Om Gustav Meyrink te beschrijven heb ik geen woorden; lees zelf maar uit zijn werk

 
Gustav Meyrink 1868-1932
 
 
 
 
 
 
 
01. Wie was Gustav Meyrink? 
 
 
Gustav Meyrink wordt op 19 januari 1868 te Wenen geboren als onecht kind van de Würtemberger minister Baron Friedrich Freiherr Varnbüller von und zu Hemmingen. De moeder was Wilhelmina Meyer, een niet onverdienstelijk actrice van 25 lentes. De baron was 59 toen Meyrink geboren werd in het Hotel de "Blauer Bock”. De relatie van Meyrink met zijn ouders was in het gunstigste geval onverschillig en Meyrink heeft nooit de naam van zijn vader willen aannemen.

Zijn moeder, Maria Wilhelmine Adelaïde Meyer, van joodse afkomst was een actrice uit Hamburg aan het hoftheater van Ludwig II van Beieren.

Gustave huwde op zeer jonge leeftijd. Zijn eerste huwelijk werd een catastrofe. Zijn tweede huwelijk met Philomena Bernt in 1905 werd een echte idylle.

De jonge Gustav Meyrink bezoekt het gymnasium in München en Hamburg en gaat zich in 1886 in Praag vestigen, waar hij eerst het gymnasium verder zet, en later de lessen volgt aan de handelsacademie. Als sporter, en lid van de roeivereniging 'Regatta' ontwikkelt hij zich tot één van de succesvolste roeiers uit die tijd. Op 20-jarige begint hij zeer tegen zijn zin te werken als bankier bij het Bankhaus Morgenstern[1].

Op 18/1/1902 werd hij gearresteerd op aanklacht van bedrog. Zijn bank werd gesloten. Enkele maanden later werd hij vrij gesproken. Zijn bank was echter tot verdwijnen gedoemd.

In het Praagse uitgangsleven hangt hij de bon-vivant, sociaal bewogen, anti-bourgeois, en treden zijn misantropische neigingen naar voor, die nog versterkt worden door privé-moeilijkheden en zakelijke fiasco's; hij doet een paar praktische uitvindingen, terwijl anderen met de eer en het geld gaan lopen. Gustav Meyrink woont ook spiritistische seances bij, die hij te laat als zwendel doorziet. Hij gaat zich op de duur zelf bezighouden met occulte experimenten, waarmee hij echter zijn lijden onder de dagelijkse werkelijkheid nauwelijks kan verzachten.

In 1904 verhuist Meyrink naar een voorstad van Praag en later naar Wenen. In deze periode was hij een van de leiders van de Loge de ‘Blauwe Ster’. Hij leerde er Annie Besant kennen en een leerling van Ramakrishna.

Hij wordt in Wenen eerst redacteur van het moppenblad 'Der Liebe Augustin', later medewerker van het satirisch tijdschrift 'Simplizissimus. In dit tijdschrift worden Meyrinks' eerste verhalen gepubliceerd: 'Der heisse Soldat und andere Geschichten' (1903).

In 1904: 'Orchideen, Sonderbare Geschichten'

'Das Wachsfigurenkabinett, Sonderbare Geschichten' verschijnt in 1907, naast twee parodieën, 'Jörn Uhl' en 'Hilligenlei'.

In 1907 verhuisde Meyrink naar München en vanaf 1911 vestigde hij zich te Starnberg.

In 1909 verschijnen ongeveer 50 verhalen van Meyrink, gebundeld onder de titel 'Des deutschen Spiessers Wunderborn'. Deze titel is een ironisering[2] van de beroemde romantische volksliederenverzameling 'Des Knabens Wunderborn'

In 1911 schrijft hij samen met Alexander Roda-Roda 'Der Sanitätsrat',

in 1912 'Bubi' en 'Die Sklavin aus Rhodos',

in 1913 'Die Uhr'. In dat jaar beginnen ook zijn verzamelde werken te verschijnen.

Rond deze tijd heeft hij nauw contact met de kring om Franz Kafka, Max Brod, Paul Kornfeld en Franz Werfel.

In de late herfst van 1915 verschijnt zijn succesroman 'Der Golem' waarin droom en werkelijkheid met elkaar vermengd zijn en de oude Joodse sage van de man uit leem geplaatst wordt in de geheimzinnig griezelige atmosfeer van het Praagse ghetto. Illustraties zijn van Hugo Steiner-Prag

1916 wordt een topjaar: 'Das grüne Gesicht' wordt uitgegeven. De verzamelde werken bereiken een oplage van 150.000 exemplaren. In Leipzig verschijnt de verhalenbundel 'Fledermäuse'. Het jaar daarop publiceert hij zijn roman 'Walpurgisnacht'.

Op decreet van koning Ludwig III wordt hem op grond van het bewijs dat hij zijn familie van moeders kant van een Beiers officier afstamde die Meyrink heette, het recht verleend om samen met zijn gezin de naam Meyrink officieel te dragen.
Vanaf 1917 trok Meyrink zich terug en mediteerde veel. Hij vertoefde veelal in de omgeving van de Stanberger See.

In dit jaar beginnen chauvinisten een wilde campagne tegen 'Des deutschen Spiessers Wunderborn' en vooral tegen de satirische stukken daarin, waardoor 'het volk bedorven zou worden'. In 1918 wordt in Wenen een groot deel van zijn werk geconfisqueerd, wat zijn populariteit alleen nog maar vergrootte.

Intussen zijn de satanische impulsen uit zijn werk vrijwel verdwenen; hij is zelf een Meyrink-figuur aan het worden, met intense belangstelling voor occulte wetenschappen en vreemde godsdiensten. Hij vertaalt naast romans van Charles Dickens o.a. de werken van Camille Flammarion, waar occulte verschijnsels wetenschappelijk verklaard worden. Van 1920 tot 1925 beperkt hij zich tot het uitgeven van occultische geschriften.

In 1927 treedt hij van het protestantisme over naar het Mahajana-boedhisme.  

In 1928 was hij verplicht uit geldnood zijn villa te verkopen. Hij huurde een huis bij een tante van frater Albinus. Vooral in deze laatste jaren was hij op esoterisch vlak zeer bedrijvig. Hij schreef nog weinig maar las zeer veel. Hij las vooral boeken over alchemie en esoterie. Meyrink overleed op 4/12/1932 te Starnberg in Beieren.

Gustav Meyrink was de laatste Grootmeester van de zeer oude Duitse ‘Ordo Rosae Aureae’ en de ‘Asiatic Brethren’ die zich in Praag hadden gevestigd. Zijn weduwe en een aantal vrienden groepeerden zich na de Tweede Wereldoorlog. Frater Victorius werd de nieuwe Grootmeester. Frater Albinus sloot zich bij deze groep aan op het moment dat hij tevens lid werd van AMORC. Na een twist met Ralph Maxwell Lewis gaf frater Victorius zijn ontslag en frater Albinus werd zijn opvolger. Frater Albinus kende in 1953/55 dezelfde problemen en trok zich uit Amorc terug waarvan hij ondertussen Grootmeester was. Frater Albinus leidt de Orde van Meyrink momenteel verder. In 1957 werd frater Albinus ingewijd door Sar Hieronymus. Frater Albinus heeft weerom op zijn beurt een frater in België ingewijd. Van Frater Albinus weten we dat Gustave Meyrink lid werd van de ‘Societas Rosicruciana in Anglia’ in 1893. Dat Meyrink ingewijd was in de ‘Asiatic Brethren’ kan evenwel niet worden bewezen. De enige mondelinge toezegging hebben we van frater Albinus die het weet van de weduwe van Meyrink.


In Dagblad Trouw las ik (14/02/2009)

In de Praagse cafés viel ’dandy’ Gustav Meyrink begin vorige eeuw op als fantastische verhalenverteller. Met de roman ’Der Golem’ werd hij in 1915 op slag beroemd. De Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam wijdt een expositie aan de schrijver.

De romans van Gustav Meyrink worden in Nederland uitgegeven door de Rozekruispers.
De magische schrijver Gustav Meyrink: tentoonstelling t/m 29/5, ma t/m vr 9.30-12.30u en 13.30-14u, Bibliotheca Philosophica Hermetica, Bloemstraat 15, Amsterdam.
 
 
 
 

 02. Een verzameling citaten.
 
 
 
 
 
passages uit briefwisselingen

* Uit een brief aan Johann Muller: "U hebt mij een Godzoeker genoemd. Dat klopt niet; ik ben een Godsverliezer. Wij weten niets van God. En het fantoom dat wij van Hem in onze fantasie opbouwen, de afgod, die wij God noemen, verspert ons slechts de weg naar het enige dat wij werkelijk kunnen vinden: de weg tot onszelf.”

* In een brief aan zijn vriend Ludwig Held: "Zolang de mens niet weet, dat zijn aandriften helemaal niet uit zijn "ik" komen, is hij de slaaf en de marionet van een kracht, die hij niet kent. Pas als hij zich één weet met "de vermomde" wordt hij geleid. Vrij is hij dan nog niet. Dat wordt hij pas als hij één geworden is met het "centrale ik". Ik heeft geen meervoud.”

* aan Oskar Schmitz: "Het enige dat echt de moeite waard is, is het vinden van je diepste "Ik", de "Ik" die wij zijn, en die wij, zonder het te weten, altijd geweest zijn. Dat "Ik" is zuiver geest, bevrijd van vorm, tijd en ruimte, waarin het, om zo uit te drukken, gedeeltelijk is ingebouwd. Weet wel dat het diepste "Ik" zo zacht als een vlinder is. Alleen op een heel voorzichtige, fijnzinnige en zeer natuurlijke wijze moet je proberen je "Ik" te bereiken. Om tot mijn "Ik" door te dringen bewijst de blijdschap de beste diensten, de blijdschap op vertrouwen gebaseerd. Het diepste van ons eigen wezen is nog meer in ons innerlijk verborgen dan wat wij als ons ik beschouwen. Ons diepste zelf lijkt op een wild dier, dat op de vlucht slaat zodra er ook maar de geringste beweging naar wordt gemaakt. Men kan zijn diepste wezen slechts waarnemen door toevallige gebeurtenissen. Je moet daarbij van het principe uitgaan, dat het er al is, maar dat je er niet naar moet zoeken. Het opkomen van een gevoel van blijdschap is het eerste subtiele te ken, dat er een magische kracht in je gaat geboren worden. Dan verschijnt er een "meester", een menselijk wezen zoals je zelf bent, bijna aan jezelf gelijk. Jijzelf bent, naargelang je de "meester" in je waarneemt, niets meer dan een ademtocht uit de mond van de "meester". Je hoort hem zo tot je spreken, als sprak hij jouw taal. Wezenlijk is het, dat je eigen diepste "Ik" de brug is waarover hij tot je komt. Belangrijk is, dat je zelfs de geringste opwelling van je innerlijk wezen de kans geeft zich ongehinderd te uiten. Verder is belangrijk dat je elke opwelling, hoe banaal die ook mag lijken, alle aandacht geeft. Neem er nooit genoegen mee je eigen innerlijk wezen het juk van je verlangens op te leggen. Op die manier probeer je je eigen innerlijkheid te onderdrukken. Alleen je wil, je waarachtige wil moet handelen. Buiten jou bestaat er geen God.
 
 
 allerlei citaten uit zijn werken.

* 'De mens is een dubbel wezen dat, om een voorbeeld te gebrui­ken, in een wagen zit:  de ene gestalte is de bestuurder,  met de blik naar voren - toekomstgericht;  de ander, de 'aardemens', met het gezicht naar achteren, naar het verleden, de vergankelijkheid ge­richt, en daarom niet in staat de toekomst te kennen.
De bestuur­der leidt de wagen waarheen het hem goeddunkt.
De ander is slechts passagier.
Hij verkeert in de waan dat hij de enige in de wagen is en dat hij de wagen voeren kan waarheen hij wil.
Zijn ongeluk is dat hij meent, dat hij zelf de bestuurder is.
De echte be­stuurder kent hij niet, want hij zit immers met zijn rug naar hem toe.'

