Het Corpus Hermeticum - een zeer waardevolle erfenis uit het verleden

00. De Tabula Smaragdina - 01. Eerste boek, Pymander02. Tweede boek:  Pymander tot Hermes - 03. Derde Boek: Dat het grootste kwaad in de mensen is, dat zij God niet kennen - 04. Vierde Boek: Hermes' rede ter ere Gods - 05. Vijfde Boek: Uit een rede van Hermes tot Tat - 06. Zesde Boek Algemene dialoog tussen Hermes en Asklepios -  07. Zevende Boek - Hermes tot Tat over het mengvat en de eenheid - 08. Achtste Boek - Hermes tot zijn zoon Tat: Dat de onzienlijke God het meest geopenbaard is - 09. Negende Boek - Dat niets van hetgeen werkelijk bestaat verloren gaat - 10. Tiende Boek: Dat het goede alleen in God en nergens anders te vinden is - 11. Elfde Boek: Over het verstand en de zintuigen12. Twaalfde boek: De sleutel van Hermes Trismegistos - 13. Dertiende Boek: Hermes Trismegistos tot Tat: Over het algemene gemoed - 14. Veertiende Boek: De geheime rede op de berg - 15. Vijftiende Boek: Hermes Trismegistos tot Asklepios over het juiste denken - 16. Zestiende Boek: Hermes tot Ammon: Over de ziel - 17. Zeventiende Boek: Hermes tot Tat: Over de waarheid 
 
 
 
 
 
00. De Tabula Smaragdina


Het is waar! Het is zeker! Het is de volle waarheid!
Wat beneden is, is gelijk aan wat boven is, en wat boven is, is gelijk aan wat beneden is, opdat de wonderen van het ene zich voltrekken.
Zoals alle dingen uit het ene geworden zijn, door één middelaarschap, zo zijn zij alle uit dit ene geboren, door overbrenging.
Zijn vader is de zon, zijn moeder de maan, de lucht heeft het in haar schoot gedragen, de aarde was zijn voedster.
De vader van alle talismans in de ganse wereld is alomtegenwoordig.
Zijn kracht blijft ongerept, wanneer zij in de aarde wordt aan gewend.
Scheid liefdevol en met groot inzicht en wijsheid, de aarde van het vuur, het fijne van wat hard, dicht en gestold is.
Van de aarde stijgt het op tot de hemel, en daalt vandaar weer af tot de aarde; en neemt daarbij de kracht van wat boven is en die van wat beneden is tot zich.
Zo zult ge de glorie van de ganse wereld bezitten en deswege zal alle duisternis van u vluchten.
Deze is de machtige sterkte aller sterkten, omdat hij al het zachte zal overwinnen en al het harde zal doordringen.
Zo is de wereld geschapen. Uit haar zullen, op dezelfde wijze, wondervolle scheppingen ontstaan.
Men heeft mij dáárom de driemaal grote Hermes genoemd, omdat ik de drie aanzichten van de wijsheidsleer van de ganse wereld bezit.
Voleindigd is wat ik over de toebereiding van het goud gezegd heb.
 
 
 01. Eerste boek: Pymander


1. Eens, toen ik de wezenlijke dingen overdacht en mijn gemoed zich verhief, sluimerden mijn lichamelijke zinnen volkomen in, zoals bij iemand die, na een overmatige voeding of ten gevolge van grote lichaamsvermoeidheid, door een diepe slaap wordt overvallen.
2. Het kwam mij voor of ik een geweldig wezen zag, van onbepaalde omvang, die mij bij mijn naam noemde en tot mij zei:
3. « Wat wilt u horen en zien en wat verlangt u in uw gemoed te leren en te kennen?»
4. Ik sprak: « Wie zijt gij?»
5. En kreeg ten antwoord: «Ik ben Pymander, het gemoed, het uit-zichzelf-zijnde wezen. Ik weet wat u begeert en ik ben overal met u.»
6. Ik zei: «Ik begeer te worden onderricht over de wezenlijke dingen, hun aard te begrijpen en God te kennen. O hoezeer verlang ik te begrijpen.»
7. Hij antwoordde: «Houd in uw bewustzijn goed vast wat u wilt leren en ik zal u onderrichten.»
8. Bij deze woorden veranderde hij van aanblik en terstond ging in een oogwenk alles voor mij open; ik zag een onmetelijk visioen; alles werd tot één licht, dat zeer sereen en hartverblijdend was en ik verheugde mij uitermate in de aanschouwing ervan.
9. Kort daarop ontstond in een deel ervan een verschrikkelijke en trieste duisternis, die zich nederwaarts bewoog, en zich in bochtige spiralen wentelde, zoals bij een  slang, zo kwam het mij voor. Dan veranderde deze duisternis in een vochtige en onuitsprekelijk verwarde natuur, waarvan een rook opsteeg als van vuur, terwijl zij een geluid voortbracht als van een onbeschrijflijk kermen.
10. Toen weerklonk er vanuit de vochtige natuur een kreet, een woordloze roep, die ik met de stem van het vuur vergeleek, terwijl vanuit het licht een heilig woord zich over de natuur spreidde en een rein vuur uit de vochtige natuur omhoog flitste, licht, fel en machtig.
11. De lucht volgde, door haar lichtheid, de vurige adem; vanuit de aarde en het water verhief zij zich tot het vuur, zodat zij aan het vuur opgehangen scheen.
12. De aarde en het water bleven waar zij waren, ten nauwste onderling vermengd, zodat men de aarde en het water niet afzonderlijk kon waarnemen; en zij werden onophoudelijk in beweging gebracht door de adem van het woord dat erboven zweefde.
13. Toen sprak Pymander: «Hebt ge begrepen wat dit visioen betekent ?»
14. Ik antwoordde: «Dat zal ik nu te weten komen.»
15. Toen zei hij: «Dat licht ben ik, het gemoed, uw God, die bestond vóór de vochtige natuur, welke uit de duisternis te voorschijn is getreden. Het lichtende woord, dat van het gemoed uitgaat, is de Zoon van God.»
16. «Wat wil dat zeggen?» vroeg ik.
17. «Begrijp het zo: wat in u aanschouwt en hoort, is het woord des Heren en uw gemoed is God de Vader. Zij zijn niet van elkaar gescheiden, want hun eenheid is het leven.
18. «Ik dank u», zei ik.
19. «Richt nu uw hart op het licht en ken het.»
20. Bij deze woorden keek hij mij enige tijd vlak in het gelaat, zo doordringend, dat ik sidderde bij zijn aanblik.
21. Toen hij daarna het hoofd weer ophief, zag ik in mijn gemoed, hoe het licht, dat uit een onnoemelijk aantal krachten bestond, tot een waarlijk onbegrensde wereld was geworden, terwijl het vuur door een zeer machtige kracht omsloten en bedwongen was en zo in evenwicht was gebracht.
22. Dit alles onderscheidde ik in het visioen, door het woord van Pymander. Daar ik geheel buiten mijzelf was, sprak hij wederom tot mij:
23. «Ge hebt nu in het gemoed de schone oorspronkelijke menselijke gestalte gezien, het oertype, het oerprincipe van vóór het begin-zonder-einde.» Aldus sprak Pymander tot mij.
24. «Waarvandaan zijn toch de elementen der natuur gekomen?» vroeg ik.
25. Hij antwoordde: «Uit Gods wil, die, toen Hij het woord in zich opgenomen had en het schone oertype der wereld aanschouwde, deze naar dat model tot een geordende wereld formeerde, uit de elementen van zijn eigen wezen en de uit Hem zelf geboren zielen.
26. God, de geest, die in zichzelf man en vrouw is, en de bron van leven en licht, bracht door een woord een andere geest, als Demi-Ourgoswezen, voort, die als God van het vuur en van de adem, zeven Rectoren heeft geformeerd. Dezen omgeven de zintuiglijke wereld met hun cirkels en besturen haar met wat het Noodlot wordt genoemd.
27. Terstond schoot het woord Gods weg uit de elementen die beneden werkzaam zijn, naar het reine gebied der natuur dat zo juist geformeerd was, en verenigde zich met de vormende Geest, met wie het wezenseen is.
28. Zo werden de lagere elementen van de natuur aan zichzelf overgelaten, beroofd van de rede, waardoor zij niet meer waren dan enkel materie.
29. Doch de vormende Geest, verenigd met het woord, bracht, terwijl hij de cirkels omspande en ze zeer snel deed draaien, de cirkelgang van zijn schepselen in beweging, vanaf een onbepaald begin tot aan een einde-zonder einde, omdat het einde samenvalt met het begin.
30. Deze wenteling van de cirkels bracht, naar de wil van de Geest, uit de verzonken elementen redeloze dieren voort, daar zij het woord niet meer in hun midden hadden; de lucht bracht gevleugelde dieren voort en het water het zwemmend gedierte.
31. De aarde en het water waren, naar de wil van de Geest, gescheiden, en de aarde deed van haar schoot de dieren uitgaan die zij in zichzelf besloten hield: viervoetige dieren, kruipend gedierte, wilde dieren en huisdieren.
32. De Geest, de Vader van alle wezens, die leven en licht is, bracht een mens voort aan Hem gelijk, waarvoor Hij, als voor zijn eigen kind, in liefde ontstak. Want de mens, als evenbeeld van zijn vader, was zeer mooi; God kreeg zo in waarheid zijn eigen gestalte lief en gaf hem al zijn werken over.
 33. Toen evenwel de mens de schepping had opgemerkt, die in het vuur geformeerd werd, wilde ook hij een werkstuk voortbrengen en de Vader stond hem dit toe. Toen hij daarop binnenging in het scheppingsveld van de vormende Geest, waar hij de vrije hand zou hebben, nam hij de werken van zijn broeder waar, en de Rectoren ontstaken in liefde voor hem en ieder van hen liet hem delen in zijn eigen rang in de hiërarchie der sferen.
34. Toen hij daarna hun wezen had leren kennen en deel had gekregen aan hun aard, wilde hij de begrenzing der cirkels doorbreken en de macht leren kennen van hem die over het vuur heerst.
35. Toen boog de mens, die met macht over de wereld der sterfelijke wezens en der redeloze dieren bekleed was, zich voorover, door de samenbindende kracht der sferen heen, wier omhulling hij doorbroken had, en vertoonde zich aan de natuur beneden in de schone gestalte van God.
36. Toen de natuur hem aanschouwde, die de onuitputtelijke schoonheid en al de energieën der zeven Rectoren in zich had verenigd in de gestalte van God, glimlachte zij van liefde, want zij had de trekken van deze wonderbaar schone vorm van de mens zich zien weerspiegelen in het water, en zijn schaduw op de aarde waargenomen.
37. Wat hem zelf betreft: toen hij de vorm, die zozeer op hem leek, door de weerspiegeling in het water in de natuur opmerkte, werd hij daarop verliefd en wilde daar wonen. Wat hij wilde, deed hij terstond, en zo ging hij de redeloze vorm bewonen. En toen de natuur haar geliefde in zich ontvangen had, omving ze hem geheel, en zij werden een, want hun begeertebrand was groot.
38. Daarom is, van alle schepselen in de natuur, alleen de mens tweevoudig, namelijk sterfelijk naar het lichaam en onsterfelijk naar de wezenlijke mens.
39. Want ofschoon hij onsterfelijk is en macht heeft over alle dingen, ondergaat hij toch het lot der stervelingen, daar hij aan het noodlot onderworpen is. Daardoor is hij, ofschoon hij boven de samenbindende kracht der sferen thuishoort, binnen deze kracht tot slaaf geworden; en hoewel hij man-vrouw is, omdat hij is voortgekomen uit een vader die man-vrouw is, en hoewel hij vrij is van slaap, omdat hij voortkomt uit een wezen dat vrij is van slaap, is hij niettemin door de begeerte der zinnen en door de slaap overwonnen.»
40. Daarop zei ik: « O geest-in-mij, ook ik heb het woord lief»
41. Pymander sprak: « Wat ik u ga zeggen is de geheimenis die tot op deze dag verborgen is geweest. Toen de natuur één was geworden met de mens, bracht zij een verbazingwekkend wonder voort. De mens had de aard van al de zeven Rectoren in zich, samengesteld, zoals ik u heb gezegd, uit vuur en adem. De natuur nu bracht, zonder uitstel, zeven mensen voort, overeenkomend met de aard van de zeven Rectoren, tegelijk man-en-vrouw; en met omhooggerichte gestalte.»
42. Toen riep ik uit: «0, Pymander, er is nu een bijzondere wens in mij opgekomen, en ik brand van verlangen om het te horen. Ga alstublieft voort.»
43. Pymander sprak: «Wees stil, ik ben nog niet gereed met mijn eerste uiteenzetting.»
44. «Ik zwijg reeds,» antwoordde ik.
45. «Welnu dan, de schepping van de zeven eerste mensen vond, zoals ik zei, als volgt plaats: de aarde was de matrix, het water het verwekkende element, het vuur bracht het wordingsproces tot rijpheid, de natuur ontving uit de ether de levensadem en bracht de lichamen voort volgens de vorm van de mens.
46. De mens uit leven en licht werd tot ziel en gemoed: het leven werd tot ziel, het licht tot gemoed. Alle wezens van de zintuiglijke wereld bleven in deze staat tot het einde van de kringloop en tot het begin der soorten.
47. En luister nu naar het punt dat ge zo graag wilt horen. Toen deze kringloop volledig ten einde was, werd de band die alles verenigde, door de wil van God verbroken. Alle dieren, die tot op dat moment tegelijk mannelijk en vrouwelijk waren geweest, werden, evenals de mens, naar die twee aanzichten gescheiden; zo werden sommige dieren mannelijk en andere dieren vrouwelijk. Terstond sprak God het heilige woord: "Groei terwijl ge toeneemt en vermenigvuldig u in de menigte, gij allen die geschapen en gemaakt zijt. En laat degene die het gemoed bezit, zich als onsterfelijk herkennen en weten dat de oorzaak van de dood de liefde tot het lichaam is en tot alles wat van de aarde is."
48. Toen God aldus gesproken had, bewerkstelligde de voorzienigheid door het lot en de samenbindende kracht der sferen de vermenging en stelde de voortplanting in; en alle wezens vermenigvuldigden zich naar hun soort; en wie zichzelf als onsterfelijk wezen heeft herkend, is uitverkoren onder allen, terwijl wie het lichaam heeft liefgehad, dat uit de dwaling der begeerte is voortgekomen, in de duisternis blijft ronddolen en de ervaring moet doorlijden van wat des doods is.»
49. «Welk een gruwelijke fout», zo riep ik uit, «hebben dan toch wel degenen begaan die in onwetendheid zijn, dat zij van de onsterfelijkheid beroofd zijn?»
50. «Ik geloof dat ge niet hebt nagedacht over wat ge hebt vernomen. Heb ik u niet gezegd vooral aandachtig te zijn?»
51. «Ik denk na», zei ik, «en ik herinner het mij nu en ben u dankbaar. »
52. «Als ge hebt nagedacht, zeg mij dan waarom zij die in de dood zijn, verdienen te sterven.»
53. «Omdat de bron waaruit hun lichaam voortkomt, de sombere duisternis is, die de vochtige natuur deed ontstaan; deze stelde in de zintuiglijke wereld het lichaam samen, waarin de dood zijn dorst lest.»
54. «Dat hebt ge goed begrepen. Maar waarom komt hij die zich zelf herkend heeft, tot God, gelijk Gods woord het zei.»
55. «Omdat», antwoordde ik, «de Vader aller Dingen, uit wie de mens geboren is, licht en leven is.»
56. «Ja, licht en leven, dát is God de Vader, uit wie de mens geboren is. Als ge dus weet uit leven en licht te zijn voortgekomen en uit deze elementen te zijn samengesteld, zult ge naar het leven terugkeren.» Dat was wat Pymander mij zei.
57. «Maar zeg mij nog, O mijn gemoed, hoe zal ik tot het leven ingaan?» vroeg ik. «Want God heeft gezegd: "Laat de mens die het gemoed bezit, zichzelf herkennen." Hebben dan niet alle mensen het gemoed?»
58. «Pas op hetgeen ge zegt! Want ik, Pymander, het gemoed kom tot hen die heilig en goed zijn, rein en barmhartig, tot de godvruchtigen; mijn tegenwoordigheid wordt hun tot hulp, zodat zij terstond alles herkennen; en zij maken zich door hun liefde bij de Vader welgevallig en danken Hem, in kinderlijke aanhankelijkheid, met de lofzeggingen en gezangen die zij Hem verschuldigd zijn. Alvorens hun lichaam aan de dood, die daaraan eigen is, over te geven, verachten zij hun zinnen, omdat de werkingen ervan hun maar al te goed bekend zijn.
59. Ja, ik, het gemoed, zal beslist niet toestaan dat de werkingen van het lichaam, die hen aanvallen, hun invloeden op hen uitoefenen; want als Bewaker van de Deuren zal ik boze en beschamende daden de toegang ontzeggen en onheilige verbeeldingen afsnijden.
60. Doch verre houd ik mij van de dwazen, de slechten, de verdorvenen, de afgunstigen, de hebzuchtigen, de moordenaars en de goddelozen; hen laat ik over aan de wrekende Demon die, door zulke mensen te bewerken met de gesel van het vuur, dit in hun zinnen drijft en hen daardoor nog meer tot onheilige daden toerust, opdat aan hen een nog grotere straf worde voltrokken. De begeerte van deze mensen gaat bij voortduring uit naar grotere bevrediging en doet hen in de duisternis woeden, zonder dat iets hen kan verzadigen. Daarin bestaat hun kwelling en daardoor laait de vlam die hen schroeit steeds hoger op.»
61. «Gij hebt mij, 0 gemoed, al deze dingen juist zo onderricht als ik wenste. Maar vertel mij nu nog hoe de weg-omhoog zich ontwikkelt.»
62. Hierop antwoordde Pymander: «Eerst wordt, in het oplossingsproces van het stof lichaam, dit lichaam aan de verandering overgegeven; en de vorm die ge had, wordt dan niet meer gezien en ge geeft uw gewone ik, dat voortaan buiten werking is, aan de Demon over. De lichamelijke zintuigen keren terug tot hun oorsprongen, waarvan zij weer deel gaan uitmaken en zij worden opnieuw één met de werkingen ervan, terwijl de drift- en begeertedrang terugkeert tot de redeloze natuur.
63. Aldus vaart de mens verder opwaarts, door de samenbindende kracht der sferen heen; aan de eerste cirkel staat hij de kracht af om toe te nemen en af te nemen; aan de tweede cirkel de bedrevenheid in het boze en de onmachtig geworden list; aan de derde cirkel de voortaan machteloze dwaling der verlangens; aan de vierde cirkel de ijdelheid van het heersersvertoon, waaraan niet meer kan worden voldaan; aan de vijfde cirkel de godloze overmoed en de brutale onbezonnenheid; aan de zesde cirkel de buiten werking gestelde gehechtheid aan rijkdommen; aan de zevende de steeds haar lagen stellende leugen.
64. Als hij zich dan zo ontdaan heeft van wat uit de samenwerkende kracht der sferen was voortgekomen, gaat hij, slechts in het bezit van zijn eigen kracht, de achtste natuur binnen en zingt, met allen die daar zijn, hymnen tot lof van de Vader en allen verheugen zich met hem over zijn aanwezigheid.
65. Als hij aan hen gelijk is geworden, hoort hij ook zekere krachten, die boven de achtste natuur verblijven, samen hymnen zingen tot Gods lof. En dan stijgen zij, in juiste orde, tot de Vader omhoog, geven zichzelf aan de krachten prijs en gaan, op hun beurt krachten geworden, in God binnen. Dit is het goede einde voor hen die Gnosis bezitten: dat zij God worden.
66. Maar wat talmt ge nu? Gaat ge, nu ge van mij alles hebt ontvangen, niet tot hen die het waardig zijn, om hen als gids te dienen, opdat, dank zij uw bemiddeling, het menselijke geslacht door God gered moge worden ?»
67. Toen Pymander dit gezegd had, vermengde hij zich voor mijn ogen met de krachten. En ik, die nu met kracht bekleed was en onderricht was over de aard van het al en over het verheven visioen, dankte en prees de Vader aller Dingen. Ik begon de mensen de schoonheid van het op God gerichte leven en van de Gnosis te verkondigen:
68. «O, gij volkeren, gij mensen die uit de aarde zijt geboren en u aan de roes en de sluimer en aan de onwetendheid aangaande God hebt overgegeven, wordt toch nuchter en houdt op u te wentelen in liederlijkheid, betoverd als ge zijt door een dierlijke slaap.»
69. Toen zij dat hoorden, kwamen zij eenparig tot mij. En ik sprak verder: « O gij aardgeborenen, waarom hebt ge u aan de dood overgegeven, terwijl ge macht hebt de onsterfelijkheid deelachtig te zijn? Komt tot inkeer, gij die in dwaling wandelt en de
onwetendheid als leidsman hebt aanvaard. Bevrijdt u van het duistere licht en neemt deel aan de onsterfelijkheid, door voor altijd afscheid te nemen van het verderf»
70. Sommigen van hen spotten met mij en gingen weg, want zij bevonden zich op de weg van de dood. Maar anderen, die zich voor mij op de knieën geworpen hadden, smeekten mij hen te onderrichten. Ik richtte hen op en werd een gids van het menselijke geslacht door hen te leren op welke wijze zij gered zouden worden. En ik zaaide in hen de woorden der vrijheid en zij werden gevoed met het water der onsterfelijkheid.
71. Toen het avond was geworden en het licht van de zon bijna verdwenen was, nodigde ik hen uit God dank te brengen. En nadat zij de dankzegging hadden volbracht, keerden allen naar hun haardsteden terug.
72. Ik echter schreef Pymanders weldaad in mij, en toen ik daarvan geheel vervuld was, kwam er een opperste vreugde over mij. Want de slaap van het lichaam was de nuchterheid van de ziel geworden, het sluiten der ogen het waarachtige schouwen, het stilzwijgen werd mij tot een zwangerschap van het goede, en het uitdragen van het woord tot vruchtbare werken des heils.
Dit alles is tot mij gekomen, omdat ik van Pymander, mijn gemoed, het uit zichzelf-zijnde wezen, het woord van den beginne ontvangen heb. Zo ben ik nu vervuld van de goddelijke adem der waarheid. Daarom richt ik, met geheel mijn ziel en met al mijn krachten, deze lofzang tot God de Vader:
73. «Heilig is God, de Vader aller Dingen.
Heilig is God, wiens wil zich voltrekt door middel van zijn eigen machten.
Heilig is God, die gekend wil zijn en gekend is door hen die Hem toebehoren.
Heilig zijt gij, die door het woord alles tot aanzijn hebt geroepen.
Heilig zijt gij, naar wiens beeld de natuur geworden is. Heilig zijt gij, die door de natuur geenszins geformeerd werd.
Heilig zijt gij, machtiger dan alle machten.
Heilig zijt gij, voortreffelijker dan al wat is.
Heilig zijt gij, verheven boven alle lot
Aanvaard de reine offers, door het woord gewekt in mijn ziel en mijn hart, die zich richten tot u, 0 Onuitsprekelijke, 0, Onzegbare, wiens naam slechts door de stilte kan worden genoemd.
Leen het oor aan mij die bidt dat ik nimmer zal verbroken worden van de Gnosis, de ware Kennis, die aan mijn kernwezen eigen is.
Neig u tot mij en vervul mij met uw kracht: ik zal met deze genade het licht brengen aan hen van mijn ras die in onwetendheid verkeren, mijn broeders, uw zonen. la, ik geloof en betuig met mijn bloed: ik ga tot het Leven en het Licht.
Wees geprezen, O Vader, uw mens wil mét u heilig maken, waartoe gij hem alle macht gegeven hebt. »

 
 

02. Tweede boek:  Pymander tot Hermes

 

I. «Welnu dan, wees stil, O Hermes Trismegistos, en onthoud goed hetgeen ik u zeggen zal. Ik zal u terstond zeggen wat bij mij is opgekomen.»

2. «Er is veel, en van allerlei zijden, over het al en over God gesproken, maar de meningen spreken elkaar tegen, zodat ik de waarheid daarin niet heb onderkend. Wilt gij, Heer, mij hierover uitleg geven? Want alleen aan wat gij mij zult openbaren zal ik geloof schenken.»

3. «Luister dan, mijn zoon, hoe God en het al zich verhouden: God, de eeuwigheid, de wereld, de tijd en de wording.

4. God maakt de eeuwigheid, de eeuwigheid maakt de wereld, de wereld maakt de tijd, en de tijd maakt de wording.

5. Het goede, het schone, de gelukzaligheid en de wijsheid vormen als het ware het wezen van God; het wezen van de eeuwigheid is onveranderlijkheid; het wezen van de wereld is orde; het wezen van de tijd is veranderlijkheid; en het wezen van de wording is leven en dood.

6. Geest en ziel vormen de actieve, openbarende kracht van God; duurzaamheid en onsterfelijkheid zijn de werkingen van de eeuwigheid; terugkeer tot volmaaktheid en denaturatie zijn de werkingen van de wereld; toenemen en afnemen zijn de werkingen van de tijd; en de wording heeft als werking de eigenschap.

