Gedichten van Hendrik Klaassens

 
 
 
 
 
 01. Rappend op weg naar een andere wereld - 02. Stenen vingers - 03. Satire op de valse romantiek, versie 1 - 04. Satire op de valse romantiek, versie 2 -  05. Het Luciferische – 06. Antifoon - 07. Stervensuur - 08. Dodencel, Houston, 1982 -  09. Reïncarnatie -  10. Woordmagiër - 11. Meteoor - 12. Kosmische geboorte – 13. Existentie – 14. Epiloog - 15. De zwerver - 16. De zelfmoordenaar – 17. Angst – 18. Thuiskomst - 19. Tegenvoeter - 20. Tijdwachter - 21. Toen ik een boze brief had verscheurd - 22. Schepping - 23. Treurdicht op de theologie - 24. Dageraad - 25. Orion - 26. Strandfoto's, Schiermonnikoog, 1976 - 27. Fleanende Hollanner - 27a. Vliegende Hollander - 28. Residu - 29. Farewell to a friend - 30. Euridice -  31. Klein Dodenboek - 32. Op een Spaanse stier - 33. Intercity - 34. Op Helena van Troje - 35. Straatvrees - 36. Two short poems - 37. Poëtische beschouwingen -
 
 
 
 
Hendrik Klaassens is een geboren Groninger maar is gehuwd met een Friese vrouw. Hij woont al sinds lang in Leeuwarden. Hij heeft een grote passie voor astronomie, maar ook voor het spirituele en voor woordkunst. Dat is duidelijk merkbaar in zijn pennen#28vruchten. Ik kreeg zijn toestemming om een aantal van zijn gedichten, verhalen en reportages, die hij me in de loop der jaren toestuurde, hier te publiceren. Sommige van zijn gedichten werden door zijn vrouw, Tineke, vertaald in het Fries.
Ik hoop dat jullie ervan genieten.
Gelieve deze gedichten en teksten niet te gebruiken zonder toestemming. 

 
 
 
 
 
 
 01. Rappend op weg naar een andere wereld


Al die kerken, clubjes, sekten, wat al niet:
Ieder zingt op zijn manier het hoogste lied!
Maar de vrije geest zet men in ’t cachot:
Geloven zijn er veel, toch is er maar één God!
 
Moeten we de eenheid nog gaan leren
Na al die honderdduizend keren
Dat de kerken zijn gescheurd en zijn gesprongen
Omdat men zei: ‘de waarheid wordt hier zó verwrongen!’

Zo wordt de ene kerk na d’ andere opgericht
En het brave volk door dominees verlicht
Maar welk licht geven zij dan door
En belijden zij in koor?

De mensengeest is vrij en kan niet worden gebonden.
Met woorden kunnen we elkaar verwonden,
Maar het licht van de geest blijft altijd stralen
En doet ons van een andere wereld verhalen

Waarin de leeuw zal spelen met het lam:
Dat is het woord dat elk van ons vernam
Over de nieuwe tijd die aan zal breken
En steeds meer mensen aan zal spreken!

Laten wij dan voortgaan met het Woord
Door geen kracht ter wereld meer gestoord,
Steeds ons hart op onze Vader gericht:
Hij alleen is ons leven, is ons Licht!

Geen macht ter wereld kan ons deren
Naarmate wij de liefde en de deemoed leren
Of wij dat nu doen in de rap of een gezang:
De liefde voor Hem duurt ons leven lang!

Hendrik Klaassens 28-2-2006.


02. Stenen vingers


in 1978 gepubliceerd in de verzamelbundel "Groningen Poëzie", dl. 2.



Op een late namiddag in midfebruari
loop ik samen met jou
over bedauwd grasland
langs het riet van een traag kanaal.
Jouw laarzen stevenen voor mij uit
door hoge vergeelde stengels
- sporen een weg uit naar de kim.

Jouw ogen schitteren vochtig
als de waterigrode zon
zich door de vochtlagen boort.
Je praat en je lacht tegen me:
strompelend door de kuilen
houd ik je bij.
Over bevroren kluiten modder
en krakende halmen
stappend, geef ik je antwoord
waarop jij me verrast aankijkt,
glimlachend porren in m’n zij.

Na thee en breinaalden
neem je me mee
naar de schemer
van dalende stofbundels zonlicht
binnenvallend over ’t rommelige binnen
van je goedverwarmde slaapkamer.
Je nodigt me uit jou te raken
aan jouw warme lichaam,
maandagmorgen is nog ver.

Tot,
van mij, een schimmig woord,
‘misschien’,
uit grove werkelijkheid van
vermoeide ervaring,
jou verkilt, de adem vertraagt,
verwolkt het in flarden, weg over
lege velden, grijnzen me uit
tot stof, illusies van tederheid.

Want ik,
ogen staren wijd uit,
ik ben bang,
bang me te verwonden
aan het witte marmer
van het beeld
dat ik van je had gehouwen
uit de verdichtsels
van m’n verwondering.
Schuchter was ik,
jouw beeld te breken,
bloedend aan stenen vingers,
ijspegels die gaan smelten
in de zoutige midwinterzon.

Verdwaald, tastend in het donker,
vergeet ik dat steriele,
stomme beeld  in te ruilen
voor de directe zachtheid van jou,
huilend na m’n wazige staar
van onbegrip.

Triest kijk ik om
en zie je weer staan:
je gaat lopen door het hoge
vergeelde gras.
Jij, een silhouet naar de einder,
Schemerend in het heilige mist.

Hendrik Klaassens, 1975.



03. Satire op de valse romantiek – versie 1


"Satire op de valse romantiek" is een satire op de Candlelight-gedichten in het zwijmelprogramma van Jan van Veen, die jaren lang gedichten van luisteraars voorlas, vooral over verloren geliefden.