* 'Plechtig doen alleen onnozele halzen, dat is bekend. Wie niet in staat is om in de humor de ernst te voelen, die is ook niet in staat om de valse "ernst", die een schijnheilige kwezel als het één en alles van het leven beschouwt, humoristisch te vinden, en zo iemand wordt het slachtoffer van de geestdriftwekkende leugens, de zogenaamde "levensidealen". De allerhoogste wijs­heid waart rond in het narrenkleed !

- Waarom? Omdat alles wat men eenmaal als "kleed" en niets dan "kleed" heeft herkend en doorzien, - ook het lichaam -, noodgedwongen alleen maar een narrenkleed kan zijn... Voor een ieder die het ware "ik" zijn eigendom noemt, is het eigen lichaam en ook dat van anderen: een narren­kleed, verder niets. Dacht u, dat het ik het in de wereld kon uithouden als de wereld werkelijk zo was als ze er in de ogen van de mensheid uitziet?' ­
Uit : Walpurgisnacht 

* 'Ook de fijnste filosofische speurzin en het vermogen om een sluitende logische wereldbeschouwing in elkaar te piekeren lopen op een zandbank als het magische beleven en het wakker­ worden in het eeuwige ik-bewustzijn - het huwelijk met het Goddelijke, Scheppende - achterwege blijven.
Een klap met de bijl op het hoofd, een schot in het hart: en de vruchten van alle denken zijn tot stof vervallen.'
Uit: het voorwoord tot Das Buch vom lebendigen Gott van Bö Yin Rä

* Ook al zou ik het meest onzinnige doen wat je maar kunt bedenken.
Dan nog was het altijd beter dan terug vallen in de maalstroom van het aloude,
Waarvan het laatste doel een zinloze dood is.”

* Het begin is dat waar het de mens aan ontbreekt. Niet dat het zo moeilijk te vinden zou zijn - alleen inbeelding het te moeten zoeken is de hindernis

* "De overlevering verhaalt dat eens drie mannen zijn afgedaald in het rijk der duisternis, de een werd krankzinnig, de tweede blind, alleen de derde, rabbi ben Akiba, kwam ongedeerd weer thuis en zei, dat hij zichzelf was tegengekomen. Reeds menigeen, zult u zeggen, is zichzelf tegengekomen, Goethe bijvoorbeeld, gewoonlijk op een brug, of anders op een pad, dat van de ene oever van de rivier naar de andere leidt, heeft zichzelf in de ogen gekeken en is niet krankzinnig geworden. Maar dan was het alleen maar een weerkaatsing van het eigen bewustzijn en niet de echte dubbelganger: niet datgene wat men 'de adem der beenderen', de 'Habal Garmin' noemt, waarvan geschreven staat: 'Zoals hij in de groeve daalde, onvergankelijk van gebeente, zal hij opstaan op de Dag des Oordeels.' "Hillels blik drong steeds dieper in mijn ogen" Onze grootouders zeiden van hem: 'Hij woont hoog boven de aarde in een kamer zonder deur, alleen met een venster, van waaruit het niet mogelijk is zich met de mensen te verstaan. Wie in staat is hem te bezweren en te verfijnen, wordt goede vrienden met zichzelf."
Uit: De Golem

* ‘Als u in ernst wilt, dat uw lot gaat galopperen - ik waarschuw u ervoor en raad het u tegelijkertijd aan, want het is het enige wat de mens doen zal, en tegelijkertijd het zwaarste offer dat hij kan brengen - moet u de innerlijke kern van uw wezen, zonder welke u een lijk zou zijn (en zelfs niet eens dat), oproepen en hem bevelen, dat hij u via de kortste weg naar het grote doel leidt - het enige dat nastrevenswaardig is, hoe weinig u er nu nog van herkent - zonder erbarmen, zonder rust, door ziekte, lijden, dood en slaap heen, steeds maar door als een razend paard, dat een wagen voorttrekt over akkers en rotsen, langs bloemen en bloeiende bossen! Dat noem ik: God roepen. Het moet zijn als een gelofte voor een scherp luisterend oor.’
Uit: Het Groene Gezicht

* Het hele leven is niets anders
dan tot vorm geworden vragen,
die de kiem van het antwoord
in zich dragen - en antwoorden
die zwanger zijn van vragen
Die er iets anders in ziet is een dwaas.
Uit: De Golem

 
Aan het eind van zijn leven is het voor het eerst, dat Meyrink zich frank en vrij over Christus uitlaat; tegenover vrienden en fa­milie, of door middel van een dagboeknotitie. Het is geen vrome getuigenis, geen metafysische overpeinzing; het heeft wel veel weg van de kracht van de taal van Paulus na Damascus:

'Vandaag op 7 augustus 1930, 's morgens om 10 uur, na een lange smartelijke nacht, vielen mij plotseling de schellen van de ogen en ik weet nu, wat het doel van al het bestaan in waarheid is.
Niet moeten wij onszelf door yoga veranderen, maar wij moe­ten als het ware een God bouwen, of christelijk gesproken: 'wij moeten niet Christus navolgen, maar Hem van het kruis afnemen!' De oude man, die ik altijd in de verte zie, moet ik dus kronen en hem met purper bekleden en hem tot heerser over mijn leven ma­ken. Ik zie hem nu ook, gekroond en in purpermantel! Hoe vol­maakter hij wordt, des te eerder zal hij mij helpen. HIJ is dus de adept en ik zal alleen in zoverre daaraan deelnemen, in de mate dat hij zich eens met mij zal samensmelten, want in waarheid is hij immers mijn eigenste ik. 'Hij zal wassen, ik echter zal ondergaan.' (Dat is de zin van de woorden van de Doper!)
Tot nog toe was de waan en de oorzaak van al mijn lijden, dat ik dat alles niet duidelijk wist en geloofde: 'ik' zou mijzelf moeten vervolmaken, mijzelf en niet hem! De tantrik-oefeningen zijn dus, zoals alle ascese, waan, zij voeren in de afgrond en zijn welbe­schouwd zwarte magie. Nu weet ik ook, waarom de oude man al­tijd zo onbeweeglijk was als een beeld! Doodeenvoudig, omdat ik aan mezelf werkte en niet aan hem. (…)   De oude is dus de Christus en wij moeten hem losmaken en hem macht geven, dan pas kan hij wonderen doen! De wonderen komen dan pas over ons, zodra deze schizofrenie zal zijn opgeheven (...). Al deze kennis zou ik eigenlijk in romanvorm moeten behandelen. Dat zou naar mijn idee het interessantste thema zijn. Misschien veranderen onze verhoudingen spoedig, zo­dat ik eindelijk zo zal kunnen werken, als ik graag zou willen.
Ik kan in geen geval alles wat ik een leven lang door middel van yoga heb getracht en gedaan, als een vergissing aanduiden. Ik ge­loof echter, dat zulke inspanningen nodig zijn, om dat te herken­nen, wat mij vandaag, 7 augustus, duidelijk geworden is.'
 
'Het gebed is een pijl in Gods oor; het is onweerstaanbaar als het treft. Treft het niet, dan valt de pijl weer naar beneden en wordt opgevangen door andere machten, die het gebed op hún wijze verhoren. Die andere macht wordt genoemd de engel Metatron, die op de drem­pel tussen boven en beneden wacht, 'de heer van de duizend ge­zichten'
 
 
[1] Neef van de dichter Christian Morgenstern

[2] Ironiseren:  tot een voorwerp van ironie maken
 
citaten uit een biografie:
Frans Smit – Gustav Meyrink, Het leven van een geestelijk zoeker en esoterisch denker. ©1986 Ankh-Hermes, Deventer. ISBN 90 202 4638 0

* over bidden:
Het is met idealen net als met gebeden. Meyrink vergeleek gebeden met pijlen, die afgeschoten worden richting God - althans dat is de bedoeling. Maar de meeste pijlen worden onderweg opgevangen door wezens, die hun eigen doeleinden nastreven, doeleinden die haaks staan op die van God. Hoe komt het dat die pijlen worden afgebogen en opgevangen? De oorzaak daarvan is het feit dat de pijl verkeerd wordt aangelegd, waardoor die niet de juiste richting meekreeg. De pijl kan alleen dan goed worden aangelegd, indien er niets meegaat aan eigen projecties of zelfzuchtige wensen. Geleid door magnetische wetten komt de pijl alleen bij God terecht, als de inhoud van het gebed correspon­deert met de eeuwige, goddelijke waarden, als het volgens de wet van soort zoekt soort, hetzelfde trillingsgetal heeft als het wezen van God.

Een gedachte is vuur, elektriciteit. Zij schept een levensvorm, een afgod. De gedachten en voorstellingen, extra versterkt door sentimenten en wensen, van grote groepen mensen met gemeen­schappelijke idealen en rituelen, eeuwenlang in stand gehouden en gekoesterd, scheppen een pantheon van afgoden. En het zijn deze fantomen, die - ofschoon zij een spookachtig bestaan leiden, toch geweldige macht bezitten - de verkeerd gericht pijlen opvan­gen, en terugkaatsen naar de zender. Want elk gebed wordt beantwoord.

* over bewuste of onbewuste beïnvloeding:
Waar het Meyrink vooral om te doen was, was het aantonen van onbewuste of bewuste beïnvloeding van het innerlijke leven, of dat nu gebeurt vanuit goede of kwade motieven. Een voorbeeld van onbewuste beïnvloeding heeft Meyrink uitgewerkt aan de hand van het uitstromen van krachten, die vrijkwamen bij het massale bloedvergieten tijdens de oorlog:

'Wie fijngevoelig is en spiritueel tot ontwikkeling gekomen, die kon in de tijd van de grote oorlog duidelijk merken, hoe nieuwe geweldige krachten daar binnen stroomden. Zij kwamen van de vele stervende soldaten. Zoals de knoppen van een boom heftig beginnen te ontspruiten, wanneer de tuinier de twijgen afsnijdt. De wereld van levende wezens is als één grote boom; de meeste wezens hebben slechts het bewustzijn van één enkel blad, maar enkele weinigen dringen door tot in het rijk van het bewustzijn van die boom, en deze zijn het, die dan niet meer sterven. De an­dere vallen af, vroeger of later, als verwelkt loof. Zo zijn wij, die in de tijd van de grote oorlog nieuwe krachten aantrokken, de erf­genamen van het leven van die dode soldaten geworden. '

Tijdens grote rampen of oorlogen is de onbewuste beïnvloeding groter dan anders, wat het effect heeft van enerzijds een astrale vervuiling, maar meer nog van een zuivering - althans in de con­treien aan deze zijde. Aan gene zijde wordt de verwarring alleen maar verhoogd. Maar ook dat heeft weer een gevolg: de impuls tot een geboortegolf na een oorlog.

 
 
 
 
 03. Een boeiend traktaat: Oplichters in de Mystiek (1927)
 
 
 
 
 Oorspronkelijk verschenen in: Allgemeine Zeitung ‘Chemnitz’. - Chemnitz. – 12-07-1927 tot 16-08-1927

Wat mij beweegt om over de oplichterij op het gebied van de mystiek te schrijven is het volgende: ik zou willen helpen voorkomen dat zwendelaars en dwazen een grote waarheid verpesten, die de hoogste aandacht verdient, hoewel zij niet voor de openbaarheid kan zijn bestemd, omdat zij binnen het bereik van de "religiositeit” valt, - wat de leek, misleid door de klank van het woord "mystiek”, misschien zou kunnen denken – maar wat veel eerder onder de psychologie thuishoort.