7. Zo is de eeuwigheid in God, de wereld in de eeuwigheid, de tijd in de wereld, en de wording in de tijd.

8. Terwijl de eeuwigheid rondom God rust, beweegt de wereld zich in de eeuwigheid, voltrekt de tijd zich in de wereld, en wordt het worden de in de tijd.

9. God is de oorsprong van alle dingen, hun wezen is de eeuwigheid en de wereld is hun materie.

10. De eeuwigheid is een potentiële kracht van God. Het werk van de eeuwigheid is de wereld, die geen begin heeft gehad, maar in voortdurende wording is door de werking van de eeuwigheid. Daarom zal niets wat in de wereld is, ooit vergaan, want de eeuwigheid is onvergankelijk; noch zal ooit iets vernietigd worden, omdat de wereld geheel omgeven is door de eeuwigheid.»

11. «Maar wat is de wijsheid Gods?»

12. «Zij is het goede en het schone en de gelukzaligheid en alle deugd en de eeuwigheid.

13. De eeuwigheid vormt de wereld tot een orde, door de materie te doordringen met onsterfelijkheid en duurzaamheid. Het ontstaan van de materie is afhankelijk van de eeuwigheid, zoals de eeuwigheid zelf weer afhankelijk is van God.

14. Er is wording en er is tijd, zowel in de hemel als op de aarde, maar zij zijn er verschillend van geaardheid: in de hemel veranderen zij niet en zijn zij onvergankelijk, op de aarde veranderen zij en vergaan zij.

15. God is de ziel van de eeuwigheid, de eeuwigheid is de ziel van de wereld, en de hemel is de ziel van de aarde.

16. God is in het gemoed, het gemoed is in de ziel, de ziel is in de materie, en dit alles door de eeuwigheid.

17. Dit grote lichaam, dat alle lichamen omvat, wordt naar binnen vervuld van een ziel vol geestbewustzijn en vol van God, een ziel die het al belevendigt, en wordt naar buiten daardoor omsloten.

18. Naar buiten: het uitgestrekte en volmaakte leven dat de wereld is; naar binnen: alle levende schepselen; daar boven, in de hemel, duurt zij onveranderlijk, steeds aan zichzelf gelijkblijvend; beneden, op de aarde, bewerkstelligt zij de verandering van het worden.

19. De eeuwigheid houdt dit alles in stand, hetzij door wat men noemt het lot, de voorzienigheid, de natuur, of wat men er nu of later ook van moge denken. Maar Hij die dit alles door zijn werkzaamheid bewerkstelligt, is God, de openbarende, actieve kracht Gods.

20. God, wiens potentiële kracht niet te overtreffen is, en waarmee niets menselijks noch goddelijks vergeleken kan worden.

21. Daarom, Hermes, denk niet dat iets van de dingen hier beneden of van de dingen van omhoog gelijk zou zijn aan God, want u zoudt dan van de waarheid afdwalen: niets is gelijk aan de Onvergankelijke, aan de al-ene God.

22. Zo moet u ook niet denken dat Hij zijn potentiële kracht met wie ook deelt. Want wie, buiten Hem, is schepper van leven, van onsterfelijkheid en van verandering?

23. En wat zou Hij anders kunnen doen dan scheppen? God is niet onwerkzaam, anders zou ook de gehele kosmos onwerkzaam zijn, want alles is vol van God.

24. Er is dan ook nergens onwerkzaamheid, noch in de wereld, noch in enig ander wezen. Onwerkzaamheid is een leeg woord, zowel met betrekking tot de Schepper, als tot datgene wat tot aanzijn komt.

25. En alles moet tot aanzijn komen volgens de invloed die aan iedere plaats eigen is.

26. Want de Schepper leeft in al zijn schepselen; Hij verblijft niet in een van hen afzonderlijk en Hij schept niet in een van hen alleen, maar Hij schept ze allen.

27. Daar Hij een altijd werkzame kracht is, is het Hem niet genoeg wezens geschapen te hebben: Hij neemt ze ook onder zijn hoede.

28. Beschouw nu door mij de wereld die zich aan u vertoont, en neem diep in u op hoe schoon zij is: een rein en onvergankelijk lichaam, inwendig sterk en jong, en steeds toenemend in kracht.

29. Zie ook de zeven fundamentele werelden, die naar een eeuwige orde zijn geformeerd, en die tezamen, ieder volgens haar eigen loop, de eeuwigheid vervullen. Zie, alles is vol licht, zonder dat er ergens vuur is.

30. Want de liefde en de versmelting van de tegenstellingen en van de ongelijkheden zijn tot licht geworden, uitstralend door de openbarende kracht van God, de Schepper van al het goede, de heerser en vorst van de ganse orde der zeven werelden.

31. Zie de maan, de voorloper van al deze werelden, het werktuig der natuurlijke groei, die de materie hier beneden herschept.

32. Zie de aarde, in het midden van het al gelegen, tot basis van deze schone wereld gesteld, voedster en verzorgster van alles wat op haar leeft.

33. Merk op, hoe talrijk de menigte der onsterfelijke wezens is, en hoe groot de menigte der sterfelijke, en zie hoe tussen de onsterfelijke en de sterfelijke de maan haar ronde beschrijft.

34. Alles is vol ziel, alle wezens worden naar hun eigen aard bewogen: sommige in de hemel, sommige op de aarde. Zij die ter rechterzijde moeten zijn, gaan niet naar links; zij die ter linkerzijde moeten zijn, gaan niet naar rechts; zij die omhoog moeten zijn, gaan niet omlaag; zij die omlaag moeten zijn, gaan niet omhoog.

35. Dat al deze wezens voortgebracht zijn, daar behoef ik u, mijn geliefde Hermes, niet meer op te wijzen: het zijn lichamen, zij bezitten een ziel, en zij worden bewogen.

36. Al deze wezens kunnen echter onmogelijk tot een eenheid worden zonder iemand die hen samenbrengt. Deze moet er dus zijn. En hij moet volstrekt de enige zijn.

37. Want daar de bewegingen verschillen en menigvuldig zijn, en ook de lichamen niet gelijk zijn, terwijl er toch één snelheid voor allen is, die hun gemeenschappelijk wordt opgelegd, kunnen er niet twee of meer scheppers zijn.

38. Indien er meer zouden zijn, zou de eenheid van de orde niet bewaard worden en er zou naijver ontstaan ter zake van de machtigste.

39. Gesteld dat er een tweede schepper zou zijn voor de veranderlijke en sterfelijke wezens, dan zou deze ook onsterfelijke wezens willen scheppen, terwijl de schepper van de onsterfelijke wezens ook sterfelijke wezens zou willen voortbrengen.

40. Bovendien, gesteld er zouden twee scheppers zijn, terwijl er enerzijds de materie is en anderzijds de ziel, aan wie van beiden zou de schepping toekomen! En indien zij beiden ervoor zouden zorgen, wie zou het grootste aandeel erin hebben!

41. Weet dan dat ieder levend lichaam samengesteld is uit materie en ziel, zowel het onsterfelijke als het sterfelijke, zowel het met rede toegeruste als het redeloze.

42. Alle levende lichamen zijn bezield. Alles wat geen leven heeft, is slechts materie, terwijl alleen de ziel, de oorzaak van het leven, in de handen van de Schepper verblijft. De Schepper van de onsterfelijken is ook de volstrekte Schepper van het leven, dus ook van de andere levende wezens, de sterfelijke.

43. Hoe zou datgene wat onsterfelijk is en de onsterfelijkheid schept, niet ook alles scheppen wat tot de levenden behoort?

44. Dat er dus iemand is die dit alles schept, is duidelijk. Dat Hij de al-ene is, behoeft geen betoog: want één is de ziel, één is het leven, één is de materie.»

45. «Wie is dan deze Schepper?»

46. «Wie anders dan de ene God? Wie anders komt het toe bezielde, levende wezens te scheppen dan God alleen? Daarom is er slechts één God.

47- Het is eigenlijk om te lachen: als ge erkent dat er één wereld, één zon, één maan, en één goddelijke natuur is, zoudt ge dan denken dat God meervoudig zou zijn?

48. Het is dus God die alle dingen maakt. Wat is er trouwens voor wonderlijks aan dat God het leven, de ziel, onsterfelijkheid en verandering schept, terwijl ge zelf zoveel verschillende handelingen verricht?

49. Ge ziet, ge spreekt, ge hoort, ge ruikt, ge proeft, ge betast, ge loopt, ge denkt, ge ademt. Het is toch niet zo dat de ene mens ziet, en de andere hoort, en weer een andere spreekt, en een andere proeft, en een andere ruikt, en een andere loopt, en een andere denkt, en een andere ademt? Het is één wezen die dit alles doet.

50. Welnu, zo zijn ook de goddelijke werkingen niet van God te scheiden; zoals u geen levend wezen meer zoudt zijn, indien u zoudt ophouden al uw werkingen te verrichten, evenzo zou, indien God zijn werkingen niet meer volbracht, Hij God niet meer zijn.

51. Indien er reeds aangetoond is dat geen wezen kan bestaan in onwerkzaamheid, hoeveel te meer geldt dit dan voor God.

52. Indien er werkelijk iets zou bestaan dat God niet schept, zou Hij onvolmaakt zijn. Daar God echter niet onwerkzaam is, maar integendeel volmaakt, zo is Hij de Schepper van alle dingen.

53. Als ge nog even aandachtig zijt, 0 Hermes, zult ge zeker begrijpen dat God slechts één doel heeft, namelijk het tot aanzijn brengen van alles wat in wording is, van alles wat eens in het verleden geworden is, van alles wat eens worden zal.

54. Dit, mijn geliefde, is het leven. Dit is het schone, dit is het goede, dit is God.

55. En wilt ge dit alles uit eigen ervaring begrijpen, zie dan eens wat er in u gebeurt als ge wilt voortbrengen. Inderdaad is, wanneer het God betreft, de scheppingshandeling niet gelijk: God ondervindt voorzeker geen waarneembare vreugde en er is niemand die met Hem samenwerkt.

56. Daar Hij geheel alleen handelt, is Hij steeds inwonend in zijn werken, en is Hij zelf wat Hij voortbrengt: zowel Schepper als schepsel. Want indien zijn schepselen los van Hem zouden staan, zouden zij ineenstorten en onvermijdelijk te grande gaan, omdat zij geen leven in zich zouden hebben.

57. Maar daar alles leeft, en het leven één is, is God beslist de al-ene. Anderzijds: daar alles, zowel in de hemel als op de aarde, levend is, en het leven één is in allen, is het leven geschapen door God en is het leven zelf God; alles komt dus tot aanzijn door de werken Gods, en het leven is de vereniging van geest en ziel.

58. Wat de dood betreft, deze is niet de vernietiging van de samengevoegde elementen, maar de verbreking van de samenbindende eenheid.

59. Zo is de eeuwigheid het beeld van God, de wereld het beeld van de eeuwigheid, de zon het beeld van de wereld, en de mens het beeld van de zon.

60. Ten opzichte van de verandering spreekt de gewone mens van dood, omdat het lichaam wordt opgelost en het leven naar het onzichtbare wijkt.

 61. Ik verklaar u echter, mijn geliefde Hermes, dat de wezens die op deze wijze verdwijnen, slechts getransformeerd worden: iedere dag gaat een deel van de wereld in het onzichtbare over, maar geenszins om te worden ontbonden.

62. Hierin bestaat het lijden van de wereld: de cirkelgang, en het verdwijnen in wat men noemt: de dood. Maar de cirkelgang is herhaling, wielwenteling, en het verdwijnen is vernieuwing.

63. De wereld bezit alle vormen. Niet dat zij de vormen in zich besloten houdt, maar in en door de vormen transformeert zij zich.

64. Daar dus de wereld alvormig gemaakt is, hoe zal dan haar Schepper zijn. Wij kunnen niet zeggen dat Hij vormloos is. En als ook Hij alvormig zou zijn, zou Hij gelijk zijn aan de wereld. En als Hij één vorm heeft Dan zou Hij in dit opzicht minder zijn dan de wereld.

65. Waartoe moeten wij dus besluiten? Want ons begrip aangaande God mag geen leemte vertonen.

66. Er is slechts één gestalte die God eigen is, een gestalte die door lichamelijke ogen niet kan worden waargenomen, een onlichamelijke gestalte, die alle vormen openbaart door de lichamen.

67. Verwonder u niet dat er een onlichamelijke gestalte kan bestaan: denk maar aan een woord dat ge spreekt. Zo is het ook met afbeeldingen: men ziet daarop toppen van bergen die zich hoog in de lucht verheffen, terwijl zij in werkelijkheid glad en vlak zijn.

68. Overdenk hetgeen ik u gezegd heb nog eens dieper en vollediger: Zoals de mens niet kan leven zonder het leven, zo kan God niet leven zonder het goede voort te brengen. Want dit is als het ware het leven en bewegen van God: aan alles beweging en leven schenken.

69. Het is nodig sommige dingen met bijzonder begrip te benaderen, zoals het volgende:

70. Alles is in God; echter niet als op een bepaalde plaats, want een plaats is lichamelijk en onbeweeglijk en wat ergens een plaats heeft, heeft geen beweging; de dingen verschijnen in het onlichamelijke op een geheel andere wijze.

71. Als ge denkt aan Hem die alles in zich besloten houdt, bedenk dan vooral dat niets in staat is het onlichamelijke te omgrenzen, en dat niets sneller en machtiger is dan Hij. Hij is de onbegrensde, de snelste en de machtigste.

72. Ga het ook maar bij uzelf na: beveel uw ziel naar Indië te gaan en zij zal er zijn, nog eer ge het bevolen hebt.

73. Beveel haar naar de oceaan te gaan en zij zal er, alweer, terstond zijn; niet alsof zij een reis gemaakt heeft van de ene plaats naar de andere, maar alsof zij zich daar reeds bevond.

74. Beveel haar zelfs tot de hemel op te stijgen: zij zal daartoe geen vleugels behoeven. Niets kan haar belemmeren, noch het vuur van de zon, noch de ether, noch de wetmatige beweging van het uitspansel, noch de lichamen van de sterren: zij zal alle ruimten doorklieven en zich in haar vlucht verheffen tot het uiterste hemellichaam.

75. En indien ge dan nog het gewelf van het universum zelf zoudt willen doorbreken om te aanschouwen wat daarbuiten is - als er tenminste iets buiten de wereld bestaat – dan kunt ge dat.

76. Zie, welk een macht, welk een snelheid, ge bezit. En als gij dit alles kunt, zou God het dan niet kunnen?

77. Daarom moet ge God zo zien: alles wat is, houdt Hij als gedachten in zich besloten: de wereld, zichzelf, het al.

78. Als ge uzelf niet gelijk maakt aan God, kunt ge Hem niet begrijpen: want alleen het gelijke begrijpt het gelijke.

79. Was op tot mateloze grootheid, ontstijg aan alle lichamen, verhef u boven alle tijd; word eeuwigheid. Dán zult ge God begrijpen.

80. Doordring u van de gedachte dat niets voor u onmogelijk is, beschouw u als onsterfelijk en in staat alles te begrijpen, alle kunst, alle wetenschap, de aard van al wat leeft.

81. Word hoger dan alle hoogten en dieper dan alle diepten.

82. Verzamel in u de gewaarwordingen van al het geschapene: het vuur en het water, het droge en het vochtige; en denk u in gelijktijdig overal te zijn: op de aarde, in de zee, in de lucht; dat ge nog geheel ongeschapen zijt, dat ge in de moederschoot zijt, jongeling, grijsaard, dat ge gestorven zijt, dat ge aan gene zijde van de dood zijt. Als ge dit alles gelijktijdig in uw bewustzijn kunt omvatten: tijden, plaatsen, gebeurtenissen, eigenschappen en hoeveelheden, dán kunt ge God begrijpen.

83. Maar als ge uw ziel in het lichaam gevangen houdt, als ge haar neerhaalt en steeds maar zegt: Ik begrijp niets, ik kan niets, ik ben bang voor de zee, ik vermag niet tot de hemel op te stijgen, ik weet niet wat ik eenmaal was, noch weet ik wat ik zijn zal, wat hebt ge dan met God te maken?

84. Want ge kunt niets omvatten van wat werkelijk schoon en goed is, zolang ge het lichaam lief hebt en slecht zijt. Volkomen slechtheid is: het goddelijke niet te kennen.

85. Maar in staat zijn het goddelijke te kennen, en de wil en de krachtige hoop ertoe te hebben gehad, is de directe weg naar het goede, een gemakkelijke weg. Overal zal het u bij uw gang op het pad tegemoet treden, overal zal het zich aan u kenbaar maken, zelfs daar en wanneer ge het in het geheel niet verwacht; hetzij ge waakt of rust, te water of te land, bij dag en bij nacht, of ge spreekt dan wel zwijgt: er is niets dat het niet is.

86. Zult ge nu zeggen: God is onzichtbaar? Wie openbaart zich meer dan God ? Hij heeft immers alles geschapen opdat ge Hem door alle schepselen heen zult kennen.

87. Dát is het heerlijke, het wonderbaarlijke van God, dat Hij zich door al zijn schepselen heen openbaart.

88. Want er is niets onzichtbaar, zelfs niet bij de onlichamelijken: het gemoed openbaart zich in de levende aanschouwing en God openbaart zich in zijn scheppingswerkzaamheid. Dit alles had ik u te onthullen, 0 Thrismegistos. Overdenk verder alles op dezelfde wijze en ge zult niet dwalen.»

 
 

03. Derde Boek: Dat het grootste kwaad in de mensen is, dat zij God niet kennen.

 

1 Waar spoedt ge u heen, 0 mensen, gij die beneveld zijt omdat ge u bedronken hebt aan het woord dat alle Gnosis mist, het woord der volstrekte onwetendheid, dat ge niet kunt verdragen en dat ge nu dan ook eindelijk uitbraakt?

2 Houd op en word nuchter: zie weer met de ogen van uw hart. En zo niet allen dit kunnen, dan tenminste zij die daartoe in staat zijn. De boosheid der onwetendheid overstroomt de ganse aarde, richt de ziel, die in het lichaam opgesloten is, te gronde, en belet haar de haven des heils binnen te lopen.

3 Laat u dus niet meeslepen door het geweld van de stroom, maar laat degenen onder u die in staat zijn de haven des heils te bereiken, gebruik maken van de tegenstroom en er binnenlopen.

4 Zoek hem die u bij de hand zal nemen en u zal geleiden naar de poorten van de Gnosis, waar het heldere licht straalt waarin geen duisternis is; waar niemand dronken is, maar allen nuchter zijn en met het hart opzien tot hem die gekend wil worden.

5 Maar weet wel: zijn stem kan niet vernomen worden en zijn naam niet uitgesproken worden, noch kunnen stoffelijke ogen hem aanschouwen: alleen de geestziel is daartoe in staat.

6 Daarom moet ge eerst het kleed dat ge draagt verscheuren: het weefsel der onwetendheid, het fundament der boosheid, de kluister van het verderf, de lichtloze gevangenis, de levende dood, het lijk met zintuigen, het graf dat ge met u omdraagt, de plunderaar die bij u inwoont en u zijn haat toont door hetgeen hij liefheeft en zijn afgunst door hetgeen hij haat. ..

7 Zodanig is het vijandig kleed waarmee ge u hebt omhuld, het kleed dat, door u het ademen te beletten, u tot zich neerhaalt, opdat ge maar niet weer ziende zult worden, en, door het aanschouwen van de schoonheid der waarheid en van het goede dat daarin besloten ligt, zijn boosheid niet zult haten en zijn lagen en listen niet zult doorzien.

8 Het maakt uw zintuigen ongevoelig, door ze met een overvloed van materie af te sluiten en van zondige wellust te vervullen, opdat ge niet zult horen wat ge zo nodig horen moet, en niet zult zien wat ge zo van node hebt te zien.

 

04. Vierde Boek: Hermes' rede ter ere Gods

 

1 God, Gods macht en de goddelijke natuur zijn de heerlijkheid van het al.

2 God is het begin, de oeridee, het vermogen tot groei, en de materie aller schepselen; de wijsheid tot openbaring aller dingen.

3 Gods macht is oorzaak, geboorte en groei, werkzame kracht, sterven en vernieuwing.

4 Er was in de afgrond een oneindige duisternis en water en de werkzaam wordende adem der schepping. Dit alles was door Gods kracht in de chaos.

5 Toen maakte het heilige licht zich vrij, de oerelementen scheidden zich af van de vochtige substantie, zij verdichtten zich, en alle goden te zamen maakten scheiding tussen de aanzichten der kiemrijpe natuur.

6 Uit het onbepaalde en ongevormde scheidden de lichte elementen zich af naar omhoog, terwijl de zware elementen steun vonden op het vochtige zand, zodat het al door de werking van het vuur in zijn samenstellende delen werd onderscheiden, en, geordend door de adem der schepping, in voortdurende beweging werd gehouden.

7 Het heelal openbaarde zich in zeven cirkels, en de goden vertoonden zich in de gedaante van sterren met al hun constellaties. De natuur, in al haar aanzichten, werd, met de hulp der in haar aanwezige goden, tot een organische orde gevormd, en de haar omringende cirkel, omgeven door een astrale wolk, werd in zijn kringloop door de goddelijke adem voortbewogen.

8 Iedere god bracht, uit eigen kracht, datgene voort wat hem was opgedragen; zo ontstonden viervoetige, kruipende, in het water levende en gevleugelde dieren, en alle kiem dragende zaden, en het gras, en de frisse wasdom van al wat bloeit. Het zaad der wedergeboorte lag in hen besloten.

9 De goden brachten evenzo de geslachten der mensen tot aanzijn, opdat zij de werken Gods zouden leren kennen en zouden getuigen van de werkzaamheid der natuur;

10 en in menigte zouden toenemen, onbeperkt zouden heersen over alles wat onder de hemel is, de goede dingen zouden leren kennen; en aldus zouden groeien terwijl zij toenamen en zich in menigte vermenigvuldigden.

11 De goden brachten alle zielen voort die, naar lotsbestemming, door het bestel der goden binnen de cirkels, in het vlees werden gezaaid, opdat zij het hemelgewelf, de loop der hemelse goden, de goddelijke werken en de werkzaamheid der natuur nauwkeurig zouden waarnemen;

12. opdat zij het ware goede en de goddelijke macht, die het wiel der lotsbeschikking in beweging houdt, zouden leren kennen;

13. en aldus goed en kwaad zouden leren onderscheiden en zich de gehele verheven kunst van het volbrengen van goede werken zouden eigen maken.

14 Dit is van den beginne voor hen de weg: zij doen levenservaring op en verzamelen wijsheid met betrekking tot hun lotsbeschikking vanuit de cirkelgang der goden; tenslotte worden zij bevrijd en laten op aarde grote monumenten achter, die herinneren aan de verheven werken die zij als bevrijden volbrachten.

15 Al wat in der tijden gang ontluistert en duisternis spreidt: het ontstaan van bezield vlees, en van nageslacht op de wijze van het jonge dier, en van heel het menselijke werken, al dit wat doet verkwijnen, zal door het Fatum, door de vernieuwing der goden en van de kringloop der natuur als haar getal vol geworden zal zijn, weer nieuw gemaakt worden.

16 Het goddelijke is het tot eenheid samengevloeide kosmische al, dat door de natuur is vernieuwd, want ook de natuur is in de almacht Gods verankerd.

 
 
05. Vijfde Boek: Uit een rede van Hermes tot Tat
 

1 Ik geef deze uiteenzetting, mijn zoon, in de eerste plaats uit liefde voor de mensen en uit eerbiedige toewijding aan God. Er is geen waarachtiger vroomheid dan acht te slaan op de wezenlijke dingen, en hem die dit alles gemaakt heeft, ervoor te danken, hetgeen ik dan ook nimmer zal ophouden te doen.

2 Maar als er hier niets werkelijk en waarachtig is, Vader, wat moet een mens dan doen om op de juiste wijze te leven?

3 Leid een Goddienend leven, mijn zoon! Wie waarlijk vroom is, zal de wijsheid boven alle maat liefhebben; zonder liefde tot de wijsheid is het onmogelijk tot de hoogste Godsvrucht te komen. Wie inzicht heeft verkregen in het wezen van het al en heeft leren begrijpen hoe, door wie, en te wiens behoeve alles tot de aarde is saamgevoegd, zal voor dit alles God, de Demi-Ourgos, de Bouwmeester der Wereld, dank heten, als de algoede Vader, die hem met weldaden omringt en hem getrouwelijk bewaart.

4 Door zijn dankbaarheid te belijden zal hij godvruchtig zijn; en door zijn godsvrucht zal hij ook weten wáár de waarheid is en wie zij is; en dank zij dit inzicht zal zijn godvruchtige gerichtheid nog voortdurend toenemen.

5 Nimmer, mijn zoon, zal de ziel, al is zij in het lichaam, naar het tegendeel kunnen afglijden, als zij haar schuldenlast lichter heeft gemaakt om het waarachtig goede en ware te grijpen.

