Gedichten hoeven niet altijd ernstig te zijn, soms zie je de dichter knipogen.

01. Eendjes voeren - 02. Letterlijk - 03. Bruiloftsdicht -  04. Adam en Eva-  05. De catechismus van Steiner – 06. Dan maar dik – 07. Het zuur -  08. Ze komen samen niet meer terug - 09. De nieuwe kleren van de Keizer - 10. Aan Rika - 11. Cheops' ontwaken - 12. De Friesche poëet - 13. Boutade - 14. Ik ben zo blij - 15. Bons - 16. Wie dit leest... - 17. De regenworm en zijn moeder - 18. Knopenrijm - 19. Brave ouders - 20. IX - 21. De Krekel en de Mier - 22. Vier uur ’s morgens - 23. Dat heertje met zijn witte das – 24. Spleen – 25. Herfstliedje - 26. Klein Jantje – 27. De ballade van Arie Hop - 28. Tussen de regels door - 29. De bozige bij - 30. Avondgebedje van een ondeugende teckel. - 31. Internet - 32. Op doorreis door Vlaanderen -

 
 
 01. Eendjes voeren


De laatste tijd had mams een manie
van maar naar het park te gaan.
Elke middag trok mijn mammie
mij m'n warmste kleertjes aan.
Want, zei mammie, in de winter
geven wij de eendjes brood.
Anders gaan die lieve eendjes
allemaal van honger dood.

Onderweg liep zij steeds vlugger,
ik hield haar maar met moeite bij.
Ik kwam in het park buiten adem,
maar mama was opgelucht en blij.
Ze gaf mij het plastic zakje,
waar het eendenbrood in zat.
En dan liep ik naar het wak toe,
terwijl mammie op het bankje zat.

Terwijl ik de eendjes brood moest voeren,
praatte zij met een meneer.
Die meneer was blijkbaar grappig
en hij was er telkens weer,
net als de zwaan, en bij het voeren
stond dat beest altijd vooraan.
Vaak begon hij kwaad te blazen,
ook al had ik niks gedaan.

Eénmaal heeft de zwaan gebeten,
m'n handje deed toen wel erg zeer.
Ik hoorde mams juist schaterlachen
om die grappige meneer.
Toen moest ik nog veel harder huilen,
mammie had geen oog voor mij.
Terwijl ik naar het bankje holde,
maakte mams haar handen vrij.

Die meneer heet nou Oom Stefan
en we wonen in zijn huis.
Soms voel ik me heel verdrietig,
maar we blijven 's middags thuis.
Zondagsmiddags komt m'n pappie
die wil met mij naar het park toegaan.
En dan durf ik niet te zeggen,
dat ik bang ben voor de zwaan.

Hans Dorrestijn - De grijsaard en de jongeling


 *****

02. Letterlijk

‘Geachte Heer, ik moet u danken
voor het postpakket dat ik ontving.
Maar u vergeeft mij ongetwijfeld
een zekere teleurstelling.

Toen ik de hand vroeg van uw dochter,
die ik hartstochtelijk bemin,
deed ik zulks niet in letterlijke,
doch overdrachtelijke zin.’

Daan Zonderland (1909-1977)

 *****
 
03. Bruiloftsdicht

If all the world were apples.
And all the seas were ink.
And all the trees,
Were bread and cheese,
What should we have to drink? -
It is enough to make an old
man scratch his head and...
think! -

Als heel de wereld biefstuk was
En louter stroop de zee
En enkel Engelsch schoenensmeer
Vulde elke beek en ieder meer
Waar lescht ge uw dorst dan mee?
Dit is genoeg voor een oud man om zich het hoofd
te krabben tot hij zich zeer dee.

Als heel de wereld biefstuk was
En ieder boom een worst
En elke beek en ieder meer
Was boordevol van schoenensmeer
Hoe stilde ik dan mijn dorst?
En krabt een oud man zich
de ooren van 't hoofd
eer hij dat heeft uitgevorscht.

Als heel de wereld biefstuk was
En stroop heel de oceaan
En nergens groeide er aan een tak
Dan louter koek en pruimtabak
Hoe woudt ge uw dorst verslaan?
Dit is genoeg voor een oud (knap) man om achter zijn
ooren te krabben en aan 't suffen te gaan.

Als nergens op het wereldrond
Druif groeide of gerstekorrel
En schoensmeer dan het eenig vocht
Dat ge ergens vondt - waar gij ook zocht
Wie hielp mij aan een borrel?
Dat is genoeg om zeven professoren
Zeven jaren lang te doen krabben achter de ooren.

Piet Paaltjens. Uitgesproken bij het huwelijk, in maart 1893, van de dochter van zijn vriend
Van Duijl (redacteur van het Algemeen Handelsblad) met de Engelsman Harry Wells Tarrant.

 
*****
 
04. Adam en Eva

Adam en Eva,
Die aten samen gort.
Adam had een broekjen aan
En Eva droeg een schort.
Als ik mij niet zéér vergis,
Is dat lang geleden,
Maar het ging (of 'k heb het mis!)
Toen al net als heden.
Eva's die de broek aanhebben,
Zijn de rechte Eva's niet,
En een Adam met een schort voor
Noemde men een keukenpiet.
Wat de kroon is voor een koning,
Voor de huisvrouw is haar schort.
Draag de uwe steeds met eere,
En 't ontbreekt u nooit aan - gort.

Piet Paaltjens. 1835-1894
 
  *****
 
 05. De catechismus van Steiner

'k Ben stukken minder treurig,
spaar daag'lijks liters tranen
sinds ik in Gort geloof,
in Gierst en Hoog're Granen!

Niet één geloof voldeed de maag:
'k bleef leeg bij die verhalen.
Maar 't woord is Gort geworden,
Lijnzaad en Loverendale.

