Deze ken ik nog van toen ik studeerde en richting talen volgde

01. 'k Maak in gedachten vaak een bedevaart - 02. Kent iemand dat gevoel - 03. De Kust - 04. Frits en Kee - 05. Zie je - 06. Heimwee - 07. Lied voor mezelf - 08. De arend - 09. Bij het lijkje van een kind - 10. Op de dood van mijn dochtertje - 11. Het kind dat wij waren - 12. Woningloze - 13. Gebed - 14. De rozen - 15. Verborgen smart is halve smart - 16. Heb mij lief, gelijk ik ben - 17. Gebed bij de harde dood - 18. Kindergedachten -19. De wilgen
 
 
 
01. 'k Maak in gedachten vaak een bedevaart

'k Maak in gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta 'k weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:

Uit zonn'ge boomen dropte op zonnige aard,
Overal neer de zonn'ge vinkenslag;
'k Zag op jouw goed gezicht die blije lach,
En 'k dacht op eens: Ben ik die liefde waard?

En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
Zal 't zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,
Toen jij zou komen met jouw lief gezicht.

Dan wordt die zomerdag, zoolang voorbij,
Een vizioen van toekomst, waarin jij
Mij staat te wachten in onwereldsch licht.

J.A.dér Mouw - Brahman I
 
 
 
 
02. Kent iemand dat gevoel

Kent iemand dat gevoel: 't is geen verdriet,
'T is geen geluk, geen menging van die beiden;
'T hangt over je, om je, als wolken over heiden,
Stil, hoog, licht, ernstig; ze bewegen niet.

Je voelt je kind en oud; je denken ziet
Door alles, wat scheen je van God te scheiden.
'T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
'T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Je denkt: Nooit was het anders; tot mijn Wezen
Ben 'k al zo lang van sterflijkheid genezen.
Je weet: Niets kan mij deren: ik ben Hij.

Tot zekerheid je twijfel opgeheven,
Zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
Je bent de wolken en je bent de hei.

J.A. dér Mouw -  Brahman I
 
 
 
03. De Kust

Eens, op hun tocht vanuit het Oosten,
kwamen de menschen bij de kust
en dronken, als om zich te troosten,
de oogen zich vol aan ruimte en rust.

Over het golvende gewemel
ontwaarden zij den einder, strak
en vast onder den klaren hemel
als onder een metalen dak.

En bij die verte, voor hun schreden
onoverzienbaar uitgespreid,
hervonden, ballingen van Eden,
zij ook in zich de oneindigheid.

Over het eeuwige gebogen,
als aan den oever van hun smart,
dreef er een schemer voor hunne oogen,
kwam er een kreet op uit hun hart,

en met hunne uiterste gedachten,
met heel de grenzeloosheid mee
die altijd, altijd in hen wachtte, -
zagen zij uit over de zee.

De nacht kwam. Als een wijkend wonder
nam in de kim de schemer af,
en met het licht, dat haar begaf,
ging allengs ook de wereld onder,

en over de verzonken, zilte
waterbewogenheid, tot aan
de uiterste verte, kwam de stilte,
onmetelijk en diep, te staan.

Maar nog, met hun verloren wenschen,
in hun berooidheid, voor den vree
die hen omgaf, stonden de menschen, -
en zagen uit over de zee.

 
Verschijningen - Jan Prins   1876-1948
 
 



04. Frits en Kee

Moderne ballade


Zij heette Kee. Hij schreef zich Frits.
Zij zag wat scheel. Hij liep mank.
Een englenpaar. Maar zij erg bits,
En hij verschriklijk aan de drank.

Zo woonden ze in een lekke schuit,
Als twee marmotjes in hun hol.
Geregeld schold zij hem de huid
En dronk hij zich met bitter vol.

De tijd vliegt snel, vooral wanneer
De liefde 's levens zuur verzoet.
Hun koopren bruiloft kwam dus, eer
Het minnend paar het had vermoed.

In zijn verrassing leegde hij
Reeds 's morgens vroeg zijn tweede fles;
En van weeromstuit raasde zij
In ééns wel voor een week of zes.

