Paracelsus – Theophrastus - geboren 1493

 
Theophrastus von Hohenheim, beter bekend onder de naam Paracelsus, wordt in 1493 of 1494 te Einsiedeln in Zwitserland geboren. Zijn vader is de arts Wilhelm Bombast von Hohenheim, zijn moeder een lijfeigene van het klooster te Einsiedeln.

Na de dood van zijn moeder verhuist Theophrastus met zijn vader tegen 1502 naar Villach in Karinthië. Van kinds af aan wordt hij in de adepta philosophia onderwezen, in de eerste plaats door zijn vader, later door vele anderen, voornamelijk bisschoppen, abten en alchemisten. Na het bezoek van diverse universiteiten in Duitsland, Frankrijk en Italië promoveert hij vermoedelijk rond 1515 in het Italiaanse Ferrara tot doctor der medicijnen.

Lees meer
 
 
 
 
 
 01. De roos van Paracelsus
 
 

 
In zijn werkplaats, die de twee kamers van het souterrain omvatte, vroeg Paracelsus zijn God, zijn onbepaalde God, iedere God, hem een leerling te sturen.  Het liep tegen de avond.
Het schaarse vuur in de stookplaats wierp onregelmatige schaduwen.  Opstaan om de ijzeren lamp aan te steken was te veel inspanning.  Paracelsus, afgetrokken van vermoeidheid, vergat zijn smeekbede.
De nacht had de stoffige distilleertoestellen en de alchemistenoven uitgewist toen er op de deur werd geklopt.  De man kwam slaperig overeind, beklom de korte wenteltrap en opende een van de vleugels. Een onbekende trad binnen.  Ook hij was heel moe.
Paracelsus wees hem een bank; de ander ging zitten en wachtte af.  Een tijdlang wisselden zij geen woord.

De meester was de eerste die sprak. `Ik herinner mij gezichten uit het Westen en gezichten uit het Oosten,' zei hij, niet zonder zeker vertoon.  `Het uwe herinner ik mij niet.  Wie bent u en wat wilt u van mij?'

`Mijn naam is van geen belang,' antwoordde de ander.  `Drie dagen en drie nachten heb ik gelopen om uw huis te kunnen binnengaan.  Ik wil uw leerling zijn.  Hier is al wat ik bezit.'

Hij haalde een groflinnen zak te voorschijn en gooide hem leeg boven tafel.  De vele munten waren van goud.  Hij deed het met zijn rechterhand.  Paracelsus had hem zijn rug toegekeerd om de lamp aan te steken.  Toen hij zich weer omdraaide merkte hij dat de linkerhand een roos vasthield.  De roos maakte hem onrustig.

Hij leunde achterover, drukte zijn vingertoppen tegen elkaar en zei:`U acht mij in staat de steen te bereiden die alle elementen omzet in goud en u brengt me goud.  Het is niet goud wat ik zoek, en als het goud is wat u interesseert, zult u nooit mijn leerling zijn.'

`Goud interesseert me niet,' antwoordde de ander.  `Deze munten zijn alleen een blijk van mijn bereidwilligheid om te werken.  Ik wil dat u mij de Kunst leert.  Ik wil aan uw zijde de weg afleggen die leidt naar de Steen.' Paracelsus zei, langzaam: `De weg is de Steen.  Het vertrekpunt is de Steen. Als u deze woorden niet begrijpt, bent u nog niet begonnen te begrijpen.  Iedere stap die u zult zetten is het eindpunt.'

De ander keek hem achterdochtig aan.  Hij zei op andere toon: `Is er dan een eindpunt?'

Paracelsus lachte. `Mijn lasteraars, die even talrijk als dom zijn, zeggen van niet en zij noemen mij een bedrieger.  Ik geef ze geen gelijk, maar het is niet onmogelijk dat ik een dromer ben.  Er is een Weg, dat weet ik.'

Er viel een stilte, en de ander zei: `Ik ben bereid die met u af te leggen, al moeten we vele jaren gaan.  Laat mij de woestijn doorsteken. Laat mij desnoods van verre het beloofde land zien, al staan de sterren me niet toe het te betreden.  Voor ik de reis onderneem wil ik een bewijs.'

`Wanneer?' vroeg Paracelsus, onrustig.
`Nu meteen,' zei de leerling, met plotselinge beslistheid.
In het begin hadden zij Latijn gesproken; nu spraken zij Duits.

De jongen stak de roos in de lucht. `Het heet,' zei hij, `dat u een roos kunt verbranden en weer uit de as laten verrijzen, door middel van uw kunst.  Laat mij getuige van dat wonder zijn. Dat vraag ik u, en daarna zal ik u mijn hele leven geven.'

`U bent erg goedgelovig,' zei de meester.  `Ik heb geen behoefte aan goedgelovigheid; ik eis geloof.'

De ander drong aan.`Juist omdat ik niet goedgelovig ben wil ik met mijn eigen ogen de vernietiging en herrijzenis van de roos aanschouwen.'

Paracelsus had de roos gepakt en speelde er mee terwijl hij sprak.
`U bent goedgelovig,' zei hij.  `U zegt dat ik in staat ben haar te vernietigen?'
`Niemand is niet in staat haar te vernietigen,' zei de leerling.
`U vergist zich.  Gelooft u soms dat iets kan worden teruggebracht tot het niets?  Gelooft u dat de eerste Adam in het Paradijs ook maar één bloem of één grasspriet had kunnen vernietigen?'
`Wij zijn niet in het Paradijs,' zei de jongen koppig.  `Hier, onder de maan, is alles sterfelijk.'
 
Paracelsus was gaan staan.

`Op welke plek zijn we dan?  Gelooft u dat God een plek kan scheppen die niet het Paradijs is?  Gelooft u dat de Val iets anders is dan niet weten dat we in het Paradijs zijn?'

`Een roos kan verbranden,' zei de leerling, uitdagend.
`Er is nog vuur in de stookplaats,' zei Paracelsus.
`Als u deze roos op de gloeiende resten gooide, zou u denken dat ze is vergaan en dat de as waarachtig is.
Ik zeg u dat de roos eeuwig is en dat alleen haar aanzien kan veranderen.  Ik zou aan één woord genoeg hebben om te maken dat u haar opnieuw zag.'
`Aan één woord?' zei de leerling, bevreemd.  `De oven is uit en de distilleertoestellen zitten vol stof.  Wat zou u doen om haar te laten herrijzen?'

Paracelsus keek hem verdrietig aan. `De oven is uit,' beaamde hij, `en de distilleertoestellen zitten vol stof.  Op dit traject van mijn lange reis gebruik ik andere instrumenten.'
`Ik waag het niet te vragen welke dat zijn,' zei de ander, sluw of onderdanig.
`Ik heb het over het instrument dat God gebruikte voor het scheppen van de hemelen en de aarde en het onzichtbare Paradijs waarin wij zijn maar dat de erfzonde ons verhult.  Ik heb het over het Woord dat de wetenschap van de Kabbala ons leert.'

De leerling zei, koel: `Ik vraag u de gunst mij de verdwijning en verschijning van de roos te laten zien.  Het interesseert me niet of u werkt met distilleertoestellen of met het Woord.' Paracelsus dacht na.  Ten slotte zei hij: `Als ik het deed, zou u zeggen dat het gaat om schijn die u is opgelegd door de toverij van uw ogen.

Het wonder zou u het geloof dat u zoekt niet geven. Laat dus de roos.'
De jongen keek hem aan, nog altijd achterdochtig.
De meester verhief zijn stem en zei tegen hem: `Bovendien, wie bent u om het huis van een meester binnen te gaan en een wonder van hem te verlangen?  Wat heeft u gepresteerd om een dergelijke gift te verdienen?'

Huiverend zei de ander terug: `Ik weet wel dat ik niets heb gepresteerd.  Ik vraag u in naam van de vele jaren die ik in uw schaduw zal studeren mij de as en vervolgens de roos te laten zien.  Verder zal ik u niets vragen.  Ik zal geloven in de getuigenis van mijn ogen

Bruusk pakte hij de vleeskleurige roos die Paracelsus op de lessenaar had gelegd en wierp haar in de vlammen.  De kleur ging verloren en er bleef alleen een beetje as over.  Een oneindig ogenblik lang wachtte hij op de woorden en het wonder.

