Tocht onder trance door het heelal.

Tocht onder trance door het heelal.
een verhaal van Hendrik Klaassens

 



 

Hendrik over zijn verhaal:


Het is in die zin bijzonder, omdat ik hierin de ideeën van verschillende mystici en zieners over het leven op andere werelden heb verwerkt. Hierin beschrijf ik planeten waarop de beschaving vooral op het spirituele in de mens is gebaseerd.

 

Een pijlsnelle reis in de geest

In een ontspannen houding, de armen losjes gespreid, ging hij op de bank liggen. Daarna zoog hij zijn longen vol lucht terwijl hij zijn oogbollen zo ver mogelijk naar boven draaide. Langzaam liet hij daarop de lucht uit zijn longen ontsnappen terwijl hij zijn blik weer in horizontale positie bracht. Met grote concentratie herhaalde hij dat enkele keren totdat hij soezerig begon te worden. Daarop sloot hij zijn ogen. De trance kon beginnen.

Scherp richtte hij zijn aandacht nu op de vakantievilla achter de eerste duinenrij – het plekje waarheen hij zich altijd in de geest verplaatste als hij onder hypnose ging. In de slaapkamer van het optrekje trok hij zijn zwembroek aan, nam een badlaken uit de kast en liep daarna over een rul zandpad het duin op. Op de top aangekomen zag hij de Noordzee voor zich. De zilte zeelucht prikkelde zijn neusgaten. Enkele meeuwen scheerden krijsend over de branding, verder was er geen levend wezen te bekennen.

Aan de voet van de duinen rolde hij het badlaken uit en ging erop liggen. Nu kwam het moeilijkste gedeelte. Scherp concentreerde hij al zijn aandacht op zijn middenrif waar zich de zonnevlecht bevond, de verbinding tussen geest en lichaam. Voorzichtig liet hij daarop zijn geest uit zijn lichaam glippen. Alleen met een dun, zilveren koord was hij nog met zijn lichaam verbonden, verder was hij vrij om zich overal naartoe te verplaatsen.


In duizelingwekkende vaart steeg hij nu op boven het strand totdat hij de Waddenzee in zijn geheel kon overzien. Links daarvan tekende zich de gebogen lijn af van de Hollandse Noordzeekust, verder naar het westen doemde al de Engelse oostkust op. Hier en daar zag hij minuscule donkere streepjes op het glinsterende zeeoppervlak: dat moesten olietankers zijn. Als een soort Icarus, maar dan zonder vleugels, bleef hij zo nog een tijdje stijgen. Hoog boven de Atlantische Oceaan pauzeerde hij even om op zijn gemak naar beneden te kijken. De bolvorm van de aarde was nu duidelijk zichtbaar; de hemel daar omheen was inktzwart. In de ruimte ontwaarde hij bekende sterformaties, maar hun licht was veel helderder dan vanaf de aarde. Bovendien flonkerden de sterren niet; ze zonden een scherp, bewegingloos licht uit dat bijna pijn deed aan zijn ogen.

Uitgelaten vanwege de tomeloze vrijheid waarmee hij zich kon verplaatsen hervatte hij zijn lange klim naar de sterrenhemel. Onder hem zonk de aarde langzaam weg. De maan leek wel een geel pingpongballetje dat op grote afstand om de aarde cirkelde. Mars en Venus zag hij als zwakke lichtpuntjes in de verte. Alleen de gasreuzen Jupiter en Saturnus waren kleine bolletjes die, omstuwd door tientallen manen, in de uitgestrekte diepten van het zonnestelsel hun baantjes trokken om de zon.

Een juichkreet welde in hem op: dit had hij tot dusver alleen maar gezien op NASA-foto’s van ruimteverkenners die na een eenzame vlucht van jaren bij de buitenplaneten van het zonnestelsel waren aangekomen om daar duizenden haarscherpe opnamen te maken van hun oppervlak. Hij had al na enkele minuten de rand van het zonnestelsel bereikt. Wat zou hij daarbuiten te zien krijgen? Ook al kende hij de sterrenhemel op zijn duimpje, toch begon het hem te duizelen bij de gedachte aan de sprong over een afstand van lichtjaren naar andere sterren.