Doch ziet! - Terwijl de teedre bruid
Haar eedle bruidegom en heer
Nog streelde, zonk opeens de schuit
Tot op de boom der stadsgracht neer.

Het water stroomde 't roefje in
En vulde in nog geen ommezien
Frits' lege fles, zijn gemalin
En ook hemzelve bovendien.

Toen taald' hij naar geen drinken meer,
En Keetje hield voorgoed de mond.
Dat was voor de allereerste keer
In hun gelukkig echtverbond.

Piet Paaltjens

 
 
 
 
 
05. Zie je..

Zie je, ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht --
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen --
Maar ik kan het toch niet zeggen.

Herman Gorter, Verzen 1890
 
 
 
06. Heimwee


Moeder, toen 'k lang geleden nog uw jongen,
Uw blijde eerstling was en nauw geboren,
had ik u eens, voor éénen dag, verloren —
   En ’t eerste leed was aan mijn hals gesprongen.

   Toen, weer terug, heb ik mijn hoofd gedrongen,
Aan uw warm hart, gefluisterd aan uw ooren,
Om weer uw zoete moederwoord te hooren
   Toen hebt gij mij zachtjes in slaap gezongen.

Moeder, ik ben alleen in verre landen!
   Ik kan niet meer in uw oogen lezen,
Ik kan niet schreien in uw milde handen;

   O! mocht ik ééns nog aan uw schoot genezen!
Nog éénmaal toeven bij die trouwe wanden
   Moeder! nog ééns uw arme jongen wezen!

Carel Steven Adama van Scheltema (1877-1924)
 
 
 
07. Lied voor mezelf

Mijn Heer, mijn schip is op de zee.
Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu;
wie klaagt, draagt hij niet met zich mee
bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd?

Mijn schip zal niet liggen blijven aan de ree,
te luisteren naar het spelemeien van der tijen eb' en vloed,
niet onder morose zegenrege', noch onder zonnevree,
mijn schip moet in de storm mee op zee.

Ik heb betrouwen in mijn boot, doch de baren slaan zo hoog,
reeds over de voorsteven, reeds over de achtersteven.
Als weer de zee vol vrede en rust is, zal dan het wrak van mijn boot
niet mededrijven naar de ree?

Ik ben een koen kind dat niets weet van de kloof
die ligt tussen dood en leven.
Kan een boot, mijn Heer, vergaan
die niets draagt dan het licht gewicht van mijne blauwe ziel?

En zo mijn boot nochtans vergaat, mijn Heer,
kan ik dan zondigen nog?
Neen... neen... Al de stemmen zingen mij: Ga mee op zee,
met de baren van Kristus, met de baren van de Loreley.

18 mei 1918   Paul van Ostaijen
 
 
 
08.De arend

De koninklike Vogel op
     der rotsen top gezeten
heeft grootsch en kalm de zon bezien
     en d' hemelen gemeten.

Maar sluikend en venijnig komt
     de onedele Slang gekropen
en spiedt. En op den oogenblik
     dat hij de vlerk wijd open

zijn vlucht reedt naar zijn koninkrijk
     in 't glanzend zonneschingen,
gelijk een vere prangen hem
     verraderlike ringen.

Almachtig stijgt hij in de lucht
     door zonneglans beschongen;
maar pijnlik lekt hem de open borst
     't venijn van vurige tongen.


Stijg voort, o edele Eerzuchtige,
     uw breede baan doorvaard,
en dat hij bijte -- 't is uw lot! --
     die lage Eerzuchtigaard!

Albrecht Rodenbach  (1878)
 
 
 09. Bij het lijkje van een kind

't Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.

Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.

Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
't Vlindertje is niet weer te vangen:
's Hemels englen vingen 't op

1808  Hendrik Tollens
 
 
10. Op de dood van mijn dochtertje

Jacoba trad met tegenzin
Ter snode wereld in;
En heeft zich aan het end geschreid,
In hare onnozelheid.
Zij was hier nauw verschenen,
Of ging, wel traag, weer henen.

De moeder kuste 't lieve wicht
Voor 't levenloos gezicht,
En riep het zieltje nog terug:
Maar dat, te snel en vlug,
Was nu al opgevaren
Bij Gods verheugde scharen.