Paracelsus had geen spier vertrokken.  Met vreemde eenvoud zei hij: `Alle artsen en alle apothekers in Bazel beweren dat ik een oplichter ben.  Misschien hebben ze het bij het rechte eind.  Daar is de as die de roos was en niet zal zijn.'

De jongen voelde schaamte.  Paracelsus was een charlatan of een ordinaire ziener en hij, een indringer, had zijn drempel overschreden en dwong hem nu om te bekennen dat zijn fameuze toverkunsten ijdel waren.

Hij knielde, en zei tegen hem: `Mijn gedrag was onvergeeflijk.  Ik ontbeerde het geloof dat de Heer van zijn dienaren eiste.  Laat mij de as blijven zien.  Ik kom terug als ik sterker ben en ik zal uw leerling zijn en aan het eind van de weg zal ik de roos zien.'

Hij sprak met ware hartstocht, maar die hartstocht was de piëteit die hem werd ingegeven door de oude meester, zo vereerd, zo bestookt, zo vermaard en derhalve zo loos.  Wie was hij, Johannes Grisebach, om met heiligschennende hand te ontdekken dat achter het masker niemand zat?

Hem de gouden munten laten zou een aalmoes zijn.  Hij pakte ze bij het weggaan weer op.  Paracelsus vergezelde hem tot aan de trap en zei tegen hem dat hij altijd welkom was.  Beiden wisten dat ze elkaar niet zouden weerzien.

Paracelsus bleef alleen achter.  Voor hij de lamp uitdeed en ging zitten in de afgeleefde stoel, goot hij het schamele hoopje as in zijn holle hand en sprak zachtjes een woord.  De roos herrees.


De Quincey, Writings, XIII,345
Jorge Luis Borges -  Vertaling Barber van de Pol
 
 
 
 02. Over de oorzaken van ziekte


In het Volumen Paramirum (ongeveer: het geschrift over het wonderbaarlijke) beschrijft Theophrastus in vijf boeken de oorzaken van ziekten. Vier heidense en één niet-heidense:

* Het «ens astrorum» (ens = iets dat bestaat, vert.): de oorzaak, die in het gesternte, dat wil zeggen in de microkosmische dierenriem ligt; ons bekend als karma of noodlot - de «schets» van het leven, met al zijn immense mogelijkheden, om te rijpen wat betreft ervaring en inzicht;

* het «ens veneni» : ziekten door vergiften, tegenwoor­dig ook door de gebruikelijke chemisch-allopathische toepassingen van de medische wetenschap;

* het «ens naturale»: natuurlijke oorzaken van ziekten, bijvoorbeeld slijtage, verkalking, vertraging van de stofwisseling;

* het «ens spirituale» : ziektegevallen die te maken hebben met het denkvermogen en de gedachten; col­lectieve gedachtewolken, boze geesten, wilsinvloeden, zwarte magie, hypnose, suggestie, tovenarij en nog veel meer;

* het vijfde, niet-heidense boek: het «ens dei», de oor­zaak die uit het goddelijke stamt of, anders gezegd: 'Mens bent u vergeten, wat uw oorsprong is en uw doel?' Uiteindelijk komen alle ziekten uit deze éne oorzaak voort - het grote vergeten, in wezen naar Gods beeld en Zijn gelijkenis te zijn geschapen. Weten wij God-in-ons (het geheim), dan zal het ons geen moeite kosten, de volgende tekst uit het gelijknamige boek te begrijpen:

 
PARACELSUS : Ofschoon de ziekten uit de natuur volgens de vier aangegeven entia ontstaan, moeten we toch de genezing ervan in het geloof zoeken en niet in de natuur, zoals het vijfde boek over de praktijk zal aan­tonen

Elke ziekte is dus een vagevuur. De arts mag zich daarom niet aanmatigen dat hij enige invloed uitoefent op het uur der genezing of op het tijdstip van de wer­king van een medicijn. Want dit ligt in de hand van (de innerlijke) God. Wil de voorzienigheid het anders dan u artsen, het u voorstelt, dan maakt u met geen enkel medicijn de zieke gezond. Een zieke, die u met uw medicijn geneest, is u door God gezonden. Geneest u hem echter niet, dan is hij niet door God tot u gestuurd. Wanneer namelijk de tijd der verlossing aangebroken is, dan stuurt God de zieke naar de arts en niet eerder. Wat daarvoor komt is allemaal nutteloos. Daarom zijn de onwetende artsen duivels, die God naar de zieken toestuurt. De wetende arts echter wordt door God gezonden naar hem, voor wie het uur der verlossing ge­komen is. Tegen de voorbestemming kan overigens niemand strijden, ook de beste en kundigste arts niet. Het voor het einde van het betreffende vagevuur van tevoren bepaalde tijdstip moet aangebroken zijn, en wie door God niet de arts der zaligheid en gezondheid toegezonden krijgt, voor hem is geen gezondheid weggelegd (zijn wij dus nog niet bereid te genezen).


Daar God dus de zieke zijn arts zendt, is het de vraag, of de arts door middel van zijn kunde eigenlijk wel iets bijdraagt aan de genezing. Dat wordt door het volgende verduidelijkt: God heeft de medicijnen voor de ziekten geschapen en ook de arts. Maar beide ontzegt Hij de zieke tot het bestemde uur. Pas dan, als het tijdstip gekomen is, maar nooit eerder, oefenen de medicijnen en de kunde van de arts hun genezende werking uit

Zo bent u, christelijke artsen, boven de natuur gesteld. Maar uw kunde werkt niets uit, hoe juist ze ook wordt toegepast, vóór het geëigende moment is aangebroken. Want het moment in de tijd is het moment van uw werking en niet eerder, ook wanneer het moment van de kunde er reeds was

Waaruit bestaat dus eigenlijk de genezende werkzaamheid van de arts? Hij is een knecht van de natuur en God is de meester der natuur. De arts maakt dus niemand gezond, als God zelf hem niet naar het ziekbed stuurt
 
Alles komt van God, de kunde van de ware arts, evenals de juiste dosering en toepassing van geneesmiddelen. De zieke is voor de arts bestemd en de arts voor de zieke. De stad die een goede arts heeft, die velen gezond maakt, is veel gelukkiger dan die een slechte arts heeft. Ik spreek hier ook over de geneeskundige vaardigheid van heiligen, die ik volstrekt niet gering acht.

Uit datgene, wat ik over het ens dei gezegd heb, mag u de gevolgtrekking maken dat u zich in uw kunde, ondanks grondige kennis, niet al te zeker voelt, want dat zou heidens zijn. U moet zich veeleer steeds richten volgens het ens dei, want dat is christelijk en wordt u aangeraden. Alleen een arts, die geen christen is, negeert de wil van God, dat is de predestinatie.

Het verschil (tussen de artsen) zit hierin dat de gelovige niet tegen de natuur in wil gaan, maar de heiden (d.w.z. de ongelovige) wel. De ongelovige wil genezen, of niet, alsof hijzelf God is. De gelovige laat, als hij een medicijn gebruikt en het wil niet werken, de genezing over aan het tijdstip waarop het God zal behagen. Want het medicijn is ook een werktuig van de artsen dat God niet afwijst. Nu egoïsme heerst en gemeenschapszin niet van waarde is, bezorgt Hij de rechtschapene toch zijn voeding, ook tot eer van Zijn schepselen; zodat de deugden gezien zullen worden, die Hij geschapen heeft

U allen moet weten dat God in de ziekten even hoog geloofd wil worden voor zijn heerlijke wonderlijke werken als bijvoorbeeld voor de bloemen van het veld, hoewel de ziekte onaangenaam is voor de mens

Hij is erom te prijzen dat Hij ons de gezondheid gegeven heeft, maar evengoed om de ziekte. Er is eenzelfde meesterschap voor nodig om de bloemen te maken, als om de ziekten te maken, en het is één ordening en één wezen. En zoals Hij het heeft bepaald dat er dingen zijn die de gezondheid kapot maken, zo heeft Hij ook gezorgd voor dingen die de ziekte vernietigen. Want voor beide is een meesterschap nodig, voor vernietigen en voor gezond maken. De winter is evenzeer te prijzen in zijn werkzaamheid als de zomer.