 
Haar handen tasten in de nacht
nog naar de plek die ik verliet
nadat ik haar zo laag verried:
ik ben er niet, ik ben er niet!

Mijn foto prijkt nu levensgroot
aan een punaise in ’t behang.
het maakt haar bang, het maakt haar bang
hoe ik daar vrolijk lachend hang!

In al haar dromen waar ik rond:
zij schreit het uit, zij schreit het uit,
ik nam die mooie blonde tot mijn bruid
zodat zij nu het kussen in haar armen sluit!

Ach romantiek, zo poëziek,
straks wiegelt zij nog aan een strop,
twee hete tranen op haar paarse kop:
’t wordt er beslist niet beter op!

Hendrik Klaassens, ca. 1983
 


 
04. Satire op de valse romantiek – versie 2


Haar handen tasten in de nacht
nog naar de plek die ik verliet
waarnaar zij nu zo hevig smacht:
Ik ben er niet, ik ben er niet!

Mijn foto prijkt nu levensgroot
aan een punaise op ’t behang.
Het wordt haar dood, het wordt haar dood
hoe ik daar vrolijk lachend hang!

In al haar dromen waar ik rond,
zij schreit het uit, zij schreit het uit.
Omdat ik mij niet met haar in de echt verbond
neemt zij tot slot een dwaas besluit:

Ach romantiek, zo poëziek,
nu wiegelt zij zacht aan een strop
op ’t ritme van haar lievelingsmuziek:
’t wordt er beslist niet beter op!

Hendrik Klaassens, ca. 1983.



05. Het Luciferische


"Het Luciferische" is van een heel ander kaliber: dat gaat over het duivelse, lagere in de mens. "De moordenaar in spé" waarvan hierin sprake is, is dat deel van de mens, dat vooral  geestelijk moordt door de ander het recht te ontzeggen om te leven, te ademen, te bestaan, omdat de ander volgens het duivelse principe als een bedreiging wordt gezien.

Een naamloze schaduw komt binnen
door tijdloze koude tocht omspoeld,
spiegelt door mijn ogen de kamer in
op het netvlies van mijn gewonde zinnen.

Grimmig weersta ik zijn oude, vertrouwde blik
die mij doorzindert met duister, onaards geweld.
Welk bloed kan deze vlammengloed doorstaan
die niet door koudvuur is geveld?

Maar voordat de angst mijn hart verslaat
en radeloosheid mijn vlijmende wil versaagt
welt een oud weten in mij op:

het wezen dat daar staat
ben ik zelf: de zwarte spiegeling
uit zijn blikken stroomt in mijn ogen.
De tovermacht van zijn zwarte zegelring
bestaat alleen omdat mij angsten ze gedogen,
verdicht zich tot een drogbeeld vol duistere zin:
ik heb mij met dit schaduwbeeld bedrogen –
de moordenaar in spé zit binnenin.

Het baanbrekend licht
dat mij met moed en hoop vervult,
doet de schim verbleken tot hij is gezwicht.
En langzaam keer ik om,
richt mijn blikken om mij heen:
de manke voetstap van de doodsdemon
sterft struikelend weg, terug;
het leven roert zijn trom.

Hendrik Klaassens, 19 december 1980.



06. Antifoon

Dit gedicht gaat over het bereiken van een verloren geliefde d.m.v. het evenbeeld dat in mezelf leeft.


Nog hoor ik soms jouw woorden
In het cryptisch uur van de nacht
als zwak nalichtende sporen
aan het flonkerend firmament.
Wij trekken parallelle voren
door de ruimte, door de tijd
langs evenwijdige lijnen
door de diepten der oneindigheid.

Ik waad nu door de stilte
die kwam toen jij verdween.
Jij drukte jouw evenbeeld in mij af,
spande met mij samen
in het holst van de nacht.

Steels heb jij jouw sporen
diep in mijn gemoed gedreven:
verlos mij daarom van de pijn
waarmee ik mijzelf verwond
op zoek naar jouw evenbeeld
dat in mijzelf verging.

De stilte is binnen deze muren verankerd
en breidt zijn armen in de ruimte uit.
Het leeg vertrek waarin ik woon
is het grondstation waarin ik troon,
en sterrenlicht uit voorbije aeonen
verzamel ik in dit brandend heden.

Mijn laatste woorden stamel ik
binnen de kantlijnen van dit gedicht:
vanuit de taaldomeinen waarin ik woon
zing ik zacht mijn antifoon:

Totdat de ziel van onze woorden wederkeert
werp ik een baken in de zee van tijd
dat uit de tal van tekens uit oneindigheid
slechts jouw bewegen registreert.

Wat komen moest en wat verloren ging –
elk spreken kent zijn vastgesteld traject:
Het woord gelijkt de vorm van ieder ding –
Slechts dat, wat na het spreken overblijft, is echt.

 


07. Stervensuur

 
Langzaam vulden haar ogen
zich met tranen.
Langzaam kromp zij ineen
als een stervende vlinder.
Voor ’t laatst zag zij op
naar het stralende licht
dat – groots en gebundeld –
door hoge ramen binnenviel.

Toen brak het bladstille licht
de staf over haar.
De armen gespreid,
haar ogen gesloten,
steeg haar witte ziel klapwiekend op
de stralende hoogten in.

Als een grote vogel
vluchtte ze uit mijn armen
vloog ze naar de verten,
eindelijk uit haar kerker bevrijd.



08. Dodencel, Houston, 1982

Elektriserend staat de stilte
tegen vier muren op

herinneringen cirkelen
rond het lamplicht

angst en blinde hoop
geselen elkander voort

deze nacht houdt hij
over zichzelf gericht

hij pleit voor en tegen,
keert rollen om en om

en tegen beter weten in
verzint hij vluchtwegen
vòòr de dageraad

maar er is geen omkomen aan
CBS verslaat straks life
hoe hij siddert, het besterft
onder dit oog van de naald.

