Hermann Hesse, een van de groten uit de duitstalige literatuur




 
 01. Biografie - 02. Citaten - 03. Boeken - 03a. Flapteksten - 03b. Uittreksels - 04. Gedichten - 05. Schilderijen
 
 
 
 
 
 
 
 
01. Biografie

Hermann Hesse (1877-1962) hoort tot de allergrootste Duitstalige schrijvers.  

De kleine Hermann groeide op in een uiterst gelovig gezin, evangelisch (protestants). Zijn ouders waren doordrongen van de piëteit van de omgeving waarin ze woonden, een uiterst conservatieve diepgelovige gemeenschap in het Zwarte Woud. Hermann was zeer goed in de lagere school en als het ware voorbestemd om Latijn te studeren en daarop logisch volgend: het seminarie. En er was in het Schwabenland een zeer goed seminarie voor protestantse kandidaten. Slechts de allerbeste leerlingen mochten er heen. Hermann was dus voorbestemd.

Hij was 13 als hij daar zijn entree maakte. Knapen kregen daar een gymnasiumopleiding gekoppeld aan een theologische. Maar weldra bleek de jongen  zich ongemakkelijk te voelen in het strenge keurslijf van de seminarie-opleiding en het werd voor hem een bron van opstandigheid.

In 1892 vluchtte hij (in de letterlijke zin) uit die school. Thuisgekomen ontstond een hevige strijd met zijn ouders. Hij zag geen andere uitweg dan te vluchten... de 14-jarige begon aan een waar odyssee. Her en der werd hij opgevangen, maar gevoelens van onmacht, verwardheid, heimwee naar en tegelijk afkeer van thuis en onzekerheid stuwden hem in depressies. In mei 1892, nog steeds maar 14 jaar oud, deed hij een zelfmoordpoging, werd echter gered door een geestelijke. Hij kreeg stilaan zijn gevoelens onder controle en ging opnieuw naar een gymnasium. Maar geen jaar later brak hij de studies af.

Als 16-jarige wou hij van geen intellectuele arbeid meer weten en begon een opleiding als mecanicien. In die tijd leerde hij het ruwe leven van arbeiders kennen. Maar zijn tengere lichaam was niet tegen de zware arbeid opgewassen. Uiteindelijk ving hij, als 17-jarige, een opleiding voor boekhandelaar aan. Daar zou zijn bekwaamheid als schrijver tot uiting komen...

Deze zeer ongelukkige en stormachtige jeugdjaren heeft Hermann Hesse zelf beschreven, 10 jaar later. Het boek is zeer gevoelig geschreven en soms uiterst hard. Het draagt de titel: "Unterm Rad” (Mislukt). In het boek sterft de jonge Hermann echter... "Unterm Rad”, Hermann Hesse, Suhrkamp Verlag, ISBN 3-518-41453-4.


Hermann Hesse ontdekte zijn dicht- en schrijverstalent als bediende in een boekhandel in Tübingen (Baden-Württemberg). Als 18-jarige had hij nog steeds geen getuigschrift van middelbare studies, werd echter als bediende aangenomen in een boekhandel. Daar erkende men zijn intellectuele begaafdheden en zette hem aan het werk in de hogere afdeling (theologie, filosofie, schrijvers). Zo kwam hij in contact met boeken van Goethe, Schiller en andere. In zijn vrije uren las hij zulke boeken gretig.
Het boeide hem waarschijnlijk zozeer, dat hij nog geen jaar later een eigen gedicht schreef, zijn eerste: "Madonna”. Het verscheen zonder veel gevolg in een tijdschrift in Wenen. Maar hij dichte verder.

Als 21-jarige publiceerde hij een eigen dichtbundel "Romantische Lieder”, maar het werd een flop. In twee jaren tijd werden 54 exemplaren verkocht. Gelukkig had hij een behoorlijk inkomen uit zijn werk in de boekhandel. Zijn ouders begonnen stilaan toch respect te krijgen voor hun zoon, nu hij dichter was en een behoorlijk beroep uitoefende...

In 1899 stelden zijn ouders hem voor in Basel te gaan werken bij een antiquair. Daar kenden de Hesses heel wat vooraanstaanden, waaronder kunstenaars en schrijvers.

Hermann deed er heel wat ervaring op en begon aan een eerste roman. Die was klaar in 1904: "Peter Camenzind”. Het was van in het begin een topsucces! Sindsdien was Hermann Hesse schrijver en bood de toekomst hem alle kansen op geluk en succes.     
"Peter Camenzind”, Suhrkamp Verlag, ISBN 3-518-39867-9


Het ging Hermann aanvankelijk voor de wind. Hij verdiende goed door zijn eerste roman en zag het leven rooskleurig. In datzelfde jaar gaf Maria Bernouille hem het jawoord. Ze vestigden zich in Gaienhofen aan de Bodensee (Duitse zijde). Het leven scheen wel wondermooi. Zijn donkere jeugdjaren waren nog slechts een herinnering, die hij neerschreef in een tweede roman "Untern Rad” in 1906. Hij kreeg ook drie zonen.  Maar stilaan ontstonden huwelijksproblemen. En  problemen kon Hermann niet aan, dan stortte hij zich in geweeklaag en depressies. Deze neerslachtige stemming vertolkte hij in zijn derde roman "Gertrud” in 1910. Het werk werd een flop...

Hermann liet zich afglijden in gevaarlijk wordende depressies. Hij besloot naar Ceylon en Indonesië te trekken, zonder zijn gezin. Hij was op zoek naar spirituele rust en ook inspiratie. Ontgoocheld kwam hij een jaar later terug. De problemen in het gezin bleven. Ze verhuisden naar Bern (Zwitserland). Daar schreef hij zijn problemen neer in de roman "Roßhalde” in 1914. En dan brak de Eerste Wereldoorlog uit...

In 1914 kon hij geen begrip opbrengen voor het Duitse nationalisme van keizer Wilhelm II en veroordeelde de aanval van Duitsland zeer scherp in een Zwitserse krant.

Dat werd hem door velen kwalijk genomen. Hij verloor bijna al zijn vrienden. Toch bleef hij overtuigd dat nationalisme uit den boze was. In diezelfde tijd ging het met de gezondheid van zijn vrouw bergaf. Zij leed aan toenemende krankzinnigheid en moest opgenomen worden. Bovendien werd zijn zoon Martin levensgevaarlijk ziek en stierf, zo ook vader Hesse. Al die drama’s werkten nefast op het gemoed van Hermann. Hij dreigde in een nieuwe diepe depressie te geraken, liet zich echter overhalen tot het volgen van psychotherapie waardoor hij weer overeind krabbelde. Hij kreeg hierdoor zélf ook interesse voor psychoanalyse. Hieruit ontstond zijn roman "Demian”, die hij uitgaf onder pseudoniem (Emil Sinclair) omdat hij niet meer welkom was in de Duitse pers.

Na WO I scheidde hij van zijn krankzinnige vrouw en verhuisde van Bern naar de omgeving van Locarno in Zuid-Zwitserland. Daar kwam hij tot volle rust en raakte geboeid door de oosterse wijsheid en Indische cultuur. Dat was voor hem een soort yoga, een middel om het evenwicht terug te vinden. Dit gegeven vinden we terug in zijn roman: "Siddharta”.

In 1924 huwde hij een tweede maal, maar dat hield niet lang stand. Hij  schreef in die tijd een van zijn beste romans: "Der Steppenwolf”. Hierin is een auteur met een uitgesproken evenwichtige geest te herkennen. Kort daarop huwde hij nog een derde en laatste maal.

Herman Hesse schreef in 1927 volgend gedicht voor zijn derde vrouw, Hinon
 
 
 
Für Hinon

 

Daß du bei mir magst weilen,
Wo doch mein Leben dunkel ist
Und draußen Sterne eilen
Und alles voll Gefunkel ist,

Daß du in dem Getriebe
Des Lebens eine Mitte weißt,
Macht dich und deine Liebe
Für mich zum guten Geist.

In meinem Dunkel ahnst du
Den so verborgnen Stern.
Mit deiner Liebe mahnst du
Mich an des Lebens süßen Kern.

 
In 1931, hij was toen reeds 54 jaar oud, begon hij aan zijn laatste roman. Deze zou hij echter geleidelijk aan schrijven want in Duitsland was het nationaalsocialisme  uitgebroken. Dat was voor hem een stimulans om tegen dat soort Duitse politiek te keer te gaan. Openlijk publiceerde hij aanhoudend lofbetuigingen aan Joodse schrijvers. Hij benutte elke kans om in Zwitserse kranten al diegenen te loven die verdrukt werden. Met enkele jaren vertraging publiceerde hij zijn laatste roman:
"Das Glasperlenspiel”, een van zijn meesterwerken. In 1946 werd hij bekroond met de Nobelprijs voor literatuur.

Nadien schreef hij geen romans meer, enkel nog gedichten en korte verhalen. Op 9 augustus 1962 stierf hij in zijn slaap aan een hersenbloeding.
 
 
S T U F E N

Wie jede Blüte welkt und jede Jugend
Dem Alter weicht, blüht jede Lebensstufe,
Blüht jede Weisheit auch und jede Tugend
Zu ihrer Zeit und darf nicht ewig dauern.
 Es muß das Herz bei jedem Lebensrufe
Bereit zum Abschied sein und Neubeginne,
Um sich in Tapferkeit und ohne Trauern
In andre, neue Bindungen zu geben.
Und jedem Anfang wohnt ein Zauber inne,
Der uns beschützt und der uns hilft, zu leben.
 

Wir sollen heiter Raum um Raum durchschreiten,
An keinem wie an einer Heimat hängen,
Der Weltgeist will nicht fesseln uns und engen,
Er will uns Stuf um Stufe heben, weiten.
 Kaum sind wir heimisch einem Lebenskreise
Und traulich eingewohnt, so droht Erschlaffen,
Nur wer bereit zu Aufbruch ist und Reise,
Mag lähmender Gewöhnung sich entraffen.
 

Es wird vielleicht auch noch die Todesstunde
Uns neuen Räumen jung entgegen senden,
Des Lebens Ruf an uns wird niemals enden...
Wohlan denn, Herz, nimm Abschied und gesunde!
 
 
 
Bronnen

http://de.wikipedia.org/wiki/Hermann_Hesse
http://www.hermann-hesse.de/de/index.htm
http://www.hhesse.de/start.php


 
 
 
 
 02. Aforismen en citaten uit het werk van Hesse
 
 
 
Hoe dichter men bij elkaar zit, hoe moeilijker men elkaar leert kennen.

Men zegt zo makkelijk 'een misdadiger' en daarmee ­bedoelt men dan dat iemand iets doet wat anderen hem hebben verboden. Ieder van ons moet zelf uitmaken wat toegestaan en wat verboden is - hém verboden is. Men kan nooit iets verbodens doen en tóch een grote schoft zijn.
    
De leider heeft mensen nodig die geen eigen verantwoordelijkheid willen dragen en niet willen denken en hij eist dat ook van hen.
    
Als we iemand haten, dan haten we in hem iets wat in ons zelf woont. Wat niet in ons zelf woont, windt ons niet op.
    
De burger beschouwt alleen die dingen als een realiteit die door iedereen of althans door velen op soortgelijke manier worden waargenomen.
    
Voor de medeburger is alles heilig wat gemeengoed en gemeenschappelijk is, wat hij met velen, misschien met allen deelt, wat hem nooit aan eenzaamheid, aan
geboorte en dood, aan het meest innerlijke Ik herinnert.
    
Het begin van elk verval is dit: het ernstig nemen van de grote dingen en het niet-ernstig nemen van de kleine dingen als vanzelfsprekend beschouwen. Elk zedelijk
bederf begint ermee dat men de mensheid hoogacht, maar zijn dienstmeisjes kwelt, vaderland of kerk of partij voor heilig houdt, maar zijn dagelijks werk slecht en slonzig doet. Daartegen is maar één remedie: men moet zowel bij zichzelf als bij anderen de zogenaamde serieuze en heilige dingen voorlopig links laten liggen - zoals standpunt, wereldbeschouwing en vaderlandsliefde, maar wel alle aandacht besteden aan de kleine en kleinste dingen - op elk moment dat dit vereist is.

We kunnen elkaar begrijpen, maar verklaren kan iedereen alleen zich zelf.
 
Tranen zijn het smeltende ijs van de ziel.

Fantasie en inlevingvermogen zijn niets anders dan vormen van liefde.
 
Geen enkele mens is wreder en boosaardiger dan de NORMALE mens.

Het kwade ontstaat altijd daar waar de liefde tekort schiet.

Ik heb de ondervinding dat er geen beter vakantievoornemen bestaat dan om geen letter te zullen lezen. Daarna is er niets mooiers, dan dit goede voornemen met een echt mooi boek ontrouw te worden.

Als je geen geweld kunt gebruiken, vervang dan het zwaard door ironie.

Men is alleen bang wanneer men het niet met zichzelf eens is.
Origineel: Man hat nur Angst, wenn man mit sich selber nicht einig ist.

Jaren op kunnen geven voor de glimlach van een vrouw, dat is geluk.
Origineel: Jahre opfern können für das Lächeln einer Frau, das ist Glück.

Wonderlijk hoe alles terugkomt, en alles zo vreselijk precies in dezelfde volgorde.

Het kwade ontstaat altijd daar waar de liefde tekort schiet.
 
Geluk is een hoe, geen wat; een talent, geen object.
 
De diepte vind je in het doorzichtige en vrolijke.
 
Niemand kan bij een ander waarnemen en begrijpen, wat hij niet zelf heeft beleefd.
 
Wat mooi is, ontleent een deel zijn betovering aan de vergankelijkheid.   
 
 
 
 
03. Boeken    

03a. Enkele Flapteksten


1. Kleine Literatuurgeschiedenis.


Hermann Hesse was evenals Thomas Mann een pleitbezorger van het nieuwe zonder het oude te willen afbreken. Naast zijn vele boeken, essays en romans schreef Hesse ongeveer drieduizend boekrecensies. Als enorme literatuurliefhebber koos Hesse voor het werk van Thomas Mann, Musil, Canetti, Max Fisch, Goethe, Stendhal, Voltaire, Flaubert, Tolstoj, Hamsun en tal van anderen. In samenwerking met Volker Michels is hieruit een selectie gemaakt.
Dit boek is een typische Hesse-begeleider voor de literatuurliefhebber.

2. Narziss en Goldmund


In middeleeuws Duitsland wordt de jonge Goldmund door zijn vader naar het internaat gestuurd van het klooster Mariabronn. Min of meer opgedrongen door zijn vader heeft hij de intentie monnik te worden. Hij raakt erg bevriend met Narziss, één van zijn medeleerlingen die ook les geeft en bekend staat vanwege zijn intellectuele vermogens. Al snel merkt Narziss dat Goldmund niet voorbestemd is om monnik te worden.

