Grote dichters en dichteressen uit Nederland

01. Een vrouw beminnen - 02. Hebben en zijn -  03. De moerbeitoppen ruisten - 04. Narcis - 05. Voor de liefste - 06. Soms, als gij zwijgt - 07. Tijd - 08. Zwerversliefde - 09. Moeder - 10. Ik ween om bloemen in de knop gebroken - 11. Elk kloppen van mijn bloed is een gebed - 12. Zooals daar ginds - 13. Stem van generzijds - 14. Holland - 15. Bij de dood van een kind - 16. Bij het lijkje van een kind - 17. Liefde - 18. Zijn goudblonde lokken en knevel - 19. De zelfmoordenaar - 20. Het minnen is een zeldzaam spel -
 
 
 
01. Een vrouw beminnen
 
 
Ed Hoornik
 

Een vrouw beminnen is de dood ontkomen,
weggerukt worden uit dit aards bestaan,
als bliksems in elkanders zielen slaan,
tezamen liggen, luisteren en dromen,
meewiegen met de nachtelijke bomen,
elkander kussen en elkander slaan,
elkaar een oogwenk naar het leven staan,
ondergaan en verwonderd bovenkomen.

'Slaap je al?' vraag ik, maar zij antwoordt niet;
woordeloos liggen we aan elkaar te denken:
twee zielen tot de rand toe vol verdriet.

Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken,
vlakbij de sterren, die betoovrend wenken.
't Is of ik dood ben en haar achterliet.

Ed Hoornik - uit de bundel 'Ex Tenebris'.

 
02. Hebben en zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

uit het werk van Ed Hoornik (1910-1970)
 
 
 03. De moerbeitoppen ruisten  


Nicolaas Beets

"De moerbeitoppen ruisten;"
 God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille,
 De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
 Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.

Uit 'Wierookgranen'


04. Narcis

 
Louis Couperus

 
Aan de boord ener beke
Zie ik leliën dromend staan,
Wijl golfjens om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymfen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjens
Zo kuis, zo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
die kwijnt op zijn stengelke
Van droevenis.

De leliën smachten van minne,
Voor die geluwe narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zo zwoel...zo fris.

En de goedgele blomme nijgt zich
Steeds verder naar de vliet,
Tot hij in de zilvren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zo kou en zo kil in het water...
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliën lispelen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloeme zijne beeldtnis
Op 't water kust...


05. Voor de liefste

 
Frederik van Eeden.

Aan mijne Vrouw.

In zachte klanken saamgebracht
Heb ik uw zoeten naam gedacht,
O mijn Lief-uitverkoren!
Die 't liefst mij aller dingen zijt,
Die ik mijn hart heb ingeleid
En eeuwig zal behooren.

Dit lied is voor de Liefste mijn,
Dus zal 't als mijne liefde zijn,
Als een gesmede keten
Van rijm aan rijm aaneengehecht
En om twee harten heengelegd,
Die van geen scheiden weten.


06. Soms, als gij zwijgt.


M. Vasalis


Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt,
grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,
een wanhoop door geen troost te blussen,
niet door te spreken, niet door te kussen,
even groot als mijn bestaan, en even oud.

Dat ik u zien moet en u niet kan zijn,
van u gescheiden door mijn eigen ogen,
dat gij daar zit, zo buiten mij geboren,
en doet als een geboren pijn.

Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet
komt soms de wind en hij beweegt uw haren,
die aan de boorden van uw voorhoofd staan
als aan een stilstaand water, oeverriet
soms komt een wolk de hemel langs gevaren,
ik zie de schaduwen over uw ogen gaan.

Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt,
of ik maar even bij u leven mag,
alsof mijn tijdelijkheid mij van u scheidt,
dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach.

 
07. Tijd

M. Vasalis (1909-1998)


Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschriklijk, om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…


Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en de welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd…


Hoe kon ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?


08. Zwerversliefde.

 

Adriaan Roland Holst

 
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want, o de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaien in de oude wind.

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.

Wij zijn maar als de blaren in den wind,
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –

en laten wij omdat we eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij samen in ’t oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.