Miljoenen schakelen in
oog om oog om één

natriumlampen flitsen
koudvuur vlamt

in deze oneindige keten
is hij de zwakste schakel,
natuurlijk:

das gesundenes Volksempfinden
heeft altijd gelijk.

God, bless America!

1982.




09. Reïncarnatie


De huizen slapen op een rij,
de stad droomt oude dromen.
Zwakke lichtschijnsels dwalen voorbij
in langzaam voortgolvende stromen.

Eén van die lichtbundels komt tot staan,
aarzelt nog, maar kan niet meer terug.
Ik koers recht op het schijnsel aan
en loop verwonderd over een brug.

Achter mij ligt nu het heden,
vóór mij de contouren van een stad.
Ik beklim de uitgesleten treden
van een steil, slingerend pad
naar een met koper beslagen poort :
daar klop ik driemaal aan en wacht.

Een lansknecht, in zijn slaap gestoord,
opent een luik, spiedt door de nacht.
Hij ziet een bekende gestalte staan;
een roestige deur zwaait knarsend open.
Hij knikt, beduidt mij verder te gaan
en de slapende stad binnen te lopen.

Plotseling is het alsof ik alles weer herken:
de nauwe steegjes, het schuttershuis,
de basiliek, het Goudkantoor, ik ben
terug, in dit verre verleden kom ik thuis!

En zij, die ooit mijn vrouw eens was
hoort als vanouds mij weer de trap opkomen,
maar onder ’t gaan vertraagt mijn pas,
vervaagt dit wakend dromen.

De stad die nu geen stad meer is
lost langzaam op in mijn tegenwoordigheid;
mijn vroeger ik, die hier is,
wijkt langzaam terug in nevelen van vergetelheid.

Slaapdronken vlucht ik weerom,
door de poort, langs het steile pad.
En vlak vóór de brug zie ik nog éénmaal om;
ik werp een laatste blik op deze stad.

Waar, wanneer zag ik haar voor ’t laatst?
Mijn herinnering vervaagt, koortsachtig probeer
ik me dit in te prenten, maar veel te gehaast
keren daar de omtrekken van mijn kamer weer.

(1980)


10. Woordmagiër


Ik wil doorgronden dood en leven
niet dadeloos maar staren in ’t verschiet
en vonken zonder dat een sterveling het ziet,
maar raken aan de grenzen van het niet,

waar geest en stof op woorden samenkomen
en paren in het baren van de tijd,
waar lucht en vuur het ongevormde binnenstromen
en, omgevormd, weer wijken in oneindigheid.

Wie ben ik, dat ik deze woorden,
met vuur en tomeloze drang bezield,
op laaiende, sterrensteigerende akkoorden
laat klinken en niet in halfbewuste oorden
van ’t ongevormde weten binnenhield?

Ik raakte aan de grenzen van het niet
en proefde van de angsten voor de dode tijd:
mijn wezen scheurde over grenzen van ondraaglijkheid
en liet mij achter als een reiker uit een ver gebied,

waar pijn en licht elkaar verdragen
tot alle roerselen omslaan in hun tegendeel,
waar angst en haat elkander schragen
zolang ik over ’t golven van de pijn beveel.

Mijn wezen draaide om de lengteas
van wat een mens kan dragen bij zijn leven;
ik ben nu iemand anders dan ik vroeger was:
een dichter, met het woord verweven,

een ziener, soms, die het gekerkerd woord bevrijdt
maar zelf niet weet waarvoor hij naamloos lijdt,
die niet weet waar hij dit verkrampen aan verdient
maar zich toch van de klankkleur van het woord bedient.

Ik zet de tonen, sla akkoorden
en draai de klanken met mijn handen om –
toonladders van verklonken woorden
laat ik stijgend sterven met omfloerste trom.

Om het draaipunt van mijn muzisch denken,
op het ritme van het altoos waaien van de tijd,
op de maat van melodieën die mij steeds doordrenken
schrijf ik woorden neer, hoezeer ik daar ook onder lijd.

De pijn doortrekt mijn voelen en mijn denken,
want deze woordmacht wortelt in ontvankelijkheid,
maar daadkracht staat uit deze wenken
op, omdat een hoger woord mijn woord geleidt.

Het duister in mij is nu licht,
de klanken in mij zijn tot woord geworden.
Het ongerijmde is gevat in een gedicht,
maar het gerijmde is tot pijn verworden.
 
 
 
 
 
11. Meteoor

In een langgerekte parabool
verlegt een grijsgedraaid stuk gruis zijn baan.
De traag rondwentelende aarde
brengt zijn wilde zonneval tot staan.

Een neertuimelende fakkel wordt ontstoken:
hij boort zich lichtend door de lagen.
IJle rooksporen verdampen in mistige vlagen.
Een blinde wesp, een speldenknop van licht
is eindelijk tegen de lamp gelopen.


12. Kosmische geboorte

De stilte daalt over de velden,
de nacht stijgt uit de polders op.

Wachtvelden sterrenlicht
kantelen de aarde.
Oeroud ruisen vult de nacht
met dit weten:

er is geen weg terug -
de verten die ons daar tegenstaan
willen in ons geboren worden.

 
In het fries vertaald door Tineke

 
Stilte komt del oer de fjilden,
nacht stiicht út de polders op

wachtfjilden stjerreljocht
kantelje de ierde
oerâld rûzjen follet de nacht
mei dit witten:

der is gjin wei werom -
ûneinige fierten
wolle yn ús berne wurde

 

 

13. Existentie

In steeds eender, ander licht
en vaak tegen beter weten in
trekken wij onze sporen op aarde:
na de diepten van de nacht
is er immer een nieuwe dageraad
die voorbij de einder op ons wacht.