(Uit: Het boek over de podagra)

 

De fundamentele oorzaak van ziekte is dat de mens de orde van de Alwil en de bovennatuur verlaten heeft. Daarom moet hij nu door smartelijke dwalingen en ervaringen in het duister kennis opdoen omtrent de noodzakelijke ontwikkelingsgang. Alle lijden, alle smart, alle harde ondervinding in deze wereld hebben uitsluitend ten doel, ons tot het besef te brengen van de noodzaak van toegepaste en tijdloze alchemie .. De mogelijkheden om tot inzicht te komen door verandering van het eigen wezen zijn ruimschoots aanwezig. Maar, wij maken te weinig gebruik van deze mogelijkheden, omdat de weerstanden in ons - gemakzucht, eigenwilligheid, traagheid en gewoontevorming, maar ook onze afhankelijkheid van allerlei autoriteiten - onze retorten laten afkoelen. Alle onrechtvaardigheid, alle ziekte draagt er welbeschouwd alleen maar toe bij, het vuur van de verandering - dat is het vagevuur - in ons weer aan te steken --- Leidt voor hem die verstaat niet alles tot nog meer begrip en nog grotere mogelijkheden?

Kan er dan nog sprake zijn van een blinde berusting in een naar men meent nog blinder noodlot? Of beseffen wij de noodzaak en de onvermijdelijkheid van de door het lot bepaalde zwaardere of langer durende ziekteperioden, die een mens vaak grondig veranderen, zodat er dan ook van loutering door lijden kan worden gesproken? Waarschijnlijk bestaat hier een hechte samenhang. In de Griekse tragedie volgt op het pathos (het lijden), de katharsis (de reiniging).

Velen van ons hebben dit aan den lijve ervaren, of wij horen het van anderen: 'Het mag misschien vreemd klinken, maar achteraf ben ik blij dat ik destijds die ziekte heb gehad - mijn leven is totaal veranderd, mijn bestaan heeft nu een andere, diepere zin - en ik had die ziekte nodig, om dit te leren inzien --- '

Mikhail Naimy zegt in het Boek van Mirdad het volgende over noodlot en toeval: 'Het toeval is de speelbal der wijzen. Dwazen zijn de speelbal van het toeval.' (blz. 267)

PARACELSUS : De stand van de sterren is aan de wijze onderworpen. Deze moet zich naar hem richten, en niet hij naar de sterren. Alleen een mens die nog dierlijk is, wordt door de sterren geregeerd, geknecht, gedwongen, zodat hij niet anders kan, dan hen volgen - zoals de dief de galg, de moordenaar het geradbraakt worden, de visser het vissen, de vogelvanger de vogels of de jager het wild niet kunnen ontlopen. Dat vindt echter zijn oorzaak in het feit dat zo'n mens zichzelf niet kent, en de krachten die in hem verborgen liggen niet weet te gebruiken, en hij niet weet dat hij de sterren ook in zich draagt; dat hij de microkosmos is en op die wijze het hele firmament met al zijn werkingen in zich heeft. Terecht kan hij daarom voor dwaas en onwijs worden uitgescholden en moet hij in zware slavernij aan al het aardssterfelijke onderworpen zijn.

Wie begrijpt dat hij zich aan de krachten van zijn innerlijke bestemming moet overgeven, die is niet meer gebonden aan het rad van het lot, de uiterlijke sterrenstanden. Die mens heeft in de vaak zo smartelijke leerschool van het leven ervaren dat alleen hij vrijkomt van leed en ziekte, van smart en dood, die de drang van zijn innerlijke gesternte volgt: hij die zich op weg begeeft naar nieuwe kusten, die van de eeuwige waarden.

Het lichaam spreekt een taal; de ziel spreekt een taal. Als wij die laatste niet goed begrijpen, dan zal ons lichaam vaak door middel van ziekte of door onaangenaamheid tot ons spreken; blijven wij in onbegrip tegenover deze taal staan, doordat wij onze natuur negeren, als lastig ver­dringen enzovoort, dan worden de ziekten chronisch en voeren uiteindelijk tot een voortijdige dood --­

Laten wij nogmaals deze stelling citeren:
PARACELSUS : Omdat de mens meer is dan een sterfelijk schepsel, moet hij ook meer kennis hebben. Weet hij, wat in de hemel, op aarde, wat in de lucht, wat in het water is - waarom is dat zo? Daarom, opdat hij zal inzien wie hij is en waaruit hij voortkomt --­
De ziekten van de mensen en hun gezondheden, bestaan alleen daarom dat de mens de basis zal herkennen waaruit hij geboren is --- En de arts is hij, die aan ieder de wonderwerken van God openbaart.

(Uit: Opus paragranum, het Labyrint der dwalende artsen)

Het is de arts van het innerlijk, de mens van de nieuwe geboorte, die de wonderwerken van de kleine en de grote natuur kan openbaren aan hem, die zich aan de leiding van deze eigen innerlijke arts overgeeft --- Wij mogen herhalen wat door het werk van Theophrastus klinkt: 'Laat de patiënt zijn eigen arts zijn en de arts diens helper.'



 
 03. Over de oorzaken van onzichtbare ziekten ( De Causis Morborum Invisibilum)

In wat nu volgt wil ik de mensen de ogen openen, daar in het licht van de natuur het onzichtbare even duidelijk gezien kan worden als het zichtbare. Door het volgende voorbeeld wordt dat duidelijk:

De maan is een licht maar zij laat de kleuren niet zien en in haar licht vloeien alle kleuren door elkaar. Zo is ook de natuur een licht, dat schijnt boven het licht van de zon. Zoals de zon zich verhoudt tot de maan, zo verhoudt ook het licht van de natuur zich tot de kracht van de ogen. Hierin worden de onzichtbare dingen zichtbaar. Men moet steeds voor ogen houden, dat het ene licht het andere overstraalt. (1/221)

De werken dragen het stempel van hun oorsprong. Als de werken zichtbaar zijn, maar hun oorsprong onzichtbaar, dan is dit laatste alleen maar daaruit te verklaren, dat wij niet in het licht wandelen, dat dit onzichtbare zichtbaar maakt. Dat is net als wanneer wij in de duisternis van de nacht een klok horen. Wij kunnen haar niet waarnemen, maar haar uitwerking beslist wel. Want wij horen haar en als wij nu wilden zien, waar de toon vandaan komt, dan kan dat alleen met behulp van een licht.

Ieder ding heeft een bepaald licht, waarin het zichtbaar is en elk licht maakt bepaalde dingen zichtbaar, die in een ander licht onzichtbaar lijken te zijn. De werken verwijzen naar dat wat boven hen is en wie deze aanwijzing niet wilde accepteren, die konden zij niet gelovig maken. Geloven wij de werken, dan geloven wij ook in de Meester van de werken. Het is een dood geloof en kin­derlijk, door de werken niet tot de Meester te streven.

De gebouwen bevallen ons, maar de Meester zal ons nog beter bevallen. De gebouwen leren ons niets, het geestelijke, dat in hen is, komt van de Meester. Een voorbeeld:

Christus was het licht van de wereld, maar Hij was onzichtbaar, want Hij was een mens, zoals zijn werken bewijzen. Die in zijn licht zijn werken her­ kenden, die veranderden helderder dan alle sterren aan het firmament. Onze ogen zagen de werken bij het zonlicht, maar dit kon de Meester niet zichtbaar maken. Daarom moesten zij, die Hem wilden herkennen en Hem wilden zien, zoals Hij eens zichtbaar was, het licht bezitten dat over Hem straalt en waarop de woorden van de apostel betrekking hebben: Hier willen wij drie tempels bouwen. Zo heeft elk ding zijn licht, en wie niet zien wil bij het belangrijkste licht, voor zijn ogen zijn de onzichtbare dingen als een grote berg in het duister van de nacht.

In de natuur vinden wij het licht, dat voor ons die dingen zichtbaar maakt, die zon en maan niet zichtbaar kunnen maken. De mens en alle schepselen zien wij maar voor de helft en daarom moeten wij verder onderzoek doen. (1/ 222)

Wij moeten geen genoegen nemen met alleen de uiterlijke werkelijkheid, maar ons onderdompelen in het werk. Want wie zoekt en klopt, die vindt.

Dat geldt ook voor de ziekten waarvan de oorzaak niet in het zichtbare lijf gevonden kan worden. Deze ziekten zijn slechts uiterlijke effecten, bij het zien waarvan wij niet mogen zeggen: Dat gaat mijn verstand te boven.

Beter is het als wij het licht ontsteken, dat ons het begrip aangaande deze dingen ontsluit. In dit licht zien wij duidelijk, dat er nog een andere helft van de mens bestaat en dat de mens niet alleen uit vlees en bloed bestaat, maar dat hij nog een tweede lichaam heeft, dat te fijn is voor de lijfelijke ogen en dat de drager van bepaalde ziekten en van alle onzichtbare oorzaken ervan is.

