Grote dichters en dichteressen uit de Vlaamse gewesten

01. Alice Nahon - 02. Rene de Clercq - 03. Karel van de Woestijne - 04. Guido Gezelle - 05. Paul van Ostaijen - 06. Karel van den Oever - 07. Rosalie Loveling - 08. Albrecht Rodenbach - 09. Felix Timmermans -  10. Willem Elsschot - 11. Hugo Claus
 
 
 
 01. Alice Nahon
 


AVONDLIEDEKE III
Alice Nahon


't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan

Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd, dat eenzaam was...;

Dan voel ik op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En zó z'n ogen toe te doen.

 
EENVOUD
Alice Nahon


Ik voel m’n ziel verwant met kleine simpele dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld…,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld…,
Al dragen z’in hun kelk de zoetste zegeningen.

‘k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt
Vanuit uw moeë mond, die luttel woorden vindt:
" Goênavond…, lieveke, goênacht…, m’n zielekind.”
Dat maakt me zaliger dan de weelde van de wereld.

Zó groeit in m’n gedacht een vrede, niet te noemen;
M’n ziel, in schoonheidshuis, niet één mysterie vindt;
Want àl wat schoonheid is, met simpelheid begint…
En ‘k noem Liefde, ’t zaad van alle schoonheidsbloemen

Uit de bundel: Vondelingskens (1920)
 
 
02. René De Clercq

 

Ik ben van den buiten
René De Clercq



Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part
Van vader mijn schouders
Van moeder mijn hart
Ik vocht om mijn stuiten*
Met zuster en broer.
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

Bij d'eigenste pachter,
Eerst koeier dan knecht*
Mijn klakke van achter,*
Mijn hoofd immer recht
Zoo dien 'k om duiten,
En teer op mijn toer;*
Ik ben van den buiten.
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie
Ik eg en ik ploeg
Ik mest en ik maaie
Ik zweet en ik zwoeg,
Ik klets op de kluiten
En glets op de moer.*
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderenzind
De mallende meisens
De wagens gepint
Dan zit ik te fluiten
Van boven op 't voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Uit 'Gedichten' - Sijthoff (Leiden)

*stuiten: boterhammen
*koeier: koejongen (hoeder van koeien)
*klakke: pet
*En teer op mijn toer: en vier op mijn beurt
*moer: moerassig land


 
Mijn vijand is mij lief
Rene De Clercq


Mijn vijand is mij lief,
Omdat hij vijand is,
Dewijl hij mij uit laksheid hief
En haat geeft dien ik mis.

Mijn vijand is mij borg
Voor vasten moed en sterke daad.
Heb ik voor Vlaandren hart en zorg,
Ook voor mijn vijand en mijn haat.

Laat ruw zijn die mij tegen zijn,
Laat diep gaan, wat mij wondt.
Eerst als ik opbriesch van de pijn,
Voel ik mijn toorn gezond.

Eerst als het zwaard jeukt naar mijn hals,
Draag ik hem recht en hoog,
Vergend van al wat Walsch en valsch,
Tand voor tand, oog voor oog.

Oertrouw en dapper Dietsch,
Geslagen vaak, versagend nooit,
Zoolang nog iets
Den nek mij spant, dat liever springt dan plooit,

Voor Vlaandrens vlaggen wil ik staan,
Voetvast, vuisttoe,
Niet vragen wie, noch waar, noch hoe,
Maar ranselen die mij slaan.
 
 
 
03. Karel van de Woestijne
 
 

WIJDING AAN MIJN VADER
Karel van de Woestijne


O Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart,
en mij liet leven, en me téder léerde leven
met uw zacht spreken, en met uw strelend handebeven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard ;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomerwinden in de lage reven,
en die soms avondzoete waterbloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden
wijdsuizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dood begeren,
tot, wijlend in de spiegelrust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

 

'k Ben eenzaam droef
Karel van de Woestijne



'k Ben eenzaam droef, in 't geelteer avonddalen...
Door 't open venster hoor 'k de donzen val
van klamme bloemen in kristallen schalen...

- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
in 't stil en licht bewegen harer leden,
en hare goedheid in mijn vreemd bestaan...