Door elke levensloop
verliezen wij aan zwaarte
maar winnen wij aan gewicht –
totdat wij te langen leste,
verankerd op Christus’ liefdeslicht,
bevrijd van alle aardse dromen,
langs een flonkerend lint van sterren
in het Vaderhuis worden opgenomen.

De wervelende tunnel van de tijd
kent geen eind en geen begin –
als de hartslag van het leven zelf zijn wij:
de eeuwigheid ruist diep binnenin.



14. Epiloog

Na een verbroken verhouding
 
Nu de stilte achter woorden is neergedaald
gaan wij langs pelgrimswegen van het zwijgen
totdat de tijd de uren heeft bepaald
waarop de weg geleidelijk begint te stijgen.

Aan al wat restte kleeft sindsdien de pijn
waarmee wij tasten in elkaars herinneringen:
een handvol foto's, brieven vol venijn
- tastbare relikwieën van ons samenzijn -
woordsporen die voorgoed verloren gingen.



15. De zwerver


Verdriet sluiert hem in
als een dempende mist waarin
met trage pas zijn gedachten gaan;
hij weet niet waarvandaan,
waarheen de weg hem voert,
welke naam de schaduw draagt
die zijn verweesd gemoed beroert.

Alleen de brok binnenin
zijn keel en in zijn bloed
weet waar hij doolt naar het begin
van alles wat hem drijft en doet
verstijven in de klem van angst
die soeverein steeds in hem woedt.



16. De zelfmoordenaar

Geen hoop, geen hoger streven meer
brengt mij nog stervend in 't geweer:
het einde is als het begin.
Ik was geen dichter, priester of soldaat
maar zat daar ergens tussenin.

Het helse dwaallicht aan de kim
splitst zich uiteindelijk in twee;
'k ga met die lichten mee,
verdrink om nooit meer op te komen
en word tot stof en as
in 't huilen van de herfstwind opgenomen.

De allerlaatste droom,
gehuld in wolken van vergetelheid,
daagt aan het einde van de nacht.
Ik sluit de luiken van de tijd
- droomsluizen naar oneindigheid -
de Dood: ik had U hier verwacht.



17. Angst

Overal om hem heen prijken
lege gezichten
starende ogen
monden die bewegen
kinderen die spelen -
maar hij durft hen niet te horen:
alleen geluiden van het stadsverkeer
de rechte straten op en neer
razen in zijn ogen.

Iedereen ziet hem
maar hij ziet niemand
hij voelt alleen
hun ogen prikken
in zijn rug
hij wil terug
naar het lege huis.



18. Thuiskomst

Uit een peilloze schacht van duisternis,
een stilte als de wereld zo diep,
golfden de eerste lichtstralen af en aan.
Puls na puls stuwde U Uw geest de wereld in
totdat de verten wemelden van Uw bestaan.

Zo schiep U ook ons als vrije geesten,
als Uw kinderen, spelend en wandelend in Uw licht.
Maar in het spoor van de Lichtdrager,
voor zijn duistere drang naar macht gezwicht,
tuimelden wij in vrije val uit Uw eeuwigheid.

Sindsdien gevangen in het web van ruimte en tijd
zijn wij duizend doden gestorven:
van geboorteschreeuw tot laatste snik
leven na leven na leven
eendere echo’s van het ‘ik’

Uit hellen en hemelen klimt Uw leven naar U op
over de brug van licht die Uw Zoon naar ons sloeg
tot elke grens van ruimte en tijd
weer in de hoogste hemelen is opgeheven.

En eindelijk voor anker gegaan,
voorbij alle leed en alle pijn,
zullen wij als goden zijn,
de droom van het bestaan ontstegen



19. Tegenvoeter

’s Nachts staat er iemand anders uit haar op
die overdag steeds sluimert onder haar gedachten.
Wanneer zij inslaapt, slaat hij traag de ogen op
en laadt zich met een spinsel van verborgen krachten.

Hij danst en krijst en roept formules door het open raam,
hij kent geheime spreuken uit een zinderend verleden.
Hij schreeuwt druïdenwoorden naar de volle maan:
kaarslicht en wierook begeleiden zijn gebeden.

Hoger en hoger stijgt hij zo de sterrenhemel in,
koortsachtig zoekend naar een uitweg door de tijd,
maar in de vroege morgen door het licht weerlegd
gaat hij weer mokkend liggen in haar waakzaamheid.



20. Tijdwachter

Verder dan woorden
draagt de stilte
waar onze wegen scheiden.
De ruimte tussen onze blikken
meet uren van vergetelheid.

De laatste klanken
tussen ons verklonken
planten zich voort over de velden,
reikhalzend naar de grens
van hun mededeelbaarheid
totdat de laatste echo’s zijn verdronken
voorbij de drempel der oneindigheid.

Langs oude, steile wegen
keren onze woorden ooit eens weer
terug naar ’t licht
en raken stil
de grenzen van de tijd.

 
Ook dit gedicht werd door Tineke vertaald in het Fries.

De tiidwachter

Fierder as wurden
swalket de stilte
dêr’t ús paden skiede.
De romte tusken ús blikken
mjit tiden fan ferjitnis.

De lêste klanken
tusken ús ferklonken
sette har fuort oer de fjilden
longerjend nei de grins
fan harren mei-dielberens
oant de lêste wjerlûden ferdronken binne
fierder as de drompel fan ‘e ûneinigens.

Lâns âlde, steile paden
komme ús wurden wer werom
werom nei it ljocht
en reitsje stil
de grinzen fan ‘e  tiid.
 
 
 21. Bij het verscheuren van een nooit verstuurde brief

Toen ik een boze brief had verscheurd, schreef ik er een gedicht over

Ik verscheur een boze brief
en ontleed daarmee een oude grief.
Ik verbreek de samenhang der zinnen
om van de wrok de spijt te laten winnen.