O, 't darmkanaal kwam veel te kort
bij hostie, monstrans, mis.
En mijn bewustzijn lag verdord
als de Aarde vóór Genesis

Maar nú heb ik alles op mijn bord
wat in de Heem'len is
sinds ik geloof in Gort
die in de Zeem'len is!
 
Lévi Weemoedt
 
 
 *****
  
06. Dan maar dik

Ik hou van aardappels en sju met veel gehak,
ik hou van rolpens en van varkenscoteletten,
ik hou van koffie met veel suiker en gebak,
ik hou van pudding en van warreme kroketten.
En as ik dik wor, nou, dan moet dat maar gebeure,
ik zal beslist niet over kallerieën zeuren.

En zonder taartjes is het leven veel te grau
en as je honger heb, dan wor je zo humeurig.
U moet maar denken as u dikker wordt, mevrouw,
je kan nog beter lekker mollig zijn dan treurig.
En as ik dik wor, nou, dan zal ik het wel merke,
ik ga m'n leve niet met rauwe groente werken.

An mijn lijf geen dijeet,
ik blijf ete wat ik eet
en ik doe niet aan de lijn,
al weeg ik tweehonderd pond.
Ik zeg maar: ete is gezond,
ik lus geen kropsla met azijn.
U moet maar denke, net als ik:
dan maar dik,
dan maar dik,
dan maar dik.

Annie M.G. Schmidt.
Uit: Tot hier toe. Querido 1986
 
 *****
 
07. Het zuur

Met zuur was 't kind van Piet gekweld:
Piet gaf het zoete koek; want, sprak hij, zeker 't geldt,
Dat slechts het zoet,
Het zuur bedaren doet.

Maar 't kind werd zieker nog. Een dokter werd gehaald.
Hij zeide: Piet! gij hebt gedwaald.
't Is zo niet goed:
Zie! 't zoetste zoet
Wekt, op den duur,
Het scherpste zuur.
Ha! riep nu Piet,
Dat wist ik niet!

Maar 't is juist als gij zegt; dat heb ik ondervonden!
Hoor, dokter! voor ik werd aan Klara vastgebonden,
Was zij mijn levenslust, haar kus was honingzoet:
Maar thans kwelt zij mij meer, dan 't zuur mijn kindje doet.

Janus Conradus Pruimers. 1821
 
*****


08. Ze komen samen niet meer terug


Ik was de vis
Jij was het meer
Ze komen samen niet meer terug
Ik was de wind
Jij was de bloem
Ze komen samen niet meer terug

Ik was de lucht
Jij het gewas
Ik kuste je koren en je gras
Ik was de mist
Jij was de dauw
Ze komen samen niet meer terug

Ik was de maan
Jij was het meer
Ze komen samen niet meer terug
Ik was de zon
Jij was het land
Ik kuste je velden en je strand

Ik was de man
Jij was de vrouw
Ze komen samen niet meer terug

Ramses Shaffy
 
*****


09. De nieuwe kleren van de keizer
 
's Keizers kleermaker, mijnheer Grijs,
had zijn zaak naast het paleis.
Zo kon de keizer wel twaalf keer
elke dag naar hem heen en weer.
Want hij was verzot op kleren:
pakken, mantels, hoeden, veren,
gestikte vesten van rode zij,
paarlen knoopjes op een rij...

Het paleis was vol goud en pilaren,
en lakeien en kamerdienaren,
die de hele dag niets anders deden
dan persen, strijken en de keizer kleden.
Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn
voor 'n keizer met 'n minibrein..
Bij hem kwamen op de eerste plaats
zijn kleren, en de mensen 't laatst.
Neem nou de lakei die per ongeluk
iets morste op een kledingstuk.
Hij werd dadelijk in het openbaar
opgehangen aan zijn haar.

Een andere lakei, die jammer genoeg
bij het borstelen 'n pluisje oversloeg,
werd levend gekookt, net als een kreeft,
iets wat men maar zelden overleeft.
De dienaar die wat snuif had gemorst
op de gouden mouwrand van de vorst
werd vermalen in een machine
tot eersteklas dieetmargarine.

't Volk had hem 't liefst zelf gepakt,
gevierendeeld en in mootjes gehakt.
Dus kwamen twaalf slimme mannen,
stiekem bijeen voor snode plannen.
Hun bedoeling was die grote
smeerlap van de troon te stoten.
De slimste van hen riep op een nacht:
'Ik heb een prachtig plan bedacht!
Ga met mij mee tot op de hoek
bij 's keizers kleermaker op bezoek
om hem haarfijn uit te leggen
wat te doen en wat te zeggen.'

Het plan werd heel goed voorbereid,
de samenzwering was een feit.

't Werd winter, met veel sneeuw dat jaar.
De wrede keizer ging dagelijks naar
de heuvelrug. Daar skiede hij
in haute couture ski-kledij.
Op weg daarheen ging hij heel vaak
even langs de kleermakerszaak.
Heer Grijs riep uit: 'O majesteit!
U komt vandaag precies op tijd!
Eindelijk, na jaren, heb ik het:
een stof, geweven in Tibet,
zo goddelijk mooi, zo rag- en ragfijn
als stoffen maar hoogstzelden zijn!
Iets uit een fabel of sprookje misschien.
Zoiets moois hebt u nog nooit gezien!'
'Wat een geluk!' riep de tiran.
'Ik koop er iedere meter van!'