'k Ben droef, en 'k hoor haar stille voeten gaan,
en haar zacht neuren, in de tuin, beneden.

Uit de bundel: het vaderhuis


Avond-zangen
Karel van de Woestijne 


I

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
van mijne moeder, die jong stierf, en aan het waren
der schemeringen om de boomen, en der jaren
om 't vredig leven van den roereloozen dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn droomen als een goede vader ging....
- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,
iederen avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die, rustig-zwaar, in 't loof der stille boomen staan.

... Tóen kwaamt ge zacht in mij te leven, en we waren
als schaamle bloemen in den avond, o mijn kind.
En 'k mìnde u. - En zoo 'k véle vrouwen heb bemind
sinds dien, met moeden geest of smeekende gebaren:
ù minde ik; want ik zag uw kinderoogen klaren;
en schuine bloemen in de tuine'; en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken tróostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen tráge waren...

II

Zegen deze' avond, God: ons handen rùsten;
en kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten
en ons verlangen 't pad van de' ongewóonsten waan,
tháns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan....
- Stil-wegend staat Uw leve' op de onbewogen blaên;
om iedren boomgaard gaat de vrede van Uw oogen;
en wij, die elke vrucht in onze handen wogen,
en láchten, zijn als vreemdelingen, die gebogen
onder Uw vrede en 't leven Uwer oogen staan...

Zegen deze' avond, God... In iedre voren
laat het gebaar van Uw meêdoogen rustig zaad;
uit Uwe liefde is kalm een rozen-meer geboren;
Uwe genade laat de zon meewarig gloren;
en in mijne oogen brandt de vreê van Uw gelaat...
- En wij zijn treùrig, God, al liet Ge dalen
om de oude plooien van ons wegend drift-gewaad,
zoeter dan ooit een liefde om ons haar teerheid laat,
de teere goedheid van Uw warende avond-stralen...

Zegen deze' avond; zégen, God. Wij zullen zwíjgen.
- Gelaten en verzoend in de avond-zoete dood,
zal onze torve zin naar Uwen boezem zijgen
gelijk een slaap-zwaar kind ter zaalgen moeder-schoot.
Zégen... Uw rust zweeft, zeegnend, om gebogen twijgen,
die wiegen, naar de slaap der vogels aadmend gaat...
Zégen... De zuivre nacht zal om ons leven stijgen,
en Uwaarts de eenzaamheid van onze dagen neigen,
als naar een dag van weelde een rustge dageraad.
 
 
 
 04. Guido Gezelle
 


O 't ruischen van het ranke riet.
Guido Gezelle


O 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigen 't droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!

O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord,
alleen en van geen mensch gestoord,
en lonkte 't rimpelend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruischend riet!

O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe menig mensch aanschouwt u niet
en hoort uw' zingend' harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruischend riet!

Nochtans, o ruischend ranke riet,
uw stem is zo verachtelijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: "Waait!..." en 't windtje kwam,
en 't windtje woei, en wabberde* om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde... en uw droevig lied
behaagde God, o ruischend riet!

O neen toch, ranke ruischend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet;
mijn ziel, die van den zelven God
't gevoel ontving, op zijn gebod,
't gevoel, dat uw geruisch verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!

O! 't ruischen van het ranke riet
weergalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome 't voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van enen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!

Uit 'Dichtoefeningen'

* wabberde: golfde lichtjes


 
WEET  GIJ?
Guido Gezelle (1830-1899)

"Numquid nosti semitas nubium?"*

Weet gij waar de wind geboren,
waar de dauw geboren wordt?
Weet gij kunstig op te sporen
wat hierbij, hierboven is?

Weet gij wat de sterren zijn, en
wat de zon, de mane? Wat
in de bergen, in de mijnen
ligt, en in de zee bevat?

Weet gij iets klaar uit te leggen
van al ‘t geen me u vragen kan?
Antwoordt dan en wilt mij zeggen:
Dichten... wat is dichten dan?


* Numquid nosti semitas nubium? = Kent gij dan de wegen van de wolken?