Het zou een grote vergissing zijn om aan te nemen, dat de huidige beweging van de Geheime Leren alleen maar een modestroming is, zoiets als het "pagekopje”; nee, dat merkwaardige hartstochtelijke verlangen is een zeer brede stroom geworden, dat tegenwoordig vele miljoenen mensen in zijn greep heeft. Het is een verlangen, dat met de uitspraak "mijn rijk is niet van deze wereld” (Joh. 18:36) niets heeft te maken, want het is er namelijk op gericht om met doden contact te maken, magische krachten te verwerven, helderziend te worden, om te beleven wat tot nu toe achter de sluiers van geheimen lag verborgen, om de angst voor het aardse lijden en de dood te overwinnen, kortom om zich het rijk van de overvloed eigen te maken.

Dat verlangen is zo oud als de mensheid. In de middeleeuwen leidde het tot verdenking van hekserij, tegenwoordig lokt het, waar het zich ook maar vertoont, oplichters aan, die er munt uitslaan, doordat zij de mensen, die zij in hun greep hebben gekregen, uitbuiten. Als onkruid schieten dergelijke pseudo-profeten in alle landen de grond uit en wat maakt men het hen toch gemakkelijk om - op hun eigen manier - mensenvissers te worden! Er bestaat iemand die zich uitgeeft voor een driehonderdjarige Perzische ingewijde (dat Weißenfels, waar hij is geboren, niet in Perzië ligt maar in Saksen, speelt verder geen rol) Hij houdt toespraken, gekleed in een zijden toga en gouden schoenen, liegt het blauw van de hemel naar beneden, vertrekt vervolgens met zijn op de kop getikte rijkdom naar het verre Amerika en laat als zijn Nieuwe Testament een vegetarisch kookboek achter. Hoe dan ook, ze hebben de man geloofd. Iemand anders klopt een bankier uit Leipzig een half miljoen uit zijn chequeboekje, sticht met een deel van het bedrag het "Nieuwe Jeruzalem” in Weesen aan het Walenmeer, verspeelt de rest in Monte Carlo en gaat door met het uitoefenen van zijn misdadige praktijken in Wenen, waar hij vele gezinnen in het ongeluk stort. Hoe dan ook, ze geloven die man!

Als de activiteit van de oplichters op het terrein van de mystiek en de Geheime Leren, niet zo’n grote afmetingen zou aannemen, zou je kunnen denken, dat het alleen maar om een kortstondige zwendel gaat, maar zij zijn als het ware zendelingen van een gestaag naderende toekomst van een geestelijke hervorming, die een ongekende chaos met zich mee kan brengen. Het zijn pioniers, zij het in de meest slechte zin des woords, zoals de squatters (illegale kolonisten) en de pelsjagers in het vroege Amerika landrovers en drankhandelaren waren en pas lange tijd, nadat zij van het toneel waren verdwenen, de eretitel van "pionier” kregen.

Dergelijke lieden noemen zich tegenwoordig bij voorkeur "Leider”. Deze betekenis werd voor elke occultist een motto, toen de beroemde Helene Blavatsky, de stichtster van de Theosofische Vereniging, in het laatste decennium van de vorige eeuw verklaarde, dat er in India zogenaamde goeroes bestonden, leiders die in staat zijn om magische vermogens en mystieke kennis over te dragen of de weg daarheen te wijzen. Toen spitsten de heren oplichters hun oren: er kwam een nieuwe onfrisse bedrijfstak voor hun gretige klauwen binnen handbereik. Volgens de Indiase traditie is de "leerling” verplicht om voor het levensonderhoud van zijn "goeroe” te zorgen en voor dat gedeelte van het programma hebben onze oplichters het volste begrip. Beschikken zij daarnaast over een organisatietalent, dan stichten zij een beperkte gemeenschap met een onbeperkte betalingsverplichting en incasseren een jaarlijkse contributie. Helene Blavatsky heeft zichzelf nooit als goeroe gedragen – in tegendeel – maar juist zij werd door het slijk gehaald, dat haar opvolgers rijkelijk hadden verdiend. Tegenwoordig, 50 jaar na de oprichting van de Theosofische Vereniging, bloeit de goeroebusiness op een voorheen onverwachte manier. Wat moet je denken van het feit dat de huidige president van de Vereniging, Mr. Leadbeater – dezelfde, die in het "belang van de algemene verbroedering van de mensheid” hartstochtelijk deelnam aan de oorlogsophitsing tegen Duitsland! - onlangs in Australië een reuzenopenluchttheater heeft laten bouwen voor 10.000 toehoorders (entree voor zijn toespraken: 1 Schilling per kip zonder kop) ?!

De hoofdfiguur van zijn marionettentheater is tegenwoordig een jonge Indiër, ene Krishnamurti, die de Messias voor onze eeuw moet zijn. Vooralsnog schijnt hij zich nog in het amfibiestadium te bevinden; in ieder geval is zijn boek "Aan de voeten van de meester” zo’n beetje het meest dadaïstische, dat de Theosofische Vereniging tot nu toe aan de drukpers heeft uitgeleverd.

Bestaan er eigenlijk wel echte goeroes? Kan best. Ik ben er nog geen tegengekomen. Alleen mensen die zich daarvoor uitgeven. Een van mijn Indiase vrienden is tot dezelfde negatieve conclusie gekomen, nadat hij heel India was doorgetrokken, om een echte goeroe te vinden, vanaf de meest zuidelijke punt tot ver naar het Noorden, naar Tibet, Kasjmir en West-China; van het uiterste Westen tot Siam, Birma en Korea. — "Ik heb wel honderden goeroes gevonden,” schreef hij mij eens, "maar geen enkele die die heilige naam zou hebben verdiend.” Hier een klein voorbeeld van de grote en bijna onbegrijpelijke aantrekkingskracht die bepaalde oplichters op hartstochtelijk verlangende gemoederen kunnen uitoefenen:

Een tijd geleden dook in Parijs iemand op die zich Diordjeff (Gurdjieff) of zoiets noemde. Een Oosterling – vanzelfsprekend; een zeer ingewijde: nog vanzelfsprekender! Hij wist alles, met name wat zich op de achterkant van de maan, op Venus etc. afspeelde. Hij las ook uit de Akashakroniek (een soort naslagwerk in de wereldether) de toekomst en het verre verleden, voor zover het niet was na te gaan. Alleen wat zich in de aangrenzende kamer afspeelde, dat zei hij niet, want hij was lid van de grote Witte Loge van de Ingewijden en als zodanig onder ede verplicht om geen wonder te verrichten, om daarmee niet de kosmos in verwarring te brengen. Hem was alleen toegestaan om de hele have en goed van zijn bewonderaars te willen hebben, want zoals bekend gaat een kameel eerder door het oog van de naald, dan dat een rijke het Koninkrijk der hemelen binnengaat (Matth. 19:24 en parallellen) – Het onbegrijpelijke geschiedde: Engelse geleerden (!), advocaten (!) artsen enz. maakten zichzelf arm als kerkratten en hem rijk, want hij was, zoals hij zelf zei, gezalfd (de anderen waren alleen maar aangesmeerd) en daardoor immuun voor de gevaren van rijkdom; en bovendien leeft ook de mens niet van "brood” alleen! Onder zijn leerlingen bevond zich een jong Engels echtpaar uit adellijke kringen. Zij hadden de "Leider” hun hele bezit ter grootte van 60.000 pond overhandigd. "In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!” (Gen. 3:19) had Diordjeff plechtig tegen hen gezegd en had hen aangezet om het meest zware werk te verrichten. Zij moesten beiden van de vroege ochtend tot de late avond met kruiwagens bakstenen over straat vervoeren, want de profeet wist hoe de wereld in elkaar zat en hij hield niet van dure dagloners voor de bouw van zijn voorgenomen Salomo-achtig paleis. Na verloop van een jaar maakte de jonge echtgenoot bedeesd zijn opwachting bij de meester en deelde gewoon mee, dat hij nog steeds op geestelijk gebied geen vooruitgang had geboekt. – "Heb je me alles gegeven, wat je bezat?” vroeg de goeroe met een strenge blik. Weifelend moest de Engelsman toegeven, dat hij nog een klein restant had achtergehouden, voor het geval dat zijn geestelijke wedergeboorte wat op zich zou laten wachten. "Eerder gaat een kameel enzovoort”, dreigde de Heilige en zond de onwaardige weg van de glans van zijn aangezicht. En op een snode manier ging de kameel vervolgens niet, zoals de meester wellicht had gehoopt, naar de woestijn om zich op te knopen, maar integendeel rechtstreeks naar de zich de oren spitsende officier van justitie.

Als je daarover nadenkt, ben je geneigd om in schaterlachen uit te barsten, maar het geheel is uitermate triest. Hoe vurig moet de hartstocht in het hart van die bedrogenen hebben gewoed, zodat zij in staat waren om anders te handelen, dan de rijke jongeling in de Bijbel, en niet alleen heel hun have en goed opofferden, maar ook hun gezonde mensenverstand prijsgaven vanwege de "hoop” die dat dwaallicht hen bood.

Bij ons in Duitsland zijn de oplichters op het gebied van de mystiek niet in even goede doen als de heer Diordjeff. De mensen die 60.000 pond bezitten zijn zeldzaam geworden. Menige profeet heeft door de deflatie zijn zuur met zwendel verdiende kapitaal verloren en is tegenwoordig op dagelijks werk aangewezen. Maar hoe dan ook, ook tegenwoordig voedt de geheime Kennis nog steeds haar eigen schoften, dankzij de zwakheid van de mensenziel. Natuurlijk moet een ingewijde hier en daar een aalmoezengever op de koop toenemen. Hier nog een eenvoudig voorbeeld:

Op zekere dag ontving ik bezoek, dat al lang op de loer had gelegen, van een jongeman, blond, met trouwhartige ogen en een sikje, en een kapsel als een grootstadse Johannes de Doper. Hij deelde mij mede dat hij een bepaalde plek had ontdekt, waar wijlen Paracelsus een flesje met levenselixer had begraven. Het was niet eens ver van hier, meteen links om de hoek bij de grens tussen Beieren en Württemberg. Toen ik geen enkele belangstelling voor de magische borrel aan de dag legde en juist op de schadelijkheid daarvan wees, - want welke verstandige mens zou het tegenwoordig nog op prijs kunnen stellen om zijn leven ook nu nog te verlengen – veranderde de jongeman haastig van onderwerp en vertelde over wonderbaarlijke gebeurtenissen, die hij in China had meegemaakt, nadat hij zich er eerst had van verzekerd, dat ikzelf nooit in China was geweest en daarom niets kon bewijzen. Deze mijnheer was voor zijn leeftijd verbazingwekkend belezen in alles wat de Geheime Leren betreft. Het duurde niet lang of mijn gast wijdde mij in in de geheimen van zijn leven en vertrouwde mij toe dat hij een reïncarnatie van Johannes de Evangelist was. Omdat zijn verhaal steeds maar Gnostischer en Gnostischer werd en uiteindelijk langs het geheim van de veredeling van de geslachtdrift scheerde, begon ik de zaak zo langzamerhand vervelend te vinden en werden mijn ogen glazig. Bovendien was het vreselijk warm buiten. Johannes de Evangelist merkte dat waarschijnlijk, want plotseling onderbrak hij zijn preek en loerend staarde hij me aan. Ik deed alsof ik bijna sliep en liet mijn sigaret vallen. Daarop verhief de profeet zich geluidloos, als een fretje dat een buit in het oog krijgt, uit zijn stoel op en ging op zijn achterpoten staan, kennelijk in de waan dat hij mij had gehypnotiseerd. Vervolgens riep hij in het zuiver Saksisch, dus uit de volle vurigheid van zijn hart, tegen mij: "Ik beveel u in naam van God, dat u mij alles wat u bezit, als mijn onbeperkte eigendom overdraagt!” Indachtig dat men een heilige, zelfs als hij uit Dresden komt, niet anders dan met nederigheid moet bejegenen, zei ik bescheiden en hoorbaar geeuwend: "Maar wat, als ik alleen maar schulden heb? Zou u die ook in naam van God overnemen?” – Zwijgend glipte Johannes, de Evangelist, naar de deur en ging in rook op. Later schreef hij mij uit zijn geboortestad een ansichtkaart: hij leek dus mijn openhartigheid niet kwalijk te hebben genomen.