De kleermaker boog diep en zei:
'O sire, 't lijkt tovenarij.
Ook bij strenge vorst houdt deze stof
u net zo lekker warm alsof
u binnen audiëntie houdt
in een bedje van gesmolten goud.
Bij 'n noordenwind als een orkaan
behoeft u niets eronder aan.'
De keizer zei meteen: 'O dan
wil ik er wel een skipak van.
En jassen, twee: één lang, één kort.
't Maakt niet uit hoe duur het wordt.
Laat zien dat spul. Ja, haal 't maar.
Ik ben er heel nieuwsgierig naar.'

De kleermaker deed heel verbaasd:
'Maar sire, kijk! U staat ernaast.'
De keizer riep: 'Waar is het dan?'
'Hier, sire, ik heb het in mijn hand.'
De keizer rukte aan zijn haar
en gilde: 'Waar dan? Waar? Waar? Waar?'
De kleermaker zei: 'Niet zo snel,
wacht tot ik u over de stof vertel.
Hij is onzichtbaar voor idioten,
voor stommelingen en malloten.
Voor een dwaas, een hypocriet,
bestaat de stof eenvoudig niet.
Maar u, zo slim, zo wijs en goed,
glimt hij ongetwijfeld tegemoet!'

Op dat moment ging de voordeur open
en kwamen de twaalf binnenlopen
en riepen: 'Mooie stof is dat,
ik wou dat ik daar een pak van had!'
Heer Grijs met 'n gespeelde zucht,
hief lege handen in de lucht, en zei:
'Nee, heren. Tot mijn spijt
is dit slechts voor zijne majesteit.'

Om niet te verraden hoe stom hij was
deed de keizer uitzinnig in zijn sas.
'Is het niet goddelijk,' jubelde hij.
'En dat is allemaal voor mij!
Ik wil er graag een skipak van
en alles wat er nog meer uit kan.'

De slimme mannen riepen in koor:
'O majesteit, u was ons voor!
Wat zult u warm zijn in dat spul
bij twintig graden onder nul.'
De dag erop kwam kleermaker Grijs
het pak laten passen in het paleis
vergezeld van de twaalf man
ter ondersteuning van het plan.
'Sire,' zei Grijs, 'trek alles uit,
dit pak is zo warm op de huid
er hoeft niets onder, grote vorst,
zelfs geen haren op uw borst.'

De kleermaker maakte volgens plan
er een compleet toneelstuk van
de blote keizerlijke oen
helemaal niets aan te doen.
'Goed zo, sire. Hier uw arm.
Nu de rits. Voelt dat niet warm?
Trekt het niet? Zit het hier goed?
Of vindt u dat 't wijder moet?'
Vóór de kleermaker zo bezield
de domme keizer bezighield
hadden de slimme mannen net
de verwarming extra hoog gezet.
Al had de keizer buiten kijf
geen ene draad meer aan zijn lijf,
hij begon te zweten en te hijgen.
'Dat ik 't zo heet zou krijgen,
had 'k nooit gedacht, 't Is speciaal
voor in de sneeuw echt ideaal.'

Toen plots verscheen de keizerin
met haar gehele hofhouding.
Ze staarden stil met open mond
naar des keizers blote kont.
Hij draaide rond zo naakt als wat
zonder zelfs een vijgenblad,
en riep koket: 'Kijk, Albertien!
Zo'n pak heb jij nog nooit gezien!'
De hofdames slaakten hoge kreetjes,
knepen hun ogen toe tot spleetjes
terwijl hun gretige blikken gleden
over des keizers heerlijkheden.

'Kijk nou!' riep een brutaal wicht.
'Wat een vorstelijk gezicht!'
De keizerin verliet de zaal.
Zij kende het al allemaal.De keizer riep hun na: 'Zeg hé!
Ik ga skiën. Wie gaat mee?'
Zij schudden hun hoofd en hup daar ging
de keizer naakt naar de skihelling.
Hij deed zijn ski's aan en skiede vlug
in de richting van de heuvelrug.
Zo kon het gebeuren dat alras
de keizer stijfbevroren was.

Het hele land jubelde blij.
'Nu zijn we eindelijk vorstvrij!'

Roald Dahl
 
*****
 
10. Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein,
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
Het eindloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,
En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder helsch geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjes.


*****

11. Cheops' ontwaken

Voor een mummie is het leven
even ingewikkeld als de dood.
Na enkele millennia geborgenheid
in zijn grote stenen ijskast
loopt de wekker van de kosmos af
en ontwaakt hij door het licht
van duizend sterren
op zijn uitgedroogd gezicht.

Dan hijst hij zich de crypte uit
en legt het gouden masker weg:
hij rekt en strekt de stramme leden,
kamt de scarabeeën uit zijn haar,
zoekt hier en daar wat potten
bruine ingewanden bij elkaar
en zet een ketel onvoorstelbaar
muffe koffie van zijn windsels.

Geveltoeristen en archeologen
smijten vijf minuten later
schop en spade op de grond
en rennen voor hun leven
de woestijn in - schorpioenen
visioenen op hun netvlies
van een neuriënde mummie
aan zijn ochtendgymnastiek.

De mummie kijkt ze na en denkt
iets droevigs in het Oudegyptisch.
Eeuwenoude tranen wellen op
in zijn ontvleesde kassen.
Verdoofd, verlaten en verschopt,
het dodenschip van Ra gemist
stapt hij die avond in zijn kist:
vijfenveertig eeuwen
en nooit opgevist.

INGMAR HEYTZE
 
*****

12. De Friesche poëet
 


I

De Harlinger stoomboot schommelt
Over de Zuiderzee
Van Stavoren naar Enkhuizen.
Een dichter schommelt mee.

Kwijnend rust op de verschansing
De zangrige elleboog.
Glazig staart naar Friesland
Het bleekblauw poëtenoog.

Soms ook is 't, of een klaaglied
De schampere lippen ontstijgt.
De hofmeester denkt, dat mijnheer dan
Een aanval van zeeziekte krijgt.

