Antoine de Saint-Exupéry - Vriend van de Kleine Prins

01. Biografie - 02. Bibliografie - 03. Citaten 
 
 
Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944)
 
 
 
 
Eén van de boeken uit mijn studententijd (toen verplichte lectuur) die heel veel indruk op me maakte, is ‘le Petit Prince’ – de Kleine Prins – van Antoine de Saint-Exupéry. Nog vaak heb ik het herlezen en zowel in het Frans als in het Nederlands heeft het een ereplaats in mijn boekenkast.
Vandaar deze pagina over een bijzondere auteur, tevens zeer bijzonder mens.

 
Gedicht

Wanneer je een schip wilt gaan bouwen
breng dan geen mensen bijeen
om timmerhout te sjouwen
of te tekenen alleen.
Voorkom dat ze taken ontvangen,
deel evenmin plannen mee.
Maar leer eerst de mensen verlangen
naar de eindeloze zee.

A. de Saint-Exupéry, Citadelle, 1948[1].

[1] Postuum uitgegeven
 
 
 
 
01. Biografie


Antoine de Saint-Exupéry stamt uit een oude, adellijke familie. Hij had drie zusjes en een broertje. Toen hij vier was, stierf zijn vader, waardoor het gezin in financiële moeilijkheden kwam. Hij groeide op in verschillende plaatsen in Frankrijk. In de vakanties verbleven ze vaak in de buurt van een vliegveld, en daar besloot hij piloot te worden.

Hij werd geboren op 29 juni 1900, in St. Maurice de Remens, Lyon, Frankrijk en overleed op 31 juli,  in 1944 toen zijn vliegtuig waarmee hij een verkenningsvlucht uitvoerde, werd neergehaald. Vele jaren bleef het wrak en zijn lichaam onvindbaar, tot het in 2004 werd gevonden in zee, bij de kust van Marseille. Op 15 maart 2008 bekende Horst Rippert (°1920), de broer van zanger Iwan Rebroff, dat hij de auteur met zijn toestel in 1944 heeft neergehaald. Hij bewonderde de schrijver en betreurt zijn daad. Hij getuigde dat "De Saint-Exupéry op een bewonderenswaardige manier de hemel kon beschrijven en de gedachten en gevoelens van piloten. Zijn werk inspireerde velen om piloot te worden."

Herdenkingsmonument op de plaats waar hij voor het laatst is opgestegen 
 
 
 
 
Na de middelbare school te hebben gevolgd in Zwitserland aan de universiteit van Freibourg volgde hij een opleiding tot piloot. In 1921 ging hij bij de Franse luchtmacht.

Hij werkte een poosje in een fabriek, maar keerde terug naar de luchtvaart en werd vrachtpiloot. Eerst in Afrika, later in Zuid-Amerika. Hij werkte vanaf 1926 als piloot in de burgerluchtvaart op vluchten tussen Europa, Afrika en Amerika. In Afrika stortte hij een keer neer in de woestijn. Deze gebeurtenis werd de achtergrond voor ‘Le Petit Prince’.

In dit moderne sprookje vertelt schrijver en vliegenier over zijn ontmoeting met de kleine prins. Een piloot is neergestort in de woestijn en ontmoet daar de kleine prins. Deze prins is afkomstig van een hele kleine asteroïde, met drie vulkanen en een bloem. Op zijn weg naar de aarde is hij verschillende volwassenen tegengekomen, die hij allemaal maar wonderlijk vindt. Op de aarde aangekomen ontmoet hij een slang, een vos en ten slotte de piloot. Ze sluiten vriendschap, maar de prins moet weer weg. Het boek is een modern sprookje over kind zijn, over vriendschap en over de dood. Het zit vol met kritiek op volwassen mensen.

Hij is bij ons dan wel vooral bekend door zijn in sprookjesvorm geschreven ‘Kleine Prins’, maar hij  schreef veel meer dan dat. In zijn autobiografisch getinte romans en verhalen ("Courrier sud[1]", 1929; "Vol de nuit[2]", 1932; "Terre des hommes[3]", 1939; "Pilote de guerre[4]", 1942) beschrijft hij de ervaringen van mensen die door heroïsche daden proberen de menselijke waarden te beschermen die door de techniek en rationaliteit worden bedreigd. Ze mislukken ten gevolge van de door geweld en oorlog beheerste realiteit. Zijn tot nu toe populairste werk is het geïllustreerde kinderverhaal "Le petit prince[5]" (1943). Verdere werken: "Lettre à un otage[6] " (1943), "Citadelle[7] " (postuum, 1948).