Daar lacht en speelt het nu zo schoon,
Rondom de hoogste troon;
En spreidt de wiekjes luchtig uit,
Door wee nog smart gestuit.
O bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons 't klagen.

1735  Hubert Korneliszoon Poot
 
 
 
11. Het kind dat wij waren

Wij leven 't heerlijkst in ons verst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeders nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen
verwondering en teerste vriendelijkheden

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

't Eenzame kleine kind, zelf langverdwenen
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen
tussen de dode heren en mevrouwen.

E. du Perron


12. Woningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak
Voor de eigenhaard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor de nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.


Willem Bilderdyk (1756-1831)


13. Gebed

Genadig God, die in mijn boezem leest!
Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.
Aanschouw mijn nood, mijn neergezonken geest,
En zie mijn oog van stillen tranen leken!

Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd.
Gy ziet me een prooi van myn bedwelmde zinnen:
Gy weet alleen het geen uw kind behoeft,
En mint het meer, dan 't ooit zich zelf kan minnen.

Geef, Vader, geef aan uw onwetend kroost,
Het geen het zelf niet durft, niet weet te vragen!
Ik buig my neer; ik smeek noch kruis, noch troost;
Gy, doe naar uw ontfermend welbehagen!

Ja, wond of heel; verhef, of druk my neer:
'k Aanbid uw wil, hoe duister in mijne oogen:
Ik offer me op, en zwijg, en wensch niet meer:
'k berust in U. Zie daar myn eenigst pogen!

Ik zie op U met kinderlyk ontzag:
Met Christen hoop, noch laauw noch ongeduldig.
Ach leer Gy my, het geen ik bidden mag!
Bid zelf in my: zoo is myn bee onschuldig.

 J. Slauerhoff

#14. De rozen

ZANGSTUKJEN

Ik heb ze zien bloeien
By ’t uchtendontgoeien;
Nu hangen de bladen en storten in ’t stof,
Tot speeltuig der stormen,
Tot aas van de wormen,
Tot schaamte van d’op haar zoo pralende Hof.

Toen zogen haar knopjens
De lavende dropjens,
Tot parels geronnen uit hemelschen daauw:
Nu missen zy kleuren,
En spreiden geen geuren,
Eer de avond de velden nog wikkelt in ’t graauw.

Zoo zag ik geslachten,
Zoo schoonheid en krachten
Ontluiken en bloeien, maar luttel bestaan:
Zoo lach en verblijden
In jammer en lijden
Voor ’t schemerend Westen des levens vergaan.

Zoo ’t zingen en springen
Voor ’t handenverwringen
Verwisseld, in in dan een vluchtigen wenk.
’t Zijn alles slechts bloemen
Waarop wy hier roemen;
t Is alles een daauwdrop, een morgengeschenk.

De luister der oogen
Met nevels betogen,
Ja, zenuw- en voeding- en spierkracht verkwijnt.
Ook oordeel en reden
Bezwijkt met de leden,
En ’t leven verwaassemt, vervliegt, en verdwijnt.

Willem Bilderdyk (1756-1831)



15. Verborgen smart is halve smart

Ik zal niet droevig klagen,
Dat niemand mij troost in mijn leed;
Juist daarom kan ik het dragen,
   Omdat geen mensch het weet.

Geen troost, geen mededoogen,
   Maakt ooit dit hart gezond,
Want zagen nieuwsgierige oogen
   De groote, open wond,


En peilden nieuwsgierige handen
   Hoe diep die wonden zijn,
Hoe smartelijk zouden ze branden
   Met haast onduldbare pijn!

Want iedere blik zou schrijnen,
   Wat toch reeds zo moeilijk geneest.
Alleen door rustig te schijnen
  Ben ik ook rustig geweest.


 Jacqueline E. van der Waals
 

16. Heb mij lief, gelijk ik ben


Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
- Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn -
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen.  Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel....
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of - als gij praten wilt - spreekt gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen....

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek - of naar het klokgetik -
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
- Die ruischt zo prettig, als de menschen zwijgen -
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
- Of na ons gesprek - verbreken met mijn vraag:
"Zeg, zijt ge ook blij, dat ik naast u zit?"
Spraakt ge dan "Ja", dan zei ik zacht: "Ik ook" ...