Och, de hofmeester is niet onmooglijk
Een mensch met een edel hart,
Maar, al meent hij het goed, hij heeft geen
Verstand van dichterssmart.

En ik denk, dat is maar goed ook;
Want kende de man die pijn,
Hoe zou hij nog voor de betrekking
Van hofmeester bruikbaar zijn? -

‘Vaarwel!’ ruischt het van de verschansing
Naar het langzaam wegblauwend strand,
‘Vaarwel! mijn diepverbasterd,
En toch mijn vaderland!

Wat al waatren rolden grimmig
Uw vernederde terpen voorbij,
Sinds in eigen taal uw kindren
Konden zeggen: "wij, Friezen, zijn vrij!”

Naar ploeg en koestal vluchtte
Uw taal, eenmaal Holland's schrik,
Om uw steden te zien verzinken
In allerlei vreemde kwik.

Uw adel ligt op sterven;
Dat prachtige, koppige ras,
Dat, om voor een koning te buigen,
Te stijf eens van knieën was.

En begraven zijn ze op een paar na
Uw dochters van edel bloed
Met het oorijzer om den schedel
En de schaatsen onder den voet.

Friesche jonkers solliciteeren
Om een postjen als ambtenaar
En nemen zich tot vrouwen
Friezinnen - met los haar!’

Een ontzaglijk-hoonende tandknars
Bezegelt het slotaccoord,
En ‘help!’ gilt de man aan het stuurrad,
‘Een passagier overboord!’

Te laat! De poëet is verdwenen
In de diepte van 't dansende meer.
Slechts zijn pet vindt men acht dagen later
Op de kust van Wieringen weer.

II

In overoude tijden,
Toen men nog geen stoombooten had,
Lag er halfweg tusschen Enkhuizen
En Staavren een bloeiende stad.

Haar koene schippers brachten
Haar schatten van heinde en veer,
En onder haar kooplui telde
Zij meer dan één millionair.

Maar - wat men meer ziet gebeuren -
't Geld maakte haar kooplieden grootsch.
Toen streken de elementen
Over haar het vonnis des doods.

Op zeekren morgen kon men
In de Leeuwarder krant zien staan,
Hoe het trotsche Oud-Staavren eensklaps
In de Zuiderzee was vergaan.

Sinds verliepen er honderden jaren;
En men hield het er algemeen voor,
De bodem der zee droeg langer
Van Oud-Staavren geen enkel spoor.

Slechts vond men er nog op Schokland,
Die zwoeren bij kris en bij kras,
Dat er onder in de diepte
Nog heel wat van over was.

Een oude visscher beweerde:
Hij was dikwijls door klokgelui,
Dat uit de zee opkwam, gewaarschuwd
Voor een naderende onweersbui.

De torenklok van Oud-Staavren,
Die moest dat hebben gedaan.
Had zijn vader niet eens het uurwerk
In dien toren halfacht hooren slaan?

III

De dichter is verdwenen
In de diepte van 't dansende meer.
Hij zinkt als een steen. En eindlijk
Komt hij in Oud-Stavoren neer.

Want, ja, wat die goede Schokkers
In hun eenvoud steeds hebben beweerd,
Dat is waar: de verdronken koopstad
Bestaat nog ongedeerd.

Haar muren zijn nog stevig;
Haar torens zijn nog hoog;
Slechts is er alles druipnat,
Wat er eenmaal als kurk was zoo droog.

En op haar pleinen en straten,
Van menschengedruis eens vol,
Daar zwemmen nu stilzwijgend
Tarbot en schelvisch en schol.

In haar achterbuurten leeft het
Van krab en slak en garnaal,
En kabeljauw vult met bruinvisch
Op het raadhuis de groote zaal. -

Tot allerlei bochten zich wringend
En van benauwdheid loodblauw,
Zinkt de dichter-drenkling neder
Op de stoep van een deftig gebouw.

Stuiptrekkend beweegt hij den klopper.
O wonder! de poortdeur wijkt,
En de zanger drijft den gang in.
Maar hij is daar niet, of hij bezwijkt.

IV

Hoelang de gezonken poëet wel
Bewustloos gelegen heeft,
Dat zou ik niet kunnen zeggen.
Genoeg, - de man herleeft.

Hij heft de gevoelvolle blikken,
Maar twijfelt schier aan hun trouw;
Vlak toch tegenover zich ziet hij
Een wonderschoone vrouw.

Haar gitzwarte lokken golven
Langs een voorhoofd van elpenbeen
Over leliewitte schouders
En een sneeuwblanken boezem heen.

Haar wenkbrauwen buigen zich prachtig
Boven oogen van lazuur,
Beschaduwd door zware wimpers
En tintlend van prettig vuur.

Een neusje, Venus waardig,
Scheidt haar wangen, wier zachte gloed
De rozen beschaamt, maar voor 't blosje
Van haar lipjes nog tanen moet.

Ivoren tandjes glinstren,
Zoo vaak haar mondje lacht;
En de mollige kin bergt een kuiltje,
Dat stil naar een kusje smacht.

V

De dichter begrijpt er niets van;
Maar eindelijk waagt hij het toch
De vreemde schoone te vragen:
‘Waar ben ik?’ en ‘leef ik nog?’

En als kristal klinkt haar antwoord:
‘Mijn lieve landgenoot,
Gij zit hier in Oud-Staavren,
En ge zijt volstrekt niet dood.

Gelukkig voor u bewoon ik
Hier een waterdicht lokaal,
Waar ik versche lucht kan krijgen
Door een onderzeesch kanaal.