Grote gebeurtenissen werpen niet alleen hun schaduwen vooruit, zij treden ook graag in grote aantallen in de openbaarheid. Er waren nog geen 24 uur voorbijgegaan of ik stond, gemutst met een gele zijden roeipet en een blauwe jas aan, met daaronder een dun zwempak – want het was nog steeds knerpend heet – in de tuin, druk bezig om met een schop onkruidwortels te volgen, die kennelijk tot het middelpunt van de aarde doorliepen. Toen rees heel plotseling voor mijn oog de gedaante van een man uit de aarde op, met een vlammende zwarte baard als een stropdas op de naakte borst, rubberen laarzen aan de voeten en over zijn behaarde lijf een door de mot aangevreten berenvacht. Zij hoofd was onbedekt. Naast deze verschijning stond, half zo groot, een klein blond Scandinavisch offerlammetje, dat verbaasd uit haar driehoekige onschuldige ogen opkeek en door een jas was omgeven. — "Aha: Wodan de wandelaar” — schoot mij te binnen. "Mag ik u verzoeken?”, zei ik bescheiden en nodigde hen beiden met een gracieus gebaar van mijn hand uit om mijn huis binnen te treden. Daar zaten wij een poosje stilzwijgend tegenover elkaar. Het offerlam hurkte op het randje van een krukje. Ik durfde mijn gast niet te verzoeken om zijn jas uit te doen uit angst dat hij aan mijn uitnodiging gehoor zou geven. Opeens tilde de profeet – het was er weer een, waar ik meteen al bang voor was geweest – zijn behaarde vuist op, sloeg op de tafel en zei gedempt: "Ik ben!” opgewekt onderbrak ik hem: "Ik ook!” Maar Wodan liet mij niet aan het woord komen, hief opnieuw zijn vuist omhoog en riep nog gedempter: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh. 14:6) — Ik verzonk in gepeins en vroeg vervolgens benepen: "Mm, heeft iemand anders dat niet al eerder dan u gezegd?” – Het offerlam stak vol verwachting haar neusje omhoog. Eindelijk klonk het afgemeten en plechtig vanachter het roofdiergebit van de bontjas: "Ik ben Jezus Christus!” — "Ach,” was het enige dat ik kon antwoorden, maar hoe bescheiden de uitroep ook was, het scheen de profeet toch eigenaardig genoeg in verwarring te brengen. Trieste rimpels tekenden zich tenminste op zijn voorhoofd af, voor zover zijn nederigheid dat toestond. Ik vatte moed en vervolgde: "Als u dat werkelijk bent, mijnheer, dan zal het voor u ongetwijfeld een kleinigheid zijn om over het water te lopen?!” — ik wees op het meer buiten, dat spiegelglad op een wonder leek te wachten. — "Hier is water! Het vraagt om er over te lopen! Laat u zich om godswil niet tegenhouden!” — In diep gepeins verzonken staarde de profeet in de verte. Toen zei hij, met een kinderlijk gezicht, onverwacht eerlijk en open: "Dat is nou net het rare, dat ik tot nu toe zoiets niet klaar kan spelen!” — Dus dronken wij vredig een kopje koffie en rookten een sigaret. — Over de profeet is later nog veel in de kranten gesproken. Destijds was hij vertegenwoordiger in wijnen. Thans is hij kandidaat voor de Rijksdag. Ik vermoed dat hij zich intussen met lamsvlees voedt.

Ik zal nu een kort overzicht geven over waaruit het gereedschap bestaat, waarmee de oplichters in de mystiek heden ten dage doorgaans te werk gaan, om zo mogelijk vele aanhangers te bereiken. Zoals ik al heb gezegd, staat dus op de eerste plaats de boude bewering: ik ben een "Leider”, en wie zich aan mij toevertrouwt, die zal ik de Kroon op het leven schenken of de weg wijzen waarop die kan worden verworven. Onder deze kroon verstaat iedereen, die zich voor de gek laat houden, natuurlijk de vervulling van zijn eigen wensen en voor een dergelijke hoop geeft hij meteen — of langzamerhand — alles wat hij aan geld bezit. De desbetreffende oplichter gedraagt zich vooral als een zendeling van een geheime mystieke broederschap, meestal de zogenaamde "Witte Loge”, die in Tibet zou zijn gevestigd. In oude geschriften kan men al aanwijzingen voor een dergelijke gemeenschap van ingewijden aantreffen, hoewel ook de naam "Witte Loge” van een recentere datum is en uit Amerika of Engeland stamt, en zich geleidelijk over andere landen heeft verspreid. Paracelsus duidt in duistere bewoordingen aan dat hem een dergelijke gemeenschap van met macht begiftigde menselijke wezens bekend was. Swedenborg beweert, dat hij door innerlijke visioenen heeft ervaren, dat het geheim van het zogenaamde verloren Woord (het eigenlijke geheim van elke magie) bij bepaalde ingewijde Mongolen in "Tartarije” nog steeds bekend is, en ook bij de Tibetaanse Lama’s. Een aantal kloosters (in Tan La bijv.) bevestigen dat dit gerucht waar is, waarbij zij aangeven dat de opperhoofden van een dergelijke gemeenschap van Meesters in een oase in de Gobiwoestijn wonen, ontoegankelijk voor vrijwel elke sterveling. Door het uitzenden van zegenrijke gedachten, die door ontvankelijke mensen – zij het onbewust – worden opgevangen, sturen zij als het ware de lotgevallen van de mensheid en leiden zij geschikte leerlingen op. Omdat heel veel mensen, in goede of slechte boeken over Geheime Leren en Theosofie, over het bestaan van dergelijke ingewijden hebben gelezen, is dus de akker voor de oplichters goed voorbereid. De van oudsher in Azië wijdverbreide overtuiging dat magie een feit is, heeft zich in de afgelopen decennia tot in de westerse landen wijd vertakt, niet in het minst door het onderzoek van geleerden van naam op het terrein van het spiritisme, dat immers op zijn eigen manier veel magie bevat. Terwijl echter spiritisten aannemen, dat magische verschijnselen alleen maar tot stand zouden kunnen komen door de inwerking van voor ons onzichtbare wezens — doden enz. — beweren andere Aziaten dat ook het lichaam van een levend iemand een dergelijk vermogen zou bezitten, maar dat het in de meeste gevallen in een sluimertoestand verkeert of zich nog niet heeft ontwikkeld. Dat zou met behulp van een methode, die Yoga wordt genoemd, kunnen worden ontwikkeld. Pas door Helene Blavatsky en de door haar gestichte Theosofische Vereniging is iets over Yoga in uitgebreidere kringen in het Westen bekend geworden. Tot dan toe wisten alleen onze geleerden en Aziëonderzoekers daar iets over (maar die hadden er geen belangstelling voor.)

Vanzelfsprekend is elke betere oplichter van A tot Z in de geheimen van de Yoga ingewijd. In werkelijkheid heeft hij natuurlijk niet het minste vermoeden over hoe Yoga moet worden uitgeoefend, helemaal afgezien van het feit, dat een heel mensenleven nauwelijks toereikend is om ook alleen maar de eerste stappen meester te worden. Om de brave leerling tegemoet te komen, verpakt hij de leer, die hij ten beste geeft, in een christelijk jasje, als hij denkt dat het lucratief is, en beroept zich op een Bijbelse profeet, of hij doet in Rozenkruiserij, en iemand die het lef heeft om zich aan de Geheime Leren van Azië te wagen, die serveert hij de Geheime Leer van de Perzen of Arabieren, al naar gelang hij de beschikking heeft over recepten uit boeken. Zo nodig bereidt hij uit allerlei mogelijke bestanddelen, uit oude overleveringen, een soort occulte Scottse emulsie (een levertraandrankje met toegevoegde vitamines), die bij tijd en wijle zo knap is in elkaar is gebrouwen, dat iemand, die niet grondig thuis is in de omvangrijke litteratuur van alle volkeren en tijden over dit uitermate geheimzinnig terrein, tot de onjuiste conclusie kan komen, dat het in het een of ander geval om kersverse nieuwe geheimen gaat en dat iemand die ze prijsgeeft hoe dan ook een supermens moet zijn. Zelf ben ik veel, overigens zeer oprechte en waardevolle, mensen tegengekomen, die mij onder het zegel van de geheimhouding over ogenschijnlijk diepe geheimen hebben verteld, die hen door de een of andere "grote” Leider waren toevertrouwd, en als ik hen dan boeken liet zien, waarin hetzelfde veel grondiger en al tijden lang stond te lezen, vonden ze meteen het de plank misslaande excuus: ach, dat boek kent de "Meester” vast niet — hij leest eigenlijk helemaal geen boeken. Als je dan verder vraagt: "Wat kan die meester dan wel?”, dan krijg je te horen: "Hij kan natuurlijk reusachtig veel, maar — hij mag het niet laten zien.” (Een rotsmoes). Bijvoorbeeld: "Hij kan uittreden!” — Uittreden! Er zijn vast weinig mensen die weten wat bepaalde occultisten (dat is namelijk het slag van mensen, dat zich bijzonder ingewijd voordoet) onder "uittreden” verstaan. Daar wordt een bewust verlaten van het lichaam mee bedoeld. De geheime manier, waarop men dat teweeg kan brengen, was niet de belangrijkste inhoud van de antieke Mysteriën (afgezien van andere doeleinden en bedoelingen, die hier niet behoren te worden uiteengezet) maar het vormt de basis, waarop het praktische occultisme uit de oudheid en tevens gedeeltelijk dat van moderne tijd stoelt. De heksen uit de Middeleeuwen waren al op de hoogte van manieren om "uit te treden”. Zij maakten, zoals bekend, gebruik van bepaalde giftige zalven, waarmee zij hun lichaam inwreven. Door de werking van dergelijke verdovende middelen — bilzekruid, doornappel, enz. — op het centrale zenuwstelsel, vielen zij in een hypnotische slaap en beweerden ze, na het ontwaken, dat ze rijdend op een bezem (erotische factoren spelen een hoofdrol), naar de Heksenberg waren gevlogen en daar gemeenschap met Demonen en duivels hadden gehad. De Mongoolse Sjamanenpriesters verdoven zichzelf tegenwoordig nog steeds door het drinken van een aftreksel van vliegenzwammen en "treden” daardoor "uit”. Het tot stand brengen van een dergelijk verlaten van het lichaam door het gebruik van vergiften en andere verdovingsmiddelen, geldt bij de aanhangers van verschillende yogasystemen niet alleen als schadelijk, maar ook als fundamenteel onjuist, omdat daardoor een betreden van domeinen volgt, die allesbehalve waard zijn om te bezoeken en teleurstelling op teleurstelling geven. De methode, waar ze zelf gebruik van maken, is op een basis van zuivere verbeeldingskracht gebaseerd: zij richten hun gevoelsmatige onafgebroken aandacht, vanaf hun heiligbeen beginnend, steeds op hoger liggende zenuwcentra in het ruggenmerg, om uiteindelijk bij de schedel te eindigen. Zij maken zodoende hun "Astraallichamen” vrij — zo luidt tenminste de technische uitdrukking — van hun fysieke lichaam, ongeveer op de manier, waarop je de elastische kern van een grashalm losmaakt van het stroachtige omhulsel, om het onbeschadigd naar buiten te kunnen trekken. Er is een jarenlange oefening voor nodig om een dergelijk uittreden op de Yoga-manier te bewerkstelligen. Je zou het een leren sterven bij een levend lichaam kunnen noemen — een bewust overschrijden van de drempel van de dood. De "mystieke dood”, noemen een aantal oude christelijke gnostische mystici dat, die iets dergelijks — maar ook alleen iets dergelijks! — door de vurigheid van hun gebed hebben bereikt. Als bepaalde verschijnselen van het spiritisme, die een onmiskenbare gelijkenis vertonen met het gewone uittreden, op zekere dag met betrekking tot hun echtheid algemeen aanvaard worden, — en ik geloof dat die dag niet ver meer is — dan zou de huidige natuurwetenschap zich ook met de opheldering van betreffende vragen moeten gaan bezighouden. Het is mogelijk dat daarbij iets zo buitengewoon ingrijpends aan het daglicht zou kunnen komen, dat men zou kunnen zeggen, dat de zin van het menselijke leven vanuit de duisternis naar het heldere nieuwe licht zou worden verplaatst.