3. Het Geluk van de Liefde
 


Wer lieben kann ist glücklich, meende de Duitse nobelprijswinnaar voor de literatuur Hermann Hesse. Het is niet voor niets een centraal punt in de wereldliteratuur, want maar weinig thema's kunnen zo heerlijk of dramatisch zijn als juist de zaken van het hart. Voor Hesse is het een van de belangrijkste sleutels in een mensenleven, wie zich uitsluit van de liefde dreigt te verkommeren, wie zich openstelt zal mogelijk het geluk vinden.
Oorspronkelijke titel: Wer lieben kan ist glücklich. Vertaler: Evert van Leerdam

4. Demian
 

Vanaf het moment dat Max Demian in de stad komt wonen, is Sinclair, de hoofdpersoon van het boek, door hem gefascineerd. Demian lijkt geheel zichzelf te zijn en kent geen gevoelens van angst en vernedering en eenzaamheid zoals Sinclair. In de loop der jaren ontmoeten ze elkaar slechts af en toe en gaat het bergafwaarts met Sinclair. Tot hij een foto ziet van de moeder van Demian - zijn droomvrouw, zijn geliefde leidster...
"Onvergetelijk is de elektriserende schok die 'Demian' na de Eerste Wereldoorlog teweegbracht. Het is een verhaal dat met griezelige nauwkeurigheid de zenuw van die tijd trof en de gehele jeugd in dankbare verrukking meesleepte." - Thomas Mann
"Nog steeds schijnt deze analyse van de puberteit betrouwbaar. Het gebruik van mystieke tekens en symbolen blijkt bij Hermann Hesse meer dan alleen maar een literair spelletje. 'Demian' is nog altijd een ontwikkelingsroman van de beste soort. De psychische crisisverschijnselen, de overgang van de ene bewustzijnstoestand naar de andere, het is alles uitstekend aangevoeld en verwerkt. 'Demian' is ook bepaald meer dan het verhaal van de jonge Emil Sinclair. Het is hét verhaal van een jeugd gebleven, ook nu nog, na meer dan vijftig jaar." - Martin Mooij in Het Parool

5. Franciscus van Assisi
 

In de middeleeuwen was de roomse kerk, als heerseres van de wereld, meer bezig met bewapeningen, bondgenootschappen, ban en straffen dan met de vrede van de zielen. Onder de verontruste volkeren ontstond grote nood en overal traden nieuwe leraren en gemeenschappen op, die vaak niet verachting van hun leven weerstand boden aan de zware vervolgingen van de kerk. In Umbrië raakte een onbekende jongeman in gewetensnood en besloot in grote deemoed een trouwe volgeling van de Heiland te worden. Dit was Giovanni Bernardone, genaamd St. Franciscus van Assisi, die voor zijn duizenden volgelingen tot in onze dagen een bron van vernieuwing en liefde is gebleven. Zo worden de laatste tijd overal in Europa Franciscaanse lekenorden opgericht, die zich door Franciscus laten inspireren, omdat hij zo dicht mogelijk bij de boodschap van het evangelie probeerde te komen. Ook voor de Duitse Nobelprijswinnaar Hermann Hesse werd Franciscus een bron van troost en geestelijke verjonging en tot een blijvende inspiratie van zijn leven en werk. Zijn kleine monografie, die 80 jaar lang niet meer verkrijgbaar was en zijn andere artikelen over Franciscus zijn nu gebundeld in dit boek. Alfred Krans, die eerder werk van Hesse voor Aspekt vertaalde, verzorgde ook deze keer de vertaling.
Oorspronkelijke titel: Franz von Assisië

6. De Kunst van het ouder worden
 


Overpeinzingen en gedichten over het ouder worden, Met foto's van Martin Hesse. Hermann Hesse behoort tot de schrijvers die het geluk hadden oud te worden. Hierdoor kon hij over lange tijd toonaangevende karakteristieken in werk en leven vastleggen. Hesse was, na een leven vol intensiteit en productie, 85 jaar geworden. Hij keek terug op een carrière vol opgang en tegenspoed. Het aantal Hesse-golven in de literatuur is aanzienlijk geweest. Steeds werd gereageerd op de geheel eigen aspecten in zijn werk met betrekking tot de sociale en politieke omwentelingen van zijn tijd.

Vooral zijn relatie voor, tijdens en na de bruine revolutie stond centraal. Hesse was niet anti-Duits maar wel kritisch tegenover de zich aftekenende totalitaire staat. Deze bewogenheid deed hem door diepe dalen gaan. Door zijn hele werk heen strooide hij zijn doorleefde gedichten en teksten over het ouder worden. De jaren maken hem werkelijk wijs. Hij doorziet steeds beter de knelpunten in zijn leven, hij waardeert meer en meer het dagelijks opkomen van de zon. Bij verlies van kleur en hartstocht geniet hij steeds meer van contouren en profielen.

Ouder worden blijft in hem de jeugd leven. Het ouder worden neemt hij als afscheid mee naar de mooiere wereld na het graf. De thans weer gelezen en geprezen Hesse leert ons de kunst van het ouder worden. Dit voor alle liefhebbers van Hesse verrassende boek is voorzien van foto's van Hesse's zoon Martin Hesse. Het boek werd samengesteld door Volker Michels. Evert van Leerdam verzorgde de vertaling.

7. In Reis naar het morgenland
 
geeft Hesse gestalte aan de droom van de jeugd, de bevrijding van maatschappelijke banden, en de langzame overgang van de westerse mens naar de zuivere mystiek van het oosten.

8. De Steppenwolf
 


Harry Haller is een melancholische en eenzame man, een teruggetrokken intellectueel die weinig plezier aan zijn bestaan beleeft. Hij probeert een balans te vinden tussen het dierlijke in hemzelf en zijn rationele karakter, zonder toe te willen geven aan de door hem zo verachte burgerlijkheid. Dan ontmoet hij de levenslustige en onbezorgde Hermine, een vrouw die zijn precieze tegenpool is, en zijn leven ondergaat een drastische verandering.

9. Siddhartha
 


is het verhaal van een jongen op zoek naar zijn ware innerlijk. Hij vindt het noch bij Boeddha, nog in het wereldse leven. Bij de rivier, symbool van de harmonie en vergankelijkheid, leert hij de dingen lief te hebben en te begrijpen.

10. Boccaccio
 


Met het beroemde Boccaccio brengt uitgeverij Aspekt wederom een mooie titel van de meesterverteller Hermann Hesse, die momenteel weer op veel belangstelling mag rekenen. Eerder al bracht Aspekt De kunst van het ouder worden en De terugkeer van Zarathoestra, beschouwingen dus van het leven op latere leeftijd en zijn opvattingen over de politiek extreme stromingen, waartegen hij waarschuwde. Recentelijk verscheen ook van de hand van Alois Prinz de bekroonde biografie De bekoring van het begin over het leven van Hermann Hesse. Martin Ros werkt momenteel voor Aspekt aan de monografie Hesse, een profiel.

Deze kleine novelle die zich afspeelt in het schilderachtige Florence is een beroemd juweeltje uit het werk van Hesse. Hesse zelf beschouwde de stad niet voor niets als zijn 'thuis'. De slimme ijverige koopman Boccaccio is de hoofdpersoon in dit aangrijpende juweeltje.

11. De terugkeer van Zarathustra
 
  is het antwoord van Hermann Hesse op het politieke radicalisme van zijn tijd. Zowel de dogma's van rechts als links worden door Hermann Hesse tegen het licht gehouden en ontdaan van elke vorm van mysificatie. Het resultaat is een uiterst verrassend en relativerend boek dat zeker ook in onze huidige gespannen tijd van grote waarde is.

Robert Jung typeerde het dan ook als een visionaire blik, welke verder gaat dan de waan van de dag. Het geeft het individu een handreiking om zich te weer te stellen tegen revolutionaire programma's en functionarissen. Alfred Krans vertaalde dit boek, dat onder de titel Zarathustras Wiederkehr  bij uitgeverij Suhrkamp verscheen, voor de Nederlandse lezers. Het boek komt op een goed moment nu de interesse voor Hermann Hesse zowel nationaal als internationaal weer snel groeiende is. Volker Michels verzorgde het nawoord.

12. Het kralenspel
 
  is een utopische roman over de strijd van de mens tegen de barbaarse machtswellust. Decor van deze toekomstroman is de denkbeeldige staat Kastalië, waarin het 'Kralenspel', een ongekend instrument, de totale inhoud en alle waarden van onze cultuur heeft verwerkt. Wat Hesse - diep geschokt door de Tweede Wereldoorlog - wilde, was de genezende krachten zichtbaar maken die uit de chaos weer tot orde kunnen leiden. Het kralenspel wordt beschouwd als het magnum opus van de in 1946 met de Nobelprijs voor de Literatuur bekroonde schrijver.
 
 
03b. Uittreksels uit boeken van Hermann Hesse die ik zelf heb gelezen
 
 
 
 
 
1. Siddhartha.
 
 



Een wonderbaarlijke blijdschap nam bezit van zijn gemoed.
Waarvandaan toch, vroeg hij zijn hart, waarvan­daan heb je die blijdschap toch? Komt zij misschien voort uit die heerlijke lange slaap, die mij zo goed gedaan heeft? Of uit het woord Ohm dat ik uitge­sproken heb? Of misschien uit het feit dat ik ont­snapt ben, dat mijn vlucht geslaagd is, dat ik einde­lijk weer vrij ben en als kind onder de hemelkoepel sta? 0 wat heerlijk is het toch om ontkomen te zijn, om weer vrij te zijn! Wat is de lucht hier zuiver en mooi, wat een genot is het om hier te ademen! Daar, vanwaar ik weggelopen ben, daar rook alles naar balsem, naar specerijen, naar wijn, naar verve­ling, naar traagheid. Wat haatte ik die wereld van de rijken, van de smulpapen, van de spelers! Wat heb ik mijzelf gehaat omdat ik zo lang in deze verschrik­kelijke wereld gebleven ben! Wat heb ik mijzelf ge­haat, mijzelf tekortgedaan, vergiftigd, gepijnigd, wat heb ik mijzelf oud en boosaardig gemaakt! Nee, nooit zal ik meer zoals ik vroeger zo graag deed, mij­zelf inbeelden dat Siddhartha wijs is! Maar dit heb ik er in elk geval wel goed van afgebracht, dit bevalt me, dit moet ik toejuichen, dat er nu een einde ge­komen is aan die zelfhaat van mij, dat er nu een ein­de gekomen is aan dat dwaze en lege leven dat ik heb geleid! Ditmaal verdien je geprezen te worden, Siddhartha, na zoveel jaren van dwaasheid heb je eindelijk weer het juiste gevoel gehad, heb je einde­lijk weer echt iets gedaan, heb je de vogel in je bin­nenste horen zingen, en heb je naar hem geluisterd!

Zo prees hij zichzelf, beleefde vreugde aan zich­zelf, luisterde nieuwsgierig naar zijn maag, die van honger knorde. De afgelopen tijd, de laatste dagen, waren een aaneenschakeling van leed en ellende ge­weest, niets was hem bespaard gebleven, alles had hij moeten slikken, alles weer uit moeten spugen, het had hem tot wanhoop gebracht, het had hem bijna de dood in gedreven. Zoals het nu was, was het goed. Hij had nog heel lang bij Kamaswami kunnen blijven, geld kunnen verdienen, geld kun­nen verkwisten, zijn buik had hij vet kunnen mes­ten, terwijl zijn ziel van dorst omkwam, hij had nog wel heel lang in deze zachte, geriefelijke hel kunnen wonen als dat voorval er niet was geweest: dat ogen­blik van volkomen troosteloosheid en diepste wan­hoop, dat ogenblik, toen de kruik ieder moment kon breken, toen hij daar boven het stromende wa­ter hing en bereid was zichzelf aan de vernietiging prijs te geven. Dat hij deze wanhoop, deze hart­grondige walging ervaren had, maar ook weer te boven was gekomen, dat de vogel, die bron van ge­luk en die stem in zijn innerlijk desondanks nog in leven was, daarom was hij zo blij, daarom moest hij lachen, daarom straalde zijn gezicht, onder zijn haar dat grijs was geworden.

'Het is goed,' dacht hij, 'om alles zelf te beproeven wat men moet weten. Dat werelds genot en rijk­dom geen goede dingen zijn, heb ik als kind al ge­leerd. Weten deed ik het allang, maar werkelijk er­varen heb ik het nu pas. En nu weet ik het echt, niet alleen in gedachten, maar met mijn ogen, met mijn hart, met mijn maag. Ik ben een gelukkig mens omdat ik dat weet'

Lang dacht hij na over de verandering die zich aan hem had voltrokken, luisterde naar de vogel, die het hoogste lied zong. Was deze vogel dan niet in hem gestorven, had hij diens dood dan niet gevoeld? Nee, het was iets anders, wat in hem gestorven was, iets wat er al zo lang naar verlangd had om te ster­ven. Was het niet datgene geweest wat hij eens in zijn vurige jaren als boeteling had willen laten ver­sterven? Was het niet zijn ik, zijn kleine bange en trotse ik, waarmee hij al jaren lang strijd had gele­verd, dat hem altijd weer had weten te overwinnen, dat na iedere versterving weer de kop opstak, blijd­schap onmogelijk maakte, zich gretig openstelde voor angst? Was het dat niet wat nu eindelijk de dood gevonden had, hier in het woud aan deze lie­felijke stroom? Kwam het niet doordat dat ik ge­storven was, dat hij nu als een kind geworden was, zo vol van vertrouwen, zo vrij van vrees, zo van blijdschap vervuld?

Nu begon Siddhartha ook te begrijpen waarom hij altijd als brahmaan, als boeteling tevergeefs met dat ik gestreden had. Al dat weten had hem daarbij gehinderd, al die gewijde zangen, het omvangrijke offerritueel, al die zelfkastijding, al dat streven en doen! Hij was verschrikkelijk hoogmoedig geweest, altijd de intelligentste, altijd de ijverigste, de ande­ren altijd één pas voor, hij was altijd degene geweest die het wist, altijd het beste thuis in geestelijke za­ken, altijd de priester of de wijze. In deze priester­rol, in deze hoogmoed, in deze vergeestelijking had zijn ik zich verschanst, daar had het zich stevig ge­nesteld, daar groeide het, terwijl Siddhartha dacht het te doden door boete te doen en te vasten. Nu zag hij dat in, ook zag hij dat die stem in zijn bin­nenste gelijk had gehad, die stem die hem verteld had dat hij geen verlossing bij goeroes zou vinden.

Dat was de reden waarom hij in de wereld had moe­ten gaan, zich aan genot en macht, aan de vrouwen geld had moeten verliezen, waarom hij een hande­laar, een dobbelspeler, een drinker en een vrek had moeten worden, tot de priester en de samana in hem gestorven waren. Dat was de reden waarom hij deze afschuwelijke jaren had moeten doormaken, de walging had moeten leren kennen, de leegte en de zinloosheid van een desolaat en verloren leven had moeten dragen, tot het bittere einde, tot hij door wanhoop verscheurd werd, totdat ook de los­bol Siddhartha, de vrek Siddhartha aan zijn einde kon komen. Gestorven was hij, een nieuwe Siddhartha was opgestaan uit de slaap. Ook hij zou weer oud worden, zou ook wel weer eens moeten sterven, vergankelijk was de stoffelijke vorm. Maar nu was hij jong, een kind, de nieuwe Siddhartha, en hij voelde zich ontzettend goed.