Samen met de pijn,
verwoord in dit gewroken zinsverband,
verdwijnen resten van 't venijn
geruisloos in de prullenmand.

't Geheel is nu niet méér
dan de bekende som der delen;
begin nou alsjeblieft niet wéér
zo vreselijk op te spelen!

 
 
22. Schepping

Jij ging op weg als tastend licht
dat over de wateren zwierf:
glanzende kiem, geduldige vonk
waaruit de sterren zijn geboren.

Het melkwegstelsel streek jij aan
tot een flonkerend wiel van licht:
om elke ster, uit gas en stof verdicht,
schiep jij groene werelden
vol hunkerend, denkend leven.

Zo blies jij ook de mens de levensadem in -
denkende schakel in een eindeloze keten:
lichtvonk die tot de stof is ingedaald,
van daaruit weer omhoog streeft naar de bron,
als een Voyager die naar de verten klom -
zijn blindenstok tast in het heelal.

Maar als een kind dat slechts de moeder kent
waant hij zich op een hoge troon alleen
kroon van de schepping op zijn koud brok steen
en stamelt na van het oorspronkelijk gezicht
dat hij alleen zijn eigen naam heeft horen noemen.

 

23. Treurdicht op de theologie

Het wachten moe, de therapieën beu
treedt zij binnen onze muren in
op witte laarsjes voetzoekend,
als een verdwaalde vlinder
die van ver is aan komen vliegen.

Max Factor en de Bijbel onder handbereik,
zijzelf daartussen middelevenreden,
zet zij aarzelend de eerste schreden
op weg naar de oorsprong en de zin,
het raadsel van haar eigen onbestaan.

Maar God verbergt zich rationeel
achter collegecoulissen van de Rede,
geflankeerd door links grondpersoneel,
de IKV-apostelen van de neutronenvrede.

Tussen waan en wetenschap dolgedraaid
werpt zij tevergeefs haar ankers uit,
maar vindt geen landingsbanen voor de hoop
die zij nu Hebreeuws en Grieks kan spellen;

de godverleerde colleges pellen
laag na laag van haar verwachting af:
de godgeleerdheid delft haar eigen graf.

In het crisiscentrum mag zij nu vertellen
waarom zij ronddoolt in eindeloze cirkelingen
- de co-assistent maakt mompelend aantekeningen.

Maar het wachten moe, de therapieën beu,
treedt zij morgen andere zalen binnen:
de wijzen uit het Oosten wachten haar op –
de rest mag een ieder zelf verzinnen...

 

24. Dageraad

 
De einder begint te vonken
als uit een diepzee-droomgezicht
wanneer met een lans van licht
de dag openbreekt.

Eindeloze verten breken aan -
de trilling aan de horizon
bergt een keten van beloften,
elk een suizelend pijlschot ver
van zijn vervulling vandaan.

De wereld is van zijn dode schaal ontdaan
en sterrenvelden ruimen naar het westen:
de poort tussen het nu en het ooit
is in zijn eerste oorsprong opengegaan.

 

25. Orion
 
Een gedicht over het sterrenbeeld Orion. In de Griekse mythologie verbeeldt Orion de 'Grote Jager', die jacht maakt op de Stier, daarbij geholpen door de 'Grote Hond', die als sterrenbeeld linksonder van hem staat. Symbolisch staat dat ook voor de rusteloze zoektocht naar de diepste geheimen van de mens en zijn oorsprong. Hun spel van jacht en achtervolging is aan de winterse sterrenhemel tot stilstand gekomen; daarover gaat het gedicht hieronder:
 

Hij bond de strijd aan
met het eind en het begin.
Hij daalde af van 't licht
op zoek naar oorsprong en naar zin.

Maar al wat hij vond was as
en sintels van een dovend vuur,
geen Olympische god die hem genas
van deze queeste zonder duur.

Hij is uit sterrenstof weer opgestaan,
vervolgt de Stier als nooit tevoren.
Maar tevergeefs tracht hij hem te verslaan -
hij is voorgoed in winters licht bevroren.

 

26. Strandfoto's, Schiermonnikoog, 1976


Licht en sterk waren onze dagen,
de zon was een grote brand
die hoog boven ons woedde
in een stralende ster.

Overal weerspiegelden de wolken
zich flonkerend in de golven.
De zeewind voerde verre geuren mee
en speelde met jouw natte, blonde haren.

Vanaf de duinen zag ik
tegen terugwijkende verten,
in het wit van de branding,
jouw vertrouwde gestalte staan
en ik bevroor de tijd in celluloid
met een knipoog van mijn polaroid.

Nu waart de nagedachtenis rond
om oude foto's, lege spiegels,
gevangen in bundels oud, gebroken licht.
De tijd keert licht in schaduw om,
de kleurenbeelden trekken krom,
herleven kort, maar sterven dan voorgoed
in de hoge hoed der herinnering.

 

27. Fleanende Hollanner
(oer in dopebrûker)

Onderstaand gedicht gaat over iemand die cocaïne gebruikt. In de tijd waarin ik in Groningen woonde, zag ik vaak druggebruikers over straat lopen. Ik vond dat altijd heel triest en probeerde me in hun wereld te verplaatsen. Naar aanleiding daarvan schreef ik een gedicht

('wekamine' is een naam voor stimulerende middelen)


Syn eagen yn deade kassen
syn hannen stiif en stram
syn skonken stadich, knikjend
doalet hy ferdôve troch lege strjitten.

Tiidmasine, wekamine,
wachter oer dizze lege stêd
yn tunnels fan bestjurre tiid;
nearne noch komt syn blik ta rêst
yn dizze ûnbegonnen wurklikheid.

't Leafst wol hy ferjitte:
it longerjen fan syn hannen
de koarts yn syn tinzen
de tsjintaal fan syn seare liif.