Nog even bijtijds ontdekte ik,
Hoe gij sparteldet op de stoep...
Doch al praatjes genoeg! Gij hebt honger,
Eet dus eerst eens dit bordje soep.

Dat zal u goeddoen, mijn jongen!
Ik zelf heb ze klaargemaakt.
En drink er dit glas Pommies bij;
Die weet ik dat lekker smaakt.

Ga u daarna eens goed verdrogen,
En - kom dan in mijn arm;
Dan, voor den drommel, kus ik
U nog eens ouderwets warm!’

VI

‘Vergeef mij,’ huivert de dichter,
‘'t Is onbescheiden misschien,
Maar mag ik ook vragen, wat dame
Ik de eer heb vóór mij te zien?’ -

En de schoone glimlacht: ‘Wel zeker!
- Maar eet ondertusschen voort, -
Ik ben dat weeuwtje van Staavren,
Daar ge mooglijk wel van hebt gehoord;

Die een lading Dantziger tarwe
Aan stuurboord in zee werpen liet...
Maar, man, waar wordt ge zoo bleek van?
Dat hindert u, hoop ik, toch niet?’ -

‘Dat geval met die Dantziger tarwe,
Mevrouw, is te lang geleên,
Om mij nu nog te kunnen hindren,
Al was het dan ook - gemeen.

Maar wat mij van lust om te eten
En om u te kussen berooft.
Is, dat gij, geboren Friezinne,
Geen oorijzer draagt om uw hoofd.

Maar wat mij zóó vreeslijk ergert,
Dat de wang er mij van verbleekt
Is, dat ook het weeuwtje van Staavren
Gebroken-Hollandsch spreekt.

Verbasterd is mijn Friesland
Tot op den bodem der zee.
Ik heb genoeg van het leven.
Drink zelf uw flesch Pommies.

Zoo galmt de rampzalige dichter
En vliegt de voordeur uit.
Nog een korte strijd, - en de haaien
Verdeelen hun zangrigen buit.

Piet Paaltjes 1852
 
*****

13. Boutade

 
O land van mest en mist, van vuile, koude regen,
Doorsijperd stukske grond, vol kille dauwen damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol plicht en paraplu's, vol kiespijn en vol kramp!

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen
van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoön,
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
Ontvang de najaarsgroet van uw verkouden zoon!

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê
Trek overschoenen aan, Gewijde Grond der Vaderen,
Gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee.

P.A. de Genestet
 
*****
 
14. Ik ben zo blij
 
Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben.
Nu zal ik weer veel verzen kunnen schrijven.
nu zal ik weer de poëzie bedrijven.
Want wààr verdriet alleen beweegt mijn pen.
 
Ik ben U dankbaar, Heer, voor deze traan.
Nu kan ik wenen, vrolijk en vol ijver.
Ik heb het nodig, want ik ben een schrijver.
Van vreugd en lachen kan geen kunst bestaan.

Ik zie de bloemen en ik voel de zon.
Maar bloemen worden in de knop gebroken
en achter wolken zit de zon verdoken
- Goddank! - zo vaak dat ik nog dichten kon.

Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben.
o Heer, gij die de weemoed hebt geschapen,
laat mij toch nooit te veel aan vreugde rapen.
En als het moet, breek dan desnoods mijn pen.

Gaston Durnez
 
*****

15. Bons

Liefje, je hebt me nooit gezegd waarom
je mij zonder pardon hebt laten zitten.
Ons huis was bijna klaar, ik vind het stom,
ik moest alleen nog maar mijn kelder witten.

Nu geef je mij de bons! Wat moet ik doen?
Ik kan toch met die bons niet verder leven!
Ik schaam me dood als ik soms na de noen
die bons bezie die jij me hebt gegeven.

Daarom verzoek ik dringend en beleefd
je bons zo vlug het kan te komen halen.
Het is een ding waar niemand wat aan heeft,
en als het moet zal ik de helft betalen.

Louis Verbeeck
 
*****

16. Wie dit leest...

De titel die hierboven staat
is slechts bedoeld als goede raad
en dwars is hij of zwak van geest,
die desondanks nog verder leest.

Wie hier niet stopt verknoeit zijn tijd
aan zouteloze aardigheid,
want wat nu volgt heeft kop noch staart
en is het sop in de kool niet waard.

Verder lezen heeft geen zin,
er staat geen zinnig woord meer in.

Dwing dus U zelf om hier te stoppen,
de rest is slechts om U te foppen,
om U - gelijk men doet met gekken -,
diep door de cacao te trekken,
erger nog, om U te honen
door zwart op wit hier aan te tonen
dat U geen flinke meid of vent
doch slechts een slap stuk weekdier bent,
een ouwe bet, die ernstig lijdt
aan ziek’lijke nieuwsgierigheid,
die niet wil luist’ren naar mijn raad,
doch plomp verloren verder gaat
mijn woorden aan zijn laars te lappen
en wederom er in te trappen.
.
.
.
.
.
.
 
Hoe nu? Zit U nu nog te lezen?
Dan doet mij dit het ergste vrezen.
Recht van leden, ja, recht van lijf,
maar hebt U ze wel alle vijf?
Wat moet het akelig donker zijn
daar binnen in dat vogelbrein!

Hier valt U lelijk door de mand
met dit vertoon van onverstand,
dit staaltje onbenulligheid
dat werkelijk ten hemel schreit.

Gelukkig slaat dit niet op U
want mensen met een hoog IQ.,
dat zijn de lui die beter weten,
die deze kul het raam uit smeten,
en wel onmidd'lijk bij 't begin,
die mensen trapten er niet in.

Alleen de lui die verder lazen,
maar; tja, dat zijn dan ook de dwazen,
want knettergek moet je toch wezen
om dit tot hier te blijven lezen.
 