Zo dacht hij, terwijl hij lachend naar het knorren van zijn maag luisterde, dankbaar hoorde hoe een bijtje zoemde. Blij keek hij naar de rivier die daar stroomde, nog nooit was een water hem zo goed be­vallen, nog nooit waren de stem en de gelijkenis van het stromende water zo direct en zo mooi bij hem overgekomen. Het scheen hem toe dat de stroom hem iets belangrijks te vertellen had, iets wat hij nog niet wist, wat hem nog te wachten stond. In diezelfde stroom had Siddhartha zich willen ver­drinken, in hem was de oude, vermoeide, wanhopi­ge Siddhartha zojuist verdronken. De nieuwe Siddhartha daarentegen voelde een diepe genegen­heid voor dit stromende water en besloot bij zichzelf hier voorlopig niet te vertrekken.

 

2. Demian
 
 
 

 
Of wij eens, jij en ik en een paar anderen, de wereld zullen vernieuwen, dat zal blijken. Maar binnen in ons moeten wij de wereld dagelijks vernieuwen, anders zijn we verloren. Denk daaraan! Je bent achttien jaar, Sinclair, je bent geen hoerenloper, je moet liefdesdromen, lief­deswensen hebben. Misschien ben je bang voor die dromen. Wees niet bang! Zij zijn het beste dat je bezit. Geloof me. Ik heb mezelf veel tekort gedaan doordat ik, toen ik zo oud was als jij, mijn liefdesdromen heb verkracht. Dat is verkeerd. Als men het bestaan van Abraxas kent, mag men dat niet meer doen. Men mag nergens bang voor zijn en niets als verboden beschouwen wat de ziel in ons binnenste verlangt.'

Verschrikt sprak ik tegen: 'Maar je kunt toch niet alles doen wat je invalt! Je mag toch niet iemand vermoorden omdat je een hekel aan hem hebt.'

Hij schoof naar mij toe. 'Onder bepaalde omstandigheden mag je ook dát. Alleen - het is meestal een vergissing. Ik bedoel ook niet dat je eenvoudig alles doet wat je invalt. Nee, maar je moet dergelijke ideeën, die wel degelijk een positieve beteke­nis hebben, niet schadelijk maken door ze te verdrijven en voortdurend moraliserend te lijf te gaan. In plaats van jezelf of een ander aan het kruis te nagelen, kun je uit een roe­mer met feestelijke gedachten wijn drinken en daarbij het mysterie van het offer in gedachten beleven. Je kunt, ook zonder zulke handelingen, zijn drijfveren en zogenaamde aanvechtingen met achting en liefde behandelen. Dan tonen ze hun betekenis, en ze betekenen allemaal iets. Als je weer eens iets echt geks en zondigs te binnen schiet, Sinclair, als je iemand zou willen vermoorden of de een of andere enorme vuiligheid zou willen uithalen, bedenk dan even dat het Abraxas is die op die manier in je binnenste fantaseert! Degene die je zou willen vermoorden is nooit ene meneer X, hij is beslist een vermomming. Als we iemand haten, dan haten we in zijn beeld iets dat in onszelf huist. Wat niet in onszelf huist, windt ons niet op.'

'De dingen die wij zien,' zei Pistorius zacht, 'zijn dezelfde dingen die in ons leven. Er is geen andere werkelijkheid dan deze die wij in ons hebben. Daarom leven de meeste mensen zo onwerkelijk, omdat ze de waarnemingen in de buitenwereld voor de realiteit houden en hun eigen wereld in henzelf niet aan het woord laten komen. Je kunt je er gelukkig bij voelen. Maar als je het andere eenmaal weet, dan heb je geen keus meer om de weg te bewandelen die de meesten kiezen. Sinclair, de weg die de meesten kiezen is makkelijk, de onze is moeilijk. - Laten we gaan.'

<---->

'We trekken de grenzen van onze persoonlijk­heid altijd veel te krap! We beschouwen alleen datgene als tot onze persoon behorend wat we als individueel herkennen, en als afwijkend be­schouwen. Maar we bestaan uit alles wat tot de wereld behoort, ieder van ons, en net zo goed als ons lichaam de genealogie van de ontwikke­ling tot aan de vis toe en nog veel verder terug in zich draagt, zo hebben wij in onze ziel alles wat er ooit in de menselijke geest heeft geleefd. Alle goden en duivels die ooit hebben bestaan, of het nu bij de Grieken en Chinezen of bij de Zoeloes is, zij huizen allen in ons, zijn aanwezig, als mogelijkheden, als wensen, als uitwegen. Als de mensheid zou uitsterven op een kind na dat op de helft van zijn ontwikkeling is blijven ste­ken en dat geen enkel onderwijs heeft genoten, dan zou dat kind de gehele loop der dingen te­rug vinden, het zou goden, demonen, paradij­zen, geboden en verboden, oud en nieuw testa­ment, alles zou het weer kunnen voortbrengen.'

'Alles goed en wel,' wierp ik tegen, 'maar waaruit bestaat dan nog de waarde van de en­keling? Waar streven wij dan nog naar, als we toch al alles kant en klaar in ons binnenste heb­ben?’

'Halt riep Pistorius heftig. 'Het is een groot verschil of je alleen maar de wereld in je bin­nenste draagt en of je dat ook weet! Een krank­zinnige kan gedachten uiten die aan Plato her­inneren en een vroom schooljongetje volgt op een creatieve wijze diepzinnige mythologische samenhangen, gedachten die voorkomen bij de gnostici of bij Zarathoestra. Maar hij is zich daar niet van bewust. Hij is een boom of een steen, hoogstens een dier, zolang hij zich er niet van bewust is. Maar als de eerste vonk van in­zicht glinstert, dan wordt hij mens. Je zult toch vermoedelijk niet al die tweevoeters die daar op straat lopen, als mensen beschouwen, alleen om­dat ze rechtop lopen en hun jongen negen maan­den dragen? Je ziet toch hoevelen van hen vis­sen of schapen, wormen of engelen zijn, hoe­velen mieren, hoevelen bijen! En in hen alle­maal zijn de mogelijkheden tot mens worden aanwezig, maar ieder individu kan pas die mo­gelijkheden verwezenlijken als hij ze ontdekt, als hij ze zich gedeeltelijk zelfs bewust maakt.'

 <---->

Ook onschuldige mensen blijft het nauwelijks bespaard dat zij een of meerdere malen in hun leven in konflikt komen met de schone deugden van piëteit en dankbaarheid. Iedereen moet eens de stap nemen die hem scheidt van zijn vader, zijn leermeesters, iedereen moet iets er­varen van de hardheid der eenzaamheid, al kun­nen ook de meeste mensen dat maar in ge­ringe mate verdragen en kruipen zij al spoe­dig weer ergens veilig weg. - Ik was van mijn ouders en hun wereld, de 'lichte' wereld van mijn mooie kinderjaren niet gescheiden via een heftige strijd, maar ik was langzaam en bijna onmerkbaar verder van hen verwijderd en van hen vervreemd. Ik had er verdriet van, als ik thuiskwam beleefde ik vaak droeve uren; maar het greep mij niet intens aan, het was draaglijk.

Maar daar waar we niet uit gewoonte, maar uit de diepste impuls liefde en eerbied hebben bewezen, daar, waar wij geheel vanuit ons eigen hart discipelen en vrienden zijn geweest - daar is het een bitter en vreselijk moment als we plotseling menen te ontdekken dat de belang­rijkste stroom in ons zich van de beminde wil verwijderen. Dan richt elke gedachte die de vriend en leermeester afwijst zich met een giftige angel tegen ons eigen hart, dan treft elke af­weerslag ons eigen gezicht. Dan duiken bij de­gene die dacht dat hij een deugdelijke moraal met zich meedroeg de namen 'trouweloosheid' en 'ondankbaarheid' op, als smadelijke kreten en brandmerken, dan zoekt het verschrikte hart angstig toevlucht in de lieflijke dalen der kinderdeugden en het kan niet geloven, dat ook deze breuk moet geschieden, ook deze band verbro­ken moet worden.

 <---->

En plotseling besefte ik brandend fel: er was voor iedereen een functie, maar voor niemand een die hij zelf mocht kiezen, omschrijven en naar believen uitoefenen. Het was verkeerd, nieuwe goden te willen, het was volkomen ver­keerd, de wereld wát dan ook te willen schen­ken! Er bestond voor bewust geworden mensen geen enkele, geen enkele, geen enkele andere plicht dan die ene: zichzelf te zoeken, innerlijk sterk te worden, de eigen weg vooruit tastend te zoeken, ongeacht waarheen die leidde. - Dat onthutste mij diep en dat was de vrucht van deze belevenis voor mij. Dikwijls had ik met toekomstbeelden gespeeld, ik had gedroomd van rollen die mij zouden kunnen zijn toebedacht, misschien als dichter of als profeet, of als schil­der, of wat dan ook. Dat was allemaal zinloos. Ik was niet op de wereld om te dichten, om te prediken, om te schilderen, noch ik, noch enig ander mens was daartoe op de wereld. Dat waren allemaal slechts bijverschijnselen. Het ware beroep voor iedereen was slechts dat ene: zichzelf vinden. De mens kon uiteindelijk dichter worden of krankzinnige, profeet of misdadiger - dat was niet zijn zaak, het was in laatste instantie onbelangrijk. Hij moest in de eerste plaats zijn eigen lot vinden, niet een wil­lekeurig, en dat leven tot in het diepst van zijn hart, volledig en ongebroken. Al het andere was half, was poging tot ontvluchting, was een vlucht terug naar de ideale toestand van opgaan in de massa, was aanpassing en angst voor het eigen innerlijk. Schrikwekkend en heilig rees het nieuwe beeld voor mij op, honderdmaal voor­voeld, misschien al vaak uitgesproken en toch pas nu beleefd. Ik was een opzet van de natuur, ongewisse opzet, misschien zou er iets nieuws uit ontstaan, misschien niets; en deze opzet uit de oerdiepte tot uitwerking te laten komen, zijn wil in mij te voelen en er mij geheel mee te identificeren, dat alleen was mijn beroep. Dat alleen!

Veel eenzaamheid had ik al doorgemaakt. Nu besefte ik dat er een diepere eenzaamheid be­stond en dat die onontkoombaar was.

 <---->  

En toch leefden we volstrekt niet geïsoleerd van de wereld, we leefden in ge­dachten en gesprekken dikwijls midden in de wereld, alleen op een ander gebied, we waren van het merendeel der mensen niet gescheiden door grenzen, maar alleen door een andere visie. Het was onze taak, in de wereld een eiland te vormen, misschien een voorbeeld, in elk geval echter de aantoonbaarheid van een andere wijze van leven. Ik, die zo lang in een­zaamheid had geleefd, leerde de gemeenschap kennen die mogelijk is tussen mensen die het volkomen alleen-zijn hebben beleefd. Nooit meer verlangde ik terug naar de tafels der geluk­kigen, naar de feesten der vrolijken, nooit meer kwam er afgunst of heimwee bij me op, als ik de onderlinge contacten van anderen zag.

En langzaam 'werd ik ingewijd in het geheim van hen die 'het teken' droegen.

Wij, de mensen met het teken, werden met reden door de wereld voor uitzonderlijk, zelfs voor gek en gevaarlijk aangezien. We waren ontwaakten of ontwakenden en we streefden naar een steeds volmaakter wakker-zijn, terwijl het streven en het zoeken naar geluk van de anderen erop gericht was, hun idealen en plichten, hun leven en geluk voortdurend nauwer met dat van de massa te verbinden. Ook daar bestond streven, ook daar bestond kracht en grootheid. Maar terwijl, naar onze opvatting, wij getekenden de wil van de natuur tot het nieuwe, het zeldzame en toekomstige vertegenwoordigden, leefden de anderen in een wil tot bestendigen.

Voor hen was de mensheid - waar ze net als wij van hielden – iets afgeronds, dat behouden en beschermd diende te worden.

Voor ons was de mensheid een verre toekomst, waarheen we allen op weg waren, waarvan niemand een voorstelling had, waarvan nergens wetten stonden geschreven.
 
 
 
 
3. De Steppewolf
 
 
 

 

De mens is niet bijster in staat om te denken, en ook de meest vergees­telijkte en ontwikkelde mens ziet de wereld en zichzelf voortdurend door de bril van zeer naïeve, vereenvoudigende en leugenachtige for­mules - meestal echter zichzelf! Want het is een, naar het schijnt, aangeboren en volkomen dwingende behoefte van alle mensen dat elk zijn eigen Ik als een eenheid voorstelt. Al wordt deze waan nog zo dikwijls en nog zo sterk aan het wankelen gebracht, hij weet zich steeds weer overeind te houden. De rechter die tegenover de moorde­naar zit en in zijn oog kijkt en een ogenblik lang de moordenaar met zijn eigen (van de rechter) stem hoort praten en al zijn roerselen, mo­gelijkheden, bekwaamheden ook in zijn eigen innerlijk vindt, is het volgende ogenblik al weer ondeelbaar, is rechter, snelt terug naar de schaal van zijn ingebeelde Ik, doet zijn plicht en veroordeelt de moor­denaar ter dood. En als in bijzonder begaafde en fijn vertakte men­senzielen het vermoeden van hun veelvoudige gespletenheid begint te klaren, als zij, als elk genie, de waan van de eenheid van de persoon doorbreken en zich als meerdelig, als een bundeling van vele Iks er­varen, dan hoeven zij dat maar te opperen, of de meerderheid sluit hen op, roept de wetenschap te hulp, constateert schizofrenie en be­schermt de mensheid tegen het horen van de waarheid uit de mond van deze ongelukkigen. Waarom nog langer woorden verspillen, waarom dingen uitspreken, die ieder die nadenkt zelf begrijpt, hoe­wel het niet de gewoonte is erover te praten ? - Als nu dus een mens al in staat is, de ingebeelde eenheid van het Ik tot een tweevoud uit te breiden, dan is hij al bijna een genie, in ieder geval echter een zeld­zame en interessante uitzondering. In werkelijkheid echter is geen Ik, ook niet het naïefste, een eenheid, maar een bijzonder veelvoudige we­reld, een kleine sterrenhemel, een chaos van vormen, van trappen en toestanden, van erfenissen en mogelijkheden. Dat ieder afzonderlijk deze chaos voor een eenheid wenst aan te zien en over zijn Ik praat, alsof dit een eenvoudige, vast gevormde, scherp omlijnde verschij­ning is: dit schijnt voor iedereen (ook de ontwikkeldste mens) het ge­bruikelijke misverstand te zijn, een noodzakelijkheid, een levensbe­hoefte als ademhalen en eten.

Het misverstand berust op een eenvoudige overdracht. Als lichaam is elk mens een geheel, als ziel nooit. ­

< ---- >

Zoals alle mensen denkt ook Harry heel goed te weten wat de mens is, maar hij weet er niets van, ofschoon hij, hoe het werkelijk is, in zijn dromen en in andere moeilijk te controleren bewustzijnstoestan­den, niet zelden vermoedt. Als hij die vermoedens maar niet vergat, als hij ze zich toch maar eigen kon maken! De mens heeft toch geen vaste en duurzame verschijningsvorm (dit was, ondanks tegenge­stelde vermoedens van hun wijzen, het ideaal van de Antieken), hij is eerder een poging, een overgang, hij is niets anders dan de smalle, gevaarlijke brug tussen natuur en geest. Naar de geest toe, naar God drijft hem zijn innerlijke bestemming - naar de natuur, naar moeder terug trekt hem het innigste verlangen: tussen beide machten balan­ceert angstig bevend zijn leven. Wat de mensen soms onder het be­grip 'mens' verstaan, is steeds slechts een vergankelijke burgerlijke overeenkomst. Zekere bijzonder ruwe driften worden door deze con­ventie afgewezen en miskend, een stuk bewustzijn, zedelijkheid en afwending van het dierlijke wordt verlangd, een klein beetje geest is niet alleen toegestaan, maar wordt zelfs geëist. De 'mens' van deze conventie is, zoals elk burgerideaal, een compromis, een schuchtere, kinderlijk geslepen poging om zowel de boze oermoeder natuur als de lastige oervader geest hun gunsten te ontfutselen en in het lauwe midden tussen hen te wonen. Daarom duldt en staat de burger dat­gene wat hij 'persoonlijkheid' noemt toe, levert de persoonlijkheid echter tegelijkertijd uit aan die moloch 'staat' en speelt voortdurend die twee tegen elkaar uit. Daarom verbrandt de burger tegenwoor­dig diegenen als ketters, hangt ze als misdadigers op, voor wie hij overmorgen gedenktekenen opricht.