Uit: Over de onzichtbare dingen

Elk ding, dat men volgens het licht van de natuur moet leren begrijpen, moet men naar zijn ontstaan beoordelen. In elke oorspronkelijke toestand is dat, wat zich eruit ontwikkelt, in wezen en hoedanigheid reeds aanwezig, omdat het gelijke uit het gelijke voortkomt. De eerste schepping bestaat uit de hemel en de aarde. Nadat deze waren gevormd en van hun natuurlijke krachten en eigenschappen waren voorzien, werd uit al deze dingen door de hand van God de mens naar zijn evenbeeld gevormd. Wat wil ik daarmee zeggen? Niet meer, dan dat de mens een kleine wereld is, niet wat betreft zijn gestalte en lichame­lijke substantie, maar wat al zijn krachten en vaardigheden betreft. Daarom heeft de mens de edele naam microkosmos, dat betekent, dat alle sterrenbanen, de hele natuur van de aarde en van het water en van de lucht in hem besloten zijn. In hem bevindt zich de natuur van alle vruchten van de aarde, alle ertsen en wateren, naast alle constellaties en de vier winden van de wereld.

Wat is er op de aarde, waarvan de natuur en de kracht zich niet in de mens bevinden? God heeft de mens naar zijn evenbeeld gevormd, bereid uit de edelste menging, iets dergelijks is niet meer te vinden. Noch de hemel en zijn krachten, noch de aarde, noch enig element kan de microkosmos en zijn krachten in adel overtreffen. 1/263,264)

 

Citaten

"O heilige geest, wijs mij wat ik niet weet, leer mij hetgeen ik niet kan, en geef mij wat ik niet heb.
Laat mij het volle gebruik mijner zinnen, opdat gij daarin kunt wonen.
Wil mij begiftigen  met de zeven gaven, en ik zal uw goddelijke vrede genieten.
O heilige geest, leer mij en wijs mij, hoe recht te leven.
Amen." (gebed van Paracelsus)


"Het Grote Licht, de Zon der Gerechtigheid kan wel schijnen in een rein ledig gemoed,
maar niet in het grove zand en de as, in de oude Adam met al zijn onrust en begeren.
Daarom moet dat zand eerst smelten, opdat daaruit rein glas te voorschijn komt,
waarin het Wonder der Wijsheid zich openbaart.
Zo moet ook de mens, wil hij wijs worden,
zich laten omsmelten in het kruisvuur van de oven." (Paracelsus)


Opdat men niet zal dwalen daar men al dwalende her- en derwaarts zoekt zonder uitweg, is het noodig wanneer men tot dwaling vervalt dat men daaruit geholpen wordt. Voor dengene die wellicht zou komen te dwalen is het noodig dat dit voorkomen en hij onderricht worde. Op die wijze zijn Godsdienst en Geneeskunde op een dwaalweg geraakt. Verkeerd gaan en weten is een goed begrip, doch verkeerd gaan heeft een dubbele beteekenis. Sommigen dwalen zoozeer, dat zij den Monoculus (eenoog) noch de poorten terug kunnen vinden. Zij zijn verdwaald als de blinden, als onwetenden. Dezen gaan en zoeken zonder einde. De een zit in een slakkenhuisje, de ander in een verward kluwen te zoeken, zoekend waar niets is. Anderen dringen tot het midden van het Labyrint door. Zijn ze daar, dan is de Monoculus gevon­den, (anderen zeggen Minotarum). Is hij gevonden, dan is hij hun koning, die bij hen blijft. Daar regeert dan de Monoculatus met haar wetenschap. Het is een schrikkelijke dwaling, wanneer de kunst dwaalt. Het slimste is als men in de wijsheid dwaalt, daarop­volgend die der duisternis.
 
 
 
 
 
 
Toen ik een tijdje geleden in Amsterdam langs de tweedehands boekenmarkt wandelde viel mijn oog op een oud-ogend boekje. Het leek op mij te wachten, dus kocht ik het. Op deze pagina wil ik enkele hoofdstukken met jullie delen uit:

04. De Doolhof der Geneesleer
(Labyrinthus Medicorum)


              
 
 
 
Uit het eerste en voornaamste boek der geneeskunde,
waaruit iedere genezer zijne kunst nemen en ervaren moet,
het boek dat zijn oorsprong uit den eenigen geest heeft.
 
 
I.
Het eerste en voornaamste boek aller geneeskunde heet wijsheid. Zonder dit boek zal niemand iets goeds en vruchtbaars uitrichten. Dat is wijsheid dat een weten is en geen meenen te weten, zoo, dat zij alle dingen verstaat en met verstand gebruikt. Het is een verstand en wijsheid zonder dwaasheid, domheid, dwaling en twijfel, die de dingen volgens den waren weg, grond, verstand, maat en hoeveelheid hun plaats geeft. In dat boek is de grond, de waarheid en de kennis aller dingen, door welke kennis alle zaken beheerscht, geleid en in hun volmaaktheid gebracht worden. Dat boek is God zelf. Want alleen bij hem die alle dingen geschapen heeft ligt de wijsheid en de grond in alle dingen. Door Hem weten wij wijslijk in alles wat wij doen te handelen en te wandelen. Zonder Hem is niets te beheerschen, te leiden, te ge­bruiken zooals dat moet, zonder hem is alles dwaas­heid. Evenals de Zon ons beschijnt, zoo moet ook de kunst ons van boven af beschijnen. Want wat is wijsheid anders dan de kunst dat ieder zijne gave en roeping weet en kent. Dat kunnen wij zoo min uit onszelf hebben,als wij dag en nacht, zomer en winter uit onszelf hebben.

En ofschoon het geneesmiddel natuurlijk is, dat wil zeggen dat het bij ons op aarde is, als het Argentum vivum, pokhout enz. zoo moet ons dat toch door het hoogste boek getoond worden. Zoodat wij door hetzelve leeren, wat het bevat, hoe het besloten is, hoe het uit de aarde genomen zal worden, hoe de zieken daarmede te helpen en welke zieken. Want het lichaam is geen geneesmiddel, het is de aarde, doch in het lichaam ligt het verborgen. Het is de aarde die noch door het vleesch, noch door het bloed herkend wordt. Hieruit volgt dat het ge­neesmiddel uit den geest die in den mensch is moet vloeien. Deze is van die tot wien hij wederkeert, dat is de leerling van de geneeskunst. Daarop volgt het eerste onderwijs en onderzoek, n.l. dat wij ten eerste het Rijk Gods zullen zoeken. Daar ligt de schat, de school van den grond der wijsheid voor een ieder mensch naar zijne roeping. Daarna worden ons alle dingen gegeven. Wat kan edeler zijn dan te zoeken, aan te kloppen en te vragen in het Rijk Gods? Wij zijn te zamen aardsch, hebben in onze aardsche school niets dan dwaasheid, daarom is ons geboden het Rijk Gods te zoeken waarin alle wijs­heid ligt. Van dit gebod mag de genezer zich niet uitsluiten. Meent hij soms dat de natuur niet in het Rijk Gods is, dan heeft hij het mis, want zij komt van God. En ofschoon de ongeloovige zich voor een genezer kan uitgeven zonder het Rijk Gods te zoeken, zoo wordt hier opgemerkt dat er zonder God niets wordt.

De Geest gaat waar het hem belieft, hij is niemand eigen, hij heeft zijn vrijen wil. Daarom moet de genezer zijn begin in hem nemen. Zonder hem is hij slechts een pseudo genezer, een dolende van eenen vliegenden geest. Doch wil hij de waar­heid der kunst leeren, dan moet hij op de aangegevén wijze beginnen, doet hij dat niet, dan blijft hij leeren zonder aan het einde der waarheid te komen. Zooals Paulus duidelijk aangeeft en menig onderricht geeft waaruit ieder zijne wijsheid zal putten. Dan baart een genezer kunst, als hij die zoekt zooals de apostel Jacobus leert, natuurlijke kracht van God en de verborgen mysterie te ervaren. Het zal niemand bevreemden als ik zeg dat God het eerste boek is.