Besluiteloos bleef hij een tijdje boven het zonnestelsel hangen totdat hij opeens een gestalte ontdekte die hem met hoge snelheid naderde. Schijnbaar moeiteloos, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, zweefde deze op hem af. En opeens besefte hij weer dat hij hier in uitgetreden staat naartoe was gereisd en daarom in principe ook andere geesten kon ontmoeten. Wie zou die man toch zijn? Wat wilde hij? Was het een geest of misschien een engel? 


Op een verre sterrenwereld

De man had een jeugdig uiterlijk en droeg een lang, wit gewaad. Toen hij hem tot op een paar meter was genaderd, bleef zijn gestalte roerloos, als een tot leven gekomen hemelteken, voor hem in de ruimte zweven. Helder stak zijn silhouet af tegen het gitzwarte, met sterren bezaaide firmament. "Wat houdt je tegen om andere zonnestelsels te bezoeken?”, vroeg hij, alsof hij de aangesprokene kende en zijn gedachten had geraden. "Zie je op tegen de reis door de interstellaire ruimte? Dat hoeft niet: als je reist in de geest, wordt de duur van je reis niet door de materie, maar door je eigen gedachten bepaald. Alles is een kwestie van concentratie. Kies gerust een ster uit waar je naartoe wilt en richt al je aandacht daarop, dan zul je daar over enkele ogenblikken verschijnen.”

"Ongetwijfeld hebt u gelijk”, antwoordde de aangesprokene, "u schijnt te weten waarover u spreekt. Maar wie bent u? Hoe komt het dat u wist wat ik van plan was? Bent u een engel?”

"Dat ben ik”, antwoordde de man, "men noemt mij Naftaniël. Ik ben een gids voor reizigers tussen sterrenwerelden. Er zijn maar weinigen die over voldoende diepgang en verbeeldingskracht beschikken om de indrukken, die men op verre werelden opdoet, te kunnen verdragen. Maar als je je onder mijn bescherming stelt, zal ik alles in goede banen leiden. Ik wist, Peter, dat je zo ver zou komen, en heb je opgewacht. Als jij dat wilt, zal ik je planeten laten zien die sterk verschillen van de aarde. Zie je die witgele ster in de Kleine Hond? Op aarde noemt hem Procyon. Als je je daar op concentreert, zijn wij er over enkele ogenblikken.”

Peter stemde toe. Hij fixeerde al zijn aandacht op die ster, en merkte dat ze er even later waren aangekomen. Het firmament was plotseling veranderd; uit sommige constellaties waren sterren verdwenen, terwijl andere sterrenbeelden waren vervormd. Geen wonder: hij bevond zich nu op meer dan tien lichtjaar van de aarde. Onder hen bevond zich een planeet die wel iets weg had van de aarde; hij was alleen wat groter en bevatte minder oceanen. Ook ontbraken de poolkappen die zo kenmerkend zijn voor onze eigen wereld.  

"We dalen nu af naar het oppervlak. We maken een rondgang over deze planeet, die de derde is vanaf de hoofdster Procyon. Onthoud dat wij voor de bewoners ervan onzichtbaar zijn, maar wij kunnen hen wel zien. Als je iets weten wilt, kun je het mij gerust vragen, maar neem eerst maar op je gemak alle indrukken in je op. Dan zal jou veel duidelijk worden.”

Even later landde het tweetal in een zacht glooiend, heuvelachtig gebied. De toppen van de heuvels waren bedekt met hoog gras. Daaromheen groeiden reusachtige loofbomen, groene kathedralen waarvan de takken de hemel leken te raken. Er was geen levend wezen te zien. Langzaam zweefden ze voort boven een smal, slingerend pad totdat ze een dal bereikten waarin zich een kleine nederzetting bevond. In een wijde kring stonden daar zo’n dertig woningen, witgepleisterd en met een koepelvormig dak. Iets verderop was tegen een heuvelflank een soort tempel gebouwd, opgetrokken uit doorzichtig materiaal. Het gebouw was vrij groot, langwerpig en bezat verschillende torens. Voor de ingang stond een man in een lang, diepblauw gewaad; zijn handen rustten zegenend op de kruin van een vrouw die op een krukje voor hem zat. Beiden hadden hun ogen gesloten. Af en toe prevelde de man iets in een zangerige taal. Daarop viel de vrouw in slaap. De man – kennelijk een priester – riep iets, waarna twee helpers te voorschijn kwamen die de vrouw in het inwendige van de tempel droegen.