6 Als de ziel hem heeft leren kennen die haar tot aanzijn heeft geroepen, dan zal zij van een onmetelijke liefde vervuld worden, dan vergeet zij alle kwaad en kan van het goede niet meer gescheiden worden.

7 Dit, mijn zoon, moet het doel der vroomheid zijn. Als ge tot deze staat terugkeert en op de juiste wijze leeft en gelukzalig sterft, zal uw ziel zeker weten waarheen zij haar vlucht moet richten.

8 Dit, mijn zoon, is de enige weg naar de waarheid, die ook zij gegaan zijn die ons voorgingen en langs welke zij het goede hebben verkregen.

9 Verheven en gebaand is deze weg, maar moeilijk te gaan voor de ziel, zolang zij in het lichaam is.

10 Eerst moet zij strijd voeren tegen zich zelf, een grote scheiding teweegbrengen, en aan één deel de overwinning over zichzelf laten. Er ontstaat namelijk tussen één deel en twee andere delen een conflict: het eerste tracht te vluchten, de beide andere trekken haar van beneden af omlaag. Het gevolg is strijd en een grote krachtmeting tussen het deel dat wil ontvluchten en de beide andere, die zich inspannen de ziel neer te houden.

11 Het is evenwel niet gelijk of de ene partij overwint dan wel de andere partijen. Want de ene streeft met inspanning naar het goede, de andere bewonen de gebieden van het verderf;

12 De ene zucht naar de vrijheid, de andere omhelzen de slavernij.

13 Als de twee partijen verslagen zijn, blijven zij in zichzelf opgesloten, werkloos en eenzaam, verlaten door hem die dan heerst. Maar als de ene verslagen is, wordt hij door de twee andere als gevangene meegevoerd en van alles beroofd, en vindt hij zijn straf in het leven dat hij hier leidt.

14 Zie mijn zoon, dit is de gids op de weg die naar de vrijheid voert: ge moet het lichaam, vóór het sterft, prijsgeven en het leven, dat in de strijd betrokken is, overwinnen; en als ge déze overwinning hebt behaald, terugkeren naar omhoog.

15 En nu, mijn zoon, zal ik, in korte kernzinnen, de wezenlijke dingen samenvatten: ge zult hetgeen ik ga zeggen begrijpen, als ge u herinnert wat ge reeds hebt gehoord.

16 Al wat werkelijk is, wordt bewogen; alleen het niet-zijnde is onbeweeglijk.

17 Elk lichaam is aan verandering onderworpen, maar niet alle lichamen zijn vatbaar voor ontbinding.

18 Niet ieder schepsel is sterfelijk, niet ieder schepsel is onsterfelijk.

19 Wat vatbaar is voor ontbinding, is vergankelijk; het blijvend onveranderlijke is eeuwig.

20 Wat steeds weer geboren wordt, gaat ook steeds weer te gronde; maar wat eens voor al geworden is, gaat nimmer teniet en wordt evenmin iets anders

21 Als eerste is er God; als tweede de Kosmos; als derde de Mens.

22 De Kosmos is er ter wille van de Mens, de Mens ter wille van God.

23 Het deel der ziel dat waarneemt door middel van de zintuigen, is sterfelijk, maar het deel dat beantwoordt aan de rede is onsterfelijk.

24 Iedere geopenbaarde werkelijkheid is onsterfelijk; iedere geopenbaarde werkelijkheid is wel veranderlijk.

25 Geheel het zijnde is tweevoudig: niets van wat is, staat stil.

26 Niet alle dingen worden door een ziel bewogen; wel is het een ziel die het gehele zijn beweegt.

27 Al wat vatbaar is voor lijden doet ervaring op; al wat ervaring opdoet lijdt.

28 Al wat onderworpen is aan pijn, is ook onderworpen aan vreugde, namelijk het sterfelijke schepsel; niet al wat vreugde kent, kent ook pijn, namelijk het ontsterfelijke schepsel.

29 Niet ieder lichaam is aan ziekte onderworpen; ieder lichaam dat aan ziekte onderworpen is, is ook onderworpen aan ontbinding.

30 Het gemoed is in God, de rede is in de mens, de rede is in het gemoed, het gemoed is onvatbaar voor lijden.

31 Niets in het sterfelijke lichaam is waar; in het onlichamelijke is in het geheel geen leugen.

32 Alles wat tot zijn aanzijn gekomen is, is veranderlijk; niet alles wat tot aanzijn gekomen is, is vergankelijk.

33 Er is niets goeds op de aarde; er is niets kwaads in de hemel.

34 God is goed; de mens is slecht.

35 Het goede werkt uit vrije wil; het boze werkt in onvrijwilligheid.

36 De goden bestemmen goede werken voor goede doeleinden.

37 De goede orde is verheven rechtvaardigheid; de goede orde is de wet.

38 De goddelijke wet is de tijd; de menselijke wet is het kwaad.

39 De tijd is het wentelen der wereld; de tijd is de vernietiger van de mens.

40 Al wat in de hemel is, is onveranderlijk; al wat op aarde is, is veranderlijk.

41 Niets in de hemel is onderworpen en afhankelijk; niets op aarde is vrij.

42 Er is niets dat de hemel niet kent; op de aarde is geen kennis.

43 Het aardse heeft geen deel aan het hemelse.

44 Al wat in de hemel is, is boven alle smet en smaad verheven; al wat op aarde is, is te laken.

45 Het goddelijke is niet sterfelijk; wat sterfelijk is, is niet goddelijk.

46 Wat gezaaid wordt, komt niet in alle gevallen tot geboorte; wat geboren is, is met zekerheid ook gezaaid.

47 Voor het vergankelijke lichaam gelden twee tijdsruimten: die van de conceptie tot de geboorte, en die van de geboorte tot de dood. Voor het onvergankelijke lichaam geldt slechts één tijd, beginnende bij de schepping.

48 De oplosbare lichamen groeien en nemen af

49 De vergankelijke materie wentelt in de tegendelen: wording en vernietiging. De onvergankelijke materie voltrekt verandering óf in zich zelf, óf in wat haar evenwaardig is.

50 De geboorte van de mens is het begin van een sterven; het sterven van een mens is het begin van een geboorte.

51 Wat geboren wordt sterft dus ook; wat sterft wordt dus ook geboren.

52 Van de wezenlijke dingen bevinden sommige zich in lichamen, sommige in de wereld der ideeën, sommige in de wereld der krachten. Het lichaam is ook in de wereld der ideeën, maar de idee en de kracht zijn ook in het lichaam.

53 Het goddelijke deelt niet in de vergankelijkheid, het sterfelijke heeft geen deel aan het goddelijke.

54 Het sterfelijke komt niet in een onsterfelijk lichaam; maar het onsterfelijke deelt wel in het sterfelijke.

55 De zich openbarende krachten Gods richten zich niet naar omhoog, maar naar omlaag.

56 Al wat op aarde omgaat is van geen enkel nut voor de aangelegenheden des hemels; maar de aangelegenheden des hemels zijn van het hoogste gewicht voor wat tot het aardse leven behoort.

57 De hemel is het tehuis waar zij, die het onvergankelijke lichaam dragen, welkom worden geheten; de aarde is de woon der vergankelijke lichamen.

58 Het aardse zijn is redeloos, de hemel is overeenkomstig de goddelijke rede.

59 De harmonieën van omhoog zijn de hemel tot fundament; de wetbeschikkingen op de aarde zijn aan de aarde opgelegd.

60 De hemel is het eerste element, de aarde het laatste.

61 De Voorzienigheid is de goddelijke orde, het Fatum is de dienaar der Voorzienigheid.

62 Toeval is een blinde, ordeloze opwelling, het waanbeeld van een kracht, bedrieglijke schijn.

63 Wat is God? Het nimmer afwijkende, onveranderlijke goede. Wat is de mens? Een zich immer kronkelend kwaad.

64 Als ge deze kernzinnen in gedachte houdt, zal het u niet moeilijk vallen u de uiteenzetting te binnen te brengen, die ik u reeds uitvoeriger heb gegeven; immers, in deze kernzinnen zijn zij samengevat.

65 Vermijd evenwel discussies met de grote massa; voorzeker niet omdat ge haar uw rijkdommen zoudt willen onthouden, maar veeleer omdat de massa u slechts belachelijk zal vinden. Het gelijke wordt door het gelijke aangetrokken; maar het ongelijke is bij het ongelijke nimmer geliefd. De woorden welke ik gesproken heb trekken uiterst weinig toehoorders, of misschien zelfs niet die weinigen. Zij hebben bovendien dit bijzondere: dat zij de bozen tot nog meer boosheid prikkelen. Daarom is het nodig zich voor de massa in acht te nemen, daar zij de bevrijdende kracht en heerlijkheid van het gesprokene niet begrijpt.

66 Hoe bedoelt ge dat, Vader?

67 Zo, mijn zoon: het gehele dierlijke leven der mensen is buitenmate tot het boze geneigd. Het komt ter wereld met het kwaad ingeboren en schept er daarom ook vreugde in.

68 Wanneer dit dierlijke wezen verneemt dat de wereld eenmaal geworden is en dat alles geschiedt naar het bestel der Voorzienigheid en van het Fatum, daar immers het toegedeelde Lot. over alles heerst, zal dat niet veel erger zijn? Want wanneer dit wezen het al veracht omdat het eenmaal geworden is, en het de oorzaken van het kwaad aan het toebedeelde Lot toeschrijft, zal het zich tenslotte van geen enkele boze daad meer onthouden.

69 Daarom moet ge te hunnen opzichte waakzaam zijn, opdat zij, in de staat hunner onwetendheid, uit vrees voor wat zij innerlijk niet omvatten kunnen, minder boosaardig zullen zijn.

 
 

06. Zesde Boek Algemene dialoog tussen Hermes en Asklepios

 

1 HERMES: Asklepios, wordt niet alles wat bewogen wordt, in iets en door iets bewogen? ASKLEPIOS: Zeer zeker!

2 HERMES: En is het niet noodzakelijk dat datgene waarin iets bewogen wordt, groter is dan hetgeen bewogen wordt? ASKLEPIOS: Ongetwijfeld.

3 HERMES: Is dat wat de beweging tot stand brengt sterker dan wat bewogen wordt? ASKLEPIOS: Dat ligt voor de hand.

4 HERMES: Zal de aard van datgene waarin de beweging plaats heeft niet noodzakelijk tegengesteld zijn aan die van wat bewogen wordt? ASKLEPIOS: Uiteraard.

5 HERMES: Is dan dit universum groter dan elk ander lichaam? ASKLEPIOS: Jazeker.

6 HERMES: En is het niet volkomen gevuld, namelijk met vele andere grote lichamen, of Juister gezegd: met alle lichamen die er zijn? ASKLEPIOS: Zo is het.

7 HERMES: Het universum is dus een lichaam? ASKLEPIOS: Ja zeker.

8 HERMES: En wel een lichaam dat bewogen wordt? ASKLEPIOS: Ja zeker.

9 HERMES: Hoe groot moet dan wel de ruimte zijn waarbinnen het universum bewogen wordt? En van welke aard? Moet ze niet veel groter zijn dan het universum, om de voortdurende beweging mogelijk te maken zonder dat het universum bekneld raakt en zijn beweging zou staken? ASKLEPIOS: De ruimte moet inderdaad buitengewoon groot zijn, o Trismegistos.

10 HERMES: En van welke aard? Van tegengestelde aard, Asklepios? Het tegengestelde van de aard van het lichaam is het onlichamelijke. ASKLEPIOS: Ongetwijfeld.

11 HERMES: Dan is de ruimte dus onlichamelijk. Maar het onlichamelijke is of goddelijk van aard, of het is God. (Met goddelijk bedoel ik nu niet het geschapene, maar het ongeschapene). Als het onlichamelijke goddelijk van aard is, is het van de aard van het kernwezen der schepping; en als het God is, is het één met het kernwezen. Het is trouwens met het denken zó te omvatten:

12 God is voor ons het hoogste waarop het denken zich richten kan: voor óns, maar niet voor God zelf. Want het voorwerp van overdenking wordt voor hem die dient bereikbaar door het licht van het inzicht. God is dus voor zich zelf geen voorwerp van overdenking; want daar hij niet onderscheiden is van het wezen der overdenking, overdenkt hij zich zelf. Voor ons echter is God wel onderscheiden: daarom is hij het voorwerp van ons denken.

13 Indien wij nu de universele ruimte in ons denken overwegen, denken wij deze niet als ruimte, maar als God; en indien voor ons denken de ruimte als God verschijnt, is zij geen ruimte meer in de gewone zin des woords, maar de werkzame kracht Gods, die alles omsloten houdt.

14 Al wat bewogen wordt beweegt niet in iets dat zelf bewogen wordt, maar in iets dat onbeweeglijk is; de beweegkracht is ook onbeweeglijk, daar zij geen deel kan hebben aan de beweging die zij zelf teweegbrengt.

15 ASKLEPIOS: Maar, Trismegistos, op welke wijze worden dan de dingen hier op aarde mede bewogen met die welke hun beweging veroorzaken? Want ge hebt gezegd dat de verzondigde sferen bewogen worden door de sfeer der zondelozen.

16 HERMES: Daarbij is, Asklepios, geen sprake van een gemeenschappelijke beweging, maar van een tegengestelde beweging. Want deze sferen worden niet in dezelfde richting bewogen, maar in tegengestelde richting. Deze tegenstelling verschaft aan de beweging een vast evenwichtspunt, omdat de reactie der tegengestelde bewegingen zich in dat punt als bewegingsloosheid openbaart.

17 Daar de verzondigde sferen voortbewogen worden in een richting tegengesteld aan die der zondeloze sfeer, worden zij, in deze tegenbeweging, door het stilstaande evenwichtspunt rondom de weerstand biedende sfeer hee nbewogen.

18 Ge ziet daar de sterrenbeelden van de Grote en de Kleine Beer, die niet ondergaan en niet opkomen, en die steeds rondom een zelfde punt wentelen: Meent ge dat zij worden bewogen? Of staan ze stil?

19 ASKLEPIOS: Zij worden bewogen, Trismegistos. HERMES: En hoe is hun beweging, Asklepios? ASKLEPIOS: Zij wentelen voortdurend rondom dezelfde middelpunten.

20 HERMES: Juist. De kringloop is dus niet anders dan de beweging rondom hetzelfde middelpunt, die door de onbeweeglijkheid van het middelpunt volkomen wordt beheerst. De omwenteling voorkomt afwijking, en door afwijking te voorkomen wordt de omwenteling bestendigd. Zo staat ook de tegenbeweging in het evenwichtspunt stil, omdat zij door de weerstand biedende beweging statisch wordt.

21 Ik zal u een gewoon voorbeeld geven, dat ge met het oog kunt toetsen op zijn juistheid. Zie sterfelijke wezens, bijvoorbeeld de mens, bij het zwemmen: terwijl het water voort stroomt doet de weerstand, de tegenkracht van de voeten en de handen, voor de mens een stabiele toestand ontstaan, zodat hij niet door het water naar beneden wordt getrokken.

22 ASKLEPIOS: Dit voorbeeld is zeer duidelijk, Trismegistos.

23 HERMES: Iedere beweging komt dus tot stand in iets en door iets, dat zelf onbeweeglijk is. De beweging van het universum en van ieder lichamelijk levend wezen wordt dus niet teweeggebracht door oorzaken buiten het lichaam, maar door oorzaken binnen het lichaam, werkende van binnen naar buiten door een bewuste redelijke kracht, hetzij de ziel, de geest, hetzij enige andere onlichamelijke wezenheid. Want een stoflichaam is niet instaat een bezield lichaam te bewegen, ja, geen enkel lichaam, ook niet een onbezield lichaam.

24 ASKLEPIOS: Hoe bedoelt ge dat, Trismegistos? Zijn hout en stenen en andere onbezielde dingen geen lichamen die beweging voortbrengen?

25 HERMES: Zeer zeker niet, Asklepios. Want niet het lichaam zelf veroorzaakt de beweging van het onbezielde, maar datgene wat zich binnen dat lichaam bevindt, en dit beweegt de beide lichamen: zowel het lichaam dat verplaatst, als dat wat verplaatst wordt. Vandaar dat het onbezielde het onbezielde niet bewegen kan. Ge ziet dus hoe zwaar de ziel belast is, als zij alleen twee lichamen moet dragen. Het is dus duidelijk, dat wat bewogen wordt in iets en door iets beweegt.

26 ASKLEPIOS: Moet beweging tot stand komen in een ledige ruimte, Trismegistos?

27 HERMES: Luister goed, Asklepios: niets van wat werkelijk is, is ledig, niets dat deel is van het werkelijk zijnde, is ledig, zoals het woord "zijn", dat is: bestaan, reeds zegt. Immers: wat is zou geen werkelijkheid hebben, zou niet zijn, zo het niet volkomen van werkelijkheid vervuld was. Wat werkelijk is, wat werkelijk bestaat, kan dus nooit ledig zijn.

28 ASKLEPIOS: Zijn er dan geen ledige dingen, Trismegistos, zoals een kruik, een pot, een kuip en allerlei andere, soortgelijke dingen?

29 HERMES: Houd op, Asklepios, hoe kunt ge u zo vergissen! Hoe kunt ge wat volkomen vol en gevuld is voor ledig houden!

30 ASKLEPIOS: Hoe bedoelt ge dat, Trismegistos?

31 HERMES: Is lucht geen lichaam? Doordringt dit lichaam niet al het bestaande? En vervult het niet alles wat het doordringt? Is ieder lichaam niet samengesteld uit de vier elementen? Al die dingen die ge ledig noemt zijn dus met lucht gevuld: en als ze met lucht gevuld zijn, zijn ze het ook met de vier lichamen der elementen. En zo komen wij tot een slotsom die juist tegengesteld is aan uw woorden: al wat ge vol noemt, is van alle lucht ontledigd, omdat de plaats ervan door andere lichamen is ingenomen en er dus geen plaats meer is om lucht toe te laten. En al wat ge ledig noemt, moet boordevol genoemd worden en niet ledig: want het is in werkelijkheid vol lucht en adem.

32 ASKLEPIOS: Daar is niets tegen in te brengen, Trismegistos. Maar wat is ook weer de ruimte waarin het universum bewogen wordt?

HERMES: Het is onlichamelijk, Asklepios. ASKLEPIOS: En wat is dan het onlichamelijke?

33 HERMES: Geest, geheel in zich zelf besloten, vrij van iedere lichamelijkheid, zonder dwaling, zonder lijden, onaanraakbaar, onbeweeglijk in zichzelf, alles omvattend, alles reddend, bevrijdend, genezend; datgene waarvan het goede, de waarheid, het oertype des geestes, en het oertype der ziel als stralen uitgaan.

34 ASKLEPIOS: Maar wat is God dan?

35 HERMES: Hij is geen van deze alle, maar de oorzaak van hun bestaan, en van al wat er is, ook van ieder schepsel in het bijzonder. Hij heeft volstrekt geen ruimte gelaten voor het niet-zijn; al wat bestaat komt tot aanzijn uit hetgeen is, en niet uit hetgeen niet is, want het niet-zijn mist het vermogen tot wording, terwijl anderzijds het zijnde nooit ophoudt te zijn.

36 ASKLEPIOS: Wat zegt ge dan eigenlijk dat God is?

37 HERMES: God is niet de rede, maar de bestaansgrond der rede; hij is niet de adem, maar de bestaansgrond van de adem; hij is niet het licht, maar de bestaansgrond van het licht. Daarom moet God vereerd worden met de namen "het Goede" en "Vader", namen die slechts hem en niemand anders toekomen. Want geen van hen die goden genoemd worden, en geen der mensen en der demonen, kan in ook maar enig opzicht goed zijn. Alleen God. Hij alleen is goed, en niemand anders. Alle overigen kunnen het wezen van het goede niet omvatten. Zij zijn lichaam en ziel en missen de plaats waarin het goede kan wonen. Want het goede omvat het wezenlijke van alle schepselen, zowel der lichamelijke als der onlichamelijke, zowel der waarneembare als van hen die tot de wereld der abstracte gedachte behoren. Dat is het goede, dat is God.

38 Noem dus nooit iets anders goed, want dat is goddeloos. En duid God nooit anders aan dan als het goede, want ook dat is goddeloos.

39 Allen gebruiken weliswaar het woord "goed", maar niet allen doorzien wat het is. Daarom ook begrijpen allen God niet en noemen in onwetendheid de goden en sommige mensen goed, hoewel dezen dit nimmer kunnen zijn noch worden, daar het goede het volstrekt onveranderlijke van God is. Het is van hem onscheidbaar, omdat het immers God zelf is.

40 Aan alle andere goden wordt, als onsterfelijken, door de naam god eer bewezen. Maar God is het goede niet op grond van eerbetoon, maar krachtens zijn wezen. Het wezen van God en het goede zijn één: zij vormen tezamen de ene oorsprong van alle geslachten. Goed is wie alles geeft en niets neemt. Voorwaar, God geeft alles en neemt niets. Daarom is God het goede en het goede is God.

41 De andere naam van God is Vader, omdat hij de schepper aller dingen is. Scheppen is het kenmerk van de Vader.

42 Daarom is in het leven van hen, wier bewustzijn goed gericht is, het tot geboorte brengen van de Zoon een zaak van de grootste ernst en ijver en van de diepste aanhankelijkheid aan God; terwijl het het grootste ongeluk is en de grootste zonde, zo iemand zonder dit kind schap sterft en na de dood wordt berecht door de demonen.

43 Dit is de straf, dat de ziel van deze kinderloze veroordeeld wordt tot het aannemen van een lichaam dat noch mannelijk noch vrouwelijk van aard is, hetgeen een doem is, uitgaande van de Zon. Deel dus, Asklepios, in de vreugde zo niemand zonder het kindschap is, doch omvat met uw medelijden degene die in het ongeluk staat, want ge weet welke straf hem wacht.

44 Moge hetgeen ik gezegd heb, Asklepios, u naar aard en omvang tot enige inleidende kennis zijn aangaande het wezen van het al.

 
 

07. Zevende Boek - Hermes tot Tat over het mengvat en de eenheid

 

1 HERMES: Beschouw de Demi-Ourgos, daar hij de gehele wereld niet met de handen maar door het woord geschapen heeft, als de aanwezige en altijd veranderlijke werkelijkheid, als de schepper aller dingen, de ene en enige, die al wat is naar zijn wil gewrocht heeft.

2 Dit is voorwaar zijn lichaam, dat onaanraakbaar, onzichtbaar, onmeetbaar en ondeelbaar is en met geen ander lichaam te vergelijken is. Hij is noch het vuur, noch het water, noch de lucht, noch de adem, maar deze en alle andere dingen zijn uit en door hem.

3 Daar hij het goede is heeft hij deze offergave niet aan zich alleen willen wijden en de aarde niet voor zich alleen willen tooien, maar als sieraad van dit goddelijke lichaam de mens omlaag gezonden, een sterfelijk schepsel van een onsterfelijk wezen. En zo de aarde haar schepselen al overtreft door het eeuwigheidsleven, de mens overtreft de schepselen der aarde door het verstand en de geest.

4 De mens ging zich op de werken Gods bezinnen, was er opgetogen over en leerde de schepper ervan erkennen. God heeft dus, Tat, aan alle mensen het verstand toebedeeld; niet echter de geest. Niet vanwege misgunst jegens wie dan ook, want misgunst komt niet van omhoog; zij ontstaat hier beneden, in de zielen van hen die de geest niet bezitten.

5 TAT: Waarom, 0 Vader, heeft God de geest niet toebedeeld aan alle mensen?

6 HERMES: Hij heeft gewild, mijn zoon, dat de geestbinding door alle zielen zou worden verkregen, echter als prijs voor de wedloop.

7 TAT: En waar heeft hij deze dan tot stand gebracht?

8 HERMES: Hij heeft een groot mengvat, gevuldmet de krachten des geestes, omlaag gezonden, en een boodschapper aangewezen met de opdracht aan de harten de mensen te verkondigen: Dompel u onder in dit mengvat, gij zielen die dit kunt; gij die gelooft en vertrouwt dat ge zult opstijgen tot hem die dit mengvat omlaag gezonden heeft; gij die weet tot welk doel ge geschapen zijt.

9 Zovelen aan deze verkondiging gehoor gegeven hebben en door onderdompeling in de krachten des geestes gereinigd zijn, hebben deel gekregen aan de Gnosis, de levende kennis Gods, en werden, daar zij de geest ontvangen hadden, volmaakte mensen.

10 Zovelen echter tegen de verkondiging gezondigd hebben door haar geen gehoor te verlenen, zijn bij de grenzen van het verstand blijven staan, daar zij de krachten des geestes niet ontvangen hebben en niet weten tot welk doel zij geschapen zijn en door wie.

11 De op de zinnen berustende waarnemingen dezer mensen zijn nagenoeg gelijk aan die der redeloze dieren; en daar hun karakter een mengeling is van hartstocht en drift, hebben zij geen bewondering voor datgene wat overpeinzing en bezinning waard is, wijden zich aan de lusten en begeerten van het lichaam en geloven dat de mens daartoe tot aanzijn is gekomen.