< ---- >

'De foute en ongeluk brengende opvatting dat een mens een voortdurende eenheid zou zijn, is u bekend. Het is u ook be­kend dat de mens uit een grote hoeveelheid zielen bestaat, uit zeer vele Ikken bestaat. De schijnbare eenheid van de persoon te splitsen in deze vele figuren wordt als een krankzinnige daad beschouwd. De wetenschap heeft daarvoor de naam schi­zofrenie uitgevonden. De wetenschap heeft daarin gedeeltelijk gelijk, er bestaat natuurlijk geen veelheid zonder leiding, zon­der een zekere ordening en groepering van het geheel. Ge­deeltelijk ongelijk heeft de wetenschap als men meent dat er slechts een niet herhaalbare, bindende, levenslange ordening van de vele ondergeschikte Ikken mogelijk is. Deze dwaling van de wetenschap heeft vele onaangename gevolgen, de waarde ligt uitsluitend hierin dat de door de staat aangestelde leraren en opvoeders het met hun werk gemakkelijker krijgen en zij niet hoeven te denken en te experimenteren. Volgens deze dwaling gaan veel mensen voor 'normaal' door, ja voor sociaal van grote waarde, terwijl zij ongeneeslijk krankzinnig zijn, en omgekeerd worden er heel wat voor gek aangezien die ge­nieën zijn. Wij voltooien daarom de zielenleer van de weten­schap, die grote leemten vertoont, door het begrip, dat wij op­bouwkunst noemen. Wij tonen degene die het uiteenvallen van zijn Ik beleefd heeft, dat hij de stukken elk ogenblik in een ordening die hij maar wenst opnieuw kan samenstellen en dat hij daarmee een oneindige veelvuldigheid van het levensspel kan bereiken. Zoals de dichter uit een handvol figuren een drama schept, zo bouwen wij uit de figuren van ons ontlede Ik steeds nieuwe groepen, met nieuwe mogelijkheden en span­ningen, met eeuwig nieuwe situaties. Ziet u!'

Met de stille, intelligente vingers greep hij [*] mijn figuren, al de grijsaards, jongelingen, kinderen, vrouwen, al de opge­wekte en bedroefde, sterke en zachte, handige en onhandige figuren, zette ze vlug op zijn bord gereed voor een spel waarin ze spoedig in groepjes, families, om te spelen en te strijden, voor vriendschap en vijandschap gegroepeerd werden, een wereld vormend in het klein. Voor mijn verrukte ogen liet hij de drukke en toch goed georganiseerde kleine wereld een poosje bewegen, spelen en strijden, verbonden sluiten en slagen le­veren, onder elkaar het hof maken, trouwen, zich voortplan­ten; het was werkelijk een drama met veel figuren, bewogen en spannend.

Toen veegde hij met opgewekte gebaren al de figuren op het bord voorzichtig bij elkaar en bouwde bedachtzaam, als een kieskeurig kunstenaar, uit dezelfde figuren een heel nieuw spel op, met heel andere groeperingen, betrekkingen en ver­wikkelingen. Het tweede spel geleek op het eerste: het was dezelfde wereld, hetzelfde materiaal waaruit hij het had opge­bouwd, maar de toonaard was veranderd, het tempo was an­ders, andere motieven en andere situaties.

En zo bouwde de intelligente bouwmeester uit de gestalten, waarvan elk een stuk van mijzelf was, het ene spel na het andere op, dat steeds uit de verte op het andere leek, allemaal te herkennen als behorend bij dezelfde wereld, met hetzelfde verleden, maar toch elk spel volkomen nieuw.    .

'Dit is levenskunst,' sprak hij docerend. 'u mag zelf naar welgevallen het spel van uw leven verder vorm geven en bele­ven, u kunt verwikkelingen scheppen, het rijker maken, het ligt in uw hand. Zoals de krankzinnigheid, in een hogere zin, het begin van alle wijsheid is, zo is schizofrenie het begin van alle kunst, van alle fantasie.  


[*] De ‘schaakspeler’ speelt schaak met als schaakstukken  verschillende Ikken van de hoofdpersoon.
 
 
 

4. Narziss en Goldmund.
 
 

 

Deze droomwereld begon meer voor zijn leven te betekenen dan de werkelijkheid. De werkelijkheid met haar klaslokaal, kloosterhof, bi­bliotheek, slaapzaal en kapel, dat was alleen maar de oppervlakte, niet meer dan een dun, vibrerend vlies op die wereld van beelden, vervuld met dromen en overvol van werkelijkheid. De allergeringste aanraking was voldoende om een opening te maken in dit dunne vlies: een ver­borgen betekenis in de klank van een Grieks woord, midden onder de les, een geurig vleugje uit de kruidentas van pater Anselm, als die was gaan botaniseren, een toevallige blik op een wingerdrank van steen, die ontsproot aan de bovenkant van een der vensterzuiltjes - onbeduiden­de prikkels als deze waren reeds voldoende om dat vlies, om de werke­lijkheid te doorbreken, en om achter de vredige, saaie werkelijkheid de woeste afgronden, stroomversnellingen en melkwegen te ontkluisteren die hun plaats hadden in de beeldenwereld van zijn ziel. Een begin­letter van een Latijnse tekst veranderde onverhoeds in het geurige ge­zicht van zijn moeder, een langgerekte toon van het Ave Maria veran­derde in de poort van het paradijs, een Griekse letter in een galoppe­rend paard, een kronkelende slang, die er stilletjes vandoor gleed onder de beschutting van bloemen, en haar plaats was alweer ingenomen door de oorspronkelijke, stijve bladzijde grammatica.

Hij sprak er slechts bij hoge uitzondering over, een enkele keer slechts zinspeelde hij in tegenwoordigheid van Narziss op deze droom­wereld.

< ---- >

Evenals ginds, in de schemering van de kerk en in zijn boetecel, zijn vriend Narziss zijn bezigheden had, zijn leven leidde, maar toch wat hem betrof veranderd was in een schaduw, zo was alles om hem heen van zijn werkelijkheid beroofd, lag alles in een sfeer van herfst en van vergankelijkheid.

Alleen het leven in zijn binnenste, de angstige klop van zijn hart, de pijnlijke doom van het onbestemde heimwee diep in hem, de vreugden en de angsten van zijn droomwereld, alleen dat bezat nog leven en werkelijkheid. Daaraan behoorde hij toe, daaraan gaf hij zich over. Midden onder de les of de studie, te midden van zijn schoolkameraden kon hij ineens wegzinken in zichzelf en alles verder vergeten, geheel en al overgeleverd aan de stromingen en de stemmen van zijn innerlijk, waardoor hij werd meegesleept, de diepte in van bronnen waaruit don­kere melodieën opwelden, van kleurrijke afgronden waar sprookjes­achtige avonturen welig tierden, waar alle geluiden leken op de stem van zijn moeder, waar duizend ogen waren, stuk voor stuk de ogen van zijn moeder, en van niemand anders.

< ---- >

Alle vormen van bestaan leken te berusten op het twee-zijn, op te­genstellingen; je was ofwel vrouw of man, ofwel landloper of burger­mannetje, ofwel verstandig of gevoelig - er bestond nergens een moge­lijkheid om inademen en uitademen, man zijn en vrouw zijn, vrijheid en orde, drift en geest tegelijkertijd te beleven, je moest altijd voor een van de twee betalen met het verlies van het ander, en het een was altijd even belangrijk en begerenswaardig als het ander! Misschien dat vrouwen het in dit opzicht gemakkelijker hadden. Bij hen had de natuur het zo geregeld, dat de wellust vanzelf vrucht droeg, en dat het liefdesgeluk uitmondde in een kind. Bij de man kwam in de plaats van deze simpele vruchtbaarheid de eeuwige onvoldaanheid. De God, die dit allemaal op deze manier in elkaar gezet had, was dat een booswicht, was dat ie­mand die de mensheid vijandig gezind was, had hij de schepping ge­maakt om er naderhand vol leedvermaak om te kunnen lachen? Nee, dat was onmogelijk, iemand, die de reeën en de herten, de vissen en de vogels, het bos, de bloemen en de jaargetijden had ingesteld, kon geen booswicht zijn. Maar er liep een scheur door wat hij gemaakt had, of dat nu mislukt was, niet afgemaakt, of God nu speciale bedoelingen had met deze leemte, dit fundamentele heimwee in het menselijk bestaan, of dat dit allemaal het zaad van de duivel was, de erfzonde. Maar zonde, waarom moest dit heimwee, dit gevoel van onvoldaanheid als zonde beschouwd worden? Was niet alle schoonheid, al het heilige dat de mens tot stand gebracht had en God als tegenprestatie, als dankoffer teruggaf, daar het rechtstreekse gevolg van?
 
 
 5. Reis naar het morgenland.
 
 
 
 

Eenmaal heb ik ook moeten meemaken dat een van mijn kameraden berouw kreeg, zijn gelofte met voeten trad en terug viel in het ongeloof. Het was een jonge man die ik graag had gemogen.   <…..> De arme kerel kwam van een bezoek aan deze leraar terug in ons kamp, vreselijk opge­wonden, met vertrokken gezicht, hij sloeg alarm voor de tent van de leiders en toen de woordvoer­der naar buiten trad, schreeuwde hij hem woedend toe:

‘Hij had er genoeg van, deze idiote tocht mee te maken, die ons nooit naar het oosten zou brengen’ <….> en hij gooide nu de leiders zijn ring voor de voeten, nam afscheid en keerde met de betrouwbare trein terug naar zijn land en zijn nuttige arbeid. Het was een afstotelijke en beklagenswaardige aanblik, die ons hart deed ineenkrimpen van schaamte en tegelijk van medelijden met de verblinde. De woordvoerder hoorde hem vriendelijk aan en bukte zich glim­lachend naar de weggegooide ring en zei met een stem waarvan de opgewekte rust de bulderaar moest beschamen:

'Je hebt afscheid genomen van ons en zult dus terug keren naar de trein, naar het verstand en naar de nuttige arbeid. Je hebt afscheid genomen van het verbond, afscheid van de tocht naar het oosten, afscheid van de magie, van de bloemenfeesten, van de poëzie. Je bent vrij, je bent van je gelofte ontheven.'

'Ook van de zwijgplicht?' riep de afvallige heftig.

'Ook van de zwijgplicht,' gaf de woordvoerder ten antwoord. 'Je herinnert je: je hebt gezworen tegenover de ongelovigen te zwijgen over het ge­heim van het verbond. Omdat je, zoals blijkt, het geheim hebt vergeten, zul je het niemand kunnen vertellen.'

'Ik zou iets zijn vergeten? Ik ben niets verge­ten!' riep de jongeling. Hij was echter onzeker ge­worden en toen de woordvoerder hem de rug toe­keerde en zich in zijn tent terugtrok, liep hij plotse­ling hard weg.

Hij deed ons verdriet, maar die dagen waren zo vervuld van gebeurtenissen, dat ik hem merkwaar­dig snel vergat. Het gebeurde echter een poosje la­ter, toen eigenlijk niemand van ons meer aan hem dacht, dat we in verscheidene dorpen en steden waar we doorheen trokken, de inwoners juist over deze jongeling hoorden spreken. Er was een jonge man in de plaats geweest (en ze beschreven hem nauwkeurig en noemden zijn naam), die ons overal zocht. Eerst had hij verteld dat hij bij ons hoorde, onderweg achter was gebleven en verkeerd was ge­lopen, maar daarna was hij gaan huilen en had ver­teld dat hij ons ontrouw was geworden en er van­door was gegaan, maar hij zag nu in dat hij zonder het verbond niet meer zou kunnen leven, hij moest en zou ons vinden, om een knieval te maken voor de leiders en ze te smeken om vergeving. Daar en elders en steeds opnieuw werd ons dat verhaal ver­teld; overal waar we kwamen was de beklagens­waardige zojuist geweest. We vroegen de woord­voerder wat hij daarvan dacht en hoe dat zou aflo­pen.

'Ik geloof niet dat hij ons zal vinden,' zei hij kortaf. En hij vond ons niet, we zagen hem nooit terug.

Op een keer, toen een van de leiders met mij een vertrouwelijk gesprek had aangeknoopt, vatte ik moed en vroeg hem, ‘hoe het nu met deze afval­lige broeder gesteld was. Hij toonde toch berouw en was op zoek naar ons’, zei ik, ‘hij zou toch geholpen moeten worden zijn fout weer goed te maken en ongetwijfeld zou hij in de toekomst de trouwste broe­der van het verbond zijn.’

De leider zei : 'We zullen verheugd zijn als hij de weg terugvindt. Gemakke­lijk maken kunnen we het hem niet. Hij heeft het voor zichzelf moeilijk gemaakt, het geloof te her­vinden, hij zal ons, vrees ik, niet zien en herkennen, ook al zouden we vlak langs hem trekken. Hij is blind geworden. Berouw alleen helpt niets, men kan de genade niet kopen door berouw, men kan haar in het geheel niet kopen. Velen is het al eender ver­gaan, grote en beroemde mannen zijn lotgenoten van deze jongeling geweest. In hun jeugd is hun één keer het licht opgegaan, één keer werden zij ziende en volgden de ster, maar toen kwam de rede en de spot van de wereld, toen kwam kleinmoedig­heid, kwamen schijnbare mislukkingen, kwam ver­moeidheid en teleurstelling en zo hebben ze zich­zelf weer verloren, zijn weer blind geworden. Velen hebben hun leven lang ons steeds weer gezocht, maar ons niet meer kunnen vinden en toen hebben ze in de wereld geleerd dat ons verbond niet meer was dan een mooie legende, waardoor men zich niet mag laten verleiden. Anderen zijn felle vijanden ge­worden en hebben het verbond met alle verachting bejegend en alle schade berokkend die hun maar mogelijk was.'