Vragend keek Peter zijn gids aan. "De priester, die je daar ziet, heeft een vrouw die hulp bij hem zocht in een genezende slaap gebracht en daarna naar binnen laten brengen”, verklaarde hij. "Daar zal ze herstellen, maar dat kan wel een paar dagen duren. Op deze wereld worden mensen genezen door de krachten van de geest, soms aangevuld met een behandeling door kruiden. Dat gebeurt allemaal heel kalm en ordelijk. Valt jou trouwens in het dal iets op? Kijk eens goed naar de huizen van de nederzetting; wat zie je?”

Peter draaide zich om en keek naar het dorp. Enkele vrouwen stonden daar met elkaar te praten. Verderop speelden een paar kinderen. Maar ook zag hij schimmen die tussen de huizen liepen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Eén van de vrouwen voerde zelfs een geanimeerd gesprek met hen, terwijl hij zeker wist dat het zielen van overledenen waren. Wat moest dat betekenen? Op wat voor een vreemde wereld was hij terecht gekomen?

De bewoners van grote sterrenwerelden

De gids ving Peters verbazing op en verklaarde: "Wat je hier ziet is niet zo vreemd als het lijkt. Op aarde is er een grote kloof tussen de wereld van de levenden en de sfeer waarin de zielen van overledenen verblijven. Dat komt doordat de mensen op aarde sterk gericht zijn op de materie. Voor de subtielere signalen vanuit de geestelijke wereld hebben zij zich meestal afgesloten. Dat betekent niet dat die signalen op aarde ontbreken, maar in de meeste culturen is het de gewoonte om die te negeren. En door dat stelselmatige negeren van manifestaties uit de geestelijke wereld verliest men op den duur ook werkelijk het vermogen om ze waar te nemen. Op de sterrenwerelden wordt juist geleerd om je ervoor open te stellen. Daardoor is de scheidslijn tussen de wereld van de levenden en de sfeer van de overgegane zielen daar ook lang niet zo groot.

Toch kunnen de bewoners van deze planeten niet álle zielen van gestorvenen zien; dat geldt alleen voor de zielen van mensen met wie ze tijdens hun leven al een nauwe band hadden, zoals met vrienden of familieleden. Voor andere zielen bestaat die scheidslijn dus wel. Maar de vrouw die je in dat dorp ziet, spreekt met haar vader en een paar broers die kort geleden zijn gestorven. Zij zien elkaar niet alleen, maar voelen ook elkaars gedachten en emoties aan. Daarom zullen we hen nu niet storen en de tempel binnengaan. Let goed op alles wat je daar te zien krijgt; sommige dingen zullen je nog goed van pas komen als je weer terug bent in je lichaam.”

Enkele ogenblikken later betraden ze het inwendige van de tempel, die tegen de helling van een lage heuvel was gebouwd. Vandaar had je een prachtig uitzicht op de kleine nederzetting in het dal en op een verre bergketen met besneeuwde pieken. Via een zijingang belandden ze in een ruimte die veel weg had van een bibliotheek. Aan alle wanden waren planken bevestigd waarop boeken stonden opgesteld. De ruggen van de boeken bevatten echter geen schrifttekens, maar kleine, gestileerde tekeningen, enigszins vergelijkbaar met het Oudegyptische hiërogliefenschrift. Ze zagen hoe een priester een boek van een plank pakte en ermee naar een lage tafel liep. Hij sloeg het boek open, legde zijn handen met gespreide vingers op de bladzijden en sloot daarop zijn ogen. In gedachten verzonken bleef hij zo een tijdje zitten; het leek wel alsof hij sliep. Korte tijd later stond hij op en legde het boek terug op de plank waar hij het van af had gepakt. Hij zag eruit als iemand die net een ingewikkeld vraagstuk had opgelost. Daarna begon hij snel te schrijven in een schrift dat hij uit de wijde plooien van zijn mantel te voorschijn had gehaald.