GIJ BADT OP ENEN BERG
Guido Gezelle

Gij badt op enen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:

de wereld wilt mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;

en arm als ik en is er geen;
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!

O Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!
 
 
 
 05. Paul van Ostaijen
 


WIEGELIEDJE VOOR DE GELIEFDE
Paul van Ostaijen


Dat trage zich toevouwen je oogleden,
te dragen het loom fluweel van onze nacht.
Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij
de bloemen van ons liefdespel te scharen rei aan rei.

Nu zal je slapen, mijn teergeliefde kind,
want morgen moet je de ogen openen: 'n zeer fris blad dat beeft in morgenwind.
Nu zal je slapen, mijn zachte kind, in de kuil van je haren;
straks is het dag, dan moeten wij weer tuilen lezen gaan

Morgen zal er uit het Oosten 'n koning komen,
met nieuwe bruidskleren voor ons beiden;
hem zullen wij, arm in arm, als kinderen in het woud, verbeiden.
Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard
en strek je heupen naar je lust. Ach du... du.

29 april 1918 - Uit Het Sienjaal

 

Gedichtje van Sint Niklaas
Paul van Ostaijen


Sint Niklaas
appelbaas
uit het land van Waas

heilige Paus
die ging lopen
uit een deeg van spekulaas

kom ons toewaarts
heilige Klaas
wij die wachten op een heel
klein beetje honig

Zie ons lippen droog
niet van 't bidden is het
wel van heel veel kou

lieve Paus lieve Paus
Laad uw ezel laad uw neger laad uw knecht
- appelbaas uit het land van Waas -
wij staan bij de bakkerij
jou te wachten

Breng de kleinen in hun schoentje
marsepein en een citroentje
(voor jouw ezel ligt het brood reeds klaar)

Breng de groten - lieve Paus lieve Paus -
zonder dat zij 't gissen
laat het zachtjes glijden door de schouw -

een klein beetje moed
en
een zoen van jou

en vooral
geef nonkel Jan
nu zijn houten pijp
dan krijg jij een zoen
en jouw ezel ook
jouw Boudewijn

appelbaas
uit 't land
van Waas

Uit de bundel: verzameld werk 1-2


Melopee
Paul van Ostaijen

Opgedragen aan: Gaston Burssens

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

In: Gedichten, 1928.


Marc groet 's morgens de dingen
Paul van Ostaijen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn
 
MEER Paul van Ostaijen
 
 
 Gaston Burssens, tijdgenoot en beste vriend van Paul van Ostaijen, over de dood en begrafenis van de dichter, amper 32 jaar oud, overleden aan tbc in een Waals sanatorium.
 
 
 
 
 
Van Paul van Ostaijen kan men zeggen, zooals Cocteau van Radiguet zei: ‘il est mort sans le savoir*.’ Een paar dagen vóór zijn dood, schreef hij mij: ‘Sedert vijf dagen gaat het ineens heel wat beter; er zijn dagen van heel normale temperatuur. Zondag kom ik naar huis.’ Dien Zondagochtend is hij gestorven. Dinsdags hebben wij hem in het verre Miavoye-Anthée ten grave geleid. Wij, dat zijn een paar bloedverwanten en twee trouwe vrienden. In de taxi-auto, die ons van Dinant naar het bijna niet genaakbare dorpje aan de Fransche grens bracht, werd de traandruppel aan onze oogen dikker naarmate we Miavoye naderden. Een jolige lentewind deed de zeildoeken van de oude wagen klapperen, zoodat we geen duidelijk woord tot elkander konden spreken; we voelden er trouwens geen behoefte toe en in een comfortabele limousine hadden we 't evenmin gedaan. Toen we in het kleine privé-sanatorium afstapten, stond de draagbaar met de kist erop gereed, een paar menschen op afstand. Twee ploegen van zes dragers (Miavoye-Anthée bezit zelfs geen lijkwagen) moesten de bloote eiken kist naar de kerk en het kerkhof vervoeren. Een treurige kleine stoet, die gedurende een half uur een eenzame, heuvelachtige, beboschte weg langs, naar het dorp trok. Stille tocht, nu en dan onderbroken door het onderlinge aflossen der dragersploegen. Op den weg hebben we slechts twee levende wezens ontmoet: een oud vigelantepaard en een verweerde koetsier, die recht staande op zijn bok aan onzen jongen vriend een eerste en laatste saluut bracht. Toen we het dorp naderden, tien, vijftien korte klepelslagjes in den toren van het grijze kerkje, wat klagend gezang van den pastoor, een vlugge zegening van de kist, dan hernam de tocht nog een kwartuurs lang kerkhofwaarts. Een kort gebed van den pastoor, nieuwe zegening van de kist en zij werd in de groeve gelaten. Een oogenblik stonden we verstomd; het was gedaan. De jolige lentewind waaide voort en Paul van Ostaijen was begraven.

