracht zó'n enorme rol spelen als juist de sterrenkunde. In die zin kun je misschien wel van een zin of hang naar het religieuze spreken.


Ik heb wel eens het idee dat populariserende sterrenkundigen de nieuwe goeroes zijn geworden. Het volk hangt aan hun lippen als er weer een ontdekking van een planeet in een ander zonnestelsel bekend wordt gemaakt. Dat is spannend, dat is sensationeel. Ook de speurtocht naar leven in ons eigen zonnestelsel zorgt voor menige thrills. Zo is men enorme onderaardse oceanen op Mars en op de Jupitermaan Callisto op het spoor gekomen. Ook op de Saturnusmaan Titan zou een oceaan rondklotsen en zelfs maritiem leven mogelijk zijn. Zoiets prikkelt de verbeelding. Het succes van zenders als Discovery en National Geographic is voor een deel te verklaren door die niet-onderkende drang naar het kosmische en het goddelijke, naar onze oorsprong en uiteindelijke bestemming; het is alleen nogal ver weggestopt.


Ik denk dat we mensen wel kunnen prikkelen om die twee wetenschappen weer dichter bij elkaar te brengen. Maar dan zal er meer begrip voor elkaar moeten worden opgebracht. Nu is het nog vaak óf het één, óf het ander: óf men gelooft in allerlei spirituele openbaringen en kennis van de kosmos, waarbij wetenschappelijke inzichten worden verwaarloosd of zelfs geminacht, óf men is aanhanger van de wetenschappelijke richting, waarbij alles wat zweemt naar spiritualiteit wordt geminacht en als ridicule onzin wordt afgedaan.

Het besef van de gemeenschappelijke oorsprong van beide disciplines is op zichzelf niet voldoende om ze dichter bij elkaar te brengen. Daarvoor is ook een wat meer holistische kijk op de kosmos nodig. Men zal allereerst moeten beseffen dat de microkosmos en de macrokosmos elkaar weerspiegelen en dat de scheiding tussen binnen en buiten, tussen de menselijke geest en de werkelijkheid buiten hem in diepste zin slechts denkbeeldig is.

Het sterkste bewijs hiervoor is de ontdekking dat het heelal er op grote schaal uitziet als  het netwerk van zenuwcellen in de menselijke hersenen. Sterrenstelsels komen nl. in groepen voor, die op hun beurt weer nóg grotere groepen vormen, de zgn. clusters en superclusters. Nu is het eigenaardige, dat bijna al die sterrenstelsels zich lijken te bevinden op het oppervlak van gigantische bollen, die zelf vrijwel geen sterrenstelsels bevatten. Het heelal vertoont daardoor op héél grote schaal - d.w.z. op een schaal van honderden miljoenen lichtjaren - een soort honingraat- of spinnenwebstructuur, die lijkt op het netwerk van zenuwcellen in onze hersenpan. Is het niet vermakelijk om te bedenken dat al dat geloer naar de kosmos uiteindelijk een beeld oplevert dat verbluffende overeenkomsten vertoont met het brein dat zich suf piekert over zichzelf en zijn eigen plaats in het heelal?

 

 

Op een enorm grote schaal ziet het heelal er bijna net zo uit als de structuur van de menselijke hersenen. Hier zie je een netwerk van duizenden sterrenstelsels. Ze lijken verbluffend veel op het netwerk van de neuronen in onze hersenen.  Foto: NASA.

Hendrik Klaassens.

 
03. Hekserij in Europa: feiten en achtergronden
 

 

Inleiding

Hekserij in Europa: wat moeten we ons daarbij voorstellen? Wie waren de mensen die van hekserij beschuldigd werden en wat hadden ze nu eigenlijk gedaan? Wie waren de aanklagers en waaruit bestonden dan die veronderstelde ‘magische praktijken’?