"Ongelofelijk! In een paar minuten heeft hij de inhoud van het boek in zich opgenomen”, merkte Peter op, "en dat deed hij ook nog met gesloten ogen! Hoe kan dat?”

"Heel eenvoudig”, antwoordde Naftaniël. "Het is geen gewoon boek, want het werkt volgens een heel ander principe. De inhoud ervan is niet d.m.v. drukletters op het papier aangebracht, maar d.m.v. gedachtevormen. Een wijze, die thuis was in het onderwerp waar het boek over ging – in dit geval de kosmos – heeft zijn inzichten over de ruimte d.m.v. gedachtevormen aan het boek gehecht. Wie zich nu – net als de priester - die inzichten eigen wil maken, hoeft zich alleen maar voor die gedachtevormen open te stellen. Daardoor verbindt hij zich met de inhoud van het boek en wordt er als het ware één mee. Een snellere methode van kennisoverdracht is er niet. In enkele minuten kun je op deze manier de inhoud van een complete encyclopedie in je opnemen. Zo gaat men op veel grote sterrenwerelden te werk. De taal doet er ook niet, want deze gedachtevormen zijn universeel.”

Peter knikte. "Dat begrijp ik nu. Maar er zijn nog  een paar dingen die ik graag zou willen weten. Welke godsdienst hebben deze mensen van planeten waar ze zich hebben toegelegd op het ontwikkelen van de geest i.p.v. de materie? En hoe is volgens hen het heelal ontstaan? Bereizen deze bewoners van de sterrenwerelden de ruimte?”

"Ik zal jouw vragen beantwoorden”, antwoordde de gids. "Maar daarvoor moeten we naar een andere tempel, die ook als sterrenwacht dienst doet: daar is al deze kennis opgeslagen. Ik zal je in de geest verbinden met het Boek van de Kosmos, een priesterlijk geschrift. Daarna zal ik je terugbrengen naar de aarde, want ik merk dat je vermoeid begint te raken. Kom, geef mij je hand, dan begeven we ons naar de laatste plek die ik je van deze wereld zal laten zien. Je reis door de kosmos eindigt daar.” 

 

In de tempel van de kosmos

Peter greep de uitgestoken hand van Naftaniël. Daarop vervaagde de omgeving. Het leek wel alsof ze opeens in een mistbank terecht waren gekomen; alleen hun eigen gestalten waren nog duidelijk zichtbaar – een gevolg van hun razendsnelle verplaatsing in de geest. Even later verdween de mist en doemden voor hen de omtrekken op van een gebouwencomplex op een bergplateau. Het leek wel een sterrenwacht, bestaande uit een heleboel rechthoekige gebouwen met witte koepels die d.m.v. gangen met elkaar waren verbonden. "Dit is de tempel van de kosmos”, sprak Naftaniël, "we gaan nu naar de bibliotheek. Daar zal ik je het boek laten lezen dat de antwoorden bevat op al je vragen.”

Ze betraden een grote hal. Aan alle kanten stonden boeken tegen de wanden opgesteld. Op een verhoging in het midden van de hal stonden enkele tafels. Achter één ervan zat een priester voorovergebogen boven een boek. Zijn handen rustten met gespreide vingers op de bladzijden. "Ik zal je nu verbinden met het bewustzijn van die priester”, sprak Naftaniël, "zodat je met hem mee kunt lezen.”