John 'O Mill
 
*****

17. De regenworm en zijn moeder
 
Er was een regenworm in Sneek
die altijd naar de sterren keek
en fluisterde: Hoe schoon, hoe schoon...
Zijn moeder zei: Doe toch gewoon
kijk naar de grond
dat is, normaal, dat is gezond
kijk naar beneden zoals ik...
En toen? Toen kwam de leeuwerik!
 
Het wormpje dat naar boven staarde,
zag hem op tijd en kroop in de aarde,
maar moe die naar beneden keek
werd opgegeten ( daar in Sneek )
 
Dus doe nooit wat je moeder zegt,
dan komt het allemaal terecht

Annie M.G. Schmidt

****

18. Knopenrijm
 
Twee knopen aan een damesjas
Die zaten zo droevig te dromen
Ik weet nu, dat het liefde was
Dat kan elke knoop overkomen
 
Maar ach, ze zaten zo vast aan die jas
En wat ze ook rukten of deden
De bovenste knoop bleef precies waar hij was
En de onderste knoop bleef beneden
 
Maar toen op een dag riep de bovenste knoop
Of de ander – dat ben ik vergeten –
Te lang, riep die knoop, zonder enige hoop
Heb ik vlak bij mijn liefste gezeten
 
Voor het laatst heeft hij met zachte stem
Zijn vurige liefde bezongen
En toen, op het achterbalkon van een tram
Is hij van de jas af gesprongen
 
Hij viel met een plons in een donkere plas
Daar werd het geluk hem geschonken:
De andere knoop sprong hem na in de plas
En zo zijn ze samen verdronken
 
Eli Asser (Nederland, 1922)
Uit: Het zal je kind maar wezen
 
*****

19. Brave ouders.

'n Jonge man, 'n meisje teer
Die wilde, elkander trouwen...
Daar was geen and're reden veur
Als dat z' elkander wouên.
Hij was 'n zorgelooze kwant
En zij 'n argloos kind,
Die droomden zich de huw'lijksband
'n Rose zijden lint...

Gelukkig had zij nog 'n Pa,
'n Heel verstandig vader.
En bovendien nog 'n Mama,
En deze twee tegader
Die waakten voor het levensheil
Van hun geliefde dochter:
Ze kenden same 'n ouwe dweil
Met duiten. En die kocht'r.

't Jonge meisje werd ‘mevrouw’,
Maar van den dorren ouwe
Kon 't arme kind dat leven wou
En liefde zocht, niet houe.
En als 't Lente, voorjaar was,
Dan had ze oogenblikken,
Dan zocht ze buite 'n plekje in 't gras...
Daar zat ze stil te snikken.

En 't eindigde met 'n schandaal,
'n Echtbreuk en 'n scheiding -
Voor leutertantes allemaal
'n Reden tot verblijding.
De theestoof en de koffiekan,
Die zongen 't zelfde wijsje.
Want heel de stad sprak schande van
Dat zedelooze meisje.

De man, die troostte zich weldra,
Hij kocht wel gauw 'n ander...
Maar 't ergst was 't voor haar Pa en Ma,
Zoo zei men tot elkander.
Je dochter als 'n slet in huis,
Je zou 't geen vijand wenschen....
Ja, ja, zoo'n kind dat is 'n kruis
Voor zulke nette menschen.

Jean-Louis Pisuisse - Lebong,  April 1910.

*****

20. IX

O, o, mijn vriend, dat woord zal je berouwen!
Geef terug dat boek en ruil het voor een zoen.
Of moet ik hier een keer een boekje opendoen
over meneer en zijn idee van vrouwen.

'Wat een dik boek voor zo'n klein hoofd. ' Gemèèn
was dat.  Maar goed, zo zijn jouw grappen.
Je zal mij nooit op lezen meer betrappen.
(En evenmin op zeggen wat ik meen. )

Natuurlijk, schat, ik hou van jou - dàt zal ik zeggen.
En ik zal zacht zijn en gedwee en zoet
en me bij jou, als bij de feiten, nederleggen

en je zelfs strelen als dat per se moet.
Maar op een dag dan klop je op de ruit en
ben ik weg en kan je naar me fluiten.

Edna St. Vincent Millay
 
*****
 
21. De Krekel en de Mier

Jan de krekel
had een hekel
aan het werk bij zomerdag.
En hij zong maar en hij sprong maar
en vergat zijn oude dag.

Maar wat later stond zijn snater...
't was toen winter....... stil en stijf.
En 't gebeurde dat hij treurde
zonder eten in zijn lijf.

't Werd vernomen door een vrome
mier, die hem wel lijden mocht.
En die eten ongeweten
in haar magazijnen zocht.

Hier, zo zei ze, wil niet grijnzen
heb niet langer nog verdriet.
La Fontaine en de zijnen
zijn lang dood ……. zij weten 't niet.

Gaston Durnez

 *****

22. Vier uur ’s morgens

Waarom is er geen club van slapelozen?
Men is zo eenzaam als men wakker ligt.
Kijk, aan het voeteneind zit mijn neurose
en ziet mij aan met een bedroefd gezicht.

Ik heb 's nachts altijd zoveel te betalen!
Veel meer dan overdag. En ik ben bang
voor oorlog en voor ziektes en voor kwalen;
Ik tel de friemeltjes op het behang,

en ga vergeefs in mijn bewustzijn dreggen
of ik daar iets plezierigs vinden kan.
Zou 't helpen als ik verzen op ging zeggen?
Van Willem Kloos? Vooruit, daar gaat ie dan:

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
en voor den uchtend van hun
rom tom tom
ik ween om... dingen... die niet zijn ontloken
en om... Toe, nou, waar weende Willem om?