Het is niet zo eenvoudig om op al deze vragen in kort bestek antwoord te geven. Toch bestaan er wel degelijk onderzoeken die laten zien wat de oorzaken en achtergronden waren van de Europese heksenprocessen. Vaak gaat het daarbij om ‘case studies’, waarbij één bepaald proces van alle kanten wordt belicht. Eén van deze onderzoeken heeft betrekking op de gebeurtenissen die aan het begin van de 18e eeuw plaatsvonden in een klein Zwitsers dorpje. Het is een studie van David Meili, getiteld "Hexen in Wasterkingen”. In dit artikel wordt deze scriptie samengevat en becommentarieerd. Het laat op een onthutsende manier zien hoe mensen ertoe konden komen om anderen te beschuldigen van hekserij en hoe de autoriteiten daarop reageerden. Een verhaal over sociale controle, roddel, achterklap, magie en... heksen!


Wat er gebeurde...

In de maand april van het jaar 1701 beschuldigen de inwoners van het op ca. dertig kilometer van Zürich gelegen dorp Wasterkingen elf van hun medeburgers van schadelijke, magische praktijken. De eerste onderzoeken, uitgevoerd door een predikant en de landvoogd, vallen bij de bevolking niet in goede aarde. Nadrukkelijk eisen de dorpelingen dat het kwaad van de hekserij met wortel en tak wordt uitgeroeid. Zo niet, dan zien zij zich genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en met z’n allen naar Amerika te emigreren.

Dit heeft succes: enkele weken later worden de verdachten overgebracht naar Zürich, waar men hen in het kader van een inquisitie proces een volledige bekentenis over hun misdaden weet af te dwingen. In de zomer en de vroege herfst worden zij voor dit doel onderworpen aan uitgebreide procedures en martelingen. Als hun weerstand is gebroken en zij een volledige verklaring hebben afgelegd, worden acht heksen terechtgesteld. Met deze executies werd het grootste heksenproces uit de geschiedenis van het kanton Zürich afgesloten.


Van dit heksenproces zijn de volledige akten en protocollen van de ca. 150 verhoren bewaard gebleven. Ze leveren interessant materiaal op waarmee je wat meer inzicht kunt verkrijgen in de magische praktijken op het platteland, de achtergronden van de late heksenvervolgingen en het dorpsleven. Het zg. "Kopialbuch” van 160 bladzijden, dat de processen van 1701 verslaat, vormt, samen met andere bronnen zoals bv. gegevens over bevolkingsaantallen, huwelijken, geboorten, kadastrale documenten en genealogische materiaal, een goed uitgangspunt voor een dergelijke studie. Daarmee kan worden geprobeerd wat dieper door te dringen in de achtergronden van de vervolgingen. De rechtbankverslagen leveren immers voldoende materiaal op over ‘afwijkend gedrag’.

 
Het dorp Wasterkingen

In 1767 bestaan er grootse plannen om de landbouwmethoden te verbeteren. Daaraan gaat een onderzoek vooraf naar de efficiëntie van de al bestaande manieren om het land te bewerken. Het beeld dat daaruit naar voren komt tart elke beschrijving. Zo wordt in de winter het vee met stro gevoerd. Maar vaak is daarvan niet genoeg in voorraad. Als men daar doorheen is, wordt het vee - ondanks het risico van een hoge boete - de velden opgedreven. Daardoor worden de landerijen kaalgevreten, er ontstaan gaten in de bodem met brak water. Iets later in het seizoen, als er gezaaid is, wordt de jonge aanplant opgevreten. Van de oogst komt dan ook niet zo veel terecht...

Wie zijn vee niet kon laten overwinteren, kocht in het voorjaar tegen een zeer hoge prijs een koe; in het najaar werd deze weer tegen een veel lagere prijs verkocht. Het enige doel hiervan bestond eruit het vee de hele zomer buiten te houden, zodat niemand anders z'n vee dezelfde weide kon laten afgrazen.

Kortom: men probeerde alleen aan zijn behoeften op korte termijn te voldoen. Van enige planning was geen sprake. Alles werd te gelde gemaakt, omdat de belastingen (accijnzen) erg hoog waren en veel mensen gebukt gingen onder hoge schulden. De bevolking bleef bij dit alles gewoon onverschillig; de rijke boeren incasseerden woekerrenten omdat er veel geleend moest worden.