Want wie kent het werk beter dan die het gemaakt heeft, die weet de werkkracht weer te geven en aan te toonen? Wie anders dan God zal nu het geneesmiddel gemaakt hebben, wie anders dan alleen God zal het weten? Nu vloeit het uit hem als de warmte der Zon die de bloemen te voorschijn lokt. Zoo zal onze wijsheid uit God vloeien. Wat wordt er op aarde ge­vonden dat niet door God tot ons gekomen is? Hij heeft alles in zijn hand gehouden. Willen wij het uit zijn hand nemen dan zal dat moeten zijn door bidden, zoeken en aan te kloppen. Zoo is de weg in de school. Met geweld, door te stelen en met streken, volbrengen wij daar niets. Die ons aangeeft om het dagelijksch brood te bidden, die beduidt ons ook te vragen om wat meer is dan brood. In het brood is niet alleen ons leven, doch ook de kunsten en de wijsheden die van den mond Gods uitgaan. In deze zullen wij ons verzadigen, het maagvulsel voor doodelijk achten, het andere voor eeuwig. Want die geleerd zijn zullen in het Rijk Gods schijnen als het schijnsel der Zon; deze leer moet uit God gaan.

Zoo is iedere volmaakte gave uit God, die ons zegt te bidden, te zoeken en aan te kloppen, zeg­gende: wat wij in zijn naam vragen zal ons gegeven worden. Hieruit volgt dat ons geen steenen of slan­gen voor brood gegeven zullen worden. Ieder leerling der natuur zal nu weten dat hij in dezen vorm de natuur ervaren moet. Want leert dat van mij: het woord dat hij spreekt moet vervuld worden of het kan als geen grond der waarheid worden be­vonden. Wat zonder Hem gevonden wordt is blind, een duister, zonder licht. Op die wijze moeten de geheimen en mysteriën der natuur tot ons komen en worden ons de groote werken Gods geopenbaard. Zoo komen de geheimenissen naar voren door Hem die ze in de natuur gelegd heeft, die zich verheugt zoo wij daarin leeren en het geschrift Gods doorzoeken dat ons alle dingen openbaart. Geeft Hij de vogelen wat hun van noode is, nog veel meer geeft Hij ons, die naar zijn beeld gemaakt zijn. Wat heeft de vogel nog meer dan God hem geeft, terwijl hij kan wat de mensch niet kan? Alle dingen komen van boven, zijn wij in dat boek niet bekend, dan zijn wij met ziende oogen blind.

Daarom heeft het mij goed gedacht, dat ik de boeken der geneesleer aantoonde, voordat ik de ziekten beschreef, opdat daarmede het eerste en ware Boek waarin alle eerste elementen en begin­selen staan, dat tot het goede en volmaakte einde voert, zou herkend worden. Hiermede gaat men het huis recht binnen, klimt niet door het venster, zoo­als de Humoristen gewoon zijn om van de zijde binnen te klimmen en van dit boek niets willen weten. Het is duidelijk genoeg dat zij eerst den schat zoeken die de roest invreet. Daarom wordt hun ook de roest gegeven, want wat ieder zoekt, dat wordt hem gegeven. Waar uw schat is daar is ook uw hart, daarin zult gij ook geworden. Zoo va11en zij onder de spreuk van Paulus: zij doen niets dan leeren en kunnen toch niet tot de kunst der waar­heid komen. Dat is tot diegenen gezegd die het Rijk Gods niet zoeken doch het aardsche.
 

Uit het tweede boek der geneesleer,
waaruit de genezer zal leeren wat het firmament is.

II.

Het moet niemand verwonderen dat ik niet naar boeken of geschriften verwijs om het begin der geneeskunde te leeren en men doet wel de oorzaak daarvan na te gaan. Met het dooreen schrijven van goed en kwaad door ongeleerde lieden, waardoor het goede met het booze besmet wordt, eerder die zaken geprezen worden, die niet deugen dan die goed zijn, maken zij daarmede een mengelmoes, waarop zij als op ongedurige baren her- en derwaarts drijven. Ieder trachtende zich mooi te maken met de veer en van een ander en zich een grooten naam te bezorgen. Door zulke schrijvers is de geneesleer geheel ver­brokkeld en zijn de papieren boeken niet te vertrou­wen. Hoewel enkele hunner wel eenige ondervinding, ervaring enz. gehad hebben was dit slechts zoo, dat zij in den grond der zaak misleid waren. Want de stijl toont aan dat er groote eenvoud met onver­stand in de geneeskunde geweest is. Weet dan dat er andere boeken zijn waaruit de genezer zal leeren, waaruit de ware grond voortvloeit. Zonder deze boeken is alles slechts doode letters, welke de zieken meer ten doode dan tot het leven brengen.

Merk nu het tweede boek der geneesleer op n.l. het boek van het firmament. Dit boek moet in orde na het eerste geleerd worden. Want zooals aange­geven is dat, als gij bet Rijk Gods zoekt u alle dingen worden toegeworpen, zoo is ook dat toe te werpen, wat ons aantoont dat in het licht der natuur staat. Evenals door de letters in een boek een geheele leer kan gezet worden, zoodat een ieder door lezen deze kan doorloopen, zoo is er in bet firmament een boek dat zijn kracht en leer leert herkennen. Niet dat alle zaken door het alphabet hun begin hebben, doch in het geheel geen oorsprong. Hetgeen het alphabet bevat komt van buiten in het alphabet. Echter in het firmament is het in oorsprong en letter een ding. Bijv.: een boom geeft zonder het alphabet den naam van den boom en heeft geen alphabet noodig, toont uit zichzelf aan wat hij is, wat hij geeft, wat in hem is, waartoe hij dient, zonder papier, inkt en pen. Zooals die boom zich nu zelf beschrijft en ons zelf leert hoe hij is en wat daar is, zoo is het boek van het firmament ook. Hiermede komt de oorsprong in het alphabet. Doordat men het steeds op andere wijze wil zoeken, gebeurt het dat men het ééne ware niet meer gelooven wil. Met behulp van dit tweede boek zal men beproeven hoe het goud door het spies glans te maken is. Wie dit boek niet aanvaardt kan nog geen genezer genoemd worden.

De genezer wordt gedwongen evenals iemand een boek van het papier leest, de sterren van het firma­ment te lezen en den zin in volgorde daaruit te nemen. Evenals ieder woord zijn bijzonderen kracht heeft en toch in zichzelf geen zin is, doch door volkomen woorden den zin vormen, zoo moeten de sterren aan den hemel ook te zamen gevat en moet de hemelsche zin daaruit genomen worden, d. w. z. de geheele grond in eenmaal opgenomen en verstaan worden. Op dezelfde wijze als wij een brief, die honderd mijlen ver gezonden is juist zoo zouden verstaan zooals de schrijver daarin zijne meening aangegeven heeft, zoo komt het firmament ook briefsgewijze tot ons. Zie nu om naar den bode gij genezer, waar hij te vinden is die voor u heen en weder gaat.

Zoo zal dit tweede boek der geneesleer begrepen worden. Dat boek bedriegt niemand, is door geen bedriegelijken schrijver geschreven, maar door Hem die geen papier noodig heeft om ons te leeren. Hij heeft wel geweten dat er bedriegers zouden opstaan om met tekortkomende pen te schrijven.

Zoo is de weg om de geneeskunde te bestudeeren, zoo is het boek der hoogeschool van de geneesleer, zoo de schrijver van de geneesleer, zoo wordt het begin en het einde der ziekte gevonden. Hoewel een dergelijk boek van het firmament op papier be­schreven wordt, is dit slechts als een schaduw op den wand, of als een spiegelbeeld, dat niemand een volkomen onderricht geven kan. Die echter de vol­komen onderrichting wil kennen, moet datgene­ zien waardoor de schaduw of het spiegelbeeld ont­staat. Ziet hij dat goed, dan wordt hij niet bedrogen, heeft geen spiegel noodig, ziet dat levendig waaruit de grond voorkomt

De boeken der geneeskunde zijn niet volkomen in de pen, doch op de plaats zelf. Geen boom kan door de beschrijving, wel door zijne tegenwoordigheid herkend worden. Niet het uiterlijk moet men nagaan, doch wat daarin is, dat is de boom. De spijs is geen spijs voor zij vleesch en bloed wordt. Hetgeen de mond opneemt is geen spijs, maar wat door het vleesch en het bloed opgenomen wordt is voedsel. Daarom zullen wij niet in den spiegel leeren, want hetgeen wij moeten weten is daarin niet te vinden. Wel echter in die boeken waarvan het firmament er een is.