't Leafst wol hy
yn al syn dreamen sinke,
brêge bouwe nei ferjitnis,

mar der is gjin wei werom,
hy draacht it teken op syn rêch,
en mei hieltyd swierder speed foarút
follet hy de leechte foar him út -
de doses winne oan gewicht
oan 't ûndert it stiigjend tsjinwicht
de tiid it teken wei sil reagje;

hy hat miskien in jier,
hy hat miskien wat mear
om himsels oan ivichheid
- dy lêste dope - te weagjen.



27a. Vliegende Hollander
(over een dope-gebruiker)
 
In het Nederlands werd dit een experimenteel gedicht in twee kolommen, die zich tot elkaar verhouden als de eerste en de tweede stem bij het zingen van een lied; in de linker kolom beleef je de wereld vanuit het perspectief van de dope-gebruiker, terwijl in de rechter kolom alles wordt beschouwd vanuit een diepere, geestelijke werkelijkheid. Deze twee perspectieven vallen samen in het laatste couplet, waarin het onvermijdelijke einde wordt beschreven. Zelf noem ik deze vorm een 'stereo-gedicht'.
 
zijn ogen in dode kassen
zijn handen star en doof
zijn benen stram knikkend
doolt hij verdoofd door lege straten
    

't liefst wil hij vergeten
de hunkering van zijn handen
de koorts in zijn gedachten
de tegentaal van zijn zere lijf
't liefst wil hij in al zijn dromen zinken
bruggen bouwen naar vergetelheid
  tijdmachine, wekamine,
wachter over deze lege stad
in regionen van gestolde tijd
nergens komt nog zijn blik tot rust
in deze onbegonnen werkelijkheid.    

maar er is geen weg terug
hij draagt het teken op zijn rug
en met steeds zwaarder speed vooruit
vult hij het vacuüm voor hem uit
de doses winnen aan gewicht
tot onder 't stijgend tegenwicht
de tijd het teken heeft verslagen.
 
 
 hij heeft misschien een jaar,
hij heeft misschien iets mee
om zich aan eeuwigheid
- die laatste dope - te wagen
 
 
 
 
 
 28. Residu

Totdat de ziel van onze woorden wederkeert
werp ik een baken in de zee van tijd
dat uit de tal van tekens uit oneindigheid
slechts jouw bewegen registreert.

Wat komen moest en wat verloren ging,
elk spreken kent zijn vastgesteld traject:
het woord bepaalt de vorm van ieder ding -
slechts dat, wat na het spreken overblijft, is echt.

 
 
29. Farewell to a friend

Now that your soul has departed, heading for the world beyond,
you leave me behind, with a heart filled with memories...
And it is as if you've returned to life, are part of the living again;
you dance and laugh, you look cheerfully to me, offer me a drink,
and we walk and talk on a summer evening, when the shadows fall
and the sounds of the city pass by, dreaming, almost unconscious.

You are part of the immortals now, and you look at me,
like you did in your lifetime: cheerful, with your tender laugh,
and I can almost feel your hand that touches my hair,
see your smile. Your voice whispers to me from beyond the veil
that is draped between this world and thine, between you and me.

I pray for you, I speak to you, I wish you goodnight, my friend,
my companion, who joined me, who told me the story of your life.
I hear your voice from the Great Beyond, see your eyes still,
though they are closed. You are still part of me, as I am part of you.
My friend, may the heavens open their gates for your tender soul.
My heart greets you for a last farewell, though you'll ever stay here,
in the vast spaces of my love, in the deep realms of time and space.

You will never be forgotten, coz' you'll ever stay here, my friend.
May God bless you, caress you, take you home to his dominions.
May all the pain and all the sorrow you suffered on earth stay behind.
May a torch of light and the power of love accompany you
as you enter the realms of heaven and pass the gates of eternity.

Farewell!
Your friend Hendrik, who'll always remember you.



30. Eurydice
 


In het wemelen van het licht aan de einder
doemen jouw lieflijke trekken op,
de glans van jouw gezicht ontstaat.

Ik open de droomsluizen van de tijd.
Simultaan met jouw aards bestaan
leeft jouw droomgestalte in mij voort,
begiftigd met verborgen, immer groeiend leven.

Niet uit het lichaam, maar uit de ziel geboren
reis jij in je mantel van licht met mij mee
zoals je ooit tegenover mij zat en gebaarde:
een lichtgestalte, aan dood en leven ontstegen.

Zo waar je rond in mijn tastend, hunkerend bestaan,
eeuwen ver en meer nabij dan mijn harteklop,
belofte van weleer, oerlicht en einddoel tegelijk,
mijn handen schrijven tekens uit jouw naam.

Blinkend rijs jij op, koelwarm als jouw huid
strijkt het ochtendlicht mij ten leven
totdat ik in de geest geheel en al
met jouw bloed en adem samenval.

 

31. Klein dodenboek

Als God ’t uur van uw afscheid heeft bepaald
doorsnijdt de doodsengel ’t levenskoord
dat uw ziel met ’t lichaam verbindt;
onherroepelijk spreekt hij het laatste woord.

Zodra het ‘Effatha’ weerklinkt, lost de ziel
in een lichtende nevel op, van ’t lichaam bevrijd,
en stijgt naar de sfeer die ginder bij haar past;
dan blijkt waaraan ge uw hart hebt gewijd!

Eenmaal ontwaakt over de drempel van de dood
als u veilig in het avondland bent aangekomen
ontdekt u in het tussenrijk andere gestalten
omwolkt door herinneringen en aardse dromen.

Een engel wenkt u, neemt u bij de hand
voor een terugblik op ’t aardse leven, een déja vu.
U voelt wat uw woorden teweeg hebben gebracht
bij anderen, en tal van scènes passeren de revue.