Er zijn geen aanwijzingen, dat de situatie in 1701, het jaar waarin de heksenprocessen plaats vonden, veel anders was. Van enige organisatie in de landbouw was geen sprake. Dat gold trouwens niet alleen voor de landbouw. Gedurende een groot deel van de 17e eeuw werd Wasterkingen geteisterd door branden, epidemieën en oorlogen (30-jarige oorlog). Vooral door dat laatste verloren veel jonge mannen hun leven. De bevolkingsopbouw was daardoor zeer onevenwichtig geworden. Zo was in 1701 maar liefst 37% van de volwassenen ongehuwd, in 22% van de huishoudens ontbrak één van de ouders of allebei; buitenechtelijke verhoudingen kwamen veel voor. In allerlei opzichten heerste er dus wanorde.


Kenmerkend is verder, dat Wasterkingen - evenals veel andere kleine plaatsjes op het platteland - een bevolking heeft, waarvan de afzonderlijke leden praktisch allemaal aan elkaar verwant zijn. Huwelijken met bewoners van naburige dorpen - afgezien van het nabije Huntwangen - kwamen zelden voor. "Iedereen kent iedereen" dus.

De meeste Wasterkingers leefden op de rand van het bestaansminimum: slechts door hulp vanuit het dorp zelf werden ze niet armlastig. Dat betekent ook, dat ze erg afhankelijk waren van goede contacten met anderen. Onverschillige verstandhoudingen zijn in een dergelijke situatie onmogelijk. Waar iedereen op elkaars lip zit wordt ook iedereen gedwongen een bepaalde houding in te nemen t.o.v. de anderen. Sympathie en antipathie zijn dan ook de belangrijkste factoren die de onderlinge verhoudingen bepalen en het beeld van de gemeenschap als geheel beheersen. Wie in een dergelijke samenleving iets gapt, wordt er zijn leven lang op aangekeken. Dat geldt trouwens ook voor de fouten, die je vader of moeder ooit hebben gemaakt. Zulke irritaties schieten wortel. Dat patroon komt ook tevoorschijn bij de heksenprocessen.

 
De heksen

Nadat in 1684 een klein heksenproces met de vrijspraak van de verdachten was geëindigd, omdat de aanklagers het onderling niet eens konden worden, werden in 1701 opnieuw een aantal dorpsbewoners in staat van beschuldiging gesteld. Om welke aanklachten ging het?

1. Het merendeel had betrekking op kleine ergernissen: zo kon men van melk geen room maken, van room geen boter, de os bleef als door de bliksem getroffen voor de ploeg staan, enz.

2. Ernstiger beschuldigingen hadden betrekking op plotseling optredende ziekten en pijnen bij mens en dier, evenals op de dood van vee. Voor de meeste families betekende dat een regelrechte ramp, omdat men voor het levensonderhoud van de veestapel afhankelijk was.


 
 
 
Opvallend is, dat de aangeklaagden grotendeels nauwe familieleden van elkaar waren. Zo werd een echtpaar beschuldigd, evenals twee van hun kinderen, twee zusters en een schoonzuster van de echtgenote, en verder een neef en een nicht van de aangeklaagde vrouwen. Daarnaast werden aanklachten ingediend tegen twee vrouwen, die geen familiebetrekkingen met de andere 'heksen' onderhielden.

Voor deze beschuldigingen zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Allereerst kwam er veel oud zeer weer bovendrijven.

De vader van één van de aangeklaagde vrouwen had bv. een tijdje de aalmoezen in het dorp moeten uitdelen, maar was daarbij oneerlijk te werk gegaan. Zo iets wordt niet gauw vergeten. Belangrijker aanwijzingen worden gevonden wanneer je kijkt naar de levenssituatie van de aanklagers zelf: ze hadden allemaal grote moeite om het hoofd boven water te houden. Voortdurend hadden ze gebrek aan zelfs de meest elementaire middelen voor hun bestaan, zoals bv. brandhout, stro, hooi en weidegronden. Daar komt nog bij, dat zij in hetzelfde gedeelte van het dorp woonden als de beschuldigden; ze zaten dus regelmatig in elkaars vaarwater.