Het is meer dan belachelijk, dat de genezers de ware boeken van de geneesleer niet ter hand willen nemen, doch hun tijd aan nuttelooze en verdichte boeken verdoen, waarvan de letters dood zijn en de zin geen leven heeft, zooals zij dan ook door hun werk betuigen, zij trachten niet als iemand tot hen zegt, dat het boek van de geneesleer bedriegelijk is, na te gaan wat het ware is. Zal een dergelijk boek beproefd worden, dan moet dat gedaan worden met hetgeen waaruit het bestaat.

Het Evangelie uit Christus is uit hem; het natuur­lijk boek uit de natuur, is uit de natuur. Als nu het natuurlijk boek van het firmament niet in het weten bestaat, hoe kan het dan door het spiegelbeeld en de schaduw bewezen worden? Zal nu niet begrepen worden waarom het gaat? Hoe kan een timmer­man een ander boek hebben dan zijn kunst en het hout, een metselaar dan steen en cement, een ge­nezer dan het boek, dat de menschen ziek en gezond maakt? Het verstand moet voortvloeien, waaruit het is en het spiegelbeeld daarvan moet beproefd worden. Het lichaam is het boek, daarheen zal de genezer gaan. Evenals Christus zegt: "waar het lichaam ligt daar verzamelen zich de arenden", wordt dit gezegde in verband met de natuur gebezigd. Want waar het geneesmiddel is, daar zullen de genezers zich ook verzamelen.

Evenals ieder ding naar zijn aas vliegt en in het aas verzadigd wordt, zoo moet het firma­ment een boek zijn, waar het aas ligt van het natuur­lijk licht. Waar de kunst is daar verzamelen zich de kunstenaars. Zoo is het geneesmiddel en de kunst een lichaam en het firmament is een deel van dat lichaam. Daarom zullen de genezers zich op die plaatsen verzamelen. Versta dit tweede boek der geneesleer zoo, dat het niet genoeg is zich te verge­noegen om als een vledermuis rond te fladderen, doch men moet zich tot den waren grond en oor­sprong wenden. Zooals de arenden tot hun aas vliegen zal ieder tot zijn aas vliegen, waartoe hij behoort en waardoor hij gevoed moet worden, opdat daarmede de kunst volkomen zal worden ervaren. Zoo weinig men het spiegelbeeld kan leeren en doorgronden, zoo min kan de ware grond uit de pen vloeien. Doe daarom de oogen open en tracht naar het ware aas te vliegen.

 
 
 05. Paracelsus en het occulte in dienst van de geneeskunst.


… Van Moskou reisde hij naar Constantinopel in gezel­schap van een Tartaarse edelman en bracht daar verscheidene maanden in het huis van een beroemden "tovenaar" door. Wat hij bij de Turken en Tartaren leerde was niet alleen vermeerdering van zijn positieve medische kennis. Hij leerde er ook de krachten kennen, welke strekken tot het stalen van den wil en het op­wekken der verbeelding, kunnende deze aangewend worden ten goede of ten kwade, om ziekten te genezen of ze te veroorzaken, om menschen te kalmeren en aan te sterken of ze tot ondergang te doemen.

Wij weten dat Paracelsus reeds vroeger het occultisme bestudeerd had en veel er van overboord had gegooid wat hem slechts bijgeloof en fantasie toescheen. Maar de kennis omtrent de hoogere leer van den altijd aanwezigen in­vloed van den geest op het lichaam en een juist inzicht in de wijze waarop deze den macrocosmos en den micro­cosmos met elkaar verbindt, heeft hij zich in deze tijds­periode eigengemaakt.

Wel had hij reeds veel op het gebied van magnetisme, suggestie en hypnose en telepathie geëxperimenteerd. Maar pas zijn verblijf temidden van deze Oostersche nomaden, gedurende een vollen zomer, waarbij hij van Saracenen en Turken een en ander leerde omtrent het leven van hunne heiligen en van Joodsche dokters en astrologen omtrent de geheimen van hun Kabbala, overtuigde hem van het werkelijk bestaan dier occulte machten, welke bij alle volkeren in de oudheid de gave der priesters zijn geweest. Het was dezelfde gave, die aan Mozes geschonken was in Heliopolis, waardoor hij de bevrijder en wetgever van zijn volk werd - de wijs­heid van Salomo, die al het geschapene kende - de wijsheid van Samuel en die van de profeten, aan wie zij in haar meest verheven vorm geschonken was: het zoeken van God.

De waarde, die er voor Paracelsus zelf in gelegen was, bestond in de macht, die hij daardoor kreeg om zijn zieken te genezen, en hij keerde naar Italië terug met een nog grooter eerbied voor de onzichtbare gaven en machten, die de natuur aan den mensch geschonken heeft.

In het vierde boek van zijn Defensiones schrijft hij later:

 "Aan de universiteit kan men niet alles leeren. Daarom moet een dokter te rade gaan bij oude vrou­wen, zigeuners, tovenaars, zwervende stammen, oude rovers en dergelijke buiten de wet staande personen en van hen leeren.

Wij moeten alles voor ons zelf uit zien te vinden, reizen door vele landen en veel onderzoeken en wanneer wij dat dan gedaan hebben, datgene behouden wat goed is."

[---]

"Mijne reizen hebben mij veel geleerd en tot mijn ont­wikkeling bijgedragen. Niemand komt tot beteekenis, wanneer hij thuis blijft, noch vindt hij zijn leermeester achter de kachel. Want kennis ligt niet opgesloten, maar is verspreid over de geheele wereld. Men moet ze opzoeken en tot zich nemen, waar men ze vindt. Ziekte zwerft over de geheele wereld rond en blijft niet op één plaats. Als iemand haar wenscht te doorgronden moet hij ook zwerven. Geeft het reizen niet meer inzicht dan het thuisblijven? Een dokter moet een alchimist zijn. Hij moet de moeder aarde zien, daar waar haar mineralen verborgen liggen en als de bergen niet naar hem toe willen komen dan moet hij naar de bergen gaan. Hoe kan een alchimist weten hoe de natuur werkt, als hij de mineralen niet daar zoekt, waar ze liggen. Mag men mij verwijten, dat ik de mineralen opgezocht heb en hun aard en wezen heb leeren kennen en de kennis daarvan vastgehouden, zoodat ik weet hoe het zuivere mineraal van de slakken te scheiden, hetwelk doende ik veel ontberingen heb geleden?

Waarom kwam de koningin van Sheba van ver over zee om de wijsheid van Salomo te vernemen? Omdat wijsheid een gave Gods is, welke Hij aan den mensch op die manier verleent, dat deze er naar moet zoeken. Het is waar dat zij, die ze niet zoeken, dikwijls meer rijkdom bezitten dan zij die het wel doen. De dok­ters, die achter hun kachel blijven zitten, dragen vaak gouden ketenen en zijden kleeren en zij, die reizen, kunnen zich nauwelijks de weelde van een boerenkiel veroorloven. Zij die thuis blijven zitten, eten patrijzen en die de wijsheid nastreven eten melksoep. Maar hoewel ze niets bezitten, kennen zij echter de waarheid van het woord van Juvenalis: "Hij alleen reist gelukkig, die niets bezit." Ik geloof dat het mij tot eer strekt en niet tot schande, dat ik mijn reizen met geringe kosten heb volvoerd.

En ik verklaar hierbij, dat dit de waarheid is betreffende de natuur: wie haar wenscht te leeren kennen moet met zijn voeten over haar boeken loopen. Men leert schrijven door de letters te kennen en de natuur door het eene land na het andere te door­kruisen, want ieder land is als een boek. Zóó is de Codex Naturae en zóó moet een man haar bladen omslaan. "

Bron: Paracelsus – Dr. P.H. v.d. Hoog  - hfdst III zwerversjaren
 
 
 In een nieuw (aangeschaft) oud boek – De Inwijdingsriten, mythen en legenden der Oude Mysteriën, door J. Kruisheer - vond ik een boeiend en merkwaardig hoofdstuk over Paracelsus dat ik hier graag wil toevoegen.

06. DE ALCHEMISTEN EN PARACELSUS
 

Al of El is in het Hebreeuws een Naam voor de Godheid, ongeveer op dezelfde wijze als in andere Oosterse godsdiensten daarvoor het lidwoord Het wordt gebruikt, of ook Dat, veelal vertaald als 'God'. Ook het meer­voud Elohim wordt in de Bijbel als enkelvoud, God, vertaald. Chem was in Egypte de naam van dat land en het Arabische ‘Al-chemie’ is ook een naam die wijst op de chemie van Al of Het, de chemie der Natuur, of ook van 'Hij die is', Allah of El-Yah.