09. Moeder

 
Jacqueline van der Waals
Den Haag 1868 - Amsterdam 1922



Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zo straks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?

Zult gij mij aanstonds als uw kind begroeten,
Als ik ontwaken zal uit mijn dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd in uwe schoot?...

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude, grijze haar?

Uit de bundel: laatste verzen


10. Ik ween om bloemen in de knop gebroken


Willem Johannes Theodorus Kloos
Amsterdam 1859 – Den Haag 1928


Ik ween om bloemen, in de knop gebroken
En vóór de ochtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan:

Gij kwaamt, en 'k wist -- gij zijt weer heen-gegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos, nà die korte waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zo als een vogel in de stille nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar éér 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.


11. Elk kloppen van mijn bloed is een gebed
Willem Kloos

Elk kloppen van mijn bloed is een gebed,
Wanneer 'k de handen samen-vouwend smeke
Om één, Onkenbaar Wezen! - één, één teken
Van U, mijn God, mijn Eénge Heer, Die let

Op elke daad, gedachte of woord, o Het
Aller-aller-onkenbaarst Zijn, die 't weke
Bewegen mijner ziel hebt doorgekeken,
Hoe het zich-zelf in zich-zelf steeds verzet,

O God, mijn God, Gij zijt wel gans-almachtig,
Schoon 'k niet begrijp hoe 't slechte kan op de aard zijn,
Maar Gij zijt God, God-zelf, voor Wie ik, krachtig
Mens, door Uw Wil, deemoedig buig in prachtig
Vernederen mijns-zelfs in diep-vervaard zijn.
O! 't echte slechte nimmer kan iets waard zijn.


12. Zooals daar ginds
Willem Kloos

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan, ­

Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan, ­
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ónder-gaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind'loos heil van éénen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vloón, ­

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

 
 
 13. Stem van generzijds.
 
 
 
Frederik van Eeden
 
 Het was zoo licht toen ik moest scheiden,
de spreeuwen kweelden luide en teer,
en een onnoemelijk verblijden
vervulde veld en atmosfeer.

Een plechtig en verblindend wonder
verrees, - als waar 't voor ‘t eerst, - de zon,
en bloem op bloem ontsloot zich onder
haar zeegen, naar zij kracht gewon.

De waereld scheen verbaasd te ontwaken
als vond haar 't licht voor d' eerste maal,
'k Zag zwaluwen hun nestjes maken
en zwieren in den morgenstraal

Ik zag de kiewiet om zijn jongen
klapwieken met bezorgd gerucht _
ik hoorde hoe de meerlen zongen
hun welkom in de luuwe lucht.

De wind bestreek de fonkel-vlieten,
de golfjes plapperden in 't lisch,
't ging al van 't zoete licht genieten
en blonk van dauw en ruischte frisch

Ik was niet angstig om te sterven,
maar 't zag zoo luisterrijk op aard,
als had al 't schoon, dat ik ging derven,
zich in één uiterst uur vergaard

Genooten goed, dat ging begeeven,
had ik u wel genoeg bemind?
Verheeven weelden van het leeven
nam ik u dankbaar, als een kind?

Wist ik mijn korte leevenswijding
te vieren als een heilig feest?
Is mij 't ontwaren tot verblijding,
't bepeinzen tot een lust geweest?

Als vaagde ik zwarte spinneraggen
van oud en kostbaar schilderij,
zag 'k onontgonnen vreugden lachen
voor 't eerst van duistre spinsels vrij. –

O angst, O waan, O booze krankte
der menschen, die ons elk besmet,
die den hartstochtelijken dank te
bewijzen onzen God, ons let,

die ons doet weifelen en doet ijzen
en wroegen, klaaglijk en bedrukt,
waar 't leeuw'rikje in zijn luchtpaleizen
omhoogvaart,  juub'lend en verrukt. –

Hoor gij, die nog in ’t licht moogt woonen,
Dit woord uit ’t eeuwig droomrijk aan:
"verdrijf die schimmige demoonen”
"die voor Gods lieflijk aanzicht staan!”