Op dit uur kan men zich tot niemand wenden.
De telefoon slaapt, leunend aan de muur.
De boeken slapen, moe van hun ellende
en ook de mensen slapen op dit uur,

en alle kindertjes, in hun pyjama's
en alle vogeltjes in het plantsoen
de zeehonden in Artis en de lama's
ze slapen, er is niets met ze te doen.

De uilen slapen niet, heb ik gelezen,
maar hoe krijg ik een uil in dit vertrek?
En ook dan nog, al zou d'r eentje wezen
hebben we dan wel stof voor een gesprek?

Wat ben ik wakker, o, wat ben ik wakker!
...en om mijn herte dat niet werd verstaan...
he, he, dat was het. Kloos was ook een stakker.
Is het nu nog geen tijd om op te staan?

Annie M.G. Schmidt (1911-1995) - uit: Weer of geen weer (1954)
 
*****
 23. Dat heertje met zijn witte das

Dat heertje met zijn witte das
Was eertijds een minnezanger;
Doch sinds het die witte das aanheeft,
Minnedicht het niet langer.

Nu preekt het en doet huisbezoek,
En voor de variatie,
Houdt het 's winters met, driemaal in de week,
Lidmatencatchechisatie.

Ik bezweer u, mijn allerliefste vriendin!
De draak hier niet mee te steken;
Er zit wezenlijk zo iets aandoenlijks in,
Dat een hart er wel van mocht breken.

Piet Paaltjes

*****

24. Spleen
 
Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemelijk te vervelen
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.

Godfried Bomans

*****

25. Herfstliedje

Hoe klapt de laatste rode roos
Hoe weent de gaffel bitter
De laatste herders hoeden doos
En hijgend gast de fitter

Het alvlees kliert, het schild kliert mee
Het kleine smal deelt vier door twee
De ree kent ook haar wel en wee
En dit zij haar vergeven.

Want, duizend schoon de zweze rikt,
De ooie vaart waar medem blikt,
En zo vervliet het leven.

Daan Zonderland

*****

26. Klein Jantje

Klein Jantje likte van de
Keukenspiegel al het kwik
In zijn jeugdige onschuld menend
Dat dit hielp tegen de hik.

Op het kerkhof sprak zijn moeder
Snedig tot mevrouw van Valen:
't Was een zure dag voor Jantje
Toen het kwik begon te dalen'.

C. Buddingh


27. De ballade van Arie Hop

(een kind dat door een verderfelijke gewoonte om het leven kwam)

Aanhoort het noodlot, fel en wreed
van een kind, dat op z'n nagels beet.
Een kind, dat met z'n eigen tanden
tot zijn schade en zijn schande,
stukjes van zichzelf opat,
en in zijn onverstand vergat
dat als die eerste hapjes smaken,
men aan zichzelf verslaafd kan raken.

Zo vergaat het menig kind
dat zichzelf zo lekker vind.
Ook het kind uit dit verhaal,
genoot zo van zijn eigen maal,
dat het verder alle dagen
in extase door bleef knagen.

Reeds was het kwaad niet meer te stoppen
reeds kloof ie aan zijn vingertoppen
en zette weldra ook z'n tanden
in de stompjes van z'n handen:
En tot ontzetting van zijn ouders
in zijn bovenarm en schouders.

Voldaan keek hij toen in 't rond
en sprak met overvolle mond:
'Ik vind mijzelf, als je 't wil weten
gewoon een kind om op te vreten'.
En hief alweer een been omhoog
en knabbelde aan zijn eksteroog.

Men hoorde hem vraatzuchtig smakken
op de pezen van z'n hakken,
zag hem zalig d'ogen sluiten
toen hij beet kreeg aan z'n kuiten.
Reikhalzend happen naar zijn dij,
helaas, hij kon er niet meer bij,
en is ~ zienderogen afgenomen ~
van de honger omgekomen.

Heel duidelijk is hier de moraal:
Wordt nooit Uw eigen kannibaal!

John O'Mill 

 *****

28. Tussen de regels door
 
Ja, laten we elkander goed begrijpen:
Het is voorbij. Dit moet het afscheid zijn.
(Nu zal ik heel hard in mijn vingers knijpen,
dan doet het me van binnen niet zo'n pijn).

Zie je, ik blijf er koel en nuchter onder.
Het is het beste, voor ons alle twee.
(Nu zit ik dus te wachten op het wonder
nu zul je opstaan, glimlachen... maar nee...).

Ik weet het immers wel, vandaag of morgen
wórdt het die kleine blonde. Zie 'k het goed?
(Ik zou haar langzaam, langzaam willen worgen
liefst met de voile van haar eigen hoed).

Wees maar niet bang, ik zal geen scènes maken.
Ik ben een cynische moderne vrouw.
(Maar heeft modern ooit iets met vrouw te maken
en dat cynisme van me... nou...).

Nou oog. Bekommer je niet té veel om me.
We zullen elk een andere kant uit gaan.
(Niet waar! Het kan niet waar zijn godverdomme,
ik hou van je, maar dat gaat je niet aan).

Annie M.G. Schmidt

*****

29. De bozige bij.

Een bij, wiens naam niet wordt genoemd,
had heel zijn leven blij gezoemd
en zei: Thans heb ik het bekeken.
Nu wil ik graag eens iemand steken.
En dan het liefst in de neus.
Dat lijkt me nou zo curieus.

Het werd een moeilijke keuze.
Er waren namelijk vele neuzen.
Er waren neuzen in de straten,
in alle kleuren, alle maten.
En als hij dacht: die moet het wezen,
dan dacht hij verder: oh nee deze!

Maar als hij daarin wilde prikken
dan zag hij weer een andere dikke
En toen de nacht was aangebroken,
had hij nog nergens in gestoken.
En alle neuzen waren binnen
en sliepen samen met hun kinnen.