En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.

Jacqueline E. van der Waals

 

#17. Gebed bij de harde dood

In memoriam O.-J. P.

O Heer, het wordt nu tijd, wellicht, U aan te roepen
Men weet niet goed... De vrees voor 't einde blijft bestaan.
De dood vergeet ons nooit. Men moet beproeven
een al te grote doodsstrijd te ontgaan.
De dood doet de arme mens naar vrome leugens zoeken.

Gij, Heer, Gij zetelt hoger dan de dood, daarboven,
dan 't zelfde eind, altijd, van ieder lot.
De stervenden die roepen, werden eerst geboren,
Gij waart steeds, onverstoorbaar, in uw rol van God,
De Zoon des Mensen, vond, tot hier, de liefste logen.

Zijn dood was hard, hij kon er iets voor krijgen,
hij werd Zoon Gods en Onze-Lieve-Heer.
Hij wist de dood, zei men, zo stervend te bestrijden,
hij overwon de dood en wat niet meer?
Het blijft een aaklig iets, te hijgen en verstijven.

Het blijft een aaklig iets, naar 't eigen hart te luistren,
te weten dat men dood is, als het stil blijft staan.
De spierknobbel met kleppen waardoor 't bloed moet spuiten,
die rustloos vijftig, zestig jaar kan slaan,
en soms opeens uiteenspat, als een vat in duigen.

't Is heus wat anders dan zich laten baren;
men meet de dood soms na, bij vol verstand.
Tegen de vijf die suffend, zat van dagen,
gelijk een nachtkaars uitgaan, opgebrand,
zijn honderd die gefolterd in hun doodszweet baden.

De dood is niets misschien, het doodgaan alles.
En zij die de englen zien, een glimlach op 't gelaat,
en zij die vol berusting in het niet-zijn vallen,
zij maken wat zij kunnen van hun poovre staat.
Het blijft de wrede strijd van duive tegen valk.

Ik had een vriend, o Heer, wiens hart was uitgezwollen
tot bijna driemaal, de omvang van een mensenhart,
men heeft hem, toen hij sterven ging, bevochten,
hij wou zijn hoofd in twee slaan om de barst,
het trage barsten van dat hart niet meer te volgen.

Ik had een andre vriend die met verrotte longen
trotseren moest het vlijmen van de scherpe kou,
in een verlaten tuin, waar ongestoord het domme
systeem zijn vreugde wurgde en niet verjagen zou
de dood die eens zijn moeder meegaf aan haar jongen.

Het is voorwaar geen wonder als de rede
ons bij de doodgedachte dringt naar zelfmoord.
Het mes van Jack the Ripper was een zegen,
o, onvoorziene dood die nauwelijks stoort!
De meesterlijke moord zij grotelijks geprezen.

Want zelfmoord, Heer, is moeilijk, wil niet altijd slagen,
Cleopatra en de adder waren beiden sterk,
het gif van Mithradates deed hem angstig braken,
een slaaf, met beevrig zwaard, volbracht het werk.
Een zelfmoord is verzekerd tot de keus van 't wapen.

De dood is vriendlijker, wellicht, in de ongelukken
die dagelijks de brave burger grieven:
de motorrijder die zich reed in stukken,
de machinist door twee locomotieven
vermorzeld wijl hij even stond te dutten,

De metselaar die van de ladder stortte,
wiens hoofd sloeg op de keien tot een omelet,
en de arbeider, in een machien getrokken,
die, voordat men één wiel had stopgezet,
als nameloos gehakt alweer was uitgeworpen.

De kleine meisjes die door de ijslaag schoten,
wier doodskreet tot een sliertje stroom bevroos
en naar wier lijkjes niemand heeft gedoken,
het kind uit de achterbuurt dat achteloos
met kokend water, telkens weer, wordt overgoten.

Bepaald, de dood is vriendlijker voor de arme mensen,
zij sterven makkelijker, zijn meer met hem vertrouwd.
Hij geeft ze lachjes, knipoogjes en wenken,
de vrees voor wat men dikwijls ziet, verflauwt.
De dood lijkt haast een doel, voor hen die dood zich werken.