Misschien zou ook juist het tegendeel kunnen optreden!

Een in India wonende geleerde, Sir John Woodruff, heeft zich de afgelopen jaren intensief beziggehouden met het onderzoek naar bovengenoemde manieren van uittreden en veel aan het licht gebracht dat tot dan toe in een diepe duisternis verborgen heeft gelegen. Onder andere werpt het door hem nu vrijwel opgehelderde Yoga/Tantrasysteem een scherp licht op de soort en manier, waarop de zogenaamde religieus dweperige visioenen en openbaringen bij gevoelige personen tot stand zouden kunnen komen. Mensen die in deze leer goed thuis zijn maken een overeenkomstige indruk: naar gelang het zenuwcentrum, waar de Shabhaya of Yogi zich op concentreert, treedt een zeer bepaald visioen op, wat er gemakkelijk toe kan leiden dat de desbetreffende persoon gaat geloven, dat het om een rechtstreekse "goddelijke” openbaring en boodschap gaat. Het onaangename gevolg is dan een aanbidding van de gekregen verschijning in plaats van het besef, dat het alleen maar gaat om objectief geworden afsplitsingen van de eigen ziel — van het eigen Ik. De concentratie op een bepaald ganglion in de lendenstreek b.v. leidt er elke keer toe, dat de betreffende persoon de hallucinatie van een wit paard krijgt (ongeveer zoals iemand die aan een delirium tremens lijdt witte muizen ziet), waardoor hij vervolgens naar een hemels paradijs wordt verplaatst, een gebeurtenis, die zoals bekend Mohammed meemaakte, toen hij dacht dat hij op de schimmel "Barak” naar Allah toereed. Dat is een heel intensief stadium in de Yoga-praktijk! De Yogi’s verachten dus op deze grond de moslims, die de verschijning van het witte paard in het leven van hun profeet als een goddelijke genade beschouwen.

Hoe de hartstocht er ook uit mag zien van iedereen, die zich met kracht naar het geheimzinnige gebied van het occultisme voelt worden toegetrokken, nooit hebben zij een vooruitzicht op de vervulling daarvan — alleen maar bittere teleurstelling —, zolang zij hulp en raad bij anderen zoeken, in plaats van bij zichzelf en de eigen ziel! Iedereen kan alleen zichzelf ontwikkelen, want elke ontwikkeling is zuiver individueel. Schema’s en recepten schieten hier tekort en moeten wel tekort schieten. Wie vragen stelt, weet eigenlijk helemaal niet waar het in wezen om gaat! Tenzij hij ze aan zichzelf stelt! Hij moet door geestelijke "osmose” worden onderwezen — door hetgeen hem invalt, door wat vanuit het allerinnerlijkste van het eigen Ik in de lichamelijk-geestelijke mens naar binnen valt. En daarom zou ik de mensen, die dus hartstochtelijk zoeken, willen toeroepen: pas op voor zogenaamde "Leiders”!
 
 
 
De romans van Meyrink werden in vele talen vertaald. Hieronder een greep uit de covers van zijn boeken. 
 
 
     
 
 

 
05. De witte Dominicaan
 
 
 
 

Flaptekst.
De auteur toont zich in dit boek een mens die, op basis van eigen ervaringsbewustzijn, de komende wereldrevolte niet alleen helder onderkende, doch die er tevens de diepere zin van doorgrondde. Op overweldigende wijze beschrijft Meyrink hoe de ik-figuur het "mens ken uzelf” leert verstaan en hoe de consequente toepassing van dit sleutelwoord onontkoombaar leidt tot het juiste begrip van het doel van het gehele mensheidsbestaan in deze wereld. Het doel dat besloten ligt in de woorden van Johannes: "ik moet minder worden, opdat de ander in mij kan wassen”. Dit is de persoonlijkheidsverwisseling, de transfiguratie, die vooraf dient te gaan, wil de bevrijding van de mens uit deze natuurorde tot een feit worden.

 

Uittreksel.

In die nacht had ik een zonderlinge ervaring. Anderen zouden het een droom noemen, want voor alles wat de mensen tijdens de slaap beleven, kennen zij geen andere dan deze ontoereikende aanduiding.

Ik droomde eerst - zo begon het - dat ik levend was begraven en handen noch voeten kon bewegen; daarop voelde ik mijn borst geweldig ademhalen, waardoor het deksel van mijn kist openging. Ik liep op een eenzame, witte landweg, die nog vreselijker was dan het graf waaruit ik was opgestaan, want ik wist dat er aan deze weg nooit een eind kwam. Ik verlangde terug naar mijn doodkist, die toen ook dadelijk recht over de straat klaarstond.

Zij was zacht om aan te voelen, zoals vlees, en zij had armen en benen en voeten zoals een lijk. Toen ik erin stapte, bemerkte ik dat ik geen schaduw wierp, en toen ik mezelf onderzoekend bekeek, had ik geen lichaam; ik voelde naar mijn ogen, maar ik had geen ogen; en kijkend naar mijn voelende tastende handen zag ik geen handen.

Op het moment dat het deksel van de doodkist zich langzaam boven mij sloot, was het alsof mijn denken en voelen als wandelaar op de witte landweg die van een oeroude, doch ongebogen man waren geweest. Maar toen het deksel bijna was gesloten, verdween dat zoals water­damp vervluchtigt en bleef alleen de halfblinde, halfdoffe denkwijze achter, die de hersens gewoonlijk vulde van die opgeschoten jongen die ik was en die als een vreemdeling in het leven stond.

Toen het deksel in het slot viel, ontwaakte ik in mijn bed. Dat wil zeggen, ik dacht dat ik ontwaakte.

Het was nog donker, maar ik bemerkte aan de bedwel­mende lucht van de vlierboom, die door het open venster de kamer binnendrong, dat de eerste adem van de aanbre­kende morgen uit de aarde opsteeg en dat het voor mij hoog tijd was om de lantarens in de stad te gaan doven. Ik pakte mijn stok en ging al tastend de trap af. Nadat ik mijn werk had volbracht ging ik de brug over en beklom een berg; iedere steen langs de weg kwam mij bekend voor, en toch kon ik mij niet herinneren dat ik er ooit was geweest.

Op de bedauwde velden, die er in de schemerschijn van de lucht nog zwartgroen uitzagen, groeiden alpenbloemen, sneeuwvlokkig wolgras en allerlei kruiden.

Plotseling opende de hemel zich aan de verre rand der uitgestrektheid en het levende bloed van het morgenrood goot zich uit over de wolken.

Blauw-glinsterende kevers en grote vliegen met glazige vleugels stegen gonzend, als door een onhoorbare tover­roep gewekt, plotseling van de aarde op en bleven op mensenhoogte zonder enige verdere beweging met de kop­jes gekeerd naar de ontwakende zon in de lucht zweven.

Een rilling van diepe, innige aandoening ging door mijn lichaam, toen ik dit zwijgende, grootse gebed der schep­ping zag en voelde en begreep.

Ik keerde mij om en ging weer naar de stad. Mijn schaduwbeeld, reusachtig groot, zijn voeten onafscheidelijk verbonden aan de mijne, gleed mij vooruit.

De schaduw, de band die ons aan de aarde bindt, dat zwarte spook dat van ons uitgaat en de in ons wonende dood verraadt wanneer een licht het lichaam treft.

De straten van de stad waren helder verlicht. De kinderen gingen druk pratend en spelend naar school.

Ik schrok. Gisteravond was het toch winter, hoe kan het dan vanmorgen zomer zijn?! Slaap ik, ben ik een slaapwandelaar? Ik keek op naar de lantarens. Ze waren uit - wie anders dan ik had ze kunnen doven? Ik was dus wel levend, als ik ze had uitgedraaid! Maar misschien ben ik nu dood en heb ik het werkelijk ondervonden dat ik in de doodkist lag; wellicht was het geen droom! Ik wilde de proef nemen en liep naar een schooljongen en vroeg hem: 'Ken je mij? ' Maar hij gaf geen antwoord en liep door mij heen als door enkel lucht.

'Ik ben dus dood,' zei ik kalm tot mezelf, 'en moet dan maar gauw, voordat ik tot ontbinding overga, mijn lanta­renstok thuis afgeven.' Mijn plichtsgevoel vermaande mij en ik ging de trap op naar mijn pleegvader.

Binnen in zijn kamer viel de stok uit mijn handen, wat veel leven maakte.

De baron hoorde het - hij zat in zijn leunstoel -, draaide zich om en zei: 'Zo, ben je daar eindelijk! '

Het deed mij genoegen dat hij mij opmerkte, want ik maakte daaruit op dat ik dus onmogelijk dood kon zijn. De baron bemerkte mijn gedachten en lachte.

'Je was op de berg, hè? ' Zo begon hij en wees naar de bloemen in mijn zak, die ik onderweg had geplukt.

Ik begon me stamelend te verontschuldigen, maar hij wenkte me vriendelijk toe en zei: 'Ik weet dat het daarbo­ven heel mooi is; ik ga er ook vaak heen. Jij bent er ook al dikwijls geweest, maar je hebt het altijd weer vergeten; jonge hersens bewaren niets, het bloed is nog te heet. Het wast de herinnering weg. Heeft de wandeling je vermoeid? '

'Die op de berg niet, maar de wandeling op de witte landweg wel,' zei ik, nieuwsgierig om te horen of hij daarvan iets wist.

'Ja, ja, de witte landweg! ' mompelde hij nadenkend, 'die kunnen weinigen verdragen. Alleen iemand die daar­voor geboren is. Omdat ik dat indertijd aan jou bemerkte - toen, in het vondelingenhuis - heb ik je bij me geno­men. De meeste mensen zijn banger voor die landweg dan voor het graf. Zij gaan liever weer in de doodkist liggen, want zij denken: Dat is dood-zijn en dan hebben we rust. In werkelijkheid echter is die doodkist het leven, het vlees. Dat iemand op aarde wordt geboren, betekent niets anders dan dat hij levend wordt begraven! Maar het is beter dat men op de witte landweg leert wandelen. Men moet alleen niet aan het einde van die weg denken, anders houdt men het niet uit, want deze weg heeft geen eind. Hij is oneindig. De zon op de berg is eeuwig. Eeuwigheid en oneindigheid zijn tweeërlei. Alleen voor hem, die in de oneindigheid de eeuwigheid zoekt en niet het "einde", alleen voor hem zijn oneindigheid en eeuwigheid dezelfde. Het gaan op de witte landweg moet men doen om het gaan zelf, uit plezier in het wandelen, niet om een vergankelijke rust met een andere te verwisselen.

'Rust - niet stilstand, niet niets-doen - is slechts in de zon op de berg. Zij staat stil en alles draait om haar. Reeds haar voorbode, het morgenrood, straalt eeuwigheid uit; daarom aanbidden de kevers en de vliegen het en blijven zij zo stil in de lucht wachten op het verschijnen van de zon. Daarom ben jij niet moe geworden, toen je de berg hebt beklommen.

'Heb je,' vroeg hij plotseling en keek me daarbij scherp aan, 'heb je de zon gezien? '

'Nee, vader, ik ben teruggekeerd voordat ze opging.'

Hij knikte goedkeurend. 'Dat is goed. Anders zouden wij niets meer met elkaar te doen hebben gehad,' liet hij er zacht op volgen.

'En ging je schaduw je vooruit naar het dal? '

'Ja, natuurlijk’ ...

Hij hoorde mijn verwonderd antwoord niet.