In de jaren '20 onderscheidde hij zich als pionier bij de nachtvluchten boven Zuid-Amerika. Mede dank zij hem werd het mogelijk lijnvluchten voortaan ook 's nachts uit te voeren. De navigatie was uitermate gebrekkig en de techniek van de toestellen stond ook nog in de kinderschoenen. Zo waren de motoren onbetrouwbaar. Daardoor waren deze nachtvluchten een hachelijke onderneming. De vliegers moesten hun vliegrichting onder meer bepalen aan de hand van het licht van de steden onder hen. Boven de Afrikaanse woestijnen, waar hij ook vloog, moesten zij genoegen nemen met het kampvuur van nomaden.

Zijn Zuid-Amerikaanse ervaringen vormden het uitgangspunt voor zijn roman "Vol de Nuit".  Hierin schildert hij het conflict tussen de luchtvaartondernemer die de nachtvlucht ten koste van alles wil voltooien "in het belang van de toekomst", de vlieger die een race met de dood vliegt en de vrouw die wil dat haar man heelhuids thuiskomt.

De Saint-Exupéry's opvattingen over solidariteit en menselijkheid waren meer dan grote woorden. Hij nam, nadat Frankrijk in november 1942 door de nazi's was bezet, "vanzelfsprekend" dienst bij de geallieerden. Om precies te zijn: als vlieger bij  de Amerikaanse luchtmacht in Noord-Afrika. Hij was zich bewust van de tegenstrijdigheid van deze keuze. Om de menselijkheid te handhaven nam hij immers zijn toevlucht tot inhumane middelen.

Oorlog was in zijn ogen een afschuwelijke ziekte. Uit zijn dagboekaantekeningen uit die tijd blijkt dit overduidelijk

"(...) dat deze verschrikkelijke mensenwoestijn niets heeft dat mijn hart streelt. Ook dit, evenals de nutteloze  verkenningsvluchten zonder hoop op terugkeer in juni 1940, is een  ziekte waar men doorheen moet. Ik ben voor onbepaalde tijd "ziek".
Maar ik ken mijzelf niet het recht toe deze ziekte niet door te maken. Dat is alles. Vandaag ben ik diep treurig - het zit heel diep. Ik treur om mijn generatie, die van alle menselijke substantie is ontdaan.”

"(...) Er is maar één enkel probleem: het komt erop aan weer te ontdekken dat er een leven van de geest is, dat nog hoger staat dan het leven van de rede en dat het enige is dat de mensen voldoening kan schenken.”

"(...)Het kan me weinig schelen in deze oorlog te vallen. Of wanneer ik ten offer zou vallen aan de razernij van die vliegende  torpedo's die niets meer met de vliegerij te maken hebben en van  de vlieger tussen zijn knoppen en wijzerplaten een soort
boekhouder hebben gemaakt (ook de vliegerij is een bepaalde  ordening van relaties). Maar voor het geval dat ik levend terugkom  van dit "noodzakelijke en ondankbare karwei", zal er voor mij nog maar één probleem zijn: wat kan, wat moet men tegen de mensen  zeggen?"

Juist door de enorme hoogten waar de luchtvaart de mens ook letterlijk bracht zag hij de betrekkelijkheid en de kleinhartigheid van onderlinge  strijd steeds duidelijker in. De techniek had de wereld één geheel gemaakt maar de armen van geest beseften dit nog niet en bleven elkaar en daarmee zichzelf beoorlogen.

"Er zijn ontelbare contacten, directe verbindingen. Wij zijn samengevoegd als de cellen van een zelfde lichaam. Maar dit lichaam heeft nog geen ziel. Dit organisme is nog niet ontwaakt tot bewustzijn van zichzelf...