12 Zovelen echter aan de gave Gods deel hebben gekregen, zijn, gelijk uit al hun werken blijkt, geen stervelingen meer, maar goddelijke mensen, die al wat op de aarde, en in de hemel, en wellicht boven de hemel is, met hun geestziel omvatten.

13 Zovelen zich aldus hebben verhoogd, hebben, het goede aanschouwend, door deze aanschouwing het verblijf hier op aarde als een rampspoed leren zien. Alle lichamelijke en onlichamelijke dingen verwerpelijk achtend haasten zij zich naar de Ene-en-enige.

14 Dit, 0 Tat: het openbaar worden van de geestziel, het gestalte krijgen der goddelijke dingen en de aanschouwing van God, zijn de gaven van het goddelijke mengvat.

15 TAT: Ook ik wil de onderdompeling daarin ondergaan, 0 Vader!

16 HERMES: Indien ge niet eerst uw lichaam haat, mijn zoon, kunt ge uw ware zelf niet liefhebben. Maar zo ge uw ware zelf liefhebt, zult ge de geestziel bezitten; en als ge eenmaal de geestziel bezit, zult ge ook deel hebben aan haar levende kennis.

17 TAT: Wat bedoelt ge daarmee, Vader?

18 HERMES: Het is onmogelijk, mijn zoon, én de stoffelijke én de goddelijke dingen aan te hangen. Daar er twee bestaanstoestanden zijn, namelijk het lichamelijke en het onlichamelijke, het sterfelijke en het goddelijke, zult ge tussen deze beide weloverwogen moeten kiezen, want men kan niet beide aanhangen. Zodra de keuze is gedaan, bewijst het minder worden van hetgeen werd afgewezen zich in de werkzame kracht van hetgeen verkozen werd.

19 Aldus toont de goede keuze haar glorie niet alleen door de vergoddelijking van de mens die haar deed, maar zij bewijst ook zijn aanhankelijkheid en toewijding aan God.

20 De slechte keuze daarentegen leidt tot de ondergang van de mens en is bovendien een zonde jegens God. Gelijk bij optochten de mensen zich midden op de weg voortbewegen en zelf niets kunnen doen, maar wel de anderen hinderen bij het gaan, zo doen ook dergelijke mensen niet anders dan op deze wijze door de wereld trekken, voortgedreven door hun lichamelijke begeerten.

21 Daarom, 0 Tat, hebben de gaven die van God uitgaan steeds tot onze beschikking gestaan en zij zullen dat immer blijven. Aan ons ervoor te zorgen dat hetgeen van ons uitgaat daarmee in overeenstemming is en niet daarbij achter staat. Want niet God is de oorzaak onzer boosheden, maar wij zelf, die ze verkiezen boven het goede.

22 Ziet ge in, mijn zoon, door hoeveel voertuiglijke toestanden, scharen demonen, sluiers der materie en sterrengangen wij heen moeten gaan, bij onze moeizame opgang naar de Ene-enenige? Het goede is niet als langs een gemakkelijke doorwaadbare plaats te bereiken. Het is grenzeloos en zonder einde en heeft met betrekking tot zichzelf ook geen begin, al moge het ons toeschijnen dat het zijn aanvang heeft in de Gnosis, de al-kennis Gods.

23 De Gnosis is dan ook niet het begin van het goede, maar zij schenkt ons het begin van datgene wat wij van het goede zullen leren kennen.

24 Laat ons dan dit begin aangrijpen en haastiglijk onze doorreis door al wat ons wacht volbrengen: want zwaar is het voorwaar het zo vertrouwde en al wat men heeft te verlaten om tot de aloude en eerste dingen terug te keren. Wat zichtbaar is schenkt verheugenis, het onzichtbare echter wekt ongeloof en twijfel. Voor het gewone oog is het boze welbekend en openbaar, het goede daarentegen onzichtbaar. Het heeft noch vorm, noch gestalte, het is onveranderlijk aan zichzelf gelijk en is daarom ongelijk aan al het overige. Daarom is het onlichamelijke onzichtbaar voor de lichamelijke mens.

25 Vanwege dit alles is wat zichzelf gelijk blijft, het onveranderlijke voortreffelijker dan het veranderlijke; en het veranderlijke arm in vergelijking met het onveranderlijke.

26 De eenheid, het een en ondeelbare, de oorsprong en de wortel aller dingen, is als zodanig in alle dingen aanwezig. Er is niets zonder oorsprong. De oorsprong echter, als uitgangspunt van al het overige, vindt zijn oorsprong slechts in zichzelf.

27 Het getal één sluit, als oorsprong, alle andere getallen in zich, zonder zelf door een dezer omsloten te worden. Het brengt alle getallen voort, zonder zelf door enig ander getal voortgebracht te zijn.

28 Al wat voortgebracht is, is onvolmaakt en deelbaar, het kan vermeerderen en verminderen. Het volmaakte heeft niets van dit alles.

29 Daar hetgeen kan vermeerderen zijn vermeerdering aan de eenheid ontleent, gaat het, zodra het aan de eenheid geen plaats meer kan bieden, aan zijn eigen zwakte te gronde.

30 Zo heb ik u dan, 0 Tat, voor zover dit mogelijk is, een beeld van God ten voorbeeld gesteld. Indien ge u daarin innerlijk zorgvuldig verdiept en het met de ogen van uw hart standvastig gadeslaat, zult ge, geloof mij, mijn zoon, de weg ten hemel vinden. Of juister nog: het beeld Gods zelf zal u op die weg leiden. De innerlijke gerichtheid op dit beeld heeft tengevolge dat zij hen die eens zulk een toekering hebben aangevangen, in haar macht gevangen houdt en hen tot zich opwaarts trekt, gelijk een magnetische steen het ijzer.

 
 

08. Achtste Boek - Hermes tot zijn zoon Tat: Dat de onzienlijke God het meest geopenbaard is

 

1. Ook van het volgende, 0 Tat, zal ik u de betekenis uitvoerig verklaren, opdat u de ogen mogen opengaan voor de mysteriën van God, die boven alle naam verheven is. Begrijp, in innerlijke aanschouwing, hoe hij, die voor de grote massa onzienlijk schijnt te zijn, voor u het meest geopenbaard zal worden.

2 Hij zou niet werkelijk zijn, indien hij niet onzienlijk was, want al wat zichtbaar is, is geworden, is eenmaal tot openbaarheid gekomen.

3 Het onwaarneembare echter is in alle eeuwigheid, het heeft niet van node zich te openbaren. Het is eeuwig en maakt alle andere dingen openbaar.

4 Het maakt alles openbaar, zonder zelf geopenbaard te worden: het brengt voort, zonder zelf voortgebracht te zijn; hij vertoont zich niet in enige waarneembare vorm, maar schenkt een waarneembare vorm aan alle dingen.

5 Slechts het geschapene heeft een waarneembare verschijning. Immers geboorte, wording, is niet anders dan in het zichtbare treden.

6 De Ene-zonder-geboorte is bijgevolg zowel zonder waarneembare verschijning als onzichtbaar; maar daar hij alle dingen vorm geeft, wordt hij door alles en in alles zichtbaar, en het meest voor hen aan wie hij zich wil openbaren.

7 Daarom, mijn zoon Tat, bid bovenal de Heer, de Vader, de Enige, dien niet de Ene, maar de oorsprong van de Ene is, het genadiglijk zo te beschikken dat ge deze God, die zo ontzaglijk groot is, zult mogen schouwen, al heeft hij nog slechts één zijner stralen over uw bewustzijn doen lichten.

8 Alleen het zelfbewustzijn ziet het onzienlijke, omdat het zelf onzienlijk is.

9 Indien ge het kunt, 0 Tat, zal hij voor de ogen van uw geestziel zichtbaar worden, want in milde overvloed vertoont de Heer zich in het ganse universum.

10 Zijt gij in staat uw zielebewustzijn te zien en het met uw handen te grijpen en het beeld van God bewonderend gade te slaan? Indien dan zelfs hetgeen in u is onzichtbaar voor u is, hoe zal God zelf dan in u zichtbaar worden door middel van uw stoffelijke ogen?

11.Indien ge hem wilt zien, richt dan uw bezinning op de zon, op de omloop der maan, op de wetmatige gang der sterren.

12 Wie bewaart daarvan de orde? - want iedere orde wordt nauwkeurig door getal en plaats bepaald.

13 De zon, de grootste der goden van het uitspansel, voor wie alle hemelse goden eerbiedig plaats maken als voor hun koning en heerser, deze ontzaglijk grote, groter dan de aarde en de zee, gedoogt dat kleinere sterren zich boven hem bewegen. Uit eerbied, of uit vrees, voor wie, mijn zoon?

14 Beschrijft niet ieder dezer sterren een gelijksoortige of zelfde weg in het uitspansel? Wie heeft voor ieder hunner de aard en grootte van hun baan bepaald?

15 Zie de Grote Beer, die om zijn eigen as wentelt en het ganse firmament in zijn omwenteling betrekt. Wie is de bezitter van dit werktuig? Wie heeft de zee haar grenzen gesteld? Wie heeft de aarde haar fundament verleend?

16 Het is, 0 Tat, de schepper en de Heer van het al. Geen plaats, noch getal, noch maat, als uitdrukking der kosmische orde, zou mogelijk zijn zonder hem die haar geschapen heeft. Iedere orde is het resultaat ener scheppende werkzaamheid. Slechts het ordeloze en mateloze bewijzen de afwezigheid daarvan.

17 Maar zelfs deze zijn niet zonder Heer, mijn zoon. Hoewel het ongeordende het wezen der orde mist, is het niettemin onderworpen aan hem die er nog niet zijn orde over heeft gesteld.

18 0, mocht het u gegeven zijn u, als op vleugelen, in het luchtruim te verheffen, en daar, tussen hemel en aarde, het vaste lichaam der aarde te aanschouwen, de uitgestrekte bewogenheid der zee, het stromen der rivieren, het vrije beweeg van de lucht, de felheid van het vuur, de loop der sterren, de snelheid van het uitspansel, en de om deze alle wentelende gang van het universum.

19 Hoe genadevol, mijn zoon, is deze aanschouwing, wanneer men al deze dingen van binnenuit als in een flits waarneemt: hoe het onbeweeglijke in beweging wordt gebracht en de onzienlijke zich openbaar maakt in en door de werken die hij gewrocht heeft. Zo is de orde van de schepping, en de schepping is de lofzang van de orde.

20 Zo ge God ook wilt waarnemen in en door de sterfelijke wezens die op de aarde en in de diepte zijn, overdenk dan, mijn zoon, hoe de mens in de moederschoot wordt opgebouwd; overweeg nauwkeurig de kunstvaardigheid van deze wording en leer wie de bouwheer is van deze schone en goddelijke beeltenis van de mens.

21 Wie heeft de bolvorm der ogen geboetseerd? Wie heeft de openingen der neusgaten en der oren geboord? Wie heeft de mond geopend? Wie heeft het netwerk van spieren en zenuwen gespannen en in het lichaam bevestigd? Wie heeft het kanalenstelsel der aderen gelegd? Wie heeft aan de beenderen vastheid geschonken? Wie heeft het vlees met een huid overkleed? Wie heeft de vingers gescheiden? Wie heeft de zool van de voeten verbreed? Wie heeft de uitgangswegen door het lichaam gegraven? Wie heeft de milt geplaatst? Wie heeft het hart zijn piramidale vorm gegeven? Wie heeft de lever verruimd? Wie heeft de longkamers poreus gemaakt? Wie heeft de buikholte haar ruimte verleend? Wie heeft de meest geachte delen in de openbaarheid geplaatst en de niet geachte in het verborgene?

22 Zie hoeveel kunstvaardigheid en hoeveel verschillende werkwijzen op één enkele materie zijn toegepast, hoeveel kunstwerken in één werkstuk zijn samengebracht, alle uitermate schoon, alle volmaakt van afmetingen, alle onderling verschillend.

23 Wie heeft al deze dingen gemaakt? Welke andere Moeder, welke andere Vader, dan de onzienlijke God, die dit alles naar zijn wil gewrocht heeft?

24 Niemand beweert dat een standbeeld of schilderstuk zonder beeldhouwer of schilder tot stand gekomen is. Zou dan deze schepping tot aanzijn zijn gekomen zonder schepper? 0 opperste verblindheid, 0 volstrekte Godverlorenheid, 0 dieptepunt van toegeslotenheid!

25 Bestrijd dan ook, 0 Tat, mijn zoon, de schepper nimmer de werken zijner handen. Beter en sterker nog dan uit de naam God spreekt zijn grootheid uit de aanduiding: Vader aller Dingen. Alleen hem komt het toe Vader te zijn. Ja, dit is in waarheid zijn openbarende daad.

26 En, zo ge mij noodzaakt iets nog stoutmoedigers te zeggen: zijn wezen is het, alle dingen te bevruchten en voort te brengen. Zoals zonder schepper niets tot aanzijn kan komen, zo zou de schepper de eeuwige niet zijn, indien hij niet eeuwiglijk schiep: in de hemel, in de lucht, op de aarde, in de diepte, in alle delen van het universum, in het ganse al, in datgene wat is en in datgene wat niet is.

27 Er is niets in het ganse al dat hij niet is. Hij is zowel datgene wat is, als datgene wat niet is. Al wat is heeft hij geopenbaard, en al wat niet is houdt hij in zich besloten.

28 Hij, God, is boven alle naam verheven; hij, de onzienlijke, die toch het meest geopenbaard is; hij, die door de geestziel wordt aanschouwd, maar ook voor de ogen waarneembaar is; hij, de onlichamelijke, die vele, ja alle lichamen heeft. Er is niets dat hij niet is, want al wat is, is hij. Daarom ook heeft hij alle namen, omdat zij uit de ene Vader zijn. Daarom ook heeft hij in het geheel geen naam, omdat hij de Vader is van het al.

29 Wie zou u te hoog of naar uw waarde kunnen geloven? Waarheen zal mijn oog zich richten, voor mijn lof? Omhoog, omlaag, naar binnen, of naar buiten? Er is geen weg, geen plaats, geen enkel schepsel, dat buiten u gelegen is; alles is in u, alles is uit u. Gij geeft alles en gij neemt niets, want gij bezit alles en er is niets, dat u niet toebehoort.

30 Wanneer zal ik u lof zingen? Want het is onmogelijk uw uur en uw tijd te grijpen.

31 En waarom zou ik u lof zingen? Om hetgeen gij geschapen hebt, of om hetgeen gij niet geschapen hebt? Om hetgeen gij geopenbaard hebt, of om hetgeen gij verborgen hebt gehouden?

32 En waarmee zou ik u lof zingen? Alsof iets mij toebehoorde! Alsof ik iets eigens bezat! Alsof ik een ander was dan gij!

33 Want gij zijt alles wat ik maar kan zijn. Gij zijt alles wat ik maar kan doen. Gij zijt alles wat ik maar kan zeggen. Gij zijt alles, er is niets dan gij.

34 Zelfs dat wat niet bestaat, zijt gij. Gij zijt alles wat geworden is, en alles wat niet geworden is. Gij zijt geest, als gij door de geestziel wordt aanschouwd. Vader, als gij het wereld-al gestaltenis geeft. God, als ge u als actieve, universele kracht openbaart. De goede, omdat gij alle dingen gewrocht hebt.

35 Het ijlste van de materie is lucht. Het ijlste van de lucht is de ziel. Het ijlste van de ziel is de geest. Het ijlste van de geest is God.

 
 

09. Negende Boek - Dat niets van hetgeen werkelijk bestaat verloren gaat, maar dat men in dwaling de veranderingen vernietiging en dood noemt

 

1 HERMES: Laat ons nu, mijn zoon, terzake van de ziel en het lichaam bespreken op welke wijze de ziel onsterfelijk is en van welke aard de kracht van samenhang en ontbinding van het lichaam is.

2 De dood heeft met deze dingen niets van doen. Dood, sterfelijkheid, is slechts een begrip, afgeleid van het woord onsterfelijkheid, hetzij als verdichtsel, hetzij doordat men de eerste lettergreep heeft laten wegvallen en van sterfelijkheid is gaan spreken.

3 Dood is vernietiging, maar niets van hetgeen er in de wereld is, wordt vernietigd. Immers, daar de wereld de tweede god is, een onsterfelijk wezen, is het uitgesloten dat enig deel van dit onsterfelijke wezen zou vergaan: alles in de wereld maakt deel uit van de wereld, bovenal de mens, het met verstand toegeruste wezen.

4 Voor en boven alles is God: de eeuwige, de ongeschapene, de schepper aller dingen. De tweede, de wereld, is door hem naar zijn gelijkenis geschapen, wordt door hem in stand gehouden en gevoed, en is met onsterfelijkheid begiftigd, daar zij, uit een eeuwige Vader voortgekomen, als onsterfelijk wezen eeuwigheidsleven bezit.

5 Eeuwigheidsleven moet goed onderscheiden worden van wat eeuwig is. Immers, de Eeuwige is niet uit enig ander wezen voortgekomen. En indien hij al geworden zou zijn, zo ware het door hem zelf. Doch hij is nooit geworden, maar brengt zich zelf voort, in eeuwige wording. Zo is het heelal eeuwig-levend vanuit de Eeuwige, maar de Vader is eeuwig uit zichzelf. De wereld is dus eeuwig-levend en goddelijk door de Vader.

6 Uit alle materie, die de Vader daartoe bestemd had, formeerde hij het lichaam der wereld, verleende het een bolvormige gedaante, bepaalde de eigenschappen die het zouden sieren en schonk het, daar de materie goddelijk was, eeuwige stoffelijkheid.

7 Nadat voorts de Vader de eigenschappen der soorten in de bol had uitgestraald, sloot hij ze erin op als in een grot, daar hij zijn schepping met alle eigenschappen wilde versieren.

8 Hij omgaf het gehele lichaam der wereld met onsterfelijkheid, opdat de materie niet, zo zij zich van de samenbindende kracht van het lichaam zou willen losmaken, tot de chaos, die haar eigen is, zou terugkeren.

9 Toen de materie nog niet tot een lichaam gevormd was, mijn zoon, was zij ongeordend. Zij geeft daarvan zelfs nog enigermate blijk door het vermogen toe te nemen en af te nemen, welk vermogen de mensen de dood noemen.

10 Deze ongeordendheid, deze terugkeer tot de chaos, doet zich slechts voor bij aardse schepselen. De lichamen der hemelse wezens behouden de orde die hun van den beginne door de Vader geschonken is. Deze orde wordt onvernietigbaar bewaard voor de terugkeer van ieder hunner tot de toestand van volmaaktheid.

11 De terugkeer der aardse lichamen tot hun vroegere toestand bestaat in de ontbinding der samenbindende kracht, die terugkeert tot de onontbindbare lichamen, dat wil zeggen: tot de onsterfelijke lichamen. Zo ontstaat er wel een wegvallen van het bewustzijn der zinnen, maar niet een vernietiging der lichamen.

12 Het derde levende wezen is de mens, die naar het beeld van de wereld geschapen is en naar de wil des Vaders boven de andere aardse dieren het verstand bezit. Hij is niet alleen innig verbonden met de tweede God, maar hij benadert, in innerlijke overpeinzing, ook het wezen van de eerste God. De tweede God neemt hij met de zintuigen als lichamelijk waar, terwijl zijn inzicht hem de eerste God als onlichamelijk en als geest, als het goede, doet onderkennen.

13 TAT: Wordt dit levende wezen dus niet vernietigd?

14 HERMES: Spreek blijde, juichende taal, mijn zoon, en begrijp wat God is, wat de wereld is, wat een onsterfelijk wezen is, en wat een wezen is dat aan ontbinding onderworpen is. Zie in dat de wereld, uit God geboren, in God is; dat de mens, uit de wereld geboren, in de wereld is; en dat God, de oorsprong van het al, alles in zich besloten houdt en bewaart.

 
 

10. Tiende Boek Dat het goede alleen in God en nergens anders te vinden is

 

1 Het goede, Asklepios, is uitsluitend in God, of juister: God is in alle eeuwigheid het goede. Vandaar dat het goede noodzakelijk grond en wezen is van alle beweging en van alle wording: er bestaat niets dat zonder het goede is. Het goede is omgeven door een statische openbaringskracht. in volmaakt evenwicht: de ganse volheid, de albron, de oorsprong aller dingen. Wanneer ik datgene wat in alles voorziet goed noem, bedoel ik het goede dat volstrekt en eeuwig is.

2 Deze eigenschap behoort uitsluitend bij God, daar er niets is dat hem ontbreekt, zodat geen begeerte naar bezit hem slecht kan maken. Er is niets dat hij zou kunnen verliezen en waarvan het verlies hem smart zou kunnen berokkenen, daar leed en smart deel zijn van het boze. Er is niets dat sterker is dan hij en dat strijd tegen hem zou kunnen voeren en het is evenmin in overeenstemming met zijn wezen dat hem smaad zou kunnen worden aangedaan. Niets overtreft hem in schoonheid en kan hem deswege tot de liefde der zinnen ontsteken. Niets kan hem gehoorzaamheid weigeren en hem daardoor in toorn doen ontbranden. Er is niets dat wijzer is dan hij en zijn na-ijver zou kunnen opwekken.

3 Daar dus geen dezer gemoedsbewegingen in het Alwezen gevonden wordt, is er in hem niets dan het goede. En gelijk geen der andere eigenschappen in een zodanig wezen kan voorkomen, evenzo is het goede in niemand anders te vinden.

4 Alle overige eigenschappen komen in alle wezens voor, zowel in de kleine als in de grote, in ieder van hen op een eigen wijze, en zelfs in de wereld, het grootste en machtigste van al het geopenbaarde leven: want al het geschapene is vol lijden*, daar de voortbrenging zelf een lijden is. Waar lijden is, is het goede beslist afwezig. Waar het goede is, is beslist geen enkel lijden. Waar het dag is, is het geen nacht, en waar het nacht is, is het geen dag. Daarom kan het goede niet in het geschapene wonen, doch alleen in het ongeschapene. Daar echter de materie van alle dingen deel heeft aan het ongeschapene, heeft zij ook deel aan het goede. In die zin is de wereld goed: in zoverre ook zij alle dingen voortbrengt is zij, als zodanig, goed. Maar in alle andere opzichten is zij niet goed: ook zij is aan lijden onderhevig, en veranderlijk, en de moeder van schepselen die aan lijden onderworpen zijn.

5 Bij de mens komt men tot goedheidsnormen door vergelijking met het kwaad. Het niet al te grote kwaad geldt hier als goed, en wat hier als goed geoordeeld wordt, is het kleinste deel van het kwaad. Het goede hier kan dus onmogelijk vrij zijn van de bezoedeling door het kwaad. Het goede wordt hier door het kwaad aangedaan en houdt aldus op goed te zijn. Zo verwordt het goede tot het boze. Aldus is het goede alleen in God, ja, God is het goede.

6 Bij de mensen, Asklepios, vindt men het goede slechts in naam, maar nergens als werkelijkheid. Dat is trouwens ook onmogelijk, daar het goede geen plaats kan vinden in een lichaam van materie dat aan alle zijden verstikt wordt door plagen en moeitevolle inspanningen, smarten en begeerten, driften en begoochelingen en denkbeelden der zinnen.

7 Het ergste van alles echter is, Asklepios, dat al datgene waartoe de dingen die ik noemde de mensen drijven, hier als het grootste goed wordt beschouwd, in plaats van als een buitengewoon kwaad. De begeertedrift van de buik, de aanstichtster van alle boosheden, is de dwaling die ons hier van het goede verwijderd houdt.

8 Daarom dank ik God voor wat hij aan mijn bewustzijn heeft geopenbaard aan kennis aangaande het goede, dat in de wereld niet te vinden is. De wereld is vervuld van de volheid van het kwaad, gelijk God vervuld is van de volheid van het goede, of het goede van de volheid van God.

9 Rondom het goddelijke inwezen straalt de schoonheid, die in het wezen Gods voorwaar in opperste reinheid en smetteloosheid woont. Laat ons het durven uitspreken, Asklepios: het wezen Gods, zo men daarvan spreken mag, is het schone en het goede.

10 Het schone en het goede zijn in hen die in de wereld zijn, niet te vinden. Alle dingen die waarneembaar zijn voor het oog, zijn schijngestalten en zoiets als schaduwbeelden. Maar al wat boven de zintuigen uitgaat, benadert het meest het wezen van het schone en het goede. En evenmin als het oog God vermag te aanschouwen, kan het het schone en goede schouwen. Deze zijn in volmaaktheid deel van God, hem en hem alleen eigen, onscheidbaar van zijn wezen, en uitdrukking van de hoogste liefde ván God en tót God.

11 Zo ge God kunt begrijpen, zult ge ook het schone en het goede begrijpen, in hun opperste stralingsheerlijkheid, geheel verlicht uit God. Die schoonheid is onvergelijkelijk, die goedheid is onnavolgbaar, evenals God zelf Naarmate ge God begrijpt, begrijpt ge ook het schone en het goede. Zij kunnen niet aan andere wezens worden overgedragen, omdat zij onscheidbaar zijn van God.