Toch - zegt Dr. W. Wynn Westcott - schijnt het Arabische woord Alchemie van het Grieks afkomstig te zijn, waar 'Chemia', sap, vloeistof uit een plant was. Het vroegste gebruik van de term 'alchemie' wordt gevonden in de werken van Julius Firmicus Maternus, die leefde in de dagen van Constantijn de Grote. De Keizerlijke Bibliotheek te Parijs bevat het oudste in Europa bekende afschrift; het was geschreven door Zosimus de Paxopoliet in onge­veer 400 A.D. in de Griekse taal; het daarop in ouderdom volgende is dat van Aeneas Gazeus van 480 A.D.

In middeleeuws Europa werd de Alchemie ingevoerd door Geber (Geber, Gabir, is 'Groot'), de grote Arabische Wijze, filosoof in de achtste eeuw A.D. te Cordova. Toch werd zij reeds in de aller­oudste tijden in China toegepast. En in Egyptische papyri wordt vermeld dat ook daar de Alchemie door Koningen en Priesters werd bestudeerd, gewoonlijk bekend als de 'Hermetische Verhandelingen'. In de Middel­eeuwen waren het Robert Fludd, Thomas Vaughan, Paracelsus en Van Helmont die Alchemisten waren. Zij zochten de verborgen geest in alle organische stof.

Hoewel er omtrent de Alchemie weinig definitiefs bekend is, lijkt het toch wel zeker dat zij zelfs ouder is dan sommige, ons bekende Mythologieën en dat ze vooral een bestudering bedoelde te omvatten van de gepersoni­fieerde Krachten der Natuur. Het Ware Geheim daarvan was dan blijkbaar en waarschijnlijk reeds ten tijde van de meest Oeroude tijden in de be­schavingen van Peru en Atlantis geleraard. Lang voor het dagen van onze 'historische' tijd was het reeds verloren gegaan.

Alchemie bevat de studie en het onderzoek van de fijnere krachten der Natuur en van de onderscheiden toestanden waarin zij werken. Zij tracht in omsluierde taal voor de oningewijde zoveel (of zo weinig) mede te delen van het mysterium magnum als in deze zelfzuchtige wereld veilig kon worden geacht.

Deze leer onderrichtte drie onderscheiden aanzichten, welke echter ruimte lieten voor verschillende interpretaties ingevolge de leer der univer­sele correspondenties, van de Wet van Cosmische, Menselijke en Aardse overeenkomsten: Zo boven, zo beneden: Deze drie mogelijkheden of me­thoden werden aangeduid en getypeerd door drie alchemistische eigenschappen of vermogens, genaamd: sulfer (zwavel), kwikzilver en zout. Ver­schillende beschrijvingen worden daarbij gegeven omtrent het verloop van dat proces in b.v. 3, 7, 10 of 12 stadia, doch alle stemmen hierin overeen dat er slechts één doel is, nl. de grove metalen (symbolisch) om te zetten in zuiver goud!

Zeer weinigen echter vermoeden wat dit goud eigenlijk is, of liever, wat het voorstelt. Ongetwijfeld is in de Natuur zulk een daadwerkelijke omzet­ting mogelijk en de moderne Chemie ontkent deze mogelijkheid dan ook geenszins, maar toch werd en wordt de voornaamste stelling en het uitgangs­punt der Alchemisten vergeten, nl. dat alles is voortgekomen uit Eén Oorspronkelijke Substantie. En toch is dit de grondslag, de Waarheid. waarop alle aardse zowel als alle hemelse Chemie is gebaseerd. De zuiver aardse materialen vormen slechts één aspect, het aardse.

Maar tegelijkertijd kan dit volgens de wet der correspondenties ook op hoger niveau worden gelezen. Naast en buiten de aardse interpretatie bestaat er een geheime, symbolische en ook een zuiver spirituele maatstaf of vertaling - de Transmutatie van de lagere vier in de goddelijke, opperste Triade van de mens. En deze vier en drie kunnen tenslotte samenvloeien in de Ene, gesymboliseerd als zuiver Goud, in de boeddhistische Legende van Padmapani, 'het Juweel in de Lotus' genoemd. In de Alchemie worden de vier gebieden waarin de mens woont leeft en werkt, vergeleken met en gesymboliseerd als: vuur, lucht, water en aarde. En elk daarvan kan in één van de delen der drievoudige aard en samen­stelling zijn: vast, beweeglijk en vervliegend.

De Alchemist gaat uit van het bestaan van deze mogelijkheid van trans­mutatie van al de lagere eigenschappen en vermogens der mensen tot een van het zuivere Goud van de Geest, d.i. tot de Universe Eenheid - de 'Summa Materia' of de ‘Steen der Wijzen', het Mysterium Magnum, het Levens-elixer.

Hiernaar kan en moet met alle macht gestreefd worden. Het bezit de macht om de 'lagere metalen' om te zetten in 'zuiver goud'. Dit symboliseert op mystische wijze de transmutatie van de lagere aard des men­sen in de hoogste en goddelijke, die van goud! Dit is de Alkahest of het Universeel Solvent! Het symboliseert derhalve het Hoger Zelf; bij de een­wording daarmee wordt van de materie (lood), goud gemaakt en zo worden alle samengestelde dingen zoals het menselijk lichaam en zijn attributen, tot de oorspronkelijke essence teruggebracht; de vele worden dan de Ene.

In abscondito vormen Geest en Materie Eén Eenheid. de Eeuwige, on­vergankelijke. onverwoestbare Wortel van alles, zonder begin of einde. Dit Solvent wordt ook 'menstruüm universale' genoemd en bezit het vermogen om alle kiemen van ziekte te verwijderen. Het zuivert. Daarom is dit het Magnum Opus, het Grote Werk der Alchemie. Het is 'werk’, handeling, actie, het produceren of scheppen van Goud, van de Steen der Wijzen of van het Levenselixer, de Yliaster, Limbus Major of Oorspronkelijke Materie, waarin - zoals Paracelsus het zei - 'alle dingen en alle elementaire materie zijn vervat', in potentialiteit, niet in actie. In dit Mysterium Magnum van de Oerschepping ligt de Oorsprong van alles wat bestaat. d.i. in afgescheiden­heid geboren is.

Het Magnum Opus doelt dus evenzeer op Wereldschepping en Evolutie als op de scheppende evolutie van de mens op aarde; het verschaft de Levens­stroom van al-wat-is, het Levenselixer dat Wijsheid vertegenwoordigt en de Somadrank der Hindoes welke alle Leven intensiever doet werken.

De Alchemisten onderzochten onder vele en zeer uiteenlopende bena­mingen. de toestanden waarin de Krachten der Natuur zich manifesteren. trachtten hun aard en hun wezen te bestuderen door middel van de ver­schijningsvormen op aarde waardoor zij zich kenbaar maakten.

Het is niet genoeg dat de profane wereld zou leren wat er wordt bedoeld met deze grote Magische Agentia. soms ook het Astrale Licht' genoemd, en wat de Alchemisten ook wel de 'Hemelse Maagd' noemden (de Hindoese Akasha), maar het bevat de sleutel tot de talloze correspondenties op de di­verse gebieden van Natuur en Leven.

Waarschijnlijk is Paracelsus wel een van de thans nog meest bekenden van de oude Alchemisten, door de vele geschriften die nog van hem beschikbaar zijn. hoewel ook bij hem de lezer voortdurend in gedachte moet houden dat hij in symbolentaal spreekt. waarbij hij weliswaar steeds tracht zo dui­delijk mogelijk te spreken. doch tegelijkertijd de zaak evenzeer versluiert. Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim leefde van 1493 tot 1541, dus ten tijde van Luther en nog betrekkelijk dicht nabij onze tijd. Van beroep was hij geneesheer, doch tegelijkertijd was hij filosoof, mysticus en alchemist en hij hield vol dat deze drie aspecten niet van elkan­der gescheiden konden worden.