De dood is de gezel der lange wintermaanden,
plichtmatig, zoals zij, voor de armen op het land.
Zij zwoegen rustig voort, zij strooien nieuwe zaden,
en rustig, als een veldbloem door een kinderhand,
plukt hij een zwoeger weg van de omgeploegde aarde.

De dronken vagebond, die lacht onder het kwijlen,
en kwijlend lachend loopt onder een volle trein,
de blinde bedelaar, te oud om te overlijden,
die op een heldre nacht zijn nek breekt zonder pijn,
het is de moeite niet naar zo'n dood om te kijken.

De werklijk harde dood daalt neer in verenbedden,
en vlijt zich lang en zwaar tegen een zachte borst,
en kust een zachte mond om 't aadmen te beletten,
en knijpt een zachte keel die nauw en gloeiend wordt,
en luistert naar het hart dat zich nog blijft verzetten.

Een dood die tellen mag, is wulps als een hectaere,
doch traag en zeer ervaren als een succubus.
Hij snuift de droppen zweet in die op 't voorhoofd paarlen
en drinkt de laatste adem met een diepe kus.
Hij schat de patiënt altijd op de juiste waarde.

Hij is volmaakt beleefd en kondigt zijn bezoeken
soms weken lang vooruit zijn uitverkoornen aan,
die hem verkiezen, iedre fase liever proeven
dan rap en onverhoeds het leven uit te gaan.
Hij geeft hun tijd, o Heer, U vlijtig aan te roepen.

Want, Heer, zij duchten U veel méér soms dan het sterven,
zij zeggen: ''t Sterve' is kort, maar God is eindeloos!'
Zij menen dat Gij veel, veel meer van hen zult vergen
dan zo een triest sinjeur als zo een trage dood.
Gij, Heer, Gij zijt in staat hen eeuwig te verderven!

Het is geen klein verschil. Een ziel van stoom kastijden
wanneer het lijf van vlees sinds eeuwen is verrot,
het is wat anders nog dan 't schenden van wat lijken,
het is het waarborgsmerk van een heel ware God.
Een werk zo groots, o Heer, geen epos kan 't beschrijven.

Zij hebbe' elkaar vermoord om U, Heer, te verdienen,
het zondig vlees gekerfd, geradbraakt en verkoold.
Groot is, goddank, de schaar der liefdevolle lieden
die zacht de poten breken van het schaap verdoold,
en lang voor 't stervensuur uw paradijs verwierven.

Verwonder U dus niet wanneer zij daaglijks janken,
zij die U vrezen 't zeerst, zijn ook Uw ware trouwen.
Tussen de man die meent alleen te mogen danken
en hij die U slechts roept in 't klamme doodsbenauwen,
tussen die schobbers, Heer, zijn duizend overgangen.

En als ik minder bid dan de echte katholieken,
of de echte protestanten, die 't niet minder doen,
het is om van een schaars gebed tienvoudig te genieten
en uit bescheidenheid. Het afgeblaat sermoen,
ik ben er zeker van, is niet naar uw believen.

Ik heb U, Heer, naar 'k hoop, ditmaal met recht gebeden,
ik ben geen twijfelaar, Heer, voorwaar geen twijfelaar!
De twijfel is te slim en hindert mijn geweten,
ik heb niets uit te staan met deze handelswaar,
als zij die koster zijn en Urbanus heten.

Heb ik gezondigd tegen 't tweede der geboden?
Ik riep U met in mij het schroeiendste venijn
dat ooit uit mensenhart vervloeide in mensenwoorden,
de vrees, de grote vrees in 't afgeschuurd refrein:
De dood, de dood, de dood, het doodgaan, en de doden.

De dood is altijd kort, duurt hoogstens ;e;en seconde,
men is dood of niet dood, zoals Stendhal ons leert.
De foltering vooraf is langer aan de orde,
en iemand die, als Job, ontzaglijk blasfemeert,
kan zeggen: 'God mijn Heer, dit is Uw grootste zonde!'