Velen veel minder belangrijken personages werd een koninklijke uitvaart bezorgd.

GASTON BURSSENS
 
* Hij is gestorven zonder het te weten



 
 
 
 06. Karel van den Oever
 
 

Dinska Bronska
Karel van den Oever  [Antwerpen 1879 – 1926]



Uit een oud dorp
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en heur haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.

In het 'Hotel Lapland' zat zij
bij een tafel aan het straat-raam:
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want zij schreef moeilijk die brief
en daaronder 'Dinska Bronska', haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.

Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestrompel van letters:
zij kocht het voor vijf centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan haar kaak.

O, Dinska Bronska,
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der 'Red Star Line'
dat Canada groter appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
'Moj Boze!'
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.

O, Dinska Bronska!

Uit de bundel: 'Een onbegrepen lied'
 
 De kus van moeder.
Karel van den Oever


De lucht was blauw, de lucht was mild..
Vooruit voor Belgieland!
Nog gaf zijne oude moeder hem
een kus aan d'hagekant..
 
Nog gaf ze hem een zoeten raad:
‘Als gij aan slag zult zijn,
toe, Jan, denk aan uw moeder toch,
als 't zeer u doet en pijn.’
 
De lucht was grauw, de lucht was koud..
Lang leve Belgieland!
Ginds woedde een vreesselijken slag,
ginds waar die hoeve brandt..
 
Ginds waar de kruitsmook vurig rookt,
't kanon rap kraakt en vlamt,
daar stond hij in 't nat kreupelhout
en hield 't geweer gekrampt;
 
voor duizend Pruissen stond hij daar
met honderd Belgen slechts..
Daar vielen duizend Pruissen neer,
hier, ginder, links en rechts..
 
En toen hij als het avond werd
verzakken liet 't geweer,
kloeg hij met moeden glimlach nu:
‘Och, moeder, 't doet mij zeer....’
    
Want waar zijn moeder had gekust
zijn ruwe, bronzge wang,
een streepken bloed kroop rood en klaar
en vloeide er traag en lang..

Ach, 't vloeide er dagen, dagen lang
en iets toch deed er zeer:
't kwetsuur niet maar dié moederkus,
dié kus, o God, och Heer!..

Verzen uit oorlogstijd (1914-'19)



 
 
  07. Rosalie Loveling
 
 
 

Het Geschenk
Rosalie Loveling


Hij trok het schuifken open,
Het knaapje stond aan zijn zij,
En zag bet uurwerk liggen:
"Och, Grootvader, geef u het mij?”

- "Ik zal ‘t u wel eens geven,
Toekomend jaar misschien,
Als gij wel leert en braaf zijt,”
Zei de oude, "wij zullen zien.”

"Toekomend jaar!” sprak het knaapje,
O Grootvader, maar dan zoudt
Ge lang reeds kunnen dood zijn;
Ge zijt zoo ziek en zoo oud!”

En de oude man stond te peinzen,
En hij dacht: "Het is wel waar,”
En zijn lange vingren streelden
Des knaapjes krullend haar.

Hij nam het zilvren uurwerk,
En de zware keten er bij
En lei ze in de gretige handjes,
"t Komt nog van uw vader,” sprak hij.

Daar was een grafje gedolven;
De scholieren stonden er rond,
En een oude man boog met moeite
Nog eene knie naar den grond.