Bont wervelen de beelden door elkander:
dit was uw bestaan, dit is uw levensoverzicht –
en uit de diepten van uw ziel welt als een oude zweer
de pijn, de spijt, maar ook het milde liefdeslicht.

Tussen de wereld waaruit we zijn voortgekomen
en de voleinding in de geest, ons eigenlijke domein,
is de aarde niet meer dan een doorgangshuis,
een wereld vol illusies, onbegrip en venijn.

De lichtende verte die ieder van ons wacht
is vervuld van beloften van een goddelijk bestaan
als we de drogbeelden van ’t ego hebben afgelegd
en alle angst en schijn in liefde is opgegaan.

Vanaf de oudste tijden heeft men dit geweten
maar in deze tijd waant men zich liever verlicht.
God en de eigen geest heeft men vergeten,
voor ’t ego en de materie is een altaar opgericht.

 

32. Op een Spaanse stier
 
Een stier in het Spaanse Navarra
verliet dol van drift de arena.
Briesend stormde hij de tribunes op
en beukte zijn spotters met zijn kop.

Uiteindelijk werd hij door de Guardia geveld.
Toch is deze stier voor mij een held.
Wie stieren tergt voor zijn lage zinnen
ziet voor straf het hospitaal vanbinnen.

 

33. Intercity

Onafwendbaar naderen wij het onbekende doel
dat in de sluier van de toekomst verloren gaat.
Niet door berekening, maar op de tastzin van 't gevoel
bespeuren wij wat ons daar te wachten staat.

Engelen reizen met ons mee, wegwijzers van de geest;
ze fluisteren ons hun zachtheid en hun dromen in.
Wie als een engel de ogen van de ander leest,
is slechts op liefde uit, nooit op zelfzucht of gewin.

Tot slot bereiken wij 't allerlaatste station.
De trein remt af, alle sporen komen hier samen.
Er is een druk gewemel op het perron
en iemand leest van alle reizigers de namen.

Over ons wordt niet geoordeeld. Niet de wet,
maar de liefde is het die uiteindelijk regeert.
Het enige waar de baas van 't station op let
is de vraag wat we van de reis hebben geleerd.

 

 34. Op Helena van Troje
 
 
 
 OP HELENA VAN TROJE (1)

Heleen, gij blinde dwaas en ijdel wijf,
Paris Hilton uit het rijk van Mycene,
ge liet u schaken door een herdersknaap
en zingt hier nu als een Trojaanse sirene.

De Erinyen zullen u elegisch bezingen
als u afdaalt in Hades’ diepe duisternis,
‘t rijk waaruit geen sterveling wederkeert -
gij, die meent dat de dood het eind van alles is.

In ’t dodenrijk zal uw ziel herleven
over de einder van ’t aards bestaan.
Uw spotdichten zullen dan verstommen
als uw ogen voor de andere wereld opengaan.


OP HELENA VAN TROJE (2)

Wanneer het eind van uw dagen nadert,
‘t licht in uw ogen wordt gedoofd,
slaat gij ze in een andere wereld op
of ge op aard nu wel of niet gelooft.

Wat baat het u hen die in Zeus geloven
te overladen met uw ruwe zangen?
Als uw ziel wordt gevaren over de Styx
zijt ge voorgoed in Hades’ rijk gevangen.

Weet nu, Heleen, dat gij niet beter zijt dan zij
die u om hun godsvrucht gispt en laakt.
Dat gij onwetend zijt raakt de goden niet,
wél dat u niet over uw hart en woorden waakt.


OP HELENA VAN TROJE (3)

Alsof er geen voortbestaan is, geen eeuwige geest,
lastert en spot gij met koning en met God,
’t zal noch u, noch uw minnaar Paris baten:
elke sterveling wacht hetzelfde lot.

Als God ’t uur van uw afscheid heeft bepaald
doorsnijdt de doodsengel ’t levenskoord
dat uw ziel met ’t lichaam verbindt
Onherroepelijk spreekt hij het laatste woord.

Zodra het ‘Effatha’ weerklinkt, lost de ziel
in een lichtende nevel op, van ’t lichaam bevrijd,
en stijgt naar de sfeer die ginder bij haar past
ook gij, die uw hart aan lage lusten wijdt!


OP HELENA VAN TROJE (4)

Bij ’t omwolkte licht van de vale maan,
niet ver van Troje’s trotse tinnen vandaan,
verlaten de Grieken één voor één ’t houten paard
en heffen hun in ‘t koele maanlicht blinkend zwaard.

Twee aan twee trekken zij door de verslagen stad
op zoek naar schandknaap Paris en zijn schat
totdat een verkenner van Troje’s laatste veste,
Heleen bespiedt, verschalkt ten langen leste.

Met een diepe schreeuw heft de hopliet het staal,
doorklieft de Myceense hoer voor de laatste maal
totdat zij stervend in Paris’ armen valt.

Het verhaal van Heleen en de Grieken eindigt hier;
Helena was geen vrouw, maar een dichter en een klier,
die dienaren van de goden ’t leven vergalt!


OP HELENA VAN TROJE  (EPILOOG)
 
Eenmaal ontwaakt over de drempel van de dood
als u veilig in het avondland bent aangekomen
ontdekt u in het tussenrijk andere gestalten
omwolkt door herinneringen en aardse dromen.

Een engel wenkt u, neemt u bij de hand
voor een terugblik op ’t aardse leven, een déja vu.
U voelt wat uw woorden teweeg hebben gebracht
bij anderen, en tal van scènes passeren de revue.

Bont wervelen de beelden door elkander:
dit was uw bestaan, dit is uw levensoverzicht –
en uit de diepten van uw ziel welt als een oude zweer
de pijn, de spijt, maar ook het milde liefdeslicht.
Tussen de wereld waaruit we zijn voortgekomen
en de voleinding in de geest, ons eigenlijke domein,
is de aarde niet meer dan een een doorgangshuis,
een wereld vol illusies, onbegrip en venijn.