Voor zich zag Peter een eindeloze donkere ruimte; het leek wel een peilloze afgrond. Nergens was een sprankje licht te bekennen en nergens was er ook maar een vonkje bewustzijn dat die duisternis tot leven zou kunnen wekken. Hij ervoer een diepe verlatenheid, alsof hij gedoemd was miljarden jaren rond te zwerven door eindeloze leegten. Een gevoel van benauwdheid greep hem aan – totdat er in die diepten opeens een vonkje opgloeide. Het begon te fluctueren, werd zich steeds meer van zijn eigen bestaan bewust en vormde lichtvingers waarmee het begon te tasten door de diepten van het wereldruim. Steeds verder reikten zijn gedachten, totdat er opeens vanuit de diepten van zijn bewustzijn een machtige lichtstraal door de verten schoot: trillend, pulserend, alsof het die eindeloze verten met zijn bewustzijn wilde vullen, tot leven wilde wekken met zijn goddelijke kracht.

De verten beantwoordden de lichtpulsen, die elkaar in een steeds sneller tempo opvolgden, en stilaan vormden zich in de duisternis van de wereldruimte donkere wolken die door de inwerking van het goddelijk licht op den duur zelf ook licht begonnen uit te stralen. Zo ontstonden de eerste sterrenstelsels, reusachtige, flonkerende wielen van licht, die op hun beurt sterren voortbrachten, waaromheen zich planeten vormden met hun manen. Steeds sneller voltrok zich dit proces, totdat de hele ruimte gevuld was met allerlei soorten hemellichamen in onnoemelijke aantallen.

Het vonkje, dat was uitgegroeid tot een baaierd van licht, voelde dat er iets essentieels ontbrak en dook met zijn bewustzijn in zichzelf om te onderzoeken wat dat zou kunnen zijn. Toen het was uitgedacht, besprenkelde het de wereldruimte naar alle kanten met vonkjes van zijn eigen bewustzijn. Zo beademde het de kosmos met leven, dat weldra op allerlei plaatsen opschoot – eerst in de vorm van heel eenvoudige, eencellige organismen, later in de gedaante van vissen en landdieren, en tenslotte in de vorm van mensen. 

In geestelijke zin leken de mensen, die op allerlei werelden waren ontstaan, nog het meest op zijn eigen goddelijk bewustzijn, want net als Hij waren ze zich scherp van hun eigen bestaan en scheppende vermogens bewust, maar i.t.t. hun Schepper was hun geest gekerkerd in een fysiek lichaam. Door de beperkingen van dit lichaam moest hun bewustzijn, dat nog ruw en zelfzuchtig was, steeds verder rijpen in liefde en mededogen, totdat ze op den duur mochten terugkeren naar Hem, de oerbron van al het bestaande.

Op veel planeten kozen de kinderen van God voor een leven in harmonie met de goddelijke wetten van liefde en wijsheid. Daar bloeiden beschavingen waarin de mensen leefden in verbondenheid met God en de geestelijke wereld, zodat ze voortdurend door engelen verder werden geholpen. De mensen leefden er vreedzaam en ontwikkelden machtige vermogens van de geest. Op andere werelden, zoals de aarde, verloren de mensen hun contact met de geestelijke wereld omdat ze zich blind staarden op de materie. Op deze planeten nam de techniek een hoge vlucht, omdat de bewoners verzuimden hun geest te ontwikkelen. Maar omdat hun technische kennis geen gelijke tred hield met hun geestelijke ontwikkeling, raakten zulke werelden vaak in een diepe crisis. Sommige beschavingen vernietigden daarom zichzelf, andere kwamen hun crisis pas te boven toen ze zich opnieuw met de geestelijke wereld hadden verbonden.

Opeens hield de priester, met wiens bewustzijn Peter al die tijd verbonden was geweest, op met lezen. Hij stond op, sloeg het boek dicht en zette het terug in de kast. Peinzend liep hij daarna door naar de sterrenwacht in een aangrenzend gebouw. Daar richtte hij een telescoop op de aarde. Bezorgd keek hij naar de blauwwitte planeet, terwijl de laatste beelden die hij in het boek had gezien, hem nog helder voor de geest stonden: de aarde stond op een gevaarlijk keerpunt in zijn geschiedenis.

Naftaniël keek Peter aan. "Je weet nu alles wat je weten moet. Ik stuur je terug naar je lichaam. Daar zul je over enkele ogenblikken in wakker worden. Schrijf op wat je hebt gehoord en gezien. Haast je, want er is nog maar weinig tijd. Ga nu, je reis is hiermee ten einde.”