<…..>

Iets wat ik tijdens onze tocht al meermalen had opgemerkt zonder er echter werkelijk over te heb­ben nagedacht, viel mij in de dagen van Bremgarten weer op, wonderlijk en een beetje smartelijk. Er bevonden zich onder ons vele kunstenaars, veel schilders, muzikanten, dichters, daar was de vurige Klingsor en de ongedurige Hugo Wolf, de zwijg­zame Lauscher en de briljante Brentano - maar al waren deze kunstenaars, of tenminste sommigen van hen, zeer levendige en beminnelijke figuren, toch waren de door hen bedachte personen zonder uitzondering veel levendiger, mooier, blijmoediger en in zekere zin echter en werkelijker dan de dich­ters en scheppers zelf. Pablo zat daar in betoveren­de onschuld en levenslust met zijn fluit, maar zijn dichter sloop als een schaduw, half doorschenen door de maan, langs de oever op zoek naar eenzaam­heid. Warrelig en tamelijk dronken liep Hoffmann heen en weer tussen de gasten, veel pratend, klein, kabouterachtig, en ook hij was, net als zij allen, slechts half werkelijk van gedaante, slechts half aan­wezig, niet geheel lijfelijk, niet geheel echt, terwijl archivaris Lindhorst voor de grap voor draak speel­de en bij elke ademhaling vuur en kracht uitblies als een automobiel.

Ik vroeg de dienaar Leo hoe dat zou komen dat kunstenaars soms slechts halve men­sen lijken terwijl hun figuren er zo onweerlegbaar levend uitzien. Leo keek mij aan, verwonderd over mijn vraag. Toen liet hij de poedel los die hij op zijn arm had gehad en zei:

'Bij moeders is het net zo. Als ze hun kinderen ter wereld hebben gebracht en die kinderen hun melk en hun schoonheid en kracht hebben meegegeven, dan worden zij zelf onbedui­dend, en niemand vraagt meer naar ze.'

'Maar dat is droevig,' zei ik, zonder er eigen­lijk echt over na te denken.

'Ik geloof dat het niet droeviger is dan alle an­dere dingen,' zei Leo, 'misschien is het droevig, maar het is ook mooi. De wet wil het zo.'

'De wet?' vroeg ik nieuwsgierig. 'Wat is dat voor een wet, Leo ?'

'Dat is de wet van het dienen. Wie lang leven wil, moet dienen. Maar wie heersen wil, leeft niet lang. '

'Waarom streven dan zo veel mensen naar macht ?'

'Omdat ze dit niet weten. Er zijn enkelen die geboren zijn om te heersen, zij blijven er opgewekt en gezond bij. Maar de anderen die het slechts door eerzucht tot gebieders hebben gebracht, die eindi­gen allen in het niets.'

 
6. Sprookjes

 

Een goede, intieme duisternis, en warme rustplaats voor de ziel en een verloren thuis gaat voor mij open, de tijd van het ongevormde bestaan, een besluiteloze eerste deining boven de voedingsbodem waaronder de voortijd sluimert met mijn voor­ouders en hun oerwouddromen. Tasten maar, ziel, dolen maar, wentel je maar zonder iets te zien rond in het verzadigde bad van schuldeloze schemerdriften! Ik ken jou, bange ziel, niets heb je zozeer nodig, niets is voor jou zozeer eten en drinken en slaap als de terugkeer naar je eigen oorsprong. Het getij ruist om je heen, en je bent het getij zelf, het bos, en je bent zelf het bos, binnen en buiten bestaan niet langer, je vliegt als vogel in de lucht, zwemt als vis in de zee, wordt gezoogd met licht en bent het licht, smaakt de duisternis en bent de duisternis. Wij zwerven, ziel, wij zwemmen en vliegen, glimlachen en knopen met omzichtige geestenvingers de stukgereten draden weer aaneen en stemmen opnieuw naar behoren de verstoorde tril­lingen. Wij zoeken God niet langer. Wij zijn God. Wij zijn de wereld. Wij doden en sterven mee, wij scheppen en verrijzen met onze dromen. Onze mooiste droom, dat is de blauwe he­mel, onze mooiste droom, dat is de zee, onze mooiste droom, dat is de sterrenflonkerende nacht, dat is de vis, dat is de hel­dere vrolijke echo, dat is het heldere, vrolijke licht - dat alles is onze droom, en elk van die dingen is onze mooiste droom. Zojuist zijn wij gestorven en weergekeerd tot aarde. Zojuist hebben wij het lachen uitgevonden. Zojuist hebben wij een ster­renbeeld gerangschikt.

Er klinken stemmen, en elk daarvan is de stem van onze moeder. Er ruisen bomen, en elk daarvan heeft boven onze wieg staan ruisen. Er lopen straten uit elkaar in de vorm van een ster, en elk van die straten is de weg naar huis.
Uit: Droomprogramma

 
Wie toentertijd jong geweest was, die was nu oud, en wie toen oud was, die was nu gestorven. Onveranderlijk en leef­tijdsloos was alleen de berg, en als de sneeuw op zijn top door de wolken heen blikkerde scheen hij blij te glimlachen omdat hij geen mens meer was en niet meer met menselijke tijd­perken hoefde te rekenen. Hoog boven stad en land praalden de rotsen van de berg, zijn geweldige schaduw reisde samen met elke dag het land door, zijn beken en waterlopen kondig­den onder in het dal komst en aftocht van de seizoenen aan, de berg was toeverlaat en vader voor allen geworden. Bossen groeiden op hem, en weiden met wuivend gras en bloemen; bronnen ontsproten aan hem, sneeuw, ijs en stenen; op de ste­nen groeide kleurig mos en aan de beekjes vergeet-mij-niet. In zijn binnenste zaten gaten, waar jaar na jaar het water in zilve­ren draden eentonig en muzikaal van gesteente op gesteente drupte, en in zijn kloven waren geheime vertrekken waar met duizendjarig geduld de kristallen groeiden. Op de top van de berg had nooit een mens een voet gezet. Maar velen beweerden te weten dat zich daarboven een klein, rond meertje bevond waar zich nooit iets anders in gespiegeld had dan de zon, de maan, de wolken en de sterren. Mens noch dier had ooit een blik mogen werpen in dit bekken, dat de berg de hemel aan­bood, want zelfs adelaars vlogen niet zo hoog.
Uit: Faldoem – de berg



Het was allemaal mooi, allemaal even welkom, amicaal en vertrouwd wat Johannes betrof, maar elk jaar was de eerste zwaardlelie voor de kleine jongen het moment van betovering en genade. In haar kelk had hij op een gegeven moment, in zijn vroegste kindsheidsdromen, voor het eerst inzage gekregen in het boek der wonderen, haar geur, haar geschakeerd wuivend blauw waren voor hem het visitekaartje van en de sleutel tot de schepping geweest. En zo begeleidde de zwaardlelie hem tijdens alle jaren van zijn schuldeloosheid, en iedere zomer opnieuw was zij uniek, rijker aan geheimen en ontroering. Ook andere bloemen hadden een mond, ook andere bloemen deden geuren en gedachten uitgaan, ook andere lokten bijen en torretjes in hun kleine, verrukkelijke kamertjes. Maar de blauwe lelie had de kleine jongen meer dan alle andere bloemen lief gekregen, zij was voor hem van belang als beeld en gelijkenis wat de moeite van het overdenken en van de verwondering waard was. Wanneer hij in haar kelk naar binnen keek en in gedachten verzonken het transparante droompad volgde, tussen de gele, wonderbaarlijke meeldraden door in de richting van het ver­schemerde inwendige van de bloem, dan keek zijn ziel door de poort waarachter elk verschijnsel in een raadsel en elke vorm van zien in een voorgevoel verkeert. Ook 's nachts droomde hij bijwijlen van deze bloemkelk: dan deed die zich reusachtig groot voor hem open als de poort van een hemels paleis, dan reed hij op paarden, dan vloog hij op zwanen naar binnen, en samen met hem vloog, reed en gleed de gehele wereld vloeiend, onweerstaanbaar aangetrokken door magie, de lieftallige af­grond in, omlaag naar waar elke verwachting tot vervulling en elk voorgevoel tot waarheid wordt.

Elke verschijningsvorm op aarde is een gelijkenis, en elke ge­lijkenis is een open deur waardoor de ziel, indien zij bereid is, toegang kan verkrijgen tot 's wereld innerlijk waar jij en ik, dag en nacht allemaal eender zijn. Ieder mens vindt in zijn leven deze open deur wel eens op zijn weg, iedereen wordt op een ge­geven moment bevlogen door de gedachte dat al het zichtbare een gelijkenis is, en dat achter deze gelijkenis de geest en het eeuwig leven schuilgaan. Doch slechts weinigen gaan door de deur naar binnen om de schone schijn op te geven voor de va­gelijk bevroede werkelijkheid van het innerlijk.

Zo onderging de jonge Johannes zijn bloemkelk als de onuit­gesproken geopperde vraag waar zijn ziel met het nijpende voorgevoel van een zaligmakend antwoord zo dicht mogelijk bij in de buurt wilde komen.
Uit: Iris

 
 7. Het Kralenspel
 
 
 
 

De ontmoeting met de magiër was iets wat hij in zijn hart reeds had voorvoeld, en wat nu tot rijping en dichterbij was gebracht. Niettemin was het deze ontmoeting, die het verleden van het heden en de toekomst scheidde. Hij had hetzelfde gevoel als iemand die, al wordt hij na een droom in dezelfde omgeving wakker als die van zijn droom, er toch niet aan twijfelt dat hij nu wak­ker is. Er zijn veel soorten en vormen van roeping, de kern en zin van de ervaring is echter steeds dezelfde: de ziel wordt er door wakker geschud, veranderd of in vervoering ge­bracht, zodat er in plaats van de dromen en voorgevoelens plotseling een aanmaning van buitenaf komt; een stuk wer­kelijkheid presenteert zich en grijpt in.

--------

Over de mogelijke consequenties en gevolgen kon Josef Knecht vooralsnog in het geheel niet nadenken, zozeer werd hij in beslag genomen door de directe innerlijke resonanties van deze belevenis. Zoals een jonge plant, die zich tot dus­verre stil en aarzelend ontwikkelde, plotseling sneller begint te ademen en te groeien, alsof ze zich in een wonderbaarlijke flits eensklaps bewust is geworden van de wet die haar vorm geeft, en die nu naar de voltooiing van haar wezen begint te streven, zo ook begon de jongen, nadat de hand van de ma­giër hem had aangeraakt, snel en hunkerend zijn krachten te verzamelen en in te spannen. Hij voelde zich veranderd, voelde zich groeien, voelde nieuwe spanningen, nieuwe har­monieën tussen hem en de wereld; soms wist hij in de les bij Latijn, muziek, bij wiskunde opgaven op te lossen die eigenlijk te moeilijk waren voor zijn leeftijd en zijn klasge­noten en had dan het gevoel alles aan te kunnen; en op an­dere momenten kon hij alles vergeten en met een voor hem nieuwe zachtmoedigheid en overgave dromen, naar wind en regen luisteren, in een bloem of het stromen van de rivier staren, niets begrijpend, alles voelend, meegesleept door sym­pathie, door nieuwsgierigheid, door het verlangen te begrij­pen, weggerukt van het eigen ik naar de ander, naar de we­reld, naar het mysterie en sacrament, naar het smartelijk ­schone spel van de verschijnselen.

--------

Zo van binnenuit beginnend en groeiend tot de ontmoeting en bevestiging van het Zelf en de wereld, voltrok de roeping zich bij Josef Knecht in volkomen zuiverheid. Hij heeft alle stadia doorlopen, alle gelukzalige en angstige momenten ge­proefd. Ongestoord door plotselinge onthullingen en indiscre­ties voltrok dit nobele proces zich, de typische jeugd- en voor­geschiedenis van iedere edele geest. Harmonisch en gelijk­matig werkten en groeiden het Zelf en de wereld naar elkaar toe. Toen de leerling zich aan het eind van deze ontwikkeling bewust werd van zijn situatie en zijn lot in de wereld, toen hij zich door de leraren als een collega, ja, als eregast zag behan­deld wiens vertrek men elk ogenblik verwacht, en door de medescholieren half bewonderd, half benijd, half ook ge­meden, ja gewantrouwd werd, door enkele tegenstanders ge­hoond en gehaat, zich van zijn vroegere vrienden steeds meer zag gescheiden en in de steek gelaten, had hetzelfde proces van losmaking en isolatie zich reeds lang in zijn innerlijk voltrokken. In zijn binnenste vanuit het eigen gevoel was hij zijn leraren meer en meer gaan beschouwen als gelijken in plaats van meerderen, de vrienden van weleer als achterge­bleven metgezellen op een reis. Hij voelde zich op school en in de stad niet meer onder zijns gelijken en op de juiste plaats.

--------

Maar alles wat hij tot dusverre had gekend, kreeg iets van een heimelijke dood, van een fluïdum van onwerke­lijkheid, van een voorbije, lang vervlogen tijd, het was iets provisorisch, een afgedragen en niet goed passend kledingstuk geworden. En tegen het eind van zijn verblijf op school werd dit ontgroeien aan een tot dusverre harmonische en geliefde omgeving, dit weggenomen worden van een manier van le­ven die niet meer de zijne was, werd dit leven van afscheid nemen, van weggeroepen zijn - al werd dit bij tijd en wijle onderbroken door ogenblikken van hoogste verrukking en een stralende zelfverzekerdheid - een verschrikkelijke folte­ring, een nauwelijks nog te dragen last en lijden.
Want alles en iedereen verliet hem, zonder dat hij er zeker van was of hij het eigenlijk niet was die alles verliet, of hij door zijn eerzucht, zijn arrogantie, zijn hoogmoed, zijn ontrouw en gebrek aan liefde niet zélf schuld had aan dit afsterven en dit vervreemden van zijn geliefde, vertrouwde wereld. Onder de pijnen waarmee een echte roeping gepaard gaat, zijn dit de bitterste. Wie de roeping ontvangt aanvaardt daarmee niet alleen een geschenk en bevel; hij neemt ook iets van een schuld op zich, zoals de soldaat die, uit de gelederen van zijn kameraden gehaald en tot officier bevorderd wordt, deze bevordering des te meer verdient naarmate hij deze met een gevoel van schuld zo niet met een slecht geweten tegenover zijn kameraden betaalt.

--------

'O, kon men toch maar alwetend worden!' riep Knecht uit. 'Bestond er toch maar een leer, iets waaraan men zou kunnen geloven! Alles spreekt elkaar tegen, alles leeft langs elkaar heen, nergens is zekerheid. Men kan alles zus maar ook zo interpreteren. Men kan de wereldgeschiedenis als een ont­wikkeling en vooruitgang uitleggen, en kan er even goed niets anders in zien dan verval en onzin. Is er dan geen waarheid? Is er geen echte en geldige leer?'

De meester had hem nog nooit zo heftig horen praten. Hij liep een stukje door en zei vervolgens: 'Er is een waarheid, vriend! Maar de 'leer' die jij wilt hebben, de absolute, vol­maakte en alleen wijs makende, die is er niet. Je moet ook helemaal niet naar een volmaakte leer verlangen maar naar vervolmaking van je zelf. De godheid is in jou, niet in be­grippen en boeken. De waarheid wordt geleefd, niet gedo­ceerd. Wees voorbereid op innerlijke strijd, Josef, ik zie dat die al is begonnen.
 
 
 
8. Klein en Wagner
 
 
 
 
 

Klingsor's laatste zomer, gevolgd door Klein en Wagner, zijn twee novellen, daterend uit dezelf­de vruchtbare periode rond 1920 waarin Siddhar­tha ontstond, toen Hermann Hesse zich in het Zwitserse berg dorp Montagnola had teruggetrok­ken, om zonder vrouw en kinderen een nieuw leven te beginnen.