"Dan zal je dus over jezelf oordelen, antwoordde de koning. Dat is het moeilijkste. Het is veel moeilijker over jezelf te oordelen dan over anderen. Als het je lukt om een juist oordeel over jezelf te hebben, dan heb je de ware wijsheid gevonden."

 
[1] Koerier naar het zuiden
[2] Nachtvlucht
[3] Land van de mens
[4] Oorlogspiloot
[5] De Kleine Prins
[6] Brief aan een gijzelaar
[7] Bolwerk/burcht
 
 
Bronnen voor wie meer wil weten:

http://papierenman.blogspot.com/2008/03/vliegtuig-van-antoine-de-saint-exupry.html

http://www.antoinedesaintexupery.com/

http://nl.wikipedia.org/wiki/Antoine_de_Saint-Exup%C3%A9ry

http://imansolas.freeservers.com/ASExupery/Antoine%20de%20Saint%20Exupery.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/De_kleine_prins
 
 
02. Bibliografie
 
 
"Courrier sud [1]", 1929
 
                    
 
      "Vol de nuit [2]", 1932
 
         

"Terre des hommes [3]",1939;
 
 
 

"Pilote de guerre[4]",1942 
 
 
 
 

"Le petit prince[5]" 1943
 
 
 
 

"Lettre à un otage[6]" (1943
 
 
 
 

"Citadelle[7]" (postuum, 1948)
 
 
Woorden als sterren - een citatenboekje
 
 
 
 Lettres à sa mère [8]
 
 
 
Carnets [9]
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
[1] Koerier naar het zuiden
[2] Nachtvlucht
[3] Land van de mens
[4] Oorlogspiloot
[5] De Kleine Prins
[6] Brief aan een gijzelaar
[7] Bolwerk/burcht
[8] Brieven aan zijn moeder
[9] Notitieboeken
 
 
 
 
03. Uittreksels en citaten 
 
 

Citaten uit de Kleine Prins:

Grote mensen houden van cijfers. Wanneer je hun vertelt van een nieuwe vriend vragen ze nooit het belangrijkste. Ze zeggen nooit: 'Hoe klinkt zijn stem? Van welke spelletjes houdt hij het meest? Verzamelt hij vlinders?' Maar ze vragen: 'Hoe oud is hij? Hoeveel weegt hij? Hoeveel broertjes heeft hij? En hoeveel verdient zijn vader?' Dan pas vinden ze dat ze hem kennen. Als je tegen de grote mensen zegt: 'Ik heb een prachtig huis gezien van roze baksteen, met geraniums voor de ramen en duiven op het dak...' dan kunnen ze zich dat huis niet voorstellen. Je moet zeggen: 'Ik heb een huis van vijftigduizend gulden gezien' Dan roepen ze: 'Wat mooi!'
Zo zijn ze nu eenmaal. Je moet het ze maar niet kwalijk nemen. Kinderen moeten veel geduld hebben met de grote mensen.

Ik weet een planeet, waar een vuurrode meneer woont. Hij heeft nooit aan een bloem geroken, nooit naar een ster gekeken. Hij heeft nooit van iemand gehouden maar altijd alleen maar optelsommen gemaakt. En hij zegt de hele dag: 'Ik ben een ernstig man. Ik ben een ernstig man.' En dan zwelt hij van trots. Maar dat is geen man, dat is een paddenstoel!

 'Ik had natuurlijk niet naar haar moeten luisteren', vertrouwde hij me eens toe. 'Naar bloemen moet je nooit luisteren. Men moet ze bekijken en eraan ruiken. Mijn bloem geurde over de hele planeet maar ik wist er niet van te genieten. Die opmerking over klauwen waar ik zo kwaad om werd had ik juist grappig moeten vinden...'
En hij vervolgde: 'Ik heb er toen niets van begrepen! Ik had haar moeten beoordelen naar haar daden en niet naar haar woorden. Ze verspreidde geur en glans. Ik had nooit moeten weglopen. Ik had de tederheid moeten voelen achter haar armzalige streken. Bloemen spreken zichzelf altijd tegen. Maar ik was nog te jong om van haar te kunnen houden.'

Een paar rupsen zal ik wel moeten verdragen, als ik ooit vlinders wil zien. Die schijnen zo prachtig te zijn.