Maar als ik mij verstout U op de dood te wijzen,
dat is het wijl ik denk dat Gij hem soms vergeet.
Zend mij een leugen, Heer, als ik met hem zal strijden,
een leugen, groot als de ernst die 'k in deez' verzen deed.
Want de ironie, zegt men, schaadt aan de poezije.

Maart '28  E. du Perron




18. KINDERGEDACHTEN

Het regent - o wat regent het!
Ik hoor het uit mijn warme bed,
Ik hoor den regen zingen, -
Het regent, regent dat het giet -
Dat niemand daar nou iets van ziet,
Van al die donkre dingen!

Het ruischt en regent en het spat -
Nou worden alle boomen nat
En plast het in de slooten, -
Het regent over- Overal -!
O he! - daar loopt het zeker al
Bij straaltjes uit de goten !

Wat is dat gek en leuk geluid!
Wat is het lekker om dat uit
je donker bed te hooren: -
't Is of de regen samen praat,
Of dat een kerel buiten staat
Te fluistren aan je ooren.

Nou druipt het in dat open gras
Nou zal er wel een groote plas
Op alle wegen komen, -
Nou loopen nergens menschen meer
Verbeeld je eens: in zoo een weer -!
Daar wou ik wel van droomen.

En vroeg, morge' in den zonneschijn,
Als dan de blaadjes zilver zijn,
Met droppeltjes bepereld -
Dan doe ik toch mijn eigen zin: -
Dan loop ik heel - en heel ver in
Die schoongeworden wereld !


Carel Steven Adama van Scheltema


19. De wilgen

Daar waren eens zeven wilgen
  In ene boerenwei.
Die droegen grote pruiken op
Hun oude harde houten kop
  En stonden op een rij.
    En hunne pruik met haren
    Die kwam nooit tot bedaren-
Zij knikten al maar: "ja en neen,"
Wat dat beduidde, wist er geen!

Toen kwamen er heel veel vogeltjes-
  Die bouwden daar hun nest,
  Die woonden allen paar aan paar,
  En leefden leutig met elkaar,
  En vonden 't opperbest.
    En ieder zong een liedje-
  Van wiede-wiede-wiede,-
Maar al de wilgen riepen: "Och,
Wat schreeuwen daar die vogels toch!"

Toen kwam de wilde wervelwind-
  Die ziet ze daar zo staan,
En draait zich driemaal om, en ziet:
"Wat's dat nou voor parmantigheid!"
  En waait zo op ze aan:-
    Eerst deden ze nog deftig.
  Maar 't werd hun gauw te heftig-
Toen riepen ze allen door mekaar:
"O jeminee wat is dat naar!"

Toen kwam een grote regenbui-
  Die keek heel boos, en zei:
"Die pruiken vind ik veel te hoog,
Dat's geen fatsoen, die zijn te droog-
  Daar moet wat water bij!"
    De wilgen snikten en steenden:
    "Wat is dat nat -- ze weenden!
"O! riepen ze met 'n lang gezicht,
"Nee, dat vergeten we niet licht!"

Toen kwam een dikke bonte koe-
  Die snoof zo's en zei:"Wel
Zo'n wilgebladje mag ik graag,
Da's juit goed voor een volle maag
  En voor een zwak gestel!
    'k Mag zeker van uw pruiken
  Wel 'n kleinigheid gebruiken?"-
De wilgen zuchtten elkander toe:
"Wat zeg je nou van zó een koe!"

Toen werd op 't laatst hun pruikebol
  Zo alleraakligst lang,
Dat iedereen van schrik wegliep-
De vogels riepen:"Piep piep piep"
  En werden ook al bang.
    En ieder zei:"wat vreeslijk!
    Dat's zeker ongeneeslijk!"
De wilgen dachten:"Dat's juist fijn,
't Bewijst dat wij van adel zijn!"

Toen kwam de boerenkapper aan,
  Die had een lange schaar-
En knipte met een grote hap,
Zo maar op éénmaal: knip-knip-knap,
  Door àl dat wilgenhaar!
    Zij schrokken zelf verbazend,
    Maar de andren lachten razend,
En riepen allemaal brutaal:
"Wat bennen jullie nou weer kaal!"

Carel Steven Adama van Scheltema