In beide novellen, met hoofdpersonen die in een emotionele stroomversnelling zijn geraakt, heeft Hesse veel autobiografische elementen ver­werkt. Klingsor's laatste zomer beschrijft de ver­scheurde,geest van een expressionistisch schilder waarover een lucide melancholie is neergedaald. In Klein en Wagner rebelleert een man van mid­delbare leeftijd tegen zijn goedgeordend leven. Hij berooft zijn baas, laat gezin en vaderland in de steek, en stort zich in een serie romantische avonturen waarin de strijd met de innerlijke de­mon de boventoon voert.

citaten uit 'Klein en Wagner'

Waar was deze dierbare stem vandaan gekomen? Waar kon je haar weer vinden, hoe haar weer nabij lokken, op welke tak zat deze zeldzame, schuwe vogel? Deze stem sprak de waarheid, en waarheid was een weldaad, genezing, toevlucht. Deze stem ontstond, als je het in je hart met het noodlot eens was en jezelf liefhad; het was Gods stem of de stem van het eigen, waarachtige, innerlijkste Ik, dat boven elke leugen, verontschuldiging en komedie stond.

Om het even. Nu kon hij niet denken. Maar nu had hij weer, zoals reeds meerdere malen in deze wonder­lijke dagen, het gevoel, dat alles wat hij deed, hoorde, zag en dacht, volstrekt noodzakelijk was en samen­hing met andere dingen, dat hij geleid werd, dat alles het gevolg was van een lange reeks oorzaken. Nu, laat die gevolgen komen. Het was goed zoals het was.

Weer doorstroomde hem een geluksgevoel, een gevoel van rust en zekerheid des harten, wonderheerlijk voor iemand, die de angst en het afgrijzen kent.

Hij herinnerde zich iets, wat hij in zijn jeugd gehoord had. Hij had met andere schooljongens erover gespro­ken, hoe het toch zou komen, dat een koorddanser zo rustig en zeker over een koord kon lopen. En een der jongens had toen gezegd: 'Als je een krijtstreep op de vloer trekt, is het net zo moeilijk, precies op die krijt­streep te lopen als op het dunste koord. En toch doe je dat rustig, omdat er geen gevaar bij is. Als je je voor­stelt, dat het koord een krijtstreep is en de lucht er­naast de vloer, dan kan je veilig over ieder koord lo­pen.'

Dit schoot hem te binnen. Hoe prachtig was dat! Was met hem misschien het omgekeerde het geval? Verging het hem niet zo, dat hij op geen enkele vlak­ke bodem meer veilig en rustig gaan kon, omdat hij de vloer voor een koord aanzag?

Hij verheugde zich van harte erover, dat hem zulke troostrijke gedachten konden invallen, dat die in hem sluimerden en langzamerhand te voorschijn kwamen.

U hebt in mij gelezen als in een open boek. Maar eigenlijk is het heel natuurlijk en goed, dat u mij zo zag.'

'Waarom natuurlijk?'

'Omdat u, op een enigszins andere wijze, hetzelfde tot uitdrukking brengt als u danst. Als je danst, Teresi­na, en ook vaak op andere ogenblikken, ben je als een boom of een berg of een dier, of een ster, geheel je­zelf, geheel alleen, je wilt niets anders zijn dan wat je bent, of het nu goed of slecht is

Is dat niet hetzelfde als wat je bij mij zag?'

Zij keek hem onderzoekend aan, zonder te antwoor­den.

'Je bent een wonderlijk mens,' zei zij dan aarzelend. 'En hoe zit dat nu, ben je werkelijk zoals je er toen uitzag? Is het je werkelijk allemaal hetzelfde, wat er met je gebeurt?'

'Ja. Alleen niet altijd. Dikwijls ben ik ook bang. Maar dan komt het terug, en de angst verdwijnt, en alles is hetzelfde. Dan ben je sterk. Of liever: hetzelfde is niet juist uitgedrukt: alles is kostelijk en welkom, wat het ook is.'

'Een ogenblik dacht ik zelfs, dat je wel een misdadi­ger zou kunnen zijn.'

'Dat is ook mogelijk. Het is zelfs heel waarschijnlijk. Zie je, een misdadiger, dat zegt men zo, en bedoelt daarmee, dat iemand iets doet wat anderen hem ver­boden hebben. Hij zelf echter - de misdadiger - doet alleen maar wat hij in zich heeft. Zie je, dat is het, wat wij samen gemeen hebben, wij beiden doen af en toe in zeldzame momenten, dat, wat wij in ons heb­ben. Zoiets komt heel zelden voor, de meeste mensen kunnen zoiets niet eens. Ik wist het ook niet: wat ik sprak, dacht, deed en leefde was allemaal iets vreemds, iets aangeleerds, iets goeds of iets slechts, tot er op een dag een eind aan kwam. Ik kon het niet meer, ik moest weg, het goede was nooit goed, het slechte was nooit slecht, het leven was ondraaglijk ge­worden. Maar toch wilde ik het dragen, ik hou zo van het leven, hoewel het zoveel lijden brengt.'

'Wil je mij zeggen, hoe je heet en wie je bent?'

'Ik ben degene, die je ziet, meer niet. Ik heb geen naam en geen titel en ook geen beroep. Dat heb ik al­lemaal moeten opgeven. Na een lang deugdzaam en werkzaam leven ben ik opeens uit het nest gevallen. Nog niet zo lang geleden, en nu moet ik vallen of vliegen leren, zo zit het met mij. De wereld gaat mij niets meer aan, ik ben nu helemaal alleen.'

Een beetje verlegen vroeg zij:

'Was je in een inrichting?'

'Gek, bedoel je? Neen. Hoewel het best mogelijk kon zijn.' Hij werd verstrooid, zijn gedachten kregen hem weer te pakken. Onrustig vervolgde hij: 'Als je erover praat wordt het eenvoudigste direct gecompliceerd en onbegrijpelijk. Wij moesten niet eens hierover praten. - Dat doe je eigenlijk ook alleen, erover praten, als je het niet begrijpen wilt.'

'Hoe bedoel je dat? Ik wil het heus begrijpen, geloof mij. Het interesseert mij heel erg.'

Een levendige glimlach kwam op zijn gelaat.

'Jaja. Je wilt er met iemand over praten. Je hebt iets beleefd en nu wil je erover praten. Ach, dat helpt alle­maal niets. Praten is een onfeilbaar middel om alles

verkeerd te begrijpen; alles nietszeggend en oppervlakkig te maken. - Je wilt mij niet begrijpen en ook jezelf niet. Je wilt alleen maar niet herinnerd worden aan iets, dat je rust verstoord heeft. Je hebt een waar­schuwing gehad, en nu wil je je rust weervinden door mij en die waarschuwing onder een rubriek te rang­schikken, dan ben je ervan af. Je probeert het met de misdadiger en de krankzinnige en je wilt mijn naam en positie weten. Maar dat alles belet het begrijpen, meisje lief, dat is allemaal voor-de-gek-houderij, een slecht surrogaat voor begrip, veeleer een vlucht voor het begrijpen willen, voor het begrijpen moeten.'

Hij stokte, streek als gekweld met de hand over de ogen, toen scheen hem een milde gedachte in te val­len, hij glimlachte weer. 'Ach, weet je, toen jij en ik een ogenblik lang precies hetzelfde voelden, toen zei­den wij niets en vroegen niets en dachten ook niets­ - opeens gaven wij elkaar de hand en het was goed. En nu - nu redeneren wij en denken en verklaren - en al­les is vreemd en onbegrijpelijk geworden, wat zo een­voudig was. En toch zou het voor jou even gemakke­lijk zijn mij te begrijpen als ik jou.'

'Je denkt dus dat je mij zo goed begrijpt?'

'Ja, natuurlijk. Hoe je leeft weet ik niet. Maar je leeft zoals ik ook geleefd heb en zoals iedereen doet, meest in het duister, langs zichzelf heen met een of ander doel, of een plicht, of om iets te bereiken. Dat doen bijna alle mensen, daaraan lijdt de hele wereld, daar­aan zal zij ook te gronde gaan. Maar vaak, bijvoor­beeld bij het dansen, vergeet je het doel en de plicht en plotseling leef je heel anders. Opeens voel je je zo, alsof je alleen op de wereld was, of je morgen dood zou kunnen zijn, en dan komt alles wat je werkelijk bent, naar buiten. Als je danst steek je zelfs anderen aan. Dat is je geheim.'

Een eindweegs liep zij sneller. Op de uiterste punt van een uitsteeksel in het meer bleef zij staan.

'Je bent merkwaardig,' zei zij. 'Ik kan het bijna alle­maal begrijpen. Maar, wat wil je eigenlijk van mij?'

Hij liet het hoofd zinken en zag er een ogenblik lang treurig uit. 'Je bent gewend, dat de mensen altijd iets van je willen. Teresina, ik wil niets van je, dat je niet graag zelf wilt en doet. Dat ik van je houd, daarvan hoef je je niets aan te trekken. Het is geen geluk, be­mind te worden. Ieder heeft zichzelf lief en toch zijn er duizenden, die zich daarmee hun leven lang kwel­len. Neen, bemind te worden is geen geluk. Maar lief­hebben, dat is geluk.'
 
 
 

9. Hermann Lauscher.

 

'Waarom, beste vriend?' antwoordde de oude man vriendelijk. 'Maar hoe dan ook, men moet zulke geheimen maar zoveel mogelijk met rust laten... Wat hoor ik, meneer Lauscher, u wilt morgen reeds ons en dit land verlaten? Wat kan een mens zich toch vergissen! Ik had er wat onder durven verwedden dat u nog langer hier zou blijven, want ik dacht juist vanwege Lulu...'

 'Zwijg man, zwijg!' viel Lauscher hem opstuivend in de rede. 'Wat gaan u voor de donder de liefdesaangelegenheden van een ander aan!'

'Niet zo driftig!' zei de oude filosoof kalmerend glimlachend. 'Daar had ik het helemaal niet over, beste vriend. Dat ik mij bezig houd met de gecompliceerde lotgevallen van andere mensen, vooral als het dichters betreft, is een deel van mijn wetenschap. Voor mij bestaat er geen twijfel dat er tussen u en onze Lulu bepaalde subtiele magische relaties plaats hebben, al vermoed ik dat hun heilzame uitwerking op het ogenblik nog wordt tegengehouden door onoverwinnelijke hinderpalen.'

'Verklaart u mij dat als u wilt wat nader!' zei de dichter koeltjes, maar toch nieuwsgierig.

De oude man haalde zijn schouders op. 'Kijk,' zei hij, 'ieder menselijk wezen van enig niveau streeft instinctmatig naar de harmonie die zou bestaan bij een gelukkig evenwicht tussen het bewuste en het onbewust. Zolang echter het storende dualisme het levensprincipe schijnt te zijn van het denkende Ik, hebben mensen bij wie dat streven bestaat nogal eens de neiging om halfbewust instinctmatig een verbond te sluiten met mensen die naar het tegenovergestelde streven.

U begrijpt me. Dat soort bondgenootschappen kan zonder woorden, zelfs zonder dat men ze beseft worden gesloten, ze kunnen net als een verwantschap zuiver gevoelsmatig existeren en functioneren. Ze zijn in elk geval gedetermineerd en ze bevinden zich buiten de sfeer van de persoonlijke wil. Ze zijn een onmetelijk belangrijk element van dat wat men het lot noemt.

Het is gebeurd dat zo'n bondgenootschap zijn feitelijke, heilzame leven pas begon op het moment van scheiding en onthechting, want de laatstgenoemde zijn onderhevig aan onze wil, waaraan de macht van eerstgenoemde sympathie zich onttrekt.'

'Ik begrijp u,' zei Lauscher op een andere toon.

 <------>

 Kent ge de muze van de slapeloosheid? De bleke, waakzame muze die naast eenzame bedden zit? Vele nachten lang zat zij naast mijn eenzaam bed, ze legde haar soepele, zieke hand op mijn voorhoofd, zong met haar vermoeide stem liederen voor mij, ontelbare liederen, volksliederen, kinderliedjes, liefdesliederen, liederen over heimwee en melancholie. En in plaats van de ontvliedende sluimering spreidde zij over mijn moede ogen de dunne, kleurige sluier van de herinnering en de fantasie.

O, die lange, zich voortslepende nachten, waarin ons werkelijke wezen alle overdag geweven fraaie gewaden afwerpt en ons als een ziek kind bestormt met vragen, smeekbeden en verwijten. O, die smartelijke heldere herinneringen aan alle momenten van ons leven dat wij gezondigd hebben tegen ons zelf en tegen de geheime wetten van het leven! Die keten van blindheid, wreedheid en misverstand waarin wij ons zelf tot ons onontkoombaar verdriet aan deze angstige uren hebben vast gesmeed. Bestaat er één mens van zulk een zuiverheid dat hij ook maar één zulk een nacht zijn ziel in de eerlijke kinderogen zou kunnen kijken zonder ten prooi te vallen aan ontelbare verwijten en zelfkwellingen?

 Ik weet het niet en ik geloof het niet. En toch ontkwam ik aan deze uren en leerde ze zegenen en zag de vertwijfeling slechts in het duister op de loer liggen zonder dat ik door haar giftige adem werd beroerd.

<------>

Zodra mijn scepsis een ogenblik slaapt hoor ik immers in mijn liefde de engelen zingen en paradijselijke herinneringen aan de poort van mijn ziel kloppen. En zij zelf, mijn ziel, lijdt glimlachend onder alle ruwheden en gewelddadigheden van de heerszuchtige gedachte. Zij slaapt onder donkere sluiers, slaapt en droomt wellicht van de diepste geheimen van de wereld aan welks poorten mijn bewuste leven in zijn verhevenste momenten nog schuw blijft staan.

En zij, mijn ziel, vertelt mij in een welluidende vreemde taal over een gelukzalig vaderland, waaruit wij beiden, Elisabeth en ik,  zijn weggelopen en verdwaald. Als een vreemdsoortige zoete geur, als maten van een nooit gehoorde en toch uit de dromen bekende melodie... als antwoord op nooit gestelde en toch terdege besefte vragen.

Ach, die ziel, die mooie, donkere, vertrouwde, gevaarlijke zee! Terwijl ik haar rimpelend oppervlak onvermoeibaar afspeur, liefkoos, ondervraag en bestorm, spoelt zij af en toe een vreemd gekleurd raadsel uit een bodemloze diepte voor mijn voeten, schelpen, die getuigen van onpeilbare vreemde ruimten, zoals een oeroud sieraad wel eens vage vermoedens van een ten onder gegane voortijd doet opdoemen.

 
 

10. Peter Camenzind

 
 
 

 

 De bergen, het meer, de storm en de zon waren mijn vrienden, vertelden me verhalen en voedden me op en waren me lange tijd liever en vertrouwder dan mensen en menselijke lotgevallen. Maar mijn favorieten, die ik boven het glinsterende meer en de treurige dennen en de zonnige rotsen stelde, waren de wolken.