'Hij die de zon ziet,' ging hij voort, 'wil alleen nog de eeuwigheid. Hij is verloren voor het wandelen. Zij zijn de kerkheiligen. Wanneer een heilige overgaat, zijn de wereld en ook het andere voor hem verloren; zij zijn zonder hem achtergebleven. Je weet wat het is een vondeling te zijn ­bereid anderen niet een dergelijk lot, vader noch moeder te hebben! Wandel! Steek lantarens aan, totdat de zon van­zelf komt! '

'Ja! ' stamelde ik en dacht vol afkeer aan de vreselijke, witte landweg.

'Weet je wat het betekent dat je je weer in de kist hebt gelegd? '

'Nee, vader.'

'Het betekent dat je nog een poos het lot moet delen van hen die levend begraven zijn.'

Enige ogenblikken lang zwegen wij; toen riep ik plotse­ling uit:

'Maar dat is verschrikkelijk! Om levend begraven te zijn! '

'Niets, mijn jongen, is verschrikkelijk dat men doet om zijn ziel. Ikzelf ben soms ook nog levend begraven. Dik­wijls ben ik op aarde samen geweest met mensen, die in ellende en jammer verkeerden en zich bitter beklaagden over het onrecht van het noodlot. Sommigen hadden troost gezocht in de leer die uit Azië is overgewaaid - de leer van karma of van de wedervergelding -, die beweert dat niemand enig leed kan overkomen, waartoe in een vroeger bestaan niet de grond is gelegd. Anderen zochten troost in het dogma van de onnaspeurlijkheid van Gods raadsbesluiten. Maar werkelijke troost gevonden heeft niemand van hen.

'Voor zulke mensen heb ik een lantaren aangestoken, door hun gedachten in te geven' - hij lachte bijna bitter, maar bleef toch vriendelijk als altijd - 'en zij meenden dat zij deze gedachten van zichzelf hadden. Ik stelde hun namelijk de vraag: "Zoudt gij willen aannemen om heden­nacht te dromen, zó duidelijk alsof het werkelijkheid was, dat gij duizend jaar diep armoedig zijt, als gij de zekerheid had dat gij de volgende morgen als beloning daarvoor een zak vol goud voor uw deur vond?"

'En het antwoord luidde altijd: "Ja! Natuurlijk! "

"Beklaag u dan niet over uw lot. Weet ge of ge deze zware moeilijke droom, die hoogstens een goede zeventig jaar kan duren, niet zelf hebt gekozen in de hoop dat ge bij het ontwaken iets zult vinden dat veel mooier en veel heerlijker is dan een zak vol ellendig goud? Heus, iemand die een God met onnaspeurlijke raadsbesluiten zaait, zal eens een vreselijke duivel oogsten. Neem het leven wat kalmer op, beschouw het niet zo zwaar, niet zo gewichtig, dan zult ge er spoedig veel beter tegenover staan - dan kan de droom tot leidsman worden, in plaats dat die nu, gewikkeld in de lorren en prullen van het dagelijkse leven, een bonte, harlekijnachtige dwaas voor u blijft..."

'Hoor eens, mijn jongen, er bestaat geen ledige ruimte. In deze zin ligt het geheim verborgen, dat ieder moet zoeken te onthullen, die van vergankelijk dier tot onsterfe­lijk bewustzijn wil worden. Maar men moet de zin van de woorden niet alleen toepassen op de uitwendige natuur, anders blijft men gebonden aan de grove aarde. Men moet deze zin gebruiken als een sleutel die het geestelijke terrein ontsluit; men moet deze zin omzetten in de goede beteke­nis! Kijk eens: iemand wil gaan reizen, gaan trekken, maar de aarde houdt zijn voeten vast; wat zal er nu gebeuren als zijn wil om te reizen en te trekken niet verlamt? Zijn scheppende geest - de oerkracht, die hem bij de aanvang is ingeblazen - zal andere wegen uitvinden waarlangs hij kan gaan, en dát in hem, wat geen voeten nodig heeft om te gaan, zal reizen in weerwil van de aarde, in weerwil van alle mogelijke hindernissen.

'De scheppende wil, het goddelijke erfdeel in de mens, is een zuigende kracht; dit zuigen moet - begrijp dit in overdrachtelijke zin! - een ledige ruimte veroorzaken in de ruimte van de oorzaken, wanneer tenminste op de uiting van de wil niet de vervulling volgt. Kijk eens, daar is iemand ziek, maar hij wil gezond worden. Zolang hij nu zijn toevlucht neemt tot medicijnen, zolang verlamt hij iedere kracht van de geest, die sneller en beter gezond maakt dan alle medicijnen. Het is precies als wanneer iemand met de linkerhand wil leren schrijven; als hij zich altijd alleen van de rechter bedient, zal hij het met de linker nooit leren. Alles wat in ons leven gebeurt heeft zijn doel; zin-loos is er niets; een ziekte die een mens aangrijpt, stelt hem voor deze taak: verdrijf mij door de kracht van de geest, opdat de kracht van uw geest sterker worde en weer zal gaan heersen over de stoffelijkheid, zoals zij dat heeft gedaan voor de "zondeval". Die dat nu niet wil en zich tevreden stelt met medicijnen, die heeft de bedoeling van het leven niet begrepen; hij is een kleine jongen, die blijft spelen in plaats van naar school te gaan.

'Hij die echter niet verslapt in het geven van bevelen met de maarschalksstaf van de geest, en de grovere wapens der gemene soldaten minacht, die zal altijd opnieuw opstaan; hoe dikwijls de dood hem ook moge neerslaan, eindelijk zal hij toch koning zijn! Daarom moet de mens nooit verslappen op de weg tot het doel dat hij zich heeft voorgesteld; zoals de slaap slechts een korte rustpoos is, zo is de dood dat eveneens. Men begint een werk niet om het op te geven, maar om het te voleinden. Een werk dat eenmaal is begonnen, al is het schijnbaar nog zo onbelang­rijk om het half gedaan te laten liggen, vergiftigt en bederft de wil, zoals een onbegraven lijk de lucht van een geheel huis verpest.

'Wij leven slechts voor de volmaking van onze ziel; wie dit doel voortdurend in het oog houdt, er altijd aan denkt en het immer voelt zo dikwijls hij iets begint of besluit, die zal spoedig een zekere kalmte verkrijgen en op een onbe­grijpelijke wijze zal zijn lot veranderen. Voor hem die arbeidt als een onsterfelijke - niet om iets te verkrijgen dat hij wenst te bezitten (dat is een doel voor geestelijk blin­den), maar om de opbouw van de tempel van zijn ziel ­die zal de dag zien, al zij het ook na duizenden jaren, waarop hij kan zeggen: Ik wil en het is er; wat ik beveel, dat geschiedt en heeft niet meer de tijd nodig om langzaam rijp te worden.

'Dan is het tijdstip aangebroken waarop de lange reis ten einde is. Dan kunt ge de zon in haar gelaat zien, zonder dat uw oog erdoor verduistert. Dan kunt ge zeggen: Ik heb een doel gevonden, omdat ik er geen heb gezocht.

'Tegenover zo iemand zullen de heiligen arm zijn aan ervaring, want zij zullen niet weten wat de ander weet: dat eeuwigheid en rust hetzelfde kan zijn als reizen en onein­digheid.'

De laatste woorden gingen mijn begrip verre te boven; eerst veel later, toen mijn bloed wat afgekoeld en mijn lichaam krachtig was, werden ze duidelijk en levend voor mij.
 
 

 Nog een uittreksel:
Het is een gedeelte uit het hoofdstuk waarin het kwaad zich manifesteert aan de hoofdpersoon "Christoffel Duiventil” en de kleine doodskistenmaker "Adonis Moetsjelknaus”. Ophelia, de dochter van Moetsjelknaus en geliefde van Duiventil, is overleden en men probeert contact met haar te leggen door middel van een seance.

"De koude luchtmassa boven de tafel wordt levend en begint te draaien; ik denk onwillekeurig aan de ‘dodende noordenwind’, waarvan mijn vader toentertijd omstreeks middernacht tot de kapelaan sprak. Plotseling klinkt er een harde slag, die het vertrek doet trillen: de stoel waarop de naaister zat is weggetrokken; zijzelf ligt uitgestrekt op de grond. (..)

Een diep wantrouwen, alsof er iets duivels, iets boosaardigs, een gruwelijk wezen uit vergif gestold, in de kamer is. De woorden uit Ophelia’s brief: ‘Ik zal bij je zijn en je voor alle gevaar behoeden,’ schieten me te binnen, zo duidelijk alsof ik ze bijna hoor spreken.
Plotseling roepen ze alle drie tegelijk als uit één mond: ‘Ophelia!

Ik kijk op: boven het lichaam van de naaister zweeft cirkelend een kegel van blauwachtige damp, de punt is naar boven gericht. Een tweede kegel zweeft vanaf de zoldering, echter met de punt naar onderen gekeerd, als tastend naar de andere, tot ze elkaar hebben gevonden en samen een zandloper vormen ter grootte van een mens.
Daarop wordt zijn vorm plotseling — al het beeld van een toverlantaarn, dat iemand met één ruk scherp instelt — duidelijk en scherp en — Ophelia staat daar levend en werkelijk.
Zó duidelijk, zo lichamelijk, dat ik bijna een schreeuw geef en op haar wil toelopen.
Een angstroep in mij — in mijn borst —, een dubbel angstgeroep van twee stemmen houdt me op het laatste ogenblik echter terug: ‘Houd je hart vast! Christoffel!
‘Houd je hart vast! ‘hoor ik in mezelf gillen, alsof mijn stamvader en Ophelia tegelijkertijd aan het woord zijn. De spookgestalte komt met stralend gelaat op mij af. Iedere plooi in haar gewaad is precies zoals dat was toen zij leefde. Hetzelfde gebarenspel, dezelfde mooie dromerige ogen; dezelfde lange, zwarte wimpers, de fijn getekende wenkbrauwen; dezelfde smalle, blanke handen — zelfs de lippen zijn rood en levend-fris. Alleen het haar is onder een sluier verborgen. Zij buigt zich teder over me heen, ik voel het kloppen van haar hart; zij kust me op het voorhoofd en slaat een arm om mijn hals. De warmte van haar lichaam dringt tot me door. ‘Ze is opnieuw levend geworden! ‘zeg ik tot mezelf, ‘er valt niet aan te twijfelen!


Mijn bloed dreigt warm te worden en het wantrouwen wijkt voor een zalig gevoel van geluk. Maar steeds angstiger roept Ophelia’s stem in me — het is als een machteloos wanhopig handenwringen. ‘Verlaat me niet! Help me! Hij draagt slechts mijn masker!’ meen ik eindelijk in woorden te verstaan en dan verstikt de stem als achter doeken.
‘Verlaat mij niet! ‘Dat was een noodkreet, die nu tot in mijn diepste wezen heeft getroffen. Nee, mijn Ophelia die in nu woont, ik zal je niet verlaten! Ik bijt de tanden op elkaar en word koud — koud van wantrouwen.

‘Wie is die "hij” die Ophelia’s masker draagt?’ vraag ik aan de spookgestalte, terwijl ik hem scherp aankijk. Over het gelaat van het fantoom komt een verstijfde uitdrukking, als van een stenen beeld; de pupillen trekken samen, alsof ze door een bliksemstraal zijn getroffen.