Het koele morgenwindje
Speelde om zijn haren zacht;
Het gele kistje zonk neder:
Arm knaapje,  wie had dat gedacht!

Hij keerde terug naar zijn woning,
De oude vader, en weende zoo zeer,
En lei het zilvren uurwerk
In ‘t oude schuifken weer.


Het oudste kind.
Rosalie Loveling

 
Zijn oog schoot weêr vol tranen,
Wanneer hij de handjes nam
Der moederlooze kindren
En van de begrafenis kwam.
 
Toen sprak het elfjarig meisje:
‘Och, ween niet vader, ik weet
Zoo wel van alle dingen
Hoe dat het moeder deed.’
 
Zij ging het lampken ontsteken
En blies het houtvuur op,
En aan vaders zondag-kleeding
Naaide zij een nieuwen knop.

Ze ontkleedde dan haar broêrken,
En leerde 't zijn avondbeê,
Des anderdags was 't zondag,
Zij leidde 't ter kerke meê.
 
Zij deed haar geblonken schoentjens
En haar moeders mantel aan;
Hij sleepte voor haar voetjes,
Toen ze over den drempel woû gaan!

Wel lachten op straat de kinderen,
Maar zij was zoo wel gezind;
Want vader prees haar en zeide:
‘Gij zijt een heel braaf kind.’


 
  08. Albrecht Rodenbach
 



De laatste storm
Albrecht Rodenbach

Buldrend speelt de zee met 't oude vaartuig.
Kalm, manhaftig kampt de grijze zeeman
met den storm. Maar splijtend te allen kante
vreeslijk kraken de oude brooze wanden.
Bleek en bevend staart alom de manschap
naar het krakend wantwerk en den zeeman.

"Sloepen af en vrouwen eerst!" gebiedt hij.
Wiegend wagglen sloepen in den storrem,
angstig ijlt de manschap in de sloepen.
Eenzaam staat op 't vaartuig de oude zeeman.
"Vol!" zucht hij, "vaartwel, matrozen, redt u."
Door den storm verdwijnen zijne sloepen.

Buldrend speelt de zee met 't splijtend vaartuig.
Kalm, manhaftig bidt de grijze zeeman
de armen rond een mast. Zoo lange reisden
schip en zeeman samen door de stormen;
grijs is 't hoofd geworden van den zeeman,
krakend en versleten 't machtig vaartuig...

O de wind, de zee, de laatste storrem!
Schuimend, bruischend, stijgen wilde baren
onder zijne voeten. Krakend, berstend,
in de diepe kolken draait het vaartuig...
Samen duiklen schip en man verzwolgen.
Machtig stormt de zeewe, grootsch en eenzaam.



HET KERELSKIND
Albrecht Rodenbach

--Van waar koms du getreden
zoo laat door rein en wind,
van waar koms du getreden,
aleen, du blonde kind?

-- Du smidje van den woude,
ik kome van het veld
waar vader heeft gestreden,
waar vader ligt geveld.

-- Lo! viel hij, 't was met eere,
dijn vader welbemind.
Wat bergt dijn blauwe schabbe,
du arrem heldenkind?

-- Du smidje, 't zijn de scherven
van vaders goede zweerd;
du zals het mi hersmeden:
het is 't hersmeden weerd.

-- 'k Hersmede het di sterker
dan 't vaders hand ooit zwong.
Maar, waartoe wilt 't di dienen?
du best zoo bitter jong.

-- Du smidje van den woude,
bij Lo! du ne best nie' vroed:
mijn vader wille ik wreken
met stroomen walenbloed.


DE AREND
Albrecht Rodenbach

De koninklike Vogel op
     der rotsen top gezeten
heeft grootsch en kalm de zon bezien
     en d'hemelen gemeten.

Maar sluikend en venijnig komt
     de onedele Slang gekropen
en spiedt. En op den oogenblik
     dat hij de vlerk wijd open

zijn vlucht reedt naar zijn koninkrijk
     in 't glanzend zonneschingen,
gelijk een vere prangen hem
     verraderlike ringen.

Almachtig stijgt hij in de lucht
     door zonneglans beschongen;
maar pijnlik lekt hem de open borst
     't venijn van vurige tongen.