Het meest karakteristieke voorbeeld is wellicht Jakob Rutschmann; al jarenlang was hij vaak beboet wegens het stelen van brandhout of het voortijdig laten grazen van zijn vee. Doordat hij praktisch aan de grond zat, was hij daartoe wel gedwongen.

Hij is echter niet alleen één van de dorpsbewoners, die het vaakst werden beboet, maar ook verbaal gezien de meest agressieve aanklager: de schuld voor zijn belabberde economische omstandigheden schoof hij af op zijn buren. Door hun hekserij hadden ze hem op het randje van de afgrond gebracht.

Driekwart van de aanklagers had trouwens iets op zijn kerfstok - allemaal economische delicten. Er waren in totaal 32 aanklagers, maar 75% van de aanklachten werden door maar 8 personen ingediend. De meeste beschuldigingen richtten zich daarbij tegen de directe buren. Ook bij hen zie je dus hetzelfde patroon: de levensomstandigheden van elke klager afzonderlijk vormden het belangrijkste motief om naar de rechter te stappen. Deze onvrede met de eigen situatie werd afgereageerd op de naaste buren, waar men toch al jarenlang slecht mee had kunnen opschieten.


Andere opvallende punten zijn:

1. De aangeklaagden en de klagers behoren tot verschillende leeftijdscategorieën. De eerste groep behoort ofwel tot de jongste generatie (jonger dan dertig jaar) of de oudste (ouder dan vijftig); de tweede tot de generatie tussen de dertig en de vijftig.

2. Veel van de beklaagden leefden geďsoleerd - ze hadden weinig geregelde contacten. Een groot deel ervan kwam uit gebroken gezinnen of stond alleen. Andere verdachten hadden een zeer slecht huwelijk.


Met de aanklachten stapte men eendrachtig naar de burgemeester en de raad van Zürich, nadat de eerste halfslachtige onderzoeken van de plaatselijke autoriteiten weinig hadden uitgehaald. Het boerengezelschap stelde de burgemeester voor de keus: als er niet snel en krachtdadig werd ingegrepen, zouden ze met zijn allen vertrekken naar Amerika. Na deze stappen komt de juridische machinerie langzaam, aarzelend eerst nog, in beweging.

 
Het proces

De rechtspraak van de inquisitie verschilde per streek. Duidelijke voorschriften hierover bestonden er betrekkelijk weinig: men wikkelde de inquisitie processen af volgens het lokale gewoonterecht. Het kanton Zürich velde overigens niet meer oordelen wegens hekserij dan andere streken; in tweehonderd jaar tijd werden vierhonderd heksen terechtgesteld. Dat is goed vergelijkbaar met de executies in andere kantons.

Bij de heksenvervolgingen in het 17e-eeuwse Zwitserland baseerde men zich vooral op een studie van de Zwitserse theoloog Ludwig Lavater over het Bijbelboek Job. Daarin vergeleek hij Jobs situatie met die van zijn eigen tijd. Hij beschouwde in deze studie uit 1632 de wereld als een belegerde stad, die steeds door het boze wordt omgeven en bedreigd. Het heksengeloof paste natuurlijk uitstekend in zo'n opvatting. Zijn boek werd veel door het geletterde deel van de boerenbevolking gelezen en verkreeg zo grote invloed.

Ook moet de "Magiologia" uit 1682 van Anhorn worden genoemd. Het bevat o.a. een beschrijving van het "verbond tussen heks en duivel" en een rechtvaardiging van martelpraktijken, dat laatste vooral op grond van schriftuitspraken in het Oude Testament, waarin allerlei vormen van toverij en magie worden veroordeeld.


Deze en andere publicaties gaven voedsel aan het bestaande heksengeloof en plaatsten het in een theoretisch kader. Ze legitimeerden het geweld waarmee de overheid tegen 'heksen' optrad. Volgens deze ideologie - die ons nogal paradoxaal voorkomt - zijn de martelingen een nuttig hulpmiddel om de 'heks' bewust te maken

van de betekenis en draagwijdte van haar 'misdaden'. Men leert haar slechts om haar kwaadaardig gedrag in dat theoretische kader te plaatsen.