Als geneesheer bestudeerde hij de mens, doch hij liet zich daarbij niet door zogenaamde wetenschappelijke voorschriften of beperkingen. noch door bekrompen godsdienstig geloof begrenzen, een houding waardoor hij zowel met de Kerk als met de officiële wetenschap in conflict kwam. Groot is het aantal zijner geschriften die ons een onuitputtelijke bron verschaffen van wijsheid en kennis. Hij had een zeer eigene en originele wijze om zijn ge­dachten in korte en duidelijke bewoordingen uit te drukken en de geestelijke grondslag van alles wat hij onderrichtte was kennis. 'Wat is de waarde van een filosofie welke niet door geestelijke (innerlijke) openbaring wordt ge­steund' zegt hij in 'Philosophia Occulta'. En dat hij daarom beschuldigd werd in verband met de duivel te staan is evenmin te verwonderen als dat hij tenslotte door een onbekende vijand op de leeftijd van 48 jaar werd ver­moord. Hij stierf te Salzburg en heeft een aantal werken nagelaten waarin verschillende uitlatingen profetie zijn gebleken. De scheikunde is hem de ontdekking van stikstof of nitrogenium verschuldigd.

'De hoogste verdienste van Paracelsus - zegt Giordano Bruno - is, dat hij de eerste was die de geneeskunde als filosofie beschouwde en dat hij ma­gische middelen (hypnose. suggestie, enz.) gebruikte in gevallen waarin physieke middelen niet voldoende waren.' En Van Helmont getuigt: 'Para­celsus was een voorloper van de ware geneeskunde. Hij was door God ge­zonden en met goddelijke kennis begaafd. Hij was een sieraad voor zijn land en alles wat tegen hem gezegd werd is niet waard om naar geluisterd te worden.'

Het is waar dat, om hem te kunnen begrijpen, er een zeker geestelijk in­zicht en intuïtie nodig zijn, want menigmaal spreekt hij over metafysische dingen en niet over lichamen, omdat de eerste als de oorzaken moeten worden beschouwd, zoals de nieuwere psychologie begint te ontdekken. Zo zegt hij b.v. (Paramirum): Er is slechts één eeuwige en universele Oorzaak van alles, en die is God... maar om ons eindig begrijpen dat de macht van het Oneindige niet kan bevatten te hulp te komen, worden wij gedwongen de theorie van een veelheid van oorzaken van al onze ziekten te aanvaarden... Daarom hebben wij de oorzaak van al onze ziekten in vijf klassen verdeeld, welke als volgt zijn: Ens Astrale, Ens Venerale, Ens Naturale, Ens Spirituale, Ens Deale; doch de laatste is de fundamentele oorzaak van alles wat bestaat.'

Ook in de Hindoe Veda’s vinden wij deze vijfvoudige indeling van de oorzaken van ziekten:

1. de astrale oorzaken of oorsprong van ziekten;
2. oorzaken die voorkomen uit vergif of onreinheden;
3. oorzaken die voortkomen uit ziekelijke toestanden van het lichaam;
4. geestelijke oorzaken en zulke als door werking van de wet van moraal ontstaan ;
5. God.

Een eerste eis voor een geneesheer is - volgens Paracelsus, dat hij zelf een rein leven leidt, een adeldom van levenswandel. 'Een van de meest noodzakelijke vereisten voor een geneesheer is, volmaakte reinheid en zuiverheid van doel. Hij zou vrij moeten zijn van ambitie, ijdelheid, afgunst, onkuisheid, verwaandheid en eigenwaan, omdat deze ondeugden het resultaat zijn van onwetendheid en onverenigbaar met het licht van goddelijke wijsheid welke het denken van de ware geneesheer zou moeten verlichten; doch onze beoefenaren der geneeskunde willen mij niet geloven wanneer ik zeg dat het noodzakelijk is dat een geneesheer, om succes te hebben, deugdzaam moet zijn, omdat zij zich verbeelden dat succes het resultaat is van kennis en ge­leerdheid alleen en zij niet kunnen begrijpen dat alle ware wijsheid en macht van God afkomstig is'.

En elders zegt hij: 'Wijsheid kan niet aangeleerd wor­den; het is een trap van evolutie. Verstandelijke geleerdheid is een kunstmatig ding, wellicht verzameld door iemands zelfzuchtige inspanning. Maar wijsheid is het realiseren van de waarheid van binnen, is zielsontwikkeling.' (De oorsprong van ziekten).

Daarom berust de geneeskunde van Paracelsus op vier Zuilen:

1. Filosofie, dat is Kennis van de physieke aard;
2. Astronomie, dat is kennis van de krachten van het verstand-denken;
3. Alchemie, dat is kennis van de goddelijke vermogens in de mens;
4. De persoonlijke deugdzaamheid (heiligheid) van de geneesheer.

En wat zegt men in onze tijd van dit citaat uit zijn Paragranum I:

'De kwakzalver bestudeert de ziekten van de aangetaste organen, waar hij niets anders vindt dan de uitwerkingen (of gevolgen) welke reeds hebben plaats gegrepen, en hij zal zijn doel nooit bereiken, want al zou hij duizend mensen doden met het doel deze verschijnselen te bestuderen, zou hij nog even onwetend blijven ten opzichte van de oorzaken. De ware geneesheer bestudeert de oorzaken van ziekten door de mens als geheel te onderzoeken. . ..De vernietiger is geen geneesheer, doch de uitvoerder van een doodvonnis en een moordenaar. Laat de eerlijke man zijn eigen geweten afvragen of God kan bedoelen dat iemand wijsheid zou verwerven door moord.'

Is deze uit­spraak niet als een gloeiende waarschuwing voor vele hedendaagse prak­tijken op dit gebied gedaan 'in naam van menselijkheid'?

De mens bestuderend, komt Paracelsus tot de volgende uitspraak (De Vir­titute Imaginative): ‘De mens is denker; hij is dat wat hij denkt. Wanneer hij vuur denkt, is hij vuur; wanneer hij oorlog denkt, zal hij oorlog verwekken; het hangt alles daarvan af of het geheel van zijn verbeelding een volledige zon zal worden, d.i. dat hij zich volledig verbeeldt dàt wat hij wil'.

'Geest is de meester, verbeelding het werktuig en het lichaam is het plas­tische materiaal.' Dit alles vormde de praktische grondslag van zijn genees­methode. 'De onzichtbare mens is verborgen binnen de zichtbare en is genoemd naar de uiterlijke zolang als hij in die uiterlijke gevestigd blijft. De innerlijke mens is om zo te zeggen de tegenhanger van het stoffelijke lichaam. Het is etherisch van aard, toch is het substantie; het bepaalt de groei en de vorming en de oplossing van de vorm waarin het zich (op aarde) bevindt; het is het edelste deel in de physieke mens. Gelijk iemands beeld in een spiegel weerkaatst wordt, zo wordt de vorm van de physieke mens in het onzichtbare lichaam weerkaatst.' (De Generatione Hominus).

Het levensbeginsel noemt hij Archaeus, daar het geen materiële substantie in de gebruikelijke betekenis van het woord is, doch een geestelijke essence, alomtegenwoordig en onzichtbaar. Deze Archaeus werkt in alle delen van het lichaam, al naar de samenstelling en de toestand of geaardheid van de organen waarin het werkt. Dit komt overeen met het Hindoese begrip om­trent Prana. De Geest van elk schepsel is het middelpunt dat het levensbe­ginsel aantrekt; wanneer de geest de lichaamsvorm verlaat, zal het desbe­treffende leven tot andere centra worden getrokken.

Voor Paracelsus waren wil, verbeeldingskracht (denken) en zuiver, rein, persoonlijk magnetisme de voornaamste middelen tot genezen. Hij zag de mens als een Microcosmos, corresponderend in aard en samenstelling met de Macrocosmos. Naast de anatomie van het lichaam, kende Paracelsus een anatomie van de levende, innerlijke Mens. De laatste was voor hem het meest belangrijke, bevattende de innerlijke oorzaken van ziekten. Genezen moet daarom voornamelijk geschieden en gedaan worden door de Innerlijke Mens. Dit proces kan door de geneesheer geleid worden indien hij de daartoe benodigde kennis omtrent de Innerlijke Mens bezit. 'Het vermogen om te zien komt niet van het oog; het vermogen om te horen komt niet van het oor, evenmin komt het vermogen om te gevoelen van de zenuwen. Het is de menselijke geest die ziet door (middel van) het oog en hoort door (middel van) het oor, gevoelt door (middel van) de zenuwen. Wijsheid en rede en denken zijn niet vervat in het brein, doch zij behoren tot de onzichtbare geest die gevoelt door het hart en denkt door middel van het brein’. (De Virilus Membrorum.)