De lichtende verte die ieder van ons wacht
is vervuld van beloften van een goddelijk bestaan
als we de drogbeelden van ’t ego hebben afgelegd
en alle angst en schijn in liefde is opgegaan.

Vanaf de oudste tijden heeft men dit geweten
maar in deze tijd waant men zich liever verlicht.
God en de eigen geest heeft men vergeten,
voor ’t ego en de materie is een altaar opgericht.
 
 
 
 35. Straatvrees

Overal om hem heen prijken
lege gezichten
starende ogen
monden die bewegen
kinderen die spelen
maar hij durft hen niet te horen:
alleen geluiden van het stadsverkeer
de rechte straten op en neer
razen in zijn ogen.

Iedereen ziet hem
maar hij ziet niemand
hij voelt alleen
hun ogen prikken
in zijn rug
hij wil terug
naar het lege huis.

 
 
36. Two short poems
 
 
Exile
 
Deep down we are
angels with scorched wings
who forgot how to fly
eternal spirits in exile
children of God
trying to regain
Paradise.


Fallen angels

We're neither angels, nor devils.
We're neither stupid, nor wise.
We are the fallen angels
who try to regain Paradise.


 
 
 
 
 37. Poëtische beschouwingen
 
 
De Inca
 


Jaar in, jaar uit staat hij op de hoogvlakten van de Andes, stug de zengende hitte van overdag en de vrieskoude sterrennachten trotserend: de Inca in zijn veelkleurige plunje, onder de hemel van azuur die de besneeuwde pieken overspant.

Al eeuwenlang kijkt hij uit over de diepten van de Andes en de hoogten van het sterrenrijk. Vele zonnen heeft hij zien opkomen en ondergaan. Kaarsrecht als zijn spies, die naast hem op de rotsbodem rust, houdt hij ’s nachts bij zijn knapperend houtvuur de wacht.  Scherp steekt zijn silhouet af tegen de flonkerende sterrenhemel.

Zijn ogen zijn gericht op het onpeilbare, op de wereld achter de sterren, op de regionen boven de bleke, wassende maan, op de verste sneeuwkragen die hij met zijn priemende blikken kan zien.
Zo staat hij te wachten op wat komen gaat. Zijn raadselachtige glimlach omspeelt zijn vol en breed gelaat. Zijn zwijgen is het zwijgen van de man die alles heeft gezien, alles heeft gehoord wat eens te beluisteren viel, en daarna zijn ogen vol verwachting ten hemel slaat, wetend dat dit niet het laatste is.
Hij wacht op het antwoord dat komen zal, wanneer de rotsen als op bevel van hogerhand zullen openscheuren, de bergmassieven van de aarde zullen wankelen, de zon in zijn vurige opkomst blijft steken en de mensen in blinde verwarring zullen vluchten naar niet bestaande oorden waar het beter is. De aarde zal beven als de Gevederde Slang terugkeert naar zijn volk.
Geduldig wacht hij tot de tijden als het koren zijn gerijpt om vrucht af te werpen, en alle stervelingen terugkeren in de schoot van moeder aarde. Hij telt de cycli van zon en maan, de wenteling van sterrenwerelden, tot alle hemeltekens samenvallen.
Op het afgesproken uur zal de wereld herboren worden. Uit water en vuur, hemel en aarde, goud en sterrenstof. Langzaam schuift de zon naar het centrum van de Melkweg. De Gevederde Slang spant zijn kosmische kruisboog. Nog even.  


Druïde
 


Sta op, engel met de gebroken vleugels. Je reis was lang en diep: je tuimelde uit het domein van de sterren op de aarde neer. Op de wachtvelden van deze wereld vouwde je je vleugels op, en je verborg je aanvankelijk voor de anderen, bang dat ze je afkomst zouden ontdekken en zouden proberen je te vernietigen. Want het duister haat het licht. Geleidelijk aan moest je wennen aan het duister. Maar je leerde te zien in de schemering en ontwikkelde de eigenschappen die je nodig had om op deze wonderlijke wereld te leven.
Je groeide op en vocht tegen het gif van de aarde dat in je ziel gedrongen was als een taai, kleverig vocht dat van geen wijken wilde weten. Een schimmenleger volgde je op afstand. Ze probeerden je mee te zuigen in hun draaikolk van angst, haat en wervelende schijnbeelden. Maar deze schimmen overwon je. Want diep in jouw ziel glansde altijd het sterrenlicht, als een belofte, als een blauwzilveren vlam van hoop, van wijsheid en van moed.
En je vocht om je doel te naderen. Tastend, zoekend kwam je steeds dichterbij. Af en toe begon het in je te lichten, eerst nog aarzelend, maar gaandeweg steeds vaker, steeds krachtiger. Je werd ouder, beproefder, maar je bleef alle gevechten winnen, want je was omringd door engelen, het licht omspeelde je, ook al zag je het niet.  
En nu, nu sta je op de hoogten, met het beloofde land dat aan de horizon voor je opdoemt. Aan de einder begint het te lichten. De eerste zonnestralen schieten door het zwerk. Rood, purper, blauw en violet begint de hemel te stralen in het Oosten. En je herinnert je jouw afkomst, je vleugels. En zie, in je oude ogen ligt dezelfde glans als toen je deze reis begon: aardling, sterveling, sterrenmens, priester tot in het diepst van je ziel.
Voorbij de horizon wenkt het licht: kom naderbij. De tijd is rijp, de nacht zal spoedig wijken. Gesp je vleugels om, pak je pen en schrijf. De dag breekt aan, voorbij is de tijd van het lijden. Pijn en verdriet zullen niet meer zijn op aarde, alleen nog kinderen die dansen en spelen in het Licht. Sta op, nog even en het is zover. De hemel wenkt.