Wanneer ze eenmaal een volledige bekentenis heeft afgelegd, mag ze hopen op verzoening en vergeving, maar dat is alleen mogelijk als ze eerst is verbrand...


De verslagen van de verhoren laten doorgaans een aaneenschakeling van vooroordelen, misverstanden en gebrek aan elke vorm van echte communicatie zien. In dit geval is dat wel heel duidelijk. Dat wordt door twee dingen veroorzaakt:

1. De schuld van de beklaagden stond doorgaans bij voorbaat vast;

2. De dorpsbevolking bediende zich van een ander type spreektaal dan de magistraten. De voorliefde voor metaforen, spreekwoorden en allerlei vergelijkingen werd door de rechters vaak verkeerd uitgelegd. Ook gebruikten de boeren vaak Bijbelcitaten, zonder dat ze wisten wat ze betekenden: ook hierdoor laadden ze de verdenking op zich er allerlei afwijkende ideeën op na te houden.
 

 
 
Als eerste van de arrestanten wordt Anna Wiser verhoord: waarschijnlijk omdat ze naďef is en erg spraakzaam. Deze jonge boerin wordt aan het begin van het proces herhaaldelijk ondervraagd, net zo lang totdat het net zich om haar begint te sluiten. Wanneer ze zich gedwongen ziet eerdere uitspraken te herroepen of te corrigeren, wordt ook het proces tegen de anderen versneld. Men confronteert de getuigen met elkaar en probeert ze daardoor tegen elkaar uit te spelen. Onder het toeziend oog van de rechters vliegen de beledigingen over en weer.

Dat werpt zijn vruchten af: als de eerste beklaagde eenmaal heeft bekend dat ze zich met lichaam en ziel aan de Duivel heeft overgegeven en van de weeromstuit ook haar schoonmoeder beschuldigd van deze "verdammenswerte Lustbarkeiten mit dem Teufel”, komt het zaakje letterlijk en figuurlijk aan het rollen. Op 14 juli 1701 zijn de eerste vier 'heksen' terechtgesteld.

In het dorp breekt paniek uit. Eerder waren verschillende mensen trouwens al gevlucht: twee ervan worden later opgepakt en meteen ook beschuldigd van hekserij. Nauwelijks een maand later worden ook op hen de gebruikelijke stigmata geplakt. Onder de beproefde handen van de inquisitie zijn ze reddeloos verloren.

 
Gaandeweg komt er echter een kentering in het proces: begin september wordt onverwacht een verdachte vrijgelaten. Waarschijnlijk moet de oorzaak gezocht worden in het feit, dat de kosten zo langzamerhand de pan uitrezen. Bovendien werd de procesvoering tegen de laatst overgebleven verdachten bemoeilijkt doordat men slechts met de grootst mogelijke moeite concrete bewijzen kon vinden voor hun schuld.

Op 15 september wordt de laatste heks, een jonge vrouw van 23, terechtgesteld. Haar beide kinderen, die men eerder al had gebruikt om tegen hun moeder te getuigen, worden eerst nog een paar maand lang onderworpen aan een verzwaarde vorm van catechisatie alvorens ze aan de plaatselijke armenzorg worden toegewezen. Op 17 november worden de procesacten gesloten. Daarmee kwam een einde aan het grootste heksenproces uit Zürich's geschiedenis.

 
De magie

Een originele opvatting over magie werd naar voren gebracht door Marcel Mauss: het is een maatschappelijk verschijnsel, dat vergeleken kan worden met religie en wetenschap. I.t.t. de religie heeft de magie echter géén abstract, maar een concreet doel, bv. het beschadigen van andermans eigendommen. I.t.t. de wetenschap gebruikt de magie geen rationele manier van denken. Met woorden en gebaren probeert ze dezelfde doelen na te streven als de techniek d.m.v. arbeid.