Wijs mij in heel de wereld een man aan die de wolken beter kent en meer van ze houdt dan ik! Of wijs mij in de wereld iets dat mooier is dan wolken! Ze zijn een spel, een troost voor het oog, ze zijn een zegen en godsgeschenk, toorn en doodsmacht. Ze zijn teder, zacht en vredig als de ziel van een pasgeborene, ze zijn mooi, rijk en gul als goede engelen, ze zijn donker, onontkoombaar en meedogenloos als de afgezanten des doods. Ze zweven zilverig in dunne lagen, ze zeilen lachend wit en goudgerand langs de hemel, ze staan te rusten in gele, rode en blauwige kleuren. Ze sluipen, duister en langzaam als moordenaars, ze jagen suizend hals over kop als razende ruiters, ze hangen treurig en dromerig in fletse hoogten als zwaarmoedige kluizenaars. Ze zijn gevormd als zalige eilanden of als zegenende engelen, ze lijken op dreigende handen, wapperende zeilen, trekkende kraanvogels. Ze zweven tussen Gods hemel en de arme aarde in als welgevormde gelijkenissen van al het menselijk verlangen, en behoren beide toe - dromen van de aarde, waarin deze haar bevlekte ziel aan de zuivere hemel vlijt. Ze zijn het eeuwige zinnebeeld van al het zwerven, al het zoeken, verlangen, en alle heimwee. En zoals zij tussen aarde en hemel hangen, bang en verlangend en eigenzinnig, zo zweven de zielen der mensen bang en verlangend en eigenzinnig tussen tijd en eeuwigheid.

0, de wolken, de mooie, zwevende, rusteloze wolken! Ik was een onwetend kind en hield van ze, keek naar ze en wist niet dat ook ik als een wolk door het leven zou gaan - dolend, overal vreemd, zwevend tussen tijd en eeuwigheid. Van mijn kinderjaren af zijn zij geliefde vriendinnen en zusters van mij geweest. Ik kan niet over straat lopen of we knikken elkaar toe, groeten elkaar en blijven een moment oog in oog staan. En ik ben niet vergeten wat ik toen van ze leerde: hun vormen, hun kleuren, hun driften, hun spelen, hun reien, hun dansen en hun rust, en hun wonderlijke aards-hemelse verhalen.

Vooral het verhaal van de sneeuwprinses heb ik onthouden. Het speelt in het middelste gebergte, in het begin van de winter, bij een warme benedenwind. 

-----

Ik koesterde zoals men weet de wens om in een vrij groot dichtwerk de mensen van vandaag het weidse, stomme leven van de natuur te leren waarderen en lief hebben. Ik wou hen leren om naar de hartslag van de aarde te luisteren, aan het universele leven deel te nemen en ondanks de druk van hun kleine lotgevallen niet te vergeten dat we geen goden en door ons zelf geschapen, maar kinderen en een deel van de aarde en van het kosmische al zijn. Ik wou hen eraan herinneren, dat ook rivieren, zeeën, wolkenvluchten en stormen, net als de liederen der dichters en net als de dromen van onze nachten, symbolen en organen zijn van het verlangen dat tussen hemel en aarde haar vleugels spreidt en waarvan het doel de onbetwistbare zekerheid van het burgerrecht en de onsterfelijkheid van al het levende is. Het diepste van ieder wezen is zeker van deze rechten, is kind van God en rust zonder angst in de schoot van de eeuwigheid. Maar al het slechte, zieke, verdorvene dat in ons is spreekt dat tegen en gelooft aan de dood.

Ik wou de mensen echter ook leren om in de broederlijke liefde tot de natuur bronnen van vreugde en stromen des levens te ontdekken; ik wou de kunst prediken van het zien, het zwerven en genieten, de vreugde in wat zich hier en nu voordoet. Gebergten, zeeën en groene eilanden wou ik tot jullie laten spreken in een meeslepende, machtige taal, en ik wou jullie dwingen om te zien wat er iedere dag voor oneindig gedifferentieerd, dynamisch leven buiten jullie huizen en steden uitbundig bloeit.

Ik wou bereiken dat jullie je ervoor schaamt dat jullie van buitenlandse oorlogen, mode, kletspraatjes, literatuur en kunst meer afweet dan van de lente die vlak buiten jullie steden haar ontembare groei ontplooit, of dan van de rivier die onder jullie bruggen voort stroomt, en van de bossen en de heerlijke weiden waardoor jullie spoorrails lopen. Ik wou jullie vertellen welke gouden ketens van onvergetelijke genietingen ik, een eenzaam en zwaartillend man, in deze wereld had gevonden, en ik wou dat jullie, die wellicht gelukkiger en blijder bent dan ik, met nog grotere vreugden deze wereld zoudt ontdekken.

En ik wou jullie bovenal het mooie geheim van de liefde op het hart drukken. Ik hoopte dat ik jullie zou leren om ware broeders te zijn van al wat leeft en zo liefdevol te worden, dat jullie ook het lijden en de dood niet meer vreesden, maar ze als ernstige broeders en zusters ernstig en broederlijk zoudt ontvangen als zij jullie zouden bezoeken.

 -----

Hij zag er streng uit, de dood, maar was machtig en tegelijk goedmoedig als een zorgzame vader die een verdwaald kind weer naar huis brengt.

Ik wist plotseling weer dat de dood een wijze en goede broeder van ons is, die het juiste uur weet en op wie we met vertrouwen kunnen wachten. En ik begon ook te begrijpen dat het lijden en de teleurstellingen en de neerslachtigheid er niet zijn om ons lusteloos te maken en ons onze waarde en waardigheid te ontnemen maar om ons te doen rijpen en ons te transfigureren tot een bovenaardse heerlijkheid.

 
 

11. Wat ik geloof

 
 

 

Onzuiver en misvormd is de blik vanuit het willen. Eerst als wij niets begeren, eerst als ons kijken zuivere beschouwing wordt, opent zich de ziel van de dingen, de schoonheid. Wanneer ik een bos bekijk, dat ik kopen, dat ik pachten, dat ik omhakken, waarin ik jagen, dat ik met een hypotheek belasten wil, dan zie ik niet het bos, maar alleen alles wat met mijn willen, met mijn plannen en zorgen, met mijn portemonnee te maken heeft. Dan bestaat het uit hout, het is jong of oud, gezond of ziek. Wanneer ik er echter niets van wil en maar 'gedachteloos' diep in het groen staar, dan pas is het bos, is het natuur en gewas, dan is het mooi.

Zo is het met de mensen en hun gezichten ook. De mens die ik met vrees, met hoop, met begeerte, met bedoelingen, met eisen aankijk, is niet een mens: hij is niet meer dan een troebele weerspiegeling van wat ik wil. Wetend of onbewust zie ik hem aan met vragen die louter vernauwen en vervalsen: is hij toegankelijk of trots? Heeft hij achting voor mij? Kan men iets van hem loskrijgen? Verstaat hij wat van kunst? Met duizend dergelijke vragen kijken wij de meeste mensen aan, met wie wij te maken hebben, en wij gaan door voor mensenkenners en psychologen, als het ons lukt in hun verschijning, in hun voorkomen en gedrag dàt op te merken wat onze bedoelingen dient of weerstreeft. Maar deze houding is armzalig, en in dit soort zielkunde is de boer, de venter, de oplichter ervarener dan de meeste politici of geleerden.

Op het ogenblik dat het willen tot rust komt en de beschouwing, het zuivere en toegewijde zien, opstijgt, wordt alles anders. Een mens houdt op nuttig of gevaarlijk te zijn, geïnteresseerd of verveeld, vriendelijk of lomp, sterk of zwak. Hij wordt weer natuur, hij wordt mooi en opmerkelijk, evenals ieder ding waarop de zuivere beschouwing zich richt. Want beschouwing is immers niet onderzoek of kritiek, zij is niets dan liefde. Zij is de hoogste en de meest te wensen toestand van onze ziel: liefde zonder begeerte.

Bron: tussen oost en west - wat ik geloof - Hermann Hesse

 
 

04. Hermann Hesse als dichter

 
 

Gedichten vertaald naar het Nederlands

Persoonlijk lees ik gedichten altijd het liefs in de taal waarin ze geschreven zijn. Een vertaling kan nooit dezelfde klanken en ritmes weergeven dan het oorspronkelijke gedicht. Maar voor diegenen die de Duitse taal niet meester zijn plaats ik toch een aantal vertaalde gedichten van Hesse.

 

Wat vallen de dagen…


Wat vallen de dagen mij zwaar!
Geen vuur kan mij verwarmen
Geen zon lacht mij nog toe
Het is allemaal leeg en koud
En zonder enig erbarmen
Ook de lieve klare sterren
Kijken mij vreugdeloos aan
Sinds ik in mijn hart heb ervaren
Dat liefde sterven kan.

*

Harde mensen

Hoe komt jullie blik zo hard
Alles wil hij in steen veranderen
Er zit geen sprankje droom in
Alleen maar kille aanwezigheid

Mag dan geen straaltje zonlicht
Jullie gemoed binnenvallen?
En doet het jullie echt geen pijn
Nooit kind geweest te zijn?

*

Boeken

Alle boeken op deze wereld
Kunnen je niet gelukkig maken
Ze werpen je verstolen
Op jezelf terug
Daar is alles wat je zoekt
Zon, sterren en maan
Want het licht waar je naar vroeg
Tref je in je binnenste aan
De wijsheid die je zo lang en naarstig
In boekerijen hebt gezocht
Licht nu uit iedere bladzij op
Want ze komt uit jezelf vandaan

 

Drie bovenstaande versjes: Bron: Herman Hesse, Die Gedichte (insel taschenbuch 2762) vertaald door LEO MESMAN

 
 
 
Stufen

Wie jede Blüte welkt und jede Jugend
Dem Alter weicht, blüht jede Lebensstufe,
Blüht jede Weisheit auch und jede Tugend
Zu ihrer Zeit und darf nicht ewig dauern.

Es muss das Herz bei jedem Lebensrufe
Bereit zum Abschied sein und Neubeginne,
Um sich in Tapferkeit und ohne Trauern
In andre, neue Bindungen zu geben.

Und jedem Anfang wohnt ein Zauber inne,
Der uns beschützt und der uns hilft, zu leben.
Wir sollen heiter Raum um Raum durchschreiten,
An keinem wie an einer Heimat hängen,

Der Weltgeist will nicht fesseln uns und engen,
Er will uns Stuf' um Stufe heben, weiten
Kaum sind wir heimisch einem Lebenskreise
Und traulich eingewohnt, so droht Erschlaffen,

Nur wer bereit zu Aufbruch ist und Reise,
Mag lähmender Gewöhnung sich entraffen.
Es wird vielleicht auch noch die Todesstunde
Uns neuen Räumen jung entgegen senden,
Des Lebens Ruf an uns wird niemals enden...
Wohlan denn, Herz, nimm Abschied und gesunde

 Treden

Zoals de bloesem valt en iedere gloed
van jeugd verbleekt, bloeit iedere levenstrede,
ook iedere wijsheid, iedere deugd bloeit
op zijn tijd en mag niet eeuwig duren.

Het harte moet bij elke roep van ’t leven
bereid tot afscheid nemen zijn en tot een nieuw begin,
met onverschrokkenheid en zonder treuren
opnieuw zich binden kunnen en zich willen geven.

En de betovering daarin,
zal ons beschermen en ons helpen leven.
Te gaan met een licht gemoed, waar de opdracht leiden moge
en van ’t volvoerde vrij weer verder werken.

De geest van het heelal wil binden, noch beperken,
maar tree voor tree ons wijden en verhogen.
Ternauwernood is ons een levenswijze
een vertrouwd tehuis, daar dreigt verval.

Slechts wie bereid is tot vertrek en reizen,
zich aan gezapigheid ontrukken zal.
Misschien kan zelfs de stervensnacht
ons nieuwe vergezichten wijzen,
des levens roep blijft van ons eisen.......
Hart, neem dan afscheid en verzamel kracht.

Vertaling door het genootschap ‘de blauwe bloem’.
 
 
 
 

HET NACHTELIJK LIED....

Door boom en struik blonk in de nacht
het zwakke schijnsel van een ruit
en door het donker vloeiden zacht
de tedere tonen van een fluit.

Het was een lied zo eeuwenoud,
vertroostend gleed het door de nacht
en al wat vreemd was leek vertrouwd
en elke tocht leek reeds volbracht.

De wereld, haar verborgen zin,
kwam in dit lied tot openheid,
't ontroerde hart zong mee en in
het hier en nu versmolt de tijd.

Nu ik moe ben van de dag...
ken ik nog slechts één verlangen:
nacht en sterren met een lach
als een moe kind te ontvangen.

Want mijn ziel wil onbewaakt
op bevrijde wieken zweven,
door de tovernacht geraakt
diep en duizendvoudig leven.

 

fragmenten -slapenstijd- HERMANN HESSE
 
 De vlinder

Mij was leed overkomen,
En toen ik door de velden liep,
Vloog er een vlinder mij voorbij,
Die was zo wit en donkerrood,
In blauwe wind voortzeilend.

0, kindertijd! waarin nog klaar
Als morgenlicht de wereld is
En nog de hemel zo nabij,
Toen zag ik voor het laatst hoe je
De mooie vleugels spreidde.

Een fladd'ren teer en kleurig
Dat tot mij kwam uit 't paradijs,
Hoe vreemd moet ik en schaamtevol
Voor jouw godd'lijke luister staan
Met ogen koel en ernstig.

De wit met rode vlinder
Werd voortgedreven over 't veld,
En toen ik dromend verder liep
Was mij vanuit het paradijs
Een luister nagebleven.


 
Opdrachtvers

Bladeren waaien van bomen,
Liederen van levensdromen
Waaien spelende weg;
Velen zijn er verloren,
Sinds wij voor 't eerst hen zongen,
Lieflijke melodieën.

Sterfelijk zijn ook de lied'ren,
Geen van hen klinkt er eeuwig,
Alles verwaait de wind:
Bloemen en vlinders zijn van
Onverganklijke dingen
Vlucht'ge gelijkenis.


Bekentenis

Schone schijn, aan al jouw spelen
Geef ik me gewillig over.
And’ren hebben vaste doelen,
Ik heb reeds genoeg aan leven.

Al wat ooit mijn zinnen streelde,
Lijkt me niet meer dan gelijkenis,
Van ’t Oneindige en Ene,
Dat ik steeds in mij bespeurde.

Zulk een tekenschrift te lezen
Zal me steeds het leven lonen,
Want het Eeuwige, de Geest,
Weet ik in mijzelve wonen.

Uit: Vlinders - Hermann Hesse


Fluitspel

Een huis bij nacht, een raam verspreidt
door struik en boom een zwakke gloed,
en ginds, vanuit het duister, glijdt
wat fluitmuziek ons tegemoet.

Vanouds bekend, vloeide het lied
zo goedig over in de nacht,
als ware heimat elk gebied,
als ware elke weg volbracht.

De stille zin van het bestaan
werd door die klank tentoongespreid,
en willig bood het hart zich aan
en hier en nu werd alle tijd.



 
Zoals ooit elke bloesem welkt en jeugd
ooit zwicht voor ouderdom, bloeit elke wijsheid,
elke levensfase, tevens elke deugd
bijtijds, maar niet voor eeuwig en altijd.

Wanneer het leven roept, moet ieder hart
bereid zijn tot vaarwel en nieuw begin,
om zich met dapperheid en zonder smart
in andere, nieuwe bindingen te geven.

In elk begin schuilt een betovering
die ons beschermt en die ons helpt te leven.


De Heiland


Steeds weer wordt hij als een mens geboren,
spreekt tot vrome, spreekt tot dove oren,
nadert ons en raakt opnieuw verloren.

Steeds weer rijst hij eenzaam op, moet vragen
en verlangens van ons allen dragen,
steeds weer wordt hij aan het kruis geslagen.