De bij is ook naar huis gevlogen,
met grote tranen in zijn ogen.
En hij sprak tot zijn moederlijn:
Mama, het heeft niet mogen zijn.

Annie M.G. Schmidt

 *****

30. Avondgebedje van een ondeugende teckel

Op mijn kleine korte pootjes, kniel ik even voor u neer.
Ik wil u hartelijk bedanken,voor deez fijne dag, o heer.
Wel moet ik u opmerkzaam maken, het begon een beetje vroeg.
Of lag het aan mijn slaperig oortje dat de klok 6 slagen sloeg?

Er viel vandaag een beetje regen. En de wind was dun en koud.
U moet toch weten, grote schepper, dat een taks daar niet van houdt.
Het is niet, dat 'k wil verwijten, daarvoor ben ik toch te klein.
Maar de warmte van het zonnetje, zou voor mij veel beter zijn.

Ik heb vandaag weer veel gelachen. Lieve Heer wat een plezier.
Want die pestkat van de buren, zorgde weer voor mijn vertier.
Lekker bibberend van de koude, zat ie op de schuur, kletsnat.
Ik zat droog achter de ramen. Hemel wat een lol gaf dat.

Omdat ik deed of ik iets 'doen' moest, liet mijn baas mij even uit.
Ik zachtjes naar dat beest geslopen, met zijn stomme kattensnuit.
't Loeder had niets in de gaten en toen gaf ik toch een blaf.
Lieve Heer, 'k heb krom gelegen, hij viel van het schuurtje af.

Met zijn staart recht in de hoogte, ging ie krijsend aan de haal.
Op een afstand zitten blazen. 't Beest is toch zo asociaal.
't Kreeg toen zo de pé in, weet u, ik heb 'm even opgezocht.
Eerlijk Heer, ik was vergeten, dat het van de baas niet mocht.

Maar wat doet dat zwarte monster? Deelt een dreun uit met zijn klauw.
Zeg nou zelf, dat was niet eerlijk. En toen gaf ik hem een knauw.
Het werd een levensgrote ruzie, met ontzettend veel kabaal.
En ik dacht: voor ik ga verliezen, ga ik pijlsnel aan de haal.

Dat was reuze slim bekeken, want de baas kwam op mijn baan.
Nou, dat is een sterke kerel. Die kan echt een kat wel aan.
Over mij had hij wat zorgen, die kattenklauw deed reuze zeer.
Gelukkig had hij nog een tube, met een of ander wondersmeer.

Toen ben ik even uit gaan rusten. Voor deez keer mocht ik op bed..
Terwijl ik sliep trokken mijn pootjes nog van dolle binnenpret.
Het wakker worden was geweldig. O, Heer, mijn baas is toch zo'n dot.
Omwille van die grote krabbel, kreeg ik een super vleesrijk bot.

Nou dacht ik Heer, een kleine teckel, heeft vast uw welgevallig oog.
'k Ben altijd lief, altijd gehoorzaam. De baas prijst immers hemelhoog.
Als u een beetje mee wilt werken, Uw scheppingsplan nog eens beziet,
Denk dan aan katten zonder nagels. Dat is toch eerlijker? Of niet.

auteur is mij niet bekend.

 *****
 

31. Internet

Onze moeder was een schat,
die kookte, naaide, dagelijks bad.
Nimmer was haar iets te veel.
Ieder kreeg op tijd zijn deel.
En vader kreeg voor ieder klusje
altijd weer een dankbaar kusje.
's Avonds rustig bij de haard,
's zondags lekker appeltaart.

Helaas, 't is over met de pret:
Mammie is aan 't Internet.
Nog steeds is pappie in de weer,
maar hij krijgt geen kusje meer,
zit vaak zielig bij de buis
mammie liefkoost nu een muis.

Nooit meer is er appeltaart,
't is Hotmail, Dot Com, Apestaart.
Zelden is er warm te eten,
haar kookkunst is ze mooi vergeten.
Internetten, uur na uur,
eten trekken uit de muur,
een bal gehakt en een kroket,
want mammie is aan 't Internet.

Laatst verloor zij duizend yen
poker spelend met Dzjapaen.
En een man uit San Francisco
wil nu met haar naar de disco.
Ze deed zich voor als een jonge meid
en nu raakt ze hem niet meer kwijt.
Pappie gaat alleen naar bed
want mammie is aan 't Internet.

(Auteur mij niet bekend)

  *****
 
 32. Op doorreis door Vlaanderen
 


Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk
voor vakantie en vertier.
Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen
en ik ben haar passagier.
Meid, waarom zo ver gereden,
waarom blijven we niet hier,
waarom blijven we niet in Vlaanderen
met zijn duizend soorten bier?

Hier zijn middeleeuwse steden,
majesteitelijk en fier,
hier schiep Breughel zijn taferelen
van het landvolk aan de zwier,
hier schiep Rubens vrouwenbillen
die getuigen van plezier,
in het landschap van Stan Ockers *)
en van Peerke Pollentier.*)

Weet je soms nog witter bloemen
dan de hagelwitte vlier,
zijn er ergens hogere bomen
dan de Vlaamse populier?
Smalle huizen op de velden:
ieder huis de pionier
van een nooit voltooide hoofdstraat
in een nooit gebouwd kwartier.

Vlaanderen, Vlaanderen door welk noodlot,
door welk wonderlijk bestier
word je steeds voorbij gereden,
worden al je mooie steden,
Brugge, Antwerp, Gent en Lier,
tot op heden steeds gemeden,
waarom blijft er niemand hier?
 
*Vlaamse wielrenners.

Willem Wilmink
 
 *****