"Hard drukt de spijt om noodloos lijden,”
"Om gloorie, door een waan gemist”..
De aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,
En zooveel schooner dan ik wist. -
 
 
 14. Holland
 

E. J. Potgieter

Grauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand, –
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!

Al wat gij zijt, is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,
Beide de zee en de dwing’land te sterk
Vrijheid een tempel en Godsvrucht een kerk.

Blijf, wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem:
Zorg, dat Europa de zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,
Land mijner Vad’ren, mijn lust en mijn roem!

En wat de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauw’ren behoren aan ’t vlekloze zwaard,
Land, eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard.



15. Bij de dood van een kind.

 
Albert Verwey
Amsterdam 1865 - Noordwijk 1937


Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan,
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.

Soms is het of een kind
Verdwaald is naar het leven.
Het gaat alsof het zich bezint,
En denkt: waar is mijn vroegere huis gebleven?

Wie weet of ik het straks niet vind.
Soms schijnt het bij zijn komst alreeds volgroeid.
Gelijk een zoete vrucht
Beweegt het schommelend door de voorjaarslucht.

De huid is warm, die een rijp bloed doorvloeit.
Het sterft, zo weinig nog vermoeid
Maar 't raadsel dat het in zich sloot
Was de nabije dood.

Gevallen in de chaos als een vonk,
Heeft haar gestalte ons kort bekoord.
Een vonk- die weer verslonk.

Nu tasten wij naar verf en woord
En voeden onze herinnering
Met een gedicht of tekening.

Uit de bundel: de getilde last



16. Bij het lijkje van een kind
 

Henricus Franciscus (Caroluszoon) Tollens
Rotterdam 1780 - Rijswijk 1856


't Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.

Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.

Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
't Vlindertje is niet weer te vangen:
's Hemels englen vingen 't op.



17. Liefde

 
Jacques Perk
1859-1881


Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zoals die nooit het jong gemoed nog streelde.

Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde...
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schone... en liefde is ingebeelde,
Als hij de 'liefde' van de vrouw bemint. -

Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van 't schone in allen haast gevonden,
En velen liefgehad te goeder trouw,

Maar die geliefden, allen saamverbonden,
Bezitten niet, wat ik in ú aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.

Uit de bundel: Mathilde

 

18. Zijn goudblonde lokken en knevel

 
Piet Paaltjens - François Haverschmidt
Leeuwarden 1835 – Schiedam 1894



Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandse hond,

Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
De geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij BLAAUW.

Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan word ik eensklaps zo raar.
Is 't, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?

Uit de bundel: Snikken en Grimlachjes (Immortellen XVI)

 
19. De zelfmoordenaar

Piet Paaltjes

In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zoo dof!
En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.

"Harriot!" dus riep hij verwoed,
"'k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!"
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intusschen
Hing maar steeds aan zijn tak,
Op zijn doode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

En de winter vlood heen,
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
Toen dan zwierf - 't was erg warm -
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!

Want, terwijl het, zoo zacht
Koozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez' eik is 't goed vrijen,
Kwam een laars van den man,
Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

"Al mijn leven! van waar
Komt die laars?" riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Dien mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijzende kop
Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,
En één glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op den rand van een zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust
Om te vrijen gebluscht
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.
't Zag van schrik zóó spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.


20. Het minnen is een zeldzaam spel


Jacob Cats
1577-1660


Het minnen is een zeldzaam spel,
Het brengt de mensen in gekwel,
het is een los en loze vond',
het is een wezen zonder grond.

Al wat men aan de vrijers raadt
dat dunkt de jonkers enkel kwaad,
doch wat hun afgeraden werd
daarhenen wil hun grillig hert.

En wat men zo een linker biedt,
dat wil hij toch zijn leven niet;
en wat hem niet gebeuren mag,
daar haakt hij naar de ganse dag.

Roept iemand zo'n verliefde kwant,
gewis die wijkt hem van de hand,
en schoon hem iemand henen zendt,
hij is straks weder daar omtrent.

In 't korte, 't is een vreemde pijn
in Venus' hof verdoold te zijn.