Steeds weer wil God zich aan ons verkonden,
wil de hemel in het dal der zonden,
wil in ‘t vlees der Geest, de eeuwige, monden.

Steeds weer, eveneens in deze dagen,
is de Heiland onderweg, om te zegenen,
onze angsten, tranen, klachten, vragen
met een stille oogwenk te bejegenen,
waarop wij geen blik ten antwoord wagen
daar slechts kinderogen hem verdragen.


DE BLOESEMTAK

Steeds heen en weer
Streeft de bloesemtak in de wind,
Steeds op en neer
Streeft mijn hart als een kind
Tussen lichte, donkere dagen,
Tussen willen en laten varen.
Tot de bloesems zijn verwaaid
En de tak vruchten draagt,
Tot het hart, de kinderlijkheid zat,
Zijn rust vindt
En gewaar wordt: vol lust en niet tevergeefs
Was het onrust-volle spel van het leven.
 

Elke dood

Elke dood ben ik al gestorven,
elke dood zal ik weer sterven.
De houten dood in de boom sterven,
de stenen dood in de berg sterven,
de aarden dood in het zand,
de dood van het blad in het ritselend zomergras.
En de arme, bloedige mensendood.

Als bloem wil ik herboren worden,
als boom, als gras wil ik herboren worden,
als vis, als hert, als vogel en vlinder.
En uit elke gedaante
zal passie mij sleuren tegen de trappen omhoog
naar het laatste leed,
naar het leed van de mens.

Op de trillende gespannen boog.
Wanneer de razende vuist van de passie
de beide levenspolen
naar elkaar toe tracht te krommen!
Vaak nog en telkens weer
zul je mij jagen van dood naar geboorte
in de pijnlijke baan van de gedaanten,
in de heerlijke baan van de gedaanten.
 


Geluk

Zolang je het geluk bejaagt
blijft echt geluk buiten bereik.
Al was je al het liefste rijk.

Zolang je om wat heenging klaagt
en rusteloos een doel begeert,
heb je de vrede niet geleerd.

Pas als je niet meer wenst of vraagt,
niet meer begeert en niet meer streeft,
en op geluk geen namen kleeft,
word je door niets meer verontrust
en vindt je ziel ten slotte rust.


De Onsterfelijken

Steeds weer stijgt er uit de aardse dalen
rook van levensdrang ons tegemoet;
wilde nood, en zatte overvloed,
bloedige roes van duizend galgenmalen,
kramp van lust, begeerte die blijft branden,
Moordenaars en woekeraars en biddershanden.
Een door angst en lust gestriemde mensenzee
stinkt beklemmend, rottig, rauw en wee,
ademt wilde bronst en gelukzaligheid,
vreet zichzelf en heeft zich zo weer uitgebraakt.

Broedt oorlog uit, en kunst vol tederheid
heeft het brandend vreugdehuis vals opgemaakt,
slingert, knaagt, hoereert zich door de schelle
kermisvreugde van haar kindertijd.
Wil voor ieder uit de golven wellen
net zoals zij elk tot drek herleidt.

Wij hebben evenwel elkaar gevonden
in het sterdoorglansde hemelijs,
kennen er geen dagen, geen seconden,
zijn noch man noch vrouw, noch jong noch grijs.
Jullie zonden, geilheid, moord en angsten
zijn voor ons een schouwspel, van dezelfde waarde
als van zonnen, draaiend om de aarde,
en voor ons is elke dag de langste.

Stil naar jullie trillend leven knikkend,
stil naar wentelende sterren blikkend,
ademen wij de winter van de kosmos in,
zijn wij vrienden van de hemeldraken;
Koel en star zijn wij, zonder einde of begin,
koel ons eeuwig lachen nu de sterren blaken.


Verwelkt Blad


Elke bloesem wil tot vrucht,
Elke morgen wil avond worden,
Niets eeuwigs bestaat op aarde
dan de verandering, het verwaaien.

Ook de mooiste zomer wil
Ooit eens herfst en verwelking ervaren.
Houd jij, blad, je geduldig stil,
Wanneer de wind je wil ontvoeren.

Speel je spel en verzet je niet,
Laat het stil gebeuren.
Laat door de wind, die je breekt,
je naar huis toe waaien.


Het leven van een bloem


Vanuit een bladkring schuchter als een kind,
waagt zij het amper om zich heen te speuren,
weet zij zich door een golf van licht omringd,
vat niet hoe dag en zomer blauwer kleuren.

Wind, vlinders en het licht lokken aan;
glimlachend voor het eerst toont zij het leven
haar bange hart en leert zich overgeven
aan drommen dromen van een kort bestaan.

Nu lacht zij honderduit, haar kleuren gloeien,
goud zwelt het stuifmeel in de helmknop al,
zij leert hoe zwoele middagzon kan schroeien,
moe neigt zij naar het loof bij avondval.

Haar kelk gelijkt een rijpe vrouwenmond
die trilt wanneer ze aan de tijd gaat denken,
die lacht hoewel reeds op de achtergrond
verzadiging en bitter einde wenken.

Verschrompeld nu, gerafeld en verschoten
gaan blaadjes moe over de zaadrok hangen
en worden huiveringwekkend vaal,
het grote Mysterie houdt de stervende omvangen.

BOOM IN DE HERFST


Nog worstelt vertwijfeld met de koude
oktobernachten om zijn groene kleed
Mijn boom. Hij heeft het lief, hij treurt erom,
Hij droeg het vrolijke maanden lang,
Hij zou het graag behouden.

En weer een nacht, en weer
Een rauwe dag. De boom raakt afgemat
En vecht niet meer en geeft de ledematen
Losgelaten over aan de vreemde wil,
Tot die hem helemaal bedwongen heeft.


Nu echter lacht hij goudrood
En rust in het blauw diep gelukkig.
Omdat hij zich vermoeid aan het sterven bood,
heeft hem de herfst, de milde herfst
Tot nieuwe heerlijkheid getooid.

 
Ergens

Dolend door de zandzee van het leven,
Gloeiend, kreun ik vaak een jammerklacht.
Ergens echter, weet ik, haast vergeten,
Bloeien tuinen, schaduwrijke pracht.

Ergens echter in mijn verste dromen,
Weet ik dat een rustplaats op mij wacht,
Waar de ziel tenslotte thuis kan komen,
Waar ze wachten: sluimer, sterren, nacht.

 
In een lang vervlogen eeuw

Iets gunt mij mijn nachtrust niet:
Reislust komt mijn droom verstoren
En ik kan het fluisterlied
Van mijn bamboeriet al horen.

Anders dan in slaap te wiegen
Wil ik ‘t oude liedje kwijt,
Wil ik weggaan, wil ik vliegen,
Reizen in oneindigheid.

In een land, zo staat te lezen,
In een lang vervlogen eeuw
Zijn ooit krokussen verrezen
Uit een vogelgraf vol sneeuw.

Vleugels wil ik open spreiden,
Onbegrensd zijn, vogelvrij,
Naar die oorden, naar de tijden
Waarin goud nog glanst voor mij.


De Nacht

Met schemering en merelzang
Waait uit het dal de nacht ons toe.
De zwaluw rust, de dag was lang
En maakte elke zwaluw moe.

Wie mijn vioolspel hoort, geniet
Van mild gestreken klanken nu.
Begrijpt u, mooie nacht, dat lied-
Mijn oude zang, die zang voor u?

Een bries waait uit de wouden aan
Zodat mijn hart al trillend lacht.
En zacht, met lief geweld verslaan mij
Sluimering en droom en nacht.
 
 
 

 Gedichten in de oorspronkelijke taal: Duits
 

Der Liebende

Nun liegt dein Freund wach in der milden Nacht,
Noch warm von dir, noch voll von deinem Duft,
Von deinem Blick und Haar und Kuß - o Mitternacht,
O Mond und Stern und blaue Nebelluft!
In dich, Geliebte, steigt mein Traum
Tief wie in Meer, Gebirg und Kluft hinein,
Verspritzt in Brandung und verweht zu Schaum,
Ist Sonne, Wurzel, Tier,
Nur um bei dir,
Um nah bei dir zu sein.
Saturn kreist fern und Mond, ich seh sie nicht,
Seh nur in Blumenblässe dein Gesicht,
Und lache still und weine trunken,
Nicht Glück, nicht Leid ist mehr,
Nur du, nur ich und du, versunken
Ins tiefe All, ins tiefe Meer,
Darein sind wir verloren,
Drin sterben wir und werden neugeboren.

Juli 1921

Elisabeth

Dir liegt auf Stirne, Mund und Hand
Der feine, zärtlich helle Lenz,
Der holde Zauber, den ich fand
Auf alten Bildern zu Florenz.

Du lebtest schon einmal vorzeit,
Du wunderschöne Maigestalt,
Als Flora im beblümten Kleid
Hat Botticelli dich gemalt.

Auch bist du jene, deren Gruß
Den jungen Dante übermannt,
Und unbewußt ist deinem Fuß
Der Weg durchs Paradies bekannt.

Wie eine weiße Wolke
Am hohen Himmel steht,
So weiß und schön und ferne
Bist du, Elisabeth.

Die Wolke geht und wandert,
Kaum hast du ihrer acht,
Und doch durch deine Träume
Geht sie in dunkler Nacht.

Geht und erglänzt so silbern,
Daß fortan ohne Rast
Du nach der weißen Wolke
Ein süßes Heimweh hast.

Mai/Juni 1900

 
Für Ninon

Daß du bei mir magst weilen,
Wo doch mein Leben dunkel ist
Und draußen Sterne eilen
Und alles voll Gefunkel ist,

Daß du in dem Getriebe
Des Lebens eine Mitte weißt,
Macht dich und deine Liebe
Für mich zum guten Geist.

In meinem Dunkel ahnst du
Den so verborgnen Stern.
Mit deiner Liebe mahnst du
Mich an des Lebens süßen Kern.

Dezember 1927

 
Im Nebel

Seltsam, im Nebel zu wandern!
Einsam ist jeder Busch und Stein,
Kein Baum sieht den andern,
Jeder ist allein.

Voll von Freunden war mir die Welt,
Als noch mein Leben licht war;
Nun, da der Nebel fällt,
Ist keiner mehr sichtbar.

Wahrlich, keiner ist weise,
Der nicht das Dunkel kennt,
Das unentrinnbar und leise
Von allen ihn trennt.

Seltsam, Im Nebel zu wandern!
Leben ist Einsamsein.
Kein Mensch kennt den andern,
Jeder ist allein.

November 1905


 
Julikinder

Wir Kinder im Juli geboren
Lieben den Duft des weißen Jasmin,
Wir wandern an blühenden Gärten hin
Still und in schwere Träume verloren.

Unser Bruder ist der scharlachene Mohn,
Der brennt in flackernden roten Schauern
Im Ährenfeld und auf den heißen Mauern,
Dann treibt seine Blätter der Wind davon.

Wie eine Julinacht will unser Leben
Traumbeladen seinen Reigen vollenden,
Träumen und heißen Erntefesten ergeben,
Kränze von Ähren und roten Mohn in den Händen.

Mai 1904


Klage

Uns ist kein Sein vergönnt. Wir sind nur Strom,
Wir fließen willig allen Formen ein:
Dem Tag, der Nacht, der Höhle und dem Dom,
Wir gehn hindurch, uns treibt der Durst nach Sein.

So füllen Form um Form wir ohne Rast,
Und keine wird zur Heimat uns, zum Glück, zur Not,
Stets sind wir unterwegs, stets sind wir Gast,
Uns ruft nicht Feld noch Pflug, uns wächst kein Brot.

Wir wissen nicht, wie Gott es mit uns meint,
Er spielt mit uns, dem Ton in seiner Hand,
Der stumm und bildsam ist, nicht lacht noch weint,
Der wohl geknetet wird, doch nie gebrannt.

Einmal zu Stein erstarren! Einmal dauern!
Danach ist unsre Sehnsucht ewig rege,
Und bleibt doch ewig nur ein banges Schauern,
Und wird doch nie zur Rast auf unsrem Wege.

Januar 1934


Soirée

Man hatte mich eingeladen,
Ich wußte nicht warum;
Viel Herren mit schmalen Waden
Standen im Saal herum.

Es waren Herren von Namen
Und von gewaltigem Ruf,
Von denen der eine Dramen,
Der andre Romane schuf.

Sie wußten sich flott zu betragen
Und machten ein groß Geschrei.
Da schämte ich mich zu sagen,
Daß ich auch ein Dichter sei.

1902

 
Stufen

Wie jede Blüte welkt und jede Jugend
Dem Alter weicht, blüht jede Lebensstufe,
Blüht jede Weisheit auch und jede Tugend
Zu ihrer Zeit und darf nicht ewig dauern.
Es muß das Herz bei jedem Lebensrufe
Bereit zum Abschied sein und Neubeginne,
Um sich in Tapferkeit und ohne Trauern
In andre, neue Bindungen zu geben.
Und jedem Anfang wohnt ein Zauber inne,
Der uns beschützt und der uns hilft, zu leben.

Wir sollen heiter Raum um Raum durchschreiten,
An keinem wie an einer Heimat hängen,
Der Weltgeist will nicht fesseln uns und engen,
Er will uns Stuf' um Stufe heben, weiten.
Kaum sind wir heimisch einem Lebenskreise
Und traulich eingewohnt, so droht Erschlaffen,
Nur wer bereit zu Aufbruch ist und Reise,
Mag lähmender Gewöhnung sich entraffen.

Es wird vielleicht auch noch die Todesstunde
Uns neuen Räumen jung entgegen senden,
Des Lebens Ruf an uns wird niemals enden...
Wohlan denn, Herz, nimm Abschied und gesunde!

4.5.1941

 

Wie eine Welle

Wie eine Welle, die vom Schaum gekränzt
Aus blauer Flut sich voll Verlangen reckt
Und müd und schön im großen Meer verglänzt -

Wie eine Wolke, die im leisen Wind
Hinsegelnd aller Pilger Sehnsucht weckt
Und blaß und silbern in den Tag verrinnt -

Und wie ein Lied am heißen Staßenrand
Fremdtönig klingt mit wunderlichen Reim
Und dir das Herz entführt weit über Land -

So weht mein Leben flüchtig durch die Zeit,
Ist bald vertönt und mündet doch geheim
Ins Reich der Sehnsucht und der Ewigkeit.

Mai 1901
 

Vergänglichkeit

Vom Baum des Lebens fällt
Mir Blatt um Blatt,
O taumelbunte Welt,
Wie machst du satt,
Wie machst du satt und müd,
Wie machst du trunken!
Was heut noch glüht,
Ist bald versunken.
Bald klirrt der Wind
Über mein braunes Grab,
Über das kleine Kind
Beugt sich die Mutter herab.
Ihre Augen will ich wiedersehn,
Ihr Blick ist mein Stern,
Alles andre mag gehn und verwehn,
Alles stirbt, alles stirbt gern.
Nur die ewige Mutter bleibt,
Von der wir kamen,
Ihr spielender Finger schreibt
In die flüchtige Luft unsre Namen.

Februar 1919

Bron:
alle Gedichte aus:
Hermann Hesse. Sämtliche Gedichte in einem Band.
Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main 1995.
 
 
05. Aquarellen en schetsen van Hermann Hesse.
 

 





















Handschrift