Het is als het bliksemsnelle ontwijken van een wezen dat vreest te zullen worden herkend; maar hoe snel het ook geschiedt, toch heb ik een moment lang in de ogen van het spook, in plaats van mezelf, de kleine beeltenis van een vreemd gelaat weerspiegeld gezien. Het volgende ogenblik heeft de spookgestalte zich van mij losgemaakt en zweeft nu met uitgespreide armen op de draaiersbaas toe, die haar huilend van liefde en geluk omarmt en haar wangen met kussen bedekt. Een onbeschrijfelijke afkeer grijpt me aan. Ik voel mijn haren van ontzetting te berge rijzen. De lucht die ik inadem verlamt mijn longen als een ijskoude wind

Het beeld van het vreemde gelaat, klein als een punt van een naald en toch helderder en scherper dan alles wat een oog kan zien, zweeft voor me. Ik sluit mijn ogen en houd het vast in mijn geest. Het gelaat dat voortdurend naar het mijne is toegekeerd wil me ontsnappen; het dwaalt rond als een vonk in een spiegel, maar ik dwing het om stil te staan. Wij staren elkaar aan. Het is het gelaat van een meisjesachtig wezen en tegelijk dat van een jongeling, en het is van een onbeschrijfelijke vreemde schoonheid.

De ogen hebben geen pupillen, ze zijn leeg als die van een marmeren beeld en schitteren als opaal. Een zachte, bijna onmerkbare, maar toch door haar geniepigheid des te vreselijker uitdrukking van alles vernietigende hardvochtigheid speelt rondom de smalle, bloedeloze, aan de mondhoeken met fijne lijntjes opgetrokken lippen. De witte tanden schijnen door de als zijde zo dunne huid; een gruwzaam lachen van de beenderen.
Het optisch punt tussen twee werelden is dit gelaat, zo vermoed ik. De stralen van een met haat vervuld rijk van vernietiging zijn daarin samengekomen als in een brandglas: erachter loert de afgrond van alle vernietiging, waarvan het zwakste zinnebeeld de engel des doods is. Wat is dat voor een gestalte, die bedrieglijk Ophelia’s trekken aanneemt? vraag ik mezelf angstig af. Waar komt ze vandaan, welke kracht in het heelal heeft haar konterfeitsel levend gemaakt? Ze beweegt zich vol lieftalligheid en goedheid en toch is ze een gemaskerde satanische macht. Zal de verborgen demon daarin plotseling het omhulsel afwerpen en ons in helse afschuwelijkheid aangrijnzen, om een paar mensen in wanhoop, in een gevoel bedrogen te zijn achter te laten? Nee, denk ik, met zulke nietige bedoelingen openbaart de duivel zich niet. Of het dat oeroude in mij is, of de levende stem van Ophelia in mijn hart, of de woordeloze herkenningsbron van mijn eigen wezen — ik weet het niet meer, maar ik begrijp dat het de onpersoonlijke kracht van alle boosheid is die, handelend volgens stomme natuurwetten, wonderlijke dingen voortovert en in werkelijkheid slechts het helse goochelspel van de tegenstelling speelt. Dat wat het masker van Ophelia draagt, is geen wezen dat de ruimte vult — het is het magische herinneringsbeeld in de draaiersbaas, dat onder metafysische wetten, waarvan wij de werking en oorsprong niet kennen, zich zichtbaar en tastbaar heeft gemaakt — misschien met de duivelse bedoeling de afstand, die het rijk der doden van dat van de levenden scheidt, nog te vergroten. De ziel van de arme naaister, die nog niet tot een zuivere, gekristalliseerde persoonlijkheidsvorm is ontwikkeld, heeft aan hetgeen uit het lichaam van het medium is voortgekomen als een plastisch kneedbare, magnetische massa het omhulsel geleend, waaruit het smachtende verlangen van de oude Moetsjelknaus het fantoom schiep. Het medusahoofd, het symbool van de verstenende macht die wegvoert van het rechte pad, is hier in het klein aan het werk; het komt zegenend zoals Christus tot de armen, sluipt als een dief in de nacht de woningen van mensen binnen. (…)

Zoals ik het medusahoofd in de ogen van het spook zag, zo hoor ik nu uit de mond van de man met de lange haren haar stem: zowel het een als het ander achter het masker van de verhevenheid en waarheid. Het is de gespleten tong van een adder der duisternis die spreekt. Hij spreekt van de Heiland en bedoelt de Satan. Hij zegt: ‘De wilde dieren zullen weer gras eten! ‘Met het gras bedoelt hij de argelozen — de grote massa — en met de wilde dieren de demonen der wanhoop. Het verschrikkelijke in de profetie is — ik voel dat ze vervuld zal worden! — dat ze een vermenging is van waarheid en helse kwaadaardigheid! De lege maskers der doden zullen opstaan. Maar niet zij naar wie men smachtend heeft verlangd; niet degene om wie de aarde treurt! Zij zullen komen dansen voor de levenden, maar dat zal niet het begin zijn van het duizendjarige rijk: dat zal een hels bal zijn, een satanisch jubelend verwachten van het hanengekraai van een nooit eindigende, gruwzame kosmische Aswoensdag.

‘Zal reeds thans de tijd van de vertwijfeling aanbreken voor de oude man en de anderen die hier zitten? Wenst ge dat?’ — hoor ik als een honende vraag zonder woorden uit de stem van Medusa klinken. ‘1k zal je niet hinderen, Christoffel! Spreek! Gij, die meent dat ge u aan mijn macht hebt ontworsteld, zeg hem dat ge mij hebt gezien in de pupillen van het spook, dat ik opbouwde uit de kankerachtige kiemen van het halfvergane zielekleed van de naaister, het spook dat ik hier heb laten rondlopen. Zeg hun toch alles wat ge weet! Ik zal u we! helpen, zodat zij u geloven! ‘Het zal voor mij goed zijn als ge doet wat de plicht van mijn dienaren is. Wees toch een voorbode van de grote, witte Dominicaan, die de waarheid moet brengen, zoals uw brave stamvader hoopt. Wees slechts een dienaar van de heerlijke waarheid, ik wil u graag helpen om u te laten kruisigen. Zeg hun maar moedig de waarheid; ik verheug mij er reeds op hoe "verlost” zij zich zullen voelen!
De drie spiritisten kijken mij aan, vol verwachting dat ik de man met de lange haren zal antwoorden. Ik denk aan de regels in Ophelia’s brief, waarin zij mij verzoekt haar pleegvader behulpzaam te zijn. Ik aarzel. Zal ik zeggen wat ik weet? Een blik in de ogen van de oude man, die schitteren van geluk, ontneemt me de moed. Ik zwijg. (…)
dat de strijd tussen liefde en haat, de tweespalt tussen hemel en hel, reikt tot in de wereld van de gestorvenen, tot ver over het graf.

Alleen in de harten van hen die levend zijn geworden in de geest, hebben de doden waarlijk rust, dit voel ik. Daar alleen zijn rust en toevlucht voor hen. Slapen de harten van de mensen, dan slapen ook de doden daarin; waken de harten geestelijk op, dan worden ook de doden levend en nemen zij deel aan de wereld der verschijning, zonder aan leed en ellende, die het aardse bestaan vergezellen, onderworpen te zijn. (…)

De rest van de nacht heb ik op de bank in de tuin doorgebracht totdat de zon opkwam. Het deed me goed te weten dat daar aan mijn voeten de aardse vorm van mijn geliefde rustte, maar dat zij zelf in mijn hart leeft en onafscheidelijk met mij verbonden is.
Het morgenrood steeg op uit de horizon, nachtelijke wolken hingen als zware zwarte gordijnen van de hemel tot op aarde, oranjegele en violette vlekken vormden een reusachtig groot gelaat, waarvan de strakke trekken nu aan het medusahoofd herinnerden; het loerde zonder enige beweging, alsof het van plan was de zon te verslinden. Het gehele beeld: een zweetdoek van de hel met daarop het aangezicht van Satan. Voordat de zon kwam, heb ik om haar te begroeten een tak van een vlierstruik afgebroken en die in de aarde gestoken, opdat hij groeiend en gedijend een boom zou worden. Het was mij alsof ik daardoor de levende wereld rijker maakte.
Voordat het grote licht verscheen hadden de eerste boden van zijn glans het medusahoofd verjaagd; veranderend als een onafzienbare schare witte lammeren dreven de eerst zo donkere, dreigende wolken langs de stralende hemel.

 
 
 06. Het Groene Gezicht.
 
 
 
 

Gustav Meyrink heeft dit boek in 1916 geschreven, dus middenin de Eerste Wereldoorlog. Toch heeft hij met visionaire blik een meesterlijke en realistische beschrijving gegeven van de toestanden zoals die zich in de jaren na die oorlog zouden gaan ontwikkelen.

Meyrink heeft zijn verhaal gesitueerd in het naoorlogse Amsterdam, een tumultueuze stad, die hij op fascinerende wijze beschrijft. Zijn schildering van de toenmalige bruisende Jordaan is onovertroffen en zal door de hedendaagse lezer met een zekere weemoed worden herkend. Maar ook laat Meyrink ons de sfeer proeven van de voorname Hilversumse buitenplaatsen, waar gefortuneerde landgoedeigenaren zich konden verliezen in bespiegelingen over het menselijke gedrag en het menselijke lot.

Centraal in het boek staat de mysterieuze figuur van Chidher, de eeuwig groene, de onsterfelijke, bekend uit vele Arabische, Perzische, Syrische, Ethiopische en Joodse sagen. Chidher is altijd en overal ter wereld onderweg om mensen die in nood verkeren, en die zijn hulp waardig zijn, op beslissende levensmomenten de helpende hand te reiken.

Dat ervaren ook de hoofdfiguren van het boek, die elk een bepaald aspect van Meyrinks filosofie en van zijn boodschap vertegenwoordigen. De lezer verkrijgt hierdoor inzicht in de problematiek van leven en dood en in de diepere zin van het menselijke bestaan. De schrijver wil tot uitdrukking brengen dat het pad van bevrijding een innerlijk pad is, dat alleen kan worden bewandeld door de mens die doordrongen is van het nieuwtestamentische axioma: «Het ik moet ondergaan, op, dat de Andere in mij kan groeien».

Het werk eindigt met een apocalyptische beschrijving van de verwoesting van de verdorven stad Amsterdam, die door een alles vernietigende storm met de grond gelijk wordt gemaakt. Maar te midden van dood en ondergang heeft het bloeiende appelboompje zich staande weten te houden - als symbool van het eeuwig terugkerende leven.
 
Enkele citaten uit het boek:

Jarenlang schijnt het te stagneren, dan, onverwachts, dikwijls alleen gewekt door een onbelangrijke gebeurtenis, wordt de sluier weg­getrokken en op een goede dag rijst er in ons wezen een tak met rijpe vruchten op waarvan we de bloei nooit bemerkt hebben. En wij be­merken dat wij, zonder het te weten, hoveniers geweest zijn van een boom vol geheimenissen. Had ik mij maar nooit laten verleiden om te geloven dat de een of andere macht buiten mijzelf deze boom zou kunnen oprichten - hoeveel ellende zou mij dan bespaard zijn ge­bleven! Ik was de enige meester over mijn lot - en ik wist het niet! Ik dacht dat ik er weerloos tegenover stond, omdat ik niet in staat was het door daden te veranderen.

**
Omdat een heilige alleen maar goede daden verricht, wanen de mensen dat zij door goede daden heilig kunnen worden. Zo lopen zij langs het pad van een vals godsgeloof de afgrond in en geloven dat zij tot de rechtvaardigen behoren. Door valse deemoed worden ze verblind, zodat ze, als de tijd komt, ontzet achteruit deinzen, als kinderen voor hun eigen spiegelbeeld, en bang zijn dat zij waanzin­nig geworden zijn als zijn gelaat hen aanziet.

**
Het verlangen van de sterfelijke mens de gestalten der bovenaard­sen te aanschouwen, is als een kreet die ook de fantomen uit de on­derwereld wekt, omdat zulk een verlangen niet zuiver is; omdat het hebzucht is, in plaats van verlangen; omdat het in de een of andere vorm wil «nemen» in plaats van te roepen: «leer mij te geven».
Een ieder die de aarde als een gevangenis ervaart, iedere vrome die om verlossing roept, zij allen bezweren onbewust de wereld der gees­ten. Doe jij dat ook. Maar: bewust!
Of er voor hen die het onbewust doen, een onzichtbare hand is, die de moerassen waarin zij onherroepelijk terecht komen, kan om­toveren tot eilanden? Ik weet het niet. Ik wil er niet over strijden ­maar geloven doe ik het niet.