12 Als ge God zoekt, zoekt ge ook het schone, daar er slechts één weg is die van hier naar het schone leidt: een God dienend daadleven, aan de hand van de Gnosis.

13 Vandaar dat zij die zonder Gnosis zijn en het pad van de Godsvrucht niet bewandelen, het wagen de mens schoon en goed te noemen, hem die zelfs niet in zijn dromen gezien heeft wat het goede is, in de greep is van allerlei vormen van het kwade, het boze als goed beschouwt, en zo het kwade tot zich neemt zonder er ooit verzadigd van te geraken, vrezende ervan beroofd te worden en met alle macht ervoor strijdende het niet alleen vast te houden maar het zelfs te doen toenemen.

14 Zo, Asklepios, is het gesteld met de menselijke goedheid en de menselijke schoonheid. En wij kunnen ze noch ontvluchten, noch haten: want het bezwaarlijkste van alles is dat wij ze nodig hebben en zonder hen niet kunnen leven.

* Pathos: lijden. smart; ook het lijden van de ziel, ook het lijden door hartstocht; alle gemoedsbewegingen zijn in dit begrip besloten.

 

11. Elfde Boek: Over het verstand en de zintuigen

 

1 Gisteren, Asklepios, heb ik "het woord der volwassenheid" onderwezen. En nu acht ik het, in samenhang daarmee, noodzakelijk uitvoerig over de zintuiglijke waarneming te spreken. Men meent dat er tussen de zintuiglijke waarneming en de verstandswerking verschil bestaat, in die zin dat de ene stoffelijk is en de andere geestelijk.

2 Ik echter ben van oordeel dat beide ten nauwste verbonden zijn en geenszins verschillend, althans bij de mensen. Zo bij de overige dieren de zintuiglijke waarneming al aan de natuur gebonden is, bij de mensen is dit bovendien het geval met het verstand.

3 Het denkvermogen verhoudt zich tot de verstandswerking gelijk God zich verhoudt tot de goddelijke natuur. Immers, de goddelijke natuur wordt door God voortgebracht, en de verstandswerking door het denkvermogen, dat verwant is aan het Woord.

4 Of beter nog: de verstandswerking en het Woord zijn elkanders werktuigen, daar het Woord niet wordt uitgesproken zonder een verstandelijke werkzaamheid en de verstandelijke werkzaamheid niet openbaar wordt zonder het Woord.

5 De zintuiglijke waarneming en de verstandswerking komen dus te zamen, als het ware ineengevlochten, de mens binnen. Er is namelijk geen verstandswerking zonder zintuiglijke waarneming en geen zintuiglijke waarneming zonder verstandswerking.

6 Toch is het mogelijk zich een verstandswerking voor te stellen zonder directe zintuiglijke waarneming, zoals de voorstellingen die zich in dromen vertonen.

7 Ik ben van oordeel dat beide werkingen door het verschijnen der droombeelden worden gewekt.

8 De waarneming geschiedt zowel in het stoflichaam als in het astrale lichaam. Zodra beide delen der waarneming verenigd zijn, wordt de gedachte, in het verstand opgeroepen, door het bewustzijn verklankt.

9 Het verstand brengt alle gedachtebeelden voort: goede beelden, indien het de zaden van God ontvangen heeft, onheilige beelden, indien ze van een der demonen afkomstig zijn. Er is namelijk geen plaats ter wereld die zonder demonen is, dat wil zeggen: demonen die het licht van God missen. Zij dringen bij de mens binnen en zaaien er de kiemen hunner eigen werkzaamheid. Het verstand wordt dan met het gezaaide bevrucht: met overspel, moord, onheuse bejegening der ouders, heiligschennende daden, goddeloze handelingen, zelfmoord door ophanging of het zich neerstorten van de rotsen, en allerlei andere dingen die het werk der demonen zijn.

10 Wat de zaden Gods betreft, zij zijn weinig in getal, maar groot en schoon en goed. Men noemt ze deugd, matigheid en godzaligheid. Godzaligheid is de Gnosis, de kennis die van en bij God is. Wie deze kennis bezit is vervuld van al het goede en ontvangt zijn gedachten van God, welke geheel anders zijn dan die der massa.

11 Vandaar dat zij die in de Gnosis wandelen de massa niet behagen, en dat anderzijds de massa hun niet behaagt. Zij worden als dwaas beschouwd, zijn het voorwerp van gelach en spotternij en worden gehaat en veracht en soms zelfs vermoord, daar, zoals ik zei, het kwaad hier wel móet wonen, omdat het van hier afkomstig is. Zijn domein is dan ook de aarde en niét de wereld, zoals sommigen godslasterlijk beweren.

12 Hij echter die in eerbied en liefde tot God staat, zal alles verdragen, omdat hij deel heeft aan de Gnosis. Alles werkt voor zulk een mens ten goede, zelfs datgene wat voor anderen het kwade is. En als men hem hinderlagen legt, draagt hij alles als een offer op aan de Gnosis en doet hij, alleen, het kwade verkeren tot het goede.

13 Ik keer nu terug tot mijn bespreking van de waarneming. Het is dus de mens eigen de waarneming en de verstandswerking te doen samenvallen. Zoals ik reeds eerder zei beschikt echter niet iedere mens over het verstand; want er zijn twee soorten mensen: de stoffelijke mens en de geestelijke mens. De stoffelijke mens, verbonden met het kwaad, ontvangt, zoals ik zei, de kiem zijner gedachten van de demonen: de geestelijke mens is verbonden met het goede en wordt door God in zijn heil bewaard.

14 God, de Demi-Ourgos van het Al, formeert al zijn schepselen naar zijn gelijkenis. Doch dezen, naar hun oergrond goed, weken af in het gebruik hunner actieve kracht. Vandaar dat de tol der aarde, al vermalende, de geslachten in onderscheiden hoedanigheden voortbrengt, sommige bezoedelend met het kwade, andere reinigend door het goede. Want, Asklepios, ook de wereld heeft haar waarnemingsvermogen en haar verstandswerking, niet op de wijze der mensen, ook niet wat betreft hun verscheidenheid, maar uitnemender, eenvoudiger, waarachtiger.

15 De waarneming en het denkvermogen der wereld, als werktuig van de wil van God daartoe geschapen, geven alle dingen vorm en doen ze weer in zich zelf tenietgaan, opdat zij, terwijl zij alle zaden die zij van God ontvangen hebben in zich zelf bewaren, alle dingen overeenkomstig hun eigen taak en roeping zullen voortbrengen en, door ze weer te ontbinden, aan alle vernieuwing zullen schenken. Daarom verschaffen zij ze, na ze te hebben ontbonden, als een bekwaam gaardenier des levens vernieuwing, door ze zich op andere wijze te doen openbaren.

16 Er is niets dat niet van de wereld het leven ontvangen heeft. Terwijl zij alles tot aanzijn brengt, vervult zij het van leven. Zij is zowel de woonplaats als de schepper van het leven.

17 De lichamen zijn opgebouwd uit materie van onderscheidene geaardheid: ten dele uit aarde, ten dele uit water, ten dele uit lucht, ten dele uit vuur. Alle zijn samengesteld, het ene meer, het andere minder: de meer samengestelde zijn zwaarder, de minder samengestelde lichter.

18 De snelheid der vormopenbaring hier bewerkstelligt de bonte verscheidenheid der soorten, want de ononderbroken werkzame adem der wereld schenkt aan de lichamen bij voortduring nieuwe eigenschappen, alsmede de volheid van het leven.

19 Alzo is God de Vader der wereld, en de wereld is de schepper van al wat in haar is; de wereld is de Zoon van God, en al wat in de wereld is, is door de wereld geworden.

20 Terecht wordt de wereld dan ook "kosmos"(*) genoemd, want zij ordent en tooit het al door de verscheidenheid van het geschapene, door de continuïteit van het leven, door de onvermoeibaarheid der openbaringskracht, door de snelheid van het fatum, door de samenstelling der elementen en de ordening van alles wat tot aanzijn komt. De wereld wordt dus, zowel op grond van haar fundamentele wetten als vanwege haar bestiering, "kosmos" genoemd.

21 Zo komen de waarneming en het verstand bij alle levende wezens van buitenaf bij hen binnen, als op de adem van wat hen omringt. Maar de wereld heeft ze eens voor altijd, bij haar wording, van God ontvangen.

22 God is niet, zoals sommigen menen, van waarneming en verstand verstoken. Zij die zo spreken doen God, uit verkeerd begrepen eerbied, smaad aan, daar alle schepselen, Asklepios, in God zijn. Zij zijn door God geworden en van hem afhankelijk: of zij zich nu door stoflichamen openbaren, zich als zielewezens verheffen, door de geest levend zijn gemaakt, dan wel in het dodenrijk zijn opgenomen, zij zijn allen in God.

23 Juister nog is het te zeggen dat hij alle schepselen niet in zich heeft. maar hen in waarheid allen zelf is. Hij voegt hen niet van buitenaf aan zichzelf toe. maar brengt hen uit zijn eigen wezen voort en openbaart hen vanuit zichzelf.

24 Dit nu is de waarneming en de denkwerkzaamheid van God: de voortdurende beweging van het al; en nimmer zal er een tijd zijn dat ook maar iets van wat bestaat - dat is: enig deel van God - verloren zal gaan. God houdt alles in zichzelf besloten, niets is er buiten hem, en hij is in alles.

25 Indien ge deze dingen kunt omvatten, Asklepios. zult ge ze als waar onderkennen. Zoudt ge ze niét begrijpen. dan zullen ze u ongeloofwaardig voorkomen. Waarlijk begrijpen is levend geloof bezitten, terwijl afwezigheid van geloof afwezigheid van inzicht beduidt. Het is echter niet het verstand dat tot de waarheid reikt, maar de geestverbonden ziel, die de macht heeft, na eerst door het verstand tot deze weg geleid te zijn, naar de waarheid vooruit te snellen. En als zij dan het ganse al in een alomvattend schouwen overpeinst en bevindt hoe alles in overeenstemming is met wat het inzichtvolle verstand verklaarde, is haar geloof verheven tot weten en vindt zij in dit schone geloofsweten haar rust.

26 Hun, die de door mij hier verkondigde woorden, die uit God zijn, van binnenuit omvatten, zullen ze tot geloof zijn. Voor hen die levend inzicht missen, zijn zij tot ongeloof

(*) Letterlijk: orde, sieraad, tooi.

 

 

 

12. Twaalfde boek: De sleutel van Hermes Trismegistos (*)

 

1 HERMES: Gisteren heb ik mijn overpeinzingen uiteengezet aan u, Asklepios; en het is billijk die van heden aan Tat te wijden, omdat zij een samenvatting zijn van de algemene uiteenzettingen die ik hem gegeven had.
2 God, de Vader en het goede hebben dezelfde natuur, of, beter gezegd, dezelfde werkzame kracht.
3 Het woord "natuur" omvat al wat naar de wil van God tot aanzijn komt en groeit, zowel de beweeglijke en verander­lijke dingen als de onbeweeglijke en onveranderlijke, zowel de goddelijke als de menselijke.
4 De werkzame kracht is echter in de goddelijke en menselijke dingen verschillend, zoals wij elders hebben aangetoond; dit moet ge wel in het oog houden.
 5 Gods werkzame kracht is zijn wil, en zijn wezen is het verlangen alle dingen tot aanzijn te brengen. Wat is God, de Vader, het goede, anders dan de bestaansgrond aller dingen, zelfs van die welke thans nog niet bestaan? Voorwaar, God, de Vader, het goede, is de bestaansgrond van het al, en geen andere naam is zo op hem van toepassing. Ofschoon ook de wereld en de zon medeverwekkers van levende wezens zijn, zo zijn zij toch voor hen niet in gelijke mate als God de oorzaak van het goede en van het leven. En voor zover zij daarvan al de oorzaak zijn, zijn zij dit uitsluitend door de onontkoombare werking van de wil van het goede, zonder welke niets kan bestaan of tot aanzijn kan komen.
6 De Vader is de oorzaak van zijn kinderen, van hun ont­staan, groei en ontwikkeling; van de zon ontvangen zij de begeerte tot het goede, want het goede is de al-formeerder. Dit kan van niemand gezegd worden dan van hem die nimmer iets ontvangt, maar wenst dat alles zal bestaan.
7 Ik zeg niet, 0 Tat, "die alles maakt", want wie iets maakt schiet bij wijlen te kort door wisselvalligheid in hoedanigheid en hoeveelheid, of doordat hij de ene keer dit maakt en de andere keer het tegendeel. God, de Vader, het goede, echter is zelf het beslaan van het al.
8 Voor hem die in staat is te "zien", is het aldus: God wil het bestaan, en hij is het bestaan. En al wat is, is er, Tat, slechts ter wille van dit ene: dat het goede, overeenkomstig zijn wezensaard, zich bekend zal maken.
9 TAT: Gij hebt ons, 0 Vader, van deze heerlijke, schone visie geheel vervuld, zodat het oog van mijn gemoed door zulk een gerichte toekering de heiliging nader gekomen is.
10 HERMES: Zeker, want zulk een innerlijke visie op het goede is niet als de vurige straling van de zon, die door haar licht de ogen verblindt en ons dwingt ze te sluiten. Innerlijke overpeinzing werkt verlichtend, en dit te meer naarmate men voor de instroming van de inzicht schenkende straling ontvankelijk is. Zij werkt met grote kracht diep in ons door, zal nimmer schade doen en is geheel van goddelijkheid vervuld.
11 Zij die ten volle uit zulk een innerlijke visie kunnen putten, gaan dikwijls, in algehele verstilling van het lichaam, in de schoonste aanschouwing op, gelijk het geval was met onze voorvaderen Ouranos en Kronos.
12 TAT: Moge het ook met ons zo worden, Vader!
13 HERMES: Dat geve God, mijn zoon. Maar nu zijn wij aan zulk een aanschouwing nog niet toe. Wij zijn nog niet in staat de ogen van ons gemoed te openen en in de aanschouwing van de onvergankelijke en onvoorstelbare schoonheid van het goede op te gaan. Ge zult haar eerst zien als ge verleerd hebt over haar te spreken, want de Gnosis van het goede is zowel goddelijke stilte als de verstilling van alle zinnen.
14 Wie haar eenmaal gevonden heeft, kan voor niets anders meer aandacht hebben. Wie haar eenmaal aanschouwd heeft, kan voor niets anders meer oog hebben, noch naar iets anders luisteren en zelfs zijn lichaam deelt in deze onbewogenheid. Terwijl alle lichamelijke waarnemingen en stimulansen uit zijn bewustzijn verdwenen zijn, blijft hij in rust.
15 Als de Gnosis het ganse bewustzijn verlicht, doet zij ook de ziel weer opvlammen en verheft zij haar door haar van het lichaam los te maken. Zo transformeert zij de gehele mens tot zijn wezenlijke aard, daar de vergoddelijking van de ziel, die de aanschouwing van de schoonheid van het goede vergezelt, niet in het sterfelijke lichaam kan worden voltrokken.
16 TAT: Wat bedoelt u met vergoddelijking, Vader?
17 HERMES: Iedere afgescheiden ziel ondergaat veranderingen, mijn zoon.
18 TAT: En wat betekent "afgescheiden"?
19 HERMES: Hebt ge niet in mijn algemene uiteenzettingen vernomen, dat alle zielen, die in de gehele wereld rondwentelen, als uitgezaaid op de hun toegewezen plaatsen, uitgegaan zijn van de ene ziel, de al-ziel? Deze zielen ondergaan vele veranderingen, sommige in genadevolle opgang, andere in het tegendeel daarvan.
20 De kruipenden veranderen in waterbewoners, de waterbewoners in aardebewoners, de aardebewoners in luchtwezens, de luchtbewoners in mensen. En de mensen tenslotte gaan de onsterfelijkheid binnen door zich te veranderen in demonen en op te gaan in het koor der goden.
21 Er zijn twee koren van goden: het koor der beweeglijke of veranderlijke goden, en dat der onbeweeglijke of onveranderlijke goden.
22 Deze laatste staat is de volkomen en hoogste heerlijkheid der ziel.
23 Indien echter de ziel die in een menselijk lichaam is binnengegaan, in de zonde blijft, smaakt zij de onsterfelijkheid niet en heeft zij geen deel aan het goede, maar spoedt zij zich terug op de weg die achter haar ligt, de weg terug tot de staat van het kruipende gedierte. Aldus is de straf van de verzondigde ziel.
24 De boosheid der ziel is haar onwetendheid, haar gemis aan Gnosis, aan kennis die uit God is. Als de ziel onwetend is aangaande de wezenlijke dingen en hun aard en aangaande het goede en daarvoor geheel blind is, wordt zij heftig verstrikt en aangegrepen door lichamelijke passies.
25 De door boosheid aangegrepen ziel wordt, door het ontbreken van kennis aangaande haar eigen wezen, onderworpen aan vreemde en de mens onwaardige lichamen. Als een last torst zij het lichaam, waarover zij niet heerst, maar waardoor zij beheerst wordt. Zo is de boosheid van de ziel.
26 De deugd van de ziel daarentegen is de Gnosis, de levende kennis van God. Wie deze kennis bezit is goed en Gode gewijd, en reeds goddelijk.
27 TAT: Wat voor een mens is dat, Vader?
28 HERMES: Dat is een mens die weinig spreekt en aan weinig het oor leent.
29 Wie zijn tijd besteedt aan het houden en aanhoren van disputen, vecht tegen schaduwen. Immers, God, de Vader, het goede, laat zich noch uitspreken, noch door het gehoor vernemen.
30 Ofschoon alle wezens zintuigen hebben, omdat zij zonder deze niet kunnen bestaan, is de levende kennis van God zeer verschillend van de waarneming der zintuigen. Zintuiglijke waarneming ontstaat door invloeden of indrukken die macht over ons krijgen. De Gnosis echter is de voleinding der kennis, de kennis die een gave van God is.
31 Alle Gnosis is onlichamelijk. Het werktuig waarvan zij zich bedient is het gemoed, dat op zijn beurt het lichaam als werktuig heeft. Zo vinden zowel de gemoedswerkingen als de materiële werkingen in het lichaam plaats, daar uit tegenstelling en tegenstrijdigheid alles tot aanzijn moet komen. Op geen andere wijze is dat mogelijk.
32 TAT: Wie is dan de stoffelijke God?
33 HERMES: De wereld, die schoon en doeltreffend is, maar niet goed, daar zij stoffelijk is en zeer vatbaar voor lijden. Zij is de eerste van alles wat aan lijden onderworpen is en de tweede van alle wezens; en zij bestaat niet in zich zelf. Haar wording nam eens een aanvang; toch is zij eeuwig, omdat haar wezen eeuwige wording is. En het beweeg harer eeuwige wording is de schepping der hoedanigheden en der hoeveelheden, daar alle beweging der materie wording is, geboorte.
34 De goddelijke onbeweeglijkheid doet de beweging der materie ontstaan en wel als volgt: De wereld is bolvormig, als een hoofd. Er is niets materieels dat dit hoofd te boven gaat, zoals er niets geestelijks is beneden de voeten: alles is materie. De geest echter is ook bolvormig, evenals het hoofd dat op de wijze van een bol bewogen wordt. Alles nu wat in het hoofd het vlies raakt waarbinnen de ziel haar plaats vindt, is onsterfelijk, omdat het lichaam als het ware binnen de ziel geschapen is en de ziel meer is dan het lichaam. Alles echter wat verre is van dit vlies, is sterfelijk, daar het meer van het lichaam is dan van de ziel. Zo is dan al wat leeft, evenals het universum, uit materie en geest samengesteld.
35 De wereld is de eerste schepping; de mens is, na de wereld, het tweede levende wezen, maar hij is de eerste onder de stervelingen. Met de overige levende wezens heeft hij het bezielde element gemeen. Hij is niet alleen niet meer goed, maar zelfs boos, vanwege zijn sterfelijke staat.
36 De wereld is niet goed omdat zij beweegt, doch zij is niet in het boze omdat zij onsterfelijk is.
37 De mens echter is tweevoudig in het boze, omdat hij zowel beweeglijk als sterfelijk is.
38 De ziel van de mens openbaart zich op de volgende wijze: het bewustzijn in het verstand, het verstand in de begeertekracht, de begeertekracht in het levensfluïde; het levensfluïde verspreidt zich door de slagaderen, de aderen en het bloed, brengt het dierlijke schepsel in beweging en draagt hem als het ware.
39 Daarom menen sommigen dat de ziel het bloed is. Aldus miskennen zij evenwel beider natuur. Zij weten namelijk niet dat eerst het levensfluïde zich in het begeertelichaam terugtrekt, dat het bloed vervolgens gaat stollen en dat, wanneer dan de slagaderen en de aderen zich ontledigd hebben, dit het schepsel doet sterven. Aldus voltrekt zich de dood van het lichaam.
40 Alles steunt op één beginsel, dat zelf weer uit de Ene en Enige is.
41 Dit beginsel wordt bewogen, opdat het op zijn beurt weer beweeggrond zal zijn van het al. Het Ene echter is onveranderlijk en onbeweeglijk.
42 Zo zijn er dus deze drie: God, de Vader, het goede; de wereld, en de mens. God houdt de wereld omsloten, de wereld de mens. De wereld is de zoon van God; de mens is de zoon der wereld, als het ware de kleinzoon van God.
43 Het is niet zo dat God de mens niet zou kennen. Integendeel, hij kent hem volkomen en wil door hem gekend worden.
44 Dit alleen is bevrijdend, reddend, genezend voor de mens: de Gnosis, de kennis van en bij God. Zij is het pad tot het bestijgen van de Olympus. Alleen door haar wordt de ziel waarlijk goed. Niet nu eens goed en dan weer slecht, maar goed uit innerlijke noodzaak.
45 TAT: Wat wilt ge daarmee zeggen, 0 Trismegistos?
46 HERMES: Denk eens aan de ziel van een kind, mijn zoon. Als de afscheiding van het zelf nog niet volkomen is, het lichaam nog klein is en zijn volle wasdom nog niet heeft bereikt, hoe schoon is het dan voor het oog. Het is dan nog niet door de passies van het lichaam bezoedeld en nog in grote mate verbonden met de wereldziel.
47 Als echter het lichaam volgroeid is en de ziel omlaag getrokken wordt in de lasten van het lichaam, wordt de afscheiding van het zelf volkomen en vervalt de ziel tot vergetelheid. Zij heeft dan geen deel meer aan het schone en het goede. En de vergetelheid baart haar het kwaad.
48 Hetzelfde geschiedt ook bij hen die het aardse lichaam verlaten. Als dan de ziel in zichzelf teruggekeerd is, trekt de levensadem zich samen in het bloed, terwijl het ik zich samentrekt in de levensadem. Maar als de geestziel zich van haar omhullingen heeft gereinigd en, goddelijk van aard als zij is, een vurig lichaam heeft aangenomen, doorkruist zij de gehele ruimte en laat de stof over aan het oordeel.
49 TAT: Hoe bedoelt ge dat, Vader? U zei toch dat het gemoed gescheiden wordt van de ziel en de ziel van de levensadem, terwijl ge ook gezegd hebt dat de ziel het kleed is van het gemoed, en de levensadem het kleed van de ziel?
50 HERMES: Wie luistert, mijn zoon, moet één van bewustzijn zijn met wie tot hem spreekt, en deze in zijn gedachten volgen. Zijn gehoor moet zelfs scherper en sneller zijn dan de stem van hem die spreekt.
51 Het samenstel der onthullingen, mijn zoon, komt tot stand in het aardse lichaam, daar het gemoed, vanwege zijn wezenheid, zich onmogelijk onbekleed in een aards lichaam kan vestigen. Immers, het aardse lichaam kan een zo grote goddelijkheid niet dragen, noch kan een zo heerlijke, reine kracht het verdragen in directe aanraking verbonden te worden met een aan passies onderhevig lichaam.
52 Daarom heeft de geest zich met de ziel omhuld; de ziel, die in zeker opzicht ook goddelijk is, maakt zich de levensadem dienstbaar, terwijl de levensadem tenslotte het schepsel bestuurt.
53 Als nu de geestziel zich heeft losgemaakt van het aardse lichaam, neemt zij onmiddellijk het kleed aan dat haar eigen is, het kleed van vuur, dat zij niet vermocht te behouden toen zij zich in het aardse lichaam woning maakte. De aarde kan namelijk het vuur niet verdragen: één vonkje reeds is in staat haar geheel in vlammen te doen opgaan. Daarom is de aarde geheel omgeven door water, dat haar als een bolwerk tegen de vlammen van het vuur beschermt.
54 De geest, de snelste van alle goddelijke gedachtescheppingen, heeft als lichaam ook het snelste van alle elementen: het vuur. De geest, als schepper aller dingen, gebruikt het vuur als werktuig voor zijn scheppingsarbeid.
55 Het universele denken schept aldus het al. Het denken van de mens schept alleen wat van de aarde is. Daar het denkvermogen der mensen geen vuurkleed bezit, is het niet in staat goddelijke dingen tot aanzijn te brengen en wordt het door zijn voertuiglijkheid beperkt tot wat des mensen is.
56 De menselijke ziel - echter niet iedere ziel, maar de waarlijk aan God gewijde - is in zekere zin goed-demonisch en goddelijk. Als een dergelijke ziel zich van het lichaam heeft losgemaakt, na de weg tot de ware godsvrucht gegaan te zijn - welke weg tot het kennen van het goddelijke leidt en het zich onthouden van onrecht of schade jegens enig mens - wordt zij volkomen geestziel.
57 De goddeloze ziel daarentegen verandert niet van aard, beknot en straft zich zelf en zoekt een nieuw aards lichaam dat zij kan binnengaan; maar: een menselijk lichaam, daar geen ander lichaam een menselijke ziel zou kunnen huisvesten. Het goddelijke bestel gedoogt niet dat een menselijke ziel zich zou verlagen tot het bewonen van het lichaam van een redeloos dier. Dit is een wet van God, die de menselijke ziel beschermt tegen een zo grote smaad.
58 TAT: Maar hoe wordt de menselijke ziel dan gestraft, Vader?
59 HERMES: Is er, mijn zoon, groter straf voor de menselijke ziel dan de goddeloosheid? Welk vuur is zo verterend als de vlam der goddeloosheid? Welk wild gedierte richt het lichaam zo te gronde als de goddeloosheid het de ziel doet? Ziet ge niet in wat al pijnen de goddeloze ziel te doorlijden heeft wanneer zij, om hulp schreeuwend, uitroept: "Ik verbrand, de vlammen verzengen mij. Ik weet niet wat ik zeggen of doen moet. Ik, rampzalige, die verteerd wordt door de boosheden die mij beheersen. Ik zie niets meer, ik hoor niets meer. "
60 Zijn dit niet de kreten van een ziel die gestraft wordt? Gij, mijn zoon, zult toch niet, zoals de massa, geloven dat de ziel na het verlaten van het lichaam de gestalte van een dier aanneemt? Dat is namelijk een zeer grote vergissing.
61 De ziel wordt namelijk op de volgende wijze gestraft: steeds als de geest een demon is geworden, is hij gehouden tot dienst aan God een vurig lichaam aan te nemen; en als dan deze demon in een zeer goddeloze ziel is binnengegaan, tuchtigt hij deze met de gesels der zonden; onder deze geselingen stort zich dan de goddeloze ziel in allerlei menselijke boosheden, zoals moorden, laagheden, goddeloosheden en allerlei gewelddadigheden.
62 Indien echter de geest binnengaat in een godvruchtige ziel, leidt hij haar naar het licht van de Gnosis. Een dergelijke ziel wordt het nimmer moe juichende Gods lof te verkondigen en, in navolging van de Vader, op allerlei wijzen, in daden en woorden, alle mensen goed te doen.
63 Daarom, mijn zoon, moet ge, in uw dankzegging tot God, hem bidden een edele geest te mogen ontvangen. Aldus gaat de ziel op tot hoger goed en wordt een neergang haar onmogelijk.
64 Er bestaat een gemeenschap der zielen: de zielen der goden staan in binding met die der mensen, de zielen der mensen met die der redeloze wezens. De hogere wezens zijn gesteld over de lagere: de goden over de mensen, de mensen over de redeloze levensvormen. En God zorgt voor allen: hij staat boven allen; allen zijn minder dan hij.
65 De wereld is dus ondergeschikt aan God, de mens aan de wereld, het redeloze wezen aan de mens; en God staat boven alles en allen, en omvat alles in zijn zorg.
66 De zich actief openbarende krachten Gods zijn de stralen van zijn zon. De krachten der natuur zijn de stralingswerkingen der wereld. De handvaardigheid en de kennisdrang zijn de stralingswerkingen van de mens.
67 De stralingskrachten Gods openbaren zich door de wereld en werken in op de mens door middel van de natuurlijke stralingen der wereld; de natuurkrachten openbaren zich door middel van de elementen; de mensen door middel van hun handvaardigheden en kennisdrang.
68 Aldus wordt het al bestuurd, overeenkomstig het wezen van de Ene, wiens geest alles doordringt.
69 Er is niets verhevener en werkzamer dan zijn geest, niets wat de eenwording der mensen met de goden en der goden met de mensen meer bevordert. Zijn geest is de goede demon. Gelukzalig de ziel die van hem geheel vervuld is; rampzalig de ziel die van hem geheel verstoken is.
70 TAT: Wat wilt u daarmee zeggen, Vader?
71 HERMES: Meent ge, mijn zoon, dat iedere ziel de geest van het goede heeft? Want van déze geest spreek ik nu, en niet van de ondergeschikte geest waarover ik hiervoor sprak en die door de goddelijke gerechtigheid omlaag gezonden wordt.
72 Zonder de geest kan de ziel noch spreken, noch handelen. Dikwijls vlucht de geest van de ziel weg en in deze toestand ziet de ziel niets, hoort zij niets en gelijkt zij op een redeloos dier. Zo groot is de potentiële macht van de geest. Maar de geest verdraagt geen ziel die onmachtig is te verstaan, en laat haar achter, gebonden aan het lichaam en door het lichaam hierbeneden beroofd van haar stem.
73 Zulk een ziel, mijn zoon, bezit geen geestbinding en zulk een wezen kan men zelfs geen "mens" meer noemen, daar de mens een goddelijk wezen is, dat niet vergeleken moet worden met andere op de aarde levende schepselen, doch met hen die uit den hoge zijn, de hemelsen, die goden worden genoemd.
74 Of juister nog, zo wij het mogen wagen de waarheid uit te spreken: de mens die waarlijk "mens" is staat boven de goden, of is tenminste hun volstrekt gelijke in vermogen.
75 Immers, geen der hemelse goden zal de grens des hemels verlaten om af te dalen tot de aarde. De mens evenwel heft zich op tot in de hemel en meet hem. Hij kent zowel de verhevenheden des hemels als de dingen die beneden zijn; hij neemt alles met grote nauwkeurigheid in zich op en, het meest groots boven al: hij behoeft, om zich in de hemelen te verheffen, de aarde niet te verlaten. Zo weids en groots is wat zijn bewustzijn omspant.
76 Laat ons daarom durven zeggen: de aardse mens is een sterfelijke god, de hemelse god is een onsterfelijke mens.
77 Daarom openbaart zich alles door middel van deze twee: de wereld en de mens, maar alle dingen zijn uit de Ene.