Hij duldde geen ongehoorzaamheid. Hij was een absoluut monarch. Maar omdat hij een heel goed hart had, waren zijn bevelen redelijk. Hij zei wel eens: 'Wanneer ik aan een generaal bevel gaf zich in een zeemeeuw te veranderen, zou het niet de schuld van de generaal zijn als hij niet gehoorzaamde. Dat zou mijn schuld zijn.' Men moet van niemand meer eisen dan hij geven kan. Gezag steunt in de eerste plaats op verstand. Als je het volk beveelt zich in zee te storten, komt het volk in opstand. Ik heb het recht gehoorzaamheid te eisen omdat mijn bevelen redelijk zijn.'

De volgende planeet werd bewoond door een dronkaard. Dit werd een kort bezoekje maar het stemde de kleine prins heel bedroefd.
'Wat doe je daar?' zei hij tot de dronkaard, die hij stil vond zitten bij een verzameling lege flessen en een verzameling volle flessen.
'Ik drink', antwoordde de dronkaard met een somber gezicht.
'Waarom drink je?' vroeg het prinsje.
'Om te vergeten', antwoordde de dronkaard.
'Om te vergeten?' vroeg het prinsje weer, dat al medelijden kreeg.
'Om te vergeten dat ik me schaam', gaf de dronkaard met gebogen hoofd toe.
'En waarover schaam je je dan?' informeerde de kleine prins, die hem wilde helpen.
'Ik schaam me dat ik drink', besloot de dronkaard en zei verder niets meer.
En verslagen ging de kleine prins verder. 'Grote mensen zijn toch wel héél wonderlijk', zei hij bij zichzelf onder de reis.

- Ik heb ook een bloem.
- 'Bloemen noteren wij niet', zei de aardrijkskundige.
- Waarom niet? Dat is juist het mooiste.
- Omdat bloemen kortstondig zijn.
- Wat betekent dat, kortstondig?
- 'Aardrijkskundeboeken', zei de aardrijkskundige, 'zijn de kostbaarste boeken ter wereld. Ze raken nooit uit de tijd. Het gebeurt maar zelden dat een berg van plaats verandert of dat een oceaan leeg loopt. Wij beschrijven eeuwige dingen.'

'O', zei de slang. En toen zwegen ze.
'Waar zijn de mensen?' vroeg de kleine prins eindelijk. 'Het is wel een beetje eenzaam in de woestijn...
'Bij de mensen ben je ook eenzaam', zei de slang.

'Nee', zei het prinsje. 'Ik zoek vrienden. Wat betekent 'tam'?'
'Dat is maar al te zeer een vergeten woord', zei de vos. 'Het betekent 'verbonden'.'
'Verbonden?...'
'Ja zeker', zei de vos. 'Jij bent voor mij maar een klein jongetje als alle andere kleine jongetjes. En ik heb je niet nodig. Ik ben voor jou een vos als alle andere vossen. Maar als je me tam maakt, dan zullen we elkaar nodig hebben. Dan ben je voor mij enig op de wereld en ben ik voor jou enig op de wereld...'
'Ik begin het te begrijpen', zei de kleine prins.

Als jij me tam maakt, dan wordt mijn leven vol zon. Dan ken ik voetstappen, die van alle andere verschillen. Voor andere voetstappen kruip ik weg onder de grond, maar jouw stap zal me juist uit mijn hol roepen, als muziek. En kijk eens! Zie je daar de korenvelden? Nu eet ik geen brood. Ik heb niets aan koren en korenvelden zeggen me niets dat is heel verdrietig. Maar jij hebt goudkleurig haar. Dan zal het heerlijk zijn als je me tam gemaakt hebt! Door het goudkleurige koren zal ik aan jou moeten denken. En ik zal het geluid van de wind in het koren mooi vinden...' De vos werd stil en keek het prinsje lang aan: 'Alsjeblieft... wil je me tam maken?' zei hij.

'De mensen hebben geen tijd meer iets te leren kennen. Ze kopen dingen klaar in winkels. Maar doordat er geen winkels zijn die vrienden verkopen, hebben de mensen geen vrienden meer.