 
De voorstellingen die men zich maakt van magische praktijken, worden door alle leden van een gemeenschap gedeeld. Het magische ritueel is daarbij een sociaal gebeuren, omdat het individu dat er gebruik van maakt, zich daarmee probeert te verzetten tegen zijn omgeving, meestal uit machteloosheid om zich op een andere manier te weer te stellen. Seksuele frustraties spelen daarbij ook een rol.

Dit model laat zich ook goed toepassen op de plaatselijke situatie in Wasterkingen. Machteloosheid t.o.v. de eisen van de omgeving vormt vaak de reden om allerlei vormen van magie uit te proberen. Dat er verschillende magische rituelen in zwang waren lijdt overigens geen twijfel. Genoemd worden o.a. het 'Lachsnen' en het 'Bräucken'; in feite zijn dit vormen van witte magie die tegen de schadelijke effecten van zwarte magie worden ingezet.

Uit de verhoren blijkt, dat zwarte magie met name wordt gebruikt door gedesillusioneerde figuren, die lijden aan contactarmoede of gebukt gaan onder benarde economische omstandigheden; ook zijn zij vaak seksueel totaal gefrustreerd.

 
De gevoelswereld


I.t.t. wat in populaire werkjes vaak wordt beweerd, zijn de opvattingen over seksualiteit van het conservatieve Zwingliaanse protestantisme nauwelijks verantwoordelijk voor het feit, dat velen zich seksueel onbevredigd voelden. Integendeel: de plaatselijke dominees namen een erg pragmatische houding aan in dit soort kwesties. Buitenechtelijke verhoudingen werden getolereerd, mits ze maar niet te veel overlast veroorzaakten. De mensen leefden bovendien zó dicht op elkaar, dat ze af en toe wel 'es een oogje dicht moesten knijpen. Zo sliepen bv. meestal 3 of 4 mensen in één bed: de leefruimte was erg klein.

Uit de procesakten blijkt verder, dat seksuele contacten met de duivel op ongeveer dezelfde manier worden beschreven als seksuele contacten met dorpsgenoten. Verschillende verklaringen zijn daarvoor mogelijk. Ze hebben veel te maken met de woon- en leefsituatie van de bevolking.            

1. De bevolkingsopbouw is erg onevenwichtig; er waren veel alleenstaanden en één-ouder-gezinnen. De 'heksen' waren ook vaak alleenstaand of moesten leven met een zeer slecht huwelijk.

2. Verkrachting moet in die tijd in plaatsjes als Wasterkingen veel zijn voorgekomen. De aangeklaagde vrouwen beschrijven de duivel als iemand, die hen tegen hun zin onder handen neemt.

3.  Er zijn ook aanwijzingen, dat zelfbevrediging wel als seksuele omgang met de duivel werd gezien. Sommigen geloofden nl., dat de duivel bij deze praktijken zelf niet kon worden waargenomen...

4. Volgens lokaal gebruik vierde men de Silvesternacht, de 31 december, in kleine kring in een schuur of huiskamer: op zo'n avond kwam altijd een in het bruin of zwart geklede man binnen, die zijn gezicht met roet had ingesmeerd. Nadat hij een dansje had gemaakt met de aanwezige vrouwen verdween hij weer even geheimzinnig als hij gekomen was.

De getuigenverklaringen doen vermoeden, dat men de viering van dit feest voor geheimzinnige bijeenkomsten met de duivel had aangezien. Dit feest was al vóór 1701 verboden.

5. Ook het dansen was verboden: men beschouwde het als een uitvinding van de duivel (!). Soms gebeurde het stiekem. Paranoďde omstanders of gluurders meenden dan een heksensabbat te hebben gezien.

 
De ideeënwereld

In 1934 publiceerde Hedwig Strehler een proefschrift over de cultuurgeschiedenis van het kanton Zürich. Uitgaande van de opvatting, dat denkpatronen en -beelden zich allereerst uiten in de spreektaal, heeft zij met succes geprobeerd wat meer inzicht te verkrijgen in de fantasieën en voorstellingen, die de dorpelingen er op na hielden. Volgens haar is de plattelandsbevolking uitstekend in staat haar ideeën te verwoorden; zelfs zeer abstracte gedachtegangen worden door hen trefzeker uitgedrukt. Aan de hand van deze veronderstelling kunnen ook de verslagen van de heksenprocessen onder de loep worden genomen.