Stijg voort, o edele Eerzuchtige,
     uw breede baan doorvaard,
en dat hij bijte -- 't is uw lot! --
     die lage Eerzuchtigaard!
 
 
 
 
 
09. Felix Timmermans
 


SINT FRANCISCUS
Felix Timmermans


Het is gedaan met al die ijdle dingen!
De maan speelt op de zilvren avondfluit;
hij zingt nu niet meer mee, dat lied is uit,
een schooner stem kon in zijn ziele dringen.

Hij zal in d'afgrond van Gods liefde springen,
trekt zijn verleden en zijn kleêren uit,
en in een pij, met zijne ziel als luit
gaat hij al beedlend langs de huizen zingen,

zingt voor den wolf, de vogels en de bloemen,
kan al wat leeft zijn broers en zusters noemen,
de Liefde zingt hem mager als een riet.

In zulke pure mensch wil God staand branden,
boort hem Zijn vuur door voeten, hart en handen.
Uit elke wonde juicht het zonnelied!

 
God rolt de zonnen door zijn handen…
Felix Timmermans

God rolt de zonnen door zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme’
weerspiegel ik het al.
Ik hoor de sferen zoemen
Gans 't sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

't Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren
in 't licht vergaan
in U ik word herboren!

Uit: Adagio

 
De kern van alle dingen
Felix Timmermans


De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet.

Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.
Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!

Hoe kan het zoo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!

Ik weet het niet, ik vind geen naam,
ik krijg het met geen woorden saam
wat er nu omgaat in mijn ziele.
Is het soms blijdschap? Is 't verdriet?
Of allebei? En ook weer niet ...
Ik kan slechts zwijgend knielen.


De herfst
Felix Timmermans

De herfst blaast op den horen,
en ’t wierookt in het hout ;
de vruchten gloren.
De stilten weven gobelijnen
van gouddraad over ’t woud,
met reeën, die verbaasd verschijnen
uit varens en frambozehout,
en sierlijk weer verdwijnen…

De schoonheid droomt van boom tot boom,
doch alle schoonheid zal verdwijnen,
want alle schoonheid is slechts droom,
maar Gij zijt d’Eeuwigheid !
Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
en zegen ook zijn vruchten !

Een ganzendriehoek in de luchten.
Nu komt de wintertijd.
Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
Ik ben bereid.
 
 
 
 De blaadren rijzen door den stuggen nevel
Felix Timmermans

De blaadren rijzen door den stuggen nevel,
er zijn geen klanken meer, er is geen lied,
slechts in het dorre riet een vroom geprevel.
Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet.
 
Want wij zijn arm, en knagen aan 't verleden,
en spelen met de kaarten van verdriet.
Het schoonste sprookje stelt ons niet tevreden,
en door de nevel lokt de toekomst niet.
 
Het leven vlood en d'asch blijft in onz' handen,
't verlangen stijgt om mede te vergaan.
Doch in den weemoed blijft één lichtje branden,
 
het licht dat w'in den zomer overslaan,
waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,
rondom de wintertijd om olie gaan.

Ik houd van nevel bij den val der blaadren.
Felix Timmermans

Ik houd van nevel bij den val der blaadren,
het stemt tot weemoed, om ik weet niet wat.
't Betreuren en 't verlangen glimmen mat,
en 't hart zwijgt loom in 't struikgewas der aadren.
 
Dit is de stilte, die 't geluk laat naadren,
het ver geluk, dat iets van God bevat,
maar telkens als een zeepbel openspat,
bij al 't gedruisch, dat wij in ons vergaadren.
 
Nu 't stil is, wordt mijn ziel de zeekinkhoren,
waarin ik God, die door de Heemlen bruischt,
beluister en zijn hoog bestaan kan hooren!
 
Ach broos geluk, dat in mijn ziele suist
en uit wat stilte en weemoed wordt geboren,
maar door dit hart straks weer zoo snel verhuist.
 
 
 Met rood en blauw op gouden grond

Met rood en blauw op gouden grond
maal* ik mijn englen en Madonen*
en wat men van ons Heer verkondt;
'k meng er nog wat groen en purper bij
voor 't loof en Gods doorboorde zij.