Wanneer je op de weg van het ontwaken door het rijk der geesten trekt, zul je langzamerhand gaan inzien dat het slechts gedachten zijn die je plotseling met je ogen kunt zien. Dat is de reden waarom ze je zo vreemd voorkomen, als geestverschijningen; want de taal der vormen is anders dan de taal van het brein.

**
«Wil je naar het rijk der doden gaan om de levenden te zoe­ken?» Chidher Groen stond voor hem, zoals eens in de winkel in de jodenbuurt: in zwarte talaar en met witte krullen langs de slapen. «Denk je dat 'aan gene zijde' de werkelijkheid is? Het is slechts het land van vergankelijk genot voor blinde spookgestalten, zoals de aarde het land is van vergankelijke smart voor blinde dromers. Wie op aarde niet leert 'zien', leert het aan gene zijde zeker niet. Denk je, omdat haar lichaam daar als dood ligt,» hij wees op Eva, «dat ze niet meer uit de doden kan opstaan? Zij is levend, alleen jij bent nog dood. Wie eenmaal levend is geworden, als zij, kan niet meer sterven. Wel echter kan iemand die dood is, als jij, levend worden.»

**
 HIER staat een langer uittreksel, over écht wakker worden.
 
 
 
07. De Engel van het Westelijk Venster.

 
 
 Deze roman is gebaseerd op de levens van de Engelsman John Dee en de Duitse Baron Alfred Muller-Eller. Tussen beide levens ligt bijna 400 jaar, maar hun levens zijn verbonden door de wonderlijke en magische omstandigheden, zoals die in de roman van Meyrink worden beschreven en die men ook terugvindt in de aantekeningen van de "Golden Dawn” en in historische archieven, ondermeer in Londen, Mortlake en Praag.
 

Uit een synopsis gevonden op internet:

Meyrinks laatste roman De Engel van het Westelijk Venster (1927) heeft onder andere het thema reïncarnatie. De hoofdpersoon, een baron Müller, komt in het bezit van een erfenis van een Engels familielid, John Roger. De baron blijkt de laatste 'tak' te zijn van de genealogische boom waar ook de Engelse magiër John Dee in voor komt. Meyrink maakt in het verhaal over John Dee (1527-1608) gebruik van het verhaal als zou deze verliefd zijn geweest op Elizabeth I, 'the Virgin Queen'. Elke tak in de al genoemde boom stelt één van de nakomelingen van John Dee voor en de top van de boom wordt bekroond door de hoofden van baron Müller en van Elizabeth. Hier zit een duidelijke verwijzing in naar de alchemie. Daar stelt de maagd de materie van de alchemistische werken voor. De alchemist moet zich met haar verenigen, in lichaam en geest, in het perfecte en onlosmakelijke huwelijk: de androgyne mens.

Naast Elizabeth spelen nog twee andere vrouwen een rol. Johanna, de dienstbode van baron Müller, blijkt de reïncarnatie van Jane, de vrouw van John Dee te zijn, die zich opoffert voor de zielenheil (de vervolmaking) van haar man. De tweede vrouw is de sinistere vorstin Chotokalonguine. Zij is de incarnatie van Isaïs de Zwarte, een negatieve versie van de godin Isis en misschien nog het meest te vergelijken met de Griekse godin van de heksen: Hekate. Haar symbool is een kat. Het zou hier te ver voeren om een uitgebreide analyse te geven van deze roman.  

Het eeuwige dilemma dat we zien tussen schijn en werkelijkheid, loyaliteit en verraad, komt in deze roman buitengewoon inzichtelijk aan de orde. Evenals het Socratische "ken u zelf” in de woorden van Rabbi Löwe die tegen John Dee zegt: "nog immer zoekt gij Engelen buiten uzelf, terwijl de waarheid alleen in uzelf te vinden is”.


DE ENGEL VAN HET WESTELIJK VENSTER - Flaptekst.


In dit boek wordt door Gustav Meyrink getekend, dat er geen verbinding bestaat en nimmer bestaan kán tussen de mens zoals hij in deze wereld leeft en werkt enerzijds, en God anderzijds. Doordat dit inzicht in het algemeen aan de zich religieus noemende mens ontbreekt, meent hij een engel Gods te zien, meent hij het antwoord op zijn vurig gebed te ontvangen van God, terwijl hij in feite te doen heeft met een engel der duisternis, of wel met een projectie van alles wat in hemzelf leeft.

Zo schept de mens zich engelen van het westelijk venster, waaraan hij zelf te gronde gaat. Zo brengt hij God het kwaad ten laste dat hij zelf schept.

Gustav Meyrink heeft met het schrijven van dit boek een poging gedaan de fouten en de daaruit voortkomende rampzalige gevolgen te schilderen waardoor de naar God zoekende mens zo menigmaal geteisterd wordt, wegens gebrek aan inzicht en ware kennis.

Wie echter, als de hoofdpersoon in het boek, na het gaan van een lange ervaringsweg bewust de binding ondergaat met de straling van de karbonkel met de twaalf vlakken, uit de "droom van de Hoël Dhats", bereikt de bekroning van zijn zoekend streven en wordt opgenomen in het oorspron­kelijke, goddelijke levensveld.

 
Een indrukwekkend citaat uit het boek:

Opeens: een druk van achteren op mijn schouder. Nee, ik draai mij niet om: geen blik meer naar het westen. De druk is warm als van een mensenhand en doorstroomt mij en doet mij warm en weldadig aan.
Ik behoef mij niet meer om te keren: vóór mij staat Garde­ner, mijn oude vergeten laborant Gardener, die eens met ruzie van mij weggegaan is. Hoe komt die hier nu opeens in het slot ... en op dit ogenblik, juist nu ik Mortlake Castle en de gehele bedrieglijke en bedrogen wereld de rug wil toekeren?

Gardener, mijn goede laborant, is wonderlijk gekleed. Hij draagt een witte linnen mantel, waarin ter hoogte van de linkerborst een roodgouden roos geborduurd is. Zij glanst in het licht van de zonnige morgen. En jong, zeer jong is het ge­zicht van Gardener gebleven. Alsof er geen vijfentwintig jaren voorbijgegaan waren sinds wij elkaar voor de laatste keer ge­zien hebben.

Glimlachend, met de hartelijkheid van een oude vriend, van een nimmer oud wordende mens, komt hij naar mij toe: «Je bent alleen, John Dee? Waar zijn je vrienden?»

Alle jammer welt in mijn borst omhoog en uit zich in een stroom van tranen. Doch ik kan slechts fluisteren, met hese stem en mat van leed en geslagenheid: «Zij hebben mij verlaten.»

«Gelijk heb je, John Dee, dat je de stervelingen los laat. Al het sterfelijke spreekt met twee monden en de twijfelende moet daardoor wel tot vertwijfeling komen.»

«Ook de onsterfelijken hebben mij verraden.»

«Je hebt gelijk, John Dee; het is noodzakelijk dat de mens óók aan de onsterfelijken gaat twijfelen; zij voeden zich met de offers en de gebeden van de aardse mens en azen daarop als wolven.»

«Dan weet ik niet meer waar God is.» «Zo vergaat het allen die Hem zoeken.» «En die de weg verloren hebben?»

«De weg vindt jou, jij niet de weg. Wij allen hebben ooit de weg verloren, omdat wij hier niet doelloos moeten ronddolen, maar moeten uitgaan om het kleinood te vinden, John Dee.»

«Verdwaald en alleen, zoals je mij thans hier ziet, hoe zal ik dan niet versmachten op de verloren weg?»

«Ben je alleen?»

«Nee, jij bent toch bij mij!»

«Ik ben ...» als een schaduw verdwijnt de gestalte van Gardener.

«Ben jij dus ook slechts bedrog?» komt het reutelend uit mij.

Nauwelijks hoorbaar roept een stem uit de verte: «Wie noemt mij een bedrieger?»

«Ik!»

«Wie is ik?»

«Ik!»

«Wie dwingt mij met geweld terug?»

«Ik!»

Wederom staat Gardener duidelijk zichtbaar voor mij. Hij glimlacht tegen mij: »Nu heb je Hem geroepen die je nooit alleen laat, als je verdwaald bent: het ondoorgrondelijke Ik. Bezin je op Hem, die voor jouw blik de vormloze is; op de oer­vorm voor je geweten.»

«Wie ben ik?» zeg ik steunend.

«Je naam is opgetekend, naamloze. Je kenteken, nakome­ling van Roderik, heb je verloren. Daarom ben je nu alleen.»

«Mijn kenteken ...?»

«Dit!» - Gardener haalt uit zijn jas de briefopener, de ver­loren dolk, het kleinood der Dee's, de lans van Hoël Dhat.

«Zo is het,» hoont de laborant en zijn koude lach snijdt mij door de ziel.

«Zo is het, John Dee. Eens het edelste, mannelijke wapen van je voorvader, daarna een gekoesterd, bijgelovig vereerd kleinood van je geslacht, daarna een ordinaire briefopener van de aan lager wal geraakte nakomeling en ten slotte een licht­zinnig misbruikt werktuig van de armzalige kunsten der duisternis, dat lichtzinnig uit de zondigende hand verloren ging. Afgodendienst. Begrijp je, wat ik bedoel? Diep verlaagd is door jou de talisman van een edele tijd; diep, diep ben je gezonken, John Dee.»

Haat breekt in mij los; haat, gloeiend als gloeiende lava, vliegt mij naar de keel: «Geef hier die dolk, bedrieger.»

Nauwelijks een haarbreed wijkt de laborant voor mijn on­stuimige greep terug.

«Geef hier, die dolk, dief! Dief! Jij laatste bedrieger, laatste vijand op aarde! Doods ... vijand!»

Het woord blijft steken; mijn adem stokt. Duidelijk voel ik mijn zenuwen in mij als versleten touwen gonzen, trekken, scheuren. Ik voel met griezelige helderziendheid dat het met mij gedaan is.

Een mild lachen wekt mij uit de nevelen van de onmacht, die op de ineenstorting van het bevende lichaam volgde: «God zij dank, John Dee, dat je nu al je vrienden wantrouwt; ook mij. Eindelijk heb je jezelf teruggevonden. Eindelijk, John Dee, zie ik dat je alleen op jezelf vertrouwt. Dat je eindelijk hartstoch­telijk wilt hebben wat het jouwe is.»

Ik zink in de kussens terug en voel mij op wonderlijke wijze overwonnen. Ik adem langzaam en licht en stamel: «Vriend, geef mij mijn eigendom terug.»

«Hier!» zegt Gardener en overhandigt mij de dolk. Haastig grijp ik ernaar, als - als een stervende naar het sacrament. Ik grijp in de lucht. Gardener staat voor mij. De dolk in zijn hand fonkelt in het heldere morgenlicht, zo werkelijk als mijn eigen bloedeloze, sidderende hand in het zonlicht te zien is... maar ik kan de dolk niet grijpen.

Zacht zegt Gardener: «Je ziet: jouw dolk is niet van deze wereld.»
«Wanneer... waar... kan ik hem... grijpen?»
«Daarboven, als je hem daar zoekt. Daarboven, als je hem dan niet vergeten hebt.»
«Help mij dan, vriend, opdat ik... niet... ver...geet.»
 
 
 

 
 
 
Bronnen en uitgeverij 
 
 
 Titels van romans, uitgegeven door de Rozekruispers:

1. DE WITTE DOMINICAAN
2. DE ENGEL VAN HET WESTELIJK VENSTER
3. HET GROENE GEZICHT
4. DE GOLEM
5. DE VIER MAANBROEDERS - DE KLOKKENMAKER (NOVELLEN)
6. WALPURGISNACHT
7. DE VERANDERING IN HET BLOED
 
Internetbronnen:

Ivo Verboon Blogspot 

Rozekruispers 

Literaturnet 

Symbolon