'Vaarwel', zei de vos. 'Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kunt je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.'
'Voor de ogen is het wezenlijke onzichtbaar', herhaalde de kleine prins, om het goed te onthouden.
'Alle tijd die je aan je roos besteed hebt, maakt je roos juist zo belangrijk.'
'De tijd die ik aan mijn roos besteed heb...' zei de kleine prins, om het goed te onthouden.
'Dat is een waarheid, die de mensen vergeten hebben', zei de vos. 'Maar die moet jij niet vergeten.
Je blijft altijd verantwoordelijk voor wat je tam hebt gemaakt. Je bent verantwoordelijk voor je roos...'
'Ik ben verantwoordelijk voor mijn roos', zei de kleine prins om het goed te onthouden.

'De woestijn is mooi', zei hij...
En dat was waar. Ik heb altijd van de woestijn gehouden. Men gaat op een duin zitten. Men ziet niets en hoort niets. En toch straalt er iets in de stilte...
'De woestijn is zo mooi doordat er ergens een put verborgen is', zei de kleine prins.
Tot mijn verbazing begreep ik ineens die geheimzinnige uitstraling van het zand. 
'Ik heb trek in dat water', zei de kleine prins, 'geef me te drinken...'
Toen begreep ik wat hij gezocht had. Ik bracht de emmer aan zijn lippen. Hij dronk met gesloten ogen. Het was als een feest. Dit water was heel wat meer dan voedsel. Het sproot voort uit onze tocht onder de sterren, uit het geluid van de katrol en de inspanning van mijn armen. Dit water deed het hart goed, als een geschenk.

En het prinsje voegde eraan toe: 'Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken.'
'Wat bedoel je toch?'
'Als jij 's nachts naar de hemel kijkt zal het zijn alsof alle sterren lachen omdat ik een ster bewoon en omdat ik lach!'
En weer lachte hij.
'En als je eenmaal getroost bent (de mensen troosten zich altijd) dan zul je heel blij zijn, dat je me gekend hebt. Je zult altijd mijn vriend zijn en je zult met me mee willen lachen. En dan zul je van tijd tot tijd voor je plezier het raam open doen... En je vrienden zullen heel verbaasd zijn je te zien lachen, als je naar de hemel kijkt. Dan zeg je tegen ze: 'Ja, om de sterren moet ik altijd lachen!' En ze zullen denken, dat je gek bent - dan ben je er door mij lelijk ingelopen... '

 
 

uit: Oorlogsvlieger

Wie de weg tot innerlijke beschouwing vindt, verandert zich in een zaadkorrel.
Wie een licht ziet opgaan, grijpt iedereen bij de arm, om het hem te tonen.
Wie iets uitvindt, geeft zijn uitvinding meteen door.

De overwinning is de vrucht der liefde.
De liefde alleen kent het gezicht dat gevormd moet worden.
De liefde alleen voert daar naar toe.
Het verstand deugt slechts in dienst van de liefde.

 
 
 

Uit:  Citadel

Toen ik genoeg kreeg van bijval als een geluid zonder betekenis dat me niets meer kon vertellen, had ik deze droom: Een steile en glibberige weg hing boven zee. De storm was losgebarsten en de nacht lekte als een volle waterzak. Koppig, klom ik op naar God om hem de reden te vragen van de dingen en mij te doen uitleggen waartoe de uitwisseling leidde die men mij had willen opleggen. Maar op de top van de berg ontdekte ik slechts een zwaar blok graniet - dat God was.

'Dáár heb jij hem, zei ik tot mijzelf, onbeweeglijk en onvergankelijk', want ik hoopte nog mij niet terug te trekken in de eenzaamheid.

'Heer, zeg ik hem, geef mij onderricht. Zie, mijn vrienden, mijn makkers en mijn onderdanen stellen voor mij niet méér voor dan sprekende ledenpoppen. Ik houd ze in de hand en beweeg ze naar goeddunken. Ik word niet gekweld door het feit dat zij mij gehoorzamen, want het is een goede zaak dat mijn wijsheid in hen haar weerslag heeft. Maar door het feit dat zij deze weerspiegeling geworden zijn die mij eenzamer maakt dan een melaatse. Als ik lach, lachen zij. Als ik zwijg, worden zij somber. En mijn woord dat ik ken, vervult hen zoals de wind de bomen. En ik alléén vul hen. Er bestaat voor mij geen uitwisseling meer, want in dit mateloze gehoor beluister ik niet méér dan mijn eigen stem die zij mij terugkaatsen als de ijzige echo's van een tempel. Waarom schrik ik van de liefde en wat heb ik te verwachten van deze liefde die slechts vermenigvuldiging is van mij zelf?'