Een droom van vleuglengeur, en kronen
op fijne vingren, ranke tronen ...
'k Laat d'aarde over aan haar lot,
ik droom uiteen in mijn ikonen,
dan word ik geest, ik groei in God,
de Hemel druipt over zijn randen!

Maar d'uren gaan, de dag snelt heen
en neemt de borstels uit mijn handen,
en heel mijn weelde spat uiteen.
Ik sta weer moederziel alleen,
een arme mens in zak en asse,
die angstig op zijn ziel moet passen,
zo wordt zij door de stof verdwaasd.

Hoe kan een mens zo in elkander steken?
Ik ben de stenen pijp, die ieder uur kan breken
en elke dag voor U een nieuwe zeepbel blaast.

Uit Adagio - Felix Timmermans.

*maal ik: schilder ik (cfr. duits: mahler = schilder)
*Madonen: Madonna's  

 
 
 
 10. Willem Elsschot
 


Het huwelijk
Willem Elsschot (1882-1960)


Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren,
en die ’s avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen de jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.



De Bult spreekt
Willem Elsschot


Hier is de bult, de rammelkast,
de knobbelvent, de leuke gast,
de dwerg die 't hoofd omhoog moet steken
als hij zijn zonen toe wil spreken.

De knotwilg met den gekken stam,
waar boven op een reuzenzwam
genesteld is voor al mijn dagen
en die geen mensch er af kan jagen.

Hij huist daar reeds zoo lang mij heugt,
hij was de duivel mijner jeugd,
die 't al verpest heeft en bedorven
en glorie tot mijn schâ verworven.

Hij heeft mijn trouwdag meegevierd
 en alles naar zijn zin bestierd,
mijn rok ontsierd, mijn bruid doen blozen
en gal gespuwd op hare rozen.

Zoo deed en doet hij moord op moord,
al zit hij stil en spreekt geen woord
en ziet noch hoort, noch maakt gebaren:
hij vreet mij op met huid en haren.

Gij die reeds alles hebt misdaan
wat doembaar is in één bestaan;
gij kerels met uw zwart geweten,
die slapen kunt noch rustig eten

en schichtig door het donker waart:
komt op, geeft hier wat u bezwaart,
 ik zal het torsen zonder klagen
als gij zoo lang dat ding wilt dragen.


 
 
 11. Hugo Claus
 
 
 
 
 Ik schrijf je neer
 
Mijn vrouw, mijn heidens altaar,
Dat ik met vingers van licht bespeel en streel,
Mijn jonge bos dat ik doorwinter,
Mijn zenuwziek, onkuis en teder teken,
Ik schrijf je adem en je lichaam neer
Op gelijnd muziekpapier.

En tegen je oor beloof ik je splinternieuwe horoscopen
En maak je weer voor wereldreizen klaar
En voor een oponthoud in een of ander Oostenrijk.

Maar bij goden en bij sterrenbeelden
Wordt het eeuwige geluk ook dodelijk vermoeid,
En ik heb geen huis, ik heb geen bed,
Ik heb niet eens verjaardagsbloemen voor je over.

Ik schrijf je neer op papier
Terwijl je als een boomgaard in juli zwelt en bloeit.

In: Ik schrijf je neer, 2002.

 
Surgens venit ad Padrem

Als de bladeren in het gras zijn weggerot,
de lucht als glas en de vijvers bevroren,
als steenhard 't land is waar ooit het koren
stond kom ik als naar de lamp de mot

in de afgelegen hoeven schuilen.
Ik krijg er als de zwijnen mijn voeder.
Soms sterft een kind er of een boerenmoeder
stikt er in haar etterbuilen.

Dan vlucht ik hijgend in het moeras.
Geen seizoen kan mijn wonden helen.
Nooit wordt mijn hongerende ziel tot as

van berouw of medelijden. Zo blijf
ik vagebond en schooier spelen
tot ooit de Vader bergt mijn ziel en lijf.

 
In: Kleine reeks, 1947
gedichtencyclus 'De verloren zoon'.