 

* De lezer houde in gedachte dat het twaalfde boek wellicht het meest geschonden is van alle hermetische geschriften.

 

 
 

13. Dertiende Boek: Hermes Trismegistos tot Tat: Over het algemene gemoed

 

I Hermes: Het gemoed, 0 Tat, is uit Gods wezen zelf, zo er althans van het wezen Gods sprake kan zijn: hoe dit ook zij, slechts het gemoed kent zichzelf volkomen.

2 Daarom is het gemoed niet te onderscheiden van het wezen Gods; het gaat van deze bron uit, zoals het licht uitgaat van de zon.

3 In mensen is dit gemoed goed; daarom zijn sommige mensen goden: hun menselijke staat komt de goddelijke staat zeer nabij. De goede demon heeft de goden dan ook onsterfelijke mensen genoemd en de mensen sterfelijke goden. In redeloze wezens is het gemoed de natuur. Maar waar een ziel is, daar is ook het gemoed, zoals er overal waar leven is ook een ziel is. In redeloze wezens echter is de ziel slechts leven, leeg van gemoed. Want het gemoed is een weldoener van de zielen der mensen: het bewerkt en vormt hen om wille van het goede.

4 In redeloze wezens werkt het samen met ieders natuurlijke geaardheid; in de zielen der mensen echter werkt het die tegen.

5 Iedere ziel die in een lichaam is binnengegaan, wordt terstond door smart en lust gekweld, daar in het verdichte lichaam smart en lust als een brand vloeien, waarin de ziel wordt ondergedompeld en waarin zij verdrinkt.

6 Als het gemoed zodanige zielen leiding kan geven, doet het zijn licht tot hen uitgaan en verzet het zich tegen hun neigingen. Evenals een goede geneesheer datgene wat ziek is in het lichaam wegbrandt of wegsnijdt, zo doet het gemoed de ziel lijden door haar weg te voeren uit de lust, die de oorzaak is van geheel haar ziektestaat.

7 De grote ziekte van de ziel is evenwel haar verloochening van God en het daaruit voortvloeiende dwalingvolle denken, dat alle boosheden doet ontstaan en niets goeds. Daarom verschaft het gemoed, door deze ziekte te bestrijden, aan de ziel wederom het goede, zoals de geneesheer aan het lichaam de gezondheid terug schenkt.

8 De menselijke zielen, die zich echter niet door het gemoed laten leiden, bevinden zich in dezelfde toestand als de zielen van de redeloze dieren. Het gemoed werkt met hen mee en laat de vrije teugel aan hun begeerten, waarnaar ze worden meegesleept door de hevigheid van het lustverlangen dat ze in hun redeloze toestand najagen. Als redeloze wezens geven zij zich onophoudelijk onbeteugeld aan hun drift en begeerte over en zijn nooit verzadigd van hun zonden, daar de redeloze werkingen van driften en begeerten een grenzeloos kwaad vormen.

9 Over deze zielen heeft God de wet als tuchtmeester gesteld, opdat zij zich van hun boosheid bewust zouden worden.

10 Tat: Door dit alles schijnt mij, 0 Vader, hetgeen ge mij tevoren over het fatum hebt gezegd geheel weerlegd te worden. Indien een mens volstrekt voorbeschikt is echtbreuk of heiligschennis of enige andere misdaad te plegen, zal hij dan gestraft worden, hoewel hij de daad heeft verricht onder de dwingende greep van het fatum?

11 Hermes: Alles, mijn zoon, is het werk van het fatum, zonder hetwelk er met betrekking tot de lichamelijke dingen niets kan geschieden, noch ten goede, noch ten kwade. Het is evenzeer door het fatum dat ook wie het schone en goede heeft gedaan daarvan de gevolgen ondervindt; daarom handelt een ieder om, al naar de aard van zijn handelingen, ervaring op te doen.

12 Maar laat ons nu niet meer spreken over de zonde en het fatum, die wij immers elders reeds hebben behandeld. Wij spreken nu over het gemoed en over zijn vermogens, en hoe deze verschillend uitwerken in mensen en in redeloze wezens, op welke laatsten het zijn weldoende werkingen niet geldend kan maken; in de mensen echter dooft het de driften en begeerten uit. Bij mensen dient men onderscheid te maken tussen hen die het gemoed bezitten en hen die geen binding met het gemoed hebben. Alle mensen zijn onderworpen aan het fatum, aan geboorte en verandering; want deze zijn het begin en het einde van het fatum.

13 Alle mensen ondergaan dus de besluiten van hun lotsbestemming, maar zij die de rede volgen, zij die, zoals wij zeiden, door het gemoed worden geleid, ondergaan ze niet als de anderen. Daar zij zich van het boze hebben losgemaakt, ondergaan zij ze niet als een kwaad.

14 Tat: Wat wilt u dus zeggen, Vader: is de echtbreker niét slecht? Is de moordenaar niét slecht? En evenmin alle anderen?

15 Hermes: Mijn zoon, een mens die de rede tot gids heeft zal toch, evenals een echtbreker en een moordenaar, het lijden kennen dat aan echtbreuk en moord verbonden is, hoewel hij geen echtbreuk pleegt en geen moord bedrijft. Het is onmogelijk te ontkomen aan de veranderlijkheid, en evenmin aan geboorte; maar wie het gemoed bezit kan zich bevrijden van het kwaad.

16 Daarom, mijn zoon, heb ik te allen tijde geluisterd naar het woord van de goede demon[1]. Indien hij het op schrift beschikbaar had gesteld, zou hij het menselijke geslacht een grote dienst bewezen hebben. Alleen hij, mijn zoon, heeft waarlijk goddelijke woorden gesproken, daar hij, als eniggeboren God, alles doorschouwt. Zo hoorde ik eens dat hij zei dat al het geschapene één is, en in het bijzonder de belichaamde wezens, die met verstand begiftigd zijn, dat wij leven uit potentiële kracht, door werkzame kracht en door het eeuwigheidswezen. Daarom is het gemoed, evenals de ziel ervan, goed.

17 Bijgevolg zijn de dingen des geestes ongescheiden en is het gemoed, dat over alle dingen heerst en de ziel van God is, in staat te doen al wat het wil. Denk hierover eens na en breng wat ik nu zei in verband met de vraag die ge mij eerder gesteld hebt over het fatum en het gemoed. Indien ge nu afziet van twistziek woordenspel, zult ge bevinden, mijn zoon, dat het gemoed, de ziel van God, waarlijk over alles heerst: over het fatum, over de wet en al het overige, en dat niets hem onmogelijk is. Het is in staat de menselijke ziel boven het fatum te verheffen, doch evenzo, indien zij in verzuim is geweest, haar aan het fatum te onderwerpen. Ziedaar de uitnemende dingen die de goede demon gesproken heeft.

18 Tat: Dit zijn goddelijke, ware en verhelderende woorden, Vader. Maar wil mij ook nog het volgende verklaren. Ge hebt gezegd dat het gemoed in redeloze wezens al naar hun geaardheid en overeenkomstig hun aandriften werkt. Nu meen ik dat de aandrift van redeloze wezens hartstocht (pathos) is. Als het gemoed met de aandriften samenwerkt, en deze laatste hartstochten zijn, is dan ook het gemoed een hartstocht, daar het door pathos wordt aangedaan?

19 Hermes: Heel goed, mijn zoon. Uw vraag is scherpzinnig. En het is juist dat ik haar beantwoord. Al het onlichamelijke in een lichaam is aan pathos (passie, lijden) onderhevig, en is, strikt genomen, zelf hartstocht (pathos). Al wat beweging voortbrengt, is onlichamelijk. Al wat bewogen wordt, is lichaam. Het onlichamelijke wordt ook zelf bewogen, en wel door het gemoed. En ook deze beweging is hartstocht (pathos). Beide zijn dus onderhevig aan lijden (pathos), zowel wat beweging voortbrengt als wat bewogen wordt. Het een omdat het beweging oplegt, het andere omdat het aan de bewegingsimpuls onderworpen is. Als het gemoed zich evenwel van het lichaam losmaakt, maakt het zich ook los van het lijden (pathos, hartstocht). Beter is het misschien te zeggen, mijn zoon, dat niets zonder pathos (lijden) is, maar dat alles er aan onderworpen is. Pathos (lijden) is ongelijk aan pathos ondergaan. Het een is actief, het andere is passief. Lichamen zijn ook uit zichzelf werkzaam. Ze zijn óf bewegingloos, óf ze worden bewogen. In beide gevallen is er pathos.

20 Het onlichamelijke wordt immer tot werkzaamheid gestuwd en is dientengevolge aan lijden onderworpen. Laat u dus niet door woorden misleiden: werkzame kracht en pathos (lijden) zijn een en hetzelfde. Maar er is niets tegen er de zuiverste, gunstigste naam voor te gebruiken.

21 Tat: Uw uitleg is zeer duidelijk geweest, Vader.

22 Hermes: Bedenk voorts nog, mijn zoon, dat God aan de mens, als enige onder alle sterfelijke wezens, twee gaven heeft geschonken: het gemoed en het woord, die gelijkwaardig zijn aan de onsterfelijkheid. Indien de mens van deze gaven het juiste gebruik maakt, zal hij in niets van de onsterfelijken verschillen. Meer nog: hij zal zich van het lichaam vrijmaken en door deze beide geleid worden tot het koor der goden en gelukzaligen.

23 Tat: Gebruiken andere levende wezens het woord niet, Vader?

24 Hermes: Zij beschikken slechts over een geluid, een stem. Het woord, de spraak, verschilt zeer van de stem. Alle mensen hebben het woord gemeen, maar alle andere levende wezens hebben een geheel eigen stem, of geluid.

25 Tat: Maar de taal van de mensen verschilt toch ook naargelang van de volkeren?

26 Hermes: De talen verschillen inderdaad, mijn zoon, maar toch vormt de mensheid een eenheid. En ook het woord is een. Als het van de ene taal in de andere wordt overgebracht, blijkt het zowel in Egypte als in Perzië en Griekenland gelijk te zijn. Het komt mij voor, mijn zoon, dat ge het wonder en de machtige betekenis van het woord nog niet begrijpt. De gelukzalige God, de goede demon, heeft gezegd dat de ziel in het lichaam is, het gemoed in de ziel, het woord in het gemoed, en dat God dus de Vader is van al deze. Het woord is dus het beeld en het gemoed van God, het lichaam is het beeld van de idee, de idee is het beeld van de ziel.

27 Zo is het ijlste van de materie de lucht (ether), het ijlste van de lucht is de ziel, het ijlste van de ziel is het gemoed, en het ijlste van het gemoed is God.

28 God omvangt en doordringt alles, het gemoed omvangt de ziel, de ziel omvangt de lucht (ether), de lucht omvangt de materie.

29 Het fatum, de voorzienigheid en de natuur zijn werktuigen van de kosmische orde en van de ordening der materie. Alles wat met geest is toegerust, is wezenlijk, en hun wezenlijk­heid is identiek, Ieder der lichamen echter waaruit het al is samengesteld, is meervoudig van aard: de identiteit der samengestelde lichamen, daarin bestaande dat zij van de ene vorm in de andere veranderen, bewaren zij in onvergankelijkheid.

30 Bovendien hebben alle samengestelde lichamen een geheel eigen getal, daar er zonder getal geen samengesteldheid, geen samenvoeging en geen ontbinding tot stand zou kunnen komen. Het zijn de eenheden die het getal voortbrengen, dat hen tot veelvouden maakt; en die, als het getal zich ontbindt, de samenstellende delen weer in zich opnemen, terwijl de materie één (enkelvoudig) blijft.

31 Welnu, deze gehele wereld, deze grote godheid, die het beeld is van Hem die nog groter is, en met wie hij een is en met wie hij de orde en de wil des Vaders bewaart, is de volheid van het leven. Er is niets in hem, dat, hetzij in zijn algemeenheid, hetzij in enig deel ervan, door de gehele eonenlange gang van terugkeer, welke de Vader heeft verordineerd, geen leven heeft. Nimmer was er, is er of zal er ooit in de wereld iets zijn dat dood is.

32 De Vader heeft gewild dat de wereld levend zal zijn zolang zij haar samenhang bewaart; daarom is de wereld noodzakelijk God.

33 Hoe zou het ook mogelijk zijn, mijn zoon, dat er in God, in Hem die het beeld van het al is, in Hem die de volheid des levens is, iets als de dood zou zijn? Want dood is bederf, en bederf is vernietiging. Hoe kan men dan menen dat een deel van wat onbederfelijk is tot bederfelijkheid zou komen, of dat iets van God vernietigd zou kunnen worden?

34 Tat: Vader, sterven dan levende wezens niet, ofschoon zij in de wereld zijn en deel van haar zijn?

35 Hermes: Zeg het niet aldus, mijn zoon, want zo wordt ge misleid door de woordaanduiding van hetgeen er gebeurt. Levende wezens sterven niet, maar hun lichamen, die samengesteld zijn, worden ontbonden. Deze ontbinding is geen dood, maar de opheffing van een samengesteldheid. Deze ontbinding is niet bedoeld als vernietiging, maar als nieuwe wording, vernieuwing. Want wat is de werkzame kracht van het leven? Toch zeker beweging? En wat is er in de wereld ónbeweeglijk? Niets, mijn zoon!

36 Tat: Maar acht u de Aarde dan niet onbeweeglijk, Vader?

37 Hermes: Neen, mijn zoon, zij alleen is tegelijkertijd veelvuldig van beweging en duurzaam. Zou het niet belachelijk zijn te veronderstellen dat de voedster van het al, die alles geboorte geeft en doet groeien, onbeweeglijk is? Immers, zonder beweging zou er niets tot geboorte kunnen komen. Het is zeer dwaas te vragen, zoals ge doet, of het vierde deel van de wereld werkeloos zou zijn: want een onbeweeglijk lichaam betekent niet anders dan werkeloosheid.

38 Weet dan, mijn zoon, dat al wat er in de wereld is, zonder uitzondering bewogen wordt, hetzij om af te nemen, hetzij om toe te nemen. En wat in beweging is leeft, en het is de heilige wet dat niets dat leeft aan zichzelf gelijk, dus onveranderd blijft. In haar algemeenheid gezien is de wereld onveranderlijk, maar al haar scheppingen veranderen, zonder evenwel te vergaan of vernietigd te worden. Het zijn alleen de woorden, de namen, die de mensen in verwarring brengen en verontrusten.

39 Het leven bestaat niet uit geboorte, maar uit bewustzijn; en verandering is geen dood, maar een vergeten.

40 Aldus beschouwd is alles onsterfelijk: de materie, het leven, de adem, de ziel, de geest, het verstand, het instinct, alles waar ieder levend wezen uit samengesteld is.

41 Ieder levend wezen is in deze zin onsterfelijk. Maar het meest van allen de mens, die in staat is God te ontvangen en één met Hem te zijn. Slechts met dit levende wezen verkeert de Godheid. Des nachts door dromen, des daags door tekenen, voorspelt zij hem op velerlei wijzen de toekomst: door vogels, door ingewanden, door de lucht, door de eik, waardoor het de mens gegeven is het verleden, het heden en de toekomst te kennen.

42 Let ook hierop, mijn zoon, dat ieder der andere levende wezens slechts in één deel der wereld verblijft: de waterbewoners in het water, de landbewoners op het vasteland, de gevleugelde dieren in de lucht. De mens echter verkeert met alle elementen: met de aarde, met het water, met de lucht en met het vuur, en zelfs met de hemel, hij komt met de hemel in aanraking en neemt hem met toenemende kennis en inzicht waar.

43 God houdt alles omvangen en doordringt alles: want Hij is zowel de actieve kracht als de passieve kracht van het al. Het is dan ook in het geheel niet moeilijk God te begrijpen.

44 Indien ge God al nadenkend wilt benaderen, aanschouw dan de orde der wereld, en de schoonheid van deze orde. Aanschouw de noodzakelijkheid van alles wat ge aldus waarneemt en de voorzienigheid, die over verleden en heden heerst. Zie hoe de materie geheel van leven vervuld is, en hoe de beweging van deze ontzaglijke Godheid met alle goeden en schonen werkt: met goden, demonen en mensen.

45 Tat: Maar dat zijn krachtwerkingen, Vader!

46 Hermes: Indien dit slechts krachtwerkingen zijn, mijn zoon, door wie worden ze dan teweeggebracht? Door een andere Godheid? Ziet ge niet in dat, zoals de hemel en het water en de aarde en de lucht delen van de wereld zijn, het leven en de onsterfelijkheid, het bloed, het fatum, de voorzienigheid, de natuur, de ziel en de geest aanzichten van God zijn, en dat de duurzaamheid van dit alles het goede wordt genoemd? Er is dus niets, noch in het heden, noch in het verleden, waarin God niet tegenwoordig is.

47 Tat: Is God dus in de materie, Vader?

48 Hermes: Zo de materie buiten God zou bestaan, mijn zoon, welke plaats wilt ge dan voor haar uitkiezen? En wat zou zij, zolang ze niet tot werkzaamheid gebracht was, anders zijn dan een warrige massa? En wanneer ze tot werkzaamheid moet worden gebracht, door wie dan? Wij hebben gezegd dat de werkzame krachten scheppingen Gods zijn. Van wie ontvangen alle levende wezens dus het leven? Aan wie danken de onsterfelijken hun onsterfelijkheid? Wie bewerkstelligt de verandering in al wat veranderlijk is?

49 Of ge nu spreekt van de materie, of van het lichaam, of van het wezenlijke der dingen, weet dat ook deze krachtwerkingen van God zijn: de krachtwerking in de materie vormt de stoffelijkheid; de krachtwerking in de lichamen vormt de lichamelijkheid, en de krachtwerking in het wezenlijke bepaalt de wezenlijke aard. Dit alles is God, het al.

50 In het al is er niets dat God niet is. Daarom kan men God niet omschrijven met begrippen van grootte, plaats, eigenschap, vorm of tijd: want God is het al, en als zodanig is Hij in alles en omvat Hij alles. Aanbid dit woord, mijn zoon, en vereer het: er is slechts één godsdienst, één wijze om God te dienen en te vereren, namelijk niet boos te zijn.

 

[1] Demon: Letterlijk «natuurkracht». Indien de mens zich met deze krachten verinnigt door de wil des Vaders te vervullen, in vrijwillige gehoorzaamheid, openbaren zij zich als machtige helpers op de weg der vergoddelijking van de mens. In het tegengestelde geval ervaart de mens hen als vijandige werkingen ­ de wrekende demon - als de krachten van het fatum. Zij vallen dan samen met de karmische gevolgen die het menselijke lot op de smartelijke weg der ervaring bepalen. - Ook de natuur­eonen, door het blinde natuurleven van de gevallen mensheid tot aanzijn geroepen, worden wel als demonen aangeduid; in dat geval uiteraard dan in ongunstige zin. Nauw daarmee samenhangend zijn de demonen de astrale krachtbeginselen die door het verstandelijke hersenbewustzijn der mensen worden geschapen. - De goede demon is de oorspronkelijke scheppende ziel, de eniggeboren Zoon Gods, zoals deze zich in de waarachtige mensenziel openbaart. Daarom wordt ook voor de stem van de oorspronkelijke ziel wel de aanduiding «goede demon» gebezigd.