De resultaten laten zich a.v. samenvatten:

1. Het eigen dorp wordt als centrum van de wereld ervaren: het valt samen met de wij-groep. Naarmate men er zich verder van verwijdert, begint men zich des te onbehaaglijker te voelen. Kortom: de wereld is begrensd. Als men zich ruimtelijk van haar middelpunt verwijdert, verliest men aan geestelijk houvast.

2. Dit besef van begrensdheid hangt samen met een sterke gevoelsmatige binding aan het eigen dorp.

3. Men voelde zich ook zeer gehecht aan zijn eigen spullen (huisraad, persoonlijke bezittingen). Als hun het vuur na aan de schenen werd gelegd, verlangden de 'heksen' naar huis en bovenal naar hun eigen, vertrouwde spulletjes. Talrijke vergelijkingen en uitdrukkingen verwijzen dan ook naar deze voorwerpen.

4. Alles wat men niet begreep of buiten het normale verwachtingspatroon viel, vormde een potentiële bedreiging: het magische vulde de lacunes in de kennis op. Werkelijkheid en fantasie gingen naadloos in elkaar over. I.t.t. het rationalistische denkpatroon baseerde het "barokke" denken van de plattelanders zich op associaties, projectie, het aan elkaar vast breien van feiten en fantasie, alsook op tegenstellingen zoals bv. die tussen sympathie en antipathie.


Je kunt je afvragen welke plaats God en de door de kerk beleden religie in deze ervaringswereld nog konden innemen. Uit de antwoorden, die verdachten geven op geloofsvragen, blijkt dat ze hun geloof meestal gelijkstelden aan het kunnen opdreunen van bepaalde passages uit de "Fragstückli" - een combinatie van een catechismus en een stichtelijk boek - of uit de Psalmen. Het geloof is dus de religieuze kennis die men bezit; het religieuze bewustzijn daarentegen beperkt zich tot het besef van de eigen zondigheid.

Toch blijven veel verdachten steeds vertrouwen op de gerechtigheid van God, zelfs wanneer ze aan een lier worden opgetrokken om tot bloedens toe te worden gefolterd. Het aardse en het lichamelijke hebben in hun ogen maar geringe waarde; men leeft vanuit een sterk verlangen naar verlossing daarvan. Hun levensbeschouwing is gericht op een onbekende wereld over de drempel.

 
Het schandaal

In de maand februari van het jaar 1705 vindt de ontknoping plaats van één van de grootste tragikomedies uit de geschiedenis van Zürich. Nadat de ambtswoning van de hoogste geestelijke ter plekke jarenlang bezocht was door manifestaties van de duivel, ontpopte één van zijn huisgenoten zich als het "spook". Deze pesterijen dienden ertoe om de aandacht af te leiden van een stiekeme relatie, die deze huisgenoot - nog wel een dominee - met een nicht van de heer des huizes onderhield.

Het schandaal van 1705 wordt een keerpunt in de houding tegenover het geloof in hekserij: bij de dood van de door de duivel geplaagde geestelijke neemt ook zijn grootste vijand afscheid van deze wereld. De heksen, die sindsdien door de overheid worden opgepakt, zijn nu geen onderzoeksobjecten van de demonologen meer, maar van medici. Vanaf 1709 worden al diegenen, die zichzelf aanklagen wegens hekserij, bestempeld als "hysterisch". In Zürich wordt een onderkomen in gereedheid gebracht waar deze vrouwen aan de zorg van potige ziekenbroeders worden toevertrouwd. Deze instellingen nemen voortaan de functies van inquisitie en scherprechter over.

 
De illustraties in dit artikel zijn afkomstig uit het schilderijenarchief van Johfra Bosschart


Aanvullende lectuur:
Middeleeuwse witte en zwarte magie in het Nederlands taalgebied
Willy L. Braekman

- Hendrik Klaassens -