Maar het blok graniet, druipend van een glinsterende regen, bleef ondoorgrondelijk voor mij.

'Heer, zeg ik tot hem - want er bevond zich op een tak vlakbij een zwarte raaf - ik begrijp best dat het bij Jouw majesteit past te zwijgen. Ik heb echter een teken nodig. Wanneer ik mijn gebed beëindig, beveel deze raaf dan weg te vliegen. Dat zal dan zijn als de knipoog van een ànder dan ikzelf en ik zal niet meer alléén zijn op de wereld. Ik zal met Jou verbonden zijn door een vertrouwen, zelfs al is het duister. Ik vraag niets anders dan een teken te ontvangen dat er misschien iets te begrijpen valt.'

Ik observeerde de raaf. Hij bleef echter onbeweeglijk. Ik boog mij toen naar de muur.

'Heer, zeg ik hem, Jij hebt zeker gelijk. Het past niet bij Jouw majesteit Je te onderwerpen aan mijn bevelen. Wanneer de raaf weggevlogen zou zijn, had dat mij met meer droefheid vervuld. Want zo'n teken zou ik slechts ontvangen hebben van een gelijke, dus eens te meer van mijzelf, wéér een weerspiegeling van mijn verlangen. En opnieuw zou ik slechts mijn eenzaamheid ontmoet hebben.'

***

Maar Jij hebt me veroordeeld tot de stilte, opdat ik de betekenis ervan zou begrijpen boven de wind van de woorden uit. Het behoort immers tot mijn taak me te buigen over de angst van de mensen, want ik heb besloten hen daarvan te genezen.

Zeker, Jij hebt gewild dat ik spaarzaam om zou gaan met de tijd die ik anders aan kletspraat besteed zou hebben. De woorden besteed aan een verloren sieraad, zoals aan de vriendschap of de liefde, zijn een hel. Niemand ontsnapt immers ooit aan deze twistgesprekken, want het gaat niet om een sieraad maar om de dood. De band van liefde en vriendschap komt immers pas waarlijk in Jou tot stand. Jij hebt besloten om me daartoe slechts toegang te geven door jouw stilte.

 
 
 
 
 

Verwar de liefde niet met de waanzin van het bezit, dat het ergste lijden met zich meebrengt. Want, in tegenstelling tot de algemene mening, doet de liefde niet lijden. Maar de drift tot eigendom, die het tegendeel is van de liefde, doet lijden... De waarachtige liefde begint daar waar je niets meer terugverwacht. En als de oefening van het gebed zo belangrijk lijkt te zijn om aan de mens de liefde voor de mensen te onderwijzen, dan is dat vooral omdat het gebed geen antwoord ontvangt. Dankzij het stilzwijgen van God is het gebed een oefening van de liefde... 

Jouw liefde bestaat vooral uit haat, want je klampt je vast aan de vrouw of man waar je profijt van hebt. Vervolgens begin je te haten, zoals een hond die rond de voederbak draait, eenieder haat die gluurt naar de maaltijd. Je noemt dit egoïsme van de maaltijd liefde. De liefde is je nauwelijks geschonken of ook daar, zoals in je valse vriendschappen, maak je van de vrije gave een knechtschap of een slavernij. Je begint jezelf als gekwetst te ontdekken vanaf het ogenblik dat men je bemint. Vervolgens af te straffen door de vertoning van je lijden, om daardoor de ander nog beter te onderwerpen. Inderdaad je lijdt. Maar juist van dit lijden heb ik een afkeer. Waarom wil je dat ik het bewonder?
Ik herken de vriendschap hieraan dat zij niet teleurgesteld kan worden, en ik herken de ware liefde hieraan dat zij niet gekwetst kan worden.