 

14. Veertiende Boek: De geheime rede op de berg, betreffende de wedergeboorte en de belofte van stilzwijgendheid

 

 1 Tat: In uw algemene rede, Vader, hebt ge u raadselachtig en onduidelijk uitgelaten, toen u sprak over de goddelijke natuur. U hebt mij die niet geopenbaard, zeggend dat niemand gered kan worden zo hij niet wedergeboren is.

2 Maar toen ik mij, gedurende de afdaling van de berg, na uw gesprek met mij, tot een smekeling maakte, en u ondervroeg over de leer der wedergeboorte, opdat ik die zou leren kennen - daar dit het enige gedeelte van de gehele leer is dat mij onbekend is - hebt ge mij beloofd mij die over te dragen zodra ik mij van de wereld losgemaakt zou hebben.

3 Nu héb ik dit gedaan en mij innerlijk sterk gemaakt tegen de waan van de wereld. Wil dan nu hetgeen mij ontbreekt aanvullen, zoals ge mij beloofd hebt, en mij onderrichten over de wedergeboorte, hetzij mondeling, hetzij als mysterie. Want ik weet niet, 0 Trismegistus, uit welke matrix de ware mens geboren wordt, en uit welk zaad.

4 Hermes: Mijn zoon, uit de wijsheid, die in de stilte denkt en uit het zaad, dat het alleen goede is.

5 Tat: Wie zaait het dan, Vader? Dit alles is mij ten enenmale onbegrijpelijk.

6 Hermes: De wil van God, mijn zoon.

7 Tat: En hoedanig is degene die tot geboorte komt, Vader? Want hij zal noch aan mijn aardse wezen, noch aan mijn verstandelijke denken deel hebben.

8 Hermes: De wedergeborene zal ook anders zijn: hij zal een god zijn, een Godszoon, alles in alles, en met alle vermogens toegerust.

9 Tat: U spreekt mij in raadselen, Vader, en niet zoals een vader tot zijn zoon spreekt.

10 Hermes: Dergelijke dingen láten zich niet onderwijzen, mijn zoon. Maar zo God wil zal Hij zelf u de herinnering eraan hergeven.

11 Tat: U zegt mij dingen, Vader, die mijn begrip te boven gaan en mij geweld aandoen. Daarom heb ik daarop slechts dit als het juiste antwoord: Ik ben een zoon die vreemd is aan het geslacht van zijn vader. Blijf mij uw wijsheid niet weigeren, Vader, want ik ben uw rechtmatige zoon: zet mij omstandig uiteen op welke wijze de wedergeboorte plaatsvindt.

12 Hermes: Wat zál ik zeggen, mijn zoon? Alleen dit: Toen ik in mijzelf een onbestemd visioen waarnam, dat door de barmhartigheid van God was voortgebracht, ben ik van mijzelf uitgegaan in een onsterfelijk lichaam. Zo ben ik nu niet meer degene die ik eens was, maar ben thans in de geestziel verwekt. Zo iets laat zich niet onderwijzen, en het is niet waar te nemen met het stoffelijke element waarmee men hier ziet. Daarom heb ik nu ook geen zorg meer over de samengestelde vorm die eens de mijne was. Ik heb geen kleur meer, noch een gevoelszintuig, noch afmeting: dit alles is mij vreemd.

13 Thans ziet ge mij met uw ogen mijn zoon, maar wat ik bén kunt ge niet begrijpen door mij met de ogen van het lichaam aan te zien en te bekijken. Ge ziet mij in feite nu niet met die ogen, mijn zoon.

14 Tat: Ge hebt mij in een niet geringe verwarring en begripsverbijstering gebracht, Vader. Want nu zie ik mijzelf niet eens meer.

15 Hermes: Gave God, mijn zoon, dat ook gij uit uzelf zou zijn uitgegaan, zoals zij die in de slaap dromen; maar in uw geval dan zonder te slapen.

16 Tat: Zeg mij nog dit: Wie is het die de wedergeboorte bewerkt?

I7 Hermes: De Zoon van God, de ene mens, naar de wil van God.

18 Tat: Nu hebt ge mij toch werkelijk sprakeloos gemaakt, Vader, want nu begrijp ik er niets meer van: ik zie u nog steeds met dezelfde lichaamsgestalte, met hetzelfde uiterlijke aanzien.

19 Hermes: Daarin vergist ge u, want de sterfelijke vorm verandert van dag tot dag. Onwerkelijk als ze is, verandert ze in de loop des tijds door toe te nemen of af te nemen.

20 Tat: Wat is dan waar en werkelijk, Trismegistus?

21 Hermes: Datgene wat niet bezoedeld is, mijn zoon, wat onbegrensd is, kleurloos, onveranderlijk, onbedekt, vormloos, stralend, alleen door zichzelf te doorgronden, het onveranderlijk goede, het onlichamelijke.

22 Tat: Het gaat mijn verstand te boven, Vader. Ik dacht door u wijs geworden te zijn. Maar al mijn inzicht is door deze denkbeelden vastgelopen.

23 Hermes: Zo gaat het, mijn zoon, met wat naar boven gaat als vuur, of naar beneden, als aarde, of wat vloeibaar is als water, of wat door het ganse universum blaast, als lucht. Maar hoe zoudt ge met de zintuigen kunnen waarnemen hetgeen noch vast, noch vloeibaar is, niet samengevoegd kan worden, noch te vatten is, en slechts begrepen kan worden uit zijn vermogen en werkzame kracht, iets wat slechts mogelijk is aan iemand die de geboorte in God kan doorschouwen?

24 Tat: Ben ik daartoe dan niet in staat, Vader?

25 Hermes: Zo bedoel ik het niet, mijn zoon. Keer tot u zelf in, en het zal komen. Wil het, en het zal geschieden. Breng de zintuiglijke werkingen van het lichaam tot verstilling, en de geboorte van het goddelijke zal een feit worden. Reinig u van de redeloze tuchtigingen van de stof.

26 Tat: Heb ik dan tuchtmeesters in mij, Vader?

27 Hermes: Niet weinigen, mijn zoon, en schrikaanjagende en talrijke.

28 Tat: Ik ken ze niet, Vader.

29 Hermes: Deze onwetendheid zelf is de eerste tuchtiging, mijn zoon; de tweede is verdriet en smart; de derde onmatigheid; de vierde begeerte; de vijfde ongerechtigheid; de zesde hebzucht; de zevende bedrog; de achtste afgunst; de negende list; de tiende toorn; de elfde onbezonnenheid; de twaalfde boosheid. Deze tuchtigingen zijn twaalf in getal, maar er zijn talrijke andere die, door middel van de gevangenis van het lichaam, de mens van nature dwingen door de werkingen van de zintuigen te lijden. Zij laten echter af, zij het niet ineens, als God zich over een mens erbarmd heeft. En dit laatste verklaart de aard en de zin van de wedergeboorte.

30 Maar wees nu stil, mijn zoon, en luister in eerbiedige dankbaarheid. Gods erbarmen zal dan niet meer van ons wijken. Verheug u, mijn zoon, nu de krachten Gods u grondig reinigen teneinde de ledematen van het Woord samen te voegen.[1] De Gnosis van God is tot ons gekomen: door haar komst is de onwetendheid verdreven. De Gnosis der vreugde is tot ons gekomen. Door haar komst zal de smart wegvluchten naar hen die plaats voor haar hebben. De kracht die ik aanroep na de vreugde, is de ingetogenheid. 0 heerlijke kracht! Laat ons haar met de grootste blijdschap in ons opnemen, mijn zoon; zie hoe zij door haar komst de onmatigheid heeft uitgedreven. Ten vierde noem ik zelfbeheersing, een kracht die zich tegen de begeerte verzet. De volgende trap, mijn zoon, is de stut der rechtschapenheid: want zie hoe zij zonder omslag de ongerechtigheid heeft uitgedreven. Zo zijn wij rechtvaardigen geworden, nu de ongerechtigheid verdwenen is. De zesde kracht die ik tot ons roep, is die welke strijd voert tegen de hebzucht; het is de kracht der goedheid die zich mededeelt aan anderen. En als de hebzucht verdwenen is, roep ik nog de waarheid: zodra de onwaarachtigheid vlucht, komt de waarheid tot ons. Zie, mijn zoon, hoe, nu de waarheid gekomen is, het goede volkomen is geworden, want de afgunst is van ons geweken. Na de waarheid is het goede gevolgd, vergezeld van leven en licht; en geen enkele tuchtiging der duisternis kan ons meer aantasten, want, overwonnen, zijn zij alle in suizende vaart weggevlucht.

31 Ge kent nu, mijn zoon, de wijze waarop de wedergeboorte plaatsheeft: door de komst van de tien aanzichten wordt de geestelijke geboorte voltrokken en worden de twaalf aanzichten verdreven; en aldus worden wij door dit geboorteproces vergoddelijkt.

32 Wie nu, door de barmhartigheid Gods, deze geboorte uit God deelachtig geworden is en de lichamelijke zintuiglijkheid heeft prijsgegeven, is zich bewust uit goddelijke krachten te zijn geformeerd en is van innerlijke vreugde vervuld.

33 Tat: Nu ik, naar de beschikkingen Gods, tot aanschouwing ben gekomen, worden de dingen voor mij niet meer zichtbaar door middel van het gewone gezichtsvermogen, maar dank zij het geestelijke vermogen der ontvangen krachten. Ik ben in de hemel, op de aarde, in het water, in de lucht; ik ben in de dieren, en in de planten; ik ben voor, in en na de geboorte, ja, overal. Maar zeg mij nog hoe de tuchtigingen der duisternis, die twaalf in getal zijn, door tien krachten uitgedreven worden. Op welke wijze geschiedt dit, Trismegistus?

34 Hermes: De tentwoning die wij verlaten hebben, is uit de cirkel van de zodiak samengesteld, die op zijn beurt uit twaalf elementen bestaat, één natuur, maar veelvormig van voorstelling, volgens de dwaalgedachte van de mens.

35 Onder deze tuchtigingen zijn er, mijn zoon, die als eenheid optreden. Zo zijn overijling en onbezonnenheid onscheidbaar van de toorn. Men kan ze zelfs niet onderscheiden. Het is dus begrijpelijk en logisch dat zij te samen verdwijnen als ze door de tien krachten worden verdreven. Het zijn deze tien krachten, mijn zoon, die aan de ziel geboorte geven. Leven en licht zijn verenigd. Zo wordt het getal der eenheid uit de geest geboren. Evenzo bevat, naar de rede, de eenheid de decade (de tienheid), en de decade de eenheid.

36 Tat: Vader, ik zie in de geestziel het ganse al én mijzelf

37 Hermes: Dát nu is de wedergeboorte, mijn zoon: men kan zich daarvan geen driedimensionale voorstellingen maken. Ge kent en ervaart deze nu dank zij deze Rede betreffende de Wedergeboorte, die ik alleen ten behoeve van u op schrift heb gesteld, opdat wij dit alles niet ten deel zouden doen vallen aan de menigte, maar uitsluitend aan hen die God daartoe verkiest.

38 Tat: Zeg mij, Vader, zal dit nieuwe lichaam, dat uit de tien krachten is samengesteld, eens tot ontbinding komen?

39 Hermes. Houd op! Zeg geen onmogelijke dingen; daardoor zoudt ge zondigen en het oog van de geestziel vertroebelen. Het natuurlijke lichaam der zinnen is zeer ver verwijderd van de wezenlijke, goddelijke geboorte. Het eerste is ontbindbaar, het tweede onontbindbaar; het eerste is sterfelijk, het tweede onsterfelijk. Weet ge niet, dat ge een god geworden zijt, een zoon van de Ene, evenals ik?

40 Tat: Vader, ik zou graag de lofzang willen horen, die ge, naar ge mij verteld hebt, de krachten hebt horen zingen, toen ge de Ogdoade[2] bereikt had.

41 Hermes: In overeenstemming met hetgeen Pymander in de Ogdoade onthulde, keur ik uw haast om deze tentwoning op te breken goed, daar ge thans rein zijt. Pymander, de geest, heeft mij niets meer geopenbaard dan wat door mij geschreven is, wel wetend dat ik zelf in staat ben alles te begrijpen en te horen en alles te zien wat ik wil,' en hij heeft mij bevolen alles te doen wat goed is. Daarom zingen bij alles de krachten die in mij zijn

42 Tot: Vader, ook ik wil dit alles horen en kennen.

43 Hermes: Wees stil dan, mijn zoon en luister naar de lofzang die hierop betrekking heeft, de hymne op de wedergeboorte. Het was niet mijn bedoeling deze zo zonder meer bekend te maken, behalve aan u, die aan het einde van deze inwijding gekomen bent. Deze lofzang wordt dan ook niet onderwezen, maar blijft verborgen in de stilte. Ga dan staan op een plaats in de open lucht, het gezicht gekeerd naar de zuidenwind, nadat de zon is ondergegaan, kniel dan neder en bid; en doe hetzelfde bij het opgaan van de zon, maar keer u dan naar het oosten. En wees dan nu stil, mijn zoon:

44 GEHEIME LOFZANG

Moge de ganse natuur van de kosmos naar deze lofzang luisteren.

Open u, O aarde! Laat de wateren des hemels hun sluizen openen bij het vernemen van mijn stem.

Sta roerloos, gij bomen! Want ik wil lof zingen de Heer der Schepping, het al en het ene.

Open u, gij hemelen! Gij winden, wees stil, opdat Gods onsterfelijke cyclus mijn woord moge aannemen.

Want ik ga de lof zingen van Hem die het ganse al geschapen heeft, die de aarde haar plaats heeft gewezen en het uitspansel heeft bevestigd; die het zoet water bevolen heeft de oceaan te verlaten en zich over de bewoonde en onbewoonde aarde te verspreiden, ten dienste van het bestaan en het voortleven van alle mensen, die het vuur bevolen heeft te schijnen voor elk gebruik dat goden en mensen ervan willen maken.

Laat ons allen te samen Hem lofprijzen, die boven alle hemelen verheven is, de Schepper van de ganse natuur. Hij is het oog van de geest: Hem zij de lof aller krachten.

O gij krachten, die in mij zijt: zing de lof van de Ene en het al; zing in overeenstemming met mijn wil, O gij krachten die in mij zijt.

Gnosis, O heilige kennis Gods, door u verlicht is het mij gegeven het licht van het weten te bezingen en mij te verblijden in de vreugde van de geestziel.

O gij, krachten, zing alle met mij deze lofzang. En O gij, ingetogenheid, en gij, gerechtigheid in mij, bezing voor mij het rechtschapene.

O liefde voor het al in mij, bezing in mij het al; bezing, O waarheid, de waarheid, bezing, O goedheid, het goede.

Van u, O leven en licht, komt de lofzang, en tot u keert zij weer.

Ik dank u, Vader, die de krachten openbaart. Ik dank u, Vader, gij die het potentiële tot werkzaamheid stuwt.

Uw woord zingt door mij uw lof. Ontvang door mij het al, als woord, als offerande des woords.

Hoor wat de krachten die in mij zijn, roepen: Zij bezingen het al, zij vervullen uw wil. Uw wil gaat van u uit, en alles keert tot u weer. Ontvang van allen de offerande des woords.

Red het al dat in ons is. Verlicht ons, O leven, licht, adem, God. Want de geestziel is de hoeder van uw woord.

O, drager van de geest, O Demi-Ourgos (3), gij zijt God.

Dit roept de mens die u toebehoort, door vuur, door licht, door aarde, door water, door geest, door uw schepselen.

Ik heb van u deze lofzang-uit-de-eeuwigheid ontvangen, alsmede de rust, die ik zocht, door uw wil gevonden.

 50 Tat: Ik heb gezien hoe, naar uw wil, deze lofzang geuit moet worden, Vader. Ik heb deze nu ook in mijn wereld uitgebracht.

51 Hermes: Zeg, mijn zoon: in de wezenlijke, dat is de goddelijke wereld.

52 Tat: Ja, in de wezenlijke wereld, Vader, heb ik macht. Door uw lofzang en uw dankzegging is de verlichting van mijn geestziel volkomen geworden. Nu wil ook ik vanuit mijn diepste wezen God dankzeggen.

53 Hermes: Wees daarbij niet lichtvaardig, mijn zoon.

54 Tat: Hoor, Vader, wat ik in de geestziel zeg: Aan u, O eerste bewerker der wedergeboorte, aan u, mijn God, bied ik, Tat, de offerande van het woord. 0 God, gij Vader, gij Heer, gij Geest: aanvaard van mij het offer dat gij van mij verlangt. Want dit alles voltrekt zich overeenkomstig uw wil.

55 Hermes: Mijn zoon, ge biedt aldus Gode, de Vader aller dingen, een Hem aangename offerande. Maar voeg er nog aan toe: door het woord.

56 Tat: Ik dank u, Vader, voor de raadgevingen die u mij gegeven hebt.

57 Hermes: Ik verheug mij, mijn zoon, dat ge goede vruchten van de waarheid hebt gewonnen, een waarlijk onsterfelijke oogst. Beloof mij, nu ge dit van mij geleerd hebt, stilzwijgendheid te betrachten met betrekking tot dit wonderlijke vermogen, en aan niemand de wijze van verwerkelijking der wedergeboorte over te dragen, opdat wij niet gerekend zullen worden tot hen die de leer profaneren. Het zij voldoende dat wij beiden het onze hebben gedaan: ik door te spreken, gij door te luisteren. In het licht van de geest kent ge nu u zelf; u zelf én ons beider Vader.

[1] Hier wordt gedoeld op de wording van de nieuwe mens, die «het Woord Gods» in ons is.
[2] Ogdoas betekent achtste: het is de fase van het binnengaan in God, het volkomen geestzijn. Zie ook Boek I, vers 64.
 

(3) Hier wordt bedoeld: De onbewogen beweger, of God en niet de jaloerse God uit het O.T
 
 

  

 

15. Vijftiende Boek: Hermes Trismegistos tot Asklepios over het juiste denken

 

1 Hermes: Daar mijn zoon Tat tijdens uw afwezigheid inlichtingen wilde hebben over de aard van het universum, en mij niet wilde toestaan dit onderricht uit te stellen ­ daar hij mijn zoon is en een jonge leerling, die pas onlangs tot de kennis der dingen is gekomen - ben ik genoodzaakt geweest er uitvoeriger bij stil te staan, om de leer voor hem gemakkelijker toegankelijk te maken.

 

2 Maar voor u heb ik uit het besprokene de voornaamste hoofdstukken uitgezocht en ze op een meer mystieke wijze samengevat, dit met het oog op uw rijpere leeftijd en de kennis die u zich over de aard der dingen hebt verworven.

 

3 Indien alle dingen die openbaar worden, tot aanzijn komen of tot aanzijn gekomen zijn, en indien ze dit niet zijn door zichzelf, maar door een ander, en indien alle tot aanzijn gekomen dingen verschillend zijn en ongelijk en hun ontstaan danken aan een ander, dan bestaat er iemand die hun Schepper is. Deze is dan zelf niet ontstaan, zo men wil dat Hij bestond vóór alles wat geschapen is. Wat geschapen wordt, ontstaat, zoals ik al zei, door een ander. Er kan dus niets bestaan dat reeds was voor alles tot aanzijn kwam, uitgezonderd wat zelf nimmer ontstaan is: de Schepper.

 

4 Deze is ook machtiger en de enige. Hij alleen is waarlijk wijs in alles, daar er niets is dat vóór Hem was. Want Hij is de eerste, zowel in rangorde, als in grootte, alsmede door het verschil dat er is tussen Hem en alle schepselen, en door de continuïteit van zijn schepping. Bovendien zijn alle schepselen zichtbaar, maar Hij is onzichtbaar. Daarom juist schept Hij: om zichzelf zichtbaar te maken. Zo schept Hij zonder ophouden en maakt zich aldus zichtbaar.

 

5 Op deze wijze dient men te denken, en door deze denkwijze tot bewondering te komen, en zichzelf zalig te prijzen dat men de Vader heeft leren kennen. Immers, wat is heerlijker dan een werkelijke Vader! Wie is Hij dan en hoe zullen wij Hem leren kennen? Is het juist dat wij Hem met de naam God noemen? Of moet het zijn Schepper? Of Vader? Of misschien alle drie? God, vanwege zijn macht? Schepper, vanwege zijn werkzaamheid? Vader, vanwege zijn goedheid? Want Hij is machtig, gezien de verscheidenheid der dingen die geworden zijn; en Hij is werkzaam, daar immers alles door Hem tot aanzijn komt.

 

6 Ons losmakend van eindeloos ijdel gepraat dienen wij dus deze twee te onderscheiden: het geschapene en de Schepper. Tussen deze beiden is er geen middelaar, geen derde.

 

7 Onderscheid bij alles wat ge begrijpt en verneem dus steeds deze twee, en wees overtuigd dat deze beiden alles omvatten en in zich sluiten. Laat daaromtrent geen enkele twijfel u besluipen: noch ten aanzien van de dingen die boven zijn, noch van die welke beneden zijn, noch terzake van de goddelijke dingen, noch van het veranderlijke, of wat tot de verborgenheden behoort. Al het bestaande laat zich door deze beiden samenvatten: het geschapene en de Schepper, en het kan ze onmogelijk scheiden. De Schepper kan niet bestaan zonder schepping. Ieder is juist wat het woord aangeeft en niets anders. Daarom kan de een niet van de ander gescheiden worden, en zelfs niet van zichzelf.

 

8 Daar de Schepper slechts de enkele, eenvoudige, niet samengestelde functie is, moet Hij noodzakelijk aan zichzelf gelijk zijn, omdat het scheppen van de Schepper het worden is van een zijnstoestand. Immers, wat voortgebracht is kan niet bestaan alsof het zichzelf had voortgebracht. Een schepping moet dus noodzakelijk door een ander zijn voortgebracht: zonder de Schepper komt dus niets tot aanzijn en bestaat niets. Als Schepper en schepsel gescheiden worden, verliest ieder van hen zijn eigen wezen, omdat zij dan beroofd zijn van hun complement. Zo men dus erkent dat de werkelijkheid kan worden samengevat in deze twee - Schepper en schepsel - erkent men dat zij een eenheid vormen krachtens hun wederzijdse onmisbaarheid: eerst is er de scheppende Godheid; daarna komt het geschapene, wat het ook moge zijn.

 

9 Vrees niet dat het onderscheid dat ik maakte iets af zou doen aan de eerbied voor God of aan zijn glorie. Er bestaat voor Hem slechts één glorie: alle wezens tot aan­zijn te brengen. Dit, het scheppen, het vorm en leven geven, is als het ware het lichaam Gods. Meen niet dat er door de Schepper iets slechts of lelijks verordineerd is. Deze aanzichten - het slechte en lelijke - zijn onafscheidelijk verbonden met de voortbrenging, evenals de roest met het brons, en de onreinheid met het lichaam. Doch het is niet de bronswerker die de roest heeft gemaakt, en het zijn niet de ouders die de verontreiniging aan het lichaam teweegbrengen, noch is het God die het kwaad geschapen heeft. Het is het verbruik, de vertering der geschapen dingen die deze bijwerking van het kwaad teweegbrengt. Juist daarom heeft God de veranderlijkheid ingesteld, tot reiniging van het geschapene.

 

10 Als een schilder zowel de hemel en de goden als de aarde en de zee en de mens en alle dieren en onbezielde dingen vermag af te beelden, zou dan God niet in staat zijn dit alles te scheppen? Welk een onverstand en onkunde, als men ten aanzien van God dát denkt! Zij die aldus denken ervaren de vreemdste dingen. Terwijl zij beweren God te loven en Hem hun eerbied te betuigen, weigeren zij Hem als de Schepper aller dingen te erkennen. Zij bewijzen daarmee niet alleen God niet te kennen, maar begaan bovendien de gruwelijkste goddeloosheid, door Hem hoogmoed en onvermogen toe te dichten. Ware God niet de Schepper van alle wezens, dan zou het zijn alsof Hij zich niet verwaardigde hen tot aanzijn te roepen, of daartoe niet in staat zou zijn. Het is dus goddeloos zo te denken.

 

11 God heeft slecht één eigenschap: het goede. En dit algoede is noch hoogmoedig, noch onmachtig. Ja, dát is God: het goede, de almachtige, die alles schept. Al het geschapene is door God geworden,' door Hem dus die volstrekt goed is en die de macht heeft alles tot aanzijn te brengen.

 

12 Als ge nu wilt weten hoe God schept, en hoe het geschapene tot aanzijn komt, zie dan hier een schone, passende vergelijking. Denk aan de landman, die het zaad in de akker strooit: hier tarwe, daar gerst, elders weer een andere soort graan. Zie hoe hij hier een wijnstok plant, daar een appelboom, elders weer andere soorten bomen. Zó zaait God onsterfelijkheid in de hemel, veranderlijkheid op aarde, en leven en beweging in het al. Deze aanzichten van werkzaamheid zijn dus niet talrijk. Zij zijn klein in getal en gemakkelijk te tellen: namelijk in het geheel vier, voorts God zelf en het geschapene. Deze zes te samen vormen al wat bestaat.

 

 

16. Zestiende Boek: Hermes tot Ammon: Over de ziel

 

1 Hermes: De ziel is een onlichamelijk wezen, en ook als zij in het lichaam is, doet zij niets af aan haar eigen wezenlijkheid. Naar haar wezen is zij in voortdurende beweging. Door gedachtewerkingen beweegt zij zich vanzelf. Zij wordt noch in iets, noch met betrekking tót iets, noch vóór iets bewogen, daar zij bestaat vóór er krachten tot werkzaamheid komen; en hetgeen voorafgaat heeft hetgeen later komt niet nodig.

 

2 «In iets» is plaats, tijd, natuurlijke groeibeweging; «met betrekking tot iets» is harmonie, de eigen vorm, gestalte; «voor iets» is het lichaam.

 

3 Plaats, tijd en natuurlijke groei bestaan ten behoeve van het lichaam. Deze begrippen hangen samen vanwege een oorspronkelijke verwantschap, als het ten minste waar is dat een lichaam een plaats nodig heeft (er kan geen lichaam tot stand komen zonder plaats, zonder ruimte); dat het aan natuurlijke verandering onderhevig is (er is geen verandering mogelijk zonder tijd en zonder natuurlijke beweging); en tenslotte dat er geen lichaam gevormd kan worden zonder harmonie.

 

4 Ruimte, plaats, bestaat dus ten behoeve van het lichaam. Daar in de ruimte de veranderingen van het lichaam plaatsvinden, voorkomt zij dat het veranderende wezen vernietigd wordt. Door de verandering gaat het lichaam van de ene toestand in de andere over. Het is dan wel beroofd van zijn voorgaande bestaanstoestand, maar blijft niettemin een samengesteld lichaam. En is het eenmaal in iets anders veranderd, dan bezit het daarvan de bestaanstoestand. Zo blijft het lichaam een lichaam; alleen: de toestand waarin het zich bevindt, kent geen duurzaamheid. Het lichaam verandert dus alleen ten aanzien van de toestand.

 

 5 Plaats, ruimte, is dus onlichamelijk; en evenzo tijd en natuurlijke beweging.

 

 6 Elk van deze heeft zijn eigen aard. De aard van plaats is het vermogen tot het in-zich-opnemen, de aard van tijd is onderbreken en toerekenen, de aard van de natuur is beweging; de aard van harmonie is vriendschap; de aard van het lichaam is verandering; de aard van de ziel is het doordenken van haar ware wezen.

 

7 Wat bewogen wordt, wordt bewogen door de beweegkracht van het al. De natuur van het al verschaft het al twee bewegingen: de ene krachtens zijn eigen potentie, de andere vanuit zijn werkzame vermogen. De eerste doordringt de ganse wereld en houdt haar inwendig bijeen; de tweede doet haar tot uitbreiding komen en houdt haar van buitenaf omvangen. Deze beide bewegingen treden steeds te samen in alles op.

 

8 De natuur van het al doet alles tot aanzijn komen en geeft er het vermogen tot groei aan; enerzijds door het zijn eigen zaad te doen uitzaaien, anderzijds door het een materie te schenken die in beweging is. Door deze beweging wordt de materie verhit, en wordt zij vuur en water; het vuur vol macht en kracht, het water passief. Het vuur, dat vijandig is aan het water, heeft een deel van het water doen indrogen. Aldus werd de aarde gevormd, die op het water drijft. Door de voortgaande indroging van het water rondom de aarde maakte zij uit de drie - water, aarde en vuur - damp vrij; aldus werd de lucht geboren.

 

9 Deze elementen vermengden zich volgens de wet der har­monie: warmte met koude, droogte met vochtigheid. Uit deze samenvloeiing van alle elementen werd er een levensadem geboren, en een zaad, dat met de omhullende levensadem overeenstemde. Als deze levensadem eenmaal in de matrix is gevallen, blijft hij in het zaad niet werkeloos. Hij verandert het zaad, dat door deze verandering groeit en grootte verkrijgt. In de grootte trekt het zaad iets als een uiterlijke vorm tot zich, en vormt zich daarnaar. Deze vorm dient op haar beurt tot voertuig voor de ineigen gestalte. Aldus ontvangt ieder ding zijn eigen voorkomen.

 

10 Daar de levensadem in de matrix geen beweging-tot-leven had ontvangen, slechts beweging tot levenskrachtige groei, heeft deze laatste ook de beweging-tot-leven harmonieus doen ontstaan, opdat daarin het denkende leven - dat ondeelbaar en onveranderlijk is en zijn onveranderlijkheid nooit verlaat - zou kunnen worden ontvangen.

 

11 Overeenkomstig de getallen leidt het dat wat in de matrix is tot geboorte, helpt het bij het geboorte proces, en doet het tot-geboorte-komende naar buiten treden. De meest-na-zijnde ziel past zich daarbij aan; niet overeenkomstig haar aangeboren eigenschappen, maar krachtens het besluit van het fatum. Want van nature verlangt de ziel geenszins bij het lichaam te zijn.

 

12 Het is slechts uit gehoorzaamheid aan het fatum, dat de ziel aan het wezen-dat-tot-geboorte-komt de denkbeweging en de denkstof van het eigenlijke leven schenkt. Want de ziel dringt binnen in de levensadem en roert zich daarin levenwekkend.

 

13 De ziel is een onlichamelijk wezen; zo zij een lichaam heeft, kan zij zichzelf niet meer in stand houden. Immers, ieder lichaam heeft een bestaan nodig; het heeft het leven nodig dat zijn basis heeft in de orde.

 

14 Alles wat geboren wordt, is ook onderhevig aan verandering, daar alles wat geboren wordt, in een zekere grootte geboren wordt. Terwijl het tot geboorte komt, groeit het. Alle groei gaat weer over in minder worden, afnemen; daarna komt de ontbinding, het uiteenvallen.

 

15 Het geborene leeft en wordt verbonden met het bestaan van de ziel, om deel te hebben aan de levensvorm. Maar wat om andere reden oorzaak is van het bestaan, bestaat zelf reeds tevoren.

 

16 Onder bestaan versta ik: begiftigd zijn met rede, en deel hebben aan het denkende leven; het is de ziel die het denkende leven verschaft.

 

17 Wat geboren wordt, wordt ten gevolge van het leven een levend wezen genoemd, redelijk vanwege het vermogen tot denken, sterfelijk vanwege het lichaam. De ziel is dus onlichamelijk, omdat ze haar kracht onverzwakt bewaart. Hoe zou men van levend wezen kunnen spreken, indien er niets wezenlijks ware dat het leven schenkt? Maar evenmin kan men van redelijk wezen spreken, zonder het bestaan van een denk-aard die aan het denkende leven verschaft.

 

18 Ten gevolge van de samenstelling van het lichaam geraakt het denken niet in alle mensen tot harmonie. Als er in de samenstelling een teveel aan warmte is, wordt de mens luchthartig en opgewonden; is er een teveel aan koude, dan wordt hij zwaar en traag. Het is de natuur die de samenstelling van het lichaam ordent, ter wille van de harmonie.

 

19 Er zijn drie soorten harmonie: naar de warmte, naar de koude, en naar het gemiddelde. De natuur ordent in overeenstemming met de ster die in het samenstel der sterren de heersende was. En de ziel, die, naar de voorbeschikking van het fatum, een lichaam heeft, aanvaardt het, en schenkt aan dit werkstuk der natuur het leven.

 

 20 De natuur stemt dus de harmonie van het lichaam af op de stand der sterren; zij doet de onderscheiden elementen tot één worden, overeenkomstig de harmonie der sterren, opdat er overeenstemming zij tussen alle. Het is namelijk het doel van de harmonie der sterren alles af te stemmen op de ordonnanties van het lot.

 

21 De ziel is dus een wezen dat in zichzelf volmaakt is, en in den beginne zich een leven gekozen heeft overeenkomstig het lot, en een vorm tot zich getrokken heeft, samengesteld uit bruisende levenskracht en begeerte.

 

22 De levenskracht staat de ziel als materie ten dienste. Als deze levenskracht een zijnstoestand geschapen heeft overeenkomstig het denkbeeld van de ziel, wordt ze tot moed en laat zich door lafheid niet overmeesteren. Ook begeerte biedt zich als materie aan. Als zij een zijnstoestand heeft geschapen in overeenstemming met de overwegingen van de ziel, wordt zij tot matigheid en laat zich niet bewegen door genotzucht, daar het redelijke vermogen van de ziel aanvult wat aan de begeerte ontbreekt.

 

23 Indien evenwel levenskracht en begeren samengaan, een evenwichtige zijnstoestand hebben geschapen en zich beide blijven richten naar het redelijke vermogen van de ziel, dan worden zij tot een juiste gerichtheid, daar de uitgebalanceerde zijnstoestand die zij hebben geschapen het teveel aan levenskracht besnoeit, en anderzijds het tekort van het begeren aanvult.

 

24 Wat hen dan leidt is het denkvermogen, dat, daar het door zijn eigen omzichtige redelijkheid zichzelf toebehoort, macht heeft over zijn eigen rede.

 

25 Het wezen van de ziel heerst en leidt als oppermacht, als leider; de rede, die in haar is, leidt als raadgeefster.

 

26 De omzichtige redelijkheid van het wezen der ziel is dus die kennis van de gedachten, die aan het redeloze, het verstandeloze, een vermoeden geeft van het redelijke vermogen; een vermoeden dat, in vergelijking daarmee, zwak en onduidelijk is, maar dat niettemin redelijk is in vergelijking met het onredelijke; dus zoals de echo met betrekking tot de stem, en zoals het schijnsel van de maan met betrekking tot de zon.

 

27 Levenskracht en begeren worden dus in harmonie gebracht door een redelijke overweging; zij houden elkaar in evenwicht en trekken de redelijke gedachtegang als een steeds rondgaande beweging in zich.

 

28 Iedere ziel is onsterfelijk en altijd in beweging. Immers, wij hebben in de Algemene Rede gezegd dat bewegingen, hetzij door krachten, hetzij door lichamen worden voort­gebracht.

 

29 Wij zeggen voorts dat de ziel ontstaan is uit een andere wezenlijkheid dan de materie, daar de ziel onlichamelijk is en datgene waaruit zij is voortgekomen eveneens; alles wat tot aanzijn komt, wordt noodzakelijk uit iets anders geboren.

 

30 Alle wezens die geboorte vinden en daarna aan de vernietiging onderworpen zijn, bezitten noodzakelijk twee bewegingen; namelijk de beweging van de ziel, waardoor zij bewogen worden, en de beweging van het lichaam, waardoor zij toenemen en afnemen en tenslotte door ontbinding oplossen. Aldus omschrijf ik de beweging der vergankelijke lichamen.

 

31 De ziel is altijd in beweging, daar zij zelf bij voortduring bewogen wordt en de beweging op andere dingen overbrengt. Aldus bezien is iedere ziel onsterfelijk en altijd in beweging, daar zij krachtens de werkzaamheid van haar in-eigen aard bewogen wordt.

 

32 Er zijn goddelijke, menselijke en niet-redelijke zielen. De goddelijke ziel is de actieve kracht van haar goddelijke lichaam, daar zij zich in dat lichaam beweegt en het daardoor in beweging brengt.

 

33 Als Zij zich vrijmaakt van de stervelingen, gaat Zij, bevrijd van wat in haar niet aan de rede beantwoordde, het goddelijke lichaam in, waarbinnen zij, in altijddurende beweging, wordt medegedragen door het al.

 

34 Ook de menselijke ziel bezit iets van het goddelijke, maar daarnaast zijn met haar de niet-redelijke aanzichten verbonden, het begeren en de levenskracht. Deze aanzichten zijn zonder twijfel onsterfelijk, in zoverre zij zelf werkzame krachten zijn; maar het zijn krachten van sterfelijke lichamen. Daardoor zijn zij ver verwijderd van de goddelijke delen der ziel, die verblijf houden in het goddelijke lichaam.

 

35 De ziel van de niet redelijke wezens bestaat uit levenskracht en begeren. Deze wezens worden niet redelijk genoemd, daar zij verstoken zijn van het redelijke aanzicht van de ziel.

 

36 Denk tenslotte, ten vierde, aan de ziel van de onbezielde dingen, die, hoewel zij zich buiten het lichaam bevindt, het in haar bewerking beweegt. Deze zou slechts in een goddelijk lichaam zelf bewogen kunnen worden, en dan deze dingen om zo te zeggen «uit de tweede hand» bewegen.

 

37 De ziel is dus een eeuwig, met verstand begiftigd wezen, dat zijn eigen rede als denken heeft, en, als het met een lichaam verenigd is, de denkwijze van de harmonie tot zich trekt, doch dat, als het eenmaal van het fysieke lichaam bevrijd is, zelfstandig en vrij, tot de goddelijke wereld behoort. De ziel heerst over haar eigen rede en schenkt aan datgene wat tot leven komt, een met haar gedachten overeenstemmende beweging, die men leven noemt. Want het is de ziel eigen aan anderen iets van haar eigen wezen te schenken.

 

38 Er zijn dus twee soorten leven en twee soorten beweging. De een is de beweging van het wezen der ziel, de andere is die van het natuurlijke lichaam: de laatste is algemeen, de eerste is tot de ziel zelf beperkt. Die van de ziel is autonoom, de andere is dwingend. Immers, al het bewogene blijft onderworpen aan de dwang van wat de beweging voortbrengt. Maar de beweging die de ziel beweegt, is onafscheidelijk verbonden met de liefde, die haar naar de goddelijke werkelijkheid leidt.

 

39 De ziel is inderdaad onlichamelijk, daar zij geen deel uitmaakt van het fysieke lichaam. Zou de ziel een lichaam hebben, dan zou zij noch rede, noch gedachten hebben, daar elk lichaam zelf zonder gedachten is. Daarentegen dankt een levend wezen zijn levensadem aan het feit dat het deel heeft aan het wezen van de ziel.

 

40 De levensadem, of geest, behoort tot het lichaam; de rede behoort tot het wezen van de ziel. De rede heeft het schone tot onderwerp van aanschouwing; de met de zintuigen waarnemende geest onderscheidt de verschijnselen. Hij verspreidt zich over de zintuigen, die, als delen van de geest, uit een geest van het gezichtsvermogen, een geest van het gehoor, een geest van de reuk, een geest van de smaak, en een geest van het gevoel bestaan. Als deze levensgeest of levensadem van het lichaam tot een soort verstand is geworden, neemt hij zintuiglijk waar. Doet hij dit niet, dan beeldt hij zich de dingen slechts in.

 

41 Hij behoort tot het lichaam en is voor alles ontvankelijk. De rede daarentegen behoort tot het wezenlijkste van de ziel, en oordeelt met inzicht en begrip. Met de rede hangt ook de kennis van de goddelijke dingen samen; met de levensgeest, het zich maken van voorstellingen. De levensgeest ontleent zijn kracht aan de hem omringende wereld; de ziel ontleent de hare aan zichzelf.

 

42 Zo zijn er dus: het wezen van de ziel, de rede, de gedachten en het inzicht of begripsvermogen. Het voorstellingsvermogen en de zintuiglijke waarneming dragen bij tot het inzicht, de rede behoort tot het wezen van de ziel, de gedachten worden gevormd door de rede heen, en vloeien samen met het inzicht. Deze vier, die elkaar doordringen, zijn tot één gestalte geworden, de gestalte van de ziel.

 

43 Tot het inzicht van de ziel dragen het voorstellingsvermogen en de zintuiglijke waarneming bij. Deze zijn daarin echter niet constant, maar geven nu eens te veel, dan weer te weinig, of verschillen onderling. Zij worden slechter naarmate ze gescheiden zijn van het inzicht. Als zij echter dit vermogen volgen en gehoorzamen, stemmen zij, via de wetenschappen, overeen met de hogere rede.

 

44 Wij zijn in staat te kiezen; het ligt in ons vermogen het beste te kiezen, en eveneens, ondanks onszelf, het slechtste. De keuze die naar het boze uitgaat, nadert de lichamelijke natuur. Daarom heerst het fatum over hem die een dergelijke keuze doet. Daar het denkende wezen in ons, de hogere rede, autonoom is, en immer aan zichzelf gelijk blijft, heeft het fatum geen greep op hem.

 

45 Als echter het denkende wezen zich afwendt van de aldoor denkende Logos, die de eerste is na de eerste God, wordt ook hij verbonden met het gehele plan dat de natuur voor het geschapene heeft ingesteld. Als de ziel zich dus eenmaal met het geschapene verbonden heeft, is ook zij aan het lot daarvan gebonden, ofschoon ze geen deel uitmaakt van de natuur der geschapen dingen.

 


17. Zeventiende Boek: Hermes tot Tat: Over de waarheid

 

1 Hermes: Het is niet mogelijk 0, Tat, dat een mens, een onvolmaakt schepsel, bestaande uit onvolmaakte leden en, die, wat zijn omhulling betreft, uit tal van vreemde lichamen samengesteld is, zich zou mogen verstouten over de waarheid te spreken. Maar wat wel mogelijk en juist is te zeggen, dat zeg ik: namelijk dat er slechts waarheid is in eeuwige lichamen, waarvan ook alle elementen waar zijn: vuur, dat eens en voor al vuur is en niets anders; aarde, die eens en voor al aarde is en niets anders,' lucht, die eens en voor al lucht is en niets anders,' water, dat eens en voor al water is en niets anders.

 

2 Onze lichamen daarentegen zijn samengesteld uit al deze elementen te samen; ze bevatten vuur, en ook aarde, en voorts water en lucht, maar toch zijn ze noch vuur, noch aarde, noch water, noch lucht, noch wat dan ook dat waar is.

 

3 Als dus onze lichaamsconstitutie van de aanvang af de waarheid niet in zich heeft gehad, hoe zou zij dan de waarheid kunnen aanschouwen of uitdrukken? Zij zal haar ook alleen dan kunnen begrijpen, zo God het wil.

 

4 Alle dingen die van de aarde zijn, 0 Tat, zijn dus geen waarheid, maar nabootsingen van de waarheid,. en nog niet eens alle, maar slechts een klein aantal ervan. De rest is leugen, vergissing, 0 Tat; dwaling, slechts bestaande uit schijn, uit schijnbeelden. Als echter de schijn een instroming ontvangt van omhoog, wordt zij een navolging van de waarheid. Zonder de kracht van omhoog blijft zij evenwel een leugen, een onwaarheid. Zo is het ook met een schilderij dat een lichaam afbeeldt: het is geen lichaam dat overeenstemt met wat men gezien heeft. Men ziet er ogen op, maar zij hebben geen blik; men ziet oren, maar zij horen niets. Ook toont het schilderij alle overige delen, maar het is alles schijn, die het gezichtsvermogen van de waarnemers bedriegt. Zij menen de waarheid te zien, terwijl de werkelijkheid slechts leugen is.

 

5 Als men evenwel iets ziet dat geen leugen is, ziet men waar­heid. Indien wij dus al die dingen zien of begrijpen zoals ze werkelijk zijn, zien en begrijpen wij ware dingen. Indien ze anders zijn dan ze zijn, zullen wij niets waars begrijpen noch weten.

 

6 Tat: Er is dus ook waarheid op de aarde, Vader?

 

7 Hermes: Ge vergist u, mijn zoon. Er is beslist geen waarheid op de aarde, en zij kan er ook niet tot aanzijn komen. Het kan evenwel voorkomen dat sommige mensen zich enig begrip omtrent de waarheid vormen. Het zijn diegenen die God begiftigd heeft met het vermogen haar te zien.

 

8 Tat: Is er dus niets waars op aarde?

 

9 Hermes: Ik denk en ik zeg: Alles is schijn en waan. Dit zijn de ware dingen die ik denk en zeg.

 

10 Tat: Maar moet men het denken en zeggen van dingen die waar zijn, niet waarheid noemen?

 

11 Hermes: Hoe zou dat kunnen? Men moet denken en zeggen zoals het is: Er is niets waar op aarde. Dát is waar, dat er hier beneden niets waar is. Hoe zou het ook kunnen, mijn zoon? De waarheid is de volkomen heerlijkheid, het volstrekt goede; dat wat niet bezoedeld is door de materie, noch overkleed is door een lichaam. De waarheid is het onverhulde, stralende, onaantastbare, verheven, onveranderlijk goede.

 

12 Maar zie, mijn zoon, hoezeer de dingen van hier beneden onmachtig zijn dit goede te ontvangen. Immers, zij zijn vergankelijk, onderworpen aan lijden, oplosbaar, beweeglijk, steeds veranderlijk, en gaan van de ene vorm in de andere over. Hoe zouden deze dingen, die in zichzelf niet waar zijn, waarheid kunnen zijn? Alles wat verandert is leugen, omdat het niet in zijn wezenlijkheid blijft, maar van de ene vorm in de andere overgaat en ons dus voortdurend nieuwe verschijningsvormen doet zien.

13 Tat: Is de mens zelf niet waar, Vader?

14 Hermes: Als mens is hij het niet, mijn zoon. Waar is wat zijn samenstelling uit zichzelf heeft en door zichzelf blijft zoals het is. De mens echter is samengesteld uit een menigte elementen en blijft niet wat hij is. Integendeel, hij verandert en transformeert zich van de ene leeftijd in de andere, en van de ene gestalte in de andere, zolang hij nog in zijn omhulling is. Vele ouders herkennen na een korte tussentijd hun kinderen niet meer, en evenmin kinderen hun ouders.

 

15 Kan een wezen dat zozeer verandert dat het niet meer herkend wordt, waar zijn, Tat? Is het integendeel niet onwaar, omdat het in zijn veranderingen door zoveel verschillende verschijningsvormen heen gaat? Begrijp daarom dat alleen waar is, wat blijvend is en eeuwig. De mens is niet eeuwig. Bijgevolg is hij ook niet waar. De mens is een schijngestalte, en als zodanig hoogst onwaar.

 

16 Tat: Maar Vader, zijn de eeuwige lichamen, die veranderen, dan evenmin waar?

 

17 Hermes: Niets wat is voortgebracht en onderworpen is aan verandering, is waar. Maar daar die lichamen door de eerste Vader geschapen zijn, is het mogelijk dat de materie waaruit zij bestaan waar is. Toch dragen ook deze lichamen onwaarheid in zich vanwege hun veranderingen, daar niets wat niet aan zichzelf gelijk blijft, waar is.

 

18 Tat: Maar, Vader, wat kan men dan waar noemen?

 

19 Hermes: Alleen de Zon kan men waar noemen. Terwijl al het overige verandert, verandert de Zon niet, maar blijft zichzelf gelijk. Daarom ook is hij alleen ermee belast alles in de wereld vorm te geven, over alles te heersen en alles voort te brengen: hem vereer ik en ik buig mij voor de waarheid van zijn wezen; na de Enige en Eerste erken ik hem als de Demi-Ourgos, de wereldbouwer.

 

20 Tat: Maar wat is dan de eerste waarheid, Vader?

 

21 Hermes: De Ene en Enige, 0 Tat, Hij die niet uit materie is gemaakt, die niet in een lichaam is, die geen kleur heeft, noch gestalte, die niet verandert, niet veranderd wordt, die altijd IS. Daarentegen is al het onware bederfelijk. De voorzienigheid van het ware houdt al wat op aarde is, in de bederfelijkheid vast, houdt het daarin omsloten en zal dat immer doen, daar er zonder bederfelijkheid ook geen voortbrenging meer kan zijn. Op iedere voortbrenging volgt bederfelijkheid, opdat er opnieuw schepsels tot geboorte komen. Al wat geboren wordt, moet noodzakelijk geboren worden uit het bederfelijke; en wat geboren wordt, moet noodzakelijk bederven, opdat er geen stilstand zij in de voortbrenging der wezens. Zie hierin de eerste werkzame oorzaak tot voortbrenging der wezens. Zij die geboren worden uit de bederfelijkheid, kunnen alleen maar onwaar zijn, daar ze nu eens zo, dan weer anders geboren worden. Het is onmogelijk dat ze precies eender herboren zouden worden. Hoe zou dus wat niet onveranderd herboren wordt, waar kunnen zijn? Als men deze schijnwezens op juiste wijze wil aanduiden, moet men ze noemen: de mens een schijnmens, het kind een schijnkind, de jongere een schijnjongere, de volwassene een schijnvolwassene, de grijsaard een schijngrijsaard. Want de mens is niet waarlijk mens, het kind niet waarlijk kind, de jongere niet waarlijk jongere, de volwassene niet waarlijk volwassene, de grijsaard niet waarlijk grijsaard. Zodra de dingen veranderen, liegen ze, zowel die welke voorbij zijn gegaan als die welke thans bestaan. Maar toch, mijn zoon, begrijp goed dat zelfs de onware werkingen hier beneden afhankelijk zijn van omhoog, van de waarheid zelf. En daar dit zo is, verklaar ik dat de schijn het werk is van de waarheid.